BP Schijndel Hoofdstraat 154 Bijlagen toelichting
Tekst van het document
Berekend voor natuurgebieden
Totale emissie
Resultaten Hectare met hoogste bijdrage (mol/ha/j)
Toelichting
Resultaten
Situatie 1
NOx
89,79 kg/j
NH3
< 1 kg/j
Natuurgebied
Uw berekening heeft geen depositieresultaten opgeleverd boven 0,00 mol/ha/jr.
Aldi Schijndel aanlegfase 2021
Situatie 1
RqutSUg8wcxh (31 maart 2021) pagina 2/5
Resultaten
Locatie Situatie 1
Emissie Situatie 1
Bron Sector
Bron 1 Anders... | Anders...
Bron 2 Mobiele werktuigen | Bouw en Industrie
Resultaten
Situatie 1
Emissie NH3
Emissie NOx
-
1,30 kg/j
< 1 kg/j
88,49 kg/j
RqutSUg8wcxh (31 maart 2021) pagina 3/5
Resultaten
Emissie (per bron)
Naam Locatie (X,Y)
Situatie 1
Uitstoothoogte Warmteinhoud Temporele variatie NOx
Naam Locatie (X,Y) NOx NH3
Voertuig
Resultaten
Bron 2 158441, 403211 88,49 kg/j < 1 kg/j
Brandstof verbruik (l/j)
Stationair bedrijf (uren/j)
Cilinder Stof inhoud (l)
Emissie
STAGE IV, 130 <= Inzet materieel kW < 300, bouwjaar 2014 (Diesel)
25.200
0
0,0 NOx NH3
80,79 kg/j < 1 kg/j
STAGE IV, 300 <= Heimachine kW < 560, bouwjaar 2014 (Diesel)
2.400
0
0,0 NOx NH3
7,69 kg/j < 1 kg/j
Situatie 1
Omschrijving
Bron 1 158511, 403124 0,0 m 0,000 MW Continue emissie 1,30 kg/j
RqutSUg8wcxh (31 maart 2021) pagina 4/5
Resultaten
Disclaimer
Hoewel verstrekte gegevens kunnen dienen ter onderbouwing van een vergunningaanvraag, kunnen er geen rechten aan worden ontleend. De eigenaar van AERIUS aanvaardt geen aansprakelijkheid voor de inhoud van de door de gebruiker aangeboden informatie. Bovenstaande gegevens zijn enkel bruikbaar tot er een nieuwe versie van AERIUS beschikbaar is. AERIUS is een geregistreerd handelsmerk in Europa. Alle rechten die niet expliciet worden verleend, zijn voorbehouden.
Rekenbasis
Deze berekening is tot stand gekomen op basis van: AERIUS versie 2020_20210209_2f032ce1a2 Database versie 2020_20210209_2f032ce1a2 Voor meer informatie over de gebruikte methodiek en data zie: https://www.aerius.nl/nl/factsheets/release/aerius-calculator-2020
Resultaten
Situatie 1
RqutSUg8wcxh (31 maart 2021) pagina 5/5
Bijlage 4
75/488
Stikstofberekening gebruiksfase
Dit document bevat rekenresultaten van AERIUS Calculator. Het betreft de hoogst berekende stikstofbijdragen per stikstofgevoelig Natura 2000-gebied, op basis van rekenpunten die overlappen met habitattypen en/of leefgebieden die aangewezen zijn in het kader van de Wet natuurbescherming, gekoppeld aan een aangewezen soort, of nog onbekend maar mogelijk wel relevant. De berekening op basis van stikstofemissies gaat uit van de componenten ammoniak (NH3) en/of stikstofoxide (NOx). Wilt u verder rekenen of gegevens wijzigen? Importeer de pdf dan in Calculator. Voor meer toelichting verwijzen wij u naar de website www.aerius.nl.
Berekening Situatie 1 Kenmerken Samenvatting emissies Depositieresultaten Gedetailleerde emissiegegevens
Verdere toelichting over deze PDF kunt u vinden in een bijbehorende leeswijzer. Deze leeswijzer en overige documentatie is te raadplegen via: https://www.aerius.nl/handleidingen-en-leeswijzers. RZ9LWLLKUSof (31 maart 2021) pagina 1/5
Resultaten
Contact
Activiteit
Rechtspersoon
Inrichtingslocatie
Rho
Hoofdstraat 152, 5481 AJ Schijndel
Omschrijving
AERIUS kenmerk
Aldi Schijndel aanleg- en gebruiksfase
RZ9LWLLKUSof
Datum berekening
Rekenjaar
Rekenconfiguratie
31 maart 2021, 16:41
2022
Berekend voor natuurgebieden
Totale emissie
Resultaten Hectare met hoogste bijdrage (mol/ha/j)
Toelichting
Resultaten
Situatie 1
NOx
352,50 kg/j
NH3
13,10 kg/j
Natuurgebied
Uw berekening heeft geen depositieresultaten opgeleverd boven 0,00 mol/ha/jr.
Aldi Schijndel gebruiksfase 2022
Situatie 1
RZ9LWLLKUSof (31 maart 2021) pagina 2/5
Resultaten
Locatie Situatie 1
Emissie Situatie 1
Bron Sector
Bron 3 Anders... | Anders...
Bron 4 Wonen en Werken | Kantoren en winkels
Resultaten
Situatie 1
Emissie NH3
Emissie NOx
13,10 kg/j
234,90 kg/j
-
117,60 kg/j
RZ9LWLLKUSof (31 maart 2021) pagina 3/5
Resultaten
Emissie (per bron)
Naam Locatie (X,Y)
Situatie 1
Uitstoothoogte Warmteinhoud Temporele variatie NOx NH3
Naam Locatie (X,Y) Uitstoothoogte Oppervlakte Spreiding Warmteinhoud Temporele variatie NOx
Resultaten
Situatie 1
Bron 3 159356, 403045 0,0 m 0,000 MW Continue emissie 234,90 kg/j 13,10 kg/j Bron 4 158440, 403209 11,0 m 0,4 ha 5,5 m 0,014 MW Standaard profiel industrie 117,60 kg/j
RZ9LWLLKUSof (31 maart 2021) pagina 4/5
Resultaten
Disclaimer
Hoewel verstrekte gegevens kunnen dienen ter onderbouwing van een vergunningaanvraag, kunnen er geen rechten aan worden ontleend. De eigenaar van AERIUS aanvaardt geen aansprakelijkheid voor de inhoud van de door de gebruiker aangeboden informatie. Bovenstaande gegevens zijn enkel bruikbaar tot er een nieuwe versie van AERIUS beschikbaar is. AERIUS is een geregistreerd handelsmerk in Europa. Alle rechten die niet expliciet worden verleend, zijn voorbehouden.
