Bolst 1 en Het Broek 5 - Ruimtelijke onderbouwing + bijlagen
Tekst van het document
Ruimtelijke onderbouwing Bolst 1, Erp en Het Broek 5, Mariaheide In het kader van het veegplan Buitengebied Meierijstad
Plangegevens Initiatiefneemster Naam plan Bedrijfsnaam Adres Postcode, plaats Telefoon Locatie Bolst 1, Erp Kadastrale Gemeente Sectie Nummer(s)
: : : : :
Bolst 1, Erp en Het Broek 5, Mariaheide Het Broek Berries Het Broek 5 5464 TT Mariaheide 0413368817
:
ERP
: :
R Gedeeltelijk 182, 183, 719, 1049 en 1050
Locatie Het Broek 5, Mariaheide Kadastrale : VEGHEL Gemeente Sectie : N Nummer(s) : Gedeeltelijk 138, 1244 en 1245
Bevoegd gezag Naam Adres Postcode, plaats
: : :
Gemeente Meierijstad Stadhuisplein 1 5461 KN Veghel
Colofon rapportage Opgesteld door Collegiale toets Datum
: : :
Ing. J.J.F. Jilesen Ing. J.A.M. Stultiens 11 augustus 2021
Inhoudsopgave 1.
INLEIDING ....................................................................................................................................... 1 1.1 1.2
2.
PLANBESCHRIJVING ..................................................................................................................... 4 2.1 2.2 2.3 2.4 2.5
3.
HUIDIGE SITUATIE ........................................................................................................................ 4 VOORGENOMEN ONTWIKKELING ................................................................................................... 4 LANDSCHAPPELIJKE INPASSING EN KWALITEITSVERBETERING LANDSCHAP ...................................... 6 VIGEREND BESTEMMINGSPLAN ..................................................................................................... 6 BEOOGD BESTEMMINGSPLAN VERBEELDINGEN EN PLANREGELS ..................................................... 8
BELEIDSKADER ........................................................................................................................... 10 3.1 3.2 3.3
4.
AANLEIDING ................................................................................................................................ 1 LIGGING EN BEGRENZING PLANGEBIED .......................................................................................... 1
RIJKSBELEID ............................................................................................................................. 10 PROVINCIAAL BELEID ................................................................................................................. 11 GEMEENTELIJK BELEID............................................................................................................... 17
MILIEUHYGIËNISCHE EN PLANOLOGISCHE VERANTWOORDING ....................................... 19 4.1 4.2 4.3 4.4 4.5 4.6 4.7 4.8 4.9 4.10 4.11 4.12
ARCHEOLOGIE EN CULTUURHISTORIE ......................................................................................... 19 FLORA EN FAUNA ....................................................................................................................... 21 WATERPARAGRAAF ................................................................................................................... 21 BODEM ..................................................................................................................................... 27 BEDRIJVEN EN MILIEUZONERING ................................................................................................. 27 GEURHINDER ............................................................................................................................ 28 AKOESTIEK ............................................................................................................................... 29 LUCHTKWALITEIT ....................................................................................................................... 29 EXTERNE VEILIGHEID ................................................................................................................. 31 VERKEERSKUNDIGE ASPECTEN ..................................................................................................
33 MER-BEOORDELING ................................................................................................................... 33 (VOLKS)GEZONDHEID................................................................................................................. 34
5.
JURIDISCHE PLANOPZET ........................................................................................................... 37
6.
FINANCIËLE UITVOERBAARHEID .............................................................................................. 38
7.
CONCLUSIE .................................................................................................................................. 39
BIJLAGEN............................................................................................................................................. 40
1. Inleiding 1.1
Aanleiding
Het Broek Berries B.V. (hierna te noemen: initiatiefneemster) exploiteert in de vorm van een besloten vennootschap een agrarisch bedrijf gericht op het telen van softfruit. De hoofdvestiging is gelegen aan Het Broek 5 te Mariaheide en maakt daarnaast gebruik van de bedrijfsgebouwen op de Bolst 1 te Erp. Rond deze bedrijfslocaties zijn verschillende percelen in gebruik voor de teelt van softfruit, tevens zijn er andere percelen in de gemeente Meierijstad en omliggende gemeenten in gebruik door de initiatiefneemster. Om een kwalitatief zo goed mogelijk product te telen wordt er gebruik gemaakt van teeltondersteunende voorzieningen. Drieweg Advies B.V. heeft namens en in opdracht van Het Broek Berries B.V. een verzoek ingediend tot het verzoek om de functieaanduiding ‘specifieke vorm van agrarisch - lage teeltondersteunende voorzieningen’ naar ‘specifieke vorm van agrarisch - hoge teeltondersteunende voorzieningen’ te wijzigen ter plaatse van de agrarische bestemming aan de Bolst 1 te Erp op een gedeelte van de percelen 182, 183 en 1050, sectie R, kadastrale gemeente Erp, in het vigerend bestemmingsplan ‘Buitengebied’ en de bestemming ‘Verkeer – Onverhard’ te wijzigen naar ‘Verkeer’ voor het zuidwestelijke deel van perceel 138, sectie N, kadastrale gemeente Veghel in het vigerend bestemmingsplan ‘Buitengebied’.
Op dinsdag 22 maart 2016 heeft het college van burgemeester en wethouders besloten onder voorwaarden medewerking te verlenen aan het verzoek. Aan het verharden van een gedeelte van het pad wordt de voorwaarde verbonden dat dit gebeurt op eigen kosten en volgens de normen van de gemeente. Daarnaast is als voorwaarde aan de principemedewerking verbonden dat naast de kosten voor het verharden ook het beheer en onderhoud van de weg voor rekening van de initiatiefneemster komt. Het verzoek is strijdig met de vigerende bestemmingsplannen ‘Buitengebied’ (vastgesteld op 19 december 2013) Onderdeel van het principeverzoek was destijds ook een wijziging van de bestemming van de percelen N.1245 en N.131 (Het Broek 5) ten behoeve van hoge teeltondersteunende voorzieningen, maar dit is inmiddels gewijzigd. Deze gronden zullen deels worden ingezet voor de kwaliteitsverbetering van het landschap die als gevolg van diverse plannen van Het Broek Berries moet worden gerealiseerd en het vergroten van het bouwvlak op Het Broek 5 zodat bestaande bebouwing en verharding binnen het bouwvlak komt te liggen.
Daarnaast is het verzoek ingediend om de functieaanduiding ‘specifieke vorm van agrarisch - hoge teeltondersteunende voorzieningen’ toe te voegen ter plaatse van de agrarische bestemming rond Het Broek 5 te Veghel op de percelen 214, 215, 711 en 712, sectie N, kadastrale gemeente Veghel, in het vigerend bestemmingsplan ‘Veghels Buiten - Noordoost’, dit zal niet in onderhavige herziening meegenomen worden maar hier zal een andere procedure voor doorlopen worden. Vanaf maart 2020 heerst het Corona virus in Nederland. Gevolg hiervan kan zijn dat huisvesting voor arbeidsmigranten anders georganiseerd moet gaan worden met bijvoorbeeld maar één of twee personen op een kamer. Wanneer dat het geval is zal de capaciteit drastisch lager worden in de bestaande huisvestingsgebouwen op de verschillende locaties. Op het bouwvlak van Bolst 1 is geen plek om één of meerdere gebouwen te realiseren om de vergunde aantal personen te huisvesten als het aantal personen per kamer naar beneden moet. Om dit op te kunnen vangen wordt het bouwvlak vergroot op de locatie.
1.2
Ligging en begrenzing plangebied
Het plangebied aan de Bolst 1 is gelegen in het buitengebied op ca. 1,5 km afstand ten zuiden van de kern Mariaheide en op ca. 2,0 km afstand ten oosten van de kern Veghel. Het perceel heeft een totale oppervlakte van circa 28,2 hectare. De plangebieden ter hoogte van Het Broek 5 zijn gelegen in het buitengebied op ca. 1 km afstand ten zuiden van de kern Mariaheide en op ca. 500 m afstand ten opzichte van de kern Veghel. De initiatieven rond Het Broek 5 heeft een totale oppervlakte van circa 9.416 m2. Het plangebied voor het verharden van de weg bij Het Broek 5 is 1.155 m 2 groot. 1
In de figuren 1, 2 en 3 zijn de ligging van de plangebieden op een kaart weergegeven.
