BP Keur 11 Toelichting
Tekst van het document
Lid 1 Een bestemmingsplan van toepassing op Landelijk gebied kan voorzien in één of meerdere ruimte-voor-ruimtekavels, ieder ten behoeve van de bouw van één woning, indien: a. er sprake is van een aanzienlijke winst van de omgevingskwaliteit; b. de ruimte-voor-ruimtekavel op een planologisch aanvaardbare locatie in een bebouwingsconcentratie ligt; c. een goede landschappelijke inpassing van de te bouwen woning is verzekerd; d. er geen sprake is van (een aanzet voor) een stedelijke ontwikkeling behoudens in geval de locatie ligt binnen Verstedelijking afweegbaar.
28
Lid 2 Er is sprake van een aanzienlijke winst van de omgevingskwaliteit als per ruimte-voorruimtekavel is aangetoond dat is voldaan aan de volgende voorwaarden: a. een of meer veehouderijen gericht op het houden van varkens of pluimvee zijn in het geheel beëindigd waarbij alle bedrijfsgebouwen ten dienste van deze veehouderij, niet zijnde de bedrijfswoning, zijn gesloopt; b. de onder a. bedoelde veehouderijen zijn direct voorafgaand aan de beëindiging gedurende een periode van drie jaar onafgebroken in bedrijf geweest; c. de onder a. bedoelde veehouderijen zijn gevestigd binnen Beperkingen Veehouderij of op een locatie die vanwege omliggende waarden en functies niet geschikt is voor de uitoefening van een veehouderij; d. er tenminste 1000 m² bedrijfsgebouwen ten dienste van de onder a. bedoelde veehouderij, niet zijnde de bedrijfswoning, zijn gesloopt met een minimum van 200 m² op iedere beëindigingslocatie veehouderij; e. de ten behoeve van de onder a. bedoelde veehouderijen geregistreerde rechten betreffende de fosfaatproductie in een gezamenlijke omvang van tenminste 3.500 kg uit de markt zijn genomen door doorhaling van de bij de Dienst Regelingen geregistreerde rechten, waarbij per beëindigingslocatie een minimum van 700 kg aan rechten betreffende de productie van fosfaat aanwezig is; f. de rechten, bedoeld onder e.
moeten vanaf het moment van beëindiging van de bedrijfsvoering tot aan het moment van uit de markt nemen geregistreerd staan op naam van de veehouderij die beëindigd; g. de omgevingsvergunning milieu voor de onder a. bedoelde veehouderij op iedere beëindigingslocatie veehouderij is ingetrokken; h. een passende herbestemming is gelegd op de locatie als onder a. bedoeld die in ieder geval het houden van vee en het bouwen van nieuwe bedrijfsgebouwen uitsluit; i. in redelijkheid niet op andere wijze is voorzien in de beëindiging van de onder a. bedoelde veehouderij. Lid 3 In afwijking van het tweede lid kan een bestemmingsplan voorzien in een ruimte-voorruimtekavel als deze wordt ontwikkeld door of vanwege de Ontwikkelingsmaatschappij ruimte voor ruimte gelet op de in het verleden behaalde aanzienlijke winst van omgevingskwaliteit door toepassing van de Regeling beëindiging veehouderijtakken. Lid 4 Het derde lid vervalt indien uit door Gedeputeerde Staten bijgehouden gegevens blijkt dat er in totaal 3500 ruimte voor ruimte kavels door of vanwege de Ontwikkelingsmaatschappij ruimte voor ruimte zijn ontwikkeld. Tevens dient bij stedelijke ontwikkelingen in het landelijke gebied worden voorzien in een kwaliteitsverbetering. Artikel 3.9 ‘kwaliteitsverbetering landschap’ zegt hierover het volgende: Lid 1
29
Een bestemmingsplan dat een ruimtelijke ontwikkeling mogelijk maakt in Landelijk Gebied bepaalt dat die ruimtelijke ontwikkeling gepaard gaat met een fysieke verbetering van de landschappelijke kwaliteit van het gebied of de omgeving. Lid 2 Het bestemmingsplan motiveert dat de verbetering past binnen de gewenste ontwikkeling van het gebied én op welke wijze de uitvoering is geborgd door dat: a. dit financieel, juridisch en feitelijk is geborgd in het plan; of b. de afspraken uit het regionaal overleg, bedoeld in afdeling 5.4 Regionaal samenwerken, worden nagekomen. Lid 3 Een verbetering van de landschappelijke kwaliteit kan mede de volgende aspecten omvatten: a. de op grond van deze verordening verplichte landschappelijke inpassing; b. het toevoegen, versterken of herstellen van landschapselementen die een bijdrage leveren aan de versterking van de landschapsstructuur of de relatie stad-land; c. het behoud of herstel van cultuurhistorisch waardevolle bebouwing of terreinen; d. het wegnemen van verharding; e. het slopen van bebouwing; f. de realisering van het Natuur Netwerk Brabant en ecologische verbindingszones; g. het aanleggen van extensieve recreatieve mogelijkheden.
Lid 4 Ingeval er toepassing wordt gegeven aan het tweede lid onder b geldt dat een passende financiële bijdrage in een landschapsfonds is verzekerd én over de besteding van dat fonds periodiek verslag wordt gedaan in het regionaal overleg, bedoeld in afdeling 5.4 Regionaal samenwerken. Instructieregels gemeenten: stedelijke ontwikkeling en erfgoed Binnen het kaartbeeld ‘Instructieregels gemeenten: stedelijke ontwikkeling en erfgoed’ is de planlocatie aangeduid als ‘Cultuurhistorisch waardevol gebied’. Dit is geïllustreerd in navolgend kaartbeeld.
30
De cultuurhistorische vlakken binnen de provincie verdienen specifieke aandacht vanwege de onvervangbaarheid ervan. De provincie wil de onvervangbare waarden beschermen in de Verordening. Het gaat om de cultuurhistorische vlakken in de cultuurhistorische landschappen zoals aangegeven op de Cultuurhistorische Waardenkaart (CHW, versie 3.0). Vanwege de aanduiding als ‘cultuurhistorisch waardevol vlak’ dient een bestemmingsplan: • mede gericht te zijn op het behoud, herstel of de duurzame ontwikkeling van de cultuurhistorische waarden en kenmerken van de onderscheiden gebieden; • regels te stellen ter bescherming van de cultuurhistorische waarden en kenmerken van de onderscheiden gebieden. Ter bescherming van de cultuurhistorische waarden en kenmerken zijn er dubbelbestemmingen gelegd op het plangebied: ‘Waarde – Archeologie 3’ en ‘Waarde – Archeologie 3’. Hiermee is recht gedaan aan de waarden en kenmerken van de planlocatie of daar aanwezige zaken, verband houdend met het bouwkundig erfgoed, het stedenbouwkundig erfgoed, de historische groenwaarden, het historisch-geografisch erfgoed en de bekende en verwachte archeologische waarden. Voor een inhoudelijke behandeling over de aspecten cultuurhistorie en archeologie wordt verwezen naar hoofdstuk 5 van deze plantoelichting.
Daar staat beschreven dat met het (bouw)plan geen inbreuk wordt gepleegd op de aanwezige cultuurhistorische waarden en kwaliteiten en dat de voorgenomen landschappelijke inpassing en bebouwing de onderkende landschappelijke en cultuurhistorische waarden en kwaliteiten zelfs positief zullen beïnvloeden. Instructieregels gemeenten: basiskaart landelijk gebied Binnen het kaartbeeld ‘Instructieregels gemeenten: basiskaart landelijk gebied’ is de planlocatie aangeduid als ‘Landelijk gebied’ en ‘Gemengd landelijk gebied. Dit is geïllustreerd in navolgend kaartbeeld.
31
De aanduiding ‘Landelijk gebied’ heeft ook zijn plek binnen het eerder behandelde thema ‘Rechtstreeks werkende regels: landbouw’. Het ‘Landelijk gebied’ is een veelzijdige gebruiksruimte met functies zoals wonen, werken, (historische) landgoederen, recreatie en toerisme. De functies zijn zo ontwikkeld dat er ten alle tijden rekening wordt gehouden met omliggende functies en aanwezige omgevingskwaliteiten. Ten aanzien van gronden aangeduid als zijn ‘Gemengd landelijk gebied’ geldt dat een gemengde plattelandseconomie of een in hoofdzaak agrarische economie wordt nagestreefd met daarbij passende bestemmingen. Een planvoornemen dat is gelegen in gemengd landelijk gebied bepaalt dat alleen bestaande burgerwoningen, bedrijfswoningen of solitaire recreatiewoningen zijn toegestaan. De zelfstandige bewoning van bedrijfsgebouwen, al dan niet solitaire recreatiewoningen en andere niet voor bewoning bestemde gebouwen is uitgesloten.
