BP Keur 11 Toelichting
Tekst van het document
Bestemmingsplan
“Landelijk gebied, herziening Keur 11” PLANTOELICHTING
NL.IMRO.1948.BGS000BP0042020P-ON01
1
Titel: Datum: Projectnummer: Status / Versie:
Bestemmingsplan “Landelijk gebied, herziening Keur 11” 09-11-2020 2020.127 Definitief / Ontwerp
Adviesbureau: Auteurs: Contactpersoon: (Post)adres:
Wintraecken Advies B.V. Teun van de Camp Msc. en mr. David Wintraecken David Wintraecken Harry Bolsiuslaan 13 5481 BN Schijndel (073) 850 51 29 / (06) 146 488 29 info@wintraeckenadvies.nl www.wintraeckenadvies.nl
Telefoon: E-mail: Website:
Alle rechten voorbehouden. Niets uit deze uitgave mag worden vermenigvuldigd en/of openbaar gemaakt, in enige vorm of op enige wijze, hetzij elektronisch, mechanisch, door fotokopieën, opnamen of enig andere manier, zonder voorafgaande schriftelijke toestemming van de opdrachtgever en/of Wintraecken Advies.
2
Inhoudsopgave 1. Inleiding ........................................................................................................... 5 1.1 Achtergrond en doel van het plan ................................................................... 5 1.2 Ligging en begrenzing plangebied ................................................................... 7 1.3 Vigerend bestemmingsplan ............................................................................ 7 1.4 Leeswijzer .................................................................................................. 10 2. Beschrijving bestaande situatie ......................................................................... 12 2.1 Huidige situatie omgeving ............................................................................ 12 2.2 Huidige situatie plangebied .......................................................................... 14 3. Visie op het plan(gebied) .................................................................................. 15 3.1 Doel en hoofdlijnen ..................................................................................... 15 3.2 Landschappelijke inpassing en kwaliteitsverbetering ........................................ 16 3.3 Planbeschrijving ..........................................................................................
19 3.4 Slotconclusie .............................................................................................. 21 4. Beleidskader ................................................................................................... 22 4.1 Inleiding .................................................................................................... 22 4.2 Rijksbeleid ................................................................................................. 22 4.3 Provinciaal beleid ........................................................................................ 26 4.4 Gemeentelijk beleid..................................................................................... 38 5. Archeologie en cultuurhistorie ........................................................................... 48 6. Flora en fauna: toetsing natuurwetgeving en stikstof ........................................... 53 7. Water ............................................................................................................ 56 8. Fysieke belemmeringen .................................................................................... 58 8.1 Kabels en (buis)leidingen ............................................................................. 58 9. Milieu-hygiënische verantwoording ....................................................................
60 9.1 Inleiding .................................................................................................... 60 9.2 M.e.r.-beoordeling ...................................................................................... 60 9.3 Bodem ....................................................................................................... 62 9.4 Geluid (wegverkeerslawaai) ......................................................................... 63 9.5 Milieuzonering (geur en industrielawaai) ........................................................ 64 9.6 Luchtkwaliteit ............................................................................................. 66 9.7 Volksgezondheid in relatie tot veehouderijen .................................................. 70 9.8 Externe veiligheid ....................................................................................... 71 10. Mobiliteit; verkeer en parkeren ........................................................................ 76
3
11. Juridische opzet ............................................................................................. 77 11.1 Het bestemmingsplan als juridisch instrument .............................................. 77 11.2 Systematiek van de regels ......................................................................... 77 11.3 Toelichting bestemmingen .......................................................................... 78 12. Uitvoeringsaspecten ....................................................................................... 79 12.1 Economische uitvoerbaarheid ..................................................................... 79 12.2 Maatschappelijke uitvoerbaarheid ................................................................ 79 13. Slotconclusie ................................................................................................. 80
Bijlagen 1. Certificaat bouwtitel 2. Landschappelijk inpassingsplan, Realiseren van een tweetal woningen op het adres Keur 11 te Schijndel, Dolmans Landscaping Group 3. Keur 11, Schijndel, gemeente Meierijstad: Bureau- en inventariserend veldonderzoek uitgevoerd in de vorm van boringen in de verkennende fase, Bureau voor Archeologie Rapport 923, 24 augustus 2020 3.1 Selectieadvies 4. Redengevende omschrijving met waardestelling Keur 11 Schijndel, Monumentenhuis Brabant, 15 augustus 2019 5. Quickscan soortenbescherming Wet natuurbescherming, Sloop en nieuwbouw aan de Keur 11 in Schijndel, Florauna Natuuradvies, kenmerk: DERO-20-03 V2, 17 juni 2020 6. Stikstofdepositieonderzoek Keur 11, Schijndel, De Roever Omgevingsadvies, documentnummer: 20200630.v01, 19 mei 2020 6.1 AERIUS_bijlage_aanlegfase 6.2 AERIUS_bijlage_gebruiksfase 7. Watertoets ter plaatse van Keur 11 te Schijndel, MILON, projectnummer: 202015192, 18 mei 2020 8. Verkennend bodemonderzoek Keur 11 te Schijndel, MILON, projectnummer: 20201519-1, 16 juni 2020 9. Akoestisch onderzoek wegverkeerslawaai Keur 11, Schijndel, De Roever Omgevingsadvies, documentnummer: 20200629.v01, 15 mei 2020 10. Verklaring geitenhouderijen 11. Verslag omgevingsdialoog
4
1. Inleiding 1.1 Achtergrond en doel van het plan De initiatiefnemer is voornemens om aan de Keur 11 te Schijndel de agrarische bedrijfswoning met bijbehorende opstallen te slopen en daarvoor in de plaats een burgerwoning met bijgebouw te herbouwen. Initiatiefnemer wil tevens op het perceel een tweede woning met bijgebouw oprichten in het kader van de regeling Ruimte-voor-Ruimte. Vanwege de vigerende agrarische (bedrijfs)bestemming – met slechts één toegestane bedrijfswoning – is de realisatie van het planvoornemen op het moment niet mogelijk. Feitelijk omvat het plan de sloop van de bestaande opstallen, de oprichting van een tweetal woningen (een vervangende woning en een Ruimte-voor-Ruimte woning) en de wijziging van de agrarische bestemming in een woonbestemming. Onder andere om reden dat het plangebied deel uitmaakt van de bebouwingsconcentratie ‘Schrijvershoef – Boxtelseweg’ heeft de gemeente Meierijstad verklaard (in principe) bereid te zijn om – met gebruikmaking van de Ruimte-voor-Ruimte regeling – medewerking te verlenen aan het opstarten van een bestemmingsplanprocedure ten behoeve van de realisatie van het bouwplan. Stedenbouwkundige en landschappelijke voorwaarde om medewerking te verlenen, was dat de woningen evenwijdig aan de Keur gesitueerd zouden worden. Onderhavig bestemmingsplan voldoet aan deze voorwaarde.
De provincie Noord-Brabant is inmiddels akkoord met de voorgenomen Ruimte-voorRuimte ontwikkeling aan de Keur 11 en is tevens akkoord met het inzetten van de verkregen bouwtitel ter plaatse van onderhavig plangebied. Het ‘certificaat bouwtitel’ is bijgevoegd als bijlage 1. Doelstelling van deze partiële herziening van het bestemmingsplan “Landelijk gebied” is om de realisatie van het onderliggende planvoornemen c.q. de oprichting van twee burgerwoningen en het vervallen van de agrarische bedrijfsbestemming planologisch en juridisch mogelijk te maken. Gemeente heeft in haar principebesluit de volgende voorwaarden gekoppeld aan deze ruimtelijke ontwikkeling: 1. Ruimtelijk kader: a. Afbraak van de bestaande agrarische bedrijfsgebouwen kan worden gezien als kwaliteitsverbetering voor de omgeving. Op basis daarvan kan echter niet de bouw van een extra woning plaatsvinden. De kwaliteitsverbetering voor de bouw van de extra woning moet plaatsvinden op basis van de aankoop van een zogenoemde ruimte-voor-ruimte titel bij de provincie Noord-Brabant. De bewijsstukken van deze aankoop zijn onderdeel van het op te stellen bestemmingsplan c.q. de onderbouwing daarvan. b. Het perceel heeft een hele bijzondere vorm. Deze perceelsvorm is al erg oud, dat blijkt uit het bijgeleverde historische rapport. De verkaveling met twee woningen past stedenbouwkundig niet bij het perceel.
