BP Dorpshart Eerde
Tekst van het document
Specifiek over het toestaan van appartementen in de kerk (niet zijnde de kapel) is aangegeven dat de commissie vreest dat de belevingswaarde van de kerk onevenredig wordt aangetast. Er is een uiterste poging gedaan voor het vinden van een alternatieve locatie van de woningen. Er is gebleken dat een alternatieve locatie niet mogelijk is. Dit heeft met name te maken met het programma voor de overige functies en beperking van het ruimtebeslag in het park. Daarnaast zijn de woningen in de kerk noodzakelijk voor de financiële uitvoerbaarheid van het plan. Ook is aangevoerd dat het niet bebouwen van delen van de kerk gevolgen heeft voor de bouwfysica, waaronder akoestiek ventilatie en BENG. De gebruiksmogelijkheden van het kerkgebouw komen dan onder druk te staan. Er is een afweging gemaakt tussen de aantasting van de belevingswaarde van de kerk (aan de binnenzijde) tegenover het behoud en onderhoud van de kerk op de lange termijn. Het toestaan van maximaal 3 appartementen op de verdiepingen in de kerk wordt vanuit het belang van het behoud van het kerkgebouw in zijn uiterlijke verschijningsvorm op langere termijn passend geacht.
Gelet op het bovenstaande tast de herbestemming en de hierbij mogelijk gemaakte bouw- en gebruiksmogelijkheden de cultuurhistorische- en monumentale waarden van de kerk, patronaatsgebouw en het heilig hartbeeld niet onevenredig aan en acht de gemeente in het kader van behoud van de kerk de voorgestane herbestemming aanvaardbaar. Wel zullen voor aanpassingen aan de monumenten in alle gevallen omgevingsvergunningen moeten worden aangevraagd voor het aanbrengen van
Hoofdstuk 4
25
wijzigingen in of aan het monument. In dat kader wordt een bouwplan getoetst aan de impact op de monumentale waarden van de monumenten. Bomen Daarnaast staat er in het plangebied een monumentale rode beuk en andere beeldbepalende bomen. Ten behoeve van het inzichtelijk krijgen of negatieve effecten op het duurzame behoud van 16 bomen in en rondom het plangebied te verwachten zijn is door Pius Floris Boomverzorging een Boom Effect Analyse (BEA) uitgevoerd. De BEA is opgenomen als bijlage bij deze toelichting. De BEA voorziet in randvoorwaarden ten behoeve van het duurzaam behoud van de bomen gedurende de werkzaamheden. Het definitieve planontwerp is aangepast met inachtneming van de resultaten uit de BEA. Met de gewenste ontwikkelingen worden de monumentale bomen behouden en de ontwikkeling doet geen afbreuk aan deze bomen in en rondom het plangebied. Molenbiotoop Een gedeelte van het plangebied is gelegen binnen een molenbiotoop, dit is zowel op de CHW als in het vigerende bestemmingsplan opgenomen. Ten westen van het plangebied staat een molen welke is aangeduid als beeldbepalend cultuurhistorisch betekenisvol element. Om voor de molen vrije windvang te garanderen en het zicht op de molen veilig te stellen gelden bepaalde bouwregels. Met onderhavige ontwikkeling zijn deze bouwregels nageleefd.
De dubbelbestemming Molenbiotoop wordt overgenomen in onderhavig bestemmingsplan om ook de vrije windvang en het zicht op de molen voor de toekomst veilig te stellen. Conclusie Met de ontwikkeling van de nieuwe gebouwen wordt extra aandacht besteed aan de karakteristieken van de omgeving en vormt daarmee nieuwe karakteristieke bouwwerken. Geconcludeerd wordt dat het aspect ‘cultuurhistorie’ niet zorgt voor belemmeringen bij uitvoering van onderhavig initiatief.
4.4 Flora en fauna De bescherming van de natuur is per 1 januari 2017 in Nederland vastgelegd in de Wet natuurbescherming (Wnb). Deze wet vormt voor wat betreft soortenbescherming en gebiedsbescherming een uitwerking van de Europese Vogelrichtlijn en Habitatrichtlijn. Omtrent houtopstanden is de voormalige nationale Boswet eveneens in de Wet natuurbescherming opgenomen. Daarnaast vindt beleidsmatige gebiedsbescherming plaats door middel van het Natuurnetwerk Nederland (NNN), de voormalige Ecologische Hoofdstructuur (EHS). Gebiedsbescherming De Wet natuurbescherming, heeft voor wat betreft gebiedsbescherming, betrekking op de Europees beschermde Natura 2000-gebieden. De Vogelrichtlijn- en Habitatrichtlijngebieden worden in Nederland gecombineerd als Natura 2000-gebieden aangewezen. Als er naar aanleiding van projecten, plannen en activiteiten mogelijkerwijs significante effecten optreden, dienen deze vooraf in kaart gebracht en beoordeeld te worden. Projecten, plannen en activiteiten die mogelijk een negatief effect hebben op de beschermde natuur in een Natura 2000-gebied zijn vergunningsplichtig. Het plangebied is niet gelegen binnen de grenzen van een gebied dat aangewezen is als Natura 2000gebied. De meest nabijgelegen Natura 2000-gebieden, ‘Kampina & Oisterwijkse Vennen’ en ‘Vlijmens Ven, Moerputten & Bossche Broek’ liggen op ca.
14,1 en 14,7 kilometer ten westen van het projectgebied. Indien er sprake zou zijn van een effect, betreft dit een extern effect, zoals toename van geluid, licht of depositie van stikstof. Mede gezien de afstand tot het projectgebied zijn externe effecten als licht
Hoofdstuk 4
26
en geluid uitgesloten. Bij onderhavige ontwikkeling kan een significante toename aan stikstofdepositie tijdens de aanleg- en gebruiksfase op omliggende Natura 2000-gebieden niet op voorhand worden uitgesloten. Om deze reden is een stikstofonderzoek uitgevoerd. Dit onderzoek is opgenomen in de bijlagen. Uit deze berekeningen blijkt dat bij de aanlegfase en gebruiksfase geen rekenresultaten hoger zijn dan 0,00 mol/ha/j. Daarmee kunnen op voorhand negatieve effecten op Natura 2000-gebieden vanwege stikstofdepositie uitgesloten worden. Conform artikel 1.12 van de Wet natuurbescherming dragen Gedeputeerde Staten in hun provincie zorg voor de totstandkoming en instandhouding van een samenhangend landelijk ecologisch netwerk, genaamd ‘Natuurnetwerk Nederland’. Zij wijzen daartoe in hun provincie gebieden aan die tot dit netwerk behoren. Het Natuurnetwerk Nederland (NNN, voorheen Ecologische Hoofdstructuur (EHS)) is een samenhangend netwerk van bestaande en te ontwikkelen natuurgebieden. De planologische begrenzing en beschermingsregimes van het Natuurnetwerk loopt via het traject van de provinciale ruimtelijke structuurvisies en verordeningen. Binnen de provincie Noord-Brabant bestaat het NNN uit het Natuurnetwerk Brabant (NNB) en Ecologische Verbindingszones (EVZ). Daarnaast wordt ook de groenblauwe mantel beleidsmatig beschermd.
Het netwerk wordt gevormd door kerngebieden, natuurontwikkelingsgebieden en ecologische verbindingszones met als doel natuurgebieden beter met elkaar en met het omringende agrarisch gebied te verbinden. Activiteiten in deze gebieden zijn alleen toegestaan als ze geen negatieve effecten hebben op de wezenlijke kenmerken of waarden of als deze kunnen worden tegengegaan met mitigerende maatregelen. Het plangebied is niet gelegen binnen het NNB. Het dichtstbijzijnde onderdeel van het NNB ligt ongeveer 250 meter ten zuiden van het plangebied. Gezien de aard van de voorgenomen plannen zullen de omgevingscondities redelijkerwijs gelijk blijven, waardoor de wezenlijke kenmerken en waarden van het NNB niet worden aangetast. Vervolgonderzoek in het kader van het NNB wordt dan ook niet noodzakelijk geacht Soortenbescherming De Wet natuurbescherming regelt dat de provincie bevoegd gezag is en de lijst met te beschermen soorten kan afstemmen op de situatie in de provincie. De soortbescherming kan hierdoor per provincie verschillen. In het algemeen gelden voor alle drie de categorieën de zogenoemde verbodsregels. Een ontheffing hierop wordt voor de Nationaal beschermde soorten (art. 3.10 Wnb) met een lichte toets verleend. Voor de vogels en Europees beschermde soorten geldt een zware toetsing.
