Bus 10 - Ruimtelijke onderbouwing
Tekst van het document
De verplichting luidt op advies van ODBN als volgt: Voorwaardelijke verplichting bodemkwaliteit De gronden (drupzone) ter plaatse van de aanduiding ‘voorwaardelijke verplichting bodemkwaliteit’, circa 30 m1 , mogen ten behoeve van deze bestemming in gebruik worden genomen, mits voorafgaand hieraan middels een bodemonderzoek volgens de NEN 5707, is aangetoond dat:
- 32 -
Gemeente Meierijstad
Ruimtelijke onderbouwing Bus 10 Sint-Oedenrode
a. deze gronden milieuhygiënisch geschikt zijn voor het beoogde gebruik en het bevoegde gezag het/de betreffende onderzoek(en) heeft goedgekeurd. b. eventueel aangetoonde verontreiniging, waardoor de gronden milieuhygiënisch ongeschikt zijn voor het beoogde functie, zijn functioneel gesaneerd op een door het bevoegd gezag goedgekeurde wijze. Voor wat betreft het aspect bodem zijn er hiermee geen belemmeringen voor onderhavig initiatief.
4.6
Water Waterbeheer is een essentieel onderdeel bij ruimtelijke ontwikkelingen. Het plangebied valt onder het beheer van Waterschap De Dommel. Bij ruimtelijke ontwikkelingen hanteert het Waterschap een aantal beleidsmatige uitgangspunten ten aanzien van het duurzaam omgaan met water. In deze paragraaf wordt beschreven op welke wijze bij het project rekening is gehouden met de ruimtelijk relevante aspecten van (duurzaam) waterbeheer Relevante beleidsstukken op het gebied van water zijn het Waterbeheerprogramma 2022-2027 van het Waterschap de Dommel, de Keur Waterschap De Dommel 2015, het Provinciaal Waterhuishoudingsplan van de provincie NoordBrabant, de Vierde Nota Waterhuishouding, WB21, Nationaal Bestuursakkoord Water en de Europese Kaderrichtlijn Water. Kern van deze beleidsstukken is dat water een belangrijk sturend element is in de ruimtelijke ordening. Waterbeheerprogramma 2022-2027 - Water als basis voor een toekomstbestendige leefomgeving. Het water- en bodemsysteem is onontbeerlijk voor een gezonde en leefbare ruimtelijke inrichting van Noord-Brabant. Meer dan ooit is het belangrijk om rekening te houden met het concept van de lagenbenadering om een toekomstbestendige leefomgeving te waarborgen. Door klimaatverandering en ruimtelijke druk, staat immers de veerkracht van het water- en bodemsysteem onder druk. De lagenbenadering beschrijft de ruimte in drie lagen.
De eerste laag bestaat uit de fysieke ondergrond, het water- en bodemsysteem. De tweede laag bevat netwerken van infrastructuur met onder meer wegen, spoorlijnen en waterwegen. Tot slot de derde laag met de menselijke activiteiten zoals wonen, werken en recreëren en de fysieke neerslag daarvan. Ruimtelijke planning en gebiedsontwikkeling is een proces waarin continu keuzes worden gemaakt. De lagenbenadering helpt in dit keuze- en afwegingsproces en dient als kwaliteitskader voor alle (ruimtelijke) plannen. Elke laag draagt bij aan de ontwikkeling. De lagenbenadering betekent wel dat een onderliggende laag voorwaarden stelt aan andere lagen. Zeker vanuit een perspectief van duurzame ontwikkeling zijn veerkracht en omkeerbaarheid van ingrepen belangrijke gegevenheden.
- 33 -
Gemeente Meierijstad
Ruimtelijke onderbouwing Bus 10 Sint-Oedenrode
Met het Waterbeheerprogramma 2022-2027 (WBP5) start Waterschap De Dommel met de ‘watertransitie’: op weg naar een toekomstbestendige waterhuishouding. Uiterlijk in 2050 is de waterhuishouding in ons hele beheergebied toekomstbestendig. Dit betekent een waterhuishouding die in een goede waterkwaliteit voorziet. En een waterhuishouding die robuust, wendbaar en in balans is met de omgeving. Zowel in het bebouwde als het landelijke gebied en van de beekdalen tot en met de hoge zandruggen. Het grond- en oppervlaktewatersysteem kan de grotere weersextremen opvangen door maximaal gebruik te maken van de dempende sponswerking van de bodem/ondergrond en de natuurlijke hoogteverschillen voor het vasthouden van water. We hanteren drie principes die inhoudelijke sturing geven aan de watertransitie: • Elke druppel vasthouden en infiltreren waar deze valt • Functies passen zich aan het bodem- en watersysteem aan • Wat schoon is moet schoon blijven We moeten ons, nog meer dan voorheen, aanpassen aan de veranderende leefomgeving en op zoek gaan naar nieuwe oplossingen en antwoorden. Juist de voor Midden-Brabant zo karakteristieke verwevenheid van bebouwing, landbouw en natuur is een kans om de wateropgaven slim in te passen. Dit vereist een integrale, gebiedsgerichte aanpak samen met alle partijen.
Een gebiedsgerichte aanpak is alleen succesvol als naast de wateropgaven ook de opgaven vanuit natuur, stikstof, economie, landbouwtransitie, energietransitie, biodiversiteit, mobiliteit en woningbouw onderdeel van de aanpak zijn. Niet sectoraal, maar integraal. Alleen dan gaan we oplossingen vinden voor een leefbaar Midden-Brabant met een duurzaam en toekomstbestendig watersysteem dat goed is voor inwoners, bedrijven, landbouw en natuur. De grote uitdaging zit hem vooral in de vraag hoe we dit gaan bereiken. Meer dan voorheen gaan we daarbij: • van beekdalgericht naar gebiedsgericht; onze aandacht gaat naast het beekdal ook uit naar de flanken, de hoge zandruggen en bebouwd gebied. • van sectoraal naar integraal; samen met overheden en gebiedspartners maken we keuzes over meerdere opgaven in een gebied. • van water afvoeren naar elke druppel telt; maximaal water conserveren, minder grondwater gebruiken en slimmer sturen. Keur Waterschap De Dommel 2015 In de 'Keur Waterschap De Dommel 2015' staan regels (met name geboden en verboden) die het waterschap hanteert bij de bescherming van waterkeringen, watergangen en bijbehorende kunstwerken. Ook zijn er regels voor het onderhoud van sloten, beken en andere waterlopen om de waterafvoer in dit oppervlaktewater te waarborgen.