Het lijkt niet nodig om twee inritten te maken. Het realiseren van twee woningen kan hier het beste door de bestaande inrit te gebruiken als centrale entree en een bouwmassa evenwijdig aan de
5
straat te plaatsen en een bouwmassa haaks op de straat. Er ontstaat dan een compact ensemble. Het voorzien van fraaie erfbeplanting zal de bijzondere perceelsvorm in het landschap versterken c. De bebouwing wordt geconcentreerd waardoor er een robuust/compact bouwvlak ontstaat, dit vanuit het oogpunt van goede ruimtelijke ordening en zuinig ruimtegebruik, d. De nieuwe bebouwing dient landschappelijk te worden ingepast in overeenstemming met de gemeente, e. Gezien de afbraak van de voormalige agrarische bedrijfsgebouwen kan bij één van de woningen een groter bijgebouw van maximaal 200 m2 worden gerealiseerd. In samenhang met de onder b. vermelde stedenbouwkundige opzet van het plan verdient het de voorkeur om het bijgebouw niet achter (ten noorden/noordwesten van) het achtererf van de woning Keur 9 te situeren. 2. Milieuaspecten: Binnen de ruimtelijke procedure dient u nader onderzoek te doen naar water, groen en milieuaspecten (bodem, geluid, externe veiligheid enz.). 3. Dialoog: In de planuitwerking vragen wij u de belangen van derden mee te nemen door middel van het voeren van de ruimtelijke dialoog. Dit overleg dient u te voeren voorafgaand aan de ruimtelijke procedure. 4. Aanmeldnotitie mer: Het kan zijn dat u een aanmeldnotitie beoordeling milieueffectrapportage dient aan te leveren bij de gemeente. Wanneer dit noodzakelijk is dienen wij deze notitie tijdig te ontvangen.
Dit betekent ten minste 8 weken voorafgaand aan de aanvraag omgevingsvergunning of de terinzagelegging van het ontwerp bestemmingsplan. Het bestemmingsplan besteedt aandacht aan de ruimtelijke en milieu-hygiënische effecten van de voorgenomen ontwikkeling. Onderzocht is hoe het initiatief zich verhoudt tot de aanwezige functies en waarden van het plangebied en de directe omgeving ervan. In dit kader zijn, behalve het ruimtelijk-planologische beleid, alle ruimtelijke en milieuhygiënische aspecten alsmede de landschappelijke inpassing en beeldkwaliteit nader beschouwd. Aan de volgende deels juridische voorwaarden dient te worden voldaan: • het motiveren van het wijzigen van de geldende bestemming middels het opstellen van een bestemmingsplan; • het met een bestemmingsplan aantonen van de ruimtelijk-fysieke, logistieke en milieu-hygiënische aanvaardbaarheid; • het in procedure brengen van het bestemmingsplan. Dit bestemmingsplan legt derhalve een planologische en juridische basis om de voorgenomen ruimtelijke ontwikkeling te kunnen realiseren. Dit bestemmingsplan geeft een planologisch-juridische regeling ten behoeve van de realisatie van het onderliggende bouwplan.
De met dit bestemmingsplan aangetoonde ruimtelijke en milieu-hygiënische aanvaardbaarheid heeft betrekking op het bouwplan voor de sloop van bestaande opstallen, de herbouw van een bestaande woning en de oprichting van één ruimte voor ruimte woning aan de Keur 11 te Schijndel.
6
1.2 Ligging en begrenzing plangebied Het plangebied is gelegen aan de Keur 11 te Schijndel. Op navolgende luchtfoto (bron: Google Maps) is de ligging en globale begrenzing van het plangebied aangegeven.
1.3 Vigerend bestemmingsplan Op grond van het vigerende bestemmingplan “Landelijk gebied” rusten op het perceel aan de Keur 11 c.q. op het plangebied de bestemming ‘Agrarische met waarden – Kleinschalig landschap’ met de functieaanduidingen ‘grondgebonden veehouderij’ en ‘specifieke vorm van agrarisch- overig niet-grondgebonden’ en de dubbelbestemmingen ‘Waarde – Archeologie 3’ en ‘Waarde – Archeologie 4’. Tevens geldt voor het grootste gedeelte van het plangebied de gebiedsaanduidingen ‘reconstructiewetzone – verwevingsgebied’, ‘wro-zone – omgevingsvergunning historische verkavelingsstructuren’, ‘wro-zone – wijzigingsgebied bebouwingsconcentratie’ en ‘wro-zone – esdek’. Voor het gehele plangebied geldt het bouwvlak. Ter plaatse geldt tevens het bestemmingsplan “Landelijk gebied, herijking”. Op grond van dit bestemmingsplan geldt de dubbelbestemming ‘Waarde – Cultuurhistorisch waardevolle elementen’. De ligging en globale begrenzing van het voorliggende plangebied zijn op navolgende uitsnede van de verbeelding van het vigerende bestemmingsplan “Landelijk gebied” blauw omlijnd aangegeven.
7
De gronden bestemd voor ‘Agrarisch met waarden – Kleinschalig landschap’ zijn bestemd voor: a. agrarisch bedrijf en agrarisch gebruik; b. een aan huis verbonden beroep; c. nevenactiviteiten; d. plattelandswoningen; e. behoud, herstel en ontwikkeling van cultuurhistorische en landschappelijke waarden; f. behoud, herstel en duurzame ontwikkeling van het watersysteem en de bijbehorende ecologische en landschappelijke waarden; g. water en waterhuishoudkundige doeleinden; h. extensief recreatief medegebruik; i. bed en breakfast; j. doeleinden van openbaar nut; k. erfbeplanting; l. tuinen; m. onverharde paden een en ander met bijbehorende voorzieningen, waaronder perceelsontsluitingen en sloten. Ter plaatse van de aanduiding 'Bouwvlak' mogen uitsluitend worden opgericht: a. agrarische bedrijfsgebouwen; b. bedrijfswoningen met bijbehorende bijgebouwen met dien verstande dat per bouwvlak maximaal één bedrijfswoning is toegestaan, met dien verstande dat: 1. ter plaatse van de aanduiding 'bedrijfswoning uitgesloten' geen bedrijfswoning is toegestaan; 2. ter plaatse van de aanduiding 'maximum aantal wooneenheden' is het aangegeven maximale aantal wooneenheden het toegestane maximale aantal bedrijfswoningen; c. andere bouwwerken, ten behoeve van het agrarisch bedrijf.
8
Ter plaatse van de aanduiding 'bouwvlak' mag een grondgebonden agrarisch bedrijf, niet zijnde een veehouderij, worden uitgeoefend; indien echter ter plaatse van het bouwvlak een nadere bedrijfstype-aanduiding is weergegeven, is uitsluitend het aangeduide bedrijfstype toegestaan: • ter plaatse van de aanduiding 'specifieke vorm van agrarisch - overig niet grondgebonden' een overig niet grondgebonden agrarisch bedrijf; • ter plaatse van de aanduiding 'grondgebonden veehouderij' een grondgebonden veehouderij. Aanvullend gelden voor herbouw van bestaande woningen de volgende voorwaarden: a. de herbouw vindt voor 3/4 deel plaats op de plaats van de (voor zover aanwezige) bestaande fundamenten van de woning; b. de voorgevel van de te herbouwen woning wordt geplaatst in de (voormalige) voorgevelrooilijn van de woning; c. de bouwwijze (d.w.z. vrijstaand, halfvrijstaand of aaneengebouwd) van de te herbouwen woning(en) wijkt niet af van de bouwwijze van de oorspronkelijke woning(en). De voor ‘Waarde - Archeologie 3’ aangewezen gronden zijn, behalve voor de andere daar voorkomende bestemming(en), mede bestemd voor het behoud en de bescherming van de in de grond aanwezige of te verwachten archeologische waarden. Deze bestemming is primair ten opzichte van de overige aan deze gronden toegekende bestemmingen.