Het verschil binnen provincies zit vooral in het aantal nationaal beschermde soorten met een vrijstelling bij onder meer ruimtelijke ontwikkelingen. Zo zijn, in tegenstelling tot een aantal andere provincies, de kleine marterachtigen (wezel, hermelijn en bunzing) binnen de provincie Noord-Brabant niet vrijgesteld. Voor alle soorten, dus ook voor de soorten die niet onder de aangewezen bescherming vallen, of die zijn vrijgesteld van de ontheffingsplicht, geldt de zogenaamde ‘algemene zorgplicht’ (art. 1.11 Wnb). Deze zorgplicht houdt in dat de initiatiefnemer passende maatregelen neemt om schade aan aanwezige soorten te voorkomen of zoveel mogelijk te beperken. Hierbij gaat het bijvoorbeeld om het niet verontrusten of verstoren in de kwetsbare perioden zoals de winterslaap, de voortplantingstijd en de periode van afhankelijkheid van de jongen. De zorgplicht geldt altijd en voor alle planten en dieren, of ze beschermd zijn of niet, en in het geval dat ze beschermd zijn ook als er een ontheffing of vrijstelling is verleend. Komen soorten van de hierboven genoemde beschermingsregimes voor, dan is de eerste vraag of de voorgenomen activiteit effecten heeft op de beschermde soorten.
Treden er effecten op, dan dient er gekeken te worden of er (provinciale) vrijstelling verleend kan worden (al dan niet door te werken volgens een goedgekeurde gedragscode), of dat er een alternatieve oplossing mogelijk is waardoor er
Hoofdstuk 4
27
geen negatief effect kan plaatsvinden. Indien dit niet mogelijk is, zal ontheffing aangevraagd moeten worden op basis van een geldig wettelijk belang, waarbij de gunstige staat van instandhouding van beschermde soorten niet in het geding komt. De ontheffing kan dan onder voorwaarden worden verleend. In tabel 4.1 is samengevat of de voorgenomen ontwikkeling negatieve effecten kan hebben op beschermde soorten en wat de eventuele vervolgstappen zijn, zoals soortgericht nader onderzoek of vergunningstrajecten. In de tabel is tevens weergegeven of maatregelen noodzakelijk zijn om overtreding van de Wet natuurbescherming voor bepaalde soortgroepen te voorkomen. Conclusie Op basis van deze quickscan wordt vervolgonderzoek naar het voorkomen van verschillende soortgroepen of effecten op beschermde gebieden niet noodzakelijk geacht. Evenmin is er sprake van een noodzaak tot het indienen van een ontheffingsaanvraag voor overtreding van verbodsbepalingen in de Wet natuurbescherming ten aanzien van soorten. Het onderdeel houtopstanden is bij dit plan niet aan de orde. - De kerkuil kast op de zolder van de kerk dient behouden te blijven, hierover kan het best contact op worden genomen met de lokale vogel- of uilenwerkgroep; - Met betrekking tot vleermuizen dienen eventuele restauratiewerkzaamheden aan de zolder te worden uitgevoerd in de winterperiode, tussen oktober en maart.
Alvorens grote werkzaamheden op de zolder worden uitgevoerd dient hiervoor een grondige controle op de aanwezigheid van vleermuizen te worden uitgevoerd; - Met betrekking tot beschermde bomen dient het gemeentelijk kapbeleid geraadpleegd te worden; - Ten aanzien van broedvogels dient het verwijderen van opgaand groen buiten het broedseizoen te worden uitgevoerd, of een controle moet de aanwezigheid van een broedgeval kunnen uitsluiten; - Ten behoeve van (incidenteel) aanwezige algemene soorten dient de zorgplicht in acht te worden genomen.
Hoofdstuk 4
28
Soortgroep
Algemeen
Potentieel
Sprake van
aanwezig
overtreding
Ja
Te
Broedvogels
voorko-
men
Jaarrond
Ja
Nee
beschermd
VerbliVleermuizen
Ja
Nee
Vervolgtraject / maatregelen
Bijzonderheden / opmerkingen
Opgaand groen buiten broedsei-
Globale
zoen
zoen loopt van maart
verwijderen
of
controle
broedsei-
vooraf
tot half augustus
Kerkuilkast behouden. Contact op-
Kerkzolder blijft in de
nemen met lokale werkgroep om-
huidige staat behou-
trent onderhoud van de kast
den
-
Kerkzolder blijft in de
jfplaatsen
huidige staat behouden
Foerageer-
Minimaal
Nee
-
habitat Vliegroutes Grondgebonden
Opgaand groen niet essentieel
Nee
Nee
Ja
Te
zoog-
voorko-
-
-
Zorgplicht afdoende
Heeft betrekking op
men
een soort als de egel
dieren Reptielen
Nee
Nee
Amfibieën
Ja
Te
voorko-
-
-
Zorgplicht afdoende
Heeft betrekking op
men
een soort als de gewone pad
Vissen
Nee
Nee
-
-
Ongewervelden
Nee
Nee
-
-
Vaatplanten
Nee
Nee
-
-
Tabel 4.1 Overzicht (potentiele) aanwezigheid beschermde soorten en te nemen vervolgstappen
4.5 Waterparagraaf Op grond van het Besluit ruimtelijke ordening (artikel 3.1.6 lid 1 onder b van het Bro) dient inzicht te worden gegeven in de gevolgen voor de waterhuishouding die samenhangen met de ruimtelijke ontwikkeling die mogelijk wordt gemaakt. Het waterbeleid in Nederland wordt van Europees niveau vertaald via rijks-, provinciaal en waterschaps-beleid, naar gemeentelijk beleid om samen de waterproblematiek in Nederland aan te pakken. Dit resulteert in de verplichting een watertoets uit (te) laten voeren. De voorschriften zijn vastgelegd in onder andere de Europese Kaderrichtlijn Water (22 december 2004) en zijn verder geïmplementeerd in het Rijksbeleid om te komen door samenwerking met de verschillende bevoegdheden te komen tot een duurzaam watersysteem. Naast dit beleidskader is in het Provinciaal Milieu- en Waterplan NoordBrabant ook het toetsingskader voor de taakuitoefening van lagere overheden op het gebied van water opgenomen. Deze is recent vervangen door de Interim Omgevingsverordening in verband met de
Hoofdstuk 4
29
Omgevingswet die in werking gaat treden. De definitieve verordening wordt tegelijk met de Omgevingswet van kracht. In de omgevingsvisie staat wat de provincie wil bereiken en wat ze wil doen om dat te bereiken. Waterschap Aa en Maas. In het Waterbeheerplan (WBP) beschrijft het waterschap Aa en Maas haar doelstellingen voor de periode 2016 – 2021 en de wijze waarop deze doelstellingen bereikt moeten worden. Hiermee geeft het waterschap invulling aan de verplichting vanuit de Waterwet en de Verordening water Noord-Brabant om een waterbeheerplan op te stellen. In het waterbeheerplan wordt een indeling gemaakt in de volgende programma’s: Veilig en bewoonbaar; Voldoende water en robuust watersysteem; Schoon water; Gezond en natuurlijk water; Het leveren van maatschappelijke meerwaarde Deze programma’s zijn verder uitgewerkt in het WBP naar concrete doelstellingen. Deze doelstellingen vinden onder andere een doorwerking in de beschikbare instrumenten van het waterschap; Keur, legger, communicatie en stimuleringsmiddelen. De drie Brabantse waterschappen Aa en Maas, De Dommel en Brabantse Delta hebben een gezamenlijke Keur opgesteld voor het beheer van de waterhuishouding (kwantiteit, kwaliteit en veiligheid). De regels in de Keur hebben betrekking op het lozen, afvoeren, onttrekken of aanvoeren van grondwater en water uit sloten en andere watergangen.
De Keur verwijst in de gebods- en verbodsbepalingen volop naar de legger. De legger legt de status en afmetingen behorende bij de regels van de Keur vast in een overzichtskaart van het waterbeheersgebied. Iedereen die werkzaamheden uitvoert of activiteiten plant in en om waterlopen of dijken en bijbehorende beschermingszones, heeft met de Keur te maken en moet een vergunning aanvragen. In sommige gevallen volstaat een melding. De uitzonderingen staan beschreven in de Algemene regels. Afhankelijk van de werkzaamheden in of nabij het oppervlaktewater kan een vergunning benodigd zijn. Het waterschap maakt bij het beoordelen van plannen met een toenemend verhard oppervlak onderscheid tussen grote en kleine plannen. Bij kleine plannen is geen compensatie verplicht. Voor plannen met een bijkomend verhard oppervlak tussen 2.000 en 10.000 m2 kan volgens de Rekenregel de benodigde hemelwatercompensatie berekend worden. Bij grotere planontwikkelingen is een hydrologisch onderzoek noodzakelijk om de impact van het planvoornemen af te stemmen en kan de Rekenregel als uitgangspunt voor het bepalen van de compensatie gebruikt worden. Het Waterschap is voornemens om uiterlijk per 1 april 2021 de ondergrens van de verhardingstoename voor compenserende maatregelen te verlagen naar 500 m 2.
