CConstaterende datMeierijstad
Koppel je AI →
Document · PDF

Bolst 1 en Het Broek 5 - Ruimtelijke onderbouwing + bijlagen

Raadsvergadering 29 september 2022, gemeente MeierijstadBij agendapunt: Gewijzigde vaststelling bestemmingsplan 'Ontwikkelplan Buitengebied Meierijstad'13.931 woorden

Open het PDF bij de gemeente ↗Naar de vergadering →

Tekst van het document

Uit het bestand gehaald, zonder opmaak, tabellen en afbeeldingen · deel 2 van 2

Oppervlaktewater In de omgeving van het plangebied zijn diverse sloten en greppels gelegen. In Figuur 16 zijn de Awatergangen (blauw) en de B-Watergangen weergegeven.

23

Figuur 16: Uitsnede Legger Oppervlaktewater Aa en Maas, rode stippellijn is het plangebied. Het plangebied Het Broek heeft aansluiting met een A- en B-watergang. Het kwaliteitsverbeteringsplan zoekt aansluiting bij de watergangen met een natuurvriendelijke oever. Het plangebied aan de Bolst is eveneens aan meerdere zijde omsloten door A- en B-watergangen. De bouwvlak vergroting en het omzetten van de aanduiding voor teeltondersteunende voorzieningen hebben geen invloed op de watergangen. In Figuur 17 is de ecologische verbindingszone die langs het plangebied loopt weergegeven. Deze loopt evenwijdig aan een A-watergang welke ten zuiden van het plangebied Bolst 1 loopt. Het onderhavige initiatief heeft echter geen betrekking op deze ecologische verbindingszone.

Figuur 17: Ecologische verbindingszone, plangebied Bolst 1: Bron: http://kaartbank.brabant.nl/viewer/app/Kaartbank/

24

4.3.4 Huidige en toekomstige situatie verharding Op de locatie Bolst 1 zijn al lage teeltondersteunende voorzieningen aanwezig. De wijziging van lage naar hoge teeltondersteunende voorzieningen wordt niet gezien als een toename in ‘verharding’. Daar waar het bouwvlak wordt vergroot zijn al reeds teeltondersteunende voorzieningen aanwezig, de realisatie van nieuwe huisvesting op deze locatie zorgt zodoende eveneens niet voor een toename aan verharding. De weg bij Het Broek 5 wordt verhard (1.155 m2). In het beleidsdocument ‘Hydrologische uitgangspunten bij de Keurregels voor afvoeren van hemelwater, Brabantse waterschappen’ wordt aangegeven dat een toename minder dan 2.000 m2 niet gecompenseerd hoeft te worden. De drainwaterbassins aan Het Broek 5 en de Bolst 1, leidingstelsel en opvangputten zijn reeds gerealiseerd en gemeld bij Waterschap. Alleen het water van trayvelden en containervelden wordt opgevangen en doormiddel van een buizensysteem afgevoerd naar de bassins. Op de Bolst wordt van de trayvelden echter alleen 5 mm per uur opgevangen. Dit betekend dat bij grote stortbuien het overtollig hemelwater niet opgangen wordt, dit overtollige regenwater wordt afgevoerd naar omliggende sloten, de initiatiefneemster houdt hier toezicht op.

Het water in de bassins wordt doormiddel van pompen gecirculeerd en doormiddel van filters in de pompen wordt het water gezuiverd, dit is op beide locaties het geval. 4.3.5 Hydrologisch neutraal ontwikkelen In aansluiting op het landelijk beleid hanteert het Waterschap en de gemeente Veghel het beleid dat bij nieuwe plannen altijd onderzocht dient te worden hoe omgegaan kan worden met het schone hemelwater. Om bij hevige regenval de kans op wateroverlast te verkleinen moet voldaan worden aan het principe van hydrologisch neutraal ontwikkelen. Hierbij worden de volgende afwegingsstappen doorlopen, waarbij optie 1 het meest wenselijk en optie 4 het minst wenselijk is: 1. 2. 3. 4.

Hergebruik; Vasthouden / infiltreren; Bergen; Afvoeren naar oppervlaktewater.

Bij de realisatie van nieuw verhard oppervlak moet uit berekeningen blijken hoeveel ruimte voor compenserende waterberging nodig is. De berging moet zo groot zijn dat er geen hydrologische knelpunten worden gecreëerd voor de huidige en toekomstige landgebruikfuncties in het plangebied en daarbuiten. Benodigde HNO berging Hemelwater op stellingteelt-percelen hoeft niet te worden opgevangen indien het ter plaatse kan infiltreren in de bodem. In onderhavige situatie valt het hemelwater op het gras tussen de stellingen. 4.3.6 Vuilwater Riolering Beide locaties zijn aangesloten op het vuilwaterriool. Naast het vuilwater van de bedrijfswoningen is hier ook het vuilwater van de huisvesting op aangesloten. Met de realisatie van nieuwe huisvestingsgebouwen wordt niet het aantal personen vergroot, er zal dus geen sprake zijn van groter volume aan te lozen afvalwater. Drainwater Drainwater afkomstig van aardbeienteelt wordt beschouwd als vuil water en moet worden opgevangen in een drainwaterbassin van minimaal 500 m3/ha met een overstortvoorziening voor de silo. Initiatiefneemster maakt gebruik van aanvullend gietwater (grondwater) met een natriumgehalte dat gelijkwaardig is aan hemelwater. De 50 m2/hectare voor de opvang van de First-flush van de permanente teeltondersteunende voorzieningen zijn inbegrepen in de 500 m3/ha.