Daarnaast kent de Keur beleidsregels voor het beschermen van bepaalde deelgebieden met elk een eigen beschermingsbeleid. Het gaat hierbij om beschermde gebieden waterhuishouding, beekdalen en - 34 -
Gemeente Meierijstad
Ruimtelijke onderbouwing Bus 10 Sint-Oedenrode
attentiegebieden. Met deze beleidsregels wordt aangegeven op welke wijze gebiedsgericht wordt omgegaan met waterbelangen. Realisatie van nieuw verhard oppervlak en het afkoppelen van verhard oppervlak moet op grond van de keur hydrologisch neutraal worden uitgevoerd en optimaal worden ingepast in het bestaande watersysteem. De aanvrager/initiatiefnemer moet daarom voldoende compenserende maatregelen nemen, zodat het oppervlaktewatersysteem na realisatie van de verharding voldoende robuust blijft. Uitgangspunt hierbij vormt de voorkeurstrits “vasthouden-bergenafvoeren”. Vasthouden kan door hergebruik of door het infiltreren van water in de bodem. In geval niet of onvoldoende kan worden geïnfiltreerd is een aanvullende voorziening noodzakelijk die het water tijdelijk bergt. In onderhavige situatie worden drie voormalige stallen gesloopt waarmee het dakoppervlak per saldo afneemt met 806 m2. Daarnaast wordt 150 m2 aan verharding (betonklinkers) verwijderd. Het verhard oppervlakte neemt als gevolg van de voorgenomen ontwikkeling dan ook af. Compensatie is op basis van het huidige beleid niet aan de orde omdat deze onder de ondergrens van 500 m2 valt, die door het waterschap De Dommel per 27 maart 2021 wordt gehanteerd. Waardevol Water in Meierijstad (VGRP+ 2017-2022) De gemeente Meierijstad heeft per september 2017 een water- en rioleringsplan (VGRP+ Meierijstad) vastgesteld.
In het plan streeft de gemeente ernaar dat nieuwbouwplannen hydrologish neutraal worden uitgevoerd. Als voorkeursvolgorde hanteert de gemeente: infiltreren - bergen - afvoeren naar oppervlaktewater - afvoeren naar riolering. Uit onderstaande tabel, zoals opgenomen in het VGRP+, blijkt dat de gemeente Meierijstad ook voor ontwikkelingen onder de 500 m2 (0 tot 10.000 m2) compenserende maatregelen benodigd acht. Hiervoor wordt de bergende eis van 60 millimeter gehanteerd.
Zoals bovenstaand aangegeven worden drie voormalige stallen gesloopt, waarmee het dakoppervlak per saldo afneemt met 806 m2. Daarnaast wordt 150 m2 aan verharding (betonklinkers) verwijderd. Het verhard oppervlakte neemt als gevolg van de voorgenomen ontwikkeling dan ook af. Compensatie is daarmee ook op basis van het huidige gemeentelijk beleid niet aan de orde. Het aspect water vorm geen belemmering voor onderhavig initiatief.
- 35 -
Gemeente Meierijstad
Ruimtelijke onderbouwing Bus 10 Sint-Oedenrode
4.7
Flora en fauna In Nederland zijn flora en fauna beschermd via gebiedsbescherming en via soortenbescherming. Vanaf 1 januari 2017 is de nieuwe Wet natuur-bescherming ingegaan. Deze wet vervangt drie wetten, namelijk de Natuurbeschermingswet 1998, Boswet en de Flora- en faunawet. Er treden verschuivingen op in de tabellen voor soortenbescherming. Sommige soorten worden beter beschermd, sommige soorten komen in een lager beschermingsregime of worden nieuw toegevoegd. De algemene zorgplicht blijft daarbij bestaan voor alle inheemse flora- en fauna. Gebiedsbescherming Er zijn geen Natura 2000-gebieden in de directe omgeving van het plangebied aanwezig. Het dichtstbijzijnde Natura 2000-gebied is ‘Kampina en Oisterwijkse Vennen’. Dit gebied ligt op een afstand van ruim 8 kilometer van het plangebied. Daarnaast maakt het plangebied ook geen onderdeel uit van de Ecologische Hoofdstructuur (EHS). De effecten die voortvloeien uit het plan (zoals onder andere verstoring door licht, geluid en optische verstoring) zorgen, gezien de afstand tot het dichtstbijzijnde Natura 2000-gebied, niet voor significante gevolgen voor Natura 2000-gebieden. Stikstofdepositie Bij het opstellen van een bestemmingsplan dient de gemeenteraad in de zogenaamde ‘voortoets’ te bezien of een passende beoordeling van het plan moet worden gemaakt.
Dit is het geval indien het risico bestaat dat het plan – al dan niet in combinatie met andere plannen of projecten – significante gevolgen heeft voor één of andere meerdere Natura 2000-gebieden. Er is geen sprake van significante effecten op Natura 2000-gebieden als de stikstofdepositie niet meer bedraagt dan 0,00 mol/ha/jaar. Dit kan worden aangetoond middels een AERIUS-berekening. Voor wat betreft de realisatiefase is sprake van de sloop van een drietal bestaande stallen, de bouw van nieuw bedrijfsgebouw en aanpassingen aan het bestaande te handhaven bedrijfsgebouw. Voor wat betreft de gebruiksfase zal het aantal verkeersbewegingen als gevolg van de bestemmingswijziging licht toenemen ten opzichte van het huidige agrarische gebruik. Daarentegen is er in tegenstelling tot het huidige agrarische gebruik in de nieuwe situatie geen sprake meer van een aandeel voor zwaar (vracht)verkeer in het aantal verkeersbewegingen. Voor de volledigheid wordt zowel voor de realisatiefase als voor de gebruiksfase de (toename van) stikstofdepositie in beeld gebracht te worden. Realisatiefase Voor de invoer van stikstof belastende machines die gebruikt worden voor de sloop van de drie stallen en afvoer van het puin is gebruik gemaakt van een inschatting, waarbij ruim is gerekend voor zowel het verbruik van de machines als - 36 -
Gemeente Meierijstad
Ruimtelijke onderbouwing Bus 10 Sint-Oedenrode
de werkduur van het project. Voor de invoer zijn de machines en draaiuren genomen zoals opgenomen in figuur 4.7. Voor het verbruik zijn gegevens gebruikt van de ‘Factsheet impact mobiele werktuigen 2018’. Voor de graafmachine wordt uitgegaan van een 50 ton machine met een medium verbruik. Een standaard vrachtwagen heeft een gemiddeld gebruik van ongeveer 21-31 liter per uur. Om zeker te zijn dat er geen onderschatting is, is hier een bovengrens gehanteerd van 35 liter per uur. Dit is een absolute bovengrens, omdat de transportbewegingen van Bus 10 naar de verwerkingslocatie van het Natura-2000 gebied (Oisterwijkse Vennen en Kampina) af zal zijn. Voor de vrachtwagens zijn deze dus geen 80 uur op locatie aanwezig maar hooguit 40 uur. In deze 40 uren staan de vrachtwagens voor het grootste gedeelte stil, dit betreft namelijk het moment van het laden van de vrachtwagens. Daarnaast zijn de vervoersbewegingen van en naar de puinverwerker meegenomen in de berekening. De voorwaarden stellen dat voor de vervoersbewegingen er enkel gerekend hoeft te worden tot het moment dat de vrachtwagens opgaan in het heersende verkeersbeeld, kenmerk Z/108317. Ook dit zorgt in werkelijkheid voor een lager brandstofverbruik.