Waardevol water in Meierijstad De gemeente Meierijstad (waartoe Eerde behoort) en de waterschappen hebben een beleidsdocument opgesteld, namelijk het VGRP+ 2017-2022, Waardevol water in Meierijstad. Het verbreed gemeentelijk rioleringsplan is een geschikt planinstrument om mee te kunnen bewegen met de veranderingen om ons heen. Zo is er bijvoorbeeld sprake van verandering in wetgeving, meer neerslag door klimaatverandering, een veranderende verhouding tussen overheid en burgers en meer focus op beheer i.p.v. nieuwbouw. Door de huidige situatie af te zetten tegen toekomstige ontwikkelingen ontstaat een opgave. Op basis van de kernkwaliteiten van de gemeente Meierijstad, de Watervisie samenwerkingsregio As50+ en de Visie Meierijstad is een gezamenlijke visie opgesteld over de toekomstige invulling van
Hoofdstuk 4
30
de watertaken. Om de visie te kunnen verwezenlijken zijn in het document een aantal speerpunten en aandachtsvelden bij de uitvoering van de reguliere werkzaamheden van belang. Om dit te bereiken wordt de maatschappij zoveel als mogelijk betrokken. Op particulier terrein liggen namelijk veel kansen en een hoger waterbewustzijn leidt tot meer acceptatie en aangepast gedrag. Bij (her)ontwikkelingen en reconstructies dient zo goed mogelijk de boven- en ondergrondse ruimte benut te worden. Dit kan alleen door intensief samen te werken met de waterpartners. Een planontwikkeling mag niet leiden tot verhoging of verlaging van de grondwaterstand en de afvoer naar het oppervlaktewater, ook niet bij extremere omstandigheden. De online 'watertoets' is een instrument dat waterhuishoudkundige belangen op een evenwichtige wijze laat meewegen bij het opstellen van ruimtelijke plannen en besluiten en vroegtijdige afstemming van het planvoornemen mogelijk maakt. Middels de waterparagraaf wordt het planvoornemen hydrologisch beschreven, waarna toetsing plaatsvindt door het bevoegd gezag. Doorwerking plangebied Ten behoeve van de voorgestane ontwikkelingen heeft Aeres Milieu een onderbouwing van het wateraspect met een infiltratieonderzoek uitgevoerd. In deze toelichting worden de belangrijkste conclusies beschreven, voor de volledige rapportage wordt verwezen naar de bijlagen.
Voor de ver- en nieuwbouw is voldoende drooglegging benodigd om wateroverlast in de toekomst te vermijden. Hierbij is o.a. de bestaande hoogteligging van belang. Globaal ligt het plangebied op de overgang van de hoger gelegen kern naar het lager gelegen beekdal van de Aa Rivier, (noord)oostelijk van het centrum van Eerde. Het plangebied kent nagenoeg geen hoogteverschil (maaiveldhoogte circa 10,3-10,8 meter +NAP). De kerk en de begraafplaats liggen iets hoger als de nabijgelegen weg. Het grasveld is vanaf de kerk aflopend in noordwestelijke richting tot ca. 9,9 meter +NAP. De zuidelijk gelegen Esdonkstraat is aflopend van zuidwest (ca. 10,6 meter +NAP) naar noordoost (ca. 10 meter +NAP). Grondwater Om grondwateroverlast te voorkomen, wordt gestreefd naar een minimale ontwateringsdiepte van 0,7 m-mv. voor secundaire wegen en bebouwing (onderzijde vloer) en 0,5 meter ter plaatse van de tuinen. De GHG is op basis van de gekende (boor)gegevens en hoogteligging ingeschat op circa 9,5 meter +NAP (ca. 60 - 100 cm-mv). Uitgangspunt is hydrologisch neutraal bouwen, waarbij de huidige grondwaterstanden en het oppervlaktewatersysteem in het gebied worden gehandhaafd. Door de hoogteligging van het plangebied is bij de voorgenomen herontwikkeling geen grondwateroverlast te verwachten.
Om instroom van hemelwater bij boven normatieve buien te vermijden, is voor de nieuwbouw een gelijkaardig als bestaand of ca. 20 centimeter boven het maaiveld geadviseerd. Binnen of vlakbij het onderzoeksgebied zijn geen grootschalige grondwateronttrekkingen bekend. De onderzoekslocatie ligt niet in een (grond)waterbeschermingsgebied. De milieuhygiënische conditie van het grondwater vormt, geen belemmering voor de realisatie van het voorgenomen plan. Bij eventuele bemaling en lozing ten behoeve van de nieuwbouw wordt aangeraden de kwaliteit van het onttrokken water vast te stellen/te monitoren. Door het planvoornemen (verbouw tot school en appartementen) is geen toekomstige (grond)waterverontreiniging te verwachten. Bij de nieuwbouw dient gebruik gemaakt te worden van duurzame of niet uitlogende bouwmaterialen. Hierdoor is door het planvoornemen geen potentiële verontreiniging van de ontvangende bodem of grondwater te verwachten.
Hoofdstuk 4
31
Vanuit het gemeentelijk beleid is er een verplichting tot hemelwaterverwerking op eigen terrein (indien redelijkerwijs inpasbaar). Op basis van de verwachte matige tot goede doorlatendheid van de zandgrond zijn enkele infiltratiemetingen uitgevoerd in het park van het perceel om de daadwerkelijke infiltratiemogelijkheid te bepalen. Oppervlaktewater Binnen en nabij de onderzoekslocatie is geen oppervlaktewater aanwezig door de ligging in het centrum. Hierdoor kan niet rechtstreeks aangesloten worden op het oppervlaktewater en is geen direct nadelig effect te verwachten door de planontwikkeling op het bestaande oppervlaktewaterstelsel. Noordelijk van de Den Binnen is een greppeltje aanwezig richting de greppel naast de Eerdsebaan (N622). Het oppervlaktewater wordt beheerd door waterschap Aa en Maas. De basis voor het ontwerp van hemelwatervoorzieningen is omgeschreven in de keur. Bij werkzaamheden en/of wijzigingen hieraan dient het waterschap betrokken te worden bij het watertoetsproces. Afvalwater De bestaande bebouwing is aangesloten op het gemengd gemeentelijk rioolstelsel. Bij de ver- en nieuwbouw zal een gescheiden stelsel aangelegd worden. Door de aanleg van een gescheiden stelsel wordt ingespeeld op een toekomstige scheiding van het gemeentelijk rioolstelsel.
Wat betreft de aanleg van een gescheiden stelsel is afvoeren via het oppervlak een robuuste en voor de hand liggende oplossing, aangezien er in de verdere omgeving geen gescheiden stelsel aanwezig is. Door de voorgenomen ver- en nieuwbouw naar een school en appartementen is een lichte toename aan afvalwater uit het plangebied te verwachten. De toekomstige afvalwaterhoeveelheid bedraagt ingeschat ca. 0,7 m3/uur. Gezien de bestaande situatie zal deze lichte toename via het bestaande rioolstelsel verwerkt kunnen worden. Voor de (wijzigingen aan de) aansluiting op het gemeentelijk stelsel dient ten tijde bij de gemeente Meijerijstad een rioolaansluiting aangevraagd te worden. Hemelwater Het plangebied ligt in een infiltratiegebied. Binnen het plangebied bevinden zich momenteel geen hemelwatervoorzieningen. In de bestaande situatie is de kerk en het openbaar gebied aangesloten op het gemeentelijk rioolstelsel. Hieronder is een overzicht van de bestaande verharde situatie binnen het plangebied. De begraafplaats is hierbij buiten beschouwing gelaten. Door het voorgenomen bouwplan neemt het verhard oppervlak toe met circa 1.410 m2. Vanuit het waterschap is er momenteel geen verplichting tot de aanleg van een compensatie bij de afvoer van verhard oppervlak.