Het drainwater van de aardbeienstellingen stroomt door middel van een leidingstelsel aan het eind van alle teelgoten naar de opvangputten. Vanuit de opvangputten wordt het door een ondergrondse leiding teruggepompt naar het drainwaterbassin bij de bedrijfsgebouwen van Het Broek 5 en de Bolst 25

1. Het drainwater wordt hergebruikt als druppelwater (continu proces). Initiatiefneemster maakt gebruik van een gesloten systeem. Het drainwaterbassin aan de Bolst 1 heeft een inhoud van 3.000 m3. Het drainwaterbassin aan de Het Broek 5 heeft een inhoud van 5.000 m 3. De maximale drain op een warme dag is ongeveer 10 m3 per hectare per dag. Het drainwaterbassin aan de Bolst 1 is voor 28,2 hectare teelt en aan Het Broek 5 voor 9,8 teelt. Voor de teelt op de Bolst 1 is dus maximaal 282 m3 drainwater per dag benodigd. Voor de teelt op en rond Het Broek 5 is dus maximaal 98 m3 drainwater per dag benodigd. Geconcludeerd kan worden dat beiden drainwaterbassins ruim voldoende groot zijn. Tabel 1: Beoordeling grootte drainwaterbassins Bolst 1 en Het Broek 5 Plangebieden

Benodigde drainwater per hectare op één warme dag

Hoeveelheid hectare tov

Benodigde drainwater per dag

Capaciteit drainwaterbassin

Bolst 1

10 m3

28,2 hectare

282 m3

3.000 m3

Het Broek 5 e.o.

10 m3

9,8 hectare

98 m3

5.000 m3

4.3.7 Toekomstige situatie overige waterhuishoudingkundige zaken Grondwater De (hoogst bekende) waterstand ter plaatse van de plangebieden is ca. 40 cm-mv. Gezien de gemiddeld hoogste grondwaterstand voor de plangebieden op 40 – 80 cm-mv ligt, kan geconcludeerd worden dat er voldoende drooglegging is en de bodem in principe geschikt is voor de beoogde ruimtelijke ontwikkeling. Tegengaan verdroging Mogelijke nadelige effecten ten aanzien van de verdroging als gevolg van de recirculatieplicht zijn onderzocht. Gebleken is dat er geen nadelige effectenoptreden. Door recirculatie wordt minder gronden leidingwater ingenomen door het bedrijf. De verminderde inname van grondwater gaat de verdroging tegen. Wateroverlastvrij bestemmen Gezien de situering van de percelen en de grondwaterstanden valt de locatie niet in een mogelijk overstromingsgebied. Voorkomen van vervuiling Om de kwaliteit van het hemelwater te garanderen dienen onderdelen welke met regenwater in aanraking kunnen komen, te worden vervaardigd of te bestaan uit niet-uitloogbare bouwmaterialen zoals kunststoffen of gecoat staal of aluminium. Het gebruik van niet uitlogende materialen is conform het advies van de Dubo-richtlijn (Duurzaam Bouwen).

In het Lozingenbesluit Bodembescherming staat dat niet verontreinigd hemelwater in principe in de bodem geïnfiltreerd kan worden of afgevoerd kan worden naar het oppervlaktewater, ook als dat in contact is geweest met oppervlakken zoals daken. Bij de bouw wordt geen gebruik gemaakt van onbehandelde uitlogende materialen zoals koper, zink en lood, teerhoudende dakbedekking (PAK’s) en van met verontreinigde stoffen verduurzaamd hout. Onderhoud aan machines en werkzaamheden die verontreiniging kunnen veroorzaken vinden binnen de loods plaats. Doordat het hemelwater door deze maatregelen niet vervuild is, is het geen probleem om het hemelwater te lozen dan wel te hergebruiken. Doorlopen van de afwegingsstappen ‘hergebruik-infiltratie-buffering-afvoer’ Het hemelwater wat binnen het plangebied valt wordt ter plaatse geïnfiltreerd. Er wordt uitgegaan van een groot waterbassin zodat het plangebied zoveel mogelijk zelfvoorzienend is voor wat betreft het gietwater. Teeltvrije zone Voor de plangebieden ‘hoge teeltondersteunende voorzieningen Bolst’ is een teeltvrije zone aangehouden van 5 meter vanaf de weg en watergang. Meervoudig ruimtegebruik Meervoudig ruimtegebruik is in onderhavige situatie niet aan de orde. 26

Water als kans Het uitgangspunt ‘water als kans’ is vooral een uitnodiging aan de stedenbouwkundige om ‘water’ in plangebied positief te benaderen en hun creativiteit hierbij te gebruiken. In onderhavige situatie is hier geen sprake van.

4.4

Bodem

Artikel 9 van het Besluit ruimtelijke ordening (Bro) bepaalt dat in het bestemmingsplan rekening gehouden moet worden met de bodemkwaliteit ter plaatse. De reden hiervoor is dat eventueel aanwezige bodemverontreiniging van groot belang kan zijn voor de keuze van bepaalde bestemmingen en/of voor de uitvoerbaarheid van het bestemmingsplan. De bodemtoets moet worden uitgevoerd bij het wijzigen of opstellen van een bestemmingsplan of afwijking van het bestemmingsplan. Op grond van de jurisprudentie is een bodemonderzoek vereist indien sprake is van een ruimte waar per dag gedurende meer dan 2 uur mensen verblijven. Het betreft hier onder andere woningen, kantoorruimtes en (zorg) instellingen. Daarnaast is een bodemonderzoek vereist indien uit de gemeentelijke of provinciale administratie blijkt dat sprake is van een verontreinigde situatie. Onderhavige plangebieden Bolst 1 en rond Het broek 5 bestaan uit landbouwgrond en het plangebied ‘verharden weg Het Broek 5’ is een bestaande onverharde weg. Er is niet gebleken dat er op de geplande locatie activiteiten plaatsvinden (of hebben plaatsgevonden) die de bodemkwaliteit hebben aangetast. Landbouwgronden zijn nagenoeg nooit verontreinigd. De kans op – en het ontstaan van – bodemverontreiniging wordt als nihil beschouwd. Al het drainwater dat wordt gebruikt zal tenslotte worden opgevangen, schoongemaakt en hergebruikt.