In afwijking hiervan kan planvoornemen dat is gelegen binnen gemengd landelijk gebied voorzien in één of meerdere Ruimte-voor-Ruimtekavels, ieder ten behoeve van de bouw van één woning, indien er sprake is van een aanzienlijke milieu- en ruimtelijke kwaliteitswinst, de ruimte-voor-ruimtekavel op een planologisch aanvaardbare locatie in een bebouwingsconcentratie ligt, er een goede landschappelijke inpassing van de te bouwen woning is verzekerd en er geen sprake is van (een aanzet voor) een stedelijke ontwikkeling. Instructieregels gemeenten: specifieke gebieden voor agrarische ontwikkelingen Binnen het kaartbeeld ‘Instructieregels gemeenten: specifieke gebieden voor agrarische ontwikkelingen’ is de planlocatie aangeduid als ‘stalderingsgebied’. Dit is geïllustreerd in navolgend kaartbeeld.
32
De aanduiding ‘stalderingsgebied’ heeft enkel invloed op bestaande agrarische bedrijven. Onderhavig plan betreft de oprichting van een bedrijf met woning aan de rand van de kern Nistelrode. De uitgangspunten en regeling ten aanzien van staldering heeft hier geen invloed op, en andersom doet onderhavig planvoornemen geen afbreuk aan deze beleidsregels. Watersystemen, -veiligheid en -berging Binnen het kaartbeeld ‘Watersystemen, -veiligheid en -berging’ is het plangebied aangeduid als ‘norm wateroverlast buiten Stedelijk gebied’. Dit is geïllustreerd in navolgend kaartbeeld.
33
Elke plek heeft een aanduiding welke iets regelt ten aanzien van omgang met water. Onderhavig plangebied is gelegen in het buitengebied van Schijndel. De norm ten aanzien van wateroverlast buiten stedelijk gebied is hier dan ook op van toepassing. Met het oog op de bergings- en afvoercapaciteit waarop regionale wateren moeten zijn ingericht, geldt buiten stedelijk gebied, als norm een overstromingskans van: • 1/100 per jaar voor gebieden met de ruimtelijke bestemming hoofdinfrastructuur en spoorwegen; • 1/50 per jaar voor glastuinbouw en hoogwaardige land- en tuinbouw; • 1/25 per jaar voor akkerbouw; • 1/10 per jaar voor grasland. Voor bebouwing die is gelegen buiten stedelijk gebied geldt de norm van het omringende landgebruik. De gestelde norm betreft een inspanningsverplichting. Onderhavig planvoornemen heeft een verandering van de verharding tot gevolg. Daarnaast worden de delen die vrijkomen door tenietdoening van overtollige bebouwing natuurlijk ingericht, waarbij de infiltratiecapaciteit binnen de planlocatie wijzigt. Het woningbouwplan wordt mede voorzien van een watertoets. Hierin is de inspanningsverplichting opgenomen en is een verdere verantwoording gegeven over de omgang met het water. In hoofdstuk 7 is hier meer aandacht voor.
Doorwerking plan(gebied) Onderhavig planvoornemen behelst de sloop van bestaande opstallen, de herbouw van een woning en de oprichting van een Ruimte-voor-Ruimte woning in het landelijk gebied. De nieuwe woningen worden, conform een opgesteld landschappelijk inpassingsplan, op zorgvuldige wijze ingepast. Binnen de kaders van de provinciale regelgeving is de oprichting van een nieuwe woning mogelijk, mits voldaan wordt aan de voorwaarden zoals op-
34
gesteld in de artikelen 3.9 en 3.80 van de Interim Omgevingsverordening. Deze regels hebben onder meer betrekking op het volume, oppervlakte en vormgeving van de woning en stellen voorwaarden aan de kwaliteit van het plangebied in relatie tot de omgeving. Met onderhavig planvoornemen wordt hier aan voldaan. Dit blijkt onder meer uit de toelichting in hoofdstuk 3 van de toelichting van dit bestemmingplan en de tot het bestemmingplan behorende landschappelijke inpassingsplan (bijlage 2). Hierna wordt – steeds vetgedrukt – gemotiveerd dat voldaan is/wordt aan de gestelde voorwaarden in artikel 3.80 van de Interim omgevingsverordening: Lid 1:
a.
er sprake is van een aanzienlijke milieu- en ruimtelijke kwaliteitswinst; Naast een goede landschappelijke inpassing is voor onderhavig planvoornemen in beginsel géén (extra) kwaliteitsverbetering van het landschap noodzakelijk. Achterliggende gedachte hierbij is dat deelname aan de Ruimte-voor-Ruimte regeling namelijk reeds bijdraagt aan een investering in het landschap. Bij zowel het ontwerpen van het bouwplan als bij het opstellen van het landschappelijk inpassingsplan, inclusief de landschaps-/inrichtingsschets, is zoveel als mogelijk aansluiting gezocht bij de aanwezige waarden en kwaliteiten en huidige landschappelijke omgevingskarakteristiek en uitgangspunten (zie hiervoor hoofdstuk 3 van deze plantoelichting). Zodoende kan de ruimtelijke (beeld)kwaliteit van het gebied in stand gehouden worden en door de inpassing, vormgeving en bouwstijl van de beoogde bebouwing kan de ruimtelijke (beeld)kwaliteit zelfs verbeterd worden. De ruimtelijk-fysieke, logistieke en milieu-hygiënische aanvaardbaarheid van de voormelde plankeuzes worden gemotiveerd in de hoofdstukken 5 tot en met 10.
b.
de ruimte-voor-ruimtekavel op een planologisch aanvaardbare locatie in een bebouwingsconcentratie ligt; Het plangebied valt binnen de bebouwingsconcentratie ‘Schrijvershoef – Boxtelseweg’. Verder is hiervoor in paragraaf 3.1 reeds vermeldt dat de onderhavige Ruimte-voorRuimte ontwikkeling voldoet aan de volgende uitgangspunten en randvoorwaarden: • het handelt om een vrijstaande en grondgebonden woning op een vrije kavel; • de nieuwe woning ontsluit direct op bestaande wegen; • de nieuwe woning zorgt er niet voor dat de kernrandzone dichtslibt; • de doorzichten c.q. zichtlijnen blijven behouden; • de nieuwe woning wordt op een vrij gelegen kavel gerealiseerd. Hierbij geldt als uitgangspunt dat de frontbreedte van een Ruimte-voor-Ruimte kavel minimaal 30 meter is, direct aan het bebouwingslint gemeten vanaf de belendende bestaande eigendommen. Op basis van stedenbouwkundige argumenten kan hier gemotiveerd met circa 10% van worden afgeweken; • de nieuwe woning kan niet bestempeld worden als seriematige bouw, maar kenmerkt zich door individuele bouw.
c.
een goede landschappelijke inpassing van de te bouwen woning is verzekerd;
35
Een landschappelijk inpassingsplan, inclusief landschaps-/inrichtingsschets, maakt onderdeel uit van voorliggend bestemmingsplan. Verwezen wordt naar paragraaf 3.2 en bijlage 2.
d.
er geen sprake is van (een aanzet voor) een stedelijke ontwikkeling. De voorziene ontwikkeling kan niet worden aangemerkt als een ‘nieuwe stedelijke ontwikkeling’ als bedoeld in artikel 1.1.1, eerste lid, aanhef en onder i, van het Bro, zodat artikel 3.1.6, tweede lid, van het Bro niet van toepassing is. De Interim omgevingsverordening Noord-Brabant omschrijft het begrip ‘stedelijke ontwikkeling’ als volgt: ‘nieuw ruimtebeslag dan wel uitbreiding of wijziging van bestaand ruimtebeslag ten behoeve van een samenhangende ruimtelijke structuur van stedelijke functies’. Het voorgenomen bouwplan voldoet niet aan deze omschrijving. In het verlengde van de constatering dat er op grond van het Bro geen sprake is van een nieuwe stedelijke ontwikkeling is er volgens de Interim omgevingsverordening Noord-Brabant ook geen sprake van een stedelijke ontwikkeling of een aanzet daartoe.
