CConstaterende datMeierijstad
Koppel je AI →
Document · PDF

BOPA-ETFAL Rooiseweg 8 Schijndel

Raadsvergadering 11 december 2025, gemeente MeierijstadBij agendapunt: Afgifte positief advies voor voornemen tot verlening omgevingsvergunning voor woningbouwontwikkeling ter plaatse van Rooiseweg 8 in Schijndel25.362 woorden

Open het PDF bij de gemeente ↗Naar de vergadering →

Tekst van het document

Uit het bestand gehaald, zonder opmaak, tabellen en afbeeldingen · deel 1 van 4

BOPA-ETFAL Ruimtelijke motivering Oprichting woningbouwlocatie aan de Rooiseweg Schijndel

1

Titel: Projectnummer: Datum:

BOPA ETFAL-ruimtelijke motivering Oprichting woningbouwlocatie aan de Rooiseweg Schijndel 2024.116 29 oktober 2025

Adviesbureau:

Wintraecken Advies B.V.

Alle rechten voorbehouden. Niets uit deze uitgave mag worden vermenigvuldigd en/of openbaar gemaakt, in enige vorm of op enige wijze, hetzij elektronisch, mechanisch, door fotokopieën, opnamen of enig andere manier, zonder voorafgaande schriftelijke toestemming van de opdrachtgever en/of Wintraecken Advies.

2

INHOUDSOPGAVE 1.

INLEIDING ....................................................................................................................................... 6 1.1 Aanleiding ...................................................................................................................................... 6 1.2 Ligging en begrenzing van de planlocatie ..................................................................................... 8 1.3 Vigerend omgevingsplan ............................................................................................................... 9 1.4 Leeswijzer .................................................................................................................................... 11

2.

BESCHRIJVING BESTAANDE SITUATIE .................................................................................... 12

3.

PLANBESCHRIJVING: RUIMTELIJKE STRUCTUUR EN BEELKWALITEIT .............................. 14 Beeldkwaliteitsplan ............................................................................................................................ 19 Landschappelijke inpassing en kwaliteitsverbetering ........................................................................ 19

4.

BELEIDSTOETS ........................................................................................................................... 24 4.1 Inleiding ........................................................................................................................................ 24 4.2 Rijksbeleid .................................................................................................................................... 24 4.3 Provinciaal beleid ......................................................................................................................... 29 4.4 Gemeentelijk beleid ..................................................................................................................... 48 4.5 Conclusie ..................................................................................................................................... 62

5.

ASPECTEN FYSIEKE LEEFOMGEVING EN MILIEU .................................................................. 63 5.1 Gezondheid als basis................................................................................................................... 63 5.2 M.e.r.-beoordeling ........................................................................................................................ 67 5.3 Archeologie en cultuurhistorie ..................................................................................................... 68 5.4 Soortenbescherming (ecologie) en gebiedsbescherming (stikstofdepositie) .............................. 73 5.5 Waterparagraaf ............................................................................................................................ 77 5.6 Bodem .......................................................................................................................................... 80 5.7 (Ondergrondse) infrastructuur / kabels en (buis)leidingen .......................................................... 82 5.8 Activiteiten en milieuzonering ...................................................................................................... 84 5.9 Geurhinder ...................................................................................................................................

89 5.10 Geluid ......................................................................................................................................... 92 5.11 Luchtkwaliteit ............................................................................................................................. 97 5.12 Omgevingsveiligheid ................................................................................................................ 101 5.13 Volksgezondheid in relatie tot veehouderijen .......................................................................... 104

3

5.14 Verkeer en parkeren ................................................................................................................ 109 6.

MAATSCHAPPELIJKE UITVOERBAARHEID ............................................................................ 112 6.1 Participatie omgeving................................................................................................................. 112

7.

JURIDISCHE PLANOPZET ......................................................................................................... 113

8.

FINANCIËLE HAALBAARHEID................................................................................................... 114 8.1 Kostenverhaal ............................................................................................................................ 114

9.

CONCLUSIE ................................................................................................................................ 115

4

BIJLAGEN 1. Buro Lubbers, VOSP Rooiseweg Schijndel, augustus 2025 BIJLAGE 1.1 – Plankaart Hooghekke en Rooiseweg Schijndel 2. Bouwstudio DEUX, Ontwerp voor herontwikkeling Hooghekke te Schijndel, 4 september 2025; 3. De Roever Omgevingsadvies, Quickscan milieuaspecten, referentie: 20241290.v02, 13 mei 2025 4. Bureau voor Archeologie, Rooiseweg 8-8A, Schijndel gemeente Meierijstad: bureauonderzoek en verkennend booronderzoek, 13 mei 2025; Bijlage 4.1 – Selectieadvies archeologische monumentenzorg van de gemeente Meierijstad, 27 maart 2025 Bijlage 4.2 – Den Ouden Bodac Historisch vooronderzoek Ontplofbare Oorlogsresten, documentnummer: 250812_H25040_VOB_01, 12 augustus 2025 + OO Bodembelastingkaart 5. BRO, Quickscan Flora en Fauna, projectnummer: 08069, 8 januari 2025 Bijlage 5.1 – BRO, Effectenanalyse NNB Rooiseweg 8 en 8a, projectnummer: 08069, 4 februari 2025 Bijlage 5.2 – Movares, Rooiseweg 8/8a Schijndel, rapport vervolgonderzoek flora en fauna, projectnummer: P08069, 11 augustus 2025 6. De Roever Omgevingsadvies, Stikstofdepositieonderzoek Rooisweg 8 Schijndel, referentie: 20241293.v01, 22 november 2024 7. De Roever Omgevingsadvies, Watertoets - Weging van het waterbelang, Rooisweg 8 Schijndel, referentie: 20241294, 19 augustus 2025 8. MILON, Verkennend bodemonderzoek Rooiseweg 8-8a te Schijndel, projectnummer: 20241476, 11 april 2025 9.

De Roever Omgevingsadvies, Akoestisch onderzoek wegverkeerslawaai, Rooiseweg 8 Schijndel, referentie: 20241291.v01, 3 december 2024 10. Adviesgroep AVIV, Notitie externe veiligheid / Uitbreidingsplan Hooghekke in Schijndel, project: 245824, 24 oktober 2024 11. Vormvrije m.e.r.-beoordelingsnotitie, 090925 12. Standaardadvies GGD 13. Verslag omgevingsdialoog

5

1. INLEIDING 1.1 Aanleiding Voor de locatie aan Rooiseweg 8 in Schijndel is een initiatief bij de gemeente Meierijstad ingediend voor een woningbouwontwikkeling. De aanwezige bebouwing op het perceel, met uitzondering van de boerderij/woning, wordt gesloopt en er worden 58 woningen gebouwd, inclusief bijbehorende infrastructurele (parkeer- en verkeers)voorzieningen en groen- en landschapsinrichting. Het aantal van 58 is inclusief de splitsing van de bestaande woning. In de Structuurvisie Ruimte Schijndel en de Ruimtelijke Bouwsteen voor Schijndel (aanvulling op de Structuurvisie voor Schijndel uit 2012) zijn potentiële inbreidings- en transformatielocaties in kaart gebracht. Vastgesteld is dat, om in de woningbehoefte voor Schijndel te kunnen voorzien, uitbreidingslocaties noodzakelijk zijn. De locatie aan Hooghekke is in de Ruimtelijke Bouwsteen voor Schijndel opgenomen als potentiële uitbreidingslocatie. Met name de ligging ten opzichte van voorzieningen als ook de aanwezige infrastructuur maken dit een kansrijke locatie. De locatie Rooiseweg 8 in Schijndel ligt ook binnen dit aangewezen zoekgebied. Voor de planlocatie is eind 2023 een intaketafelverzoek (VO-2023-2417) ontvangen voor een woningbouwontwikkeling. Het intakeverzoek is onder voorwaarden positief beoordeeld.