Zie ook de waterparagraaf (paragraaf 4.3). Voor het verharden van een weg hoeft geen bodemonderzoek plaats te vinden. Bolst 1 Voor het vergroten van het bouwvlak op Bolst 1, waarmee de mogelijkheid wordt gecreëerd om huisvesting voor arbeidsmigranten te realiseren, is een historisch vooronderzoek conform de NEN5725 benodigd. De historische toets ten behoeve van vrijstelling bodemonderzoek is bijgevoegd in bijlage 5. Uit het historisch onderzoek blijkt dat er geen verdachte locaties aanwezig zijn. Het uitvoeren van een verkennend bodemonderzoek op de locatie wordt niet noodzakelijk geacht. Conclusie In het kader van bodemverontreiniging bestaat er geen belemmering voor het toekomstige/huidige gebruik van de locatie.

4.5

Bedrijven en milieuzonering

Om te komen tot een ruimtelijk relevante toetsing van bedrijfsvestigingen op milieuhygiënische aspecten wordt het begrip milieuzonering gehanteerd. Onder milieuzonering wordt verstaan het waar nodig zorgen voor een voldoende ruimtelijke scheiding tussen enerzijds bedrijven of overige milieubelastende functies en anderzijds milieugevoelige functies zoals woningen. Bij de planontwikkeling dient rekening gehouden te worden met milieuzoneringen om zodoende de kwaliteit van het woon- en leefmilieu te handhaven en te bevorderen en daarnaast bedrijven voldoende zekerheid te bieden dat zij hun activiteiten duurzaam binnen aanvaardbare voorwaarden kunnen uitvoeren. Bij de milieuzonering wordt gebruik gemaakt van de door de Vereniging van Nederlandse Gemeenten (VNG) opgestelde publicatie ‘Bedrijven en milieuzonering’. In de directe omgeving van Bolst 1 zijn een aantal bedrijven aanwezig, deze bedrijven worden in navolgende tabel getoetst aan de grootste richtafstanden welke voor het bedrijf zijn opgesteld. In de laatste kolom is zichtbaar gemaakt dat de uitbreiding van het bouwvlak van Bolst 1 buiten de richtafstanden van de omliggende bedrijven blijft. Zodoende is er sprake van een aanvaardbaar woonen leefklimaat.

27

Tabel 2: Richtafstanden omliggende bedrijven. Adres Soort bedrijf

Richtafstand

Bolstweg 20, Veghel Goordonksedijk 15, Veghel Kraanmeer 20, Erp Kraanmeer 28, Erp

100 m 200 m 200 m 200 m

Rundvee Varkenshouderij Varkenshouderij Varkenshouderij

Werkelijke afstand 270 m 570 m 630 m 660 m

Voldoet ja / nee Ja Ja Ja Ja

Aan de hand van een uitspraak van de Raad van State (201501072/1/R2) kan er geconcludeerd worden dat, het in gebruik hebben van een huisvestingsgebouw zoals in onderhavige vergunningaanvraag het geval is, de richtlijnen van ‘Kampeerterreinen, vakantiecentra, e.d. (met keuken)’ aangehouden kan worden. Deze categorie heeft de volgende richtlijnen (Tabel 3). Tabel 3: Richtafstanden volgens de VNG-brochure. Geur Stof Geluid 30 0 50

Gevaar 30

Grootste afstand 50

De grootste afstand is 50 meter, binnen deze 50 meter zijn geen gevoelige objecten aanwezig. Conclusie Gezien het vorenstaande kan geconcludeerd worden dat voorgenomen ontwikkelingen ten aanzien van het aspect bedrijven en milieuzonering geen belemmeringen veroorzaakt.

4.6

Geurhinder

Met onderhavig voornemen wordt op de Bolst het bouwvlak vergroot, met deze bouwvlak vergroting wordt het mogelijk om een geurgevoelige object, zoals een huisvestingsgebouw, toe te voegen. In navolgende figuur is de achtergrondbelasting weergegeven voor de locatie Bolst 1.

Figuur 18: Uitsnede Regionale geurkaart ODBN, rode ster geeft planlocatie Bolst 1 weer. De planlocatie ligt in de zone 5 – 10 OUe/m3, het woon- en verblijfsklimaat voor deze zone wordt als goed beschouwd. Conclusie Gezien het vorenstaande kan geconcludeerd worden dat voorgenomen ontwikkelingen ten aanzien van het aspect geurhinder geen belemmeringen veroorzaakt. 28