Figuur 1: Ligging plangebied hoge teeltondersteunende voorzieningen (rood omkaderd) en vergroten bouwvlak (groen omkaderd) Bolst 1 (Bron: www.ruimtelijkeplannen.nl)
Figuur 2: Ligging plangebied verharden weg Het Broek 5 (Bron: www.ruimtelijkeplannen.nl) 2
Bouwvlak
Groen
Figuur 3: Ligging plangebied wijzigen functieaanduiding ‘lage teeltondersteunende voorzieningen’ in ‘Groen’ en ‘bouwvlak’, Het Broek 5 (Bron: pdokviewer.pdok.nl)
3
2. Planbeschrijving 2.1
Huidige situatie
Initiatiefneemster exploiteert in de vorm van een besloten vennootschap een agrarisch bedrijf gericht op het telen van softfruit en het kweken van plantmateriaal. Het bedrijf van de initiatiefneemster heeft de beschikking over meerdere bedrijfslocaties. De locaties aan de Bolst 1 en Het Broek 5 en omliggende percelen zijn gelegen in het buitengebied tussen de kernen Veghel, Mariaheide en Erp. De omgeving kenmerkt zich door de aanwezigheid van diverse agrarische bedrijven. De plangebieden aan de Bolst 1 en rond Het Broek 5 worden gebruikt voor teelt van aardbeien. Het plangebied aan de Bolst 1 is in het verleden landschappelijk ingepast door de aanplant van hagen met elzen. Daarnaast fungeren deze hagen ook als windsingel. De verharding van het gedeelte van weg naar Het Broek 5 is reeds gerealiseerd en wordt met deze planherziening planologisch verankerd. Initiatiefneemster ondervond veel last van de onverharde weg. Stof zorgt voor overlast naar omliggende woningen en schade aan de machines. Om deze reden heeft het Broek Berries B.V. deze weg op eigen kosten verhard.
2.2
Voorgenomen ontwikkeling
Achtergrond Op de percelen aan de Bolst komen de aardbeienplanten in kleine potten in goten boven de grond. Het gotensysteem met potten heeft ongeveer een hoogte van 1,5 meter. Door het plaatsen van regenkappen boven de stellingen valt de installatie in de categorie hoge teeltondersteunende voorzieningen. In de teelt van zacht fruit zijn teeltondersteunende voorzieningen tegenwoordig onmisbaar en de behoefte eraan neemt alleen maar toe. Omdat het aandeel van supermarkten in de verkopen van AGF nog steeds toeneemt (supermarkten verkopen ruim 85% van alle versproducten), is de rol van de grote retailers ook zeer bepalend. Zo stellen met name de retailers de eis dat het softfruit tijdens de teelt voorzien wordt van kappen, om schade aan het fruit door weersinvloeden te voorkomen en de kwaliteit van het softfruit te handhaven. Als men hierin niet meegaat, verliezen de telers in rap tempo hun concurrentiepositie ten opzichte van collega’s in binnen- én buitenland. Dat zou een verlies aan economische waarde en werkgelegenheid betekenen voor de gebieden waar zij gevestigd zijn. De Adviescommissie Agrarische Bouwaanvragen constateert al langere tijd een trend dat de productie van zacht fruit in hogere mate planbaar en stuurbaar geworden is.
Vermindering van het weerrisico, verbeterde gewasbescherming en betere arbeidsomstandigheden zijn redenen waarom het areaal bedekte teelt toeneemt. Door schaalvergroting neemt de behoefte aan grotere oppervlakten hoge teeltondersteunende voorzieningen toe; hierin is in de beleidsregels doorgaans niet voorzien, zodat een herziening van het bestemmingsplan nodig is. Dat is in onderhavige situatie ook het geval. Vanaf maart 2020 heerst het Corona virus in Nederland. Gevolg hiervan kan zijn dat huisvesting voor arbeidsmigranten anders georganiseerd moet gaan worden met bijvoorbeeld maar één of twee personen op een kamer. Wanneer dat het geval is zal de capaciteit drastisch lager worden in de bestaande huisvestingsgebouwen op de verschillende locaties. Op het bouwvlak van Bolst 1 is geen plek om één of meerdere gebouwen te realiseren om de vergunde aantal personen te huisvesten als het aantal personen per kamer naar beneden moet. Om dit op te kunnen vangen wordt het bouwvlak vergroot op de locatie Bolst 1, op de locatie Het Broek 5 is al reeds bouwvlak aanwezig om eventueel een nieuwe huisvestingsgebouw te realiseren. In het vigerende planologische regime is geen mogelijkheid opgenomen om nieuwe gebouwen ten behoeve van huisvesting voor arbeidsmigranten te realiseren en het huisvesten in bestaande bebouwing mag tot maximaal 60 personen.
Op beide locaties zijn vergunningen verleend om van de maximale 60 personen af te wijken, Bolst 1 – 188 personen en Het Broek 5 – 180 personen. Hoewel deze aantallen niet zullen toenemen moeten de planregels aangepast worden zodat er nieuwe gebouwen gerealiseerd mogen worden voor het huisvesten van arbeidsmigranten wanneer hier met het oog op de volksgezondheid de normen voor een maximaal aantal personen op een kamer aangepast worden. 4
Voornemen De voorgenomen ontwikkeling betreft: • wijziging van de functieaanduiding ‘specifieke vorm van agrarisch - lage teeltondersteunende voorzieningen’ naar ‘specifieke vorm van agrarisch - hoge teeltondersteunende voorzieningen’ ter plaatse van de agrarische bestemming aan de Bolst 1 te Erp op een gedeelte van de percelen 182, 183 en 1050, sectie R, kadastrale gemeente Erp, in het vigerend bestemmingsplan ‘Buitengebied’; • wijziging van de functieaanduiding ‘specifieke vorm van agrarisch – lage teeltondersteunende voorzieningen’ naar bouwvlak ter plaatse aan de Bolst 1 te Erp op een gedeelte van perceel 1050, sectie R, kadastrale gemeente Erp, in het vigerende bestemmingsplan ‘Buitengebied’; • wijzigen van de bestemming ‘Verkeer – Onverhard’ naar ‘Verkeer’ voor het zuidwestelijke deel van perceel 138, sectie N, kadastrale gemeente Veghel in het vigerend bestemmingsplan ‘Buitengebied’; • wijziging van de bestemming ‘Agrarisch, specifieke vorm van agrarisch - lage teeltondersteunende voorzieningen’ naar ‘Groen’ ter plaatse van de agrarische bestemming van Het Broek 5 te Veghel op een gedeelte van de percelen 1245, sectie N, kadastrale gemeente Veghel, in het vigerend bestemmingsplan ‘Buitengebied’; • wijziging van de bestemming ‘Agrarisch, specifieke vorm van agrarisch - lage teeltondersteunende voorzieningen’ naar bouwvlak op het perceel 1245, sectie N, kadastrale
gemeente Veghel, zodat bestaande bebouwing binnen het bouwvlak komt gelegen; • wijzigen van de planregels zodat nieuwbouw voor gebouwen ten behoeve van huisvesting voor arbeidsmigranten is toegestaan.
Figuur 4: Blauw geeft het bestaande bouwvlak weer, rood de vergroting van het bouwvlak.
5
Figuur 5: Referentiebeeld regenkappen aardbeienteelt en de voormalige onverharde weg Het Broek (inmiddels verhard).
2.3
Landschappelijke inpassing en kwaliteitsverbetering landschap
Een deel van het perceel N.1245, direct grenzend aan de bedrijfslocatie aan Het Broek, wordt ingezet voor kwaliteitsverbetering van het landschap welke benodigd zijn om twee huisvestingsinitiatieven mee te compenseren. Op dit terrein waren lage teeltondersteunende voorzieningen aanwezig, maar deze voldeden niet meer aan de eisen die aan de bedrijfsvoering werden gesteld. Het perceel grenst tevens direct aan de Beekgraaf. Daarmee ligt de ontwikkeling van een nieuwe stapsteen langs de Beekgraaf voor de hand. Met deze stapsteen neemt de ecologische waarde van het beeksysteem toe en wordt een eerste stap gezet richting het toekomstig herstel van het watersysteem en versterking van de ecologische functie van de waterloop. Het landschappelijk inpassingsplan is bijgevoegd als bijlage 2. Het aanwezige huisvestingsgebouw op Het Broek 5 is gedeeltelijk binnen de functieaanduiding ‘lage teeltondersteunende voorzieningen’ gerealiseerd, met de bestemmingsplanwijziging wordt de functieaanduiding ter plaatste verwijderd zodat het huisvestingsgebouw in het bouwvlak gelegen zal zijn. Ter compensatie wordt een gedeelte van het perceel N.1245 bestemd als ‘Groen’. De waarde berekening is bijgevoegd als bijlage 1. In paragraaf 3.3.2. wordt hier verder op ingegaan.