De voor ‘Waarde – Archeologie 4’ aangewezen gronden zijn, behalve voor de andere daar voorkomende bestemming(en), mede bestemd voor het behoud en de bescherming van de in de grond aanwezige of te verwachten archeologische waarden. Deze bestemming is primair ten opzichte van de overige aan deze gronden toegekende bestemmingen. De gebiedsaanduiding 'Wro-zone – esdek' is gekoppeld aan de dubbelbestemming ‘Waarde – Archeologie 4’. Op of in deze gronden mag niet worden gebouwd, met uitzondering van: 1. verbouw en/of nieuwbouw van bestaande gebouwen voor zover bij de bouw de bestaande oppervlakte van het gebouw niet wordt vergroot of ruimtelijk gewijzigd en voor zover bij de bouw geen grondwerkzaamheden worden uitgevoerd met een oppervlak van de bodemingreep van ten hoogste 500 m2 en dieper dan 0,3 m ten opzichte van maaiveld, dan wel, ter plaatse van de aanduiding 'wro-zone esdek', dieper dan 0,5 m ten opzichte van het maaiveld; 2. de bouw van een bijgebouw bij of uitbreiding van een bestaand hoofdgebouw met een oppervlak van de bodemingreep van ten hoogste 500 m2 en dieper dan 0,3 m ten opzichte van maaiveld, dan wel, ter plaatse van de aanduiding 'wro-zone esdek', dieper dan 0,5 m ten opzichte van het maaiveld; 3.
bouwwerken, geen bouwwerken zijnde ten dienste van de in 33.1 genoemde bestemming en ten dienste van een overige aan deze gronden gegeven bestemming voor zover bij de bouw geen grondwerkzaamheden worden uitgevoerd met een oppervlak van de bodemingreep van ten hoogste 500 m 2 en dieper dan 0,3 m ten opzichte van maaiveld, dan wel, ter plaatse van de aanduiding 'wro-zone - esdek', dieper dan 0,5 m ten opzichte van het maaiveld;
9
In geval van verlening van een omgevingsvergunning voor het bouwen is het bevoegd gezag altijd toegestaan archeologische waarnemingen te doen ten tijde van de graafwerkzaamheden ten behoeve van de bouw. De gebiedsaanduiding ‘Reconstructiewetzone – verwevingsgebied’ is van toepassing op intensieve veehouderijen waarop een uitbreiding is voorzien. Deze is derhalve niet van toepassing op onderhavig planvoornemen. Gestreefd wordt naar behoud, herstel en ontwikkeling van cultuurhistorische en landschappelijke waarden, dat onder meer gekenmerkt wordt door de landschappelijke beslotenheid van het gebied. Dit houdt bijvoorbeeld in dat ter plaatse van de gebiedsaanduiding 'wro-zone – omgevingsvergunning historische verkavelingsstructuren' de bestemming zich tevens richt op het in stand houden van de karakteristieke verkaveling (langgerekte percelen), het behoud van de cultuurhistorisch waardevolle karakteristieken van de kampontginning, voor zover aanwezig worden binnen de kamp het slotenpatroon, verkavelingspatroon en de paden beschermd, voor zover aanwezig worden aan de rand van de kamp de wegen, voorpootstroken, sloten en karakteristieke opgaande beplanting beschermd en de bestemming richt zich tevens op het waarborgen van de herkenbaarheid van de historische ontginningslijnen in het landschap.
De gebiedsaanduiding ‘wro-zone – wijzigingsgebied bebouwingsconcentratie’ is voor dit plan met name van belang vanwege het feit dat Ruimte-voor-Ruimte woningen in beginsel bij uitstek binnen als zodanig aangewezen gebieden gebouwd mogen worden. De aanduiding levert evenwel geen specifieke aanvullende eisen of beperkingen op. Tevens vigeert het bestemmingsplan “Landelijk gebied, herijking”, waardoor op het plangebied de dubbelbestemming ‘Waarde – Cultuurhistorisch waardevolle elementen’ rust. De voor ‘Waarde – Cultuurhistorisch waardevolle elementen’ aangewezen gronden zijn, behalve voor de andere daar voorkomende bestemming(en), mede bestemd voor het behoud, beheer en versterking van de cultuurhistorisch waardevolle elementen. De cultuurhistorische elementen betreffen de elementen die zijn opgenomen in de cultuurhistorische waarderingskaart en zijn aangeduid als landschapselement zeer hoog en/of hoog. De waardering van deze elementen is gebaseerd op het rapport ‘Tussen Aadal en Rooise heide’ zoals dat als bijlage 2 bij de regels is opgenomen. De strijdigheid van het bouwplan met het vigerende bestemmingsplan is gelegen in het feit dat ter plaatse van het plangebied één (bedrijfs)woning is toegestaan, waar initiatiefnemer voornemens is een burgerwoning te herbouwen en een tweede woning (in het kader van de Ruimte-voor-Ruimte regeling) op te richten.
1.4 Leeswijzer In de volgende hoofdstukken wordt aandacht besteed aan de verschillende aspecten van het bestemmingsplan. In hoofdstuk 2 wordt een beschrijving gegeven van de bestaande situatie. Hoofdstuk 3 geeft de visie op het plan in relatie tot het plangebied en de directe omgeving. Hoofdstuk 4 behandelt het beleidskader. De hoofdstukken 5 tot en met 10 gaan in op de ruimtelijk-fysieke, logistieke en milieu-hygiënische aspecten. De juridische
10
aspecten worden toegelicht in hoofdstuk 11 en de onderdelen economische en maatschappelijke uitvoerbaarheid in hoofdstuk 12. Hoofdstuk 13 tenslotte bevat de slotconclusie.
11
2. Beschrijving bestaande situatie 2.1 Huidige situatie omgeving Het plangebied ligt aan de Keur, in het buitengebied van Schijndel. De directe omgeving wordt gekenmerkt door agrarisch gebied met akkers, grasland en burgerwoningen. De kern Schijndel ligt op circa 500 meter ten noordoosten van het plangebied. Navolgende luchtfoto bevestigt dit (maps.google.nl).
Het gebied ten noorden en zuiden van het perceel heeft voornamelijk een agrarische functie. Het landschap heeft een kleinschalig karakter met veel groenstructuren in de vorm van houtsingels en laanbeplanting. Het betreft een van oorsprong middeleeuws landschap dat omstreeks 1750 opnieuw is aangeplant. Ondanks de aanwezigheid van begroeiing aan de perceelsranden heeft het gebied een tamelijk open karakter. Zodra men richting de bebouwde kom gaat, zijn er meerdere burgerwoningen gesitueerd en zijn ook enkele bedrijfsbestemmingen aanwezig. Het gebied rondom de Schootsestraat kan men beschouwen als een bebouwingslint, met een doorstroomfunctie voor verkeer. De bebouwing aan de overige infrastructuur hebben met name een agrarische karakter.
12
13
2.2 Huidige situatie plangebied Tot voor kort was er een agrarisch bedrijf actief binnen het plangebied. Hiertoe bevinden zich op het perceel nog meerdere agrarische bedrijfsgebouwen en bouwwerken, geen gebouwen zijnde. Het perceel waartoe het plangebied behoort, kenmerkt zich verder als zijnde een langgerekt akkerland in noordoostelijke richting. De huidige situatie van het plangebied, bezien vanaf de Keur, is op navolgende foto’s te zien (Google Street View).
14
3. Visie op het plan(gebied) 3.1 Doel en hoofdlijnen Randvoorwaarden Bij het ontwerpen van woning en bijgebouw dienen de randvoorwaarden in acht genomen te worden die gelden voor ontwikkelingen, waaronder op basis van Ruimte-voorRuimte. Zo moeten de inhoud, typologie, architectuur van de woning en de tuin passend zijn in de omgeving en moet de nieuwe woning door een landschappelijke (erf)beplanting worden ingepast in het omringende landschap. Dit betekent concreet onder andere dat: • het een vrijstaande en grondgebonden woning betreft op een vrije kavel; • de nieuwe woning direct ontsluit op bestaande wegen; • de nieuwe woning er niet voor zorgt dat de kernrandzone dichtslibt; • de eventueel aanwezige doorzichten c.q. zichtlijnen zo goed als redelijkerwijs mogelijk behouden moeten blijven; • de nieuwe Ruimte-voor-Ruimte woning op een vrij gelegen kavel wordt gerealiseerd. Hierbij geldt als uitgangspunt dat de frontbreedte minimaal 30 meter is, direct aan het bebouwingslint gemeten vanaf de belendende bestaande eigendommen. Op basis van stedenbouwkundige argumenten kan hier gemotiveerd met circa 10% van worden afgeweken; • de nieuwe woning geen seriematige bouw kent, maar zich kenmerkt door individuele bouw.