4.7

Akoestiek

In het kader van geluid is de Wet geluidhinder (Wgh) van toepassing. Doel van deze wet is het terugdringen van hinder als gevolg van geluid en het voorkomen van een toename van geluidhinder in de toekomst. Onderhavige ontwikkeling aan de Bolst 1 voorziet in de vergroting van het bouwvlak zodat realisering van geluidsgevoelige objecten in de zin van de Wet geluidhinder binnen het plangebied mogelijk gemaakt worden. De Bolst is een weg met relatief weinig verkeer. Dit valt ook op te maken uit de recente verkeersgegevens van het BBMA. Deze geeft aan dat de verkeersintensiteit voor het peiljaar 2030 circa 1200 motorvoertuigen per etmaal bedraagt. Vanwege de beperkte rijsnelheid van 60 km/uur in combinatie met de beperkte verkeersintensiteit en de afstand tussen het gebouw en de weg mag worden gesteld dat de voorkeursgrenswaarde van 48 dB niet wordt overschreden. Er is geen hogere waarde besluit nodig om het planvoornemen juridisch mogelijk te maken. Bovenstaande conclusie volgt ook uit een door de ODBN opgesteld vereenvoudigd geluidmodel op basis van de verkeersgegevens uit de BBMA. Uit dit model blijkt ook dat de voorkeursgrenswaarde van 48 dB niet wordt overschreden. Een nader geluidonderzoek om aan te tonen dat wordt voldaan aan de voorkeursgrenswaarde is niet nodig.

Conclusie Gezien het vorenstaande kan geconcludeerd worden dat de voorgenomen ontwikkeling ten aanzien van het aspect geluid geen belemmeringen veroorzaakt.

4.8

Luchtkwaliteit

In het kader van een planologische procedure dient te worden aangetoond dat voldaan wordt aan de wettelijke normen voor wat betreft luchtkwaliteit. Hierbij dient het effect op de luchtkwaliteit in de omgeving als gevolg van een nieuwe ontwikkeling, als ook de toetsing aan de Wet luchtkwaliteit in beeld te worden gebracht. De Wet luchtkwaliteit maakt onderdeel uit van de Wet milieubeheer en bevat grenswaarden voor luchtkwaliteit. Conform de richtlijn van de EU gelden de grenswaarden voor de buitenlucht voor het gehele grondgebied van de lidstaten, met uitzondering van de werkplek. De uitvoeringsregels behorend bij de wet zijn vastgelegd in Algemene Maatregelen van Bestuur (AMvB) en ministeriële regelingen (mr) die gelijktijdig met de Wet luchtkwaliteit in werking treden.

De luchtkwaliteitseisen vormen onder de nieuwe Wet luchtkwaliteit geen belemmering voor een ruimtelijke ontwikkeling als: • er geen sprake is van een feitelijke of dreigende overschrijding van een grenswaarde; • een project, al dan niet per saldo, niet tot een verslechtering van de luchtkwaliteit leidt; • een project ‘niet in betekenende mate’ bijdraagt aan de luchtverontreiniging; • een project is opgenomen in een regionaal programma van maatregelen of in het NSL (Nationaal Samenwerkingsprogramma Luchtkwaliteit), dat in werking treedt nadat de EU derogatie (verlening van de termijn waarbinnen luchtkwaliteitseisen gerealiseerd moeten zijn) heeft verleend. In de Regeling NIBM is een lijst met categorieën van gevallen (inrichtingen, infrastructuur, kantoor- en woningbouwlocaties en activiteiten of handelingen) opgenomen die niet in betekenende mate bijdragen aan de luchtverontreiniging. Deze gevallen kunnen zonder toetsing aan de grenswaarden voor het aspect luchtkwaliteit uitgevoerd worden. De Regeling NIBM noemt de volgende subcategorieën van landbouwinrichtingen, welke niet in betekende mate bijdragen aan luchtverontreiniging: a. akkerbouw- of tuinbouwbedrijven met open grondteelt. b. inrichtingen die uitsluitend of in hoofdzaak bestemd zijn voor witloftrek of teelt van eetbare paddenstoelen of andere gewassen in een gebouw. c.

permanente en niet-verwarmde opstanden van glas of van kunststof voor het telen van gewassen d. permanente en verwarmde opstanden van glas of van kunststof voor het telen van gewassen, mits niet groter dan 2 hectare (3% criterium). 29

e. kinderboerderijen. Voorliggend plan heeft betrekking op het realiseren van permanente teeltondersteunende voorzieningen, het vergroten van het bouwvlak en verharden van een weg bij een tuinbouwbedrijf. Permanente en niet-verwarmde opstanden van glas of van kunststof voor het telen van gewassen worden aangemerkt als een inrichting die 'niet in betekenende mate’ bijdraagt aan de luchtverontreiniging. Met het vergroten van het bouwvlak wordt de mogelijkheid gecreëerd om een nieuw huisvestingsgebouw te realiseren. Dit huisvestingsgebouw zorgt niet voor een toename in slaapplekken maar enkel dat de arbeidsmigranten per twee op een kamer kunnen liggen. De geplande activiteit heeft zodoende geen verkeersaantrekkende werking, er is geen sprake van een verslechtering van de luchtkwaliteit in de directe omgeving. Het uitvoeren van een onderzoek naar de luchtkwaliteit kan dan ook achterwege worden gelaten. Achtergrondconcentraties Om te toetsen of er een aanvaardbaar woon- en leefklimaat aanwezig is op de planlocatie van de Bolst 1 waar uitbreiding van het bouwvlak plaats vindt is gebruik gemaakt van de Grootschalige Concentratie- en Depositiekaarten Nederland (GCN en GDN). Er is getoetst op fijnstof (PM 10 en PM2,5) en stikstofdioxide (NO2). De grenswaarde voor PM10 bedraagt 40 µg/m3, voor PM2,5 25 µg/m3 en voor NO2 40 µg/m3.

In navolgende figuren is zichtbaar gemaakt dat het plangebied aan de Bolst 1 voor alle onderzochte stoffen voldoet aan de grenswaardes.

Figuur 19: Uitsnede GCN en GDN kaart voor PM10, rode ster geeft Bolst 1 weer.

