CConstaterende datMeierijstad
Koppel je AI →
Document · PDF

BOPA-ETFAL Rooiseweg 8 Schijndel

Raadsvergadering 11 december 2025, gemeente MeierijstadBij agendapunt: Afgifte positief advies voor voornemen tot verlening omgevingsvergunning voor woningbouwontwikkeling ter plaatse van Rooiseweg 8 in Schijndel25.362 woorden

Open het PDF bij de gemeente ↗Naar de vergadering →

Tekst van het document

Uit het bestand gehaald, zonder opmaak, tabellen en afbeeldingen · deel 3 van 4

Voor de meeste stoffen geldt dat de interventiewaarde is gebaseerd op ecologisch risico’s en niet op risico’s voor de mens (de ecologie is veelal gevoeliger dan de mens, dus als de ecologie beschermd is, is de mens dat ook). Lood vormt hierop een uitzondering, daarvoor geldt dat er ook onder de interventiewaarde sprake is van gezondheidsrisico’s. De gezondheidskundige advieswaarden liggen lager. Bewoners kunnen op verschillende manieren met een bodemverontreiniging in contact komen. De belangrijkste opnameroutes zijn: • Inslikken van gronddeeltjes, • het eten van op verontreinigde bodem geteelde gewassen, • het inademen van verontreinigde binnenlucht doordat vluchtige stoffen vanuit de bodem (grond en grondwater) in een pand uitdampen. Bij uitdamping in de buitenlucht verdunnen de stoffen zeer snel en treedt in het algemeen geen relevante blootstelling op. Elektromagnetische velden (straling) Elektromagnetische velden (in de volksmond ‘straling’) is overal om ons heen. Denk aan communicatiesignalen van radio en telefonie, het zichtbare licht, UV-straling, enzovoorts. Er zijn veel verschillende type straling, elk met een ander type (gezondheids)effect. We beschrijven op dit portaal alleen de adviezen over elektromagnetische velden als bijproduct van stroomtransport (hoogspanningslijnen, transformatorhuisjes, enzovoorts), omdat deze

65

voor vraagstukken over een gezonde inrichting van de leefomgeving het meest relevant zijn (afstandsadviezen uit voorzorg). Gezondheidsvragen of -zorgen van burgers over straling kunnen echter ook gaan over andere bronnen, zoals zendmasten; betrek dan de informatie en adviezen op GGD leefomgeving (informatie voor burgers) en het Kennisplatform Elektromagnetische Velden (diepgaandere informatie). Klimaat, groen & water Het klimaat verandert over de hele wereld. Dit kan overlast van hitte, zware regenval en droge periodes veroorzaken en heeft impact op de leefomgeving en op de gezondheid van de inwoners. Hogere gemiddelde temperaturen leiden tot een langer en heviger pollenseizoen. Daardoor zullen meer mensen (langer) te maken krijgen met hooikoorts en daarmee samenhangend ziekteverzuim. Daarnaast leiden nattere winters tot meer huisstofmijt en schimmels in woningen, wat de kans op allergieën vergroot. Mensen zijn tijdens warme dagen meer buiten en daarmee neemt de blootstelling aan Uv-straling toe. Uvstraling vergroot het risico op huidkanker en staar. Hitte kan ook leiden tot (tijdelijke) gezondheidsklachten. Door klimaatverandering kunnen veranderingen optreden bij diverse soorten planten en dieren. Dat heeft ook gevolgen voor de risico’s op infectieziekten. Dit zijn vooral infectieziekten die worden overgedragen via dieren (o.a. muggen), of via (besmet) water.

Tijdens een warme periode kan de waterkwaliteit van oppervlaktewater en recreatiewater verslechteren. Ook contact met water dat langer op straat staat door extreme regen levert gezondheidsrisico’s op. Groen en water in de leefomgeving hebben een positief effect op het klimaat. Het aanleggen van voorzieningen voor tijdelijke waterberging en groene daken kunnen wateroverlast en verdroging voorkomen. Meer groen draagt in perioden van extreme hitte bij aan minder hitteoverlast in steden, door onder andere het verkoelende effect en schaduwvorming. Daarnaast wordt water (soms opnieuw) in steden geïntegreerd om het hitte-eilandeffect te reduceren en verkoeling te bewerkstelligen. Is er sprake van een hitte-eiland? De Klimaateffect-atlas geeft inzicht hierin, aangevuld met klimaatgerelateerde risico’s zoals wateroverlast, droogte en overstromingen. Naast een positief effect op het klimaat hebben groen en water in de leefomgeving ook een positief effect op gezondheid. Een groene leefomgeving is goed voor: de sociaalemotionele ontwikkeling van kinderen, minder overgewicht bij kinderen en volwassenen, mentale gezondheid en welzijn, hart- en vaatziekten bij oudere volwassenen. Verder zorgt een groene leefomgeving voor: verbeterde luchtkwaliteit, verminderde hittestress, verbeterd

66

functioneren van het immuunsysteem, verminderde chronische mentale stress, stimulatie lichamelijke activiteit, faciliteren positieve sociale contacten. Biodiversiteit Naast dat de leefomgeving groen is, is het ook belangrijk om de omgeving biodivers in te richten. Biodiversiteit kan een positief effect hebben op gezondheid. Een biodiverse leefomgeving kan luchtverontreiniging, hitte en geluidsoverlast verminderen door bijvoorbeeld het creëren van schaduwplekken en het afvangen van geluid. Een aandachtspunt bij het inrichten van omgevingen is het voorkomen van blootstelling aan infectieziekten en allergenen, want die veroorzaken juist gezondheidseffecten. Biodiversiteit zorgt ervoor dat de natuur tegen een stootje kan en zich kan aanpassen aan bijvoorbeeld klimaatverandering. Voorlopige conclusie Onderhavig planvoornemen betreft de oprichting van woningen in een kernrandzone van Schijndel. Uiteraard zijn er altijd functies in de directe omgeving die de gezondheid van bewoners mogelijk kunnen schaden. Voor onderhavig initiatief is bij inrichting en oprichting van de woningen al rekening gehouden met mogelijk hinder uit de omgeving en het toepassen van duurzame oplossing om een veilig leefklimaat te garanderen. Hoofdstuk 2 van deze ruimtelijke motivering geeft hierop een toelichting.

Om een volledig beeld te schetsen, zijn voor het planvoornemen diverse onderzoeken uitgevoerd om vast te stellen of er hinder is vanuit de planlocatie of de directe omgeving van de planlocatie. In navolgende paragrafen zijn de toetsingskaders, resultaten van quickscans, resultaten van nadere onderzoeken, inclusief eventuele maatregelen opgenomen. Volledige rapportages van de onderzoeken zijn als bijlagen toegevoegd. 5.2 M.e.r.-beoordeling Toetsingskader In artikel 16.34, tweede lid van de Omgevingswet is aangegeven dat onder een plan of programma, als bedoeld in artikel 2, onder a, van de Strategische milieubeoordeling-richtlijn (SMB-richtlijn 2001/42/EG, in ieder geval wordt verstaan een omgevingsvisie, een programma, een omgevingsplan en een voorkeursbeslissing. Het bevoegd gezag zal per specifiek geval na moeten gaan of er sprake is van een plan of programma in de zin van de SMB-richtlijn. Een m.e.r.-beoordeling is een toets van het bevoegd gezag om te beoordelen of bij een project belangrijke nadelige milieugevolgen kunnen optreden. Wanneer uit de toets blijkt dat

67

er belangrijke nadelige milieugevolgen kunnen optreden moet er een m.e.r.-procedure worden doorlopen. Met andere woorden dan is het opstellen van een m.e.r. nodig. Doorwerking plan(locatie) Woningbouw valt in beginsel onder categorie J11 uit bijlage V bij het Omgevingsbesluit: “Stedelijk ontwikkelingsproject met inbegrip van de bouw van winkelcentra en de aanleg van parkeerterreinen”. Hierbij is in kolom 4 het omgevingsplan genoemd als wettelijk besluit. Dit kan ook worden gelezen als het besluit over een omgevingsvergunning voor een buitenplanse omgevingsplanactiviteit (bopa). Volledigheidshalve is een vormvrije m.e.r.beoordelingsnotitie opgesteld die als bijlage 11 is toegevoegd. Conclusie Het opstellen van een m.e.r. is niet noodzakelijk. 5.3 Archeologie en cultuurhistorie Toetsingskader Belangrijk bij de afweging of er gebouwd kan worden is het nagaan of in of rondom de planlocatie belangrijke archeologische en, cultuurhistorische waarden aanwezig zijn. Het voorkomen van deze waarden wil niet per definitie zeggen dat er ter plaatse niet gebouwd kan worden, maar geeft aan dat zorgvuldig omgaan met deze waarden vereist is. In het Besluit kwaliteit leefomgeving (Bkl) ten aanzien van de bescherming een aantal beginselen geformuleerd (art. 5.130 Bkl).