Uitgangspunten integraal ontwerp Op basis van de hiervoor genoemde randvoorwaarden is een integraal ontwerp gewenst voor zowel de nieuwe woning als voor de kavel en de tuin. De volgende aspecten zijn daarbij van belang: • Passend in het landschap Het belangrijkste criterium is dat de woning past in het landschap. Er zijn twee aspecten waarin dit tot uitdrukking dient te komen: 1. de situering en de vormgeving van de nieuwe woning, de kavel en de tuin dienen het landschap, de directe omgeving, maar ook elkaar te versterken; 2. de keuze van de architectuur en het materiaalgebruik van de nieuwe woning, maar ook de vormgeving en beplanting van de tuin, dienen aan te sluiten op het betreffende landschap. • Typologie van de woning De Keur is een weg die al lang bestaat. Door de jaren heen is er op diverse plekken gebouwd, waardoor de bebouwing is zoals die is. Individuele woningen, geclusterd of juist als ensemble. Aan de individuele bebouwing op locatie en in de omgeving is goed af te lezen wanneer de woning is gerealiseerd. Dit is leesbaar/herkenbaar aan de hand van de bouwstijl, de detaillering en het materiaalgebruik die op dat moment gangbaar was. Verder valt het op dat het overwegend éénlaagse bebouwing met kap betreft die is gebouwd conform de tijdsgeest en wensen van het moment waarop de woningen zijn gerealiseerd.
15
Aansluiten bij de typologie van de directe omgeving kan hierbij wenselijk en logisch zijn, maar is erg traditioneel en voorspelbaar en laat onvoldoende zien wat tegenwoordig allemaal mogelijk is binnen het architectonische spectrum. Het afwijken van de bebouwing uit de directe omgeving kan juist een bijzonder spanningsveld opleveren waardoor je echt iets toevoegt van deze tijd. Het is aan de opdrachtgever en zijn architect om een keuze te maken om direct aan te sluiten bij de traditionele aanwezige bebouwing of juist de randen op te zoeken met een bijzondere, en eigentijdse, niet traditionele invulling naar de maatstaven van deze tijd, waarbij de uiterste grenzen van de regels in het bestemmingsplan zeker kunnen worden opgezocht. •
Typologie en architectuur tuin ‘Vertuining’ van het platteland dient te worden voorkomen. Daarom is het opstellen van een tuinontwerp verplicht. In het tuinontwerp wordt duidelijk dat tuin/kavel en nieuwe woning door een landschappelijke (erf)beplanting dienen te zijn ingepast in het omringende landschap. Te denken valt aan bosschages, houtwallen, kavelrandbeplantingen, lanen, boomgaarden, poelen, sloten met oevervegetaties, bloemenweiden etc. Een landschappelijke beplanting bestaat uit inheemse soorten die geschikt zijn op de aanwezige bodemsoort. Binnen deze landschappelijke structuren is uiteraard ondergeschikt een verdere invulling met tuin- en sierelementen mogelijk. De landschappelijke inpassing dient zo te zijn dat op de ruime kavel doorzichten naar het landschap blijven bestaan.
3.2 Landschappelijke inpassing en kwaliteitsverbetering Landschappelijk inpassing De (voormalige) gemeente Schijndel heeft in 2005 het landschapsontwikkelingsplan (LOP) vastgesteld. Het landschapsontwikkelingsplan heeft een sturende rol in het bestemmen, aanleggen, inrichten en beheren van gebieden. Het behouden, versterken en ontwikkelen van bestaande kwaliteiten en met name kleinschalige landschapselementen alsmede de relatie hiervan met ruimtelijke ordening (onder andere beeldkwaliteit en landinrichting) zijn belangrijke doelen van het LOP. De landschappelijke inpassing van gebouwen is een concretisering van het landschapsontwikkelingsplan. Bij nieuwe ruimtelijke ontwikkelingen is de initiatiefnemer verplicht om zorg te dragen voor een goede landschappelijke inpassing. Ter facilitering van initiatiefnemer heeft de (voormalige) gemeente Schijndel de ‘Handleiding landschappelijke inpassing’ opgesteld. Uit een landschappelijk inpassingsplan dient te blijken dat de voorgestane ruimtelijke ontwikkeling de natuur- en landschappelijke waarden ter plaatse niet schaden. Een landschappelijk inpassingsplan voorziet in een ontwikkeling in natura, waarmee aan de voorwaarden wordt voldaan die de provincie en gemeente stellen aan ontwikkelingen in het buitengebied.
Met het landschappelijk inpassingsplan wordt aangesloten op de bestaande situatie en de potentiële waarden en kwaliteiten in en rond het plangebied. Deze zijn door middel van
16
een bureaustudie en een veldbezoek geïnventariseerd. Verantwoord is hoe de gewenste ontwikkeling op een duurzame manier in de bestaande situatie kan worden geïntegreerd. Om zo veel mogelijk aansluiting te vinden bij het karakter van de omgeving is er een landschappelijk inpassingsplan en inrichtingsvoorstel opgesteld (zie bijlage 2). Dit inpassingsplan is vooraf gegaan door een inventarisatie van de historische ontwikkeling, landschapsanalyses lint en kavel en door referenties uit de omgeving. Een en ander heeft uiteindelijk geresulteerd in een landschaps-/inrichtingsschets. Er vindt inpassing van de tuin en de nieuwe woning in het omringende landschap plaats door een combinatie van erfbeplanting en landschapsbeplanting. De rapportage van Dolmans Landscaping Group heeft geleid tot een plan, waarmee behoud van natuur- en land(schapp)elijke waarden en kwaliteiten is gegarandeerd en er bovendien sprake is van een verbetering wat betreft deze aspecten. Er is zodoende een landschappelijk inpassingsplan opgesteld waarbij de fysieke inrichting passend is bij de omgeving en natuur en groen de landschappelijke waarden en kwaliteiten ter plaatse zullen doen toenemen. Navolgende afbeelding betreft de inrichtingsschets voor de nieuwbouwkavel. Het landschappelijk inpassingsplan dat hieraan ten grondslag ligt, is opgenomen als bijlage 2 van deze toelichting.
Het landschappelijk inpassingsplan moet binnen één jaar na ingebruikname van de woningen gerealiseerd zijn en de initiatiefnemer moet de landschappelijke inpassing in stand houden. Dit is planologisch-juridisch geborgd in de planregels. Landschappelijke kwaliteitsverbetering Bij (extra) kwaliteitsverbetering van het landschap, als bedoeld in artikel 22.5 Interim omgevingsverordening Noord-Brabant, kan in het bijzonder worden gedacht aan concrete tegenprestaties gericht op de verbetering van de volgende landschapsaspecten: bodem (aardkunde) en water, natuur- en landschapselementen, cultuurhistorische elementen inclusief archeologie, recreatieve toegankelijkheid van het landschap, sloop en ontstening. Investeringen in het landschap betreffen nieuw te ontwikkelen structuren en elementen en/of het herstel van bestaande structuren en elementen. Ook kan een koppeling worden gelegd met de realisering van de ecologische hoofdstructuur en ecologische verbindingszones. Bij hergebruik van voormalige agrarische en niet-agrarische bedrijfslocaties is sloop van overtollige bebouwing uitgangspunt. Naast een goede landschappelijke inpassing is voor onderhavig planvoornemen in beginsel géén (extra) kwaliteitsverbetering van het landschap noodzakelijk.