Type werktuig
Graafmachine
n-uren
40
Verbruik/uur
Totaal
(L)
verbruik (L) 35
1.400
rups Vrachtwagen
Rijbewegingen Schatting dat voor de sloop van de stallen en afvoer van het puin een volledige werkweek één graafmachine werkzaam is.
80
35
2.800
Er van uitgaande dat 2 vrachtwagens een week lang puin afvoeren
Figuur 4.7: Stikstofemissie sloop stallen.
Voor de bouw van het nieuwe bedrijfsgebouw en de aanpassingen aan het te handhaven bedrijfsgebouw kan onderscheid gemaakt worden in stikstofemissie als gevolg van het gebruik van mobiele werktuigen op de bouwsite en als gevolg van de verkeersaantrekkende werking. Voor het gebruik van mobiele werktuigen zijn de machines en draaiuren genomen zoals opgenomen in figuur 4.8. Als uitgangspunt voor de berekening van de stikstofdepositie is gerekend met materieel dat kan voldoen aan STAGE-klasse III B (materieel met een bouwjaar van 2011 of jonger), zoals bedoeld in het TNO-rapport 'EMMA' (kenmerk TNO-034UT-2009-01782_RPT-ML). Voor de verkeersaantrekkende werking van de bouw wordt rekening gehouden met het transport (aan- en afvoer) van materialen en personen (bouwvakkers). De bouwfase zal ongeveer 3 maanden in beslag nemen. Omdat de precieze uitvoer van de plannen nog niet bekend is, wordt gerekend met zogenaamde ‘worst-case’ aannames. Voor wat betreft de verkeersaantrekkende werking geldt:
- 37 -
Gemeente Meierijstad
Ruimtelijke onderbouwing Bus 10 Sint-Oedenrode
▪ ▪
▪
Transport personeel: drie ritten met licht verkeer per dag, gedurende drie maanden betreft 390 verkeersbewegingen (zowel aankomst als vertrek). Aanvoer materiaal: twee ritten met middelzwaar verkeer per week, gedurende drie maanden betreft 52 verkeersbewegingen (zowel levering materiaal als ‘leeg’ terug). Afvoer materiaal: vijf ritten met zwaar verkeer voor afvoer sloopafval bij sloop huidige bebouwing en vijf ritten met zwaar verkeer voor afvoer bouwafval gedurende de bouwfase betreft 20 ritten (zowel aan- als afvoer containers).
Het verkeer rijdt over de Bus en het Achterbos, de lengte van de rijlijn bedraagt 578 meter. Wanneer het verkeer op de Liempdseweg komt, is het uitgangspunt dat het verkeer van en naar het plan opgenomen is in het heersende verkeersbeeld.
Type werktuig
Klasse
Mobiele kraan
Stage IV, 56-75 kW,
Verbruik/dag (L)
n-dagen
Totale verbruik (L)
100
5
500
60
8
480
60
5
300
160
1
160
bouwjaar 2014/01 Cat. R Loader
Stage IV, 130-560 kW, bouwjaar 2014/01 Cat. Q
Minigraver
Stage IV, 56-75 kW, bouwjaar 2014/01 Cat. R
Betonpomp
Stage III B, 130-560 kW, bouwjaar 2011/01 Cat. L
Overig (trilplaat,
Stage IV, 56-75 kW,
shovel etc.)
bouwjaar 2014/01 Cat. R
Divers
Totaal
200 1.640
Figuur 4.8: Stikstofemissie bouw nieuw bedrijfsgebouw en aanpassingen bestaande loods.
Op basis van de gegevens uit zowel figuur 4.7 als figuur 4.8 m.b.t. de inzet van materieel en de verkeersbewegingen is middels het programma AERIUS Calculator 2019A de berekening uitgevoerd voor de mogelijke toename van de stikstofdepositie als gevolg van de realisatiefase. De gehanteerde ‘grenswaarde’ bedraagt 0,00 mol/ha/j. Een hogere waarde wordt beschouwd als een overschrijding. De berekening en bijbehorende uitkomsten zijn toegevoegd als bijlage aan voorliggende onderbouwing. Uit de berekeningen van de realisatiefase blijkt dat er geen rekenresultaten hoger zijn dan 0,00 mol/ha/j op de omliggende Natura 2000-gebieden. Geconcludeerd wordt dat door de sloop van de stallen, de bouw van een nieuw bedrijfsgebouw en de aanpassingen aan het bestaande bedrijfsgebouw de nu gehanteerde grenswaarde van de stikstofdepositie van 0,00 mol/ha/j niet wordt overschreden. Er is geen sprake van een significante verslechtering van Natura 2000gebieden door de realisatiefase van het plan.