Deze beginselen richten zich op de omgang met monumenten die op grond van het omgevingsplan zijn beschermd, archeologische monumenten, (voorbeschermde) rijksmonumenten, beschermde stads- en dorpsgezichten en beschermde cultuurlandschappen. Daarnaast zijn in afdeling 8.8 van het Bkl regels gesteld voor de beoordeling van rijksmonumentenactiviteit en het verplaatsen van gebouwde monumenten. Het gemeentelijk beleid over archeologie en cultuurhistorie is vooruitlopend op de Omgevingswet opgenomen op de archeologische beleidskaart en de cultuurhistorische waardenkaart. Deze archeologische waarden en verwachtingen en de cultuurhistorische waarden zijn veelal doorvertaald in respectievelijk archeologische dubbelbestemmingen en cultuurhistorische dubbelbestemmingen opgenomen in het (tijdelijk) omgevingsplan of activiteitgericht in het gemeentebrede omgevingsplan. Indien het initiatief in deze (werkings)gebieden is gelegen, wordt hieraan getoetst.

68

Doel van het archeologische onderzoek is het waar nodig beschermen van archeologische waarden en het streven naar behoud van de waarden in de bodem (in situ). De essentie van het archeologische onderzoek is het verkrijgen van gegevens over de archeologische resten in de bodem teneinde in een vroeg stadium een goede afweging te kunnen maken van alle bij een ruimtelijk besluit betrokken belangen. De archeologische uitgangspunten zijn de volgende: • archeologische waarden zoveel mogelijk in de bodem bewaren en alleen opgraven als behoud in de bodem (in situ) niet mogelijk is; • de initiatiefnemer van een ruimtelijke ontwikkeling moet in een vroegtijdig stadium aangeven hoe met eventuele archeologische waarden bij bodemverstorende ingrepen zal worden omgegaan. Dit houdt in een verplichting tot vooronderzoek bij werkzaamheden die de grond gaan verstoren; • bodemverstoorders betalen archeologisch onderzoek en mogelijke opgravingen. De kosten voor noodzakelijke archeologische werkzaamheden komen ten laste van de initiatiefnemer. In de toelichting van de ruimtelijke motivering dient een beschrijving te worden opgenomen hoe met de in het gebied aanwezige cultuurhistorische waarden en in de grond aanwezige of te verwachten monumenten rekening is gehouden. De opsteller van de ruimtelijke motivering is daarmee dus verplicht om breder te kijken dan alleen naar het facet archeologie.

Ook de facetten historische (steden)bouwkunde en historische geografie dienen te worden meegenomen in de belangenafweging. Hierbij gaat het om zowel beschermde als niet formeel beschermde objecten en structuren. Bij de afweging of een ruimtelijke ontwikkeling mogelijk is, dient nagegaan te worden of er binnen of rondom de planlocatie cultuurhistorische waarden aanwezig zijn. Het eventueel aanwezig zijn van deze waarden wil niet per definitie zeggen dat een bepaalde ruimtelijke ontwikkeling niet realiseerbaar is, maar geeft wel aan dat zorgvuldig omgaan met deze waarden vereist is. Doorwerking plan(locatie) Door Bureau voor Archeologie is een bureau- en een verkennend booronderzoek uitgevoerd. De volledige rapportage is als bijlage 4 aan deze motivering toegevoegd. Het advies is hierna vermeld. 5 Advies Bureau voor Archeologie adviseert het plangebied vrij te geven voor de voorgenomen ingrepen.

69

Dit onderzoek is met grote zorgvuldigheid uitgevoerd. Het is echter nooit uit te sluiten dat bij de graafwerkzaamheden toch archeologische resten worden aangetroffen op plaatsen en dieptes waar die niet worden verwacht. Eventuele archeologische resten is men verplicht te melden bij de Minister van OCW in overeenstemming met de Erfgoedwet. In dit geval wordt aangeraden om contact op te nemen met de gemeente Meierijstad. 5.1 Status en inhoudelijke afstemming bevoegde overheid Het rapport is goedgekeurd door het bevoegd gezag. Het bevoegd gezag stemt niet in met het advies. “Reden hiervoor is de concrete verwachting van de aanwezigheid van relicten uit de Tweede Wereldoorlog en de historische betekenis van de gevechtshandelingen rond Operatie Market Garden voor de geschiedenis van Schijndel. […] Op basis van de verwachte aanwezigheid van WO2-resten, waaronder mogelijk NGE, én vanwege de historische relevantie van deze periode voor Schijndel, stelt de gemeente voor om een gecombineerd onderzoek uit te voeren: conventionele explosieven (OCE) met archeologische begeleiding. […] Voor deze archeologische begeleiding dient een Programma van Eisen (PvE) te worden opgesteld en ter beoordeling voorgelegd aan de gemeente Meierijstad.”

Het Selectieadvies archeologische monumentenzorg van de gemeente Meierijstad – zie bijlage 4.1 – luidt als volgt: ‘Het onderzoek is gedegen uitgevoerd en het rapport kan worden goedgekeurd. De gemeente kan zich vinden in de uitkomsten, maar wijkt af van het advies van het Bureau voor Archeologie om het plangebied archeologisch direct vrij te geven voor verdere ontwikkeling. Reden hiervoor is de concrete verwachting van de aanwezigheid van relicten uit de Tweede Wereldoorlog – waaronder mogelijk niet-gesprongen explosieven (NGE) – en de historische betekenis van de gevechtshandelingen rond Operatie Market Garden voor de geschiedenis van Schijndel. Het Vooronderzoek Conventionele Explosieven (VCE) dat Van Boeijen in 2013 uitvoerde voor een nabijgelegen terrein – waarbij het inventarisatiegebied ook het huidige plangebied omvatte – bevat een gedetailleerde beschrijving van de oorlogshandelingen in deze zone. Hieruit blijkt dat het plangebied destijds deel uitmaakte van de frontlinie. Op stafkaarten uit de periode is binnen het terrein een geschutspositie en/of wapendepot aangeduid. In de directe omgeving is bovendien groot aantal explosieven aangetroffen, waaronder geschutmunitie, handgranaten, raketten en klein kaliber munitie.

70

Ook in de geharmoniseerde archeologische beleidskaart van de gemeente Meierijstad (Van Putten et al., 2021) is voor deze locatie een hoge verwachting opgenomen ten aanzien van relicten uit de Tweede Wereldoorlog. Op basis van de verwachte aanwezigheid van WO2-resten, waaronder mogelijk NGE, én vanwege de historische relevantie van deze periode voor Schijndel, stelt de gemeente voor om een gecombineerd onderzoek uit te voeren: conventionele explosieven (OCE) met archeologische begeleiding. Dit houdt in dat eventueel aangetroffen militaria ook als archeologische informatie wordt behandeld en gedocumenteerd in de context van de strijd rond Operatie Market Garden. Voor deze archeologische begeleiding dient een Programma van Eisen (PvE) te worden opgesteld en ter beoordeling voorgelegd aan de gemeente Meierijstad.

Afb. 1 Meldingen (rood & geel) van explosieven in de omgeving van het plangebied. Inventarisatie Plangebied Duin Zuid (Van Boeijen 2013)

71

Afb 2. Uitsnede militaire relictenkaart (Van de Putten et al 2021)’ Naar aanleiding van het Selectieadvies archeologische monumentenzorg van de gemeente Meierijstad heeft initiatiefnemer een historisch vooronderzoek Ontplofbare Oorlogsresten (OO) uitgevoerd. Het advies en de vervolgstappen zijn hierna letterlijk overgenomen. De integrale rapportage is als bijlage 4.2 opgenomen. Het onderzoeksgebied kwalificeert Den Ouden Bodac B.V. op basis van het geanalyseerde feitenmateriaal als ‘verdacht’ op de (mogelijke) aanwezigheid van OO. Daar waar het verdachte gebied en het onderzoeksgebied elkaar overlappen (het opsporingsgebied) adviseren wij de opdrachtgever om het opsporingsproces voort te zetten. Indien alleen grond wordt aangebracht, waarbij geen beroering of afgraving van de bodem plaatsvindt, kan worden overwogen om de bodem voorafgaand aan de (grond)werkzaamheden niet nader te onderzoeken op de aanwezigheid van OO. Bij aan- en afvoer van grond zal echter vaak gebruik worden gemaakt van zware machines. De druk en trilling die door deze machines op de bovengrond wordt uitgeoefend kan mogelijk leiden tot het in werking treden van OO die (net) onder het maaiveld liggen. Het is derhalve aan te bevelen de bodem voorafgaand aan deze werkzaamheden toch te laten onderzoeken op de aanwezigheid van munitieartikelen.