Er vindt een grote overcompensatie plaats van €82.194,-, deze overcompensatie wordt vastgelegd in een anterieure overeenkomst en kan ingezet worden voor eventuele toekomstige ontwikkelingen.
2.4
Vigerend bestemmingsplan
De verschillende initiatieven zijn gelegen binnen het plangebied van bestemmingsplan ‘Buitengebied’ en het ‘Buitengebied, 1e ontwikkelplan’. Het bestemmingsplan ‘Buitengebied’ is op 19 december 2013 vastgesteld door de gemeenteraad van de voormalige gemeente Veghel en het ‘1e Ontwikkelplan’ is vastgesteld op 7 april 2016. De initiatieven zijn strijdig met het vigerende bestemmingsplan. Het plangebied voor het verharden van de weg aan Het Broek 5 heeft de bestemming ‘Verkeer – Onverhard’ in het bestemmingsplan ‘Buitengebied’. Perceel 1245 (het perceel ten behoeve van het vergroten van het bouwvlak en de kwaliteitsverbetering van het landschap) heeft de bestemming ‘Agrarisch’ met bouwvlak en het zuidoostelijke gedeelte is aangeduid als ‘teeltondersteunende voorzieningen – lage teeltondersteunende voorzieningen’. De percelen 182, 183 en 1050, sectie R, kadastrale gemeente Erp hebben de enkelbestemming ‘Agrarisch’ met bouwvlak deze percelen zijn ook voorzien van de functieaanduiding ‘specifieke vorm van agrarisch - lage teeltondersteunende voorzieningen’.
6
Figuur 6: Uitsnede plankaart vigerend bestemmingsplan, locatie Het Broek 5, rode stippellijn geeft planlocaties weer. (bron: ruimtelijkeplannen.nl)
Figuur 7: Uitsnede plankaart vigerend bestemmingsplan, locatie Bolst 1, rode stippellijn geeft planlocaties weer. (bron: ruimtelijkeplannen.nl) De voorgenomen ontwikkelingen zijn in strijd met bestemmingsplan ‘Buitengebied’, zodoende wordt en partiele herziening doorlopen. Deze herziening loopt mee met het ‘Veegplan Buitengebied Meierijstad’. 7
2.5
Beoogd bestemmingsplan verbeeldingen en planregels
Planregels In de planregels dient opgenomen te worden dat het mogelijk is om één of meerdere gebouwen te realiseren voor het huisvesten van arbeidsmigranten. In de planregels wordt geen maximaal aantal te huisvesten personen opgenomen maar om te reguleren voor hoeveel personen de nieuwe gebouwen worden gerealiseerd dient worden uitgegaan van de al reeds vergunde personen of de noodzaak dient worden aangetoond door middel van de Adviescommissie Agrarische Bouwaanvragen (AAB). Voor de locaties Het Broek 5 en Bolst 1 betekent dit enkele wijzigingen in de planregels. In de bestemmingsomschrijving wordt toegevoegd dat de voor ‘Agrarisch’ (Het Broek 5) of ‘Agrarisch met waarden’ (Bolst 1) aangewezen gronden bestemd zijn voor onder andere: •
Huisvesting voor seizoensarbeiders
In de bouwregels wordt een artikel toegevoegd voor de bouw van huisvesting voor seizoensarbeiders. Gebouwen voor huisvesting van seizoensarbeiders Voor het bouwen van gebouwen voor huisvesting van seizoensarbeiders gelden de volgende bepalingen: a. Een nieuw gebouw zorgt niet voor een toename in te huisvesten seizoensarbeiders ten opzichte van de vigerende situatie of een dergelijke huisvesting is noodzakelijk vanuit een oogpunt van de tijdelijke arbeidsbehoefte op het betreffende agrarisch bedrijf, waarbij de noodzaak dient te worden aangetoond door middel van een advies van een agrarisch deskundige (AAB). b. De huisvesting heeft uitsluitend betrekking op arbeiders die alleen werkzaam zijn binnen het bedrijf waar ze tijdelijk zijn gehuisvest. c. De huisvesting vindt plaats in een huisvestingsgebouw of in één of meerdere woonunit(s). d. De goothoogte bedraagt niet meer dan 5,5 m. e. De bouwhoogte bedraagt niet meer dan 11 m. f. Het gebruik mag geen nadelige invloed hebben op de normale afwikkeling van het verkeer en mag geen onevenredige toename van de parkeerbehoefte veroorzaken. g. Het gebruik mag geen onevenredige beperking opleveren voor de bedrijfsvoering en bedrijfsontwikkeling van omliggende (agrarische) bedrijven. h.
Deze bevoegdheid mag alleen worden toegepast mits dit gepaard gaat met een aantoonbare en uitvoerbare fysieke verbetering van de aanwezige of potentiële kwaliteiten van de bodem, water, natuur, landschap of cultuurhistorie of van extensieve recreatieve mogelijkheden van het plangebied.
8
Verbeeldingen Navolgend zijn voor de planlocaties voor Het Broek 5 en Bolst 1 de beoogde bestemmingsplan verbeeldingen weergegeven. De verbeeldingen zijn eveneens bijgevoegd in bijlagen 3 en 4.
Figuur 8: Beoogde bestemmingsplan verbeelding Het Broek 5.
Figuur 9: Beoogde bestemmingsplan verbeelding Bolst 1. 9
3. Beleidskader In dit hoofdstuk wordt het geldende beleid en de relevante regelgeving beschreven die betrekking hebben op onderhavige ontwikkeling.
3.1
Rijksbeleid
3.1.1 Structuurvisie Infrastructuur en Ruimte (SVIR) De Structuurvisie Infrastructuur en Ruimte (SVIR) geeft een totaal beeld van het ruimtelijk- en mobiliteitsbeeld op rijksniveau en vervangt hiermee de Nota Ruimte, de Structuurvisie Randstad 2040, de Nota Mobiliteit, de MobiliteitsAanpak, de structuurvisie voor de Snelwegomgeving en de ruimtelijke doelen en uitspraken in de PKB Tweede Structuurschema Militaire Terreinen, de Agenda Landschap, de Agenda Vitaal Platteland en pieken in de Delta. Nationale belangen Het Rijk geeft met de SVIR meer ruimte aan provincies en gemeenten om in te spelen op de eigen situatie, zelf beslissingen te nemen en geeft ruimte aan burgers en bedrijven voor initiatief en ontwikkeling. Dit betekent minder nationale belangen en eenvoudigere regelgeving. Hiermee zijn de nationale belangen uit de Nota Ruimte deels vervallen en deels vervangen door de SVIR. Voor onderhavig project zijn de volgende belangen uit de SVIR van toepassing: Nationaal belang 8: Verbeteren van de milieukwaliteit (lucht, bodem, water) en bescherming tegen geluidsoverlast en externe veiligheidsrisico’s. Voor een goede milieukwaliteit moet de kwaliteit van bodem, water en lucht minimaal voldoen aan de (internationale) geldende norm(en).
Luchtkwaliteit, geluidsoverlast, wateroverlast, bodemkwaliteit en het transport van gevaarlijke stoffen kennen een grote samenhang met ruimtelijke ontwikkelingen en de aanleg van infrastructuur. Om toekomstige kosten en maatschappelijke schade te voorkomen, moeten bij ruimtelijke en infrastructurele ontwikkelingen de milieueffecten worden afgewogen. Deze afweging wordt mede gemaakt op basis van het Milieueffectrapport. Het Rijk stelt de nationale normen hiervoor vast. Op basis van de onderzochte milieuhygiënische effecten (hoofdstuk 4) kan geconcludeerd worden dat de ontwikkeling past binnen de huidige wet- en regelgeving. Nationaal belang 11: Ruimte voor een nationale netwerk van natuur voor het overleven en ontwikkelen van flora- en faunasoorten. Binnen de door het Rijk gestelde kaders begrenzen, beschermen en onderhouden de provincies een natuurnetwerk met de juiste ruimtelijke, water- en milieucondities voor kenmerkende ecosystemen van (inter)nationaal belang. Dit provincie- en landsgrensoverschrijdende netwerk is de herijkte nationale Ecologische Hoofdstructuur (EHS). De herijkte nationale EHS wordt uiterlijk in 2021 door provincies gerealiseerd. Met onderhavig voornemen wordt er geen inbreuk of aantasting gepleegd op de EHS. De plangebieden zijn niet aangewezen als ecologische hoofdstructuur.