- 38 -
Gemeente Meierijstad
Ruimtelijke onderbouwing Bus 10 Sint-Oedenrode
Gebruiksfase Zoals bovenstaand reeds aangegeven zal de voorgenomen bestemmingsplanwijziging leiden tot een beperkte toename van het aantal verkeersbewegingen. Het aantal verkeersbewegingen zal in de nieuwe situatie 49 personenauto’s/ bestelbusjes per etmaal (licht verkeer) bedragen (zonder aftrek huidige verkeersbewegingen t.b.v. agrarisch gebruik), zoals nader toegelicht in paragraaf 4.14 van voorliggende onderbouwing. Op basis van bovenstaande gegevens is middels het programma AERIUS Calculator 2019A de berekening uitgevoerd voor de mogelijke toename van de stikstofdepositie als gevolg van de gebruiksfase. De gehanteerde ‘grenswaarde’ bedraagt 0,00 mol/ha/j. Een hogere waarde wordt beschouwd als een overschrijding. De berekening en bijbehorende uitkomsten zijn toegevoegd als bijlage aan voorliggende onderbouwing. Uit de berekeningen van de gebruiksfase blijkt dat er geen rekenresultaten hoger zijn dan 0,00 mol/ha/j op de omliggende Natura 2000-gebieden. Geconcludeerd wordt dat door de gebruiksfase de nu gehanteerde grenswaarde van de stikstofdepositie van 0,00 mol/ha/j niet wordt overschreden. Er is geen sprake van een significante verslechtering van Natura 2000-gebieden door de gebruiksfase van het plan.
Het moederplan Buitengebied Sint-Oedenrode, herziening 4 biedt middels een afwijkingsbevoegdheid de mogelijkheid om de oppervlakte aan bedrijfsbebouwing éénmalig met 15% te vergroten. Aan deze afwijkingsbevoegdheid is echter de uitdrukkelijke voorwaarde verbonden dat er hierbij geen sprake mag zijn milieuhygiënische belemmeringen. Hoewel initiatiefnemers niet van plan zijn van deze afwijkingsbevoegdheid gebruik te maken dient hierbij voor de afwijking van het bestemmingsplan ten alle tijden de stikstofdepositie als gevolg van de uitbreiding opnieuw in beeld gebracht worden. Beschermde soorten Onderhavig plan voorziet in de sloop van een drietal voormalige stallen. Doordat er sloop van bebouwing plaats vindt dient er in het kader van de Wet natuurbescherming onderzoek gedaan worden naar de mogelijke aanwezigheid van beschermde soorten in deze bebouwing. Door initiatiefnemer is aan de Heemkundekring ‘De oude vrijheid’ verzocht een vooronderzoek, natuurscan en diverse veldbezoeken uit te voeren om de aanwezige natuurwaarden op de planlocatie vast te stellen. De hieruit voortvloeiende notitie is als bijlage 5 toegevoegd aan voorliggende ruimtelijke onderbouwing.
De conclusie van het onderzoek is hieronder samengevat opgenomen: Gezien het feit dat de steenuil broedt in de invloedssfeer van de te slopen stallen wordt de maatregel geadviseerd om buiten de broedperiode van de steenuil sloopwerkzaamheden uit te voeren. Specifiek de maanden maart, april, mei en
- 39 -
Gemeente Meierijstad
Ruimtelijke onderbouwing Bus 10 Sint-Oedenrode
juni mijden. Zodra de mogelijk uitgekomen jongen uitgevlogen zijn kunnen de werkzaamheden gestart worden. Mocht dit eerder dan 1 juli het geval zijn dan kan eerder met de sloop gestart worden. Indien er onverhoopt geen steenuilen broeden in de kast dan kan de start van de sloopwerkzaamheden ook in de eerder genoemde maanden plaats vinden. Het is dan toch nog altijd verstandig om voor aanvang te controleren of er geen broedgevallen in de te slopen stallen zijn en ieder geval de broedactiviteit van de steenuil te blijven monitoren. Dit speelt natuurlijk niet als er ruim buiten de broedperiode van vogels gewerkt wordt. Dan kunnen de werkzaamheden zonder aanvullende maatregelen uitgevoerd worden. Naar aanleiding van de opmerkingen zoals door de Omgevingsdienst Brabant Noord (ODBN) gemaakt over bovenstaande quickscan (kenmerk Z/108317), is door de heer M. Scheepens (medewerker van de natuurgroep/uilenwerkgroep Heemkundekring ‘De oude vrijheid’) aanvullend onderzoek verricht naar de steenuil op basis van het Kennisdocument ‘Steenuil’ van BIJ12. Dit aanvullend onderzoek is als bijlage 6 toegevoegd aan voorliggende onderbouwing.
De conclusie van het aanvullend onderzoek naar de steenuil is hieronder opgenomen en luidt als volgt: Het kennisdocument ‘Steenuil’ van BIJ12 beoordelend kan er niet geconcludeerd worden dat het biotoop er na uitvoering van de sloop van de stallen op achteruit gaat. De conclusie kan getrokken worden dat het leefgebied voor de steenuil zelfs beter wordt, doordat er dicht bij de nestgelegenheid meer foerageerbiotoop aanwezig is in de vorm van weide met een mooi aanbod van regenwormen, meikevers en de larven van meikevers. Er is voldoende gelegenheid om te rusten en vanuit te jagen in de vorm van de aangeplante 30 knotwilgen. Daarnaast is op het perceel nog steeds dezelfde landelijke rust aanwezig die er voor de sloop van de stallen ook was. Uit het onderzoek blijkt dat een ontheffing op grond van de Wet Natuurbescherming met betrekking tot aantasting van beschermde soorten niet benodigd is. Werkzaamheden kunnen ten alle tijden leiden tot een beschadiging of vernietiging van mogelijke verblijfplaatsen en/of verstoring van eventueel aanwezige algemene soorten. Hierop is een algehele vrijstelling op basis van de Verordening natuurbescherming voor ruimtelijke ontwikkelingen van toepassing. De algemene zorgplicht blijft onverminderd van toepassing. Er zijn hiermee geen belemmeringen voor wat betreft het aspect flora en fauna voor onderhavig initiatief.
4.8
Archeologie en cultuurhistorie Archeologie Zoals aangegeven (zie hoofdstuk 1) vigeert ter plaatse van het in de toekomst te realiseren nieuwe bedrijfsgebouw geen archeologische dubbelbestemming.