30

Figuur 20: Uitsnede GCN en GDN kaart voor PM2,5, rode ster geeft Bolst 1 weer.

Figuur 21: Uitsnede GCN en GDN kaart voor NO2, rode ster geeft Bolst 1 weer. Conclusie Gezien het vorenstaande kan geconcludeerd worden dat de voorgenomen ontwikkeling ten aanzien van het aspect luchtkwaliteit geen belemmeringen veroorzaakt.

4.9

Externe veiligheid

Het algemene Rijksbeleid voor externe veiligheid is gericht op het beperken en beheersen van risico’s voor de omgeving vanwege: • het gebruik, de opslag en de productie van gevaarlijke stoffen door bedrijven (inrichtingen); •

het transport van gevaarlijke stoffen (openbare wegen, waterwegen, spoorwegen en buisleidingen).

•

het gebruik van luchthavens.

Dat gebeurt o.a. door te voorkomen dat te dicht bij gevoelige bestemmingen activiteiten met gevaarlijke stoffen plaatsvinden, door de zelfredzaamheid te bevorderen en door de calamiteitenbestrijding te optimaliseren. Het wettelijk kader voor risicovolle bedrijven is onder andere vastgelegd in het Besluit externe veiligheid inrichtingen (Bevi) en voor het transport van gevaarlijke stoffen in de Wet basisnet. Deze is 31

op 1 april 2015 in werking treden. De Wet basisnet voorziet in een wijziging van de Wet vervoer gevaarlijke stoffen (Wvgs) ter verankering van een landelijk Basisnet voor het vervoer van gevaarlijke stoffen. Het Basisnet verhoogt de veiligheid van mensen die wonen of werken in de buurt van rijksinfrastructuur (spoor, weg en water) waarover gevaarlijke stoffen worden vervoerd. In de Wet basisnet wordt een afweging gemaakt tussen ruimtelijke, vervoers- en veiligheidsbelangen. Op die manier wil het kabinet het vervoer van gevaarlijke stoffen zo duurzaam mogelijk maken en duidelijkheid bieden over de consequenties van dit vervoer. Om het Basisnet wettelijk te verankeren is het Besluit externe veiligheid transportroutes (Bevt) opgesteld en de Wet vervoer gevaarlijke stoffen (Wvgs) aangepast. Het beleid voor buisleidingen is opgenomen in het Besluit externe veiligheid buisleidingen (Bevb). Plaatsgebonden risico en groepsrisico Het Nederlandse externe veiligheidsbeleid is gebaseerd op twee elementen: een harde norm in de vorm van het plaatsgebonden risico en een oriënterende waarde in de vorm van het groepsrisico. De norm voor het plaatsgebonden risico bedraagt één op de miljoen (10-6 ) per jaar, ofwel 1 op de miljoen blootgestelde personen.

Het hanteren van een norm voor het plaatsgebonden risico biedt een basisveiligheidsniveau voor de individuele burger in de omgeving van een risicovolle activiteit. Voor nieuwe situaties geldt deze norm als grenswaarde. Dat wil zeggen dat nieuwe kwetsbare bestemmingen buiten de 10-6 contour moeten zijn gelegen. Het groepsrisico gaat over de impact van een calamiteit met veel dodelijke slachtoffers tegelijk. Rondom een risicobron wordt een invloedsgebied gedefinieerd, waarbinnen grenzen worden gesteld aan het maximaal aanvaardbare aantal personen, de oriënterende waarde. Dit is een richtwaarde waarvan het bevoegd gezag, voldoende gemotiveerd, kan afwijken. Het Nederlandse externe veiligheidsbeleid is gebaseerd op twee elementen: een harde norm in de vorm van het plaatsgebonden risico en een oriënterende waarde in de vorm van het groepsrisico. De norm voor het plaatsgebonden risico bedraagt één op de miljoen (10-6 ) per jaar, ofwel 1 op de miljoen blootgestelde personen. Voor ‘kwetsbare objecten’ geldt de plaatsgebonden risiconormering als grenswaarde. Binnen de plaatsgebonden risicocontour 10-6 per jaar van een risicovolle activiteit zijn geen kwetsbare objecten toegestaan. Voor ‘beperkt kwetsbare objecten’ geldt de plaatsgebonden risiconormering als richtwaarde.

Het hanteren van een norm voor het plaatsgebonden risico biedt een basisveiligheidsniveau voor de individuele burger in de omgeving van een risicovolle activiteit. Het groepsrisico gaat over de impact van een calamiteit met veel dodelijke slachtoffers tegelijk. Rondom een risicobron wordt een invloedsgebied gedefinieerd, waarbinnen het groepsrisico moet worden verantwoord. Bij transportroutes en buisleidingen kan ook worden volstaan met een beperkte verantwoording van het groepsrisico, mits het groepsrisico niet boven de oriëntatiewaarde ligt en het groepsrisico niet hoger is dan 0,1 maal de oriëntatiewaarde en het groepsrisico niet meer dan 10% toeneemt. Overige wet- en regelgeving Tot slot wordt in het kader van een goede ruimtelijke ordening (art. 3.1 Wro) getoetst aan eventueel van toepassing zijnde veiligheidsafstanden uit het Activiteitenbesluit en effectafstanden uit de ‘Circulaire effectafstanden LPG-tankstations’. Onderzoek Er is onderzocht of in de omgeving van het plangebied zich situaties bevinden welke van invloed kunnen zijn op de externe veiligheid. Hierbij is gekeken naar de invloed van het transport van gevaarlijk stoffen over de weg, over het spoor en door buisleidingen. Tevens is onderzocht of er risicorelevante bedrijvigheid in de nabijheid van het plangebied plaatsvindt.