De gemeente Meierijstad heeft als volgt geoordeeld: • De planlocatie ligt binnen het zoekgebied voor uitbreiding. Het gebied tussen de Rooiseweg, het Duits lijntje en de Structuurweg vormt een logische uitbreidingslocatie aan de zuidzijde van Schijndel. De Structuurweg vormt dan aan deze zijde de grens tussen de kern en het buitengebied. In de visiedocumenten is dit benoemd en zijn voorwaarden benoemd waaronder dit gebied te herontwikkeling is. Voorwaarde is een groene afscheiding/strook aan de zuidzijde van de planlocatie en de Structuurweg. • Het initiatief draagt in kwalitatieve en kwantitatieve zin bij aan de woningbouwopgave voor Schijndel. De druk op de Schijndelse woningmarkt is groot. Tot 2035 ligt er een opgave om binnen de kern Schijndel circa 1250 woningen te realiseren. De ruimte ontbreekt voor het realiseren van de benodigde aantallen woningen binnen de kern. Eerder is daarom al aangegeven dat naar uitbreidingslocaties tegen de kern moet worden gezocht om in de woningbouwbehoefte te kunnen voorzien. Vanwege de grote vraag om woningen te realiseren in Schijndel is in de Structuurvisie Schijndel uit 2012 en de Ruimtelijke Bouwsteen voor Schijndel uit 2020 de locatie benoemd als potentiële uitbreidingslocatie voor woningbouw. Door het saneren van de overige bebouwing ter plaatse van Rooiseweg is het mogelijk om aan de zuidrand van

6

•

Schijndel een afronding te creëren richting de Structuurweg en het buitengebied. Het programma sluit aan op de gewenste verdeling in nieuwbouwprojecten, zoals genomen in de Woonzorgvisie. Met 36 procent sociale huur, 21 procent middeldure koop en 21 procent dure koop wordt er een gevarieerd en grotendeels betaalbaar woningbouwprogramma gerealiseerd. Het stedenbouwkundig ontwerp is afgestemd en door hetzelfde architectenbureau opgesteld als het plan voor de naastgelegen, en grotere ontwikkeling, Hooghekke. Een van de voorwaarden vanuit de intaketafel was dat het plan stedenbouwkundig aan zou sluiten op het ontwerp van Hooghekke. Deze voorwaarde is verder uitgewerkt en verwerkt in het huidige ontwerp. Daarom is aangegeven dat het stedenbouwkundig en landschappelijk concept acceptabel is en meer in detail uitgewerkt kan worden.

Gemeente Meierijstand heeft twee kanttekeningen geplaatst bij verdere uitwerking van het planvoornemen: • Gedurende de uitwerking van het plan is het nog mogelijk dat hier enige wijzigingen in mogelijk zijn. Bij het verder uitwerken van het plan, het opstellen van de ruimtelijke motivering, het uitvoeren van de onderzoeken en de interne en externe beoordeling kan het voorkomen dat voor de haalbaarheid en het verbeteren van het plan nodig is om enkele wijzigingen door te voeren. Daarnaast wordt op dit moment een omgevingsdialoog gevoerd waar mogelijk opmerkingen in gemaakt worden die leiden tot aanpassing in het plan. Voor het woningbouwprogramma zal nog worden bekeken of het mogelijk is om meer variatie aan te brengen in het programma. Er zitten nu meer sociale huurwoningen in het project dan volgens de verdeling van de Woonzorgvisie vereist. Hier is mogelijk ruimte om een klein gedeelte van deze woningen om te zetten naar middeldure huurwoningen. Dit zal in overleg met de ontwikkelaar en de afnemer van de huurwoningen nog nader worden besproken. • Bij de provincie zal een verzoek worden ingediend om de locatie samen met het naastgelegen Hooghekke te herbegrenzen naar stedelijk gebied. De locatie is nu nog gelegen binnen het landelijk gebied. Zoals aangegeven is de planlocatie eerder aangewezen als zoekgebied voor verstedelijking.

Met het uitwerken van de plannen zal, net zoals bij de naastgelegen locatie Hooghekke, in overleg worden getreden met de provincie om de ontwikkeling kenbaar te maken en de vervolgprocedure voor herbegrenzing naar stedelijk gebied af te stemmen. Binnen de planlocatie blijft de boerderijwoning behouden en wordt alle overige bebouwing gesloopt. De bestaande bomen blijven in het ontwerp zoveel mogelijk behouden en aan de

7

zuidzijde van de planlocatie blijft een strook richting de Structuurweg vrij van bebouwing. Dit sluit aan op het ontwerp van het naastgelegen plan Hooghekke. Het initiatief past niet binnen het vigerende omgevingsplan. Daarom is een wijziging van het omgevingsplan of een omgevingsvergunning voor een buitenplanse omgevingsactiviteit noodzakelijk. Onderhavige rapportage betreft de motivering en verantwoording van de ontwikkeling en gemaakte keuzes. Alvorens het plan kan worden gerealiseerd, dient ook aan een aantal deels juridische randvoorwaarden te worden voldaan. Het betreft daarbij de volgende drie voorwaarden: 1. Het motiveren van de afwijking van de geldende functie middels het opstellen van de goede ruimtelijke motivering als basis voor het verlenen van de omgevingsvergunning; 2. Het met de ruimtelijke motivering aantonen van de ruimtelijk-fysieke, logistieke en milieuhygiënische aanvaardbaarheid; 3. Het in procedure brengen van de voorliggende ruimtelijke motivering na indienen van de aanvraag omgevingsvergunning. Met deze ruimtelijke motivering wordt derhalve een planologische en juridische basis gelegd om het plan te kunnen realiseren en is gemotiveerd dat de ruimtelijke ingreep mogelijk is vanuit een oogpunt van een veilige en gezonde fysieke leefomgeving en passend is met het oog op een evenwichtige toedeling van functies (artikel 8.0a, tweede lid van het Bkl).

1.2 Ligging en begrenzing van de planlocatie Onderhavige planlocatie is gelegen in het zuiden van de kern Schijndel. De woonfunctie met een enkele horecafunctie overheerst aan de noordzijde. De ligging in de kernrand zorgt verder voor een omgeving met agrarische functies en de bedrijfsfunctie op bedrijventerrein Rooiseheide (noordwest) en een bedrijfsvestiging aan de zuidzijde (overzijde Structuurweg). De planlocatie wordt begrensd door Het Hooghekke aan de noordzijde, agrarische gronden aan de oostzijde, de Structuurweg (N637) aan de zuidzijde en de Rooiseweg aan de westzijde. De globale begrenzing van de planlocatie is op navolgende luchtfoto rood omlijnd aangeduid.

8

1.3 Vigerend omgevingsplan Ter plaatse van de planlocatie geldt vanaf 1 januari 2024 het tijdelijke deel omgevingsplan. Deze bestaat onder andere uit de ruimtelijke regels uit de vervallen omgevingsplannen.. Conform het vigerende omgevingsplan ‘Landelijk gebied’ gelden ter plaatse de functies ‘Agrarisch met waarden – Open landschap’ en ‘Wonen’ en conform ‘Parapluomgevingsplan Archeologie’ de dubbelfunctie ‘Waarde – Archeologie 2’. Voorts is de gebiedsaanduiding ‘reconstructiewetzone – extensiveringsgebied’ van kracht. Op navolgende uitsnede van de verbeelding van het vigerende omgevingsplan zijn de ligging en begrenzing van de planlocatie rood omlijnd aangegeven.

De voor ‘Agrarisch met waarden - Open landschap’ aangewezen gronden zijn bestemd voor: a. agrarisch bedrijf en agrarisch gebruik;

9

b. c. d. e.

een aan huis verbonden beroep; nevenactiviteiten; behoud, herstel en ontwikkeling van cultuurhistorische en landschappelijke waarden; behoud, herstel en duurzame ontwikkeling van het watersysteem en de bijbehorende ecologische en landschappelijke waarden; f. water en waterhuishoudkundige doeleinden; g. extensief recreatief medegebruik; h. bed en breakfast; i. doeleinden van openbaar nut; j. erfbeplanting; k. tuinen; l. onverharde paden een en ander met bijbehorende voorzieningen, waaronder perceelsontsluitingen en sloten, en overeenkomstig de in 7.1.2. opgenomen nadere detaillering van de bestemming. De voor ‘Wonen’ aangewezen gronden zijn bestemd voor: a. woningen; b. nevenactiviteiten zoals opgenomen in 26.1.2 onder c; c. een aan huis verbonden beroep; d. een aan huis verbonden bedrijf, uitsluitend na verlening van omgevingsvergunning als opgenomen in 26.6.1; e. bed en breakfast; f. water en waterhuishoudkundige doeleinden; g. ontsluitingswegen; h. parkeervoorzieningen; een en ander met de bijbehorende voorzieningen, zoals tuinen en erven en nadere detaillering van de bestemming. Voor het aantal woningen geldt het volgende: a. per bestemmingsvlak is maximaal één woning toegestaan. b. in afwijking van het voorgaande geldt dat ter plaatse van de aanduiding 'maximum aantal wooneenheden' het aangegeven maximale aantal wooneenheden het toegestane maximale aantal woningen is.