Het plan heeft dan ook geen significant negatief effect op de wezenlijke kenmerken en waarden van de EHS. Nationaal belang 13: Zorgvuldige afwegingen en transparante besluitvorming bij alle ruimtelijke plannen. Het Rijk is verantwoordelijk voor een goed systeem van ruimtelijke ordening. Dat betekent dat het systeem zo ingericht moet zijn dat integrale planvorming en besluitvorming op elk schaalniveau mogelijk is en bestaande en toekomstige belangen goed kunnen worden afgewogen. Bij nieuwe ontwikkelingen moet aandacht zijn voor de gevolgen op de waterhuishouding, het milieu en cultureel erfgoed. In de voorliggende ruimtelijke onderbouwing zijn de bovenstaande aspecten behandeld. Deze aspecten vormen geen belemmering voor het voorgenomen plan. 10
Gebiedsgerichte nationale belangen en opgaven Het plangebied is in het kader van de SVIR gelegen in de MIRT-regio Brabant en Limburg. Voor het plangebied zijn geen specifieke gebiedsgerichte nationale belangen genoemd, welke van invloed zijn op het onderhavige plan. Wel geldt dat de (herijkte) ecologische hoofdstructuur (EHS) beschermd moet worden. Het voorgenomen bestemmingsplan is in lijn met de nieuwe structuurvisie, aangezien geen nationale belangen in het geding zijn. 3.1.2 AMvB ruimte De nationale belangen uit SVIR die juridische borging vragen, zijn uitgewerkt in de AMvB ruimte. De AMvB Ruimte wordt in juridische termen aangeduid als het Besluit algemene regels ruimtelijke ordening (Barro). Deze AMvB is gericht op doorwerking van nationale belangen in gemeentelijke bestemmingsplannen. Het betreft alleen die regels uit het eerdere ontwerp, die als nationaal belang in de Structuurvisie Infrastructuur en Ruimte (SVIR) worden herbevestigd. De overige opgenomen nationale belangen die juridische borging vragen, zijn neergelegd in een ontwerpwijziging van het Barro. Voor het plangebied gelden geen regels uit de AMvB Ruimte die moeten doorwerken in provinciale en gemeentelijke plannen.
3.2
Provinciaal beleid
3.2.1 Omgevingsvisie Noord-Brabant Vooruitlopend op de Omgevingswet heeft Noord-Brabant een omgevingsvisie opgesteld, de ‘Omgevingsvisie Noord-Brabant’ is op 14 december 2018 vastgesteld. Deze visie beschrijft het Brabant van nu en straks en hoe deze weg afgelegd wordt, ook de maatschappelijke opgaven voor de veranderende verhoudingen in de samenleving komen terug. De 5 kernwaarden, welke de kern vormen in het denken en handelen, hoe dit op orde gehouden wordt, samen met overkoepelende kernwaarden en de hoofdopgave, zijn uitgewerkt. Een van de hoofdopgave is ‘Werken aan een concurrerende duurzame economie’. Naast een combinatie van een sterk industrieel DNA en een strategische positie in Europa wordt ook gewerkt aan een innovatieve economie die nieuwe verbindingen legt met maatschappelijke kansen op het gebied van slimme mobiliteit, duurzame energie, gezond ouder worden en duurzame agrofood. Vanuit het oogpunt van agrofood zijn de volgende standpunten geformuleerd: • Als Brabant willen we ook in de toekomst voorop blijven lopen als provincie van agrarische kennis- en productie. De export van hoogwaardige Brabantse producten, agrotechniek en – kunde, is een belangrijke bron van inkomsten. Om dit te behouden en verbeteren, is een transitie noodzakelijk waarvan de eerste stappen al gezet zijn.
Hierdoor ontstaat een meer divers palet aan productiemethoden op de as low-tech high-tech. Dit vraagt nu en in de toekomst om inspanningen in de gehele keten. • Het stimuleren van een innovatieve ketensamenwerking, waarbij een gezonde en duurzame voedselproductie voorop staat en consumenten meer bewust worden gemaakt van de impact van de voedselproductie, is cruciaal voor onze agrofood van de toekomst. • Eerst en vooral is een verdere beperking van de impact van de primaire landbouw door emissies vanuit de veehouderij en de gevolgen van het gebruik van mest- en gewasbeschermingsmiddelen van belang. Ook de landschappelijke inpassing van stallen, kassen, plastic tunnels en loodsen verdient aandacht. • Daarnaast is gezondheid een thema waaraan alle partijen in de keten gezamenlijk moeten werken. Circulariteit, nieuwe productiewijzen en kortere schone ketens zijn een belangrijke sleutel om bij te dragen aan klimaatoplossingen. Ook kan de agrarische wereld intensief bijdragen aan de energietransitie. De realisatie van de onderhavige initiatieven draagt bij aan een gezonde en duurzame voedselproductie. De planlocaties op de Bolst is al landschappelijk ingepast en voor Het Broek is een landschappelijk inpassingsplan opgesteld welke is bijgevoegd als bijlage 2.
3.2.2 Structuurvisie Ruimtelijke Ordening (partiële herziening 2014) Op 19 maart 2014 is de Structuurvisie ruimtelijke ordening 2014 in werking getreden in de provincie Noord-Brabant. Deze structuurvisie is een actualisatie van de visie die in 2010 werd vastgesteld. Samen met de Verordening ruimte vervangen ze de interimstructuurvisie, de paraplunota, de 11
uitwerkingsplannen van het streekplan en het beleidsdeel van de reconstructieplannen. De structuurvisie geeft de hoofdlijnen van het provinciaal ruimtelijk beleid tot 2025 (met een doorkijk naar 2040) en is een uitvloeisel van de Wet ruimtelijke ordening die op 1 juli 2008 in werking trad. De visie is bindend voor het ruimtelijk handelen van de provincie en geeft een ruimtelijke vertaling van de opgaven en doelen uit de Agenda van Brabant. Ook de instrumenten die de provincie inzet om deze opgaven te bereiken, staan in de structuurvisie beschreven. De opgaven leiden tot ruimtelijke keuzes voor de toekomstige ontwikkeling van Noord-Brabant. Deze ruimtelijke keuzes zijn vertaald in 14 provinciale ruimtelijke belangen: 1. Regionale contrasten; 2. Een multifunctioneel landelijk gebied; 3. Een robuust en veerkrachtig water- en natuursysteem; 4. Een betere waterveiligheid door preventie; 5. Koppeling van waterberging en droogtebestrijding; 6. Duurzaam gebruik van de ondergrond; 7. Ruimte voor duurzame energie; 8. Concentratie van verstedelijking; 9. Sterk stedelijk netwerk; 10. Groene geledingszones tussen steden; 11. Gedifferentieerd aanbod aan goed bereikbare vrijetijdsvoorzieningen; 12. Economische kennisclusters; 13. (Inter)nationale bereikbaarheid; 14. Beleefbaarheid stad en land vanaf de hoofdinfrastructuur.
Bij deze ruimtelijke keuzes hanteert de provincie twee leidende principes; 1. Ruimtelijke kwaliteit en duurzaamheid en 2. Vestigings- en leefklimaat en gezondheid. Dit betekent dat deze richting geven aan het maken van keuzes en een belangrijke rol spelen in de uitwerking van de provinciale belangen. De structuurvisie is opgebouwd uit twee onderdelen. In onderdeel A wordt de kern van de visie verwoord op ruimtelijke ontwikkelingen van Brabant. Het landschap en de wijze waarop dit moet worden versterkt, staan in dit onderdeel voorop. Deel B van de structuurvisie beschrijft de wijze waarop de provincie de visie uitwerkt in vier robuuste ruimtelijke structuren: groenblauwe structuur, landelijk gebied, stedelijke structuur en infrastructuur. De Structuurvisie Ruimtelijke Ordening wordt uitgewerkt in de Verordening ruimte. Deel A: Visie Provincie Noord-Brabant kiest in de herziene structuurvisie een nieuwe weg waarbij de groei van de agrarische sector wordt beperkt en ontwikkeling naar een duurzame en innovatieve veehouderij wordt gestimuleerd en overbelaste situaties worden aangepakt. Vanuit een economisch perspectief worden nieuwe alternatieven gezocht voor groei. De opgave is om de ontwikkelingen in het landelijke gebied zodanig vorm te geven dat er sprake is van een duurzaam en vitaal platteland.