Daar waar enkel graafwerkzaamheden plaatsvinden binnen de contouren van reeds naoorlogs vergraven tracés van bijvoorbeeld rioleringssleuven kan redelijkerwijs worden aangenomen dat OO destijds zijn opgemerkt en weggenomen. Deze aanname is echter geen wetmatigheid. Het is derhalve raadzaam voor aanvang van de voorgenomen werkzaamheden een protocol op te stellen met betrekking tot de handelswijze bij het incidenteel aantreffen van OO uit de Tweede Wereldoorlog. Ook voor gebieden welke als ‘onverdacht’ verklaard zijn kan gebruik worden

72

gemaakt van dit protocol. Den Ouden Bodac B.V. heeft reeds een Protocol Toevalstreffer voor u opgezet (te vinden in Bijlage 7). Verder wordt door Den Ouden Bodac B.V. dringend aanbevolen om, bij start van werkzaamheden, de resultaten van dit onderzoek te delen met het bevoegd gezag. Om de risico’s van de aanwezigheid van OO in relatie tot het toekomstige gebruik c.q. de toekomstige functie van het projectgebied in kaart te brengen kan de opdrachtgever besluiten tot het laten uitvoeren van een Risicoanalyse OO (RA). In de RA worden de risico’s beoordeeld dat OO ongewenst tot uitwerking komen ten gevolge van de geplande grondroerende werkzaamheden en wat de uitwerkingsfactoren daarvan kunnen zijn. Op basis van de risicobeoordeling kan de noodzaak tot het uitvoeren van detectiewerkzaamheden worden bepaald, hetgeen kan leiden tot een beperking van het te detecteren gebied.

Conclusie Vanuit archeologisch en cultuurhistorisch perspectief zijn er – rekening houdend met en gevolg gevend aan de onderzoeksbevindingen – geen belemmeringen voor het planvoornemen. 5.4 Soortenbescherming (ecologie) en gebiedsbescherming (stikstofdepositie) Toetsingskader Soortenbescherming De Wet natuurbescherming (Wnb) gaat op in de Omgevingswet: de Aanvullingswet natuur het Aanvullingsbesluit natuur en de Aanvullingsregeling natuur. Er is sprake van een beleidsneutrale overgang. Het huidige normenkader, de instrumenten en de bevoegdheidsverdeling voor het natuurbeschermingsrecht blijft ongewijzigd. Eerder is in het Decentralisatieakkoord Natuur (PS2011-778) afgesproken dat de wetgever de decentralisatie van rijkstaken in het landelijk gebied naar provincies formaliseert. Met de Wnb geeft het Rijk invulling aan de decentralisatieafspraken uit het Decentralisatieakkoord Natuur en het Natuurpact (PS2013-797). De Wnb is daarmee het sluitstuk van de decentralisatie van het natuurbeleid. Het huidige wettelijke stelsel voor de natuurbescherming, zoals neergelegd in de Natuurbeschermingswet 1998, de Flora- en faunawet en de Boswet, is vervangen door deze wet. Gebiedsbescherming Stikstofdepositie is geregeld in artikel 22.20 van de Omgevingswet. De regels van artikel 5.5a van de Wet natuurbescherming (Wnb) blijven gelden tot een bij koninklijk besluit te bepalen datum.

Hier vindt, vooralsnog, dus geen verandering plaats ten opzichte van

73

oorspronkelijke wet- en regelgeving. Na de -nog te bepalen- datum dient stikstof te worden gemonitord als omgevingswaarde. Doorwerking plan(locatie) Soortenbescherming Ten behoeve van onderhavig planvoornemen is door BRO een quickscan flora en fauna uitgevoerd. De beoogde ruimtelijke ingreep heeft mogelijk een negatief effect op beschermde flora en fauna (soortenbescherming), beschermde natuurgebieden (gebiedsbescherming) en/of beschermde houtopstanden. Ten behoeve van de beoogde ruimtelijke ingreep geldt de wettelijke verplichting onderzoek te verrichten naar de aanwezigheid van beschermde flora en fauna en de mogelijke effecten van de ruimtelijke ingreep daarop. Het doel van dit verkennend onderzoek is om vast te stellen of de geplande ontwikkeling mogelijk effect heeft op de beschermde flora en fauna en op beschermde natuurgebieden. Het onderzoeksrapport is al bijlage 5 aan deze motivering toegevoegd. Navolgend zijn de conclusie en het vervolg zoals opgenomen in het onderzoeksrapport integraal overgenomen. 6.

Conclusie Gelet op de potentiële ecologische waarden kan het voorgenomen plan al leen in overeenstemming met de nationale natuurwetgeving en het provinciale natuurbeleid worden uitgevoerd, mits voorafgaand en tijdens het uit voeren van de werkzaamheden onderstaande in acht wordt genomen: • Een AERIUS-berekening dient de toename van stikstofdepositie op Natura 2000-gebieden door de werkzaamheden te berekenen; • Een NNB effectenanalyse dient te worden uitgevoerd om eventuele negatieve effecten in kaart te brengen en te compenseren; • Het plangebied biedt potentieel leefgebied voor steenuil. Vervolgonderzoek gedurende het juiste seizoen dient uitsluitsel te geven of het plangebied tot het territorium van een steenuil behoort; • Vervolgonderzoek naar kleine marterachtigen dient de aanwezigheid van deze soorten aan te tonen dan wel uit te sluiten; • Ten aanzien van vleermuizen dient licht gericht of uitstralend op opgaand groen te worden vermeden tijdens de bouwfase en in de toe komst; • Met betrekking tot mogelijke verblijfplaatsen van vleermuizen in de boerderij, dient nieuwbouw op minimaal 3 meter afstand te worden gerealiseerd; • Ten aanzien van broedvogels dient, om schadelijke handelingen op voorhand redelijkerwijs te voorkomen, het verwijderen van nestgelegenheid buiten het broedseizoen te worden uitgevoerd, of een controle moet de aanwezigheid van een broedgeval kunnen

uitsluiten; • In het kader van de zorgplicht is het noodzakelijk om voldoende zorg te dragen voor aanwezige individuen. Dit houdt in dat al het redelijker wijs mogelijke gedaan dient te worden om het doden van individuen te voorkomen.

74

6.1 Vervolgtraject en advies 6.1.1 Aerius-berekening AERIUS-berekening Om op voorhand negatieve effecten op Natura-2000 gebieden vanwege stikstofdepositie uit te sluiten kan een AERIUS-berekening uitgevoerd worden. Als uit deze berekeningen blijkt dat bij de aanleg- en gebruiksfase niet meer dan 0,00 mol/ha/j aan depositie plaatsvindt op stikstofgevoelige habitatten, kunnen negatieve effecten uitgesloten worden en is voor het aspect stikstofdepositie geen aparte vergunning benodigd. Als uit de berekening een resultaat komt boven 0,00 dienen vervolgstappen ondernomen te worden. Om een AERIUS-berekening uit te voeren zijn verschillende gegevens nodig voor de aanlegfase en gebruiksfase. Voor de aanlegfase is het van belang dat in beeld wordt gebracht welke (mobiele) werktuigen (hijskraan, graafmachine etc.) er gebruikt gaan worden, want bij de verbranding van fossiele brandstoffen komt stikstof vrij, de totale gebruiksduur van deze werktuigen, het bouwjaar van de werktuigen is en het vermogen (kW). Daarnaast dienen het aantal verwachte verkeersbewegingen in de aanleg fase (vrachtwagens die materiaal aan- en afvoeren, busjes, personen auto’s, enz.) ook meegenomen te worden. Als het gebouw gasgestookt wordt, is informatie nodig over de stikstofemissie die jaarlijks vrijkomt vanwege de verwarming en het overige gas verbruik tijdens de gebruiksfase.