- 40 -
Gemeente Meierijstad
Ruimtelijke onderbouwing Bus 10 Sint-Oedenrode
Er zijn derhalve geen belemmeringen voor onderhavig initiatief vanuit het aspect archeologie. Cultuurhistorie Volgens de Erfgoedwet, die per 1 juli 2016 van kracht is, dient bij nieuwe ontwikkelingen rekening gehouden te worden met het aanwezige culturele erfgoed. Samen met de nieuwe Omgevingswet maakt de Erfgoedwet een integrale bescherming van ons cultureel erfgoed mogelijk.
Figuur 4.9: Uitsnede Cultuurhistorische Waardenkaart 2015 met aanduiding plangebied.
Het plangebied is getoetst aan de Cultuurhistorische Waardenkaart van de provincie Noord-Brabant. Het plangebied is op deze kaart gelegen binnen de regio Meierij. Binnen deze regio is de planlocatie gelegen binnen het cultuurhistorische landschap Groene Woud en het archeologisch landschap Dommeldal Nuenen – Gestel. Middels voorgenomen ontwikkeling worden drie voormalige stallen gesloopt en vindt herbouw van één nieuw bedrijfsgebouw plaats. De stallen zijn niet aangemerkt als cultuurhistorisch waardevolle bebouwing. De ontwikkeling is dermate kleinschalig van omvang dat cultuurhistorische waarden dan ook niet in het geding zijn. Er zijn dan ook geen belemmeringen vanuit het aspect cultuurhistorie voor onderhavig initiatief.
- 41 -
Gemeente Meierijstad
Ruimtelijke onderbouwing Bus 10 Sint-Oedenrode
4.9
Externe veiligheid Externe veiligheid heeft betrekking op de risico's die mensen lopen als gevolg van mogelijke ongelukken met gevaarlijke stoffen bij bedrijven, transportroutes (wegen, spoorwegen en waterwegen) en buisleidingen. Omdat de gevolgen van een ongeluk met gevaarlijke stoffen groot kunnen zijn, zijn de aanvaardbare risico's vastgelegd in diverse besluiten. De belangrijkste zijn: ➢ Besluit externe veiligheid inrichtingen (Bevi); ➢ Besluit externe veiligheid buisleidingen (Bevb); ➢ Besluit externe veiligheid transportroutes (Bevt). Binnen de beleidskaders voor deze drie typen risicobronnen staan altijd twee kernbegrippen centraal: het plaatsgebonden risico en het groepsrisico. Hieronder worden beide begrippen verder uitgewerkt: Plaatsgebonden risico (PR) Het plaatsgebonden risico (PR) geeft de kans, op een bepaalde plaats, om te overlijden ten gevolge van een ongeval bij een risicovolle activiteit. De kans heeft betrekking op een fictief persoon die de hele tijd op die plaats aanwezig is. Binnen de 10-6/jaar-contour (welke als wettelijk harde norm fungeert) mogen geen nieuwe kwetsbare objecten geprojecteerd worden. Voor beperkt kwetsbare objecten geldt de 10-6/jaar-contour niet als grenswaarde, maar als een richtwaarde. Groepsrisico (GR) Het groepsrisico (GR) is een maat voor de kans dat bij een ongeval een groep slachtoffers valt met een bepaalde omvang.
Het GR is daarmee een maat voor de maatschappelijke ontwrichting bij een calamiteit. Het GR wordt bepaald binnen het invloedsgebied van een risicovolle activiteit. Dit invloedsgebied wordt begrensd door de 1% letaliteitgrens (tenzij anders bepaald): de afstand waarop nog 1% van de blootgestelde mensen in de omgeving komt te overlijden bij een calamiteit met gevaarlijke stoffen. Binnen het invloedsgebied is een verantwoordingsplicht van het groepsrisico van toepassing. De specifieke eisen hieraan zijn vastgelegd in de besluiten Bevi, Bevb en Bevt. Verantwoordingsplicht groepsrisico Met het invullen van de verantwoordingsplicht wordt antwoord gegeven op de vraag in hoeverre externe veiligheidsrisico's in het plangebied worden geaccepteerd en welke maatregelen getroffen zijn om het risico zoveel mogelijk te beperken. Het invullen van de verantwoordingsplicht is een taak van het bevoegd gezag (veelal de gemeente). Door de verantwoordingsplicht worden gemeenten gedwongen het externe veiligheidsaspect mee te laten wegen bij het maken van ruimtelijke keuzes. Deze verantwoording is kwalitatief en bevat verschillende onderdelen die aan bod kunnen of moeten komen. Ook bestaat er een adviesplicht voor de regionale brandweer. In de Handreiking verantwoordingsplicht
- 42 -
Gemeente Meierijstad
Ruimtelijke onderbouwing Bus 10 Sint-Oedenrode
groepsrisico zijn de onderdelen van de verantwoording nader uitgewerkt en toegelicht. Indien de verantwoordingsplicht niet juist is uitgewerkt terwijl dit wel verplicht is, kan dit tot vernietiging van het ruimtelijk besluit door de Raad van State leiden. Door het uitwerken van de verantwoordingsplicht neemt het bevoegd gezag de verantwoordelijkheid voor het 'restrisico' dat overblijft nadat benodigde de veiligheidsverhogende maatregelen genomen zijn.
Overige wet- en regelgeving Tot slot wordt in het kader van een ‘goede ruimtelijke ordening ‘ (art. 3.1 Wro) getoetst aan eventueel van toepassing zijnde veiligheidsafstanden uit het Activiteitenbesluit en effectafstanden uit de ‘Circulaire effectafstanden LPG-tankstations’.
planlocati e
Figuur 4.10: Uitsnede Risicokaart Noord-Brabant met aanduiding planlocatie.
- 43 -
Gemeente Meierijstad
Ruimtelijke onderbouwing Bus 10 Sint-Oedenrode
Beschouwing risicobronnen Met behulp van de risicokaart is nagegaan of er risicobronnen aanwezig zijn die van invloed zijn op het plangebied. Het plangebied ligt op ruime afstand van een drietal buisleidingen. Twee buisleidingen ruwe olie zijn op ca. 1,35 kilometer van de planlocatie gelegen. Daarnaast is een aardgasleiding is op ca. 1,4 kilometer van de planlocatie gelegen. Plaatsgebonden risico De planlocatie ligt niet binnen de PR 10-6 contouren van de buisleidingen, zoals eveneens valt af te lezen uit figuur 4.10. Hiermee wordt voldaan aan de gestelde eisen uit het Besluit externe veiligheid buisleidingen (Bevb). Het plaatsgebonden risico vormt hiermee geen belemmering voor de voorgenomen ontwikkeling. Groepsrisico Wat betreft het groepsrisico ligt het plangebied niet binnen het invloedsgebied van de genoemde buisleidingen. Een verantwoording van het groepsrisico kan hierdoor achterwege blijven. Conclusie De beoogde ontwikkeling voldoet aan de grenswaarde voor het plaatsgebonden risico. De planlocatie ligt buiten het invloedsgebied van de genoemde buisleidingen. Een verantwoording van het groepsrisico is niet aan de orde. Er zijn hiermee geen belemmeringen vanuit het aspect externe veiligheid voor onderhavig initiatief.