Het is daarbij zoeken naar een balans tussen het behouden en verbeteren van de kwaliteit van de leefomgeving in het landelijk gebied en het bieden van ontwikkelingsmogelijkheden aan agrarische bedrijven. Met als uitgangspunt dat er geen verdere groei van de veestapel in Brabant plaatsvindt. Het Brabantse mestoverschot wordt op duurzame wijze verwerkt. Op de visiekaart behoren de plangebieden tot het “Mozaïeklandschap” en “economisch kenniscluster”. De locaties aan Het Broek behoren bovendien ook tot de “Geledingszone”.
12
Geledingszone
Mozaïeklandschap & Economisch kenniscluster
Figuur 10: Visiekaart Structuurvisie ruimtelijke ordening provincie Noord-Brabant Mozaïeklandschap Het mozaïeklandschap (Meierij) is ontstaan door oude en jonge ontginningslandschappen afgewisseld met woeste gronden. De woeste gronden werden, voor de introductie van de kunstmest, gebruikt voor beweiding door vee. Door overbeweiding ontstonden op enkele plekken stuifzanden (bijvoorbeeld de Loonse en Drunense duinen). De oude ontginningen bestaan uit dorpen met oude akkercomplexen en broekgebieden in de laagten met waterlopen en de beken. Op de hogere gronden langs beken zoals de Dommel en de Aa met hun zijlopen is bebouwing ontstaan in de vorm van linten, dorpen en gehuchten. Vanuit deze bebouwing is de ontginning van de omliggende gronden min of meer organisch gegroeid. Door de grote variatie in het landschap kent het gebied ook een grote biodiversiteit. Zo komen er door de afwisseling van vochtige bossen, heides, vennen en beekdalen veel amfibieën voor in de Meierij. In de jonge heideontginningen is een rationele verkaveling en ontwatering gerealiseerd. Economisch Kenniscluster Brabant kent een sterk industrieel DNA. De (maak- en proces) industrie en het agro-industrieel complex vormen nog steeds het kloppend hart van de economie en zijn de kern van de economische clusters.
Ook de strategische ligging in Europa, te midden van mainports en grote bevolkingsconcentraties, blijft een sterke troefkaart voor de innovatieve economie. Een innovatieve economie die nieuwe verbindingen legt met maatschappelijke kansen op het gebied van slimme mobiliteit, duurzame energie, gezond ouder worden en een duurzame agro-food keten. Brabant onderscheidt op basis van sterke tradities binnen de Brabantse economie en de kansen op het wereldtoneel de volgende economische clusters: • high-tech systems en materialen (inclusief automotive en solar), • life sciences/health, • agrofood, • logistiek, • maintenance en • biobased economy
13
Om deze clusters te versterken is het economisch programma 2020 vastgesteld. Samen met ondernemers, onderwijsinstellingen en betrokken overheden wordt invulling gegeven aan de ondersteuning van deze clusters. Het ruimtelijke faciliteren van deze clusters is een belangrijke bouwsteen in deze aanpak. Deze aanpak is vertaald in de provinciale strategie werklocaties. Onderhavig voornemen draagt bij versterking van de teeltsector (agrofood). Geledingszone In het stedelijke kralensnoer op de overgang van zand naar klei (van Bergen op Zoom tot Oss) en in het verstedelijkte gebied van Tilburg, Eindhoven-Helmond en Uden-Veghel zet de provincie in op behoud en ontwikkeling van groene geledingszones tussen de grote stedelijke kernen. De geledingszones hebben als doel de openheid tussen de stedelijke gebieden te garanderen. Dit wil de provincie bereiken door in te zetten op de verbetering van de groene en recreatieve kwaliteiten van deze gebieden. Dit draagt bij aan een gezond, schoon en aantrekkelijk vestigings- en leefklimaat van Noord-Brabant. Onderhavig voornemen wordt ingepast in het landschap door beplanting voor de locatie en door langs de Beekgraaf een robuuste bijdrage te leveren aan de kwaliteitsverbetering van het landschap (zie paragraaf 2.3).
Deel B: Structuren Het landelijk gebied biedt een multifunctionele gebruiksruimte voor land- en tuinbouw, natuur water, recreatie, toerisme en kleinschalige stedelijke functies. De provincie zet in op drie aspecten in het landelijk gebied: 1. Ruimte voor een breed georiënteerde plattelandseconomie; 2. Ruimte voor duurzame agrarische ontwikkeling; 3. Versterking van het landschap. Voornamelijk het tweede punt is van belang voor het onderhavige plan. Hier wordt ingezet op zorgvuldig ruimtegebruik, volksgezondheid, dierenwelzijn en een afname van milieubelasting. Verduurzaming van de landbouwproductie (zoals minder meststoffen, antibiotica en een positieve energiebalans) biedt op termijn economische voordelen voor zowel de ondernemers als de samenleving. De landbouwsector (en aanverwante bedrijven) zijn aan zet om innovatief op deze nieuwe benaderingswijze in te spelen. De voorwaarden voor duurzaamheid zullen zich daarbij in de komende jaren verder ontwikkelen en gestalte krijgen.
14
Gemengd landelijk gebied
Figuur 11: Structurenkaart Uit de Structurenkaart blijkt dat de plangebieden zijn gelegen in het ‘gemengd landelijk gebied’. Binnen dit worden verschillende functies in evenwicht met elkaar ontwikkeld. In de Verordening Ruimte 2014 worden regels gesteld aan ontwikkelingen in deze gebieden. Hier wordt in navolgende paragraaf verder op ingegaan. De mate van menging varieert daarbij van de gebieden waarbinnen meerdere functies in evenwicht naast elkaar bestaan tot gebieden waar de land- en tuinbouw de dominante functie is. Voor glasbouw en teeltondersteunende voorzieningen (TOV) is specifiek beleid opgesteld. Teeltondersteunende voorzieningen (TOV) Teeltondersteunende voorzieningen hebben een grote impact op de ruimtelijke beleving, het bodemen watersysteem en natuur- en landschapswaarden. Daarom zijn permanente voorzieningen alleen mogelijk binnen agrarische bouwvlakken, bijvoorbeeld op een differentiatievlak. Tijdelijke voorzieningen zijn over het algemeen goed inpasbaar buiten het bouwvlak. In de cultuurhistorisch waardevolle gebieden kunnen beperkingen worden gesteld aan het gebruik van teeltondersteunende voorzieningen. De permanente voorzieningen komen (uiteindelijk) binnen het agrarisch bouwvlak te liggen middels een differentiatievlak. Het plangebied is verder niet gelegen binnen het cultuurhistorisch waardevol gebied.