Als het gebouw gasloos is hoeft alleen gekeken te worden naar de verkeersgeneratie. Dat zijn alle vervoersbewegingen die samenhangen met het gebruik van het nieuwe gebouw. Er dient aangegeven te worden of het gaat om lichte voertuigen (personen auto’s en kleine busjes), middelzware vervoersbewegingen (kleine vracht wagens) of zware vervoersbewegingen (grote vrachtwagens). 6.1.2 Soortgericht onderzoek Het plangebied biedt (essentieel) leefgebied en verblijf- en/of rustplaatsen voor de kleine marterachtigen en steenuil. De werkzaamheden betreffen een flora- en fauna-activiteit met schadelijke handeling. Daarom zal middels soortgericht vervolgonderzoek eerst inzichtelijk moeten worden of in de huidige situatie verblijfplaatsen aanwezig zijn van de betreffende soort(groep)en. Vervolgonderzoek naar steenuil loopt het hele jaar, maar is het meeste geschikt van half februari tot half april. Voor de kleine marterachtigen loopt het onderzoek van juni tot half november. Voor het verwijderen van aanwezige verblijfplaatsen dient een omgevingsvergunning te worden aangevraagd bij de betreffende provincie of omgevingsdienst, in dit geval de Omgevingsdienst Brabant-Noord (ODBN).

Een aanvraag dient te worden onderbouwd met een activiteitenplan waar juridische en ecologische aspecten als de specifieke maatregelen en werkzaamheden, de gunstige staat van instandhouding, het wettelijk belang, een alternatievenafweging en de planning in zijn opgenomen. Na het ver krijgen van de vergunning kunnen de werkzaamheden ter plaatse van de aangetroffen verblijfplaats worden uitgevoerd, mits aan alle voorwaarden uit de vergunning wordt

75

voldaan en de gevoelige periodes worden ontzien. De ODBN neemt normaliter binnen 8 weken een besluit over de aanvraag. Indien nodig kan dit termijn met 6 weken worden verlengd.

Aanvullend heeft initiatiefnemer door BRO een Effectenanalyse NNB (Natuur Netwerk Brabant) laten uitvoeren. De volledige rapportage is als bijlage 5.1 aan deze motivering toegevoegd. De resultaten van de berekening en de slotconclusie luiden zoals hieronder is weergegeven. Aantasting van het NNB conform de Interim Omgevingsverordening is redelijkerwijs op voorhand uitgesloten, mits het volgende in acht wordt genomen: Door middel van een verlichtingsplan dient voorkomen te worden dat er extra verlichting uitstraalt op het NNB. Als het lichtplan zodanig wordt aangepast dat een toename van licht gericht en uitschijnend op het NNB wordt voorkomen, zijn negatieve effecten door verlichting niet te verwachten. Veranderen van verlichting kan door de hoogte, locatie, armaturen en kleur te wijzigen. Uitgangspunt is dat de hoeveelheid verlichting op het NNB niet mag toenemen, óf niet meer is dan de sterkte bij volle maan (0,1 lux). Dit dient te worden afgestemd met een ter zaken kundige ecoloog. Bij twijfel dient de situatie berekend te worden.

Naar aanleiding van de quickscan flora en fauna is door Movares een vervolgonderzoek naar steenuil en marter uitgevoerd. De volledige rapportage is als bijlage 5.2 aan deze motivering toegevoegd. De conclusies zijn hierna overgenomen. Binnen het plangebied zijn meerdere waarnemingen van de steenmarter gedaan. Hierdoor moet worden aangenomen dat al het geschikte leefgebied in de omgeving daadwerkelijk leefgebied van de steenmarter betreft. Hierbij behoort ook de aanwezige bebouwing, die mogelijk een verblijfplaats van de steenmarter herbergt. Aantasting van dit leefgebied betreft een vergunningsplichtige activiteit inzake artikel 11.54 van de Bal inzake het vernietigen van een verblijfplaats van de steenmarter. Hiervoor dient een omgevingsvergunning voor een flora- en fauna-activiteit aangevraagd te worden bij het bevoegd gezag, in dit geval de Omgevingsdienst Brabant-Noord (ODBN). Deze dient vergezeld te zijn van een activiteitenplan, waarin conform 8.74l van het Besluit kwaliteiten leefomgeving (Bkl) onder andere staat omschreven hoe de staat van instandhouding wordt geborgd, welke alternatieven overwogen zijn, en onder welk belang de vergunning wordt aangevraagd. Daarnaast dienen de volgende maatregelen in acht te worden genomen: • De kap van het opgaand groen dient buiten het broedseizoen te worden uitgevoerd.

Het broedseizoen loopt globaal van half maart t/m half augustus; • Met betrekking tot de zorgplicht dienen eventueel aangetroffen dieren tijdens de werkzaamheden de kans te krijgen om het plangebied zelfstandig te verlaten. Bij soorten als egel en gewone pad kunnen de dieren met beleid verplaatst worden naar een veilige plek buiten het plangebied.

76

Tabel : Overzicht aanwezigheid beschermde soorten en te nemen type maatregelen

De NB-vergunning separaat aan de BOPA-procedure aangevraagd zal worden. Gebiedsbescherming In voorbereiding op de voorgenomen ontwikkeling is door De Roever Omgevingsadvies een stikstofdepositieonderzoek uitgevoerd. De volledige rapportage is als bijlage 6 aan deze motivering toegevoegd. De resultaten van de berekening en de slotconclusie luiden zoals hieronder is weergegeven. In dit stikstofdepositieonderzoek is voor de aanlegfase en gebruiksfase van de ontwikkeling aan de Rooiseweg 8 in Schijndel de te verwachten stikstofdepositie ter plaatse van de Natura 2000-gebieden berekend. Uit de berekeningen blijkt dat in zowel de aanlegfase als de gebruiksfase de stikstofdepositie op de stikstofgevoelige Natura 2000-gebieden niet hoger is dan 0,00 mol/ha/jaar. Ten aanzien van stikstofdepositie ondervinden stikstofgevoelige habitats binnen Natura 2000-gebieden dus geen negatieve effecten als gevolg van de ontwikkeling. Het project is daarmee in het kader van stikstofdepositie niet aan te merken als een Natura 2000-activiteit.

Conclusie Vanuit het oogpunt van soorten- en gebiedsbescherming zijn er – gevolg gevende aan de onderzoeksbevindingen zoals opgenomen in de uitgevoerde quickscan en het vervolgonderzoek flora en fauna en de Effectenanalyse NNB – geen belemmeringen voor het (bouw)plan. 5.5 Waterparagraaf Toetsingskader Bij de watertoets gaat het om het verantwoorden van de waterhuishoudelijke aspecten bij ruimtelijke plannen en besluiten. Met behulp van de watertoets wordt ernaar gestreefd om

77

het waterhuishoudkundig aspect in combinatie met het ruimtelijke beleid toe te passen op de beoogde planlocatie, waarbij op basis van de voorgenomen ontwikkelingen gezocht is naar een hydrologisch neutrale oplossingsrichting. Artikel 5.37 van het Bkl stelt dat in een omgevingsplan rekening wordt gehouden met de gevolgen voor het beheer van watersystemen. Naast de specifieke regels als gesteld in paragraaf 5.1.3 Bkl over onderdelen van het watersysteem in het omgevingsplan, worden voor een duiding van de gevolgen voor het beheer van het watersysteem, de opvattingen van het bestuursorgaan dat is belast met het beheer van die watersystemen betrokken. Denk bijvoorbeeld aan (instructie)regels (al dan niet ter nastreving van omgevingswaarden*) uit de provinciale omgevingsverordening en de waterschapsverordening. Daarnaast bevatten de artikelen 5.38 t/m 5.49 Bkl rijksregels. Vanuit verschillende overheidsniveaus zijn beleid en uitgangspunten geformuleerd voor wat betreft de omgang met afstromend hemelwater. De belangrijkste uitgangpunten hierbij zijn het hydrologisch neutraal ontwikkelen en het doorlopen van de volgorde ‘her-gebruikvasthouden-berging-afvoer’. De planlocatie valt binnen het beheersgebied van Waterschap Aa en Maas. Ook voor het Waterschap Aa en Maas is hydrologisch neutraal ontwikkelen speerpunt bij ruimtelijke ingrepen in haar beheersgebied.

Het waterschap heeft een beleidsnota met uitgangspunten ten behoeve van de water-toets. Hierbij staan de volgende principes centraal: • wateroverlastvrij bestemmen; • gescheiden houden van vuil water en schoon hemelwater; • doorlopen van de afwegingsstappen: ‘hergebruik - infiltratie - buffering - afvoer’; • hydrologisch neutraal bouwen; • water als kans; • meervoudig ruimtegebruik; • voorkomen van vervuiling • rekening houden met waterschapsbelangen. De voornoemde principes liggen in lijn met het landelijke beleid ten aanzien van de watertoets. Gestreefd dient te worden naar een waterhuishoudkundig minimaal gelijkwaardige situatie. Het belangrijkste gegeven is het geohydrologisch compenseren van een eventuele toename van verharde oppervlakte, waardoor hemelwater versneld kan worden afgevoerd.