Lid 2: Er is sprake van een aanzienlijke winst van de omgevingskwaliteit als per ruimte-voor-ruimtekavel is aangetoond dat is voldaan aan de volgende voorwaarden: a. een of meer veehouderijen gericht op het houden van varkens of pluimvee zijn in het geheel beeindigd waarbij alle bedrijfsgebouwen ten dienste van deze veehouderij, niet zijnde de bedrijfswoning, zijn gesloopt; b. de onder a. bedoelde veehouderijen zijn direct voorafgaand aan de beëindiging gedurende een periode van drie jaar onafgebroken in bedrijf geweest; c. de onder a. bedoelde veehouderijen zijn gevestigd binnen Beperkingen Veehouderij of op een locatie die vanwege omliggende waarden en functies niet geschikt is voor de uitoefening van een veehouderij; d. er tenminste 1000 m² bedrijfsgebouwen ten dienste van de onder a. bedoelde veehouderij, niet zijnde de bedrijfswoning, zijn gesloopt met een minimum van 200 m² op iedere beëindigingslocatie veehouderij; e. de ten behoeve van de onder a. bedoelde veehouderijen geregistreerde rechten betreffende de fosfaatproductie in een gezamenlijke omvang van tenminste 3.500 kg uit de markt zijn genomen door doorhaling van de bij de Dienst Regelingen geregistreerde rechten, waarbij per beëindigingslocatie een minimum van 700 kg aan rechten betreffende de productie van fosfaat aanwezig is; f. de rechten, bedoeld onder e.
moeten vanaf het moment van beëindiging van de bedrijfsvoering tot aan het moment van uit de markt nemen geregistreerd staan op naam van de veehouderij die beëindigd; g. de omgevingsvergunning milieu voor de onder a. bedoelde veehouderij op iedere beëindigingslocatie veehouderij is ingetrokken; h. een passende herbestemming is gelegd op de locatie als onder a. bedoeld die in ieder geval het houden van vee en het bouwen van nieuwe bedrijfsgebouwen uitsluit; i. in redelijkheid niet op andere wijze is voorzien in de beëindiging van de onder a. bedoelde veehouderij. De provincie Noord-Brabant is akkoord met de Ruimte-voor-Ruimte ontwikkeling binnen het plangebied en is tevens akkoord met het inzetten van de verkregen bouwtitel ter plaatse van onderhavig plangebied.
Lid 3:
In afwijking van het tweede lid kan een bestemmingsplan voorzien in een ruimte-voor-ruimtekavel indien deze wordt ontwikkeld door of vanwege de Ontwikkelingsmaatschappij ruimte voor ruimte gelet op de in het verle-
36
den behaalde aanzienlijke milieu- en ruimtelijke kwaliteitswinst door toepassing van de Regeling beëindiging veehouderijtakken.
De provincie Noord-Brabant is akkoord met de Ruimte-voor-Ruimte ontwikkeling binnen het plangebied en is tevens akkoord met het inzetten van de verkregen bouwtitel ter plaatse van onderhavig plangebied.
Lid 4:
Het bepaalde onder het derde lid vervalt indien uit door Gedeputeerde Staten bijgehouden gegevens blijkt dat er in totaal 3500 ruimte voor ruimte kavels door of vanwege de Ontwikkelingsmaatschappij ruimte voor ruimte zijn ontwikkeld;
NVT
Ter bescherming van de cultuurhistorische waarden en kenmerken is een dubbelbestemmingen gelegd op het plangebied: ‘Waarde – Cultuurhistorisch waardevolle elementen’. Hiermee is recht gedaan aan de waarden en kenmerken van het plangebied of daar aanwezige zaken, verband houdend met het bouwkundig erfgoed, het stedenbouwkundig erfgoed, de historische groenwaarden, het historisch-geografisch erfgoed en de bekende en verwachte archeologische waarden. Voor een inhoudelijke behandeling over de aspecten cultuurhistorie en archeologie wordt verwezen naar hoofdstuk 5 van deze plantoelichting. Daar staat beschreven dat met het (bouw)plan geen inbreuk wordt gepleegd op de aanwezige cultuurhistorische waarden en kwaliteiten en dat de voorgenomen landschappelijke inpassing en bebouwing de onderkende landschappelijke en cultuurhistorische waarden en kwaliteiten zelfs positief zullen beïnvloeden. Conclusie De functie die wordt opgericht geeft verdere invulling aan het karakter van landelijk wonen. Een en ander doet geen afbreuk aan het bestaande landelijke karakter ter plaatse. Het stedelijke karakter van deze functie is minimaal en passend bij de omgeving. De ontwikkeling voldoet aan de voorwaarden, zoals opgenomen in de Interim omgevingsverordening Noord-Brabant, en is passend binnen de omgeving en de opgenomen aanduidingen.
Met oprichting van de woningen wordt geen afbreuk gedaan aan de ambities die de provincie heeft binnen deze structuren. In dit hoofdstuk zijn de belangen en regels van de provincie Noord-Brabant behandeld. Er is verantwoord op welke wijze er met dit plan wordt voldaan of wordt tegemoet gekomen aan de randvoorwaarden die de provincie in haar beleid heeft opgenomen. Het belangrijkste onderdeel van de verantwoording zit in de kwaliteitsverbetering die tezamen dient te gaan met ontwikkelingen in het buitengebied. Derhalve is de verantwoording voor voorliggend plan met name daarop gericht. Tevens biedt het aan dit plan toegevoegde inpassingsplan inzicht in de ontwikkeling op het gebied van natuur en landschap.
37
Dolmans Landscaping Group heeft de ecologische, land(schapp)elijke, cultuurhistorische en aardkundige waarden en kwaliteiten van de plangronden in ogenschouw genomen. De rapportage van Dolmans Landscaping Group (zie bijlage 2) geeft een eindbeeld voor land(schapp)elijke inpassing en versterking. Een en ander heeft geleid tot een plan, waarmee behoud van natuur- en landschapswaarden is gegarandeerd en er voor de nabije toekomst een duidelijke verbetering van de kwaliteiten op het gebied van flora en fauna kan worden verwacht. De planontwikkeling heeft geen nadelige gevolgen voor de ambities die de provincie nastreeft en heeft geformuleerd in de Omgevingsvisie Noord-Brabant en de Interim omgevingsverordening Noord-Brabant. Onderhavig (bestemmings)plan sluit aan bij c.q. doet geen afbreuk aan de ambities en de (beleids)doelstellingen en -uitgangspunten zoals verwoord in de omgevingsvisie en verordening. De ruimtelijk-fysieke, logistieke en milieu-hygiënische aanvaardbaarheid van onderhavige ontwikkeling wordt gemotiveerd in de hoofdstukken 5 tot en met 10.
4.4 Gemeentelijk beleid De provinciale ruimtelijke beleidskaders zijn of moeten worden vertaald in het gemeentelijke ruimtelijke beleid. Het vigerende bestemmingsplan is reeds behandeld in paragraaf 1.3. In deze paragraaf wordt nader ingegaan op de Woonvisie Meierijstad, de Structuurvisie Ruimte, de Structuurvisie Buitengebied, de ‘Nota Kwaliteitsverbetering, kwaliteitsverbetering in het landelijk gebied’, het Groenbeleidsplan, Paraplubestemmingsplan parkeren, de Welstandsnota Meierijstad 2018 en het VGRP+ 217-2022. Woonvisie Meierijstad (2018) Toetsingskader Meierijstad wil een stad zijn met een aantrekkelijk woonklimaat en een woningaanbod voor iedereen. Gestreefd wordt, naast vitale wijken en kernen, naar een gevarieerd woningaanbod in aantrekkelijke, leefbare buurten om ruimte en kansen te bieden aan alle bevolkingsgroepen en leefstijlen. Waar de vergrijzing, de gezinsverdunning en de inclusieve samenleving, waar iedereen meedoet en tot zijn recht komt, om aandacht vragen. Waar de gemeente duurzaam en zorgvuldig gebruik maakt van de ruimte en bestaand vastgoed. Een woonbeleid wat toekomstbestendig is en haar basis vindt in de woningbehoefte van de woningzoekenden. Om te voorzien in de diversiteit van woningbehoeften en wensen van eigen inwoners en van hen die zich in Meierijstad al dan niet tijdelijk willen vestigen, geeft de gemeente ruimte aan woningbouwplannen.