Rekenbasis
Deze berekening is tot stand gekomen op basis van: AERIUS versie 2020_20210209_2f032ce1a2 Database versie 2020_20210209_2f032ce1a2 Voor meer informatie over de gebruikte methodiek en data zie: https://www.aerius.nl/nl/factsheets/release/aerius-calculator-2020
Resultaten
Situatie 1
RZ9LWLLKUSof (31 maart 2021) pagina 5/5
Bijlage 5
81/488
Quickscan flora en fauna
QUICKSCAN WET NATUURBESCHERMING HOOFDSTRAAT 152-156 TE SCHIJNDEL
Rapportage quickscan Wet natuurbescherming Hoofdstraat 152-156 te Schijndel Opdrachtgever
Rho adviseurs voor leefruimte Torenallee 20 5617 BC Eindhoven
Rapportnummer Versienummer
12606.003 D1
Status
Eindrapportage
Datum
20 mei 2020
Vestiging
Brabant Heinz Moormannstraat 1b 5831 AS Boxmeer 088 - 5001600 boxmeer@econsultancy.nl
Opsteller
R.M. Sanders
Paraaf
Kwaliteitscontrole
ir. B.H.H. Verdijck
Paraaf
Kwaliteitszorg Econsultancy is lid van het Netwerk Groene Bureaus (NGB). Het NGB is een vereniging van ecologische advies- en onderzoeksbureaus die werkt aan de kwaliteit van advisering gericht op natuur, landschap, water, milieu en ruimte en die de belangen behartigt van groene adviesbureaus. Het Netwerk hanteert een gedragscode die opdrachtgevers en andere belanghebbenden een basis biedt om de leden aan te spreken op de kwaliteit van hun werk. Econsultancy werkt volgens een dynamisch kwaliteits- en milieusysteem, zoals beschreven in het kwaliteits- en milieuhandboek. Ons kwaliteits- en milieusysteem is gecertificeerd volgens de eisen in de NEN-EN-ISO 9001 en NEN-EN-ISO 14001. Betrouwbaarheid Dit onderzoek is op zorgvuldige wijze uitgevoerd conform de toepasselijke en van kracht zijnde regelgeving ten aanzien van natuurwetgeving. Het onderzoek betreft een momentopname en geeft een inschatting van de geschiktheid van de onderzoekslocatie voor beschermde soorten en het al dan niet voorkomen van soorten. De gebruikte informatie omtrent verspreiding van soorten is deels afkomstig uit de NDFF en mag niet zonder toestemming worden verstrekt aan derden of op enige andere wijze openbaar gemaakt worden.
Econsultancy accepteert op voorhand geen aansprakelijkheid ten aanzien van mogelijke beslissingen die de opdrachtgever naar aanleiding van het door Econsultancy uitgevoerde onderzoek neemt. In het algemeen kan gesteld worden dat een quickscan geldig is voor een periode van 2 tot 3 jaar, tenzij in deze periode de ecologische omstandigheden wezenlijk zijn veranderd en/of de Wet natuurbescherming, dan wel inzichten hieromtrent zijn gewijzigd. Bij uitstel van de uitvoering van een project met meer dan 3 jaar verdient het de aanbeveling de resultaten van de quickscan opnieuw te toetsen.
INHOUDSOPGAVE 1
INLEIDING .................................................................................................................................. 1
2
GEBIEDSBESCHRIJVING ......................................................................................................... 2 2.1 2.2
Huidig gebruik onderzoekslocatie en omgeving ............................................................... 2 Toekomstig gebruik van de onderzoekslocatie en voorgenomen ingrepen ..................... 4
3
ONDERZOEKSMETHODIEK ..................................................................................................... 5
4
OVERZICHT VAN DE NATIONALE NATUURWETGEVING ..................................................... 6 4.1 4.2 4.3 4.4
5
AANGETROFFEN EN TE VERWACHTEN BESCHERMDE SOORTEN .................................. 9 5.1 5.2 5.3 5.4 5.5 5.6 5.7 5.8
6
Vogels ............................................................................................................................... 9 Vleermuizen .................................................................................................................... 11 Overige zoogdieren ........................................................................................................ 12 Reptielen ......................................................................................................................... 13 Amfibieën ........................................................................................................................ 13 Vissen ............................................................................................................................. 13 Ongewervelden............................................................................................................... 14 Vaatplanten..................................................................................................................... 14
TOETSING AAN SOORTENBESCHERMING ......................................................................... 15 6.1 6.2 6.3 6.4
7
Zorgplicht .......................................................................................................................... 6 Soortenbescherming ........................................................................................................ 6 Gebiedenbescherming ..................................................................................................... 7 Houtopstanden ................................................................................................................. 8
Broedvogels .................................................................................................................... 15 Vleermuizen .................................................................................................................... 15 Algemene grondgebonden zoogdieren en amfibieën .................................................... 16 Overige soort(groep)en .................................................................................................. 16
TOETSING AAN GEBIEDENBESCHERMING ........................................................................ 17 7.1 7.2
Natura 2000 .................................................................................................................... 17 Natuurnetwerk Nederland ............................................................................................... 18
8
HOUTOPSTANDEN ................................................................................................................. 19
9
SAMENVATTING EN CONCLUSIES ....................................................................................... 20
Bijlage 1 Bijlage 2
toelichting verbodsbepalingen Wet natuurbescherming verklarende woordenlijst 12606.003
1
INLEIDING
Econsultancy heeft van Rho adviseurs voor leefruimte opdracht gekregen voor het uitvoeren van een quickscan Wet natuurbescherming aan de Hoofdstraat 152-156 te Schijndel. De quickscan Wet natuurbescherming is uitgevoerd in het kader van een bestemmingsplanwijziging en heeft als doel in te schatten of er op de onderzoekslocatie planten- en diersoorten aanwezig of te verwachten zijn, die volgens de Wet natuurbescherming een beschermde status hebben en die mogelijk negatieve invloed kunnen ondervinden door de voorgenomen ingreep. Tevens is beoordeeld of de voorgenomen ingreep invloed kan hebben op Natura 2000-gebieden, houtopstanden die middels de Wet natuurbescherming zijn beschermd, of op gebieden die deel uitmaken van het Natuurnetwerk Nederland. Econsultancy is lid van de branchevereniging "Netwerk Groene Bureaus" en werkt volgens de door het Netwerk opgestelde gedragscode en protocollen.