78

Het Programma Water en Riolering (PWR) is een geschikt planinstrument om mee te kunnen bewegen met de veranderingen om ons heen. Zo is er bijvoorbeeld sprake van verandering in wetgeving, meer neerslag door klimaatverandering, een veranderende verhouding tussen overheid en burgers en meer focus op beheer in plaats van nieuwbouw. Door de huidige situatie af te zetten tegen toekomstige ontwikkelingen ontstaat een opgave. In het PWR wordt de opgave voor Meierijstad in beeld gebracht en wordt inzichtelijk gemaakt op welke strategische wijze hier invulling aan wordt gegeven. Doorwerking plan(locatie) Op de planlocatie vindt een toename van bebouwd / verhard oppervlak plaats. Derhalve is door De Roever Omgevingsadvies een watertoets uitgevoerd. De watertoets is als bijlage 7 aan deze motivering toegevoegd. De belangrijkste conclusies zijn hierna opgenomen. 5.2. Dimensionering infiltratie- of bergingsvoorziening In de toekomstige situatie zal de verhardingssituatie veranderen. De hemelwatervoorziening dient dan ook aangepast te worden aan de nieuwe inrichting. In de hemelwatervoorziening wordt het hemelwater afkomstig van het terrein geborgen. Gezien er nieuwbouw gerealiseerd gaat worden stelt het bevoegd gezag dat dit op hydrologisch neutrale manier ontwikkeld dient te worden en er eveneens compenserende voorzieningen dienen te worden gerealiseerd.

Onderstaande tabel bevat de berekening van de bergingsopgave Tabel 4 verhardingssituatie toekomstige situatie

79

In bijlage 4 is van elke wadi een dimensionering opgenomen waaruit blijkt dat het totale volume tezamen 415 m3 bedraagt. De wadi’s worden aangelegd met een talud 1:3. De restopgave wordt ingevuld door kratten, lavastenen of andere infiltratievoorzieningen toe te passen. Het is ook mogelijk dat een deel van de bebouwing wordt voorzien van een groen dak. Dit deel wordt op een later moment ingevuld.

Conclusie Vanuit het oogpunt van hydrologie zijn er – gevolg gevende aan de onderzoeksbevindingen zoals opgenomen in de uitgevoerde watertoets – geen belemmeringen voor het (bouw)plan. 5.6 Bodem Toetsingskader Het doel van de bodemtoets bij ruimtelijke plannen is het bepalen van de geschiktheid van de bodemkwaliteit voor de voorgenomen plannen en het bepalen of de voorgenomen plannen financieel haalbaar zijn. Een bodemonderzoek geeft uitsluitsel over de financiële haalbaarheid en een eventuele saneringsnoodzaak. Waarden voor de toelaatbare kwaliteit van de bodem voor het bouwen van een bodemgevoelig gebouw op een bodemgevoelige locatie worden opgenomen in het definitieve omgevingsplan (art. 5.89i Bkl). Deze waarden kunnen per gebied of per gebruiksfunctie verschillen. Bij een overschrijding van een vastgestelde waarde (zie art. 5.89i Bkl) is het bouwen van een bodemgevoelig gebouw alleen toegelaten als de in het omgevingsplan voorgeschreven sanerende of andere beschermende maatregelen worden getroffen (art. 5.89K Bkl, art. IIIa onder 2 Aanvullingsbesluit Bodem).

Daarnaast zijn er specifieke regels over bodem opgenomen in het Aanvullingsbesluit Bodem en de activiteiten zijn opgenomen in het Besluit activiteiten leefomgeving: • Regels over nazorg van de bodem na saneren op grond van het Besluit activiteiten leefomgeving, het omgevingsplan, een omgevingsvergunning of een maatwerksvoorschrift (artikel IIIa, paragraaf 2.3.6a.2); • Regels over graven in de bodem (paragraaf 3.2.21 en 3.2.22Bal); • Regels over activiteiten op een locatie met historische bodemverontreiniging zonder onaanvaardbaar risico (paragraaf 2.3.6a.4) • Maatwerkregels over het saneren van de bodem in het zinkassengebied De Kempen, (paragraaf 2.3.6a.5).

80

Bij wijzigingen van activiteiten geldt dat de bodem geschikt moet zijn voor het beoogde gebruik. Dit kan betekenen dat een onderzoek moet worden verricht naar de bodem- en grondwaterkwaliteit. Doorwerking plan(locatie) Ten behoeven van onderhavig planvoornemen heeft MILON een verkennend bodemonderzoek uitgevoerd op het perceel. Het doel van het onderzoek is het bepalen van de bodemkwaliteit ter plaatse van de onderzoekslocatie. Op basis van de resultaten van het vooronderzoek zijn aannames gedaan over het al dan niet aanwezig zijn van potentiële verontreinigingsbronnen en is een onderzoekshypothese opgesteld. Het volledige onderzoeksrapport is als bijlage 8 aan deze motivering toegevoegd. De bespreking va resultaten en conclusies is navolgend opgenomen. 4.1 Conclusies Erf en werkplaats Onder de verhardingen is een laag recyclinggranulaat aangetroffen. De laag is in het verleden aangebracht onder certificaat. Gezien dit certificaat niet beschikbaar is voor inzage, kan niet worden uitgesloten dat het materiaal asbestvrij is. Zintuiglijk zijn bij enkele boringen in de boven en/of ondergrond bijmengingen aangetroffen met bakstenen, beton, metaal en/of plastic. Analytisch zijn in de bovengrond licht verhoogde gehalten aan PCB, PAK, cadmium, lood en zink aangetoond. In de ondergrond zijn geen verhoogde gehalten aangetoond.

Indicatief voldoet in het algemeen de bovengrond aan bodemkwaliteitsklasse Industrie en de ondergrond aan Landbouw/natuur. De verhoogde gehalten zijn vermoedelijk veroorzaakt door de aanwezige bodemvreemde bijmengingen. In het grondwater zijn geen concentraties boven de voorkeurswaarde aangetoond. Bovengrondse dieseltank Tijdens het veldwerk zijn geen waarnemingen opgedaan, die duiden op bodemverontreinigingen met minerale olie en/of vluchtige aromaten. Uit de analyseresultaten blijkt dat zowel in de grond evenals het grondwater geen verhoogde gehalten/concentraties zijn aangetoond. De bovengrondse dieseltank heeft geen olieverontreiniging in de bodem veroorzaakt. Overig terrein Zintuiglijk zijn bij enkele boringen in de bovengrond bijmengingen aangetroffen met bakstenen of beton. Uit de analyseresultaten blijkt dat in de bovengrond licht verhoogde gehaltes zink, PCB en PAK zijn aangetoond. In de ondergrond zijn geen verhoogde gehalten aangetoond. De verhoogde gehalten zijn zeer gering en de grond voldoet voornamelijk (op 1 mengmonster na) indicatief aan bodemkwaliteitsklasse Landbouw/natuur. In het grondwater is een concentratie molybdeen boven de

81

voorkeurswaarde aangetoond, maar geen gehalten boven de signaleringsparameter beoordeling grondwatersanering. Op basis van de omgevingsverordening Noord-Brabant en de ligging van de onderzoekslocatie is het grondwater niet verontreinigd. 4.2 Aanbevelingen De aangetoonde gehaltes vormen geen aanleiding tot vervolgonderzoek. De bodemkwaliteit geeft verder geen belemmeringen voor de herontwikkelingen alsmede voor het huidige en toekomstig gebruik. Bij toekomstig grondverzet dienen grondlagen van verschillende bodemkwaliteitsklassen apart ontgraven te worden. Bij >25 m3 grondverzet is sprake van een milieubelastende activiteit en dient dit gemeld te worden via het Omgevingsloket bij het bevoegd gezag. Voor herplaatsen van bodem/herschikken binnen de locatie dient een partijkeuring uitgevoerd te worden. Aanbevolen wordt voor aanvang van het toekomstig grondverzet om aanvullend verkennend asbestonderzoek uit te voeren.