De gebiedsaanduiding ‘reconstructiewetzone – extensiveringsgebied’ heeft enkel betrekking op bestaande veehouderijbedrijven waarop men al dan niet activiteiten van een uitbreiding wil voorzien. Dat is hier niet van toepassing. De voor 'Waarde - Archeologie 2' aangewezen gronden (AMK-terreinen, de overige terreinen van waarde, de gebufferde historische elementen en de zones met een verwachting op militaire relicten) zijn, behalve voor de andere daar voorkomende bestemmingen, mede bestemd voor de bescherming en veiligstelling van archeologische waarden.

10

Voor het bouwen overeenkomstig de regels voor de andere op deze gronden voorkomende bestemmingen dient de aanvrager van een omgevingsvergunning voor het bouwen van bouwwerken met een oppervlakte groter dan 50 m2 en een diepte van meer dan 30 cm ten opzichte van het maaiveld een rapport te overleggen waarin de archeologische waarden van de gronden die blijkens die aanvraag zullen worden verstoord, naar oordeel van het bevoegd gezag in voldoende mate zijn vastgesteld en waarin in voldoende mate is aangegeven op welke wijze de archeologische waarden worden bewaard en/of gedocumenteerd. Indien uit het onder a genoemde rapport blijkt dat de archeologische waarden van de gronden door het verlenen van de omgevingsvergunning zullen of kunnen worden verstoord, kan het bevoegd gezag één of meerdere van de volgende voorwaarden verbinden aan de omgevingsvergunning: a. De verplichting tot het treffen van technische maatregelen, waardoor ondanks de activiteit (althans uitvoering van een bouw- of aanlegplan), archeologische waarden in de bodem kunnen worden behouden. b. De verplichting tot het doen van opgravingen. c. De verplichting de werken of werkzaamheden die leiden tot de bodemverstoring, te laten begeleiden door een deskundige op het terrein van de archeologische monumentenzorg die voldoet aan door het bevoegd gezag bij de omgevingsvergunning te stellen kwalificaties.

Het bevoegd gezag kan een omgevingsvergunning verlenen voor het afwijken indien de archeologische waarde van het terrein in andere beschikbare informatie afdoende is vastgesteld naar het oordeel van het bevoegd gezag. Afwijking vigerend omgevingsplan Het plan ziet op de oprichting van woningen op een plek waar thans geen bouwvlak aanwezig is en uitbreiding van het aantal aanwezige woningen niet is toegestaan. Daarmee voldoet het plan primair niet aan de regels van het vigerende omgevingsplan. 1.4 Leeswijzer In de volgende hoofdstukken wordt aandacht besteed aan de verschillende aspecten van de ruimtelijke motivering. Hoofdstuk 1 bevat de inleiding. In hoofdstuk 2 wordt een beschrijving gegeven van de bestaande situatie. Hoofdstuk 3 geeft de visie op het plan in relatie tot de planlocatie en de directe omgeving. Hoofdstuk 4 behandelt het beleidskader. Het hoofdstuk 5 gaat in op de aspecten van het fysieke milieu en de leefomgeving. De maatschappelijke uitvoerbaarheid van het planvoornemen krijgt aandacht in hoofdstuk 6. De juridische aspecten worden toegelicht in hoofdstuk 7, het onderdelen financiële haalbaarheid komt aan bod in hoofdstuk 8. Hoofdstuk 9 tot slot bevat de conclusie.

11

2. BESCHRIJVING BESTAANDE SITUATIE Onderhavige planlocatie is gelegen in het zuiden van de kern Schijndel. In de directe omgeving bevinden zich diverse functies: wonen, bedrijvigheid en in agrarisch gebruik zijnde gronden. De Rooiseweg is een van de hoofdontsluitingswegen van Schijndel. Op navolgende afbeelding is de planlocatie in relatie tot haar omgeving weergegeven (bron: www.ruimtelijkeplannen.nl).

Navolgende foto’s betreffen een weergave van de huidige situatie. Achtereenvolgens is een weergave van het bestaande groene karakter in de vorm van houtwallen, de bestaande, te behouden boerderijwoning en de noordelijke grens van de planlocatie aan De Hooghekke (bron: Buro Lubbers).

12

13

3. PLANBESCHRIJVING: RUIMTELIJKE STRUCTUUR EN BEELKWALITEIT Vanwege de ligging van de planlocatie mag deze met recht een afronding van de kernrand worden genoemd. Hier gaan het landelijk gebied en stedelijk gebied in elkaar over. De locatie betreft een ruim opgezet stuk grond welke voldoende ruimte biedt voor de oprichting van de geplande woningen, inclusief bijbehorende infrastructurele (parkeer- en verkeers)voorzieningen en groen- en landschapsinrichting. Bij de vormgeving van het bouwontwerp is een eerste opzet gemaakt voor de ontwikkeling van de woningen. Er is rekening gehouden met de wensen van initiatiefnemer en de voorwaarden gesteld door gemeente Meierijstad. Buro Lubbers (bijlagen 1 en 2) en Bouwstudio DEUX (bijlage 3) hebben een stedenbouwkundig, landschappelijk en architectonisch plan gemaakt met een divers aanbod aan 58 woningen en passend bij de kernrand van Schijndel. Het diverse aanbod uit zich onder meer in de woningtypen met bijbehorende prijscategorieën. Deze is als volgt:

De verdeling van de woningen is af te leiden uit navolgend kaartbeeld. De huidige boerderijwoning blijft behouden en wordt gesplitst in twee wooneenheden en een appartementenblok is ingetekend aan de zuidoostzijde van de planlocatie.

14

(bron: Buro Lubbers)

15

Navolgende afbeeldingen betreffen impressies en sfeerbeelden van het woningbouwplan (bron: Bouwstudio DEUX).

16

Aansluitend op voorgaande afbeeldingen is het initiatiefnemer er alles aan gelegen om de woningen in een groene setting op te richten. Navolgende voorbeelden worden zoveel als mogelijk geïmplementeerd op de planlocatie.

17

Het nieuwbouwplan zal voor het autoverkeer bereikbaar zijn via de Rooisweg (westzijde) en het Hooghekke. Per woning is ruimte gecreëerd voor voldoende parkeerplekken om zodoende aan de parkeernorm te voldoen. Een en ander wordt nader toegelicht in paragraaf 5.14. Verder sluiten de woningen en de planlocatie aan op de uitgangspunten en doelstellingen op het gebied van biodiversiteit, klimaatadaptatie, hittestress, duurzaamheid en waterberging. Dit uit zich onder meer in groeninrichting, de integratie van de waterberging en zonnepanelen op de daken. In totaliteit vormt het planconcept een passende, evenwichtige en hedendaagse invulling voor deze thans, grotendeels, zonder bebouwing ingevulde locatie. Het bouwplan zal met respect voor de bestaande woonomgeving worden opgericht.

18

Beeldkwaliteitsplan Het stedenbouwkundig plan van Buro Lubbers (zie bijlage 1) en de impressies van Bouwstudio DEUX (zie bijlage 3) gelden tevens als beeldkwaliteitsplan. Het beeldkwaliteitsplan maakt onderdeel uit van de onderhavige ruimtelijke motivering en dient als uitgangspuntendocument en inspiratiebron te worden ingezet bij het verdere ontwerp van de woningen en de openbare ruimte binnen dit gebied. Tevens dient het stuk als toetsingskader voor de welstandcommissie bij de beoordeling van de omgevingsvergunning(en). De voorgestane ontwikkeling steunt zodoende de waarborging van de stedenbouwkundige en architectonische uitgangspunten en daarmee de ruimtelijke karakteristiek en identiteit ter plaatse. Landschappelijke inpassing en kwaliteitsverbetering Landschappelijke inpassing Uit een landschappelijk inpassingsplan dient te blijken dat de voorgestane ruimtelijke ontwikkeling de natuur- en landschappelijke waarden ter plaatse niet schaden. Een landschappelijk inpassingsplan voorziet in een ontwikkeling in natura, waarmee aan de voorwaarden wordt voldaan die de provincie en gemeente stellen aan ontwikkelingen in het buitengebied. Met het landschappelijk inpassingsplan wordt aangesloten op de bestaande situatie en de potentiële waarden en kwaliteiten in en rond het plangebied. Deze zijn door middel van een bureaustudie en een veldbezoek geïnventariseerd.