Voor de woningbehoefte wordt niet alleen gekeken naar de korte maar ook naar de lange termijn. Waar het goede van het landelijk wonen wordt behouden en de meer stedelijke kern aantrekkelijker wordt gemaakt en wordt versterkt. En waar de gemeente samenwerkt met plaatselijke partners en inwoners, maar ook met de regio. De gemeente richt de aandacht op vier thema’s en de realisatiekracht van deze visie:
38
1. de dynamiek van de woningmarkt: een continue afstemming van de vraag naar passende woningen en het aanbod (bestaand en nieuw) in relatie tot de behoefte op de langere termijn onder wisselende omstandigheden; 2. wonen, welzijn en zorg: de samenhang tussen demografische ontwikkelingen (de vergrijzing en toename van eenpersoonshuishoudens), de transitie in het sociale domein gericht op een inclusieve samenleving waar iedereen meedoet en de invloed daarvan op de leefomgeving; 3. duurzaamheid: aandacht voor de energetische uitdagingen en het zo optimaal mogelijk gebruik maken van bestaande infrastructuur en vastgoed; 4. leefbaarheid: een juiste balans tussen enerzijds de specifieke woonkwaliteiten en anderzijds een divers woningaanbod wat de kracht en eigenheid van wijken en kleine kernen recht doet. De gemeente Meierijstad geeft prioriteit aan inbreidingsplannen boven uitbreidingsplannen. De gemeente werkt aanvullend op deze woonvisie aan een transformatievisie. Daarin worden potentiële inbreidings- en transformatielocaties in kaart gebracht en wordt een afwegingskader opgenomen. De gemeente geeft tevens aan meer ruimte te willen bieden aan nieuwe woonvormen voor ouderen die willen doorstromen. Daarbij wil de gemeente de doorstroming van ouderen naar meer geschikte woningen stimuleren.
De gemeente legt het accent op het bouwen voor de doorstroming door goede alternatieven te realiseren voor ouderen (de woonwensen van ouderen in met name de kleinere kernen) en dure scheefwoners (in met namen de grotere kernen). Daarbij wordt ingezet op inbreiding in bestaande kernen met aandacht voor kwaliteitsverbetering en zorgvuldig ruimtegebruik en behoud van de kracht van de kern. Een dergelijke kwaliteitsverbetering, die ook kan resulteren in unieke woonconcepten op unieke plekken is bijvoorbeeld wenselijk voor vastgoed dat niet meer voor het oorspronkelijke doel wordt gebruikt, leeg staat of al gesloopt is. Doorwerking plan(gebied) Onderhavige planontwikkeling doet geen afbreuk aan de uitgangspunten, ambities en doelstellingen, zoals opgenomen in de nieuwe Woonvisie Meierijstad. Een woning betreft de herbouw van een reeds bestaande, te slopen vrijstaande woning in het buitengebied, waarmee tevens een agrarische bedrijfsbestemming teniet wordt gedaan en waarbij een koopwoning wordt gebouw in het duurdere segment. De andere woning, in de vorm van een Ruime-voor-Ruimte woning, kent een andere grondslag. Hiermee neemt het onderliggend bouwplan in zekere zin een uitzonderingspositie in. Zo zijn de reguliere gemeentelijke beleidsuitgangspunten en -doelstellingen op het gebied van wonen en volkshuisvesting niet direct van toepassing op het bouwplan.
Conclusie Onderhavig plan sluit aan bij c.q. doet geen afbreuk aan de ambities en de (beleids)doelstellingen en -uitgangspunten zoals verwoord in de Woonvisie Meierijstad.
39
Structuurvisie Ruimte (2011) Toetsingskader De Structuurvisie Ruimte heeft een duidelijke relatie met de Wet ruimtelijke ordening. Deze wet schrijft namelijk voor dat gemeenten een structuurvisie moeten opstellen voor hun grondgebied. De structuurvisie speelt een cruciale rol bij de integrale onderbouwing van ruimtelijke plannen. Daarnaast legt de structuurvisie een relatie tussen lopende en gewenste ruimtelijke ontwikkelingen. Via de structuurvisie heeft de (voormalige) gemeente Schijndel, voor wat betreft de ruimtelijke ontwikkeling, haar lange termijndoelen vast. Bij de totstandkoming van de Structuurvisie Ruimte vormden de volgende vier kernwaarden het uitgangspunt: 1. verdieping van de Strategische Visie ‘Op weg naar ’t skonste plekske in 2020’; 2. behoud en versterken van bestaande kwaliteiten voor een complete gemeente; 3. regierol voor de gemeente Schijndel; 4. transparantie en toegankelijkheid van ruimtelijke keuzes. De Structuurvisie Ruimte is een vertaling van een in 2010 uitgevoerde uitgebreide analyse van zeven thema’s aangevuld met nieuwe ontwikkelingen die per thema beleidsmatig vertaald zijn. De zeven thema’s zijn: 1. natuur, water en cultuurhistorie; 2. recreatie en toerisme; 3. landbouw en buitengebied; 4. voorzieningen; 5. verkeer en vervoer; 6. werken; 7. Wonen.
Bij ruimtelijke ontwikkelingen in het buitenstedelijk gebied zal specifiek aandacht moeten worden besteed aan de kwaliteitsverbetering van het landschap. Het verdient de voorkeur om daarbij niet alleen landschappelijke inpassing van de nieuwe ontwikkelingen na te streven, maar ook te kijken naar kwaliteitsverbetering in het omliggende landschap. Doorwerking plan(gebied) Voor onderhavig plan is slechts relevant dat op beperkte schaal en volgens strenge voorwaarden woningbouw mogelijk is in het buitengebied en dat speciale provinciale regelingen, zoals Ruimte-voor-Ruimte, hierbij van toepassing zijn. In de gemeentelijke visie op de bebouwingsconcentraties (Structuurvisie Buitengebied) zijn de omstandigheden verder uitgewerkt. Bij ruimtelijke ontwikkelingen in het buitenstedelijk gebied zal specifiek aandacht moeten worden besteed aan de verbetering van het landschap. Het verdient de voorkeur om daarbij niet alleen landschappelijke inpassing van de nieuwe ontwikkelingen na te streven, maar ook te kijken naar kwaliteitsverbetering in het omliggende landschap. Het is de initiatiefnemer van onderhavig plan er alles aan gelegen om aan te sluiten op de gemeentelijke ambitie. De initiatienemer streeft er dan ook naar om tijdens de plan-
40
vorming in contact te blijven met de gemeente om tot een definitief plan te komen, waarin wensen, belangen en ambities van alle partijen een plek krijgen. Conclusie Onderhavig plan sluit aan bij c.q. doet geen afbreuk aan de ambities en de (beleids)doelstellingen en -uitgangspunten zoals verwoord in de Structuurvisie Ruimte. Structuurvisie Buitengebied (2011) Toetsingskader Het plangebied is gelegen in de bebouwingsconcentratie ‘Schrijvershoef - Boxtelseweg’. Onderstaande afbeelding bevestigt dit en is ontleend aan de gemeentelijke Structuurvisie Buitengebied, waarin deze bebouwingsconcentraties een plek hebben gekregen.
De belangrijkste doelstelling voor de Structuurvisie Buitengebied is de verbetering van de ruimtelijke kwaliteit. Bij de veranderingen op het platteland is het behoud en de versterking van de ruimtelijke kwaliteit het uitgangspunt. Het vormt de identiteit en aantrekkingskracht van Schijndel en is voor diverse economische functies belangrijk, zoals recreatie, dienstverlenende functies en wonen. De structuurvisie erkent de behoefte aan nieuwe economische dragers. Echter mogen deze activiteiten niet tot een verslechtering van de specifieke ecologische, landschappelijke en ruimtelijke kwaliteiten van het buitengebied leiden. Eisen aan ruimtelijke kwaliteit Voor de nieuwe activiteiten geldt dat altijd een algemene toets naar de waarden (natuur, landschap, cultuurhistorie) moet worden gedaan. Negatieve effecten voor waarden moeten worden voorkomen en gecompenseerd. Een vereiste vanuit het bestemmingsplan is het opstellen van een erfbeplantingsplan. Dit geldt voor ieder
41
initiatief in het buitengebied. Hierin, maar ook indien sprake is van compensatie, moet worden gemotiveerd hoe het initiatief de omgevingskwaliteit ter plaatse respecteert of mogelijk verbetert. Algemene randvoorwaarden Een aantal voorwaarden wordt aan alle activiteiten in de bebouwingsconcentraties gesteld: • Er mag door de nieuwe activiteit geen overlast of hinder worden veroorzaakt. Bestaande (agrarische) bedrijven mogen niet in de bedrijfsvoering of bedrijfsontwikkeling worden belemmerd. Nieuwe activiteiten mogen geen onevenredige verkeersaantrekkende werking hebben, buitenopslag is niet toegestaan en het parkeren dient op eigen terrein plaats te vinden. • Voor nieuwe initiatieven dienen diverse onderzoeken verricht te worden, waarin diverse waarden en milieuaspecten worden getoetst. Voor de bebouwingsconcentratie ‘Schrijvershoef – Boxtelseweg’ geldt de volgende visie: ‘In de visie vormt het cluster meerdere gemengde open linten. Belangrijk voor de toekomstige ruimtelijke kwaliteit is het ontwikkelen van solitaire ‘werk’ percelen met een stevige erfbeplanting. De uitstraling van het open landelijke gebied is een ruimtelijke kwaliteit voor het cluster. Het gebied is erbij gebaat om deze kwaliteit te behouden en te versterken door doorzichten naar het achterliggende landschap te behouden.