Rapport 12606.003 versie D1
Pagina 1 van 21
2 2.1
GEBIEDSBESCHRIJVING Huidig gebruik onderzoekslocatie en omgeving
De onderzoekslocatie (± 3.780 m²) ligt aan de Hoofdstraat 152-156 in van de kern van Schijndel. In figuur 1 is de topografische ligging van de onderzoekslocatie weergegeven. Volgens de topografische kaart van Nederland zijn de coördinaten van het midden van de onderzoekslocatie X = 158.438, Y = 403.231.
Figuur 1. Topografische ligging van de onderzoekslocatie.
De onderzoekslocatie is bebouwd met een woonhuis, supermarkt Aldi, een reisbureau met bovenwoningen, een aantal garageboxen, een overdekt zwembad, een schuur en een terrasoverkapping. Verder bestaat de onderzoekslocatie uit siertuin en parkeerplaatsen. De onderzoekslocatie is omgeven door woningen met bijbehorende siertuinen, winkels, eetgelegenheden, wegen en parkeerplaatsen. Ten noordwesten van de onderzoekslocatie bevindt zich het oude Lodewijkskerkje. In figuur 2 is een luchtfoto van de onderzoekslocatie en de directe omgeving weergegeven. De figuren 3 t/m 8 geven een impressie van de onderzoekslocatie, middels foto’s die zijn genomen tijdens het veldbezoek.
Rapport 12606.003 versie D1
Pagina 2 van 21
Figuur 2. Luchtfoto onderzoekslocatie en directe omgeving.
Figuur 3. Achterzijde bovenwoningen, Aldi, parkeerplaatsen en garageboxen.
Figuur 4. Voorzijde reisbureau en bovenwoningen.
Figuur 5. Voorzijde woonhuis.
Figuur 6. Achterzijde woonhuis met siertuin.
Figuur 7. Siertuin achter het woonhuis.
Figuur 8. Toegangspoort tot garageboxen achter het Lodewijkskerkje.
Rapport 12606.003 versie D1
Pagina 3 van 21
2.2
Toekomstig gebruik van de onderzoekslocatie en voorgenomen ingrepen
De initiatiefnemer is voornemens alle bebouwing, met uitzondering van het reisbureau met bovenwoningen, te slopen. Op de vrijgekomen ruimte zal een nieuwe, grotere winkel gerealiseerd worden met bovenwoningen aan de zijde van de Hoofdstraat. In figuur 9 en 10 zijn de bestaande en toekomstige situatie weergegeven.
Figuur 9. Bestaande situatie.
Rapport 12606.003 versie D1
Figuur 10. Toekomstige situatie.
Pagina 4 van 21
3
ONDERZOEKSMETHODIEK
Het onderzoek is uitgevoerd middels het verrichten van een veldbezoek en een bureauonderzoek. Op deze wijze is inzicht verkregen in de aanwezigheid van geschikt habitat en de daarbij te verwachten beschermde soorten, gesitueerd op of nabij de onderzoekslocatie. Het veldbezoek is afgelegd op 18 mei 2020. Tijdens dit veldbezoek is de gehele onderzoekslocatie, alsmede de directe omgeving beoordeeld. Gedurende het veldbezoek is gelet op de mogelijke aanwezigheid van beschermde en bedreigde soorten op basis van het aanwezige habitat. Verder is aan de hand van verspreidingsatlassen, andere standaardwerken en op basis van “expert judgement” nagegaan welke bijzondere planten- en diersoorten er voor kunnen komen op de onderzoekslocatie en zijn omtrent gebiedsbescherming gegevens van de provincie Noord-Brabant opgevraagd. Actuele verspreidingsgegevens van flora en fauna zijn uit de Nationale Databank Flora en Fauna (NDFF) opgevraagd. De quickscan Wet natuurbescherming is een toets van de ecologische potenties van de onderzoekslocatie en betreft geen volwaardig soort(en) specifiek onderzoek. Er zijn in het onderhavige onderzoek geen inventarisaties uitgevoerd van soorten en soortgroepen. Een ecologische inventarisatie beslaat meerdere veldbezoeken gedurende de voor de soortgroep meest gunstige periode van het jaar.
Rapport 12606.003 versie D1
Pagina 5 van 21
4
OVERZICHT VAN DE NATIONALE NATUURWETGEVING
Dit hoofdstuk geeft achtergrondinformatie over de natuurwetgeving waaraan de voorgenomen ingreep op de onderzoekslocatie wordt getoetst. Er wordt een globale toelichting gegeven ten aanzien van potentiële overtredingen van de Wet natuurbescherming bij de meest voorkomende soorten en soortgroepen. Dit hoofdstuk is niet toegespitst op de situatie op de onderzoekslocatie, maar geeft enkel een beschrijving van de vigerende wetgeving. De Wet natuurbescherming is gericht op: • • •
het beschermen en ontwikkelen van de natuur, mede vanwege de intrinsieke waarde en het behouden en herstellen van de biologische diversiteit; het doelmatig beheren, gebruiken en ontwikkelen van de natuur ter vervulling van maatschappelijke functies; het verzekeren van een samenhangend beleid gericht op het behoud en beheer van waardevolle landschappen, vanwege hun bijdrage aan de biologische diversiteit en hun cultuurhistorische betekenis, mede ter vervulling van maatschappelijke functies.