Echter is het Waterschap zoals aangegeven voornemens om per 1 april 2021 de ondergrens van bijkomend verhard oppervlak voor compenserende maatregelen te verlagen naar 500 m2. In het voorgelegde plan is de toename van het verhard oppervlak groter dan 500 m 2. Het Waterschap heeft gevraagd om rekening te houden met het beleid wat van kracht is op het moment dat de plannen worden gerealiseerd. Gezien de plannen voor onderhavig voornemen na 1 april 2021 worden gerealiseerd zal er rekening gehouden worden met de beleidswijziging, waardoor er dus sprake is van een verplichting tot aanleg van een compensatie bij de afvoer van verhard oppervlak. Tevens is het gemeentelijk beleid algemeen gericht op het zoveel mogelijk ter plaatse verwerken van hemelwater. De benodigde hemelwaterretentie voor de toename aan verharding bedraagt circa 86 m 3. Voor het pand en de buitenruimte bedraagt de totaal benodigde waterberging voor een bui van 60 mm circa 139 m3 en voor het gehele toekomstig verhard oppervlak circa 277 m 3. De toename aan verharding en eventueel het gehele hemelwater van het pand kan op eigen perceel opgevangen worden in het toekomstige park. In overleg met de gemeente kan ook een gezamenlijke
Hoofdstuk 4
32
hemelwatervoorziening aangelegd worden voor het gehele ontwikkelingsgebied (hemelwaterverwerking ter plaatse van het openbaar gebied). De toekomstige hemelwatervoorziening kan ook (deels) oostelijk tussen de bestaande kerk en de Esdonkstraat aangelegd worden. Hierdoor is het eenvoudiger om een noodoverloop naar het (toekomstig te scheiden) gemeentelijk rioolstelsel mogelijk te maken. De hemelwaterverwerking kan op enkele manieren plaatsvinden. Deze zijn hieronder toegelicht: bovengrondse afvoer naar een verlaagde groenzone westelijk (komvorm van circa 1200 m 2 x 5 cm diepte volstaat voor de uitbreiding en 10 cm voor de gehele bebouwing); oostelijk een hemelwatervoorziening nabij de Esdonkstraat, al dan niet in combinatie met een westelijke hemelwatervoorziening; aanleg IT-kratten / IT-buis (ondergrondse infiltratie, specifiek oostelijk i.v.m. de hoge GHG westelijk); aanleg waterpasserende bestrating voor de buitenruimte en/of het openbaar gebied; in overleg met de gemeente afvoeren op het (toekomstig te scheiden) rioolstelsel; een combinatie voor bovenstaande oplossingen; Het hemelwater kan bij voldoende infiltratieoppervlak ter plaatse voldoende snel infiltreren. De aanleg van een absolute infiltratievoorziening wordt ter plaatse niet geadviseerd door de leemhoudende ondergrond.
Bij ondergrondse infiltratie dient een bovengrondse noodoverloop bijvoorbeeld via de kolk aangelegd te worden die dan oppervlakkig afstroomt naar het gemeentelijk stelsel (bij afwezigheid van oppervlaktewater). Verder dient rekening gehouden te worden met de benodigde gronddekking op een ondergrondse voorziening en de GHG op circa 0,5-1,1 m-mv. Bij het definitieve bouwplan dient de definitieve hemelwatervoorziening in relatie met het uiteindelijk verhard oppervlak uitgewerkt te worden in overleg met de gemeente. Het omliggend terrein dient zo aangelegd te worden dat water bij boven normatieve buien kan afstromen naar het openbaar gebied of het groen waar het geen directe overlast veroorzaakt. Door de aanleg van een gescheiden stelsel, de kleine verhardingstoename, de ruimte op het perceel voor een hemelwatervoorziening en rekening te houden met de genoemde aandachtspunten wordt hydrologisch gezien positief ontwikkeld en is geen wateroverlast te verwachten door de voorgenomen planontwikkeling. Eventueel benodigde vergunningen worden niet middels de waterparagraaf geregeld en zullen via daarvoor bedoelde procedures verkregen moeten worden.
Wanneer een bronnering nodig is voor de bouwwerkzaamheden of bij ingrepen op de plaatselijke waterhuishouding (lozing/infiltratie of werkzaamheden in (de buurt van) een watergang), moeten in het kader van de Waterwet vergunningen/meldingen aangevraagd te worden middels het Omgevingsloket. Het Waterschap heeft aangegeven dat er voldoende opties worden geschetst voor het bergen en/of infiltreren van hemelwater en dat er verder geen bijzondere waterbelangen aan de orde zijn.
4.6 Bodem Bij de verkenning van mogelijkheden om nieuwe functies in een gebied te realiseren dient de bodemkwaliteit te worden betrokken. Inzicht in eventuele beperkingen aan het bodemgebruik (i.v.m. milieuhygiënische risico’s voor mens, plant en dier) is noodzakelijk om te beoordelen of de grond geschikt is
Hoofdstuk 4
33
voor de beoogde functie. Er mogen namelijk geen nieuwe gevoelige functies op een zodanig verontreinigd terrein worden gerealiseerd, dat schade is te verwachten voor de gezondheid van de gebruikers of het milieu. Doorwerking plangebied Ten behoeve van de voorgestane ontwikkelingen heef Bodeminzicht heeft een verkennend bodemonderzoek uitgevoerd. Het onderzoek is uitgevoerd op basis van de richtlijnen zoals deze zijn opgesteld in NEN 5725, NEN 5740 en NEN 5707. In deze toelichting worden de belangrijkste conclusies beschreven, voor de volledige rapportage wordt verwezen naar de bijlagen. Resultaten bovengrondse brandstoftank In de meest verdachte bodemlaag (BG1 tanklocatie), zonder olie-waterreactie, is geen gehalte aan minerale olie gemeten boven de achtergrondwaarde. In het grondwater ter plaatse van peilbuis 01 zijn geen gehaltes aan minerale olie en vluchtige aromaten gedetecteerd boven de streefwaarden. Resultaten voormalige ondergrondse brandstoftank In de meest verdachte bodemlaag (OG1 en OG4 vml tanklocatie), zonder olie-waterreactie, zijn geen gehaltes aan minerale olie gemeten boven de achtergrondwaarde. In het grondwater ter plaatse van peilbuis 18 zijn geen gehaltes aan minerale olie en vluchtige aromaten gedetecteerd boven de streefwaarden.
Resultaten overig terrein In de bovengrond van het overig terrein (BG2) zijn gehaltes aan lood en PCB’s gemeten boven de achtergrondwaarden. De verhoogde gehaltes zijn gerelateerd aan de waargenomen zwakke bijmengingen van glas, baksteen en puin. Het gehalte aan PCB’s is boven de tussenwaarde aangetoond en vormde daardoor aanleiding voor aanvullend onderzoek. De deelmonsters uit het mengmonster BG2 zijn separaat geanalyseerd op het gehalte aan PCB’s. Uit de resultaten van dit aanvullend onderzoek blijkt dat ter plaatse van meetpunten 17 en 18 sprake is van een gehalte aan PCB’s boven de achtergrondwaarde. De licht verhoogde gehaltes vormen geen aanleiding voor nader onderzoek. De overige deelmonsters bevatten geen gehaltes aan PCB’s boven de achtergrondwaarden. In het mengmonster van zwak puin,- baksteen- en leisteenhoudende bovengrond (BG3) is een gehalte aan lood gemeten boven de achtergrondwaarde. Het gehalte vormt geen aanleiding voor aanvullend onderzoek. In de zwak baksteen- en puinhoudende ondergrond (OG2 overig terrein) zijn gehaltes aan kwik en lood gemeten boven de achtergrondwaarden. De gehaltes zijn gerelateerd aan de waargenomen bijmengingen, maar vormen geen aanleiding voor aanvullend onderzoek. In de visueel schone ondergrond (OG3) zijn geen gehaltes aan onderzochte stoffen gemeten boven de achtergrondwaarden.
In het grondwater ter plaatse van peilbuis 12 is een gehalte aan barium gedetecteerd boven de streefwaarde. De verhoging aan barium is toe te schrijven aan een natuurlijk verhoogde achtergrondwaarde. De overschrijding is marginaal en behoeft geen nader onderzoek. Asbestonderzoek NEN5707 Tijdens inspectie van maaiveld en gaten is geen asbestverdacht plaatmateriaal visueel waargenomen. Analyse heeft derhalve niet plaatsgevonden. In de geanalyseerde grondmengmonsters mm1, mm2 en mm3 is een gehalte aan asbest aangetroffen. De gewogen concentraties, maximaal 8 mg/kgds, zijn marginaal te noemen en vormen geen aanleiding voor nader onderzoek.