Zoals weergegeven op de risicokaart (zie Figuur 22) bevinden zich in de nabije omgeving van het plangebied geen inrichtingen of transport welke van invloed zijn op de externe veiligheid. De dichtstbijzijnde risicobron (ten oosten van het plangebied) betreft een hoge druk aardgasleiding. Het invloedsgebied van deze buisleiding reikt niet tot het plangebied en hoeft derhalve niet verder beschouwd te worden.

32

Plangebied Bolst 1

Plangebied Het Broek 5

Figuur 22: Uitsnede risicokaart provincie Noord-Brabant Conclusie Op het gebied van externe veiligheid zijn geen belemmeringen te verwachten voor de uitvoering van onderhavig plan.

4.10 Verkeerskundige aspecten Verharden Het Broek De weg Het Broek beschikt over een wegprofiel dat past bij haar lokale functie. Het onverharde gedeelte zorgt voor veel stof in de droge periodes en is erg modderig in de natte periodes in het jaar. Vanwege het overlast dat dit veroorzaakte is de weg ondertussen verhard. Dit is gebeurt op eigen kosten. Parkeren Op beide locaties is huisvesting voor arbeidsmigranten gerealiseerd en vergund. Met de uitbreiding van het bouwvlak van Bolst 1 worden de bouwmogelijkheden uitgebreid voor nieuwe huisvestingsgebouwen voor arbeidsmigranten. De realisatie van nieuwe gebouwen wordt echter in het kader van meer woonkwaliteit voor de huidige bewoners beoogd. Er is zodoende geen sprake van een toename van te huisvesten arbeidsmigranten. Aangezien het aantal te huisvesten arbeidsmigranten niet toeneemt zal de parkeerdruk ook niet toenemen. Conclusie Vanuit de verkeerskundige aspecten zijn geen belemmeringen voor het uitvoeren van onderhavig initiatief.

4.11 Mer-beoordeling Het voornemen dient ook te worden getoetst aan de Wet milieubeheer en het Besluit m.e.r. of er sprake is van een mogelijke verplichting tot het opstellen van een milieueffectrapportage. Een milieueffectrapportage (MER), en de bijbehorende procedure (m.e.r.), is een hulpmiddel om de belangen van het milieu volwaardig te betrekken bij de besluitvorming omtrent plannen en projecten. Het gaat hierbij wel enkel om plannen en projecten, waarbij het milieu mogelijk nadelig kan worden beïnvloed. Per 1 april 2011 is het Besluit m.e.r. gewijzigd. Deze wijziging heeft tot gevolg dat de grenswaarden uit de C- of D-lijst van het Besluit m.e.r. indicatief zijn geworden. Ook een project onder de drempelwaarden, kan immers belangrijke nadelige (milieu)gevolgen hebben. Ook onder de genoemde drempelwaarden moet derhalve worden beoordeeld of het doorlopen van een m.e.r.(beoordeling) noodzakelijk is. Dit betreft de ‘vormvrije m.e.r.-beoordeling’. Deze beoordeling houdt in dat onderzocht dient te worden of er bij het initiatief sprake is van bijzondere omstandigheden of milieueffecten, waardoor toch een MER moet worden opgesteld. Hierbij worden de selectiecriteria uit Bijlage III bij de Europese m.e.r.-richtlijn (2011/92/EU) gehanteerd. 33

Conclusie Hoewel de initiatieven niet boven de drempelwaarde in de C en D lijst komen heeft er voor de initiatieven toch een vormvrije m.e.r.-beoordeling plaats gevonden. In voorliggende ruimtelijke onderbouwing zijn de relevante planologische en milieuhygiënische aspecten in relatie tot het voornemen beschouwd en akkoord bevonden. Er is geen sprake van belangrijke nadelige milieugevolgen.

4.12 (Volks)gezondheid 4.12.1 Aanwezigheid van veehouderijen Door de aanwezigheid van veehouderijen in de omgeving is het belangrijk om na te gaan wat de eventuele effecten zijn op de gezondheid van de seizoenarbeiders welke in de huisvesting verblijven. Handreiking veehouderij en volksgezondheid Om na te gaan of er negatieve effecten zijn op de volksgezondheid kan er advies ingewonnen worden bij de GGD. De Handreiking veehouderij en volksgezondheid 2.0 heeft een stappenplan waarin beoordeeld wordt of advies van de GGD nodig is. 1. Omgevingsdienst beoordeelt aan de hand van het endotoxine toetsingskader 1.0 dat de ontwikkeling NIET voldoet aan de endotoxine ‘richt-afstand’ tussen een veehouderij en gevoelige bestemming. Het plangebied ligt buiten de richtafstanden. 2. de ontwikkeling leidt tot een toename in de emissie voor geur en/of fijnstof en/of ammoniak. Er is geen vastgestelde toename van emissie. 3. a). I. In de beoogde situatie wordt aan de geldende wet- en regelgeving voldaan, maar blijft er sprake van een overbelaste situatie voor geur (voorgrond en/of achtergrond) Nee a). II.

In de beoogde situatie wordt aan de geldende wet- en regelgeving voldaan, maar de afstand vanaf de rand van een bedrijf tot de gevel van de dichtstbijzijnde gevoelige bestemming is kleiner dan 100 meter (in een kern), 50 meter (in het buitengebied) of de in het gemeentelijk beleid genoemde afstand. Nee b). I. voor dieren met emissiefactor: de voor- en/of achtergrondgeurbelasting is hoger dan de odour-unit waarden uit het onderzoek van Geelen et al. (2015) N.v.t. b). II. voor dieren zonder emissiefactor: de afstand vanaf de rand van een bedrijf tot de gevel van de dichtstbijzijnde gevoelige bestemming is kleiner dan 100 meter. N.v.t. 4. a).