De bevoegdheid voor het verlenen van ontheffingen en vrijstellingen bij soortenbescherming ligt grotendeels bij de provincies. De provincie is bevoegd gezag voor de toetsing van handelingen met mogelijke gevolgen voor beschermde dier- en plantensoorten (de soortenbeschermingsbepalingen) én voor Natura 2000-gebieden (de gebiedenbeschermingsbepalingen). Alleen bij ruimtelijke ingrepen waarmee grote nationale belangen zijn gemoeid, blijft het Rijk bevoegd gezag. 4.1
Zorgplicht
Het eerste artikel in de Wet natuurbescherming heeft betrekking op de zorgplicht en heeft betrekking op het voorkomen of beperken van schade aan soorten en gebieden, voor zover deze niet middels overige verbodsbepalingen zijn gereguleerd. Het gaat daarbij in de praktijk vooral om minder streng beschermde soorten, waarbij het onnodig doden, verwonden of beschadigen dient te worden vermeden. In bijlage 1 wordt dit artikel nader toegelicht. 4.2
Soortenbescherming
Bij een quickscan wordt in beeld gebracht of er (potentiële) vaste rust- of voortplantingsplaatsen aanwezig zijn van de soorten uit de verschillende beschermingsregimes. Vervolgens wordt beoordeeld of de voorgenomen ingreep verstorend kan zijn en of nader onderzoek noodzakelijk wordt geacht. De Wet natuurbescherming onderscheidt beschermingsregimes voor soorten op grond van internationale verdragen, aangevuld met soorten die vanuit een nationaal oogpunt beschermd worden. Hierdoor zijn er in de Wet natuurbescherming drie verschillende verbodsartikelen per categorie soorten; • • •
soorten van de Vogelrichtlijn (artikel 3.1); soorten van de Habitatrichtlijn en de verdragen van Bern en Bonn (artikel 3.5); andere soorten (artikel 3.10).
In bijlage 1 worden deze artikelen nader toegelicht.
Rapport 12606.003 versie D1
Pagina 6 van 21
4.3
Gebiedenbescherming
Indien een plangebied in of nabij een beschermd gebied is gelegen, dan dient te worden bepaald of er een (extern) effect valt te verwachten. Het gaat daarbij om Natura 2000-gebieden en gebieden behorend tot het Natuurnetwerk Nederland. 4.3.1
Natura 2000
Natura 2000 is de benaming voor een Europees netwerk van natuurgebieden waarin belangrijke flora en fauna voorkomen, gezien vanuit een Europees perspectief. Met Natura 2000 wil men deze flora en fauna duurzaam beschermen. De staatssecretaris van Economische Zaken heeft voor Nederland ruim 160 Natura 2000-gebieden aangewezen. Gezamenlijk hebben ze een oppervlak van ruim 1,1 miljoen hectare. Ze maken deel uit van een samenhangend netwerk van natuurgebieden in de Europese Unie die zijn aangewezen op grond van de vogelrichtlijn en habitatrichtlijn. Het doel van Natura 2000 is het keren van de achteruitgang van de biodiversiteit. Binnen een gebied kan spanning optreden tussen economie en ecologie. In een zogenaamd beheerplan leggen Rijk en provincies vast welke activiteiten, op welke wijze mogelijk zijn. Uitgangspunt is steeds het realiseren van ecologische doelen met respect voor en in een zorgvuldige balans met wat particulieren en ondernemers willen. Het opstellen gebeurt daarom in overleg met alle direct betrokkenen, zoals beheerders, gebruikers, omwonenden, gemeenten, natuurorganisaties en waterschappen. Samen geven ze invulling aan beleven, gebruiken en beschermen. Daar draait het om in de Nederlandse Natura 2000-gebieden (bron: Regiegroep Natura 2000).
Het is krachtens de Wet natuurbescherming verboden zonder vergunning van gedeputeerde staten projecten te realiseren of andere handelingen te verrichten die gelet op de instandhoudingsdoelstellingen voor een Natura 2000-gebied de kwaliteit van de natuurlijke habitats of de habitats van soorten in dat gebied kunnen verslechteren of een significant verstorend effect kunnen hebben op de soorten waarvoor dat gebied is aangewezen (artikel 2.7, lid 2). Handelingen die een negatieve invloed hebben op Natura 2000-gebieden, worden slechts onder strikte voorwaarden toegestaan. Een vergunning is vereist. Door middel van het Nederlandse vergunningsstelsel wordt een zorgvuldige afweging gewaarborgd. De vergunningen zullen beoordeeld en afgegeven worden door de desbetreffende provincie. 4.3.2
Natuurnetwerk Nederland
Het Natuurnetwerk Nederland is het Nederlands netwerk van bestaande en nieuw aan te leggen natuurgebieden. Het netwerk moet natuurgebieden beter verbinden met elkaar en met het omringende agrarisch gebied. Het Natuurnetwerk Nederland bestaat uit: • • • • •
bestaande natuurgebieden, waaronder de 20 Nationale Parken; gebieden waar nieuwe natuur aangelegd wordt; landbouwgebieden, beheerd volgens agrarisch natuurbeheer; ruim 6 miljoen hectare grote wateren: meren, rivieren, de Noordzee en de Waddenzee; alle Natura 2000-gebieden.
Rapport 12606.003 versie D1
Pagina 7 van 21
Conform artikel 1.12 van de Wet natuurbescherming dragen gedeputeerde staten in hun provincie zorg voor de totstandkoming en instandhouding van een samenhangend landelijk ecologisch netwerk, genaamd ‘Natuurnetwerk Nederland’. Zij wijzen daartoe in hun provincie gebieden aan die tot dit netwerk behoren. De planologische begrenzing en beschermingsregimes van het Natuurnetwerk Nederland loopt via het traject van de provinciale ruimtelijke structuurvisies en verordeningen. 4.4
Houtopstanden
De bescherming van houtopstanden conform hoofdstuk 4 van de Wet natuurbescherming heeft als doel om het aanwezige areaal bos in Nederland te behouden. Onder houtopstanden vallen alle zelfstandige eenheden van bomen, boomvormers of struiken van een oppervlakte van tien are of meer of rijbeplanting die meer dan twintig bomen omvat. In bijlage 1 (tabel VI) worden de regels nader toegelicht. Wanneer houtopstanden geveld worden, niet vallende onder artikel 4.1 van de Wet natuurbescherming, geldt een meldingsplicht bij Gedeputeerde Staten van desbetreffende provincie (artikel 4.2 Wnb). Op basis van deze melding wordt door de provincie beoordeeld of de voorgenomen velling aanvaardbaar is in het kader van natuur- en landschapswaarden. Indien er geen bezwaar is om de houtopstanden te kappen, verplicht artikel 4.2 van de Wet natuurbescherming om binnen 3 jaar na het vellen of tenietgaan van de houtopstand op dezelfde grond houtopstanden opnieuw aan te planten. Er geldt een algehele vrijstelling van de herplantplicht voor houtopstanden die gekapt worden in het kader van natuurbeheer en natuurbehoud. Indien bij de voorgenomen ontwikkeling herplantplicht geldt, maar niet voldaan kan worden aan de herplantplicht op de projectlocatie zelf, dan dient een ontheffing aangevraagd te worden met betrekking tot de herplantplicht bij de desbetreffende provincie.