4.10 Gezondheid in relatie tot veehouderijen Door middel van toetsing aan het stappenplan uit de Handreiking veehouderij en volksgezondheid 2.0 (versie mei 2018) kan beoordeeld worden of voor een specifieke situatie er een dusdanig verhoogd risico voor de volksgezondheid bestaat dat nadere advisering vanuit de GGD wenselijk is. De stappen kunnen stuk voor stuk worden doorlopen om na te gaan of er knelpunten worden gevonden. Het stappenplan 2.0 wordt hieronder weergegeven, waarbij per stap een nadere toetsing plaatsvindt. 1. Voor varkens en pluimveebedrijven: endotoxine richtafstand. Op basis van het ‘Endotoxine toetsingskader 1.0’ kan worden beoordeeld of sprake is van een verhoogd gezondheidsrisico ten aanzien van varkenshouderijen en pluimveehouderijen. Uitgangspunt in de ruimtelijke ordening is dat er sprake moet zijn van een aanvaardbaar woon- en leefklimaat. Voor de blootstelling aan endotoxine heeft de Gezondheidsraad een advieswaarde van 30 EU/m3 vastgesteld. De advieswaarde van de
- 44 -
Gemeente Meierijstad
Ruimtelijke onderbouwing Bus 10 Sint-Oedenrode
Gezondheidsraad voor endotoxine is een instrument ter bescherming van de gezondheid van omwonenden van veehouderijen. Rondom de planlocatie is één varkenshouderij gelegen aan de Liempdseweg 37. Deze varkenshouderij heeft een PM10 (endotoxine) emissie van 99 kg per jaar. Op basis van de vergunde fijnstofemissie kan door middel van onderstaande formule worden berekend binnen welke afstand naar verwachting de advieswaarde voor endotoxine wordt overschreden.
Op basis van de vergunde fijnstofemissie kan door middel van bovenstaande formule worden berekend binnen welke afstand naar verwachting de advieswaarde voor endotoxine wordt overschreden. Richtafstand
Id
Adres
Type bedrijf
1.
Liempdseweg 37
Varkens: 99 kg. PM10/jaar
Endotoxine
Feitelijke afstand
44,27 m.
365 m.
Figuur 4.11 Overzicht richtafstanden endotoxine.
Bovenstaande richtafstand worden conform het ‘Endotoxine toetsingskader 1.0' aangehouden vanaf het emissiepunt van het bedrijf, zoals opgenomen in Web-BVB, tot aan de gevel van een gevoelig object. Hierbij wordt geen rekening gehouden met meteo-omstandigheden, daar de mogelijkheden om dit te doen vooralsnog ontbreken. Zoals weergegeven in figuur 4.11 wordt voldaan aan de geldende richtafstand voor endotoxine. 2. Toename in emissies van geur en/of fijnstof en/of ammoniak; De voorgenomen ontwikkeling betreft de omzetting van een agrarische bestemming in een reguliere bedrijfsbestemming. Hierbij vindt geen toename in emissies van geur, fijnstof en/of ammoniak plaats. 3. Geurbelasting; toetsen aan een aanvaardbaar woon-/leefklimaat; In hoofdstuk 4.2 van voorliggende onderbouwing heeft een toetsing van de voorgenomen ontwikkeling aan de Wgv plaatsgevonden. Op de planlocatie is sprake van een aanvaardbaar woon- en leefklimaat voor wat betreft geur. 4. Bij meerdere bedrijfsmatig gehouden diersoorten, de aanwezige diersoort(en) binnen een veehouderij;
- 45 -
Gemeente Meierijstad
Ruimtelijke onderbouwing Bus 10 Sint-Oedenrode
Niet van toepassing. De omzetting van de agrarische bestemming naar een reguliere bedrijfsbestemming leidt niet tot nieuwe situaties van het gemengd houden van varkens en pluimvee. 5. a.
Geitenhouderij: binnen een straal van 2 kilometer van een gevoelige bestemming;
Uit VGO-2 onderzoek is gebleken dat zich in een straal van circa 2 kilometer rond geitenbedrijven een verhoogd aantal gevallen van longontsteking voordoet. De provincie heeft een verbod van uitbreiding van geitenhouderijen ingevoerd. In het kader van de omgekeerde werking (gevoelige functies rond geitenhouderijen) wordt bekeken of er zich binnen 2 kilometer van het plan bedrijven met geiten bevinden. Binnen een straal van 2 kilometer van de planlocatie bevinden zich geen geitenhouderijen waar meer dan 50 geiten gehouden worden. Er is dan ook geen sprake van een onaanvaardbaar volksgezondheidsrisico ter plaatse van de planlocatie. b. of pluimveebedrijven binnen een straal van 1 kilometer van een gevoelige bestemming; Ook voor pluimveehouderijen is een dergelijke afstand te benoemen. Uit het VGO-2 rapport (2017) blijkt namelijk dat er binnen een straal van 1 kilometer rondom één pluimveehouderij omwonenden een verhoogd risico op longontsteking hebben. Echter moet worden benadrukt dat het hier om een hypothese gaat, en dat causaliteit nog niet door onderzoekers is vastgesteld. Met deze onderzoeksresultaten dient rekening te worden gehouden bij de ontwikkeling en uitbreiding van pluimveehouderijen of de bouw van gevoelige bestemmingen in de nabijheid van pluimveehouderijen. Binnen een straal van 1 kilometer van de planlocatie bevinden zich geen pluimveehouderijen. c.
of overige veehouderijen binnen een straal van 250 meter; Binnen een straal van 250 meter van de planlocatie bevinden zich geen overige veehouderijen. 6. De aanwezigheid van mestbe- en verwerking; Niet van toepassing.