Hoofdstuk 4
34
Conclusie Ter plaatse van de onderzoekslocatie zijn geen verontreinigingen aangetoond die aanleiding vormen voor het uitvoeren van nader of aanvullend bodemonderzoek. De resultaten van het onderzoek stemmen niet overeen met de gestelde hypotheses. De resultaten vormen echter geen aanleiding tot aanpassing van de onderzoeksstrategie. De bodemkwaliteit ter plaatse van de onderzoekslocatie vormt geen belemmering voor de beoogde herontwikkeling en beoogde nieuwbouw. De eventueel bij werkzaamheden vrijkomende grond is op of buiten het onderzoeksterrein herbruikbaar. Indien vrijkomende grond van de locatie afgevoerd dient te worden, dient men rekening te houden met de regels van het vigerende Besluit Bodemkwaliteit.
4.7 (Ondergrondse) infrastructuur In de ondergrond zijn geen kabels en leidingen aanwezig, waarvoor een planologisch beschermingsregime van toepassing is. De ontwikkelingen vinden volledig plaats op eigen terrein, waar geen kabels en leidingen van derden zijn gelegen. Ook vanuit het aspect kabels en leidingen in de ondergrond is er geen belemmering voor de voorgenomen ontwikkeling. Ten behoeve van de ontwikkeling wordt er nieuwe ondergrondse infrastructuur aangelegd, het is niet nodig om hiervoor zones op te nemen in het bestemmingsplan.
4.8 Bedrijven en milieuzonering Onder milieuzonering wordt verstaan het waar nodig zorgen voor een voldoende ruimtelijke scheiding tussen enerzijds bedrijven of overige milieubelastende functies en anderzijds milieugevoelige functies zoals woningen. Bij de planontwikkeling dient rekening te worden gehouden met milieuzonering om de kwaliteit van het woon- en leefmilieu te handhaven en te bevorderen en daarnaast bedrijven voldoende zekerheid te bieden dat zij hun activiteiten duurzaam binnen aanvaardbare voorwaarden kunnen uitvoeren. Richtafstanden Bij de milieuzonering wordt gebruik gemaakt van de door de Vereniging van Nederlandse Gemeenten (VNG) opgestelde publicatie ‘Bedrijven en milieuzonering’ 1. In de publicatie is een lijst opgenomen met bedrijfstypen. Voor de bedrijfstypen zijn indicatieve (richt)afstanden bepaald voor de milieuaspecten geur, stof, geluid en gevaar. De richtafstanden vormen een indicatie van de aanvaardbaarheid in de situatie dat gevoelige functies in de nabijheid van milieubelastende functies worden gesitueerd. Indien bekend is welke activiteiten concreet worden beoogd of aanwezig zijn, kan gemotiveerd worden uitgegaan van de daadwerkelijk te verwachten milieubelasting (in plaats van de richtafstanden). Omgevingstype Er zijn twee omgevingstypes, namelijk een rustige woonwijk en gemengd gebied.
Volgens de VNGbrochure is een rustige woonwijk, een woonwijk die is ingericht volgens het principe van functiescheiding. Afgezien van wijkgebonden voorzieningen komen vrijwel geen andere functies (zoals bedrijven en kantoren) voor. De VNG-publicatie omschrijft een gemengd gebied, als een gebied met een matige
1
‘Bedrijven en Milieuzonering’, Uitgave VNG, Den Haag, 2009.
Hoofdstuk 4
35
tot sterke functiemenging. Direct naast woningen komen ook andere functies voor zoals winkels, horeca en kleine bedrijven. Gebieden die direct langs de hoofdinfrastructuur liggen behoren eveneens tot het omgevingstypen gemengd gebied. In de VNG-brochure is vermeld dat de richtafstanden uit bijlage 1 met één afstandsstap kunnen worden verlaagd indien sprake is van een gemengd gebied. Daarnaast onderscheidt de VNG-publicatie 'functiemengingsgebieden'. Dit zijn bijvoorbeeld dorpscentra of winkelcentra. Binnen een gebied met functiemenging kan de kan Staat van Bedrijfsactiviteiten voor functiemenging worden toegepast. Hierbij is het beter mogelijk om menging van functies toe te staan. Doorwerking plangebied In de dorpskern van Eerde zijn in de nabijheid van het plangebied detailhandel, horeca en maatschappelijke voorzieningen mogelijk. De omgeving van het plangebied wordt daarom in het kader van onderhavige ontwikkeling getypeerd als gemengd gebied en de richtafstanden mogen met één stap worden verlaagd. Adres
Bestemming
Milieucategorie
Richtafstand tot
Afstand tot plangebied
Valkenbergstraat 23
Maatschappelijk
1/2
10 meter
40 meter
Kapelstraat 48-50
Horeca
2
10 meter
circa 45 meter
Kapelstraat 42-44
Gemengd
1
10 meter
circa 50 meter
Kapelstraat 49 (en
Bedrijf
2
10 meter
Aangrenzend
gemengd gebied
Bernard van Damstraat 29) Tabel 4.2: Milieubelastende functies/bestemmingen in de omgeving van het plangebied
Voor de meeste omliggende bedrijven en voorzieningen ligt het plangebied op voldoende afstand. Het bedrijf Kapelstraat 49 en Bernard van Damstraat 29 grenst aan het plangebied. De nieuwe geluidgevoelige functies worden echter op minstens 30 meter vanaf het bedrijfsperceel opgericht. Aangrenzend aan het bedrijfsperceel komt de bestemming ‘Groen’. Bovendien is er in het vigerende bestemmingsplan een maatschappelijke bestemming mogelijk en ligt dit bouwvlak op nog geen meter van het plangebied. Dit bouwvlak wordt met onderhavig bestemmingsplan gewijzigd en komt op grotere afstand van het bedrijf te liggen. Onderhavige ontwikkeling vormt geen extra of nieuwe belemmering voor het bedrijf. Bovendien zijn er op kortere afstand, aangrenzend aan het bedrijfsperceel reeds burgerwoningen toegestaan, die al een beperkende werking hebben op het bedrijf, waardoor onderhavige ontwikkeling niet zal leiden tot meer belemmeringen. Met onderhavige ontwikkeling wordt een basisschool gerealiseerd binnen het plangebied. Een basisschool kan invloed hebben op nieuwe en bestaande omliggende gevoelige functies (woningen). De richtafstand voor een basisschool bedraagt 30 meter in een rustige woonwijk en 10 meter in een gemengd gebied. De omgeving van het plangebied wordt in het kader van de bestaande woningen aangemerkt als een rustige woonwijk.
Voor zowel de nieuwe appartementen als de bestaande woningen wordt er niet aan de richtafstanden voldaan. Om deze reden is een nader onderzoek industrielawaai uitgevoerd door de Roever Omgevingsadvies. In deze toelichting worden de belangrijkste maatregelen beschreven, voor de volledige rapportage wordt verwezen naar de bijlagen. Daarnaast is nader onderbouwd en geborgd hoe met hinder tussen functies binnen het gebouwencomplex (onder andere kapel en woningen in de kerk) wordt omgegaan.
Hoofdstuk 4
36
Bij de basisschool inclusief kinderdagverblijf en peuterspeelzaal vormen kinderen op de speelplaats, installaties op het dak en personenwagens (personeel en halen & brengen kinderen) de voornaamste geluidbronnen. Getoetst is of sprake is van een aanvaardbaar woon- en leefklimaat en of de gewenste ontwikkeling inpasbaar is in de omgeving. Ter plaatse van alle bestaande woningen/appartementen in de omgeving wordt voldaan aan de richtwaarde van 45 dB(A) etmaalwaarde uit stap 2 van de Handreiking Bedrijven en milieuzonering. Ter plaatse van de bestaande woningen/appartementen is sprake van een aanvaardbaar woon- en leefklimaat. Ter plaatse van 11 beoordelingspunten (nieuwbouw) wordt niet voldaan aan de richtwaarde van 50 dB(A) etmaalwaarde uit stap 2 van de Handreiking Bedrijven en milieuzonering. Het gaat in totaal om 10 appartementen. Ter plaatse van 8 beoordelingspunten wordt eveneens niet voldaan aan de richtwaarde van 55 dB(A) etmaalwaarde uit stap 3 van de Handreiking Bedrijven en milieuzonering. Het gaat in totaal om 7 appartementen die direct grenzen aan een van de speelterreinen of de appartementen die direct boven een van de speelterreinen zijn gesitueerd. De overschrijdingen worden veroorzaakt door het stemgeluid afkomstig van spelende kinderen op (een van) de speelterreinen.