De provincie toetst vervolgens of voldaan wordt aan de bij de provinciale verordening gestelde regels voor herbeplanting op andere perceelsgronden. Deze regels hebben onder andere betrekking op de kwaliteit, oppervlakte en locatie van de andere grond en de natuurwaarde van de te vellen houtopstand. Tevens kan ontheffing verleend worden van herplantplicht ter plaatse, indien gewerkt wordt via een door het ministerie goedgekeurde gedragscode die gebruikt mag worden door een van de betrokken partijen voor een wijze van vellen en een wijze van herplanten.
Rapport 12606.003 versie D1
Pagina 8 van 21
5
AANGETROFFEN EN TE VERWACHTEN BESCHERMDE SOORTEN
Het voorkomen van planten- en diersoorten in een gebied wordt mede bepaald door de aanwezigheid van geschikt leefgebied. Een soort kan in zijn leefgebied gebruik maken van verschillende plekken om te verblijven. Al deze plekken (biotopen) kunnen een bepaalde functie voor de soort vervullen. In dit hoofdstuk wordt op basis van het aanwezige habitat / verblijfsmogelijkheden samen met verspreidingsgegevens beschreven welke beschermde soorten binnen de onderzoekslocatie kunnen voorkomen. Afhankelijk van de soort wordt ingegaan op de potentiële aanwezigheid van vaste rust- of voortplantingsplaatsen, foerageergebied en verbindingsroutes. Tevens wordt beoordeeld of de voorgenomen plannen een negatief effect kunnen hebben op de mogelijk aanwezige beschermde soorten. In hoofdstuk 6 wordt beschreven welke juridische implicaties dit voor het project heeft. 5.1 5.1.1
Vogels Broedvogels (nesten jaarrond beschermd)
Er zijn broedvogels waarvan de nesten ook beschermd zijn op het moment dat ze niet voor de voortplanting in gebruik zijn. Binnen de bebouwde kom kunnen dit zijn: grote gele kwikstaart, huismus, gierzwaluw, kerkuil, roek en slechtvalk. Grote gele kwikstaart De grote gele kwikstaart is sterk gebonden aan water. Op en in de directe omgeving van de onderzoekslocatie is geen water aanwezig. De aanwezigheid van een nestlocatie van de grote gele kwikstaart op de onderzoekslocatie kan dan ook worden uitgesloten en verstoring ten aanzien van de grote gele kwikstaart is niet aan de orde. Huismus en gierzwaluw De huismus en de gierzwaluw zijn typische gebouwbewonende koloniebroeders. De aanwezige woning op de onderzoekslocatie biedt broedgelegenheid aan beide soorten vanwege de ruimtes onder de dakpannen. Huismussen kunnen via de dakgoten (figuur 11) en kapotte of scheefliggende dakpannen (figuur 12) onder de dakpannen terecht en kunnen daarnaast tussen de rolluiken en de dakgoot nestelen. Gierzwaluwen kunnen aan de rand van het dak direct onder de dakpannen terecht (figuur 12). Tijdens het veldbezoek zijn bovendien laag overvliegende gierzwaluwen gezien. Door de voorgenomen sloop van de woning op de onderzoekslocatie kunnen beschermde nesten van huismus en/of gierzwaluw verloren gaan (zie hoofdstuk 6).
De overige bebouwing op de onderzoekslocatie biedt geen broedgelegenheid aan de huismus en de gierzwaluw. Hierin bevinden zich geen geschikte ruimtes waar de huismus en de gierzwaluw gebruik van kunnen maken.
Rapport 12606.003 versie D1
Pagina 9 van 21
Figuur 11. Ruimte onder de dakpannen is voor huismussen te bereiken via de dakgoot.
Figuur 12. Een scheefliggende dakpan biedt ruimte aan huismussen en gierzwaluwen.
Kerkuil De bebouwing op de onderzoekslocatie vormt geen geschikte roest- of nestplaats voor de kerkuil. Er zijn geen openingen in de bebouwing aanwezig waar de kerkuil gebruik van kan maken. Verstoring ten aanzien van de kerkuil is dan ook redelijkerwijs uit te sluiten. Roek Er zijn geen geschikte (hoge) bomen op de onderzoekslocatie aanwezig waarin zich nesten van de roek bevinden. Hierdoor kan de aanwezigheid van een vaste rust- of voortplantingsplaats van de roek worden uitgesloten. Verstoring ten aanzien van potentieel jaarrond beschermde nesten van de roek is op voorhand uit te sluiten. Slechtvalk De slechtvalk broedt enkel op hoge stenige bebouwing, zoals kantoorgebouwen, torens en fabrieksschoorstenen. Deze soort is op de onderzoekslocatie niet te verwachten. Bovendien blijft de hoge bebouwing op de onderzoekslocatie behouden. Verstoring ten aanzien van de slechtvalk kan dan ook worden uitgesloten. 5.1.2
Overige broedvogels
Op de onderzoekslocatie kunnen mogelijk algemene broedvogelsoorten zoals merel, roodborst en winterkoning tot broeden komen. De nesten van deze soorten zijn alleen beschermd op het moment dat ze als zodanig in gebruik zijn. Overtreding van verbodsbepalingen uit de Wet natuurbescherming zijn te voorkomen door werkzaamheden buiten het broedseizoen uit te voeren en/of vooraf te controleren op de aanwezigheid van bezette nesten (zie hoofdstuk 6).