Achterliggende gedachte hierbij is dat deelname aan de Ruimte-voor-Ruimte regeling namelijk reeds bijdraagt aan een investering in het landschap. De te herbouwen woning Keur 11 krijgt een inhoud van 900 m3 en een bijgebouw een oppervlakte van 200 m2. De bestaande bebouwing is als volgt verdeeld: Boerderij – agrarische bedrijfswoning Oppervlakte boerderij 255 m2 Inhoud bedrijfswoning 700 m3 Geschatte inhoud boerderij 1.370 m3
17
Bedrijfsgebouwen Oppervlakte 770 m2 Afsprakenkader kwaliteitsverbetering In het afsprakenkader over kwaliteitsverbetering, zoals dat door provincie en gemeenten is vastgelegd, is het omzetten van de agrarische bestemming naar de bestemming ‘Wonen’ als volgt vastgelegd: Wijziging bestemming agrarisch bedrijf (inclusief agrarisch verwant en agrarischtechnisch hulpbedrijf) of niet-agrarisch bedrijf in bestemming wonen of wonen met VAB aanduiding, of andere bestemming, zoals horeca, maatschappelijke doeleinden of recreatie, mits het bestemmingsvlak wordt verkleind tot maximaal 5.000 m2, overtollige voormalige bedrijfsbebouwing wordt gesloopt en maximaal 500 m2 voormalige bedrijfsbebouwing resteert. In datzelfde afsprakenkader wordt het vergroten van een woning boven 750 m 3 gezien als een ontwikkeling die valt in categorie 3. In het geval van Keur 11 wordt er niet voor gekozen voor het behoud van een grote oppervlakte aan voormalige bedrijfsgebouwen, maar voor een grotere woning. In het ontwerpbestemmingsplan Harmonisatie van diverse regelingen (‘laaghangend fruit’) van Meierijstad zijn regels opgenomen voor afwijkingsbevoegdheden voor het toestaan van een grotere inhoud van een woning en een grotere oppervlakte aan bijbehorende bouwwerken (sloop-bonus).
Op basis van die regels is: een vergroting van de inhoud van de woning mogelijk van 0,5 m3 per m2 sloop van bestaande (voormalige) agrarische bedrijfsgebouwen; een vergroting van de oppervlakte van bijbehorende bouwwerken van 0,5 m 2 per m2 sloop van bestaande (voormalige) agrarische bedrijfsgebouwen. Op basis van de geldende planregels is ter plaatse een agrarische bedrijfswoning toegestaan van 700 m3. In de planregels wordt een woning mogelijk gemaakt van 900 m3. Voor deze grotere woning wordt er 400 m2 aan bestaande (voormalige) agrarische bedrijfsgebouwen gesloopt. Tevens is op basis van de aanduiding ‘gb1’ bij de grotere woning een grotere oppervlakte aan bijbehorende bouwwerken toegestaan van 200 m2. Voor deze grotere oppervlakte wordt er 100 m2 aan bestaande (voormalige) agrarische bedrijfsgebouwen gesloopt. Gezien de hiervoor vermelde grootten van de bestaande bedrijfsgebouwen, boerderij en andere bedrijfsgebouwen, is de oppervlakte van de bestaande bebouwing aanzienlijk groter dan de hiervoor berekende 600 m2 voor vergroting van woninginhoud en oppervlakte aan bijbehorende bouwwerken.
Bij zowel het ontwerpen van het bouwplan als bij het opstellen van het landschappelijk inpassingsplan, inclusief de landschaps-/inrichtingsschets, is zoveel als mogelijk aansluiting gezocht bij de aanwezige waarden en kwaliteiten en huidige landschappelijke omgevingskarakteristiek en uitgangspunten. Zodoende kan de ruimtelijke (beeld)kwaliteit van het gebied in stand gehouden worden en door de inpassing, vormgeving en bouwstijl van de beoogde bebouwing kan de ruimtelijke (beeld)kwaliteit zelfs verbeterd worden.
18
3.3 Planbeschrijving De in paragraaf 3.1 genoemde randvoorwaarden en uitgangspunten voor de oprichting van woningen in het Schijndelse buitengebied worden voor onderhavige ontwikkeling in acht genomen. De te herbouwen woning Keur 11 krijgt een inhoud van 900 m3 en een bijgebouw een oppervlakte van 200 m2. De woning wordt geplaatst op de bestaande voorgevelrooilijn en zoveel mogelijk op de bestaande fundamenten van de te slopen agrarische bedrijfswoning. Ook de Ruimte-voor-Ruimte woning betreft een vrijstaande en grondgebonden woning op een ruime, vrij gelegen kavel, welke ontsluit op een bestaand weg. De Ruimte-voorRuimte woning krijgt een volume van 750 m3 en een bijgebouw van 100 m2. Deze nieuwe woning zorgt niet voor een dichtslibbing van de kernrandzone. Het behoud van eventuele doorzichten / zichtlijnen is hiermee gewaarborgd. Er wordt tevens voldaan aan het uitgangspunt dat de frontbreedte van de Ruimte-voor-Ruimte kavel minimaal 30 meter is. De nieuwe woningen kennen verder geen seriematige bouw, maar kenmerken zich door individuele bouw. In een eerder stadium is aangegeven dat er binnen het plangebied twee woningen mogelijk zijn. Eén woning ter compensatie van de sloop en beëindiging van een agrarisch bedrijf en één woning wordt mogelijk gemaakt door de aankoop van een Ruimte-voorRuimte titel.
De inrichting van de openbare weg met bestaande sloot en bomenrij langs de Keur worden gehandhaafd. Door de gemeente is gevraagd om een compact stedenbouwkundig model, zodat er één geheel kan ontstaan, omgeven door groen en zichtlijnen op het weidse landschap. Ook de inritten worden gecombineerd. De planontwikkeling laat een compact geheel zien, met langgerekte massa’s en forse kappen (in aansluiting op de bebouwingstypologie van het buitengebied). Er komt een gecombineerde inrit, waarbij één woning evenwijdig met de straat is gesitueerd en de andere woning er haaks op gesitueerd is. Met name voor wat betreft de Ruimte-voor-Ruimte woning vormt een compact geheel en is de verhouding tussen hoofdgebouw en bijgebouw logisch. In het algemeen wordt aangehouden dat het bijgebouw duidelijk zichtbaar lager is dan het hoofdgebouw. Minimaal is een verschil van 1,5 meter tussen de hoogte van hoofd- en bijgebouw aan te houden. Hoewel de her te bouwen woning eveneens op de goede plek gesitueerd wordt, met een rooilijn net iets voor de Ruimte-voor-Ruimte, is de verhouding tussen het hoofdgebouw en het bijgebouw hier minder duidelijk. Daarnaast parkeren de auto’s op enige afstand van de woning. Op advies van de gemeente is de woning vergroot en het bijgebouw op korte(re) afstand van de woning gesitueerd.
De ene woning wordt mogelijk gemaakt door de aankoop van een Ruimte-voor-Ruimte bouwtitel. Met de aankoop van deze titel is kwaliteitsverbetering van de omgeving in de vorm van sloop van agrarische bedrijfsgebouwen gerealiseerd. De andere woning betreft het omzetten van de agrarisch bedrijfswoning naar burgerwoning. In dit geval gaat deze omzetting van de agrarische bestemming gepaard met een fors kwaliteitsverbetering in de vorm van de afbraak van 770 m2 aan agrarische bedrijfsgebouwen.
19
De mate van kwaliteitsverbetering rechtvaardigt voor wat betreft de andere (her te bouwen) woning een grotere inhoud, namelijk 900 m3 (700 m3 omzetten agrarische bedrijfswoning naar burgerwoning en het niet handhaven van maximaal 500 m2 van de voormalige bedrijfsgebouwen). In het geheel is nog ruimtelijke kwaliteitswinst te behalen door het maken van een landschappelijk inpassingsplan. Ten aanzien van de afstand tussen hoofdgebouw en bijgebouw wordt uitgegaan van het vereiste van een ruimtelijke eenheid en zuinig ruimtegebruik. Het verkleinen van de afstand tussen woning en bijgebouw is in die zin gewenst. Ten behoeve van onderhavig woningbouwplan is een landschappelijk inpassingsplan, inclusief landschaps-/inrichtingsschets, opgesteld. Het landschappelijk inpassingsplan, inclusief inrichtingsvoorstel, is als bijlage 2 bij dit bestemmingsplan gevoegd. Voor een nadere beschrijving van de voorgestelde landschappelijke inpassing wordt tevens verwezen naar paragraaf 3.2. De beoogde ruimtelijke ingreep aan de Keur in de vorm van het toevoegen van een nieuwe woning voorziet in een verandering van de ruimtelijke structuur ter hoogte van het plangebied. Er ontstaat, wat betreft beeldkwaliteit, een samenhangende ruimtelijke structuur met de aan de oostzijde aanwezige woning. Met deze woning vindt in zekere zin een koppeling plaats.