Verantwoord is hoe de gewenste ontwikkeling op een duurzame manier in de bestaande situatie kan worden geïntegreerd en er tevens sprake is van een zorgvuldige afgewogen en duurzame afronding van het stedelijk gebied. De 3-30-300-regel Deze regel is een richtlijn voor stedelijke vergroening die stelt dat elke bewoner vanuit huis minstens 3 bomen moet kunnen zien, dat de buurt een 30% kroonbedekking moet hebben, en dat iedereen binnen 300 meter toegang moet hebben tot een park of andere groene ruimte. De regel is ontworpen om de gezondheid en leefbaarheid van steden te verbeteren door meer groen te creëren. Het plangebied staat vol met bestaande en nieuw te plaatsen bomen. Aan de 3 wordt ruimschoots voldaan. De 30% kroonbedekking zal eventueel nog nader berekend moeten worden; een grove inschatting maakt dat er ca. 120 stuks bomen uiteindelijk in het plangebied zullen staan, bestaand+nieuw te plaatsen. Het plangebied is ca. 1,2ha groot. 30% is dan 3.600m² kroonbedekking. Dat komt neer op ca. 30m² per boom. Dan moet een gemiddelde boom een kroon hebben met een diameter van ca. 6m. De diameter van een boomkroon varieert sterk

19

afhankelijk van de soort, leeftijd en groeiomstandigheden. Voor een gemiddelde boom kan de diameter bijvoorbeeld 8 tot 12 meter zijn. Aan de 30% kan worden voldaan. Het plangebied bevat naast private ook een publieke/openbare ruimte. Deze zal grotendeels groen ingericht worden. Aan de 300 wordt voldaan. Landschappelijke kwaliteitsverbetering Artikel 5.11 (kwaliteitsverbetering landschap) Omgevingsverordening Noord-Brabant bepaalt dat een omgevingsplan dat een ruimtelijke ontwikkeling mogelijk maakt in het landelijk gebied bepaalt dat die ruimtelijke ontwikkeling gepaard gaat met een fysieke verbetering van de landschappelijke kwaliteit van het gebied of de omgeving. Deze verbetering moet financieel, juridisch en feitelijk zijn geborgd in het plan. Voor de landschapsanalyse en uitwerking kwaliteitsverbetering van Buro Lubbers wordt verwezen naar bijlage 2. Perspectief Met de voorgenomen (her)ontwikkeling ontstaat een representatieve locatie die de ruimtelijke beeldkwaliteit van het gebied niet alleen in stand houdt, maar door de voorgenomen inpassing, vormgeving en bouwstijl van de beoogde bebouwing zelfs verbetert. Op deze wijze levert het initiatief een toegevoegde waarde aan het ruimtelijke omgevingskader en levert het daarmee tevens een positieve bijdrage aan de waarborging van de stedenbouwkundige en land(schapp)elijke karakteristiek en identiteit ter plaatse.

Geconcludeerd kan worden dat het herbestemmen in de vorm van het toevoegen van wooneenheden bijdraagt aan een ruimtelijke en visuele koppeling met de bestaande omliggende bebouwing en daarmee een positieve functionele invulling vormt. De voorgestane ontwikkeling steunt de waarborging van de stedenbouwkundige, land(schapp)elijke en architectonische uitgangspunten en daarmee de ruimtelijke karakteristiek en identiteit ter plaatse. Duurzaamheid Het planvoornemen is meetbaar en zichtbaar duurzaam van karakter. Navolgend is een weergave van de wijze waarop het planvoornemen als duurzaam op het gebied van people, planet, profit kan worden beoordeeld. •

People: In Schijndel is er behoefte aan nieuwe woningen. Het plan voorziet in nieuwe woningen voor verschillende doelgroepen waaronder sociaal huur, goedkope koop, levensloopbestendige woningen en duurdere woningen. Omwonenden van de

20

•

•

ontwikkeling worden in de gelegenheid gesteld om deel te nemen aan de omgevingsdialoog voor de ontwikkeling. Planet: Meer bewoners betekent ook meer verharding. Een deel hiervan wordt met een deugdelijke landschappelijke inpassing gecompenseerd. In het plan zal voldoende ruimte zijn voor groen en waterberging. Op het gebied van duurzaamheid zullen de woningen volgens de laatste duurzaamheidsnormen worden gerealiseerd. Dit biedt de mogelijkheid voor een duurzaam ontwerpen woonwijk met aardgasvrije woningen, zonnepanelen, oplaadpunten elektrische auto's etc. Profit: De bouw van de woonwijk zorgt voor werkgelegenheid.

Individuele lucht-water warmtepomp In dit project wordt gekozen voor een individuele lucht-water warmtepomp. Dit is een type warmtepomp dat warmte uit de buitenlucht haalt en die via een watercircuit (meestal in vloerverwarming, radiatoren of een boiler) afgeeft aan de woning. Er is gekozen voor individuele installaties omdat dit meer vrijheid, eenvoud en zelfstandigheid biedt. Energietransitie De toepassing van energietransitie in een nieuwbouwplan is van cruciaal belang voor het realiseren van duurzame, energie-efficiënte en milieuvriendelijke gebouwen. De energietransitie heeft als doel om over te stappen van traditionele, op fossiele brandstoffen gebaseerde energiebronnen, naar hernieuwbare en schone energiebronnen. Bij het ontwerpen en bouwen van een nieuwbouwproject is het daarom essentieel om vanaf het begin rekening te houden met innovatieve en duurzame energieoplossingen.

21

Een belangrijk aspect van de energietransitie in nieuwbouwplannen is de integratie van hernieuwbare energiebronnen. Voor onderhavig planvoornemen kan dit bestaan uit toepassing van zonnepanelen, gebruik maken van geothermische energie of beter omgaan met huishoudelijk water en hemelwater. Het implementeren van zonnepanelen op daken, het gebruik van geothermische warmtepompen en het beter omgaan met water kunnen bijdragen aan het verminderen van de afhankelijkheid van fossiele brandstoffen en het minimaliseren van de ecologische voetafdruk van het gebouw. Energie-efficiëntie speelt ook een sleutelrol in de energietransitie van nieuwbouwplannen. De woningbouw zal gecombineerd kunnen worden met toepassing van hoogwaardige isolatie, efficiënte ventilatiesystemen en geavanceerde verlichtingstechnologieën. Het verbruik van energie zal hierdoor aanzienlijk verminderen. De nieuwbouw draagt in ieder geval de volgende onderdelen van energietransitie met zich mee: de woningen worden gasloos opgericht en er worden extra PV-panelen (zonnepanelen) aangebracht.

Klimaatadaptatie Het integreren van klimaatadaptatie in een nieuwbouwplan is een tweede, essentieel belang om te anticiperen op de steeds veranderende klimaatomstandigheden en de impact ervan op de gebouwde omgeving. Klimaatadaptatie omvat maatregelen die ervoor zorgen dat gebouwen en hun omgeving veerkrachtiger zijn tegen extreme weersomstandigheden, zoals overmatige regenval, hittegolven en overstromingen. Een belangrijke focus bij het ontwerpen van nieuwbouwprojecten met klimaatadaptatie in het achterhoofd is watermanagement. Voorbeeld van maatregelen zijn de toepassing van groene daken, regenwaterinfiltratiesystemen en strategisch geplaatste waterretentiegebieden. Door deze maatregelen te integreren, kan overtollig regenwater effectief worden afgevoerd, overstromingsrisico's worden verminderd en de belasting van het rioleringssysteem worden verlicht. Onderhavig planvoornemen heeft een uitbreiding van verhard oppervlak ten aanzien van de huidige braakliggende situatie tot gevolg. De overige ruimte is groen van karakter en omvat dan ook een bovengemiddelde infiltratiecapaciteit voor hemelwater (bergen en infiltreren) en heeft met de groenvoorziening een positieve bijdrage ter voorkoming van hittestress. Voort wordt een afkoppeling van de hemelwaterafvoer geïntegreerd, wordt de openbare ruimte ingericht met veel groen en parkeren op halfverharding, er zal worden voldaan aan de