De Schrijvershoef kan een stevige structuur krijgen door de voor Schijndel karakteristieke laanbeplanting zo veel mogelijk te versterken. Kenmerkend voor dit bebouwingscluster is dat de hoofdbebouwing (de woningen) aan de straatzijde is gesitueerd met de bedrijfsbebouwing, of bijgebouwen, achter de hoofdbebouwing. Bij ontwikkeling van nieuwe initiatieven in dit cluster willen we deze situatie weer terugbrengen en daarmee het stedenbouwkundige karakter van het bebouwingscluster terugbrengen. Voorkomen moet worden dat de bedrijfspanden het zicht domineren en/of blokkeren. Daar waar het bedrijfsopstallen te veel in het zicht zijn dienen deze landschappelijk te worden ingepast d.m.v. groenstructuren. Bij hergebruik van vrijkomende agrarische opstallen wordt aan de Boxtelseweg gestuurd op het realiseren van een strakke achtergevelrooilijn. Bij hergebruik wordt ernaar gestreefd de bebouwing achter deze rooilijn te verwijderen. Om de bouwpercelen als solitaire percelen te beleven dienen percelen die dicht bij elkaar liggen door groenstroken gescheiden te worden. Verdichting aan de zuidzijde van de Boxtelseweg is niet wenselijk. Aan Schrijvershoef en de Boxtelseweg liggen enkele ruimtelijke knelpunten in de vorm van grootschalige opstallen. Bij hergebruik of bestemmingswijziging kan de gemeente sturen op een (gedeeltelijke) sloop van opstallen of een betere inpassing van de locaties.
Omdat het bebouwingscluster een reeds gevarieerd lint (functies) is, willen we hier meer mogelijkheden bieden voor nieuwe economische functies. Deze functies worden wel beperkt in het hergebruik van (voormalige) agrarische bedrijfsgebouwen. Door de achterrooilijn aan te houden en ontstening te stimuleren zijn er meer functies mogelijk in dit cluster. De uitstraling van deze activiteiten hoort te passen bij het karakter van het bebouwingscluster’
Mogelijke functies: • Ambachtelijke bedrijven in de categorie 1 en 2 en 3a tot maximaal 400 m². • Opslagactiviteiten • Kleinschalige recreatieve activiteiten (dag- en verblijfsrecreatie) • Beroep aan huis Doelstellingen voor het cluster: • Behoud karakteristieke langgevelboerderijen • Oplossen van ruimtelijke knelpunten • Versterken van landschappelijke waarden
42
Randvoorwaarden: • Gedeeltelijke sloop gaat voor (volledig) hergebruik (terugbrengen bebouwingsoppervlakte van stallen) • Handhaven achterrooilijn • Activiteiten mogen geen uitstraling hebben en dienen inpandig plaats te vinden • Samenhang van kleuren en materialen in het straatbeeld Inzet van strategieën; • Contracten voor sloop van stallen + investeren in landschap • Sloop van stallen en sociale investeringen (opruimwerkzaamheden) • Ruimte voor ruimte (alleen indien het een specifiek ruimtelijke knelpunt kan oplossen) Doorwerking plan(gebied) De voorgestane herbouw van de bestaande woning en de oprichting van de Ruimtevoor-Ruimte woning vinden plaats binnen de gemeente vastgestelde bebouwingsconcentraties. Wat volume, maat, schaal en situering betreft wordt aangesloten bij de eisen en voorwaarden, zoals opgenomen in de Structuurvisie Buitengebied. De ontwikkeling betreft verder voor een groot deel een kwaliteitsverbetering van de situatie ter plaatse. Te meer er wordt ingezet op de sloop van stallen. Een landschappelijk inpassingsplan ligt hieraan ten grondslag. In deze plantoelichting wordt kwalitatief gemotiveerd dat het plan zich verhoudt, zowel in negatieve als positieve zin, tot de aanwezige functies en waarden in het plangebied en de directe omgeving ervan.
Met het bestemmingsplan is ruimtelijk-fysieke, logistieke en milieu-hygiënische aanvaardbaarheid van het onderliggende bouwplan aangetoond. Verder is er een landschappelijk inpassingsplan opgesteld waarbij de fysieke inrichting passend is bij de omgeving en natuur en groen de landschappelijke waarden en kwaliteiten ter plaatse zullen doen toenemen. Conclusie Onderhavig plan sluit aan bij c.q. doet geen afbreuk aan de ambities en de (beleids)doelstellingen en -uitgangspunten zoals verwoord in de Structuurvisie Buitengebied. Nota Kwaliteitsverbetering, kwaliteitsverbetering in het landelijk gebied Toetsingskader De provincie Noord-Brabant vereist als compensatie voor bepaalde ontwikkelingen in het buitengebied, naast een gedegen landschappelijke inpassing, (extra) maatregelen om de ruimtelijke kwaliteit te bevorderen. De gemeente Schijndel heeft dit provinciale beleid nader uitgewerkt in de ‘Nota Kwaliteitsverbetering, kwaliteitsverbetering in het landelijk gebied’. De nota legt onder meer vast hoe de omvang van de benodigde bijdrage aan de kwaliteitsverbetering van het landschap moet worden berekend en welke maatregelen ingezet mogen worden. De gekozen systematiek sluit aan bij de werkwijze van de regiogemeenten uit Noordoost-Brabant.
43
Doorwerking plan(gebied) Ten behoeve van onderhavige Ruimte-voor-Ruimte ontwikkeling is enkel een landschappelijk inpassingsplan opgesteld. Conform de Interim omgevingsverordening NoordBrabant is er geen extra kwaliteitsverbetering van het landschap van toepassing op een bestemmingsplan dat betrekking heeft op een Ruimte-voor-Ruimte ontwikkeling en daarmee is ook de Nota Kwaliteitsverbetering niet van toepassing op onderhavig plan. Conclusie Onderhavig plan sluit aan bij c.q. doet geen afbreuk aan de ambities en de (beleids)doelstellingen en -uitgangspunten zoals verwoord in de Nota Kwaliteitsverbetering, kwaliteitsverbetering in het landelijk gebied. Groenbeleidsplan Toetsingskader In maart 2012 heeft de Gemeenteraad van de voormalige gemeente Schijndel het Groenbeleidsplan Schijndel vastgesteld. Met dit beleidsplan wil de gemeente de visie op het groen herzien en moderniseren. De visie op het groen van de gemeente Schijndel bestaat uit vier hoofdpijlers: duurzaamheid, met minimale inzet een maximaal resultaat bereiken, burgers en landschap en identiteit en oriëntatie. Het Groenbeleidsplan Schijndel dient als basisdocument voor ontwerpen, aanleggen en beheren van de openbare ruimte. Op de bij het Groenbeleidsplan Schijndel behorende kaarten wordt onderscheid gemaakt tussen: • hoofdgroenstructuur; • wijkgroenstructuur; • woongroenstructuur/overige elementen.
Voor deze categorieën geldt ingevolge de Bomenverordening Schijndel (zie hierna) het volgende ontheffingen c.q. vergunningenstelsel: • bomen binnen de op de kaart aangegeven lijnstructuren in de groene hoofdstructuur mogen slechts met een ontheffing worden geveld dan wel verwijderd; • bomen of houtopstanden in gemeentelijk eigendom binnen de wijkgroenstructuur en de hoofdgroenstructuur (tenzij dit beschermde bomen zijn, zie hierna) met een omtrek ≥ 10 centimeter mogen met een vergunning worden geveld dan wel verwijderd; • voor groen in parken en op pleinen, groene wiggen, entrees sportvelden en begraafplaatsen in gemeentelijk eigendom geldt dezelfde vergunningvereiste; • voor groen in de woongroenstructuur (en overige elementen) of bomen en houtopstanden in particulier eigendom geldt een vergunningplicht bij een omtrek ≥ 30 centimeter tenzij het beschermde bomen betreffen. Naast het Groenbeleidsplan kende de voormalige gemeente Schijndel ook de Bomenverordening (vastgesteld januari 2012). Met deze verordening wilde de gemeente de administratieve lasten van het oude kapvergunningenstelsel verminderen en zich effectiever richten op de bescherming van de waardevolle bomen in Schijndel. De bomen op deze lijst staan zowel op publiek als privaat terrein en mogen alleen bij hoge uitzondering (en dus alleen met ontheffing) gekapt worden.