Binnen één veehouderij (1 adres of 1 ondernemer) worden bedrijfsmatig meerdere

diersoorten gehouden, namelijk: a) varkens en pluimvee; of b) rundvee en kleine herkauwers (schapen/geiten); of c) kleine herkauwers onderling. N.v.t. b). De afstand tussen de inrichtingsgrenzen van een varkensbedrijf en een pluimveebedrijf bedraagt in de nieuwe situatie minder dan 100 meter. N.v.t. 5. Geitenhouderij: binnen een afstand van 2 kilometer liggen woon- en verblijfsruimten van derden. Pluimveebedrijven: binnen een afstand van 1 kilometer liggen woon- en 34

verblijfsruimten van derden. Overige veehouderijen: binnen een afstand van 250 meter ligt een bebouwde kom. Op 1,5 km is een geitenhouderij gevestigd, echter de gemeente Uden is een procedure aan het voorbereiden om deze te amoveren. 6. Er is sprake van mestbe- of ververwerking als nevenactiviteit of als zelfstandige activiteit. Niet het geval 7. Bij omwonenden is sprake van ongerustheid over de volksgezondheid; Dit is niet naar voren gekomen bij het dialoog. Advisering door GGD wordt niet nodig geacht

Varkens- en pluimveehouderijen Op basis van het ‘Endotoxine toetsingskader 1.0’ kan worden beoordeeld of sprake is van een verhoogd volksgezondheidsrisico ten aanzien van varkenshouderijen en pluimveehouderijen. Het plangebied ligt buiten de richtafstanden die aangehouden moeten worden rondom de varkens- en pluimveehouderijen in de omgeving. Er is geen sprake van een verhoogd volksgezondheidsrisico. Geitenhouderijen Uit het VGO-2 onderzoek is gebleken dat zich in een straal van circa 2 km rond geitenbedrijven een verhoogd aantal gevallen van longontsteking voordoet. Op 1,5 km van het plangebied is een geitenhouderij gelegen. De gemeente Uden is een procedure aan het voorbereiden om deze te amoveren. Er is geen sprake van een verhoogd volksgezondheidsriscio. 4.12.2 Hoogspanningslijnen Op ruime afstand van het perceel waar de huisvesting gerealiseerd wordt zijn hoogspanningslijnen aanwezig. De hoogspanningslijnen lopen aan westelijke zijde 7,1 km van de planlocatie en aan oostelijke zijde 3,5 km van de planlocatie. Het RIVM heeft een ‘Netkaart’ opgesteld waarop de indicatieve zones staan weergegeven waar geadviseerd wordt buiten te blijven met gevoelige objecten. Voor onderhavige situatie is de indicatieve zone 100 meter en 60 meter, hier valt de huisvesting ruim buiten.

35

Figuur 23: Hoogspanningslijn naast het perceel (bron: RIVM Geodatasite) 4.12.3 Spuitzones gewasbeschermingsmiddelen Vanuit het oogpunt van gezondheidsrisico’s dient een minimale afstand te worden aangehouden tussen gronden waarop gewassen in de open lucht worden geteeld en nabij gelegen, voor gewasbeschermingsmiddelen gevoelige objecten, zoals huisvesting voor seizoenarbeiders. Echter gelden er in Nederland geen wettelijke bepalingen over minimaal aan te houden afstanden tussen gronden waarop gewassen in de open lucht worden geteeld en nabij gelegen, voor gewasbeschermingsmiddelen gevoelige objecten. Om toch een kader vast te stellen waaraan getoetst kan worden is de teeltvrije zone naast oppervlakte water aangehouden. Hiervoor is de grootste zone genomen, wanneer hier aan voldaan wordt kan geconcludeerd worden dat er zich geen gezondheidsrisico’s voordoen. Het activiteitenbesluit milieu zegt het volgende over de grootste teeltvrije zone: De teeltvrije zone bedraagt bij de teelt van in opwaartse of zijwaartse richting te bespuiten boomkwekerijgewassen ten minste 500 centimeter. De afstand van het naastgelegen perceel ten opzichte van de dichtstbijzijnde huisvesting is 1500 cm. Er kan geconcludeerd worden dat er zich geen gezondheidsrisico’s wat betreft spuitzones voordoen.

4.12.4 Conclusie Op het gebied van (volks)gezondheid zijn geen belemmeringen te verwachten voor de uitvoering van onderhavig plan.

36

5. Juridische Planopzet Voorgenomen ontwikkelingen worden meegenomen in het ‘Veegplan Buitengebied Meierijstad’. Voor de hoge teeltondersteunde voorzieningen aan de Bolst 1 wordt de aanduiding ‘specifieke vorm van agrarisch – hoge teeltondersteunde voorzieningen’ opgenomen ook wordt de aanduiding verkleind zodat hier bouwvlak voor terug komt. Voor het verharden van de weg aan Het Broek 5 wordt de bestemming gewijzigd van ‘Verkeer – onverhard’ naar ‘Verkeer’. Voor het vergroten van het bouwvlak op Het Broek 5 wordt een deel van de functieaanduiding ‘ specifieke vorm van agrarisch – lage teeltondersteunende voorzieningen’ verwijderd zodat hier bouwvlak voor terug komt. Eveneens op Het Broek 5 wordt een deel van de functieaanduiding ‘ specifieke vorm van agrarisch – lage teeltondersteunende voorzieningen’ gewijzigd in ‘Groen’.