Langtijdgemiddeld beoordelingsniveau en maximaal geluidniveau Uit het onderzoek blijkt dus dat ter plaatse van een aantal gewenste appartementen niet per definitie sprake is van een aanvaardbaar woon- en leefklimaat (geluid afkomstig van de basisschool). Er wordt immers niet altijd aan de richtwaarden voldaan. In de rapportage is ingegaan op welke maatregelen benodigd zijn om binnen in de gewenste appartementen alsnog een aanvaardbaar woon- en leefklimaat te kunnen garanderen. De cumulatieve geluidbelasting bedraagt maximaal 65 dB(A). De minimaal benodigde karakteristieke geluidwering van de gevels bedraagt dan 65 – 33 = 32 dB. Een dergelijke geluidwering is in het kader van nieuwbouw haalbaar. Temeer omdat is aangegeven dat er een gebalanceerd ventilatiesysteem gerealiseerd zal worden zodat normale ventilatie kan zonder te openen delen. Spui zal altijd via gevel of dak kunnen plaatsvinden. In een later stadium zal door middel van een nader gevelonderzoek moeten blijken of een aanvaardbaar binnen niveau haalbaar is binnen alle appartementen. Activiteitenbesluit Ter plaatse van alle beoordelingspunten wordt (ruimschoots) aan de grenswaarde van 50 dB(A) etmaalwaarde uit het Activiteitenbesluit voldaan. De hoogst berekende waarde bedraagt 47 dB(A). Geconcludeerd kan worden dat de gewenste basisschool en de gewenste appartementen inpasbaar zijn in de omgeving.
Indirecte hinder In het kader van indirecte hinder wordt aan de richtwaarde voldaan. Indirecte hinder vormt geen belemmering voor het gewenste plan. Er is sprake van een aanvaardbaar woon- en leefklimaat ter plaatse van de gewenste en bestaande woningen/appartementen. Nadere borging en onderbouwing inpandige functiemening Voor de nieuwe appartementen die de invulling gaan geven binnen het voormalig kerkgebouw en nieuwbouw wordt uitgegaan van een gebied/gebouw met functiemenging. Binnen het planconcept is namelijk menging van functies is het uitgangspunt. Het plangebied zelf / gebouwencomplex moet daarom beschouwd worden als een gebied met functiemening volgens VNG. De toelaatbaarheid van
Hoofdstuk 4
37
milieubelastende functies in gebieden met functiemenging wordt beoordeeld aan de hand van de volgende drie ruimtelijk relevante milieucategorieën: - categorie A: activiteiten die zodanig weinig milieubelastend voor hun omgeving zijn, dat deze aanpandig aan woningen kunnen worden uitgevoerd. De eisen uit het bouwbesluit voor scheiding tussen wonen en bedrijven zijn daarbij toereikend. - categorie B: activiteiten die in een gemengd gebied kunnen worden uitgeoefend, echter met een zodanige milieubelasting voor hun omgeving dat zij bouwkundig afgescheiden van woningen en andere gevoelige functies dienen plaats te vinden; - categorie C: de activiteiten zoals genoemd onder B, waarbij door de relatief grote verkeersaantrekkende werking een ontsluiting op de hoofdinfrastructuur is aangewezen. Scholen en religieuze gebouwen behoren beide tot bovengenoemde categorie B. Het betreffen dus activiteiten die in een gemengd gebied kunnen worden uitgeoefend naast, boven of onder woningen wanneer deze bouwkundig afgescheiden van woningen en andere gevoelige functies plaatsvinden. In basis zal het Bouwbesluit zorgen voor voldoende geluidwering tussen de kapel, school en woningen.
Om dit planologisch nader te borgen, is er een voorwaardelijke verplichting opgenomen welke er voor zorgdraagt dat woningen en andere geluidgevoelige functies alleen in gebruik mogen worden genomen met dien verstande dat deze bouwkundig afgescheiden plaatsvinden van gemengde functies. Onder bouwkundig afgescheiden moet worden verstaan dat de panden los van elkaar dienen te staan of dat er andere bouwkundige voorzieningen getroffen zijn waardoor milieubelasting voorkomen wordt op vergelijkbare wijze als bij bouwkundige afscheiding. Conclusie Uit het akoestisch onderzoek industrielawaai blijkt dat aanvullende gevelmaatregelen moeten worden getroffen om in de nieuwe appartementen een aanvaardbaar woon- en leefklimaat te behalen vanwege de geluidemissie van de school en kinderdagverblijf. Een minimale karakteristieke geluidwering van de uitwendige scheidingsconstructie van ten hoogste 32 dB is nodig. De minimaal benodigde geluidwering van 32 dB is haalbaar zo blijkt uit het geluidrapport. Omdat de benodigde geluidwering niet is geborgd in het Bouwbesluit 2012 zijn aanvullende planregels opgenomen. Bij de aanvraag van een omgevingsvergunning onderdeel bouwen moet door middel van een akoestisch onderzoek naar de geluidwering van de gevel worden aangetoond dat de gevelopbouw voldoet aan de eisen uit de planregels.
4.9 Geurhinder De Wet geurhinder en veehouderij (Wvg) vormt het toetsingskader voor vergunningen op grond van de Wet milieubeheer, waar het gaat om stank veroorzaakt door het houden van dieren. Het aspect geur bestaat uit twee delen, namelijk de voorgrondbelasting en de achtergrondbelasting. Met onderhavig bestemmingsplan worden geurgevoelige objecten mogelijk gemaakt, maar wel op een locatie waar in de huidige situatie ook een geurgevoelig object aanwezig is. Per saldo zullen omliggende veehouderijen niet extra belemmerd worden door onderhavig plan. Indirect heeft de regelgeving zoals opgenomen in de Wgv en het Activiteitenbesluit ook gevolgen voor het realiseren van nieuwe geurgevoelige objecten in de omgeving van veehouderijen. Dit noemen we de 'omgekeerde werking'. Er moet aangetoond worden dat sprake is van een aanvaardbaar woon- en leefklimaat. Bij het beoordelen van het woon- en leefklimaat wordt gekeken naar de achtergrondbelasting. De achtergrondbelasting is de gezamenlijke geurbelasting van alle rond een geurgevoelig object gelegen agrarische bedrijven. In de Verordening ruimte 2014 is opgenomen dat de kans op geurhinder in de bebouwde kom niet hoger mag zijn dan 12% (10 ouE/m³) en in het buitengebied niet hoger
Hoofdstuk 4
38
dan 20% (20 ouE/m³), tenzij er - indien blijkt dat de kans op geurhinder hoger is dan voornoemde percentages - maatregelen worden getroffen door de veehouderij die tot een daling leiden van de achtergrondbelasting, welke ten minste de eigen bijdrage aan de overschrijding van de achtergrondbelasting compenseert. De geurnormen zijn opgenomen om ervoor te zorgen dat er geen nieuwe overbelastingen voor geurhinder ontstaan en om bij te dragen aan een afname van de belasting waar deze cumulatief te hoog is. Door onder voorwaarde van een proportionele bijdrage aan de afname van geurhinder ontwikkelingen toe te staan neemt de overbelasting af. Doorwerking plangebied In de omgeving van het plangebied zijn geen veehouderijen te vinden die een negatieve invloed zouden kunnen hebben op het woon- en leefklimaat. Anderzijds worden er dus ook geen veehouderijen belemmerd door de realisatie van de appartementen. Dit is onder meer terug te zien op figuur 4.3 waarin de geurcontouren en achtergrondbelasting zijn weergegeven. De veehouderijen liggen op ruime afstand van het plangebied en met een achtergrondbelasting van 3-6 ouE/m³ is de achtergrondbelasting relatief laag. Voor reeds bestaande woningen wordt een vergelijkbare geursituatie omschreven als ‘goed’. Derhalve is het aannemelijk dat de geursituatie ter plaatse van het plangebied ‘goed’ is.
Figuur 4.3 Geurcontouren en achtergrondbelasting, plangebied aangegeven met een paarse cirkel (situatie november 2015)
Er is sprake van een acceptabel woon- en leefklimaat en er zijn geen veehouderijen in de omgeving die gehinderd worden door onderhavige ontwikkeling. Op basis hiervan kan geconcludeerd worden dat het aspect ‘geurhinder’ geen belemmering vormt voor onderhavig plan.