Voor de overige houtopstanden geldt een vergunningenstelsel zoals hierboven genoemd.
44
Doorwerking plan(gebied) Er vinden met onderhavig plan geen ontwikkelingen plaats die een belemmering vormen voor de hoofdbomenstructuur ter plaatse. Binnen het plangebied staan geen bomen die op de Lijst Beschermde Bomen staan. Met de realisatie van onderhavige ontwikkeling blijft de bestaande structuur en het historische karakter gehandhaafd. De nieuwbouw wordt zo opgericht dat er geen afbreuk wordt gedaan aan het karakter en dat er waar mogelijk een versterking van de bestaande structuur optreedt. Zodoende wordt geen afbreuk gedaan aan de doelstellingen en uitgangspunten van het Groenbeleidsplan. Conclusie Onderhavig plan sluit aan bij c.q. doet geen afbreuk aan de ambities en de (beleids)doelstellingen en -uitgangspunten zoals verwoord in het Groenbeleidsplan. Paraplubestemmingsplan parkeren Toetsingskader Vanaf 1 juli 2018 zijn de stedenbouwkundige voorschriften uit de Bouwverordening komen te vervallen. Eén van de consequenties van het vervallen van de stedenbouwkundige voorschriften is dat vanaf dat moment bij het verlenen van een omgevingsvergunning niet meer op basis van de Bouwverordening getoetst kan worden aan de gemeentelijke parkeernormen. De wetgever heeft het mogelijk gemaakt om via het bestemmingsplan regels te stellen over parkeernormen.
Het Paraplubestemmingsplan Parkeren is op 31 januari 2019 vastgesteld, waarmee aan Nota Parkeernormen Meierijstad 2018 getoetst dient te worden. Dit betekent dat de parkeernormen bij (bouw)plantoetsing nu aan de bestemmingsplannen gekoppeld gaan worden. Het plan bevat daarnaast een mogelijkheid voor het bevoegd gezag om bij een omgevingsvergunning af te wijken van de normen, mits aangetoond wordt dat dit niet zal leiden tot onvoldoende parkeergelegenheid. Het niet in stand houden van parkeerplaatsen wordt bovendien aangemerkt als zijnde strijdig met het bestemmingsplan. Doorwerking plan(gebied) Met onderhavig plan wordt geen afbreuk gedaan aan de maatregelen en doelstellingen die gemeente voor ogen heeft. In hoofdstuk 10 wordt nader ingegaan op de aspecten mobiliteit (verkeer en parkeren) en infrastructuur in relatie tot de onderhavige ontwikkeling. Conclusie Onderhavig plan sluit aan bij c.q. doet geen afbreuk aan de ambities en de (beleids)doelstellingen en -uitgangspunten zoals verwoord in het Paraplubestemmingsplan parkeren. Welstandsnota Meierijstad 2018 Toetsingskader De Welstandsnota Meierijstad 2018 is vastgesteld op 5 juli 2018. De welstandsnota heeft de ambitie om bij te dragen aan een hoogwaardige woon- en leefomgeving voor ieder-
45
een in Meierijstad en geeft daarom nuttige aanwijzingen bij nieuw- en verbouwplannen. De nota is gebaseerd op bestaand welstandsbeleid uit de nota’s van Schijndel, Veghel en Sint-Oedenrode, aangevuld met het actuele thema duurzaamheid. De verschillen in de nota’s zijn genivelleerd door nog meer delen van het grondgebied welstandsvrij te verklaren. In die gebieden is voor nieuwe bouwinitiatieven wel een welstandsbeoordeling van toepassing. Met het nieuwe voorstel wordt de gebiedsgerichte welstandsbeoordeling beperkt tot de gebieden met een beeldkwaliteitsplan. In de overige gebieden blijft de welstandsbeoordeling beperkt tot de ‘objectbeoordeling’ (onder andere monumenten) of ‘themabeoordeling’(reclames). De welstandsbeoordeling wordt niet volledig afgeschaft, maar wel overal waar het verantwoord is. De welstandsbeoordeling blijft beperkt tot: 1. de centrumgebieden van Schijndel, Veghel, Sint-Oedenrode en Erp; 2. monumenten; 3. beeldbepalende en cultuurhistorisch waardevolle panden; 4. bijzondere bebouwing en ensembles; 5. gebieden met een beeldkwaliteitseisen; 6. nieuwbouw in de overige gebieden. Zodoende is er geen welstandsbeoordeling meer nodig voor de volgende initiatieven: • Veel voorkomende (kleinere) vergunningplichtige bouwwerken. Deze werden voorheen beoordeeld aan de zogenaamde sneltoetscriteria.
De initiatiefnemers krijgen nu dus meer vrijheden, maar tegelijkertijd ook een grotere verantwoordelijkheid voor behoud van de ruimtelijke kwaliteit. • Vergunningplichtige verbouwingen in alle kerkdorpen en de historische linten in de drie kernen. Nieuwe bouwinitiatieven op deze plaatsen worden wel beoordeeld aan de criteria nieuwbouw of de beoordelingscriteria in het op te stellen beeldkwaliteitsplan. Samen met de regels in het bestemmingsplan stimuleren we het behoud van identiteit en karakter van deze gebieden. • Vergunningplichtige bouwinitiatieven anders dan nieuwbouw in de overige gebieden. • Vergunningvrije bouwactiviteiten in gebieden met een beeldkwaliteitsplan. Doorwerking plan(gebied) De planlocatie ligt in het buitengebied van Schijndel en dient derhalve te worden voorgelegd aan de gemeentelijke Welstandscommissie. Bij het ontwerpen en vormgeven van de woning en bijgebouw(en) dienen de randvoorwaarden in acht genomen te worden die gelden voor Ruimte-voor-Ruimte ontwikkelingen (zie hoofdstuk 3). Conclusie Onderhavig plan sluit aan bij c.q. doet geen afbreuk aan de ambities en de (beleids)doelstellingen en -uitgangspunten zoals verwoord in het welstandsbeleid. Geconcludeerd kan worden dat het bouwplan bijdraagt aan een ruimtelijke en visuele koppeling met de bestaande omliggende bebouwing en daarmee een positieve functione-
46
le invulling vormt. De voorgestane ontwikkeling steunt de waarborging van de land(schapp)elijke, stedenbouwkundige en architectonische uitgangspunten en daarmee de ruimtelijke karakteristiek en identiteit ter plaatse. Waardevol water in Meierijstad’ VGRP+ 2017-2022 d.d. 26 juli 2017 Toetsingskader Het VGRP+ Meierijstad geldt voor de planperiode 2017-2022. Het verbreed gemeentelijk rioleringsplan (VGRP+) is een geschikt planinstrument om mee te kunnen bewegen met de veranderingen om ons heen. Zo is er bijvoorbeeld sprake van verandering in wetgeving, meer neerslag door klimaatverandering, een veranderende verhouding tussen overheid en burgers en meer focus op beheer in plaats van nieuwbouw. Door de huidige situatie af te zetten tegen toekomstige ontwikkelingen ontstaat een opgave. In het VGRP+ wordt de opgave voor Meierijstad in beeld gebracht en wordt inzichtelijk gemaakt op welke strategische wijze hier invulling aan wordt gegeven. Doorwerking plan(gebied) Voor de waterparagraaf die ten behoeve van onderhavig bouwplan is opgesteld, wordt verwezen naar hoofdstuk 7 van deze plantoelichting. Conclusie Op eigen gronden zal initiatiefnemer een bergingsvoorziening realiseren, bijvoorbeeld in de vorm van een zaksloot of -vijver (wadi). Hiermee zal sprake zijn van een hydrologisch neutrale ontwikkeling.