Conclusie Geconcludeerd kan worden dat het aspect bodem– voor zover nodig gevolg gevend aan de conclusies en aanbevelingen van het uitgevoerde onderzoek – geen belemmering vormt voor onderhavige ontwikkeling. 5.7 (Ondergrondse) infrastructuur / kabels en (buis)leidingen Toetsingskader Transport van gevaarlijke stoffen vindt plaats over de weg, het spoor, het water en door buisleidingen. Tijdens het transport kunnen dingen misgaan waardoor de gevaarlijke lading kan ontbranden of exploderen of waardoor er bijvoorbeeld giftige gassen ontsnappen via een lek of breuk. Bij risicovolle buisleidingen kan gedacht worden aan (hogedruk) transport van aardgas, maar ook van olie, benzine, kerosine, chemische producten en industriële gassen. Deze stoffen kunnen giftig, licht ontvlambaar, of brandbaar zijn. Buisleidingen lopen meestal ondergronds, maar kunnen soms ook bovengronds voorkomen. De grootste kans op een beschadiging aan een buisleiding ontstaat door graafwerkzaamheden. Denk hierbij aan werkzaamheden aan gas-, olie- en waterleidingen in de grond, of kabels voor stroom, TV, telefoon en internet.

De risicokaart toont alle aardgasleidingen vanaf een diameter van 50 mm en een druk van 16 bar, alle buisleidingen voor brandbare vloeistoffen vanaf een diameter van 100 mm en alle overige buisleidingen waarvan geldt dat er een overschrijding van de wettelijke norm is op 5 meter afstand van de buis. Deze wettelijke norm is het plaatsgebonden risico 10-6.

82

Exploitanten van buisleidingen hebben een zorgplicht en moeten ervoor zorgen dat hun buisleidingen veilig zijn. Gemeenten moeten buisleidingen in hun omgevingsplan opnemen en bij nieuwbouw zorgen voor genoeg afstand tot de buisleidingen. Doorwerking plan(locatie) Teneinde een goede belangenafweging mogelijk te maken voor de voorgenomen functiewijziging is het noodzakelijk om inzicht te hebben in de ligging en eigenschappen van binnen de planlocatie voorkomende kabels en leidingen. Sommige van deze kabels en leidingen vereisen een bepaalde afstand tot gevoelige functies. Op basis van gegevens van de Veiligheidskaart van de Atlas van de leefomgeving zijn alle mogelijke risicobronnen geïnventariseerd. De risicobronnen en invloedsgebieden zijn weergegeven op navolgende afbeelding.

In de omgeving van de planlocatie liggen geen buisleidingen die relevant zijn ten aanzien

83

van het vervoer van gevaarlijke stoffen. Overige kabels en (buis)leidingen Nutsbedrijven eisen dat kabels en leidingen in het openbaar gebied (komen te) liggen. De initiatienemer van onderliggend bouwplan is verplicht zorg te dragen voor een door gemeente en nutsbedrijven geaccordeerde wijze van aansluiting. Overige zonering De planlocatie valt niet binnen zonering van een kwaliteit of kenmerk welke onderhavig planvoornemen kan belemmeren. Verder zijn er in/op en nabij de planlocatie geen ondergrondse leidingen, waterkeringen, straalpaden of invliegfunnels aanwezig waarvan de aanwezigheid van invloed kunnen zijn op de voorgenomen ontwikkeling. Conclusie Geconcludeerd kan worden dat het voorgenomen plan, beschouwd vanuit de aspecten ondergrondse infrastructuur, kabels en leidingen, geen problemen oplevert. Nader onderzoek is na deze quickscan niet nodig. 5.8 Activiteiten en milieuzonering Toetsingskader Milieuhinderlijke activiteit Onder een milieuhinderlijke activiteit wordt verstaan: een aan een locatie toegedeelde activiteit, anders dan wonen, die milieuhinder kan veroorzaken, in het bijzonder in de vorm van geluid- of geurhinder.

De volgende milieuthema’s zijn al op een andere wijze afdoende gereguleerd, waardoor de handreiking Activiteiten en milieuzonering hiervoor niet van toepassing is: • luchtverontreiniging • externe veiligheid en gevaar • trillinghinder • geur door agrarische activiteiten in het buitengebied • lichthinder • spuitzones • hinder door verkeersaantrekkende werking Milieugevoelige activiteit Onder een milieugevoelige activiteit wordt verstaan: een activiteit

84

waarvoor de ondervonden milieubelasting bepalend is voor het bereiken en in stand houden van een aanvaardbaar woon- en leefklimaat. Naast wonen zijn dat onder meer scholen, kinderdagverblijven en ziekenhuizen. Gebiedstypen In de handreiking Activiteiten en milieuzonering worden de volgende gebiedstypen beschreven: Bedrijventerreinen Bedrijventerreinen zijn gebieden waar milieuhinderlijke (bedrijfs-)activiteiten plaatsvinden die substantiële milieuhinder kunnen voorzaken. Op delen van bedrijventerreinen, vaak aan de rand, kan menging voorkomen van verschillende functies, zoals bedrijven, bouwmarkten, kantoren en soms ook bedrijfswoningen. Ook deze gebieden behoren tot bedrijventerreinen. Andere werkterreinen Andere werkterreinen zijn in hoofdzaak gericht op de toelating van publieksgerichte activiteiten/functies. Het gaat dan bijvoorbeeld om kantorenlocaties, perifere locaties met detailhandel zoals woonwinkels, bouwmarkten en autoshowrooms en ook sportterreinen. Ook op andere werkterreinen (dan bedrijventerreinen) zijn doorgaans milieuhinderlijke activiteiten toegelaten. Over het algemeen zijn dat de lichtere, minder milieuhinderlijke activiteiten. Net als bedrijventerreinen zijn deze andere werkterreinen in de basis niet bedoeld en ingericht voor milieugevoelige functies. Wel kunnen ook op deze terreinen op maat combinaties van wonen en werken toegelaten worden.

Woongebieden Er zijn twee soorten woongebieden: 1. gemengd gebied met wonen 2. rustig woongebied Een gemengd gebied met wonen is een gebied waar een menging van aan een locatie toegedeelde milieugevoelige en milieuhinderlijke activiteiten aanwezig is of wordt beoogd. Binnen deze gebieden wordt het wonen (of ander milieugevoelig gebruik) toegelaten, samen met activiteiten die geschikt zijn om te mengen met wonen, zoals detailhandel, horeca, onderwijs, zorg, dienstverlening, cultuur en lichte bedrijvigheid. Het zijn vaak levendige gebieden, zoals een centrumgebied met horeca en detailhandel op de begane grond en woningen op de verdiepingen. Of randen van gebieden die ‘verkleuren’ van winkelgebied naar vooral woongebied. Het kan ook een voormalig bedrijventerrein zijn, dat tot gemengd

85

woon-werkgebied is of wordt getransformeerd. Onder een gemengd gebied met wonen kan tenslotte ook worden verstaan: • lintbebouwing in het buitengebied met een menging van wonen met agrarische en andere bedrijvigheid; • woongebieden die direct langs de hoofdinfrastructuur liggen. Een rustig woongebied is de gebruikelijke woonwijk en woonbuurt. Binnen deze gebieden staat een prettig, rustig woongenot als doel centraal. Binnen een rustig woongebied komen incidenteel ook niet-woonactiviteiten voor, zoals een buurtsuper en een school. De handreiking Activiteiten en milieuzonering is niet van toepassing op het toedelen van eventuele milieuhinderlijke activiteiten in een rustig woongebied. Buitengebied Ook in het buitengebied komen activiteiten voor met gebruiksruimte voor geluid en geur. De systematiek in de handreiking Activiteiten en milieuzonering kan ook in het buitengebied worden toegepast. Echter, de in de handreiking beschreven waarden voor geur gelden niet voor agrarische activiteiten. Doorwerking plan(locatie) Omgevingstype De directe omgeving van de planlocatie is een gebied waar een menging van aan een locatie toegedeelde milieugevoelige en milieuhinderlijke activiteiten aanwezig is. Bovendien ligt de planlocatie direct aan de hoofdinfrastructuur. Daarom moet worden uitgegaan van een gemengd gebied met wonen.

Uitwaartse milieuzonering De beoogde woningen vormen geen milieuhinderlijke activiteit. Een beoordeling van uitwaartse milieuzonering is niet nodig. Inwaartse milieuzonering De beoogde woningen vormen een milieugevoelige activiteit. Op basis van het Omgevingsplan zijn de milieuhinderlijke activiteiten in de omgeving bepaald, zie tabel hierna.