Hoofdstuk 4
39
4.10 Akoestiek Wegverkeerslawaai In de Wet geluidhinder (Wgh) is vastgesteld dat, indien in het plangebied geluidgevoelige functies (zoals woningen) zijn voorzien binnen de invloedssfeer van (weg)verkeerslawaai, akoestisch onderzoek uitgevoerd dient te worden bij vaststelling of herziening van het bestemmingsplan. Dit geldt voor alle straten en wegen, met uitzondering van: wegen die in een als ‘woonerf’ aangeduid gebied liggen; wegen waarvoor een maximumsnelheid van 30 km/uur geldt. Doorwerking plangebied Om de voorgenomen ontwikkeling mogelijk te maken is door de Roever Omgevingsadvies een akoestisch onderzoek wegverkeerslawaai uitgevoerd naar de geluidsbelasting afkomstig van het wegverkeer in de omgeving op de te realiseren wooneenheden en leslokalen. In deze toelichting worden de belangrijkste conclusies beschreven, voor de volledige rapportage wordt verwezen naar de bijlagen. Per abuis is er in het Akoestisch onderzoek wegverkeerslawaai met kenmerk 20200985.v01 gerekend met een snelheid van 70 km/u voor de Eerdsebaan. In werkelijkheid kent deze weg echter een snelheid van 80 km/u, derhalve zijn er nieuwe berekeningen uitgevoerd. Deze zijn als ambtshalve wijziging als bijlage bij het akoestisch onderzoek gevoegd en als bijlage 11b opgenomen bij deze toelichting. De rekenresultaten met de Eerdsebaan 80 km/u hebben niet geleid tot afwijkende conclusies.
Hogere waarden Het volgen van een hogere waarde procedure is niet aan de orde. De berekende waarden liggen onder de voorkeursgrenswaarde van 48 dB vanwege de Eerdsebaan N622. Bouwbesluit en woon- en leefklimaat Benodigde gevelwering (wegverkeerslawaai) De gecumuleerde geluidbelasting bedraagt ten hoogste 50 dB. De vereiste karakteristieke geluidwering Ga;k bedraagt dan maximaal 50 – 33 = 17 dB. In het kader van nieuwbouw volstaat de standaard gevelwering (20 dB) uit het Bouwbesluit. Voor de bestaande bebouwing is de verwachting dat aan een gevelwering van 17 dB zal worden voldaan. Naar verwachting is nader onderzoek niet noodzakelijk en zal ook voor de bestaande bebouwing aan een gevelwering van 17 dB kunnen worden voldaan. Woon- en leefklimaat De milieukwaliteit wordt geclassificeerd als ‘zeer goed’ tot ‘goed’. Het woon- en verblijfsklimaat (wegverkeer) ter plaatse van de appartementen en leslokalen wordt als acceptabel aangemerkt. Het aspect akoestiek wegverkeerslawaai vormt geen belemmering voor onderhavig planvoornemen.
4.11 Luchtkwaliteit De hoofdlijnen voor regelgeving rondom luchtkwaliteitseisen staan beschreven in de Wet milieubeheer (hoofdstuk 5 Wm). Bij de start van nieuwe bouwprojecten moet onderzocht worden of het effect van een nieuw initiatief relevant is voor de luchtkwaliteit. Een nieuw initiatief is niet relevant als aannemelijk kan worden gemaakt dat de luchtkwaliteit “niet in betekenende mate” aangetast wordt. Daartoe is een algemene maatregel van bestuur ‘Niet in betekenende mate’ (Besluit NIBM) en een ministeriële regeling NIBM (Regeling NIBM) vastgesteld waarin de uitvoeringsregels vastgelegd zijn die betrekking hebben op het begrip NIBM.
Hoofdstuk 4
40
In de Regeling NIBM is een lijst met categorieën van gevallen (inrichtingen, kantoor- en woningbouwlocaties) opgenomen die niet in betekende mate bijdragen aan de luchtverontreiniging. Deze gevallen kunnen zonder toetsing aan de grenswaarden voor het aspect luchtkwaliteit uitgevoerd worden. Ook als het bevoegd gezag op een andere wijze, bijvoorbeeld door berekeningen, aannemelijk kan maken dat het geplande project NIBM bijdraagt, kan toetsing van de luchtkwaliteit achterwege blijven. Doorwerking plangebied De in dit bestemmingsplan opgenomen ontwikkeling valt onder de in de regeling NIBM opgenomen lijst met categorieën van gevallen (de realisatie van 1.500 woningen). De herbestemming van de kerk, de nieuwbouw voor een bestaande school en het realiseren van nieuwe appartementen voorziet daarbij in een toename in het aantal verkeersbewegingen. Om te bepalen of de ontwikkeling invloed heeft op de omgeving is de NIBM-tool ingevuld, zie tabel 4.3. In paragraaf 4.16 is de verkeersgeneratie berekend op basis van het beoogde programma. In totaal bedraagt de extra verkeersgeneratie voor 16 appartementen, een kinderdagverblijf en 5 klaslokalen van een basisschool afgerond 278 motorvoertuigen per etmaal. Deze verkeersgeneratie is ingevoerd in de NIBM-tool. Uit de NIBM-tool volgt dat de bijdrage van het extra verkeer niet in betekend mate van invloed is op de omgeving.
Dat betekent, dat een luchtkwaliteitsonderzoek niet noodzakelijk is.
Tabel 4.3: NIBM-tool
Wel moet aangetoond worden dat sprake is van een goed woon- en leefklimaat. Dit kan bepaald worden met behulp van achtergrondwaarden die achterhaald kunnen worden met behulp van de NSL-monitoringstool. In onderstaande tabel (tabel 4.4) zijn de achtergrondwaarden ter plaatse van de dichtstbijzijnde meetpunten weergegeven. Geconcludeerd wordt dat de achtergrondwaarden ruim onder de norm liggen en sprake is van een goed woon- en leefklimaat in het kader van de luchtkwaliteit De ontwikkeling is niet in betekende mate van invloed is op de omgeving. Er is sprake van een goed woon- en leefklimaat. Het aspect luchtkwaliteit vormt geen belemmering voor de voorgenomen ontwikkeling. Meetpunt
NO2 μg/m3
PM10 μg/m3
PM10 overschrijdingsdagen
PM2.5 μg/m3
Jaar
15860538
19.8
18.4
6.5
11.1
2020
15860520
20.0
18.5
6.5
11.1
2020
15860540
19.8
18.4
6.5
11.1
2020
15860526
20.0
18.5
6.5
11.1
2020
15860542
19.6
18.7
6.7
11.4
2020
15860539
19.7
18.4
6.5
11.1
2020
Norm
40
40
35
25
Tabel 4.4: Achtergrondwaarden (Bron: NSL-monitoringstool)
Hoofdstuk 4
41
4.12 Externe veiligheid Het beleid voor externe veiligheid is gericht op het beperken en beheersen van risico’s voor de omgeving vanwege handelingen met gevaarlijke stoffen. De handelingen kunnen zowel betrekking hebben op het gebruik, de opslag en de productie, als op het transport van gevaarlijke stoffen. Uit het Besluit externe veiligheid inrichtingen (Bevi), het Besluit externe veiligheid buisleidingen (Bevb) en het Besluit externe veiligheid transportroutes (Bevt) vloeit de verplichting voort om in ruimtelijke plannen in te gaan op de risico’s in het plangebied ten gevolge van handelingen met gevaarlijke stoffen. De risico’s dienen te worden beoordeeld op twee maatstaven, te weten het plaatsgebonden risico en het groepsrisico. Plaatsgebonden risico Het plaatsgebonden risico beschrijft de kans per jaar dat een onbeschermd individu komt te overlijden door een ongeval met gevaarlijke stoffen. Het plaatsgebonden risico wordt uitgedrukt in risicocontouren rondom de risicobron (bedrijf, weg, spoorlijn etc.). Groepsrisico Het groepsrisico beschrijft de kans dat een groep van 10 of meer personen gelijktijdig komt te overlijden ten gevolge van een ongeval met gevaarlijke stoffen. Het groepsrisico geeft een indicatie van de maatschappelijke ontwrichting in geval van een ramp.
Het groepsrisico wordt uitgedrukt in een grafiek, waarin de kans op overlijden van een bepaalde groep (bijvoorbeeld 10, 100 of 1000 personen) wordt afgezet tegen de kans daarop. Voor het groepsrisico geldt de oriëntatiewaarde als ijkpunt in de verantwoording (géén norm). Voor elke verandering van het groepsrisico (af- of toename) in het invloedsgebied moet verantwoording worden afgelegd, over de wijze waarop de toelaatbaarheid van deze verandering in de besluitvorming is betrokken. Samen met de hoogte van het groepsrisico moeten andere kwalitatieve aspecten worden meegewogen in de beoordeling van het groepsrisico. Onder deze aspecten vallen zelfredzaamheid en bestrijdbaarheid. (Beperkt) kwetsbare objecten Er moet getoetst worden aan het Bevi en de richtlijnen voor vervoer gevaarlijke stoffen wanneer bij een ontwikkeling (beperkt) kwetsbare objecten worden toegestaan. (Beperkt) kwetsbare objecten zijn o.a. woningen, scholen, ziekenhuizen, hotels, restaurants2. Risicovolle activiteiten In het kader van het plan moet bekeken worden of er in of in de nabijheid van het plan sprake is van risicovolle activiteiten (zoals Bevi-bedrijven, BRZO-bedrijven en transportroutes) of dat risicovolle activiteiten worden toegestaan. Overige wet- en regelgeving Tot slot moet in het kader van een 'goede ruimtelijke ordening' (art.