Rapport 12606.003 versie D1
Pagina 10 van 21
De broedvogels waarvan het nest in uitzonderlijke gevallen eveneens jaarrond is beschermd, zijn voornamelijk holenbroeders, zoals spechten en mezen, of makers van grote nesten, zoals ekster en zwarte kraai. Het gaat hierbij om algemeen voorkomende soorten, die ook in de directe omgeving voldoende broedgelegenheid hebben. Er zijn derhalve geen bijzondere ecologische omstandigheden die rechtvaardigen dat de nesten van genoemde soorten op de onderzoekslocatie een jaarrond beschermde status zouden moeten hebben. Het werken buiten het broedseizoen is voldoende om overtreding van de Wet natuurbescherming te voorkomen (zie hoofdstuk 6). 5.2
Vleermuizen
Volgens verspreidingsgegevens van de NDFF en de Zoogdiervereniging (Limpens en Regelink, 2017) is de onderzoekslocatie gelegen in een deel van Nederland waar de volgende vleermuissoorten kunnen voorkomen: gewone dwergvleermuis, ruige dwergvleermuis, rosse vleermuis, laatvlieger, gewone grootoorvleermuis, franjestaart, baardvleermuis, meervleermuis en watervleermuis. Verblijfplaatsen op de onderzoekslocatie Het woonhuis, de Aldi, het reisbureau met bovenwoningen, de garageboxen achter de Aldi en de terrasoverkapping op de onderzoekslocatie zijn in principe geschikt als verblijfplaats voor gebouwbewonende vleermuizen. Dit vanwege de aanwezigheid van geschikte openingen die toegang verlenen tot de spouwmuren (figuur 13) en/of ruimte langs de dakranden die toegang geeft tot de ruimte onder de dakpannen (figuur 12) en/of ruimtes achter betimmeringen waar vleermuizen gebruik van kunnen maken. De bebouwing is geschikt als verblijfplaats voor gewo- Figuur 13. Spouwopeningen in de garageboxen achter de ne dwergvleermuis, ruige dwergvleermuis en Aldi. laatvlieger. Deze soorten kunnen de bebouwing in principe gebruiken als zomerverblijfplaats, kraamverblijfplaats, paarverblijfplaats en mogelijk als milde winterverblijfplaats. Het reisbureau met bovenwoningen is mogelijk ook geschikt als massawinterverblijfplaats. Deze bebouwing blijft behouden.
Echter kunnen verblijfplaatsen hierin verstoord worden als gevolg van de sloop van de Aldi of als gevolg van de toekomstige nieuwbouw. Bij de sloop van het woonhuis, de Aldi, de garageboxen achter de Aldi en de terrasoverkapping kan sprake zijn van vernietiging ten aanzien van een vaste rust- of voortplantingsplaats van gewone dwergvleermuis, ruige dwergvleermuis en/of laatvlieger (zie hoofdstuk 6). Het overdekt zwembad en de schuur met garageboxen achter het Lodewijkskerkje (figuur 8) zijn niet geschikt als verblijfplaats voor vleermuizen. Er zijn geen spouwmuren, dakpannen of overige ruimtes achter betimmeringen waargenomen waar vleermuizen gebruik van kunnen maken. De aanwezige bomen op de onderzoekslocatie zijn onderzocht op holtes, spleten en/of loshangend schors, die kunnen dienen als potentiële vaste rust- of voortplantingsplaats voor boombewonende vleermuizen. Deze zijn niet aangetroffen en daarmee zijn boombewonende vleermuizen uit te sluiten. Verblijfplaatsen buiten de onderzoekslocatie Door de herinrichting van de onderzoekslocatie worden door de onderlinge afstand tot mogelijke verblijfplaatsen geen potentieel belangrijke aanvliegroutes aangetast en zal er geen verstoring plaatsvinden van een in de omgeving gelegen verblijfplaats.
Rapport 12606.003 versie D1
Pagina 11 van 21
Foerageerhabitat De onderzoekslocatie zal, gelet op het aanwezige habitat beperkt gebruikt kunnen worden door in de omgeving verblijvende vleermuizen om te foerageren. De plannen zullen geen aantasting van (belangrijk) foerageerhabitat vormen. Door de voorgenomen ingreep zal het aanbod van foerageermogelijkheden niet in het geding komen. In de directe omgeving is meer geschikt foerageerhabitat voor vleermuizen aanwezig in de vorm van parken en tuinen. Vliegroutes Vleermuizen maken veelal gebruik van lijnvormige (donkere) landschapselementen als houtsingels, beken en lanen om zich te verplaatsen tussen verblijfplaatsen en foerageergebieden. Doordat dergelijke lijnvormige elementen ontbreken op de onderzoekslocatie, worden er geen potentiële vliegroutes verstoord. 5.3
Overige zoogdieren
Alle zoogdieren in Nederland zijn beschermd. Voor sommige algemeen voorkomende soorten geldt een provinciale vrijstelling bij ruimtelijke ontwikkeling. Op deze wijze is er onderscheid te maken in streng beschermde en minder streng beschermde soorten. 5.3.1
Streng beschermde soorten
Volgens verspreidingsgegevens van de NDFF ligt de onderzoekslocatie binnen het verspreidingsgebied van de volgende streng beschermde grondgebonden zoogdieren: steenmarter, bunzing, hermelijn, wezel, das en eekhoorn. Steenmarter, bunzing, hermelijn en wezel Steenmarters en kleine marterachtigen maken gebruik van oude holen van onder andere konijnen, mollen en muizen, maar ook van houtwallen, steenhopen, ruimtes tussen opslagmateriaal, holle bomen, ruimtes onder boomwortels, hooizolders, schuren en dergelijke als verblijfplaats. Deze soorten hebben binnen hun territorium verscheidene verblijfplaatsen. Tijdens het veldbezoek zijn geen sporen, zoals uitwerpselen of prooiresten, aangetroffen die duiden op het gebruik van de onderzoekslocatie als vaste rust- of voortplantingsplaats door een van deze soorten. Bij intensief gebruik van een locatie door een van deze soorten zijn dergelijke sporen vrij eenvoudig aan te treffen. Gelet op het ontbreken ervan en het ontbreken van geschikte verbindingszones van en naar de onderzoekslocatie kan worden gesteld dat de onderzoekslocatie niet in gebruik is door de steenmarter dan wel bunzing, hermelijn of wezel. Das De onderzoekslocatie is, gezien de ligging in het centrum van Schijndel, het ontbreken van migratieroutes met geschikt habitat en het ontbreken van reliëf ongeschikt als vaste rust- of voortplantingsplaats door dassen.
Tijdens het veldbezoek zijn op de onderzoekslocatie en in de directe omgeving eveneens geen loop- of eetsporen, latrines en/of wissels aangetroffen die duiden op de aanwezigheid en/of het gebruik van de onderzoekslocatie door de das. Dassen zullen eerder hun leefgebied hebben in buiten de bebouwde kom gelegen natuurgebieden en de aansluitende weilanden. Verstoring ten aanzien van de das als gevolg van de voorgenomen ingreep is niet aan de orde. Eekhoorn De bomen op de onderzoekslocatie konden goed worden onderzocht op de aanwezigheid van nesten. Er zijn geen nesten van eekhoorns aangetroffen, zodat de aanwezigheid van een vaste rust- of voortplantingsplaats van de eekhoorn kan worden uitgesloten.