Er is geen maximale oppervlaktemaat vastgelegd in het beleid. 3.2.3 Interim omgevingsverordening Noord-Brabant In de Wet ruimtelijke ordening (Wro) is geregeld dat de provincie een verordening kan opstellen waarmee een gemeente rekening moet houden bij het ontwikkelen van bestemmingsplannen. Net zoals de Omgevingswet een groot aantal wetten vervangt, zo vervangt de Brabantse omgevingsverordening een aantal provinciale verordeningen. De Interim omgevingsverordening Noord-Brabant is vastgesteld op 25-10-2019. In de omgevingsvisie staat wat de provincie wil bereiken en wat ze wil doen om dat te bereiken. De Interim omgevingsverordening is digitaal te raadplegen en vervangt de Provinciale milieuverordening, Verordening natuurbescherming, Verordening Ontgrondingen, Verordening ruimte, Verordening water en de Verordening wegen. De provincie heeft als eerste stap een Interim omgevingsverordening vastgesteld waarin de bestaande regels uit de verschillende verordeningen zijn samengevoegd. Voordat de Omgevingswet in werking treedt, wordt de definitieve omgevingsverordening vastgesteld. 15
Figuur 12: Uitsnede Interim omgevingsverordening Noord-Brabant, (Gemengd) landelijk gebied In Figuur 12 is te zien dat de planlocatie is gelegen in het landelijk gebied en het gemengd landelijk gebied. Tevens is de planlocatie gelegen in glastuinbouw-doorgroeigebied en geldt de norm wateroverlast voor buiten stedelijk gebied, Het Broek is eveneens gelegen in een boringsvrije zone. De interim omgevingsverordening heeft voor gemeentes, waterschappen en gedeputeerde staten instructieregels opgesteld waar diverse activiteiten per paragraaf en artikel behandeld worden. Navolgend zullen de onderhavige initiatieven per artikel getoetst worden of de interim omgevingsverordening mogelijkheden biedt tot het uitvoeren van het initiatief. Artikel 3.46 biedt de mogelijkheid tot het wijzigen van een gemeentelijke weg, aan de gestelde voorwaarde kan wordt voldaan. De verharding van het gedeelte van weg naar Het Broek 5 is reeds gerealiseerd en wordt met deze planherziening planologisch verankerd. Initiatiefneemster ondervond veel last van de onverharde weg. Stof zorgt voor overlast naar omliggende woningen en schade aan de machines. Om deze reden heeft het Broek Berries B.V. deze weg op eigen kosten verhard.
De vergroting van het bouwvlak op Het Broek 5 en Bolst 1 en het omschakelen van lage naar hoge teeltondersteunende voorzieningen rond de Bolst 1 kan doorgang vinden door middel van artikel 3.54. Dit artikel luidt als volgt: Artikel 3.54 Grondgebonden teeltbedrijf in Gemengd landelijk gebied Een bestemmingsplan van toepassing op Gemengd landelijk gebied kan voorzien in een uitbreiding van, vestiging van of omschakeling naar een grondgebonden teeltbedrijf als: a. dit vanuit een goede agrarische bedrijfsvoering nodig is; b. de bouw of uitbreiding van een kas is beperkt tot ten hoogste 5.000 m². In de teelt van zacht fruit zijn teeltondersteunende voorzieningen tegenwoordig onmisbaar en de behoefte eraan neemt alleen maar toe. Omdat het aandeel van supermarkten in de verkopen van AGF nog steeds toeneemt (supermarkten verkopen ruim 85% van alle versproducten), is de rol van de grote retailers ook zeer bepalend. Zo stellen met name de retailers de eis dat het softfruit tijdens de teelt voorzien wordt van kappen, om schade aan het fruit door weersinvloeden te voorkomen en de kwaliteit van het softfruit te handhaven. Als men hierin niet meegaat, verliezen de telers in rap tempo hun concurrentiepositie ten opzichte van collega’s in binnen- én buitenland. Dat zou een verlies aan economische waarde en werkgelegenheid betekenen voor de gebieden waar zij gevestigd zijn.
Zodoende is de omschakeling naar hoge teeltondersteunende voorzieningen zodat er regenkappen gerealiseerd kunnen worden nodig voor een goede agrarische bedrijfsvoering. Er is geen sprake van de bouw of uitbreiding van een kas. 16
De wijziging naar ‘Groen’ wordt behandeld in artikel 3.9, aan de gestelde voorwaarde wordt voldaan. Er is een kwaliteitsverbeteringsplan opgesteld voor de gronden waar de wijziging naar ‘Groen’ betrekking op heeft. Dit kwaliteitsverbeteringsplan is bijgevoegd als bijlage 2.
3.3
Gemeentelijk beleid
3.3.1 Structuurvisie Veghel Op 19 december 2013 heeft de gemeenteraad van Veghel de Structuurvisie Veghel 2030, Menu voor de toekomst vastgesteld. In deze structuurvisie zijn de gewenste ruimtelijke ontwikkelingen voor de lange termijn op hoofdlijnen beschreven. De structuurvisie omvat het gehele grondgebied van de voormalige gemeente Veghel en heeft betrekking op de periode tot 2030. In samenhang met de structuurvisie heeft de raad op 19 december 2013 ook de Nota Kostenverhaal Deel I vastgesteld. Deze nota bevat de kaders op het punt van het verhaal van kosten met betrekking tot ruimtelijke ontwikkelingen. De visiekaart vat de gewenste ontwikkelingen samen.
Figuur 13: Uitsnede Structuurvisiekaart 2030 (gemeente Veghel), rode stippellijn = plangebied Het plangebied rond Het Broek 5 is aangewezen als: • Ontwikkelen van een afwisselend Veghels mozaïek, clusters van wonen, werken & recreatie in het landschap. In een brede ring rond Veghel ligt een landschap dat zich kenmerkt door een combinatie van functies, waarbij steeds sprake is van clusters in het landschap. Dit gebiedstype heet daarom het Veghels mozaïek. De vergroting van het agrarische bouwvlak, de toevoeging van de bestemming ‘Groen’ en het verharden van de weg Het Broek passen in deze combinatie van functies. Het plangebied rond de Bolst 1 is aangewezen als: • Ontwikkelen afwisselend ‘buitenlandschap’ landbouw, wonen, werken, recreatie en landschap; Het betreft gronden die al jarenlang een agrarisch grondgebruik kennen en daarmee bijdragen aan het afwisselend buitenlandschap, waarin de landbouw als economische drager prima past. Het omschakelen van lage naar hoge teeltondersteunende voorzieningen is op deze locatie passend binnen de structuurvisie. Onderhavig voornemens passen binnen de gestelde kaders van de Structuurvisie 2030.
17
3.3.2 Nota Kwaliteitsverbetering Om de kwaliteit van het landschap te behouden of zelfs te verbeteren, heeft de provincie in de Interim omgevingsverordening Noord-Brabant een artikel opgenomen dat kwaliteitsverbetering van nieuwe ruimtelijke ontwikkelingen binnen Landelijk gebied verplicht stelt. De gemeente Meierijstad heeft nog geen integrale nota voor kwaliteitsverbetering opgesteld en hanteert zodoende de ‘Nota Kwaliteitsverbetering Schijndel’. Op basis van het vigerende provinciale beleid en de uitwerking hiervan op regionaal niveau is gekomen tot drie categorieën ruimtelijke ontwikkelingen: 1. ontwikkelingen met geen, een verwaarloosbare of zeer geringe ruimtelijke gevolgen. Bijvoorbeeld een beperkte extra oppervlak aan bijgebouwen; 2. ontwikkelingen met een beperkte impact: bijvoorbeeld met beperkte omvang of die direct en concreet invulling geven aan beleidswensen met een grote impact; 3. ontwikkelingen met een grote impact op de omgeving. Beoordeling en uitwerking In onderhavige ruimtelijke onderbouwing zijn verschillende initiatieven te onderscheiden welke los van elkaar beoordeeld dienen te worden. Het verharden van de weg wordt niet direct genoemd in één van de categorieën, de openbare weg is met eigen financiën verhard zodoende is hier geen verdere compensatie benodigd mede doordat de weg is verhard is de kwaliteit omhoog gegaan.
Het omschakelen van lage teeltondersteunende voorzieningen naar hoge teeltondersteunende voorzieningen rond de Bolst 1 valt in ‘omschakeling van agrarische bedrijfsvoering zonder vergroting van het bouwvlak’, dit is categorie 2 waar alleen landschappelijke inpassing nodig is. Deze percelen zijn eerder al landschappelijk ingepast met elzen hagen. Het vergroten van het bouwvlak op Het Broek 5 en Bolst 1 is genoemd in categorie 3 hier is een berekende kwaliteitsverbetering van het landschap nodig. Deze kwaliteitsverbetering vindt eveneens plaats op Het Broek 5 waar een deel van het achterliggend perceel welke bestemd is voor landschappelijke inpassing wordt gewijzigd van ‘agrarisch met lage teeltondersteunende voorzieningen’ naar ‘Groen’. Door het wijzigen van de bestemming wordt planologisch vastgelegd dat deze grond niet meer agrarisch gebruikt kan worden en zodoende bijdraagt aan de kwaliteit van het landschap. De berekening is bijgevoegd in bijlage 1. De wijziging van agrarisch naar groen valt in categorie 1, hier hoeft zodoende geen compensatie voor plaats te vinden. Het inrichtingsplan voor Het Broek 5 is bijgevoegd in bijlage 2. Door de wijziging van ‘agrarisch met lage teeltondersteunende voorzieningen’ naar ‘Groen’ ontstaat er een aanzienlijke overcompensatie.