37

6. Financiële uitvoerbaarheid In deze situatie is er sprake van een particulier initiatief, waarbij de gemeente alleen medewerking verleent doormiddel van het volgen van de benodigde procedure. De kosten die verbonden zijn aan deze procedure en eventuele planschade zijn voor rekening van de initiatiefneemster. Om de economische uitvoerbaarheid te waarborgen wordt een planschade- en anterieure overeenkomst gesloten met de initiatiefneemster, hierin wordt direct de overcompensatie van de kwaliteitsverbetering vastgelegd welke ingezet kan worden voor toekomstige ontwikkelingen. De kosten voor het verharden en ook het beheer en onderhoud van de weg komen voor rekening van de initiatiefneemster.

38

7. Conclusie Uit voorliggende ruimtelijke onderbouwing blijkt dat, vanuit het oogpunt van een goede ruimtelijke ordening het voorgenomen plan aanvaardbaar is, overwegende dat: • • • • •

Het project past binnen de vigerende beleidskaders van het Rijk, provincie en gemeente; Er geen ruimtelijke of milieuhygiënische knelpunten naar voren zijn gekomen die belemmerend zijn; Voldaan wordt aan de vereisten uit de Nota Kwaliteitsverbetering; De waterhuishoudkundige belangen voldoende gewaarborgd zijn; De financiële uitvoerbaarheid van het project gewaarborgd is.

Voorliggende ruimtelijke onderbouwing behoort tot het bestemmingsplan ‘Veegplan Buitengebied Meierijstad’ voor de locaties Bolst 1 te Erp en Het Broek 5 te Mariaheide in de gemeente Meierijstad.

39

Bijlagen Bijlage 1 – Compensatieberekening Bijlage 2 – Kwaliteitsverbetering Landschap (Het Broek) Bijlage 3 – Verbeelding Het Broek 5 Bijlage 4 – Verbeelding Bolst 1 Bijlage 5 – Formulier Historische toets bodem, Bolst 1 + Verkennend Bodemonderzoek, Bolst 1 te Erp, B-061179

40

Bijlage 1 Compensatieberekening

Waardeverandering Het Broek 5 en Bolst 1 Bestemmingsplan Huidige Situatie Bestemming Enkelbestemming 'Agrarisch' met aanduiding 'lage teeltondersteunende voorzieningen' (N1245 gedeeltelijk): Het Broek 5 *1 Enkelbestemming 'Agrarisch' met aanduiding 'lage teeltondersteunende voorzieningen' (N1245 gedeeltelijk): Het Broek 5 *6 Enkelbestemming 'Agrarisch' met aanduiding 'lage teeltondersteunende voorzieningen' (gedeelte van N1245): Het Broek 5 *2 Enkelbestemming 'Verkeer onverhard' (N138 gedeeltelijk): Het Broek *3 Enkelbestemming 'Agrarisch met waarden' met aanduiding 'lage teeltondersteunende voorzieningen' (Gedeeltelijk R1050, R182 en R183): Bolst 1 *4

Oppervlakte (m2)

Bestemmingswaarden Totaal per m2 3.500 € 15,00 € 52.500,00 5.916 € 15,00 € 88.740,00 1.180 € 15,00 € 17.700,00 1.155 € 1,00 € 1.155,00 278.266 € 15,00 € 4.173.990,00 290.017 Totaal:

Nieuwe situatie Bestemming Enkelbestemming 'Groen' (N1245 gedeeltelijk): Het Broek 5 *1 Enkelbestemming 'Groen' (N1245 gedeeltelijk): Het Broek 5 *6 Enkelbestemming 'Agrarisch' met bouwvlak (gedeelte van N1245): Het Broek 5 *2 Enkelbestemming 'Verkeer' (N138 gedeeltelijk): Het Broek *3 Enkelbestemming 'Agrarisch met waarden' met aanduiding 'hoge teeltondersteunende voorzieningen' (Gedeeltelijk R1050, R182 en R183): Bolst 1 *4 Enkelbestemming 'Agrarisch met waarden' met bouwvlak (Gedeeltelijk R1050): Bolst 1 *5

Oppervlakte (m2)

Bestemmingswaarden Totaal per m2 3.500 € 1,00 € 3.500,00 5.916 € 1,00 € 5.916,00 1.180 € 25,00 € 29.500,00 1.155 € 1,00 € 1.155,00 274.483 € 15,00 € 4.117.245,00 3.783 € 25,00 € 94.575,00 290.017 Totaal:

Waardevermeerdering *1 Gronden bestemd voor compensatie (Het Broek 5) *2 Gronden t.b.v. vergroten bouwvlak (Het Broek 5) *3 Openbare weg (Het Broek 5) *4 Gronden met teeltondersteunende voorzieningen (Bolst 1) *5 Gronden t.b.v. vergroten bouwvlak (Bolst 1) *6 Oppervlakte aan gronden welke overgecompenseerd zijn (Het Broek 5)

€ 4.334.085,00

€ 4.251.891,00 -€ 82.194,00

Bijlage 2 Kwaliteitsverbetering Landschap (Het Broek)

Bijlage 3 Verbeelding Het Broek 5

Bijlage 4 Verbeelding Bolst 1

Bijlage 5 Formulier Historische toets bodem, Bolst 1 + Verkennend Bodemonderzoek, Bolst 1 te Erp, B-061179

De tekst is automatisch uit het bestand gehaald en kan afwijken van het origineel (kolommen, tabellen en koppen lopen door elkaar). Het officiële stuk bij de gemeente is leidend. Bron: https://api1.ibabs.eu/publicdownload.aspx?site=Meierijstad&id=a22cbbd4-7d31-46bf-96da-cc8b2943207e