Klimaat en duurzaam De gemeente Meierijstad wil zich naar de toekomst toe klimaatbestendig en duurzaam ontwikkelen. De gemeente verlangt daarom van iedere bouwer een bijdrage in het milieuverantwoord bouwen. Uit ruimtelijk oogpunt bezien, is het belangrijk om te komen tot ‘duurzaam bouwen’. Duurzaam bouwen verhoogt de gebruikswaarde (functioneel), de belevingswaarde (vorm) en de toekomst (tijd) voor de bebouwde omgeving. Duurzaam bouwen is in dit geval te onderscheiden in stedenbouwkundig en bouwkundig duurzaam bouwen. ‘Stedenbouwkundig duurzaam’ komt tot uitdrukking in de ruimtelijke opzet en inpassing van het project. Ruimtelijke kwaliteit vormt de voorwaarde voor een goed woon- en leefmilieu. Belangrijk hierbij is het om de stedenbouwkundige structuur op een goede manier kenbaar te maken en te behouden. Voor wat betreft ‘bouwkundig duurzaam’ gaat het bijvoorbeeld om materiaalgebruik, afval, drinkwater en energie. Met het realiseren van het bouwplan wordt zoveel als mogelijk rekening gehouden met het uitgangspunt om te komen tot ‘bouwkundig duurzaam’. Dit komt onder meer tot uitdrukking door het gebruik van duurzame (bouw)materialen.
47
5. Archeologie en cultuurhistorie Toetsingskader Doel van het archeologische onderzoek is het waar nodig beschermen van archeologische waarden en het streven naar behoud van de waarden in de bodem (in situ). De essentie van het archeologische onderzoek is het verkrijgen van gegevens over de archeologische resten in de bodem teneinde in een vroeg stadium een goede afweging te kunnen maken van alle bij een ruimtelijk besluit betrokken belangen. Het archeologische onderzoek is verankerd in de Wet op de Archeologische Monumentenzorg uit 2007. De uitgangspunten van de wet zijn: • •
•
archeologische waarden zoveel mogelijk in de bodem bewaren en alleen opgraven als behoud in de bodem (in situ) niet mogelijk is; de initiatiefnemer van een ruimtelijke ontwikkeling moet in een vroegtijdig stadium aangeven hoe met eventuele archeologische waarden bij bodemverstorende ingrepen zal worden omgegaan. Dit houdt in een verplichting tot vooronderzoek bij werkzaamheden die de grond gaan verstoren; bodemverstoorders betalen archeologisch onderzoek en mogelijke opgravingen. De kosten voor noodzakelijke archeologische werkzaamheden komen ten laste van de initiatiefnemer.
Op 5 juli 2011 is een wijziging van het Bro gepubliceerd. Vanaf 1 januari 2012 moet ieder nieuw bestemmingplan een analyse van cultuurhistorische waarden bevatten. In aansluiting op de vaststelling van de Wet tot wijziging van de Monumentenwet 1988 en de Wet algemene bepalingen omgevingsrecht in mei 2011 zijn op 17 juni 2011 het Bro, het Besluit omgevingsrecht (Bor) en het Besluit archeologische monumentenzorg (Bamz) aangepast. Door een wijziging van het Bro moeten cultuurhistorische waarden voortaan vooraf in het proces van ruimtelijke ordening worden meegenomen, met name bij de voorbereiding en vaststelling van bestemmingsplannen. Het Bro bevat eisen waaraan de voorbereiding van een bestemmingsplan moet voldoen. In de plantoelichting dient een beschrijving te worden opgenomen hoe rekening is gehouden met de in het gebied aanwezige cultuurhistorische waarden en in de grond aanwezige of te verwachten monumenten. De opsteller van het bestemmingsplan is daarmee dus verplicht om breder te kijken dan alleen naar het facet archeologie. Ook de facetten historische (steden)bouwkunde en historische geografie dienen te worden meegenomen in de belangenafweging. Hierbij gaat het om zowel beschermde als niet formeel beschermde objecten en structuren.
In de provincie Noord-Brabant dienen in het kader van het behoud van waardevolle cultuurhistorische elementen en archeologische vindplaatsen, bestemmingsplannen te worden getoetst aan de provinciale Cultuurhistorische Waardenkaart (CHW). Hierop staan de bepalende cultuurhistorische elementen aangeven. Bij de afweging of een ruimtelijke ontwikkeling mogelijk is, dient nagegaan te worden of er binnen of rondom het plangebied cultuurhistorische waarden aanwezig zijn. Het aan-
48
wezig zijn van deze waarden wil niet per definitie zeggen dat een bepaalde ruimtelijke ontwikkeling niet realiseerbaar is, maar geeft wel aan dat zorgvuldig omgaan met deze waarden vereist is. Doorwerking plan(gebied) Archeologie Op het plangebied rusten de dubbelbestemmingen ‘Waarde – Archeologie 3’, ‘Waarde – Archeologie 4’ en ‘Waarde – Cultuurhistorisch waardevolle elementen’. De voor Waarde – Archeologie 3’ en ‘Waarde – Archeologie 4’ aangewezen gronden zijn, behalve voor de andere daar voorkomende bestemming(en), mede bestemd voor het behoud en de bescherming van de in de grond aanwezige of te verwachten archeologische waarden. Het bestemmingplan “Landelijk gebied, herijking” bepaalt dat op of in de gronden met de dubbelbestemming ‘Waarde – Archeologie 3’ niet mag worden gebouwd, met uitzondering van: • bouwwerken waarbij de bestaande oppervlakte of situering niet wordt vergroot of gewijzigd; • bouwwerken in verband waarmee grondwerkzaamheden worden uitgevoerd over een oppervlakte van niet meer dan 250 m² en met een diepte van niet meer dan 0,3 m ten opzichte van het maaiveld.
Het bestemmingplan “Landelijk gebied, herijking” bepaalt dat op of in de gronden met de dubbelbestemming ‘Waarde – Archeologie 4’ niet mag worden gebouwd, met uitzondering van: • bouwwerken waarbij de bestaande oppervlakte of situering niet wordt vergroot of gewijzigd; • bouwwerken in verband waarmee grondwerkzaamheden worden uitgevoerd over een oppervlakte van niet meer dan 500 m² en met een diepte van niet meer dan 0,3 m ten opzichte van het maaiveld, dan wel, ter plaatse van de aanduiding 'wro-zone - esdek', dieper dan 0,5 m ten opzichte van het maaiveld; Ten behoeve van het planvoornemen is door Bureau voor Archeologie een bureau- en inventariserend veldonderzoek uitgevoerd. Hierna is het advies uit het onderzoeksrapport letterlijk overgenomen. De integrale rapportage is als bijlage 3 opgenomen.
In het plangebied ligt een 18e eeuws erf met boerderij. Het bouwvlak van de westelijke nieuwe woning overlapt met dit 18e eeuwse erf. Bureau voor Archeologie adviseert om rekening te houden met mogelijke archeologische waarden in dit erf door de ligging van het bouwvlak aan te passen zodat deze niet in dit oorspronkelijke erf wordt aangelegd. Als dat niet mogelijk is, wordt aanbevolen een proefsleuvenonderzoek uit te voeren om nader te bepalen of behoudenswaardige archeologische resten aanwezig zijn. Omdat het erf nog in gebruik is, is een proefsleuvenonderzoek mogelijk praktisch niet goed uitvoerbaar. In dat geval kan het onderzoek ook als variant archeologische begeleiding worden uitgevoerd. De rest van het plangebied kan worden vrijgegeven voor de voorgenomen ontwikkeling.
49
Cultuurhistorie Op het plangebied rust de dubbelbestemming ‘Waarde – Cultuurhistorisch waardevolle elementen’. De voor ‘Waarde - Cultuurhistorisch waardevolle elementen’ aangewezen gronden zijn, behalve voor de andere daar voorkomende bestemming(en), mede bestemd voor het behoud, beheer en versterking van de cultuurhistorisch waardevolle elementen. De cultuurhistorische elementen betreffende de elementen die zijn opgenomen in de cultuurhistorische waarderingskaart, zoals deze is opgenomen in bijlage 3 van de planregels, en zijn aangeduid als landschapselement zeer hoog en/of hoog. De waardering van deze elementen is gebaseerd op het rapport Tussen Aa-dal en Rooise heide zoals dat als bijlage 4 bij de regels is opgenomen. Het is verboden op de in dit artikel bedoelde gronden zonder of in afwijking van een schriftelijke vergunning van het bevoegd gezag (omgevingsvergunning voor werken en werkzaamheden) de in het schema onder artikel 37.2.4 opgenomen omgevingsvergunningplichtige werken en werkzaamheden uit te voeren. Ter plaatse van de te slopen boerderij rust tevens de dubbelbestemming ‘Waarde – Cultuurhistorisch waardevolle gebouwen’ en de bouwaanduiding ‘specifieke bouwaanduiding – 2’.