Deze overcompensatie wordt in een anterieure overeenkomst vastgelegd zodat deze nog ingezet kan worden voor toekomstige ontwikkelingen.
18
4. Milieuhygiënische en planologische verantwoording 4.1
Archeologie en cultuurhistorie
Archeologie Op grond van het Verdrag van Malta en de daaruit vloeiende Wet op de archeologische monumentenzorg (Wamz), dient bij de opstelling en de uitvoering van ruimtelijke plannen rekening te worden gehouden met bekende archeologische waarden en de te verwachten archeologische waarden. Het uitgangspunt hierbij is dat het archeologisch erfgoed moet worden beschermd op de plaats waar het wordt aangetroffen. De gemeente Meierijstad wil verantwoord omgaan met archeologisch erfgoed. In opdracht van de voormalige gemeente Veghel heeft BAAC B.V. in 2014 de bestaande archeologische verwachtingskaart geactualiseerd. Volgens de geactualiseerde archeologische verwachtingskaart van de voormalige gemeente Veghel is het plangebied rond Het Broek 5 gelegen binnen een gebied met een lage verwachtingswaarde en een gebied waar geen nader archeologisch onderzoek noodzakelijk is. Het plangebied Bolst 1 is aangewezen als lage tot middelhoge verwachting (zie Figuur 14). Het plangebied Bolst bestaat uit +/- 110.800 m2 wat gelegen is in de bestemming ‘Waarde – Archeologie 3’ en +/- 195.000 m2 wat gelegen is in ‘Waarde – Archeologie 4’. Het plangebied is onderverdeeld in bouwvlak en functieaanduiding voor teeltondersteunende voorzieningen (TOV). Waarde – Archeologie 3 Binnen de bestemming ‘Waarde – Archeologie 3’ mogen bouwwerken tot maximaal 250 m2 gerealiseerd worden.
In de bestemming ‘Waarde – Archeologie 3’ is +/- 98.600 m2 TOV en +/- 12.200 m2 bouwvlak. Het gedeelte van de TOV welke de grond ingaat is een paal met een betonnen voet. Op elke 7,5 m2 staat één paal met een voet van 0,12 cm x 0,12 cm = 0,0144 m2. Wanneer de volledige oppervlakte voor TOV (98.600 m2) benut wordt zijn er 98.600 / 7,5 = 13.147 palen nodig. Deze palen met voet hebben een oppervlakte van 13.147 x 0,0144 = 189 m2. De oppervlakte aan grond welke geroerd wordt blijft zodoende binnen de maximale 250 m2. Waarde – Archeologie 4 Binnen de bestemming ‘Waarde – Archeologie 4’ mogen bouwwerken tot maximaal 10.000 m2 gerealiseerd worden. In de bestemming ‘Waarde – Archeologie 4’ is +/- 175.700 m2 TOV en +/19.300 m2 bouwvlak. Het gedeelte van de TOV welke de grond ingaat is een paal met een betonnen voet. Op elke 7,5 m2 staat één paal met een voet van 0,12 cm x 0,12 cm = 0,0144 m2. Wanneer de volledige oppervlakte voor TOV (175.700 m2) benut wordt zijn er 175.700 / 7,5 = 23.427 palen nodig. Deze palen met voet hebben een oppervlakte van 23.427 x 0,0144 = 337 m2. Naast de TOV vindt de uitbreiding van het bouwvlak plaats in deze bestemming, de vergroting van het bouwvlak bedraagt 3.783 m2. Totaal kan er 337 + 3.783 = 4.120 m2 aan grond bebouwd worden. De oppervlakte aan grond welke geroerd wordt blijft zodoende binnen de maximale 10.000 m 2.
De ontwikkelingen op de Bolst 1 blijven binnen de toegestane oppervlakte waar binnen gebouwd mag worden, hier is verder archeologisch onderzoek niet noodzakelijk. De gronden waar de weg verhard wordt aan Het Broek 5 zijn in het verleden al geroerd door de aanleg van de weg. Ook hier is verder archeologisch onderzoek niet noodzakelijk.
19
Figuur 14: Archeologische verwachtingskaart gemeente Veghel, rode stippellijn zijn plangebieden. Conclusie Vanuit het aspect archeologie zijn er geen belemmeringen voor het uitvoeren van onderhavig initiatief. Cultuurhistorie De provincie ziet cultuurhistorische waarden als een belangrijk element van de identiteit van NoordBrabant. Cultuurhistorische waarden verdienen het om behouden te worden, maar vooral ook om als inspiratiebron te worden gebruikt bij nieuwe ruimtelijke ontwikkelingen. “Behoud door ontwikkeling” is hierbij een belangrijk uitgangspunt.
Figuur 15: Cultuurhistorische waardenkaart, provincie Noord-Brabant, rode cirkels = globale ligging plangebieden. Onderhavige locaties zijn niet gelegen binnen waardevol cultuurhistorisch gebied. Conclusie Vanuit het aspect cultuurhistorie zijn er geen belemmeringen voor het uitvoeren van onderhavig initiatief. 20
4.2
Flora en fauna
Soortenbescherming de Flora- en faunawet is opgegaan in de Wet natuurbescherming. Dit houdt in dat de soortenbescherming ook via deze overkoepelende natuurwet is geregeld. Het beschermingsregime van soorten is o.a. afkomstig uit de Vogel- en Habitatrichtlijn. Bovendien is voor de soortenbescherming wettelijk rechtstreeks verwezen naar de hiervoor relevante Europese verdragen, het Verdrag van Bern en het Verdrag van Bonn. Het beschermingsregime betreffende soorten (flora en fauna) is opgenomen in hoofdstuk 3 van de Wnb. De verbodsbepalingen zijn hierbij afhankelijk gesteld van de soort (en daarmee de opname van die soort op de diverse lijsten) en de voorgenomen handelingen. Bovendien is een algemeen geldende zorgplicht opgenomen om handelingen achterwege te laten of maatregelen te treffen, om te voorkomen dat nadelige gevolgen ontstaan voor in het wild levende dieren en planten. Conform de Wet natuurbescherming is de initiatiefnemer bij ruimtelijke ingrepen verplicht op de hoogte te zijn van mogelijke voorkomende beschermde soorten binnen het plangebied. Vanuit die kennis dienen plannen en projecten getoetst te worden aan eventuele strijdigheid met de verbodsbepalingen uit de Wnb.
Conform vaste jurisprudentie kan een plan worden vastgesteld, of een project doorgang vinden, indien aannemelijk wordt gemaakt dat het aspect flora en fauna niet aan de uitvoerbaarheid van het plan in de weg staat. Onderzoekslocatie De aanwezigheid van beschermde planten en dieren is sterk gerelateerd aan de aanwezigheid van bepaalde kleine landschapselementen (bosjes, wielen/poelen, heggen/hagen e.d). Gezien het intensieve gebruik van de gronden (als landbouwgrond en weg) is het niet aannemelijk dat beschermde soorten zich permanent op de locatie hebben gevestigd. Verder ecologisch onderzoek is niet noodzakelijk. Natura 2000-gebieden De Wet natuurbescherming kent een rechtstreekse werking, waardoor dit wettelijke regime onverkort van toepassing blijft op de aangevraagde activiteiten. Natura 2000-gebieden kunnen schade ondervinden wegens diverse aspecten, zoals verdroging, oppervlakteverlies, verontreiniging, versnippering, optische verstoring, verzuring en vermesting. Onderhavig ruimtelijke procedure betreft een wijziging van het gebruik van de bestaande gebouwen. Het dichtstbijzijnde Natura 2000-gebied betreft de Vlijmens Ven, Moerputten & Bossche Broek en is gelegen op ruime afstand (+/- 19 kilometer). De wijziging van het gebruik heeft geen invloed op emissies of mogelijke andersoortige effecten.
De aanvraag heeft derhalve met zekerheid geen mogelijk effect tot gevolg op de Natura 2000-gebieden. De gemeente Meierijstad voert een integrale AERIUS berekening uit waarin de depositie van stikstof voor het gehele plangebied van het veegplan wordt behandeld. Conclusie De voorgenomen ontwikkelingen hebben geen invloed op flora en fauna.