Verder worden de voorziene hoofdmassa’s en hoofdvormen van de bebouwing afgestemd op de bestaande bebouwing in de omgeving, maar zullen wel een eigen architectonische eenheid vormen. Door de voorgestelde situering blijft de afstand tot de in naaste omgeving gelegen percelen voldoende groot. Het plan is verder niet of nauwelijks van invloed op de parkeerinrichting en infrastructuur. Zo wordt op eigen terrein voorzien in (ruim) voldoende parkeergelegenheid en zal het plangebied direct ontsloten worden op de Keur. Op navolgende afbeelding is de verkaveling van de twee nieuwe woningen te zien (bron: Omni Architecten). Waarbij de woning aan de rechterzijde de te herbouwen woning betreft en de woning aan de linkerzijde de Ruimte-voor-Ruimte woning.
20
3.4 Slotconclusie Met onderliggend initiatief ontstaat een representatieve locatie die de ruimtelijke beeldkwaliteit van het gebied onvoorwaardelijk in stand houdt en door de voorgenomen inpassing, vormgeving en bouwstijl van de beoogde bebouwing zelfs verbetert. Op deze wijze heeft het initiatief een toegevoegde waarde voor het ruimtelijke omgevingskader en levert het daarmee tevens een positieve invulling aan de waarborging van de landschappelijke karakteristiek en identiteit ter plaatse. Het algemene ruimtelijke uitgangspunt van gemeenten is er verder op gericht om te komen tot ‘duurzaam bouwen’. Duurzaam bouwen verhoogt de gebruikswaarde (functioneel), belevingswaarde (vorm) en de toekomst (tijd) voor de bebouwde omgeving. Duurzaam bouwen is in dit geval te onderscheiden in stedenbouwkundig en bouwkundig duurzaam bouwen. Een goed stedenbouwkundig plan draagt bij aan een duurzame toekomst en voorkomt onder andere verloedering en leegstand. Stedenbouwkundige duurzaamheid komt tot uitdrukking in de ruimtelijke opzet en inpassing van de bebouwing. Ruimtelijke kwaliteit vormt de voorwaarde voor een goed woon- en leefmilieu. Belangrijk hierbij is het om de stedenbouwkundige structuur op een goede manier kenbaar te maken en te behouden.
Bouwkundige duurzaamheid laat zich onder andere uitdrukken in: • duurzaam materiaalgebruik; • slimme energetische concepten (welke resulteren in energiebesparende maatregelen); • afvalreductie. Geconcludeerd kan worden dat het toevoegen van een woning bijdraagt aan een ruimtelijke en visuele koppeling met de bestaande omliggende bebouwing en daarmee een positieve functionele invulling vormt. De voorgestane ontwikkeling steunt de waarborging van de landschappelijke en architectonische uitgangspunten en daarmee de ruimtelijke karakteristiek en identiteit ter plaatse. De juridische vertaling van de bouw- en gebruiksmogelijkheden is verankerd in de bij dit bestemmingsplan behorende verbeelding en regels. De ruimtelijk-fysieke, logistieke en milieu-hygiënische aanvaardbaarheid van de voormelde plankeuzes worden gemotiveerd in de hoofdstukken 5 tot en 10.
21
4. Beleidskader 4.1 Inleiding Wat betreft de verantwoordelijkheidstoedeling en bevoegdheidsverdeling zijn het Rijk, de provincies en de gemeenten verantwoordelijk voor hun eigen belangen. Er kan slechts sprake zijn van bemoeienis van Rijk of provincie met de gemeente, indien dat noodzakelijk is vanwege een nationaal respectievelijk provinciaal belang. Rijk en provincies beschikken in de Wet ruimtelijke ordening over dezelfde bevoegdheden als gemeenten om hun eigen ruimtelijke belangen te kunnen uitvoeren. Daarnaast kunnen het Rijk en de provincies algemeen verbindende regels uitvaardigen en aanwijzingen geven om hun belangen veilig te stellen. Het beleid van de gemeente Meierijstad vormt dus het kader waarbinnen de functionele en ruimtelijke ontwikkeling wordt vastgesteld. De ruimtelijke ontwikkelingsplannen van Rijk, provincie en regio vormen randvoorwaarden voor het gemeentelijke beleid. Voor zover relevant voor de plannen worden in de volgende paragrafen het Rijks-, provinciaal en gemeentelijk beleid toegelicht.
4.2 Rijksbeleid Structuurvisie Infrastructuur en Ruimte (SVIR), 2012 Toetsingskader Op 13 maart 2012 is de Structuurvisie Infrastructuur en Ruimte (SVIR) van kracht geworden. Deze structuurvisie vormt de uitwerking van de ambities van het Rijk, op basis van haar verantwoordelijkheden, in Rijksdoelen en daarmee samenhangende nationale belangen op het gebied van een samenhangend ruimtelijk en mobiliteitsbeleid. Het Rijk heeft tot doel Nederland concurrerend, bereikbaar, leefbaar en veilig te maken in een periode van economische conjunctuurschommelingen, klimaatverandering en toenemende regionale verschillen. Aanleiding voor het vaststellen van de visie is de constatering dat het voorheen geldende ruimtelijke Rijksbeleid onvoldoende bijdroeg aan het behalen van deze doelen, onder meer door het veroorzaken van bestuurlijke drukte, ingewikkelde regelgeving en een te sectorale blik op vraagstukken. Om dit te keren brengt het Rijk de ruimtelijke ordening zo dicht mogelijk bij diegene die het aangaat en laat het meer over aan gemeenten en provincies. Het Rijk onderscheidt thans nog dertien nationale belangen. Uitsluitend op basis van deze belangen intervenieert het Rijk in de ruimtelijke ordening. Een groot deel van deze belangen leidt tot het reserveren van ruimte voor functies.
Dit betreft dan bijvoorbeeld het reserveren van ruimte voor waterberging, militaire activiteiten en de uitbreiding van het hoofdwegennet. Deze belangen zijn vastgelegd in het Besluit algemene regels ruimtelijke ordening (Barro) en de Regeling algemene regels ruimtelijke ordening (Rarro). Eén van de belangen die niet leidt tot een ruimtereservering is het belang van een ‘zorgvuldige afweging en transparante besluitvorming bij alle ruimtelijke en infrastructurele
22
besluiten’. In het kader van dit belang heeft het Rijk besloten om, ten behoeve van het verminderen van de bestuurlijke drukte en het neerleggen van verantwoordelijkheden bij decentrale overheden, de verstedelijkingsstrategie te wijzigen. Dit houdt in dat het bundelingsbeleid, verdichtingsbeleid, locatiebeleid voor bedrijven en voorzieningen, beleid voor basiskwaliteit, stedelijke netwerken, nationale landschappen en rijksbufferzones is afgeschaft en dat daar slechts één beleidslijn voor terug komt: de ‘ladder voor duurzame verstedelijking’. Deze 'ladder' heeft tot doel het principe van vraaggericht programmeren en het principe van zorgvuldig ruimtegebruik bindend voor te schrijven bij de afwegingen van gemeenten en provincies. Dit belang is als procesvereiste vastgelegd in het Besluit ruimtelijke ordening (Bro). Grondgedachte van de ‘ladder’ is dat een activiteit op meerdere locaties zou kunnen plaatsvinden en dat vervolgens de planologisch meest juiste locatie gekozen moet worden. Dat gaat uit van de activiteit. Hiermee wordt beoogd om de voorheen bestaande praktijk, waarbij in veel gevallen een bestemming wordt gezocht voor een bepaalde locatie om te vormen. Doorwerking plan(gebied) De voorliggende planlocatie is niet gelegen in een gebied waarvoor van rijkswege een (relevante) ruimtereservering geldt.