22

maximum MPG-waarde (MilieuPrestatie gebouwen) volgens bouwbesluit waarbij ook het plan getoetst wordt aan de BCI (Building Circularity Index). Natuurinclusief Bouwen Het doel van natuurinclusief bouwen is om de leefomgeving voor mens en dier te verbeteren door in het ontwerp, tijdens de bouw en in het gebruik kwalitatieve ruimte te bieden aan planten, dieren en insecten. In het Project Rooiseweg wordt op de navolgende wijze aandacht geschonken aan natuurinclusief bouwen: Het project behelst o.a. veel biodivers groen (bijv. bijvriendelijke bloemen en struiken met bessen) en bomen, een viertal wadi’s, een half verharding voor het parkeren en een takkenril (een natuurlijke haag of een haag van gestapelde takken/snoeihout) aan de oostzijde van het plangebied ten behoeve van de aanwezige steenmarters (tijdens de bouw zal er voorzien worden in een tijdelijke voorziening voor de steenmarters door de aanleg van een viertal zogenaamde marterhopen). Het bestaande groene karakter van de locatie blijft dus behouden en de bewoners zullen dat straks ook gaan ervaren. Ze komen letterlijk dichter bij de natuur te staan. Hittestress wordt voorkomen door het in ruime mate aanwezige groen in het plan en het zorgvuldige ontwerp van de woningen m.b.t. de TO-juli. Het vele groen zorgt ook voor een betere luchtkwaliteit en binding van CO2.

Klimaatadaptatie is voor wat betreft eventuele hevige regenval geregeld d.m.v. aanwezige de wadi’s en de half verharding. Verder zal nog aandacht worden geschonken aan de verlichting in het gebied (‘lichtvervuiling’ in de nacht zal zoveel als mogelijk voorkomen worden). Nestkasten in/aan de gevels van de woningen zijn optioneel.

23

4. BELEIDSTOETS 4.1 Inleiding In het kader van de ruimtelijke motivering is onderzocht of het hiervoor beschreven planinitiatief past binnen het geldende beleid op nationaal, provinciaal en gemeentelijk niveau. In dit hoofdstuk komen de bevindingen met betrekking tot het relevante ruimtelijke beleid aan de orde 4.2 Rijksbeleid Nationale Omgevingsvisie (NOVI) Toetsingskader De Nationale Omgevingsvisie (NOVI) is de langetermijnvisie van het Rijk op de toekomstige inrichting en ontwikkeling van de leefomgeving in Nederland. In Nederland staan we voor een aantal dringende maatschappelijke opgaven. Denk aan periodes van droogte, afgewisseld met extreme regenval, de zeespiegelstijging, de overgang naar duurzame energie en de ruimte die nodig is voor windmolens en zonnepanelen. Of de bouw van 1 miljoen nieuwe woningen om het woningtekort op te lossen, de groei en het bereikbaar houden van steden en plekken voor distributiecentra. Denk ook aan het versterken van onze natuur en biodiversiteit, het behoud van ons landschap en de vitaliteit van onze landbouw. Dit zijn voorbeelden van grote, ingewikkelde opgaven. Deze opgaven kunnen niet meer apart van elkaar worden opgelost. Ze moeten in samenhang bekeken worden. Ze grijpen in elkaar en vragen meer ruimte dan beschikbaar is in Nederland.

De NOVI geeft weer voor welke uitdagingen we staan, wat daarbij de nationale belangen zijn, welke keuzes we maken en welke richting we meegeven aan decentrale keuzes. Die keuzes hangen samen met de toekomstbeelden van de fysieke leefomgeving, de maatschappelijke opgaven en economische kansen die daarbij horen. Met de Nationale Omgevingsvisie geeft het Rijk een langetermijnvisie om de grote opgaven aan te pakken. Om samen ons land mooier en sterker te maken en daarbij voort te bouwen op het bestaande landschap en de (historische) steden. De NOVI is tot stand is gekomen in nauwe samenwerking met provincies en gemeenten, waterschappen, maatschappelijke partijen en burgers. Hoe werkt de NOVI? Het versterken van de omgevingskwaliteit staat in de NOVI centraal. Dat wil zeggen dat alle plannen met oog voor de natuur, gezondheid, milieu en duurzaamheid gemaakt moeten worden. De NOVI maakt bij het maken van keuzes gebruik van drie afwegingsprincipes: • Combinaties van functies gaan voor enkelvoudige functies,

24

• •

Kenmerken en identiteit van een gebied staan centraal, en Afwentelen wordt voorkomen.

Belangrijkste keuzes in de NOVI • een klimaatbestendige inrichting van Nederland. Dat betekent dat we Nederland zo inrichten dat ons land de klimaatveranderingen aankan. Daarvoor is nodig dat we functies meer in evenwicht met natuurlijke systemen (bodem en water) inpassen. Een voorbeeld hiervan is het op termijn verhogen van grondwaterstanden in veenweidegebieden; • de verandering van de energievoorziening. Bij de inpassing van duurzame energie hebben we oog voor omgevingskwaliteit. Een voorbeeld hiervan is dat we eerst kijken naar ongebruikte daken om zonnepanelen op te plaatsten; • de overgang naar een circulaire economie, waarbij we tegelijk goed kunnen blijven concurreren en een aantrekkelijk vestigingsklimaat bieden. Een voorbeeld is het aanpassen van productieprocessen en het gebruik van reststoffen in het haven- en industriegebied; • de ontwikkeling van het Stedelijk Netwerk Nederland. Hiermee sturen we op een goed bereikbaar netwerk van steden. We gebruiken zo de ambities en mogelijkheden in steden en regio’s in heel Nederland.

Voorbeelden van regionale uitwerking hiervan zijn de verstedelijkingsstrategieën, waarin vooruitgekeken wordt hoe verschillende ruimtelijke functies in en rondom steden het beste ingepast kunnen worden; • het bij elkaar plaatsen van zogenaamde logistieke functies (bijvoorbeeld distributiecentra, datacenters) om hiermee de openheid en de kwaliteit van het landschap te behouden. We maken daarbij gebruik van een voorkeursvolgorde logistieke functies; • het toekomstbestendig maken van het landelijk gebied in goed evenwicht met de natuur en landschap. We werken bijvoorbeeld aan de overgang naar de kringlooplandbouw zodat gebruik van de grond meer wordt afgestemd op de natuurlijke water- en bodemsystemen. Uitvoering van de NOVI Bij de NOVI hoort een Uitvoeringsagenda. Hierin staat hoe het Rijk samen met medeoverheden en de samenleving uitvoering geeft aan de NOVI. In de Uitvoeringsagenda staat een overzicht van instrumenten voor de verschillende beleidskeuzes uit de NOVI. Het Rijk werkt de NOVI uit in algemene rijksregels, bestuurlijke afspraken, beleidsprogramma’s, inzet van financiële middelen en kennisontwikkeling en werkt gebiedsgericht met Omgevingsagenda’s en NOVI-gebieden.

25

Doorwerking plan(locatie) Voorliggend plan voorziet in het realiseren van een woonlocatie met in totaal 58 woningen. Het plan draagt bij aan de opgave om tussen 2020 en 2035 circa 1,1 miljoen woningen toe te voegen aan de bestaande Nederlandse woningvoorraad. Met deze ontwikkeling wordt zorg gedragen voor een woningvoorraad die aansluit op de woonbehoeften. Hierbij worden kwaliteit en bereikbaarheid onder meer als uitgangspunten genomen, waardoor een goede leefomgevingskwaliteit gerealiseerd kan worden. Daarnaast wordt bij het realiseren van de woonwijk rekening gehouden met het veranderende klimaat en wordt middels diverse maatregelen ervoor gezorgd dat er sprake is van een klimaatbestendige ontwikkeling. Op deze manier draagt het planvoornemen bij aan de nationale doelstelling om de gebouwde omgeving in 2050 CO2-arm, klimaatbestendig en natuurinclusief te maken. Bovendien blijkt uit diverse uitgevoerde onderzoeken dat de ontwikkeling geen negatieve omgevingseffecten op onze gezondheid heeft. Hiermee wordt een gezonde en veilige fysieke leefomgeving gewaarborgd. De voorliggende planlocatie is verder niet gelegen in een gebied waarvoor van rijkswege een (relevante) ruimtereservering geldt.