86

Uit navolgende afbeelding blijkt dat de zone geluid van de autosloperij aan Rooiseweg 12 overlapt met het plangebied. Om recht te doen aan de planologische mogelijkheden van dit bedrijf zijn beoogde geluidgevoelige objecten buiten de afstandscontour van 50 meter geprojecteerd. Daarnaast zijn de feitelijke bedrijfsactiviteiten beoordeeld. Feitelijk is sprake van de volgende activiteiten (conform de melding Activiteitenbesluit milieubeheer d.d. 12 september 2014 (met OBM): BERGINGSACTIVITEITEN (INGETROKKEN) De takel- en bergingswerkzaamheden komen te vervallen. Dit leidt tot een significante daling van de geluidemissie, met name in de avond en nacht. WERKPLAATS In de werkplaats worden de brandstoffen uit de wrakken gehaald middels een drooglegunit en vervolgens vindt bewerking en demontage plaats. Tevens wordt hier gewerkt met elektrische vorkheftrucks. De gedemonteerde onderdelen gaan naar het magazijn, en de wrakken gaan naar het opslagterrein. OPSLAGTERREIN Mettler BV beschikt over eigen 4 heftrucks (2x diesel, 2x elektrisch) en 1 wiellaadschop. De elektrische heftrucks worden inpandig gebruikt (werkplaats en magazijn) en de twee diesel heftrucks worden buiten gebruikt voor het verplaatsen van autowrakken. Tevens worden de heftrucks gebruikt om afvalcontainers uit de werkplaats, buiten in een container om te

87

kiepen. Ook de wiellaadschop kan ingezet worden om autowrakken te verplaatsen of te pletten. WASPLAATS De wasplaats wordt gebruikt om voertuigen te wassen of onderdelen schoon te spoelen. Uit de melding blijkt dat er geen akoestische gevolgen zijn voor woningen in de omgeving (die op vergelijkbare of kortere afstand liggen dan de zone van 50 meter. Daarom kan worden gesteld dat ook op 50 meter van de bedrijfsactiviteiten sprake is van een aanvaardbaar woon- en leefklimaat en worden de belangen van het bedrijf gerespecteerd. Uit voorgaande afbeelding blijkt ook dat de zone geur van het bedrijventerrein Rooiseheide overlapt met het plangebied. Om recht te doen aan de planologische mogelijkheden van dit bedrijventerrein zijn beoogde geurgevoelige objecten buiten de afstandscontour van 50 meter geprojecteerd. Daarom is sprake van een aanvaardbaar woon- en leefklimaat en worden de belangen van het bedrijventerrein gerespecteerd. Uit de afbeelding blijkt de beoogde milieugevoelige gebouwen binnen het plangebied buiten de zones rondom milieubelastende activiteiten liggen. Daarom is sprake van een

88

evenwichtige toedeling van functies aan locaties (ETFAL).

Conclusie Vanuit de aspecten milieuzonering en hinderlijke bedrijvigheid zijn er geen belemmeringen zijn voor onderhavig planvoornemen. 5.9 Geurhinder Toetsingskader Er bestaan diverse sectoren waar geurhinder een rol kan spelen, zoals onder meer bij veehouderijen en andere landbouwactiviteiten, de mengvoederindustrie, horeca, rioolwaterzuiveringsinstallaties, slachterijen, en (andere) milieubelastende activiteiten. Regels over geur zijn verdeeld over verschillende Amvb’s. Het verschilt per type activiteit waar er regels zijn opgenomen. Na inwerkingtreding van de Omgevingswet dienen de activiteiten allereerst te voldoen aan de regels die in het tijdelijk omgevingsplan staan. Indien er nog geen aanpassing heeft plaatsgevonden van het tijdelijk omgevingsplan en sprake is van een activiteit/inrichting

89

die/dat voorheen onder het Activiteitenbesluit milieubeheer viel, dan gelden de regels uit de Bruidsschat. De Bruidsschat bevat regels over: • Geur door het houden van landbouwhuisdieren en paarden en pony’s voor het berijden in een dierenverblijf (par. 22.3.6.2 BS); • Geur door het houden van fokteven van nertsen (par. 22.3.6.3 BS); • Geur door andere agrarische activiteiten, zoals o.a. het opslaan van vaste mest, champost of dikke fractie en het composteren of opslaan van groenafval (par. 22.3.6.4 BS); • Geur door het exploiteren van zuiveringstechnische werken (par. 22.3.6.5 BS). Voor een aantal milieubelastende activiteiten geldt een vergunningplicht op basis van hoofdstuk 3 van het (Bal). In afdeling 8.5 ‘Omgevingsvergunning milieubelastende activiteit’ van het (Bkl) staan beoordelingsregels. Het bevoegd gezag gebruikt deze beoordelingsregels bij het beoordelen van de vergunningaanvraag. In het Bkl staan algemene beoordelingsregels en specifieke beoordelingsregels voor geur. De vergunningverlener moet bij het beoordelen van het aanvaardbaar geurhinderniveau rekening houden met het omgevingsplan. Zo staat in het omgevingsplan wat de geurgevoelige gebouwen en locaties zijn. Ook kunnen in het omgevingsplan andere regels voor geur staan (of een omgevingswaarde voor geur). In het omgevingsplan staan bijvoorbeeld geurregels voor veehouderijen.

De vergunningverlener moet dan rekening houden met deze regels. De standaardnormen uit de voormalige Wgv zijn in navolgende tabel opgenomen.

De planlocatie maakt onderdeel uit van een bebouwde kom. De planlocatie ligt niet binnen een gebied waarvoor in een geurverordening aangepaste geurnormen of afstanden zijn vastgelegd. Daarom geldt de geurnorm van 3 ouE/m3 (voorgrondbelasting) en de afstandseis van 100 meter. Daarnaast moet een beoordeling worden gemaakt van de cumulatieve geurbelasting (achtergrondbelasting). Voor de achtergrondbelasting bestaan geen normen. De gemeente Meierijstad heeft geen geurbeleid. Per project wordt beoordeeld of sprake is van een aanvaardbare situatie.

90

Doorwerking plan(locatie) De veehouderijen in de omgeving van de planlocatie en de totale geuremissies zijn weergegeven op de afbeelding hierna. Op die afbeelding zijn ook de afstandscontouren en de emissiepunten en toetsingspunten voor de geurberekeningen aangegeven.

Afstanden De afstand tussen de planlocatie en het dichtstbij gelegen bouwvlak van een veehouderij bedraagt meer dan 100 meter, zie afbeelding hierboven. Er wordt voldaan aan de afstandseis van 100 meter. Voorgrondbelasting Gelet op de geuremissie in relatie tot de afstand tot de planlocatie kan op voorhand kan worden gesteld dat ter plaatse van de planlocatie sprake is van een aanvaardbaar woon- en leefklimaat. Dit blijkt ook uit de beoordeling van de achtergrondbelasting, zie hieronder. Omdat er bestaande geurgevoelige gebouwen tussen de veehouderij en de planlocatie liggen worden veehouderijen niet in de belangen geschaad. Achtergrondbelasting

91

Voor de beoordeling van de achtergrondbelasting is gebruik gemaakt van de geurkaart van de ODZOB d.d. juni 2023, zie afbeelding hierna.

De achtergrondbelasting bedraagt minder dan drie ouE/m3. Hiermee kunnen we concluderen dat het woon- en leefklimaat ‘Zeer goed’ is bij de planlocatie. Conclusie Vanuit het aspect geurhinder zijn er geen belemmeringen voor onderhavig planvoornemen. 5.10 Geluid Toetsingskader Bij de realisatie van geluidgevoelige bestemmingen, zoals woningen, in de nabijheid van wegen dient in het omgevingsplan aandacht besteed te worden aan de akoestische omstandigheden. De gevels van de woningen ondervinden namelijk een geluidbelasting ten gevolge van diverse geluidbronnen in de omgeving.

92

Veel functies in de fysieke leefomgeving hebben te maken met geluid. De regels over geluid gaan over het beheersen van geluid door wegen, spoorwegen en industrieterreinen en de bescherming van geluidgevoelige gebouwen en andere gebouwen en plekken. In de bruidsschat is het onderdeel geluid geregeld in paragraaf 22.3.4. Daarin staan regels over geluid door een activiteit op of in een geluidgevoelig gebouw die op een locatie is toegelaten op grond van een omgevingsplan of een omgevingsvergunning voor een omgevingsplanactiviteit. In de Bruidsschat zijn waarden bepaald (zie artikel 22.57 Bruidsschat waar waarden gelden). Daarbij is onderscheid gemaakt in geluid door de volgende activiteiten: • Activiteiten anders dan door windturbines en windparken en civiele buitenschietbanen, militaire buitenschietbanen en militaire springterreinen (par. 22.3.4.2 BS); • Geluid door windturbines en windparken (par. 22.3.4.3 BS); • Geluid door civiele buitenschietbanen, militaire buitenschietbanen en militaire springterreinen (par. 22.3.4.4 BS). De instructieregels uit afdeling 3.5 (Bkl) zijn van toepassing op de beheersing van geluid door een weg, spoorweg of industrieterrein (artikel 3.18 lid 1 Bkl). De wetgever maakt onderscheid tussen geluidbronnen met een geluidproductieplafond als omgevingswaarde (gpp) en bronnen met een basisgeluidemissie (bge).