De voor ‘Waarde – Cultuurhistorisch waardevolle gebouwen’ aangewezen gronden zijn, behalve voor de andere daar voorkomende bestemming(en), mede bestemd voor het behoud, beheer en versterking van de cultuurhistorische waarden van gebouwen. Ter plaatse van de aanduiding 'specifieke bouwaanduiding – 2' geldt dat het verboden is om zonder of in afwijking van een schriftelijke vergunning van het bevoegd gezag (omgevingsvergunning voor slopen) gebouwen te slopen. De her te bouwen woning betreft een langgevelboerderij welke van oorsprong, gezien de ouderdom en de opzet ervan, een cultuurhistorische waarde heeft. Omdat er door de jaren heen bij veel historische bouwwerken binnen en buiten woonkernen aanpassingen worden verricht om de bewoonbaarheid te vergroten, wordt de cultuurhistorische waarde van veel van deze bouwwerken nogal eens verlaagd. Derhalve is voor de te slopen woning vooraf bepaald of en zo ja, welke cultuurhistorische waarden nog aanwezig zijn. Hiertoe is door het Monumentenhuis Brabant een ‘redengevende omschrijving met waardestelling’ opgesteld. De volledige rapportage is als bijlage 4 aan deze toelichting toegevoegd. Navolgend is de eindconclusie, in de vorm van een ‘waardering’, integraal overgenomen uit de rapportage.
Waardering Deze waardering is opgesteld aan de hand van de waarderingscriteria voor de bouwkunst van de Rijksdienst Cultureel erfgoed. De waardering heeft betrekking op de langgevelboerderij waarvan de oorsprong vermoedelijk uit begin twintigste eeuw dateert
50
Cultuurhistorische waarde De langgevelboerderij aan Keur 11 bezit enige cultuurhistorische waarde als de uitdrukking van de sociaaleconomische en agrarische ontwikkeling van het buitengebied van de toenmalige gemeente Schijndel vanaf begin twintigste eeuw tot in de jaren ’70 van de twintigste eeuw. Architectuur- en kunsthistorische waarden Als gevolg van de vele verbouwingen vanaf de jaren ’60 van de twintigste eeuw zijn de architectuurhistorische waarden van de langgevelboerderij volledig verloren gegaan. De gevels zijn opnieuw opgetrokken, de indeling van het woongedeelte is grotendeels gewijzigd en de constructie in de grote stal is eveneens aangepast. De kapconstructie is vanwege zijn oorspronkelijkheid bouwhistorisch waardevol. Situationele en ensemblewaarden De langgevelboerderij is van enige situationele betekenis als onderdeel van bebouing aan een historisch wegenpatroon. Gaafheid en herkenbaarheid Slechts d hoofdvorm van de boerderij is herkenbaar gebleven. Bij verbouwingen zijn bijna alle gevels van de boerderij opnieuw opgetrokken, zijn in het woongedeelte grote vensters gemaakt, is het dak van het woongedeelte gedekt met betonpannen en het bedrijfsgedeelte met golfplaten. De verhouding woon- en bedrijfsgedeelte is nog intact. Door alle wijzigingen is het oorspronkelijke beeld verloren gegaan.
In het interieur is de oorspronkelijke indeling grotendeels verloren gegaan en is in het bedrijfsgedeelte een bijkeuken gerealiseerd. De constructie in de grote stal is aangepat waardoor de oorspronkelijke constructie moeilijk afleesbaar is geworden. De kapconstructie is volledige oorspronkelijk. Zeldzaamheid Door de vele verbouwing is er geen sprake meer van zeldzaamheid .
Met het bouwplan, inclusief de tenietdoening van een bestaande langgevelboerderij, wordt geen inbreuk gepleegd op de aanwezige cultuurhistorische waarden en kwaliteiten. De nog aanwezige waarden en kwaliteiten zijn na onderzoek te licht gebleken om het als waardevol ensemble te moeten behouden. Verder is met het landschappelijk inpassingsplan getracht een fysieke inrichting te creëren welke passend is bij de omgeving, waardoor de land(schapp)elijke en cultuurhistorische waarden en kwaliteiten in de omgeving in stand blijven of zelf worden versterkt. De voorgestane ontwikkeling steunt de waarborging van de landschappelijke, cultuurhistorische en architectonische uitgangspunten en daarmee de ruimtelijke karakteristiek en identiteit ter plaatse.
51
Conclusie Uit archeologisch en cultuurhistorisch perspectief zijn er – na het doorlopen van de noodzakelijke vervolgacties – geen belemmeringen voor het (bouw)plan.
52
6. Flora en fauna: toetsing natuurwetgeving en stikstof Toetsingskader Wet natuurbescherming (Wnb) Op 1 januari 2017 is de Wet natuurbescherming in werking getreden. In deze wet worden drie eerdere wetten vervangen. Het gaat om de Natuurbeschermingswet 1998 (Nbwet) inclusief het Programma Aanpak Stikstof, de Boswet en de Flora- en faunawet. De bescherming van de Natura 2000-gebieden is ondervangen in onderdeel gebiedsbescherming (vervangt Nb-wet). Voor bestemmingsplannen is het toetsingskader voor deze gebieden in de basis ongewijzigd gebleven ten opzichte van de Nb-wet. Als (een wijziging van) een bestemmingsplan negatieve gevolgen heeft voor de Natura 2000-gebieden kan het plan in beginsel niet worden vastgesteld. In dat geval moet het bevoegd gezag volgens artikel 2.8 van de Wet natuurbescherming (Wnb) eerst een passende beoordeling opstellen. Uit de passende beoordeling moet blijken dat de instandhoudingsdoelstellingen van de betreffende gebieden niet aangetast worden door het plan. Eventueel worden maatregelen opgenomen die getroffen worden om dit te bereiken. Als niet aangetoond wordt dat aan de instandhoudingsdoelstellingen voldaan wordt, kan het plan geen doorgang vinden. Met behulp van een voortoets kan het bevoegd gezag bepalen of op voorhand negatieve gevolgen uit te sluiten zijn.
Hierbij moet voor de gewenste situatie worden uitgegaan van de maximale planologische mogelijkheden. Voor plannen die ten opzichte van de uitgangssituatie op het referentiemoment geen significante toename in stikstofdepositie veroorzaken, zijn negatieve effecten ten aanzien van dit aspect uit te sluiten. In dat geval hoeft geen passende beoordeling te worden opgesteld. Programma Aanpak Stikstof (PAS) Gelet op de uitspraak van de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State van 29 mei 2019, kan de PAS niet meer worden gehanteerd als toetsingskader op grond van de Wet natuurbescherming. Inmiddels is een nieuwe versie van het rekenprogramma AERIUS uitgebracht. Met deze nieuwe tool is de depositie op natuurgebieden berekend. Hoe de resultaten worden beoordeeld is aan het bevoegd gezag. Doorwerking plan(gebied) Flora en fauna Ten behoeve van het planvoornemen is door Florauna Natuuradvies een quickscan soortenbescherming in het kader van de Wet natuurbescherming uitgevoerd. Hierna zijn de conclusies uit het onderzoek letterlijk overgenomen. De integrale rapportage is als bijlage 5 opgenomen.
Conclusies Soortenbescherming: Binnen de Soortenbescherming zijn alle bewoonde vogelnesten beschermd. In het plangebied bevinden zich mogelijke nestplaatsen. Het is aan te raden om te werken buiten het broedseizoen van de meeste vogels (grofweg 15 maart -15 juli), of te werken op een
53
manier waarbij vogels in de directe omgeving niet aan broeden beginnen. Op deze manier kan zonder nader onderzoek, mitigatie of compensatie worden voorkomen dat verbodsbepalingen van de Soortenbescherming worden overtreden voor wat betreft algemene vogelsoorten. Werkzaamheden binnen het broedseizoen zijn mogelijk indien is vastgesteld dat er, met het werken volgens een werkprotocol, geen nesten van broedvogels worden verstoord. Zo’n werkprotocol dient te worden opgesteld door een ter zake deskundige, en te worden goedgekeurd door het bevoegd gezag. Ook zijn werkzaamheden binnen het broedseizoen mogelijk zonder werkprotocol, indien ter plaatse door een deskundige wordt vastgesteld dat er geen bewoonde vogelnesten aanwezig zijn. Een ontheffing is dan niet noodzakelijk. Nader onderzoek of een ontheffing Soortenbescherming is niet noodzakelijk gebleken voor de overige zoogdieren, amfibieën, reptielen, vissen, ongewervelden en de flora. De in het plangebied te verwachten soorten genieten lichte bescherming onder de Soortenbescherming; een algehele vrijstelling voor ruimtelijke ontwikkelingen is hierop van toepassing. De algemene zorgplicht is onverminderd van toepassing. In de nabijheid waargenomen beschermde soorten, zijn bij het terreinbezoek niet waargenomen binnen het plangebied. Het plangebied is wel geschikt voor vleermuizen en huismussen.