Uitsluitend het nationale belang van een ‘zorgvuldige afweging en transparante besluitvorming bij alle ruimtelijke en infrastructurele besluiten’, als vervat in de ladder voor duurzame verstedelijking, is van toepassing op de onderhavige ruimtelijke motivering. Aan dit belang wordt navolgend getoetst. Conclusie Aspecten als water, veiligheid, cultuurhistorie en ruimtelijke kwaliteit vormen onderdeel van de planologische toets. Daarmee is het plan niet in strijd met het rijksbeleid. Ladder voor duurzame verstedelijking (artikel 5.129g Besluit kwaliteit leefomgeving) Toetsingskader De Ladder voor duurzame verstedelijking heeft zorgvuldig ruimtegebruik als doel. De Ladder geeft invulling aan het zorgvuldig en transparant afwegen van besluitvorming bij ruimtelijke ontwikkelingen. De behoefte wordt aan de toelichting van een omgevingsplan toegevoegd. Dit op basis van artikel 5.129g van het Besluit kwaliteit leefomgeving (Bkl). Het procesvereiste van het doorlopen van de Ladder is gebaseerd op één van de nationale belangen als opgenomen in de SVIR, opgesteld door het Rijk. Dit nationale belang houdt in dat, ten behoeve van een goed systeem van ruimtelijke ordening, een zorgvuldige afweging en transparante besluitvorming bij ruimtelijke besluiten plaats dient te vinden. Deze zorgvuldige afweging heeft tot doel om, vanuit een oogpunt van zuinig en zorgvuldig

26

ruimtegebruik, planologisch ongewenste versnippering en een onaanvaardbare leegstand te voorkomen. De Laddertoets moet worden uitgevoerd wanneer er sprake is van een nieuwe stedelijke ontwikkeling. Als stedelijke ontwikkeling wordt genoemd: een ruimtelijke ontwikkeling van een bedrijventerrein of zeehaventerrein, of van kantoren, detailhandel, woningbouwlocaties of andere stedelijke voorzieningen. Of er sprake is van een stedelijke ontwikkeling wordt bepaald door de aard en omvang van de ontwikkeling in relatie tot de omgeving. Voor woningbouwlocaties geldt volgens de overzichtsuitspraak dat 'in beginsel' sprake is van een nieuwe stedelijke ontwikkeling als er meer dan 11 woningen gerealiseerd worden. Voor wonen is daarmee de lijn dat er vanaf 12 woningen sprake is van een stedelijke ontwikkeling. In artikel 5.129g Besluit kwaliteit leefomgeving staat de instructieregel dat de Ladder wordt toegepast bij een nieuwe stedelijke ontwikkeling. Een stedelijke ontwikkeling is de ontwikkeling of uitbreiding van een bedrijventerrein, een zeehaventerrein, een woningbouwlocatie, kantoren, een detailhandelsvoorziening of een andere stedelijke voorziening die voldoende substantieel is. De Laddertoets geldt alleen voor ‘nieuwe’ stedelijke ontwikkelingen. Beoordeeld moet dan worden of sprake is van een nieuw beslag op de ruimte.

Daarvan is in het beginsel sprake als het nieuwe ruimtelijke besluit meer bebouwing mogelijk maakt dan er op grond van het voorheen geldende planologische regime aanwezig was of kon worden gerealiseerd. Daarnaast volgt uit jurisprudentie dat wanneer het een functiewijziging betreft, moet worden beoordeeld of er sprake is van een naar aard en omvang zodanige functiewijziging dat desalniettemin gesproken kan worden van een nieuwe stedelijke ontwikkeling. Daarbij moet ook et ruimtebeslag betrokken worden. In de nieuwe Ladder is het woord 'regionale' niet meer aanwezig. De Ladder bepaalt niet nader voor welk gebied de behoefte in beeld moet worden gebracht. Het is primair aan het bevoegd gezag om op basis van het ruimtelijk verzorgingsgebied van de stedelijke ontwikkeling te bepalen tot welk gebied de beschrijving van de behoefte zich moet uitstrekken. De aard en omvang van de stedelijke ontwikkeling bepaalt op welk niveau de afweging moet worden gemaakt. De ruimtelijke motivering van het planvoornemen moet een beschrijving bevatten van de behoefte aan de nieuwe stedelijke ontwikkeling die mogelijk wordt gemaakt. Daarbij is het

27

niet relevant of de planlocatie binnen of buiten bestaand stedelijk gebied ligt. In beide gevallen dient de ruimtelijke motivering een beschrijving van de behoefte te bevatten. Als bestaand stedelijk gebied wordt aangemerkt: bestaand stedenbouwkundig samenstel van bebouwing ten behoeve van wonen, dienstverlening, bedrijvigheid, detailhandel of horeca, alsmede de daarbij behorende openbare of sociaal culturele voorzieningen, stedelijk groen en infrastructuur. Uit de definitie volgt dat er sprake moet zijn van een stedenbouwkundig samenstel van bebouwing. In de Nota van Toelichting wordt opgemerkt dat de kwalificatie bestaand stedelijk gebied afhangt van de omstandigheden van het geval, de specifieke ligging, de feitelijke situatie, het omgevingsplan en de aard van de omgeving. Doorwerking plan(locatie) Voorliggend plan voorziet in het realiseren van een woonlocatie met in totaal 58 woningen in het buitengebied van Schijndel. Hiermee is er sprake van een ontwikkeling buiten bestaand stedelijk gebied. Het planvoornemen moet worden gezien als een ‘nieuwe stedelijke ontwikkeling'. Met het realiseren van in totaal 58 woningen wordt ingespeeld op de provinciale behoefte om 120.000 nieuwe woningen in Noord-Brabant te realiseren. Specifiek voor Schijndel draagt het plan bij aan de woningbehoefte van 1250 woningen in Schijndel.

Het plan is in lijn met de uitgangspunten en doelstellingen van het 'Actieplan woningbouw – Woningbouwoffensief Meierijstad' waarbij ook op uitbreidingslocaties mag worden gebouwd om op korte termijn te voldoen aan de woningbouwbehoefte. Het planvoornemen kent een divers programma voor verschillende doelgroepen. Tot 2035 ligt er een opgave om binnen de kern Schijndel circa 1250 woningen te realiseren. De ruimte ontbreekt voor het realiseren van de benodigde aantallen woningen binnen de kern. Eerder is daarom al aangegeven dat naar uitbreidingslocaties tegen de kern moet worden gezocht om in de woningbouwbehoefte te kunnen voorzien. Vanwege de grote vraag om woningen te realiseren in Schijndel is in de Structuurvisie Schijndel uit 2012 en de Ruimtelijke Bouwsteen voor Schijndel uit 2020 de locatie benoemd als potentiële uitbreidingslocatie voor woningbouw. Door het saneren van de overige bebouwing ter plaatse van Rooiseweg is het mogelijk om aan de zuidrand van Schijndel een afronding te creëren richting de Structuurweg en het buitengebied. Het programma sluit aan op de gewenste verdeling in nieuwbouwprojecten, zoals genomen in de Woonzorgvisie. Meer dan 50% van het woningbouwprogramma bestaat uit sociale huur of goedkope koop.

28

Onderhavig plangebied ligt aan de zuidzijde van de kern Schijndel en grenst direct aan het bestaande stedelijke gebied en ‘overschrijft’ grotendeels als het ware een bestaande woonbestemming. Hoewel bij het realiseren van nieuwe woningen de voorkeur bij inbreidings- en transformatielocaties in bestaand stedelijk gebied ligt, is dit bij voorliggend initiatief, gezien de aard en omvang, niet mogelijk. Een ontwikkeling van deze omvang is niet mogelijk binnen inbreidings- en transformatielocaties. Aangezien de ontwikkeling voorziet in een groot deel van de woningbehoefte binnen Schijndel, Meijerijstad en Noord-Brabant, wordt de planlocatie toch als een geschikte locatie gezien. Voorliggend plangebied is bovendien gelegen in de 'Ruimtelijke bouwsteen voor Schijndel' aangemerkt als gebied met 'Visie woninguitbreiding toekomst'. Het plan doet geen afbreuk aan de doelstellingen en uitgangspunten, zoals verwoord in de beleidsstukken van de gemeente Meierijstad. Het voorliggende woningbouwplan is derhalve in overeenstemming met de gemeentelijke prioriteiten, beleidsdoelstellingen en uitgangspunten. Verwezen wordt naar paragraaf 4.4 (gemeentelijk beleid). Conclusie Onderhavige planontwikkeling voldoet aan de uitgangspunten en doelstellingen van de ladder voor duurzame ontwikkeling: zuinig en zorgvuldig ruimtegebruik.