Geluid afkomstig van wegen, spoorwegen en industrieterreinen heeft invloed op de omgeving. Het bevoegd gezag beoordeelt geluid van deze bronnen bij geluidgevoelige gebouwen (artikel 3.20 Bkl). Doorwerking plan(locatie) Wegverkeerslawaai Ten behoeve van het planvoornemen is door De Roever Omgevingsadvies een akoestisch onderzoek naar de gevolgen van het wegverkeerslawaai uitgevoerd. Hierna zijn de conclusie en het advies letterlijk overgenomen uit de onderzoeksrapportage. Het integrale rapport is als bijlage 9 opgenomen. In dit onderzoek is het geluid vanwege het wegverkeerslawaai op de gewenste woningen aan de Rooiseweg 8 in Schijndel berekend. Toetsing standaardwaarden en grenswaarden Het berekende geluid van gemeentelijke wegen bedraagt maximaal 61 dB. Hiermee wordt de standaardwaarde van 53 dB overschreden maar de grenswaarde van 70 dB niet. Maatregelen worden niet doelmatig geacht,. Het berekende geluid van provinciale weg Provincialeweg1 bedraagt maximaal 51 dB.

93

Hiermee wordt de voorkeursgrenswaarde van 53 dB overschreden maar de maximale ontheffingswaarde van 53 dB niet. Maatregelen worden niet doelmatig geacht. Gevelwering en woon- en leefklimaat Benodigde gevelwering Het gezamenlijke geluid bedraagt ten hoogste 61 dB ter plaatse van het meest zuidoostelijke gebouw aan de zuidgevel. De vereiste karakteristieke geluidwering G a;k bedraagt dan maximaal 61 – 33 = 28 dB. Het bevoegd gezag zal bepalen of er nader onderzoek gedaan moet worden naar de geluidwering van de gevels. Woon- en leefklimaat De milieukwaliteit wordt geclassificeerd als ‘slecht’ tot ‘zeer goed’. Het woon- en verblijfsklimaat ter plaatse van de beoogde woningen wordt als acceptabel aangemerkt. Op basis van de toelichting in paragraaf 3.5.1 en 3.5.2 kan gesteld worden dat het cumulatieve geluid een aanvaardbaar woon- en verblijfsklimaat niet in de weg staat.

94

Industrielawaai In paragraaf 5.8 is beoordeeld dat geluidgevoelige functies binnen de planlocatie niet binnen de richtafstand voor het aspect geluid liggen. Het aspect industrielawaai vormt geen belemmering voor het plan. Railverkeerslawaai De planlocatie ligt niet binnen de geluidzone van een spoorlijn. Er is sprake van een aanvaardbaar woon- en leefklimaat. Het aspect railverkeerslawaai vormt geen belemmering voor het plan. Vliegverkeerslawaai De planlocatie ligt niet binnen een Ke-contour van een vliegveld. Er is sprake van een aanvaardbaar woon- en leefklimaat. Het aspect vliegverkeerslawaai vormt geen belemmering voor het plan. Conclusie Vanuit het aspect geluid zijn – in de wetenschap dat de gemeente een beschikking hogere waarde Wet geluidhinder en Besluit geluidhinder heeft genomen – geen belemmeringen voor het plan. Voor de woningen gelegen binnen de planlocatie is het gezamenlijk geluid:

95

De posities van de bouwvlakken zijn weergegeven in navolgende figuur.

96

Het gezamenlijk geluid is berekend in ‘Akoestisch onderzoek wegverkeerslawaai, Rooiseweg 8 Schijndel’, met kenmerk 20241291.v01, opgesteld door De Roever Omgevingsadvies op 3 december 2024 (zie bijlage 9). 5.11 Luchtkwaliteit Toetsingskader Hoewel de luchtkwaliteit de afgelopen decennia in Nederland is verbeterd, voldoet ze nog steeds niet overal aan de normen. Met name fijn stof en stikstofdioxiden leveren problemen op. Het doel van het luchtkwaliteitsonderzoek is het geven van inzicht in de gevolgen van een plan voor de luchtkwaliteit om een goede luchtkwaliteit te kunnen garanderen. Daarom moet luchtkwaliteit al in een vroeg stadium van de planvorming worden meegewogen. Gegevens over de luchtkwaliteit worden verzameld om vervolgens te kunnen bepalen of er voor het doorgaan van het project al dan niet aanvullende maatregelen nodig zijn. In de praktijk zullen met name fijn stof en stikstofdioxiden moeten worden onderzocht. Daarnaast kan een goede

97

ruimtelijke ordening met zich brengen dat een afweging wordt gemaakt rondom de aanvaardbaarheid van een project op een bepaalde locatie. De overheid toetst en monitort de luchtkwaliteit vooral in de zogenoemde aandachtsgebieden. Aandachtsgebieden zijn locaties met hogere concentraties stikstofdioxide (NO2) of fijnstof (PM10). Soms wordt hier een rijksomgevingswaarde overschreden. Of de achtergrondconcentratie is zo hoog, dat bij toevoeging van een nieuw project alsnog een rijksomgevingswaarde overschreden kan worden. De vergunningverlener beoordeelt een aanvraag op het effect op de luchtkwaliteit in de leefomgeving. In een aandachtsgebied moet de overheid de omgevingswaarden in acht nemen. Dit geldt voor de besluiten, als deze zorgen voor een verhoging van de concentraties binnen een aandachtsgebied. Als de gemeente activiteiten toelaat, die leiden tot gebruik van wegen, vaarwegen of spoorwegen (verkeersaantrekkende werking) of waarvoor luchtregels staan in het Besluit activiteiten leefomgeving (Bal) moet worden voldaan aan de omgevingswaarden. Dit volgt uit artikel 5.51 van het Bkl. In paragraaf 2.2.1.1 van het Besluit kwaliteit leefomgeving (Bkl) zijn omgevingswaarden voor de concentratie van luchtverontreinigende stoffen opgenomen. Voor dit project zijn stikstofdioxide (NO2), fijn stof (PM10) en zeer fijn stof (PM2,5) van belang.

De concentratie van de overige luchtverontreinigende stoffen (zwaveldioxide, koolmonoxide, benzeen en lood) in de buitenlucht is van nature zo laag dat voor deze stoffen geen overschrijding van de grenswaarden wordt verwacht. Voor deze stoffen kan zeker worden voldaan aan de omgevingswaarden. Voor de toegestane concentraties NO2 en PM10 gelden de volgende grenswaarden: - voor NO2 geldt een grenswaarde van 40 µg/m3 als jaargemiddelde concentratie; - voor PM10 geldt een grenswaarde van 40 µg/m3 als jaargemiddelde concentratie; - voor PM2,5 geldt een grenswaarde van 25 µg/m3 als jaargemiddelde concentratie. Aantonen luchtkwaliteit op basis van onderzoek, NIBM. Het CIMLK is in opdracht van IenW in beheer bij het Rijksinstituut voor Volksgezondheid en Milieu (RIVM). De structuur en betekenis van gegevens in het CIMLK is vastgelegd in een Informatiemodel Monitoring Luchtkwaliteit. Doorwerking plan(locatie) Gezien de beperkte omvang van het project is op voorhand duidelijk dat het project niet significant van invloed is op de luchtkwaliteit. De mogelijke emissiebronnen bij de beoogde woningen zijn voertuigbewegingen. Uit het onderzoek stikstofdepositie blijkt een verkeersgeneratie van 359 mvt/etmaal met licht verkeer en 8 mvt/etmaal met zwaar verkeer. Uit de NIBM-tool blijkt dat deze verkeersgeneratie niet significant van invloed is op de

De tekst is automatisch uit het bestand gehaald en kan afwijken van het origineel (kolommen, tabellen en koppen lopen door elkaar). Het officiële stuk bij de gemeente is leidend. Bron: https://api1.ibabs.eu/publicdownload.aspx?site=Meierijstad&id=aaf56393-8c63-4b33-9a60-63cde8a08b4a