- 46 -
Gemeente Meierijstad
Ruimtelijke onderbouwing Bus 10 Sint-Oedenrode
7. De ongerustheid bij omwonenden; Bij omwonenden is geen sprake van ongerustheid over de volksgezondheid. De voorgenomen omzetting van de agrarische bestemming naar de bedrijfsbestemming betreft geen ontwikkeling die leidt tot een toenemende onrust over de volksgezondheid. Uit de toetsing aan de afwegingsaspecten blijkt dat er geen specifieke omstandigheden aan de orde zijn, waardoor het opvragen van een advies bij de GGD door het bevoegd gezag niet noodzakelijk wordt geacht. Of al dan niet een advies bij de GGD wordt opgevraagd betreft een afweging van de gemeente Meierijstad. Er zijn hiermee voor wat betreft het aspect volksgezondheid geen belemmeringen voor onderhavig initiatief.
4.11 Spuitzones Vanuit het oogpunt van gezondheidsrisico’s dient een minimale afstand te worden aangehouden tussen gronden waarop gewassen in de open lucht worden geteeld en nabij gelegen, voor gewasbeschermingsmiddelen gevoelige objecten, zoals woningen. Vanwege mogelijk vrijkomende drift (verwaaiing van spuitvloeistof) bij het bespuiten van fruitbomen wordt in Nederland een afstand van 50 meter gehanteerd tussen een fruitboomgaard en een gevoelige bestemming. Bij de afstand van 50 meter wordt ervan uitgegaan dat enerzijds de bedrijfsvoering van de fruitteler niet wordt belemmerd en anderzijds dat er geen nadelige effecten optreden voor de gezondheid van omwonenden. In de omgeving van de planlocatie zijn binnen een afstand van 50 meter geen fruitboomgaarden gelegen. Het aspect spuitzones vormt dan ook geen belemmering voor onderhavig initiatief.
4.12 Hoogspanningslijnen Bij het opstellen van ruimtelijke plannen moet rekening gehouden worden met de magneetvelden van bovengrondse hoogspanningslijnen. De laatste jaren is hier meer aandacht voor, mede omdat er statistische aanwijzingen zijn (dus geen aangetoond oorzakelijk verband) dat de magneetvelden van bovengrondse hoogspanningslijnen mogelijk van invloed kunnen zijn op de gezondheid van kinderen. Het beleid voor bovengrondse hoogspanningslijnen is gebaseerd op het voorzorgprincipe. De internationale norm is dat voorkomen moet worden dat burgers worden blootgesteld aan magneetvelden van meer dan 100 microTesla. Deze norm wordt in Nederland op maaiveldniveau nergens overschreden. Aanvullend hierop adviseert het Rijk, vanuit het voorzorgprincipe, om
- 47 -
Gemeente Meierijstad
Ruimtelijke onderbouwing Bus 10 Sint-Oedenrode
zoveel als mogelijk te voorkomen dat er nieuwe situaties ontstaan waarbij kinderen (tot 15 jaar) langdurig worden blootgesteld aan magneetvelden van bovengrondse hoogspanningslijnen van meer dan 0,4 microTesla. In het bestemmingsplan moet rekening worden gehouden met de magneetveldzone. Dit betekent dat, zoals hierboven reeds aangegeven is, voorkomen moet worden dat er gevoelige functies binnen een zone van een hoogspanningslijn komen te liggen. Is dit wel het geval, dan moet er een zorgvuldige afweging plaatsvinden.
planlocatie
Figuur 4.12: Uitsnede Netkaart RIVM met aanduiding plangebied.
Het RIVM heeft een kaart ontwikkeld waarop indicatieve zones voor magneetvelden van alle bovengrondse hoogspanningslijnen zijn opgenomen. De indicatieve zones zijn de meest ruime afstanden waar rekening mee moet worden gehouden. In figuur 4.12 is een uitsnede van deze kaart weergegeven met daarop het plangebied en de meest dichtbij gelegen hoogspanningslijn. Uit deze kaart blijkt dat het plangebied op ruime afstand van de hoogspanningslijn lijn is gelegen, buiten de indicatieve zone. Het aspect hoogspanningslijnen vormt hiermee geen belemmering voor onderhavig initiatief.
4.13 Kabels en leidingen In en in de directe omgeving van het plangebied zijn zoals aangegeven volgens de provinciale risicokaart geen planologisch relevante kabels en leidingen aanwezig die een belemmering vormen voor de voorgenomen ontwikkeling. De aanwezigheid van kabels en leidingen met betrekking tot de nutsvoorzieningen - 48 -
Gemeente Meierijstad
Ruimtelijke onderbouwing Bus 10 Sint-Oedenrode
in de omgeving is evident. Als gevolg van het plan is echter geen sprake van nieuwe aansluitingen op deze voorzieningen.
4.14 Infrastructuur en parkeren Als gevolg van de voorgenomen ontwikkeling is er sprake van een beperkte toename van het aantal lichte motorvoertuigen (autoverkeer) te verwachten. Tegelijkertijd staat hier een significante afname van het vrachtverkeer door het verdwijnen van de agrarische bestemming met de aanduiding veehouderij tegenover. De maximale oppervlakte aan bedrijfsbebouwing bedraagt 496 m2. In een worst-case scenario voor wat betreft het aantal verkeersbewegingen wordt van deze oppervlakte 346 m2 ingezet t.b.v. kleinschalige bedrijvigheid en 150 m2 t.b.v. life-coaching. De gemeente Meierijstad heeft geadviseerd voor de berekening van het aantal verkeersbewegingen de volgende systematiek toe te passen: Functie Wonen Kleinschalige bedrijvigheid Cursusruimte Totaal
Verkeersbewegingen per etmaal 8 bewegingen per woning (1) 7 bewegingen per 100 m2 (350 m2) 16 bewegingen per behandelkamer (1)
Totaal 8 24,5 16 48,5
In totaal is hiermee in een worst-case scenario afgerond sprake van 49 verkeersbewegingen per dag als gevolg van de voorgenomen ontwikkeling. De in de huidige situatie aanwezige verkeersbewegingen ten behoeve van het agrarisch bedrijf, waaronder het dagelijkse vrachtverkeer, zijn hierop niet in mindering gebracht. De beschikbare capaciteit van de omliggende infrastructuur is met de huidige intensiteiten ruim voldoende om de toekomstige toename van het lichte motorvoertuigenverkeer vlot en veilig te verwerken. Daarnaast is door de gemeente Meierijstad geoordeeld dat voor het kleinschalig bedrijfsverzamelgebouw 1 parkeerplaats per 100 m2 en voor de praktijkruimte 2,5 parkeerplaats per behandelkamer benodigd is. Daarnaast geldt voor een vrijstaande woning in het buitengebied een parkeernorm van 2,4 per woning. Het totaal aantal benodigde parkeerplaatsen voor voorliggend initiatief komt hiermee afgerond op 9 stuks. Op eigen terrein is ruim voldoende plaats voor parkeren, zowel voor de bedrijfswoning als voor de kleinschalige bedrijvigheid. Parkeren vindt plaats binnen het bestemmingsvlak ‘Bedrijf’. Het aspect verkeer en parkeren vormt hiermee geen belemmering voor onderhavig initiatief.