3.1 Wro) ook getoetst aan eventueel van toepassing zijnde veiligheidsafstanden uit bijvoorbeeld het Activiteitenbesluit, effectafstanden uit de 'Circulaire effectafstanden LPG-tankstations', etc. Doorwerking plangebied Met behulp van de nationale risicokaart is gekeken, welke risicobronnen in de nabijheid van het plangebied zijn gelegen. Een uitsnede van de risicokaart met het plangebied is weergegeven in figuur 4.1. 2
Zoals bedoeld in artikel 1 van het Besluit externe veiligheid inrichtingen.
Hoofdstuk 4
42
Figuur 4.1: uitsnede Risicokaart (plangebied blauw omcirkeld)
Risicovolle inrichtingen Op minstens 150 meter ten noordwesten van het plangebied is een risicovolle inrichting gelegen, namelijk Ploegmakers Diepvriesgroenten. Er is een vriesinstallatie (ammoniak 2,51 ton, cilinder, binnen) aanwezig. Er is geen PR 10-6 aanwezig. De voorgenomen ontwikkeling wordt niet belemmerd door deze inrichting. Risicovolle buisleidingen Aardgasleiding A-521 Op circa 415 meter is de aardgasleiding A-521 van de Gasunie gelegen. De 100%-letaliteitsgrens voor deze leiding is gelegen op 180 meter. De 1%-letaliteitsgrens op 430 meter. Hiermee valt het plangebied deels binnen de 1%-letaliteitsafstand. Onderzocht is of de buisleiding een belemmering vormt voor het plangebied en de ontwikkelingen. Tevens is bepaald welke effecten het plan heeft op de hoogte van het groepsrisico van de betreffende buisleiding. De berekeningen hebben overeenkomstig de voorschriften plaatsgevonden met het rekenprogramma CAROLA. In de bijlage is de rapportage met de CAROLA-berekening opgenomen, in deze toelichting volgen de belangrijkste conclusies. Het plangebied is deels binnen de 1%-letaliteitsafstand voor externe veiligheid van de buisleiding gelegen, derhalve dient de invloed van het plan op de hoogte van het groepsrisico voor de buisleiding te worden bepaald.
Uit de berekening blijkt dat voor de genoemde buisleiding geen 10 -6-risicocontour wordt berekend ter hoogte van het plangebied. Het plangebied is derhalve niet gelegen binnen een plaatsgebonden 10-6-risicocontour van buisleiding. Omdat het plangebied wel deels is gelegen binnen de 1%-letaliteitsafstand van de buisleiding, is met behulp van het programma CAROLA de hoogte van het groepsrisico inzichtelijk gemaakt.
Hoofdstuk 4
43
Voor de buisleiding is de hoogte van het groepsrisico zowel voor als na de planrealisatie berekend. Uit deze berekeningen blijkt dat in de huidige situatie de oriëntatiewaarde als gevolg van de buisleiding A521-deel-1 niet wordt overschreden, maar wel hoger is dan 0,1 maal de oriëntatiewaarde. De planrealisatie leidt niet tot een rekenkundige toename van de hoogte van het groepsrisico voor de buisleiding A-521-deel-1. In artikel 12 lid 3 van het Besluit externe veiligheid buisleidingen juncto artikel 8 van de Regeling externe veiligheid buisleidingen is opgenomen wanneer sprake is van het verantwoorden van het groepsrisico. In onderhavige situatie kan volstaan worden met een beperkte verantwoording voor de buisleiding. Beperkte verantwoording groepsrisico Het maatgevend scenario voor een aardgasleiding is een fakkelbrand. De kans op een fakkelbrand is zeer klein en alleen voorstelbaar als het gevolg van graafschade. Een fakkelbrand gaat gepaard met zeer hoge hittestraling. Zelfredzaamheid De woningen worden niet door verminderd of niet-zelfredzame personen bewoond. Het toekomstige bestemmingsplan behelst naast het realiseren van nieuwe appartementen ook de nieuwbouw van een bestaande school en kinderopvang. Dit zijn kwetsbare objecten en kinderen worden gezien als verminderd zelfredzame personen. In het scenario van een fakkelbrand is vluchten het beste handelingsperspectief.
Er dient dan richting het oosten gevlucht te worden, aangezien de gasleiding ten westen van het plangebied is gelegen. Bij een fakkelbrand is het gevaar onmiddellijk goed waarneembaar. De zelfredzaamheid is redelijk goed. Bestrijdbaarheid Een fakkelbrand is niet te bestrijden door de zeer hoge hittestraling, het vuur dooft na het afsluiten van de gastoevoer. De mogelijkheden van de brandweer om op te treden zijn niet groot, en kan alleen op grote afstand. De bestrijdbaarheid van een fakkelbrand is daarom laag. De bestemmingswijziging leidt niet tot veranderingen ten aanzien van de zelfredzaamheid en bestrijdbaarheid. De personendichtheid in landelijke kerngebieden is veelal laag de nieuwe woningen leiden tot een marginale toename van het groepsrisico. De nieuwbouw voor een bestaande school leidt niet tot een toename van het groepsrisico. Tevens kunnen in een ongeval met een buisleiding de woningen en de basisschool en kinderopvang snel en eenvoudig worden geëvacueerd. De nieuwe bewoners worden geïnformeerd over de aanwezige risico’s. Uit het oogpunt van ruimtelijke ordening bestaan er geen belemmeringen met betrekking tot het groepsrisico. Risicovolle transportroutes A50 Eindhoven - Oss Op circa 860 meter ten oosten van het plangebied bevindt zich de A50. Deze weg maakt onderdeel uit van het Basisnet vervoer gevaarlijke stoffen.
De weg kent geen PR 10-6-contour of plasbrandaandachtsgebied. Het invloedsgebied van 880 meter reikt echter wel over het plangebied. De beoogde ontwikkeling ligt binnen het invloedsgebied van de autosnelweg A50. Op circa 750 meter ten oosten van het plangebied ligt de A50. Deze weg maakt onderdeel uit van het Basisnet vervoer gevaarlijke stoffen. De weg kent geen PR 10-6-contour of plasbrandaandachtsgebied. Over de A50 worden verschillende gevaarlijke stoffen vervoerd, waaronder, GF3, LF1, LF2 en LT2. LT2 heeft een invloedsgebied van 880 meter. Omdat het plangebied niet binnen 200 meter van de transportroute wordt gerealiseerd, kan worden volstaan met een beperkte verantwoording van het
Hoofdstuk 4
44
groepsrisico voor het scenario toxische wolk. De ODBN heeft in samenwerking met de Veiligheidsregio een standaard verantwoording (beperkt) toxisch opgesteld. Standaard beperkte verantwoording groepsrisico (beperkt) toxisch Vanwege de ligging van de planlocatie in het invloedsgebied van een risicobron waarvan een toxische wolk het maatgevende scenario is, dient een beperkte verantwoording van het groepsrisico plaats te vinden. Hierbij is de Veiligheidsregio om advies gevraagd. Het advies is verwerkt in de verantwoording. Het relevante scenario voor het plangebied i.r.t. het transport van gevaarlijke stoffen is het overdrijven van een toxische wolk. Door bijvoorbeeld een incident tijdens de verlading of door een mechanische impact op de tank ontstaat een gat waardoor in korte tijd een groot deel van de toxische stof vrijkomt en met de wind mee wordt verspreidt. De kans op een dergelijk ongeval is bijzonder klein. De gevolgen voor personen zijn afhankelijk van de concentratie en blootstellingstijd aan de stof. Mogelijkheden tot bestrijdbaarheid van een calamiteit Bij het scenario toxische wolk zal de brandweer proberen de toxische wolk neer te slaan. Bij een snelle verspreiding van de toxische wolk zal dit echter beperkt effect hebben. De bestrijdbaarheid wordt om deze reden als matig beoordeeld.