4.3 Provinciaal beleid Omgevingsvisie Noord-Brabant en TAM-Omgevingsverordening Noord-Brabant Provinciale Staten van de provincie Noord-Brabant hebben op 14 december 2018 de Omgevingsvisie Noord-Brabant vastgesteld. Met deze Omgevingsvisie geeft de provincie richting aan wat zij voor de provincie Noord-Brabant wil bereiken en biedt daarmee handvatten voor haar handelen in de praktijk. De Omgevingsvisie bevat de belangrijkste provinciale ambities voor de fysieke leefomgeving voor de komende jaren. Volgens de Omgevingswet (Ow) staan de waarden veiligheid, gezondheid en duurzame omgevingskwaliteit centraal. De Omgevingsvisie Noord-Brabant voegt daar ambities aan toe voor vier hoofdopgaven: de energietransitie, een klimaatproof Brabant, Brabant als slimme netwerkstad en een concurrerende, duurzame economie. De visie geeft daarbij richting aan deze opgaven vanwege de ingrijpende veranderingen waarmee zij gepaard gaan. Daarnaast geeft de Omgevingsvisie ook aan op welke nieuwe manieren de provincie met betrokkenen wil samenwerken aan omgevingsvraagstukken en welke waarden daarbij centraal staan. De visie zal komende jaren nader worden uitgewerkt

29

in diverse programma's. Er is ook een TAM-Omgevingsverordening Noord-Brabant vastgesteld. Die wordt hierna behandeld. Hoofddoelstellingen van de Omgevingsvisie Noord-Brabant en de TAMOmgevingsverordening Noord-Brabant zijn ‘zuinig ruimtegebruik’ met daaraan gekoppeld de ‘concentratie van verstedelijking’. De accenten moeten hierbij liggen op ‘inbreiding’ en ‘herstructurering’. Concentratie van verstedelijking De provincie stuurt op concentratie van verstedelijking: het is belangrijk dat er verschil bestaat en blijft bestaan tussen de steden en dorpen. De stedelijke structuur bestaat uit de steden en dorpen in Noord-Brabant en is onderverdeeld in ‘concentratiegebieden’ en ‘overig stedelijk gebied’. In concentratiegebieden wordt de bovenlokale groei van verstedelijking opgevangen. Daarnaast moet hier een hoog voorzieningenniveau geboden worden, waardoor de (suburbane) kernen en dorpen buiten het concentratiegebied het huidige (landelijke) karakter behouden. In overig stedelijk gebied is grootschalige verstedelijking ongewenst. Wel kan hier voor de eigen behoefte gebouwd worden. Naast concentratie van verstedelijking wil de provincie binnen de stedelijke structuur het volgende bereiken: • zorgvuldig ruimtegebruik; • meer aandacht voor ruimtelijke kwaliteit; • betere verknoping van stedelijke ontwikkelingen aan de infrastructuur; • versterking van de economische kennisclusters.

Voor onderhavig initiatief spelen de elementen ‘zorgvuldig ruimtegebruik’ en ‘meer aandacht voor ruimtelijke kwaliteit’ een rol. Zorgvuldig ruimtegebruik De provincie wil dat de kansen voor functiemenging, inbreiding, herstructurering en zo nodig transformatie in het stedelijk gebied goed worden benut, inclusief de mogelijkheden voor intensivering en meervoudig ruimtegebruik. Hierdoor is minder ruimte nodig voor stedelijke uitbreidingen. Het ‘aansnijden van nieuwe ruimte’ voor verstedelijking wordt in samenhang bezien met deze mogelijkheden. Door meer aandacht te schenken aan beheer en onderhoud van het bestaand stedelijke gebied worden in de toekomst ingrijpende herstructureringen voorkomen.

30

Meer aandacht voor ruimtelijke kwaliteit Karakteristieke verschillen tussen dorpen en steden vervagen. Uitbreidingswijken en werklocaties in steden en dorpen gaan steeds meer op elkaar lijken. De provincie wil dat nieuwe ontwikkelingen meer inspelen op het karakter en de kwaliteit van de plek. Door bij stedelijke ontwikkelingen uit te gaan van het verschil in omvang en karakter van de verschillende kernen, wordt het contrast tussen stad en dorp behouden. Dit versterkt de identiteit en aantrekkelijkheid van kernen en hun relatie met het omliggende landschap. Instructieregels Provincie Artikel 8.0b, eerste lid, van het Bkl bepaalt dat bij een aanvraag om een buitenplanse omgevingsvergunning de instructieregels in hoofdstuk 5 van het Bkl, de provinciale instructieregels en eventuele instructies (Omgevingsverordening Noord-Brabant) het beoordelingskader vormen van een buitenplanse omgevingsplanactiviteit. Uit het tweede lid van artikel 8.0b van het Bkl volgt dat de omgevingsvergunning voor een buitenplanse omgevingsplanactiviteit geweigerd wordt als: a. de activiteit zou leiden tot een situatie die niet is toegelaten op grond van instructie(regel)s; b. de omgevingsplanactiviteit betrekking heeft op een voorbeschermingsregel in het omgevingsplan (opvolger van het voorbereidingsbesluit); c.

de omgevingsplanactiviteit het uitvoeren van een project waarvoor een projectbesluit is vastgesteld door provincie of Rijk, belemmert. Omgevingsverordening Noord-Brabant Provinciale Staten kunnen bij omgevingsverordening regels stellen over de uitoefening van taken of bevoegdheden aan de gemeente (instructieregels). De instructieregels in hoofdstuk 4 van de Omgevingsverordening Noord-Brabant hebben tot doel dat de gemeenteraad (of in een voorkomend geval het college van burgemeester en wethouders) de inhoud van de regels betrekt bij de vaststelling van een omgevingsplan. Soms bevatten de instructieregels afwegingscriteria en soms concrete voorwaarden. Dat is afhankelijk van het onderwerp en het doel waarvoor de regel is gesteld. De instructieregels uit hoofdstuk 4 van de Omgevingsverordening Noord-Brabant zijn ook van toepassing op een: buitenplanse omgevingsplanactiviteit; projectbesluit. Voor de buitenplanse omgevingsplanactiviteit bepaalt de wet dat de instructieregels uit deze verordening gelden als beoordelingsregel voor de vergunningverlening.

31

TAM-Omgevingsverordening Noord-Brabant Het beleid uit de Omgevingsvisie Noord-Brabant is verwerkt in de regels die zijn opgenomen in de TAM-Omgevingsverordening Noord-Brabant van de provincie. De onderwerpen die in de verordening staan komen dus uit de provinciale omgevingsvisie. Daarin staat welke belangen de provincie wil behartigen en hoe ze dat wil doen. De verordening is daarbij één van de manieren om die provinciale belangen veilig te stellen. In de verordening is een aantal aspecten opgenomen die van toepassing zijn op onderhavig plan. Deze zullen hierna worden besproken. De provincie wil de ruimtelijke kwaliteit van Noord-Brabant bevorderen. Dit betekent dat nieuwe ontwikkelingen een bijdrage moeten leveren aan de kernkwaliteiten van NoordBrabant. De provincie biedt ontwikkelingsruimte in het buitengebied, mits een ontwikkeling bijdraagt aan een versterking van de ruimtelijke kwaliteit. Nieuwe ontwikkelingen bieden een kans voor behoud en ontwikkeling van het landschap. Het ontwikkelen van landschap reikt verder dan het behouden wat er is, ontwikkelen van het landschap gaat ook om het toevoegen van nieuwe ruimtelijke kwaliteiten.