- 49 -
Gemeente Meierijstad
Ruimtelijke onderbouwing Bus 10 Sint-Oedenrode
4.15 M.e.r.-beoordeling Op grond van hoofdstuk 7 van de Wet milieubeheer en het Besluit milieu-effectrapportage (Besluit m.e.r.) is het noodzakelijk om ten behoeve van een bestemmingsplan dat kader stellend is voor projecten met grote milieugevolgen een plan-m.e.r. op te stellen. Onderdeel D van de bijlage in het Besluit m.e.r. geeft de omvang van dergelijke projecten. Hierbij geldt sinds de aanpassing van het Besluit m.e.r. per 1 april 2011, de omvang als richtwaarde en niet als absolute drempelwaarde. Daarom is altijd een toets noodzakelijk of sprake is van een project met grote milieugevolgen. Deze toets dient plaats te vinden aan de hand van de criteria van Bijlage III, van de EU-richtlijn m.e.r.. Het wijzigen van een agrarische bestemming naar een bedrijfsbestemming valt onder onderdeel D (stedelijke ontwikkeling, categorie D.11.2) van de bijlage bij het Besluit m.e.r. Om te bepalen of een m.e.r.-beoordeling noodzakelijk is, dient bepaald te worden (1) of de ontwikkeling de drempelwaarden uit lijst D van het Besluit m.e.r. overschrijdt, (2) of de ontwikkeling in een gevoelig gebied ligt en (3) of er belangrijke milieugevolgen zijn: 1.
Voor het plangebied wordt een agrarische bestemming gewijzigd in een reguliere bedrijfsbestemming ten behoeve van een kleinschalig bedrijfsverzamelgebouw, waarbij de oppervlakte aan bedrijfsbebouwing wordt teruggebracht met 806 m2. Er is hiermee geen sprake van een overschrijding van de drempelwaarden uit lijst D van het Besluit m.e.r..
2.
In onderdeel A van de bijlage bij het Besluit m.e.r is bepaald wat verstaan wordt onder een gevoelig gebied. Als gevoelig gebied zijn gebieden aangewezen die beschermd worden op basis van de natuurwaarden, landschappelijke waarden, cultuurhistorische waarden en waterwingebieden. Zoals beschreven in hoofdstuk 3 ligt het plangebied niet in de Ecologische Hoofdstructuur, een waterwin-locatie, waterwingebied of grondwaterbeschermingsgebied. Ook behoort het plangebied niet tot een Bèlvéderegebied. Daarnaast is er geen sprake van een landschappelijk waardevol gebied.
3.
In de voorgaande paragrafen van dit hoofdstuk zijn de verschillende milieueffecten beschouwd. Hieruit blijkt dat er door onderhavig initiatief geen sprake is van nadelige milieugevolgen.
Er is geen sprake van een stedelijke ontwikkeling zoals bedoeld in bijlage C en D van het Besluit milieueffectrapportage. Een aanmeldnotitie is hiermee niet noodzakelijk.
- 50 -
Gemeente Meierijstad
Ruimtelijke onderbouwing Bus 10 Sint-Oedenrode
5.
Economische en maatschappelijke uitvoerbaarheid
In dit hoofdstuk wordt de haalbaarheid van voorliggend plan aangetoond. Een ruimtelijk plan moet zowel in financieel als in maatschappelijk opzicht haalbaar zijn. Er wordt daarom een korte financiële toelichting gegeven en daarnaast worden de doorlopen procedures weergegeven.
5.1
Economische haalbaarheid De ontwikkeling bevindt zich op eigen terrein van initiatiefnemer en komt buiten de directe invloedssfeer van de gemeente tot stand. Alle kosten verbonden aan de realisatie van het plan komen voor rekening van de initiatiefnemer. De gemeente Meierijstad heeft geen exploitatiebijdragen aan het project, met uitzondering van de plankosten voor het voeren van de planologische procedure. Omdat het project niet valt onder de categorieën in artikel 6.2.1 van het Besluit ruimtelijke ordening is het project niet 'grexwetplichtig' en is het opstellen van een exploitatieplan niet noodzakelijk. De bovengenoemde plankosten worden op basis van de gemeentelijke legesverordening aan de aanvrager ten laste gelegd, waarbij voor initiatieven die meelopen met het Ontwikkelplan een gereduceerd legestarief geldt. In voorliggend geval is het kostenverhaal, inclusief de afspraken omtrent eventuele planschade, vastgelegd in een anterieure overeenkomst tussen de gemeente Meierijstad en initiatiefnemer.
5.2
Maatschappelijke haalbaarheid Zoals nader uitgewerkt in paragraaf 2.4 van voorliggende onderbouwing heeft voorafgaand aan het opstellen van onderhavig plan een omgevingsdialoog plaatsgevonden met de eigenaren van de aangrenzende percelen. De ondertekende verslagformulieren van de omgevingsdialoog zijn als bijlage opgenomen bij voorliggende onderbouwing. Alle omwonenden hebben aangegeven geen bezwaar te hebben tegen de voorgenomen ontwikkeling.
5.3
Procedure Het plan maakt onderdeel uit van het bestemmingsplan ‘Ontwikkelplan Buitengebied Meierijstad’. Het Ontwikkelplan is in vooroverleg gezonden aan het waterschap. Daarnaast is vooroverleg bij de provincie aangevraagd middels het eformulier. Het plan noopt voor wat betreft de planlocatie niet tot het maken van opmerkingen.
- 51 -