Rapport 12606.003 versie D1
Pagina 12 van 21
Het voorkomen van overige grondgebonden zoogdieren waarvoor geen vrijstelling geldt, is tijdens het veldbezoek niet vastgesteld. Vanwege het ontbreken van geschikt habitat kan het voorkomen ervan redelijkerwijs worden uitgesloten. 5.3.2
Licht beschermde soorten
De onderzoekslocatie vormt geschikt habitat voor een aantal soorten grondgebonden zoogdieren. Het gaat daarbij om algemene soorten zoals egel en diverse muizensoorten. Door de voorgenomen werkzaamheden bestaat de kans dat vaste rust- en voortplantingsplaatsen worden vergraven. Hiervoor geldt een algemene vrijstelling in het kader van ruimtelijke ontwikkeling. Wel dient rekening te worden gehouden met de algemene zorgplicht (zie hoofdstuk 6). 5.4
Reptielen
Volgens verspreidingsgegevens van RAVON (van Delft et al. 2015) en de NDFF zijn binnen enkele kilometers van de onderzoekslocatie de volgende streng beschermde reptielensoorten waargenomen: levendbarende hagedis en hazelworm. Reptielen stellen specifieke eisen aan het habitat die betrekking hebben op verschillende factoren. Op de onderzoekslocatie is geen geschikt habitat voor reptielen aanwezig. Dit in combinatie met de ligging van de onderzoekslocatie in het centrum van Schijndel zorgt ervoor dat het redelijkerwijs uit te sluiten is dat er een verstoring van beschermde reptielensoorten optreedt bij de voorgenomen plannen. De waarnemingen van de streng beschermde levendbarende hagedis en hazelworm hebben naar verwachting betrekking op nabij gelegen natuurgebieden buiten de bebouwde kom. 5.5
Amfibieën
Volgens verspreidingsgegevens van RAVON (van Delft et al. 2015) en de NDFF zijn binnen enkele kilometers van de onderzoekslocatie de volgende streng beschermde amfibieënsoorten waargenomen: alpenwatersalamander, heikikker, kamsalamander, poelkikker en rugstreeppad. Doordat wateroppervlakten als beken, poelen, sloten en plassen op de onderzoekslocatie ontbreken zijn voortplantingsmogelijkheden voor amfibieën op de onderzoekslocatie uitgesloten. De onderzoekslocatie vormt weinig geschikt landhabitat voor amfibieën. Incidenteel kunnen algemene soorten als bruine kikker en gewone pad beschutting vinden tussen de beplanting op de onderzoekslocatie. Voor de mogelijk incidenteel te verwachten soorten geldt een algehele vrijstelling van de Wet natuurbescherming in het kader van ruimtelijke ontwikkeling (zie hoofdstuk 6). De waarnemingen van de hierboven genoemde streng beschermde soorten hebben naar verwachting betrekking op nabij gelegen natuurgebieden buiten de bebouwde kom. Verstoring van streng beschermde amfibieën is redelijkerwijs uit te sluiten. 5.6
Vissen
Vanwege het ontbreken van oppervlaktewater op de onderzoekslocatie kan deze soortgroep buiten beschouwing worden gelaten.
Rapport 12606.003 versie D1
Pagina 13 van 21
5.7
Ongewervelden
Libellen Er zijn slechts enkele libellensoorten die binnen de Wet natuurbescherming een strenge bescherming genieten. Deze zijn voor wat betreft hun verspreiding gebonden aan specifieke habitateisen, die veelal alleen in natuurgebieden zijn te vinden. Beschermde soorten zijn op de onderzoekslocatie niet te verwachten wegens het ontbreken van geschikt habitat en de afwezigheid van water als voortplantingshabitat. Dagvlinders Beschermde dagvlinders stellen specifieke eisen aan het voortplantingshabitat. Bij het habitat is het belangrijk dat aan de eisen van alle stadia van de vlindersoort wordt voldaan. Voor de beschermde soorten in Nederland geldt dat deze veelal gebonden zijn aan zeldzame waardplanten, die vaak alleen in natuurterreinen zijn te vinden. Geschikte waardplanten voor beschermde vlindersoorten als sleedoornpage (sleedoorn), iepenpage (iep) en kleine ijsvogelvlinder (kamperfoelie) zijn op de onderzoekslocatie niet aanwezig. Het is uitgesloten dat er binnen de onderzoekslocatie geschikt habitat aanwezig is voor een (deel)populatie van een beschermde vlindersoort. Overige soorten Overige beschermde soorten, zoals vliegend hert, Europese rivierkreeft en platte schijfhoren, zijn op de onderzoekslocatie uit te sluiten.
Er is geen geschikt habitat voor dergelijke beschermde soorten op de onderzoekslocatie aanwezig en er zijn geen waarnemingen bekend in de directe omgeving van de onderzoekslocatie. 5.8
Vaatplanten
Aangezien de locatie geheel bestaat uit bebouwing, verharding en siertuin is het niet te verwachten dat er beschermde of zeldzame plantensoorten op de locatie te vinden zijn. De aanwezigheid van water, de zuurgraad van de bodem, de beschikbare hoeveelheid voedingsstoffen, de hoeveelheid zonlicht en de antropogene beïnvloeding bepalen in hoeverre een groeiplaats voor een bepaalde plant geschikt is. Vanwege de specifieke eisen die de meeste beschermde soorten stellen aan de groeiomstandigheden zijn beschermde vaatplanten op de onderzoekslocatie niet te verwachten.