De basisprincipes voor een evenwichtige toedeling van functies In artikel 5.7 van de Omgevingsverordening Noord-Brabant (hierna: Ov) is opgenomen dat een plan bij de evenwichtige toedeling van functies invulling geeft aan een goede omgevingskwaliteit met een veilige, gezonde leefomgeving. Voor het realiseren daarvan wordt toepassing gegeven aan: 1. Zorgvuldig ruimtegebruik (art. 5.8 Ov); 2. De lagenbenadering (art. 5.9 Ov);

32

3. Meerwaardecreatie (art. 5.10 Ov). 1. Zorgvuldig ruimtegebruik Zorgvuldig ruimtegebruik houdt in dat de toedeling van functies in beginsel plaatsvindt binnen bestaand ruimtebeslag (bestaand stedelijk gebied of een bestaand bouwperceel) voor bebouwing, bij stedelijke ontwikkeling toepassing is gegeven aan de ladder voor duurzame verstedelijking en gebouwen, bijbehorende bouwwerken en andere permanente voorzieningen worden geconcentreerd binnen een bouwperceel. 2. De lagenbenadering De toepassing van de lagenbenadering omvat het effect van de ontwikkeling op de lagen in onderlinge wisselwerking met elkaar en het actief benutten van de factor tijd. De lagenbenadering omvat de effecten op: • de ondergrond, zoals de bodem, het grondwater en archeologische waarden • de netwerklaag, zoals infrastructuur, natuurnetwerk, energienetwerk, waterwegen, waaronder een goede, multimodale afwikkeling van het personen- en goederenvervoer. • de bovenste laag zoals cultuurhistorische en landschappelijke waarden, de omvang van de functie en de bebouwing, de effecten op bestaande en toekomstige functies, de effecten op volksgezondheid, veiligheid en milieu. Door de factor tijd actief te benutten wordt rekening gehouden met de herkomstwaarde, vanuit het verleden, de (on)omkeerbaarheid van optredende effecten en de toekomstwaarde gelet op duurzaamheid en toekomstbestendigheid. 3.

Meerwaardecreatie Meerwaardecreatie omvat een evenwichtige benadering van de economische, ecologische en sociale aspecten die in een gebied en bij een ontwikkeling zijn betrokken, waaronder de mogelijkheid om opgaven en ontwikkelingen te combineren waardoor er meerwaarde ontstaat en ook de bijdrage van een ontwikkeling aan andere opgaven en belangen dan die rechtstreeks met de ontwikkeling gemoeid zijn. De fysieke verbetering van de landschappelijke kwaliteit, bedoeld in artikel 5.11 Ov kan deel uitmaken van de meerwaardecreatie. Doorwerking plan(locatie) 1. Zorgvuldig ruimtegebruik

33

Onderhavige planontwikkeling voldoet aan de uitgangspunten en doelstellingen van de ladder voor duurzame ontwikkeling: zuinig en zorgvuldig ruimtegebruik. Verwezen wordt naar de Laddertoets, zoals opgenomen in paragraaf 4.2. 2. De lagenbenadering Ten behoeve van deze ontwikkeling is de lagenbenadering uitgevoerd; zie hiervoor op de eerste plaats het stedenbouwkundig plan en de landschapsanalyse, zoals uitgevoerd door Buro Lubbers (bijlage 1). Uit de lagenbenadering blijkt dat een stedelijke ontwikkeling binnen het plangebied voorstelbaar is. De aanwezige waarden en structuren in en om het plangebied zijn daarbij in acht genomen. In het stedenbouwkundig plan voor deze uitbreiding is rekening gehouden met de aanwezige cultuurhistorische en landschappelijke waarden binnen het plangebied. Daarbij wordt tevens aangesloten op waarden en structuren uit de directe omgeving. Het stedenbouwkundig plan is middels zorgvuldige afweging tot stand gekomen. Verder zijn in hoofdstuk 5 van deze toelichting de effecten op onder andere de bodem, het grondwater, archeologische waarden, infrastructuur, natuurnetwerk, water, cultuurhistorische waarden en landschappelijke waarden beschreven. Hieruit blijkt dat met de beoogde ontwikkeling geen nadelige effecten aanwezig zijn.

Hiermee is de lagenbenadering onderbouwd en zijn de principes van water en bodem sturend en is tevens de klimaatonderlegger betrokken. Vanuit deze onderbouwing kan ook nader worden ingegaan op deze locatiekeuze voor woningbouw. Aandachtspunten: • Ontsluiting via het Hooghekke dient op een juiste wijze laten aansluiten op huidige wegenstructuur evenals het regionale fiets- en wandelnetwerk • Versterken groenstructuren; NNN-gebieden aan Noordzijde, groenstructuur Rooiseweg men houtwal westzijde behouden dan wel versterken in het ontwerp • Juiste aansluiting huidige waternetwerk; waterbergingsopgave in en rondom het gebied op juiste manier aansluiten en bergen. Wat betreft de effecten op de bovenste laag zijn de effecten op het milieu beschreven in hoofdstuk 5. Er zijn geen effecten op de bovenste laag. 3. Meerwaardecreatie • het realiseren van nieuwe woningen met een divers programma dat tegemoet komt aan de behoefte uit de regio; • het realiseren van nieuwe woningen die ingepast zijn in het landschap, waardoor er een kwalitatief hoogwaardige woonwijk ontstaat;

34

•

het realiseren van landschapselementen, die bijdragen aan het landschapstype én de ecologie.

De provincie onderscheidt een achttal thema’s waarin beleidsuitgangspunten zijn opgenomen. Deze thema’s zijn tevens in kaart gebracht. Onderstaande tabel illustreert welke thematische kaarten in principe van toepassing zijn op de planlocatie en welke niet. Thema / kaartnaam Milieubeschermingsgebied, natuur, water en wegen Aardkundige, cultuurhistorische en groenblauwe waarden Natuur en stiltegebieden Grondwaterbescherming, waterveiligheid en -berging Basiskaart Stedelijk gebied, Landelijk gebied, Natuur Netwerk Brabant. Specifieke ontwikkelingen en maatwerk in Landelijk gebied Watersystemen, -veiligheid en -berging Instructieregels gemeenten, waterschappen en Gedeputeerde Staten: infrastructuur

Van toepassing Ja Nee Nee Nee Ja Ja Ja Ja

Rechtstreeks werkende regels: milieubeschermingsgebieden, natuur, water en wegen Binnen het kaartbeeld ‘Rechtstreeks werkende regels: milieubeschermingsgebieden, natuur, water en wegen’ is de planlocatie aangeduid als ‘Verbod uitbreiding veehouderij’, ‘Diep grondwaterlichaam’ en ‘Geen attentiezone waterhuishouding’. Dit is geïllustreerd in navolgend kaartbeeld.

35

Voor een veehouderij die is gevestigd binnen de locatie Beperkingen veehouderij, wordt ingestemd dat het houden van vee planologisch wordt verboden op de locatie. Deze aanduiding is niet van toepassing op de huidige en toekomstige situatie alhier. Provinciale Staten van Noord-Brabant hebben op grond van Artikel 4.21 in het Besluit kwaliteit leefomgeving (Bkl) de verplichting om vanuit de Kaderrichtlijn Water en de Grondwaterrichtlijn om het grondwater dat nu en voor de toekomst geschikt is voor de winning van drinkwaterwater bestemd voor menselijke consumptie te beschermen. De onconventionele winning van koolwaterstoffen brengt risico's met zich mee, die de kwaliteit van het grondwater voor drinkwaterwinning dat bestemd is voor menselijke consumptie bedreigen. Omdat de risico's van deze onconventionele boringen naar koolwaterstoffenonbekend en wellicht onbeheersbaar zijn, is het nodig de grondwaterlichamen die geschikt zijn voor het onttrekken van water bestemd drinkwaterwinning voormenselijke consumptie te beschermen met een verbod. Een omgevingsplan ter plaatse van Attentiezone waterhuishouding strekt tot bescherming van de waterhuishouding en sluit functies en activiteiten uit die een negatief effect hebben op de hydrologische instandhoudingsdoelen van het hierbinnen gelegen Natuur Netwerk Brabant.

De tekst is automatisch uit het bestand gehaald en kan afwijken van het origineel (kolommen, tabellen en koppen lopen door elkaar). Het officiële stuk bij de gemeente is leidend. Bron: https://api1.ibabs.eu/publicdownload.aspx?site=Meierijstad&id=aaf56393-8c63-4b33-9a60-63cde8a08b4a