Uitsluitend het nationale belang van een ‘zorgvuldige afweging en transparante besluitvorming bij alle ruimtelijke en infrastructurele besluiten’, als vervat in de ladder voor duurzame verstedelijking, is van toepassing op het onderhavige bestemmingsplan. Aan dit belang wordt navolgend getoetst. Conclusie Aspecten als water, veiligheid, cultuurhistorie en ruimtelijke kwaliteit vormen onderdeel van de planologische toets. Daarmee is het plan niet in strijd met het rijksbeleid. Geconcludeerd kan verder worden dat het onderhavige plangebied niet gelegen is in een gebied waarvoor van Rijkswege een relevante ruimtereservering geldt. Aan de ladder voor duurzame verstedelijking wordt navolgend getoetst. Besluit algemene regels ruimtelijke ordening (Barro), 2012 Toetsingskader Het Rijk heeft in de hiervoor genoemde SVIR vastgesteld dat voor een beperkt aantal onderwerpen de bevoegdheid om algemene regels te stellen zou moeten worden ingezet. De SVIR bepaalt welke kaderstellende uitspraken zodanig zijn geformuleerd dat deze bedoeld zijn om beperkingen te stellen aan de ruimtelijke besluitvormingsmogelijkheden op provinciaal en gemeentelijk niveau. Ten aanzien daarvan is een borging door middel van normstelling, gebaseerd op de Wet ruimtelijke ordening, gewenst.
Die uitspraken onderscheiden zich in die zin dat van de provincies en de gemeenten wordt gevraagd om de inhoud daarvan te laten doorwerken in de ruimtelijke besluitvorming. Zij zijn dus concreet normstellend bedoeld en worden geacht direct of indirect door te werken tot op het niveau van de lokale besluitvorming, zoals de vaststelling van bestemmings- en wijzigingsplannen. Het Besluit algemene regels ruimtelijke ordening (Barro) bevestigt in juridische zin die kaderstellende uitspraken. Op 30 december 2011 is het Barro in werking getreden met daarin een regeling voor een beperkt aantal onderwerpen. Op 1 oktober 2012 is het be-
23
sluit aangevuld met regels voor de andere beleidskaders uit de SVIR en tevens uit het Nationaal Waterplan en het Derde Structuurschema Elektriciteitsvoorziening. Door de nationale belangen vooraf in bestemmingsplannen te borgen, wordt met het Barro bijgedragen aan versnelling van de besluitvorming bij ruimtelijke ontwikkelingen en vermindering van de bestuurlijke drukte. Een aantal onderwerpen is geregeld in de bij het Barro behorende Regeling algemene regels ruimtelijke ordening (Rarro). Doorwerking plan(gebied) Het plangebied is niet gelegen in een gebied waarvoor op basis van het Barro en Rarro een relevante ruimtereservering geldt. Daarnaast wordt niet in een ontwikkeling voorzien die raakt aan een van de nationale belangen. Conclusie Geconcludeerd kan worden dat het Barro en Rarro niet van toepassing zijn op onderhavig plan. Nationale Omgevingsvisie Toetsingskader Vanaf 2021 treedt de nieuwe Omgevingswet in werking. De Omgevingswet bundelt alle huidige wetten over de leefomgeving. Daarbij hoort ook 1 rijksvisie op de leefomgeving: de Nationale Omgevingsvisie (NOVI). De vier prioriteiten waar de NOVI zich op richt in de NOVI zijn deze maatschappelijke opgaven samengevat in 4 prioriteiten: 1. ruimte voor klimaatadaptatie en energietransitie 2. duurzaam economisch groeipotentieel; 3. sterke en gezonde steden en regio’s 4.
toekomstbestendige ontwikkeling van het landelijk gebied. Doorwerking plan(gebied) Onderhavige planontwikkeling heeft met name een gunstige uitwerking voor een ‘toekomstbestendige ontwikkeling van het landelijk gebed’. Conclusie Onderhavig plan sluit aan bij c.q. doet geen afbreuk aan de ambities en de (beleids)doelstellingen en -uitgangspunten zoals verwoord in de Nationale Omgevingsvisie. Ladder voor duurzame verstedelijking (artikel 3.1.6 lid 2 Bro) Toetsingskader Met de inwerkingtreding op 1 oktober 2012 van artikel 3.1.6 lid 2 van het Besluit ruimtelijke ordening (Bro) – de ‘ladder voor duurzame verstedelijking’ – geldt voor alle juridisch verbindende ruimtelijke plannen van decentrale overheden die (planologisch) nieuwe stedelijke ontwikkelingen mogelijk maken een bijzonder procesvereiste. Het procesvereiste van het doorlopen van de Ladder is gebaseerd op één van de nationale belangen als opgenomen in de SVIR, opgesteld door het Rijk. Dit nationale belang houdt in dat, ten behoeve van een goed systeem van ruimtelijke ordening, een zorgvuldige afweging en transparante besluitvorming bij ruimtelijke besluiten plaats dient te vinden. Deze zorgvuldige afweging heeft tot doel om, vanuit een oogpunt van zuinig en
24
zorgvuldig ruimtegebruik, planologisch ongewenste versnippering en een onaanvaardbare leegstand te voorkomen. Op 1 juli 2017 is het Besluit ruimtelijke ordening (Bro) gewijzigd, waarbij een nieuwe Laddersystematiek geldt. Artikel 3.1.6, tweede lid, luidt nu als volgt: De toelichting bij een bestemmingsplan dat een nieuwe stedelijke ontwikkeling mogelijk maakt, bevat een beschrijving van de behoefte aan die ontwikkeling, en, indien het bestemmingsplan die ontwikkeling mogelijk maakt buiten het bestaand stedelijk gebied, een motivering waarom niet binnen het bestaand stedelijk gebied in die behoefte kan worden voorzien. De Laddertoets moet worden uitgevoerd wanneer er sprake is van een nieuwe stedelijke ontwikkeling. In artikel 1.1.1 onder i van het Bro is een nadere omschrijving van het begrip stedelijke ontwikkeling vastgelegd. Als stedelijke ontwikkeling wordt genoemd: een ruimtelijke ontwikkeling van een bedrijventerrein of zeehaventerrein, of van kantoren, detailhandel, woningbouwlocaties of andere stedelijke voorzieningen. In het Bro is geen ondergrens voor de minimale omvang vastgelegd. Of er sprake is van een stedelijke ontwikkeling wordt bepaald door de aard en omvang van de ontwikkeling in relatie tot de omgeving.
Voor woningbouwlocaties geldt volgens de overzichtsuitspraak dat 'in beginsel' sprake is van een nieuwe stedelijke ontwikkeling als er meer dan 11 woningen gerealiseerd worden. Voor wonen is daarmee de lijn dat er vanaf 12 woningen sprake is van een stedelijke ontwikkeling. De Laddertoets geldt alleen voor ‘nieuwe’ stedelijke ontwikkelingen. Beoordeeld moet dan worden of sprake is van een nieuw beslag op de ruimte. Daarvan is in het beginsel sprake als het nieuwe ruimtelijke besluit meer bebouwing mogelijk maakt dan er op grond van het voorheen geldende planologische regime aanwezig was of kon worden gerealiseerd. Daarnaast volgt uit jurisprudentie dat wanneer het een functiewijziging betreft, moet worden beoordeeld of er sprake is van een naar aard en omvang zodanige functiewijziging dat desalniettemin gesproken kan worden van een nieuwe stedelijke ontwikkeling. Daarbij moet ook het ruimtebeslag betrokken worden. In de nieuwe Ladder is het woord 'regionale' niet meer aanwezig. De Ladder bepaalt niet nader voor welk gebied de behoefte in beeld moet worden gebracht. Het is primair aan het bevoegd gezag om op basis van het ruimtelijk verzorgingsgebied van de stedelijke ontwikkeling te bepalen tot welk gebied de beschrijving van de behoefte zich moet uitstrekken. De aard en omvang van de stedelijke ontwikkeling bepaalt op welk niveau de afweging moet worden gemaakt.