Rapport 12606.003 versie D1
Pagina 14 van 21
6
TOETSING AAN SOORTENBESCHERMING
Als gevolg van de voorgenomen ingreep op de onderzoekslocatie kunnen er overtredingen van verbodsbepalingen uit soortbeschermingsparagrafen uit de Wet natuurbescherming optreden. In dit hoofdstuk wordt beschreven voor welke soorten er sprake is van dreigende overtreding van de Wet natuurbescherming en of met eenvoudige maatregelen overtreding is te voorkomen. Verder wordt beschreven voor welke soorten een vervolgtraject noodzakelijk is, bijvoorbeeld omdat toetsing van de ingreep aan de Wet natuurbescherming op basis van de huidige onderzoeksinspanning niet mogelijk is, en wat de eventuele consequenties zijn ten aanzien van ontheffingen. 6.1 6.1.1
Broedvogels Huismus en gierzwaluw
De nesten van huismussen en gierzwaluwen zijn het gehele jaar beschermd en vallen onder de beschermingscategorie 2 van vogelnesten. Dit zijn nesten van koloniebroeders die elk seizoen op dezelfde plaats broeden en die daarin zeer honkvast zijn of afhankelijk van bebouwing of biotoop. Volgens artikel 3.1 van de Wet natuurbescherming is het verboden nesten van huismussen of gierzwaluwen te beschadigen, te vernielen of weg te nemen. Indien er op de onderzoekslocatie nestplaatsen van huismussen en/of gierzwaluwen aanwezig zijn, hetgeen op basis van de huidige informatie niet is uit te sluiten, zal de voorgenomen ingreep kunnen leiden tot overtreding van de Wet natuurbescherming. Om vast te stellen of er broedgevallen van de huismus en/of gierzwaluw op de onderzoekslocatie aanwezig zijn, dient een nader onderzoek uitgevoerd te worden tijdens het broedseizoen van desbetreffende soort. 6.1.2
Algemene broedvogels
Voor de algemene broedvogelsoorten die op de onderzoekslocatie zijn te verwachten geldt dat, indien de werkzaamheden buiten het broedseizoen uitgevoerd worden, er geen overtredingen plaats zullen vinden met betrekking tot deze soorten. Artikel 3.1 van de Wet natuurbescherming (het is verboden nesten te beschadigen, te vernielen of weg te nemen) is van toepassing. De nesten mogen echter wel worden weggenomen wanneer deze op dat moment niet in gebruik zijn. In de Wet natuurbescherming wordt geen vaste periode gehanteerd voor het broedseizoen. Globaal kan voor het broedseizoen de periode maart tot half augustus worden aangehouden. Geldend is echter de aanwezigheid van een broedgeval op het moment van ingrijpen. Indien binnen het broedseizoen gewerkt wordt dient voorafgaand aan de werkzaamheden een broedvogelinspectie uitgevoerd te worden. Met betrekking tot het verwijderen van de aanwezige beplanting buiten het broedseizoen wordt geadviseerd om ook het snoeiafval buiten het broedseizoen te verwijderen. Een grote stapel snoeiafval vormt namelijk een ideale broedlocatie voor kleine vogelsoorten als de winterkoning. Indien onverhoopt een dergelijke soort hierin tot broeden komt, mag het snoeiafval niet eerder worden verwijderd dan wanneer de jongen definitief zijn uitgevlogen. 6.2
Vleermuizen
Het grootste deel van de bebouwing op de onderzoekslocatie is geschikt als verblijfplaats voor vleermuizen. De sloop van de bebouwing zou in geval van aanwezigheid van een verblijfsfunctie van vleermuizen kunnen leiden tot overtreding van de Wet natuurbescherming. Ook kan de nieuwbouw voor verstoring van verblijfplaatsen van vleermuizen in het reisbureau met bovenwoningen zorgen.
Rapport 12606.003 versie D1
Pagina 15 van 21
Alle vleermuissoorten zijn opgenomen in bijlage IV van de EU-Habitatrichtlijn, dier- en plantensoorten van communautair belang die strikt moeten worden beschermd. Vleermuizen worden ook benoemd in Bijlage II van de conventie van Bonn. Gelet op de geschiktheid van de onderzoekslocatie voor vleermuizen, zal aanvullend onderzoek noodzakelijk zijn om de daadwerkelijke functie van het gebied voor vleermuizen te kunnen vaststellen. Deze informatie is benodigd om vast te kunnen stellen of overtredingen van de Wet natuurbescherming aan de orde zijn. De vleermuissoorten die onderzocht dienen te worden zijn gewone dwergvleermuis, ruige dwergvleermuis en laatvlieger. Een dergelijk aanvullend onderzoek dient te worden uitgevoerd conform het protocol voor vleermuisonderzoek (Vleermuisvakberaad Netwerk Groene Bureaus, Zoogdiervereniging, 2017). Dit houdt in dat afhankelijk van de potentiële functies er in de periode april tot en met september een aantal veldbezoeken uitgevoerd dient te worden. Vervolgens kan aan de hand van de onderzoeksresultaten worden vastgesteld of er overtredingen plaats zullen vinden bij de uitvoering van het project. Bij het aantreffen van verblijfplaatsen van vleermuizen is bij de voorgenomen werkzaamheden overtreding van de Wet natuurbescherming naar verwachting niet te vermijden en is daarom een ontheffingsaanvraag aan de orde.
Door het treffen van maatregelen zal de functionaliteit van een rust- of voortplantingsplaats behouden moeten worden en zal schade aan individuen moeten worden voorkomen. Deze maatregelen, omschreven in een activiteitenplan, dienen vervolgens ter goedkeuring worden voorgelegd aan de provincie Noord-Brabant, middels een ontheffingsaanvraag. 6.3
Algemene grondgebonden zoogdieren en amfibieën
Voor de te verwachten soorten geldt dat de werkzaamheden mogelijk verstorend kunnen werken. Als gevolg van sloop- en graafwerkzaamheden kunnen dieren verwond of gedood worden en holen kunnen worden verwijderd. Dit houdt een overtreding van artikel 3.10 van de Wet natuurbescherming in. Voor de te verwachten soorten geldt, op grond van het provinciale soortenbeleid, bij ruimtelijke ontwikkelingen echter een vrijstelling, waardoor geen ontheffing hoeft te worden aangevraagd. Het is echter in het kader van de zorgplicht wel noodzakelijk om voldoende zorg te dragen voor de aanwezige individuen en al het redelijkerwijs mogelijke dient gedaan te worden om het doden van individuen te voorkomen. Het doden of verwonden kan plaatsvinden indien schuil- of voortplantingslocaties worden beschadigd. Dit kan door het verwijderen van takkenhopen, bladeren en andere materialen die door langdurige opslag of aanwezigheid schuilplaatsen bieden. Het verwijderen van de materialen dient daarom buiten de gevoelige periode van voortplanting of winterrust plaats te vinden. Aanwezige dieren moeten de gelegenheid krijgen om veilig weg te komen. 6.4
Overige soort(groep)en
Overtredingen van de Wet natuurbescherming ten aanzien van beschermde soorten behorend tot de overige soortgroepen zijn wegens het ontbreken van geschikt habitat/verblijfsmogelijkheden, op basis van verspreidingsgegevens en/of de aanwezigheid van voldoende alternatieven in dit geval niet aan de orde.
Rapport 12606.003 versie D1
Pagina 16 van 21