De toelichting van het bestemmingsplan moet een beschrijving bevatten van de behoefte aan de nieuwe stedelijke ontwikkeling die mogelijk wordt gemaakt. Daarbij is het niet relevant of het plangebied binnen of buiten bestaand stedelijk gebied ligt. In beide gevallen dient de plantoelichting een beschrijving van de behoefte te bevatten. In artikel 1.1.1 onder h van het Bro is een nadere omschrijving van het begrip 'bestaand stedelijk gebied' vastgelegd. Als bestaand stedelijk gebied wordt aangemerkt: bestaand stedenbouwkundig samenstel van bebouwing ten behoeve van wonen, dienstverlening, bedrijvigheid, detailhandel of horeca, alsmede de daarbij behorende openbare of sociaal culturele voorzieningen, stedelijk groen en infrastructuur.
25
Uit de definitie volgt dat er sprake moet zijn van een stedenbouwkundig samenstel van bebouwing. In de Nota van Toelichting wordt opgemerkt dat de kwalificatie bestaand stedelijk gebied afhangt van de omstandigheden van het geval, de specifieke ligging, de feitelijke situatie, het bestemmingsplan en de aard van de omgeving. Doorwerking plan(gebied) Gelet op de onderliggende ontwikkeling voorziet het plan niet in een woningbouwlocatie als bedoeld in artikel 1.1.1, eerste lid, aanhef en onder i, van het Bro (AbRS 18 december 2013, nummer 201302867/1/R4). De in het plan voorziene ontwikkeling kan dan ook niet worden aangemerkt als een stedelijke ontwikkeling als bedoeld in deze bepaling van het Bro, zodat artikel 3.1.6, tweede lid, van het Bro niet van toepassing is. Gezien het voorgaande vormt de ladder voor duurzame ontwikkeling geen belemmering voor de voorgestane ontwikkeling. Conclusie Er is geen sprake van een stedelijke ontwikkeling in de zin van de ladder voor duurzame verstedelijking. Daardoor is de ladder voor duurzame verstedelijking niet van toepassing.
4.3 Provinciaal beleid Toetsingskader Omgevingsvisie Noord-Brabant In voorbereiding op de inwerkingtreding van de Omgevingswet heeft de provincie de Omgevingsvisie Noord-Brabant vastgesteld (14 december 2018). Deze omgevingsvisie bevat de visie van het provinciale bestuur op de Brabantse leefomgeving van de toekomst (2050). Naar de uitgangspunten van de Omgevingswet zijn daarbij geen routes naar de gestelde doelen vastgelegd, omdat daarmee een beter samenspel en draagvlak kunnen ontstaan. De Omgevingsvisie zal onder meer de Structuurvisie Ruimtelijke Ordening gaan vervangen. De Omgevingsvisie kent één basisopgave: ‘werken aan veiligheid, gezondheid en omgevingskwaliteit’. Elke ruimtelijke ontwikkeling moet - ongeacht de omvang – hieraan bijdragen. In vier hoofdopgaven worden nadere accenten gelegd: 1. werken aan de Brabantse energietransitie; 2. werken aan een klimaatproof Brabant; 3. werken aan een slimme netwerkstad; 4. werken aan een concurrerende, duurzame economie. Interim omgevingsverordening Noord-Brabant Het beleid uit de Omgevingsvisie Noord-Brabant is verwerkt in de regels die zijn opgenomen in de Interim omgevingsverordening Noord-Brabant van de provincie. De onderwerpen die in de verordening staan komen dus uit de provinciale omgevingsvisie. Daarin staat welke belangen de provincie wil behartigen en hoe ze dat wil doen.
De verordening is daarbij één van de manieren om die provinciale belangen veilig te stellen. In de verordening is een aantal aspecten opgenomen die van toepassing zijn op onderhavig plan. Deze zullen hierna worden besproken.
26
De provincie wil de ruimtelijke kwaliteit van Noord-Brabant bevorderen. Dit betekent dat nieuwe ontwikkelingen een bijdrage moeten leveren aan de kernkwaliteiten van NoordBrabant. De provincie biedt ontwikkelingsruimte in het buitengebied, mits een ontwikkeling bijdraagt aan een versterking van de ruimtelijke kwaliteit. Nieuwe ontwikkelingen bieden een kans voor behoud en ontwikkeling van het landschap. Het ontwikkelen van landschap reikt verder dan het behouden wat er is, ontwikkelen van het landschap gaat ook om het toevoegen van nieuwe ruimtelijke kwaliteiten. De provincie onderscheidt een achttal thema’s waarin beleidsuitgangspunten zijn opgenomen. Deze thema’s zijn tevens in kaart gebracht. Onderstaande tabel illustreert welke thematische kaarten in principe van toepassing zijn op de planlocatie en welke niet. Thema / kaartnaam Milieubescherming Landbouw Stedelijke ontwikkeling en erfgoed Natuur en stiltegebieden Grondwaterbescherming, waterveiligheid en –berging Basiskaart Landelijk gebied. Specifieke gebieden voor agrarische ontwikkelingen Watersystemen, -veiligheid en -berging
Van toepassing Nee Ja Ja Nee Nee Ja Ja Ja
Rechtstreeks werkende regels: landbouw Binnen het kaartbeeld ‘Rechtstreeks werkende regels: landbouw’ is de planlocatie aangeduid als ‘Landelijk gebied’. Dit is geïllustreerd in navolgend kaartbeeld.
27
De provincie beschouwt het hele landelijk gebied als een gebied waarbinnen een menging van functies aanwezig is: het gemengd landelijk gebied. De mate van menging varieert daarbij van de gebieden waarbinnen meerdere functies in evenwicht naast elkaar bestaan tot gebieden waar de land- en tuinbouw de dominante functie is. Binnen het gemengd landelijk gebied is multifunctioneel gebruik uitgangspunt. Uitzondering hierop zijn de primair agrarische gebieden, die door de gemeente zijn vastgelegd. Binnen die gebieden, waartoe in ieder geval de vestigingsgebieden glastuinbouw behoren, worden (stedelijke) functies die de ruimte voor agrarische ontwikkeling beperken of functies die strijdig zijn met de landbouwfunctie geweerd. Buiten de primair agrarische gebieden ontwikkelen functies zich in evenwicht met elkaar en de omgeving. In de kernrandzones is een toenemende menging van wonen, voorzieningen en kleinschalige bedrijvigheid mogelijk. Rondom natuurgebieden vinden ontwikkelingen plaats op vrijkomende locaties die passen in een groene omgeving. Bestaande ontwikkelingsmogelijkheden van in het gebied voorkomende functies worden gerespecteerd. Ontwikkelingen houden rekening met hun omgeving en dragen bij aan een versterking van de gebiedskwaliteiten. Het gemengd landelijk gebied is een veelzijdige gebruiksruimte.
Ontwikkelingen, zoals wonen, werken, (historische) landgoederen, recreatie en toerisme, passen qua aard, schaal en functie bij de omgeving en houden rekening met de omgevingskwaliteiten. De ontwikkeling van functies is in beginsel alleen mogelijk op vrijkomende locaties. Er wordt rekening gehouden met (ontwikkelingsmogelijkheden van) omliggende bestaande functies, zoals volwaardige agrarische bedrijven, recreatiebedrijven of woonfuncties. Binnen de primair agrarische gebieden is de provincie terughoudend met de (verdere) ontwikkeling van niet-agrarische functies. De land- en tuinbouw heeft in deze gebieden het primaat. Artikel 3.80 van de Interim omgevingsverordening Noord-Brabant geeft de voorwaarden waaronder binnen het plangebied het toevoegen van een Ruimte-voor-Ruimte worden mogelijk is. Met artikel 3.80 is aansluiting kan gezocht bij de regels uit de ‘Beleidsregel ruimte-voor-ruimte 2006’ van de provincie Noord-Brabant. Uit de verantwoording dient te blijken dat: • het bestemmingsplan de nodige voorwaarden bevat om een goede landschappelijke inpassing van de te bouwen woning te verzekeren; • is verzekerd dat is voldaan aan de nader gestelde regels; • er geen sprake is van (een aanzet voor) een stedelijke ontwikkeling.