4.3
Waterparagraaf
4.3.1 Inleiding Water verdient een belangrijke plek in de ruimtelijke planvorming. Vanwege dit belang moeten bij de locatiekeuze, de (her)inrichting en het beheer van nieuwe ruimtelijke functies de relevante waterhuishoudkundige aspecten worden meegenomen. In deze waterparagraaf wordt ingegaan op de waterhuishoudkundige situatie (oppervlaktewater, grondwater, hemelwater en afvalwater) in de huidige en toekomstige situatie. 4.3.2 Beleid en wetgeving Rijk Waterbeheer 21e eeuw (WB21) In de aard en omvang van de nationale waterproblematiek doen zich structurele veranderingen voor. Klimaatveranderingen, zeespiegelstijging, bodemdaling en verstedelijking maken een nieuwe aanpak in het waterbeleid noodzakelijk. In februari 2001 sloten daarom Rijk, Interprovinciaal Overleg, Unie van Waterschappen en Vereniging van Nederlandse Gemeenten de Startovereenkomst Waterbeleid 21e eeuw. Daarmee werd de eerste stap gezet in het tot stand brengen van de noodzakelijke 21
gemeenschappelijke aanpak. Twee jaar later worden de resultaten van die samenwerking en van voortschrijdende kennis en inzicht neergelegd in dit Nationaal Bestuursakkoord Water, hierna te noemen NBW. Met dit NBW akkoord leggen de overheden vast op welke wijze, met welke middelen en langs welk tijdspad zij gezamenlijk de grote wateropgave voor Nederland in de 21e eeuw willen aanpakken. Het akkoord benadrukt de gezamenlijke verantwoordelijkheid voor het op orde krijgen en houden van het totale watersysteem. Het geeft aan welke instrumenten ingezet worden om de opgave te realiseren, welke taken en verantwoordelijkheden iedere partij daarbij heeft en hoe partijen elkaar in staat willen stellen hun taken uit te voeren. Nationaal Waterplan Het Nationaal Waterplan (NWP) bevat de hoofdlijnen van het nationaal waterbeleid en de daartoe behorende aspecten van het ruimtelijk beleid. Het kabinet actualiseert het waterbeleid op een aantal terreinen. Het beleid met betrekking tot waterveiligheid en zoetwater is met de vastgestelde deltabeslissingen in 2014 fundamenteel veranderd. Het rijksbeleid dat voortvloeit uit de voorstellen voor deze deltabeslissingen, is in 2014 met een tussentijdse wijziging verankerd in het Nationaal Waterplan 2009-2015 en opgenomen in dit nieuwe Nationaal Waterplan voor de periode 2016–2021.
Het kabinet heeft de afgelopen jaren over verschillende beleidsterreinen afspraken gemaakt die raakvlakken hebben met water, zoals afspraken over energie (Energieakkoord), natuur (Natuurvisie), internationale inzet en vernieuwde bestuurlijke verhoudingen (onder meer Structuurvisie Infrastructuur en Ruimte, Bestuursakkoord Water en Deltaprogramma). Deze afspraken zijn verwerkt in dit Nationaal Waterplan. De betreffende beleidsdocumenten blijven van kracht. Met de vaststelling van dit NWP voldoet Nederland tevens aan de Europese eisen om actuele plannen en maatregelenprogramma’s op te stellen volgens de Kaderrichtlijn Water (KRW), de Richtlijn Overstromingsrisico’s (ROR) en de Kaderrichtlijn Mariene Strategie (KRM). Activiteitenbesluit milieubeheer Per 19 oktober 2007 is Activiteitenbesluit milieubeheer van kracht. Het uitgangspunt van het Activiteitenbesluit is om zoveel mogelijk inrichtingen onder algemene regels te brengen. Het achterliggende doel hiervan is het verminderen van de administratieve lasten voor zowel inrichtingen als overheden. Het Activiteitenbesluit kent eisen voor verschillende milieuaspecten. Denk hierbij aan geluid, lucht, bodem, externe veiligheid, afval en afvalwater. In onderhavige situatie worden de gewassen gedeeltelijk los van de volle grond in substraat geteeld (substraatteelt). In paragraaf 3.5.3.
van het Activiteitenbesluit milieubeheer is het telen van gewassen in de open lucht geregeld. De regels uit het Activiteitenbesluit milieubeheer zijn van invloed op het ontwerp/de indeling van het plangebied. Belangrijke aspecten hierbij zijn: de teeltvrije zone en het opvangen/lozen van hemel/drainwater. Provincie Noord-Brabant Beleid provincie Noord-Brabant Het Provinciaal Milieu- en Waterplan 2016 - 2021 (PMWP) is vastgesteld op 18 december 2015. Het dient als structuurvisie voor onder andere het aspect water op grond van de Wet ruimtelijke ordening (Wro). Het PMWP geeft de uitgangspunten aan voor het waterbeleid van waterschappen en gemeenten. Ook toetst de provincie aan de hand van dit plan of de plannen van de waterschappen in lijn zijn met het provinciale beleid. Het benutten van mogelijkheden voor infiltratie en/of conservering van hemelwater en het scheiden van relatief schone en vuile waterstromen zijn algemene uitgangspunten die worden benoemd. Waterschap Aa en Maas Waterbeheerplan, Waterschap Aa en Maas Het plangebied maakt in waterstaatkundig opzicht deel uit van het Waterschap Aa en Maas. Hierin staan de doelen die Waterschap Aa en Maas nastreeft en wat ze in de periode 2016-2021 doen om deze doelen te halen. In dit Waterbeheerplan kiest Waterschap Aa en Maas ervoor om het waterbeheer van de afgelopen jaren door te zetten.
Nog meer dan in de periode 2010 - 2015 opereert Waterschap hierin met oog voor de omgeving. Waar mogelijk trekt Waterschap Aa en Maas samen op
22
met haar partners. Bij het uitvoeren van de watertaken dragen zij een steentje bij aan het werken aan een veilige, gezonde en duurzame leef-, woon- en werkomgeving in het oosten van Brabant. Het nieuwe Waterbeheersplan is geen grote koerswijziging. De doelen op hoofdlijnen voor 2016-2021 zijn: • Via optimaal beheer en onderhoud houdt Waterschap de huidige dienstverlening in stand; • Veilig en Bewoonbaar Beheergebied; • Voldoende water en robuust watersysteem; • Schoon water; • Gezond en natuurlijk water. Keur (2015) Waterschappen Aa en Maas, Brabantse Delta en De Dommel hebben gezamenlijk waterregels vastgesteld. Het doel van de regels is om de wateraanvoer en waterafvoer te waarborgen, Brabant te beschermen tegen overstromingen en de gevolgen van droogte te beperken. De Waterschapskeur vormt een aanvulling op hogere regelgeving op landelijk en provinciaal niveau. De regels met de traditionele naam Keur zijn eenvoudiger en er is minder vaak een vergunning nodig dan voorheen, een melding aan het Waterschap volstaat vaak. Activiteiten rondom kleine watergangen zijn in veel gevallen zelfs vrijgesteld van regels. Met de nieuwe Keur dragen de Waterschappen bij aan minder regels en minder administratiekosten voor burgers en bedrijven.
4.3.3 Bestaande waterhuishoudkundige situatie Bodem en grondwater De bodemkundige hoofdeenheid ter plaatse van het plangebied Bolst 1 betreft gedeeltelijk zandgronden (voedselrijk en vochtig tot nat) en beekdallandschap (matig voedselrijk tot nat). De bodemkundige hoofdeenheid ter plaatse van de plangebieden rond Het Broek 5 betreft beekdallandschap (matig voedselrijk tot nat). Het maaiveld binnen het plangebied ligt op ca. 10,5 m +NAP voor het plangebied Bolst 1. De plangebieden rond Het Broek 5 liggen op ca. 9-11 m +NAP. De gemiddeld hoogste grondwaterstand (GHG) voor alle plangebieden is circa 40 - 80 cm-mv. De gemiddeld laagste grondwaterstand (GLG) voor het plangebied Bolst 1 is circa 140 - 200 cm-mv. De gemiddeld laagste grondwaterstand (GLG) voor de plangebieden rond Het Broek 5 is circa 120 – 160 cm-mv. De onderzoekslocatie is niet gesitueerd in een beschermd gebied waterhuishouding. Op de locatie zijn geen geregistreerde grondwaterbronnen of onttrekkingen aanwezig. Het grondwater onder de onderzoekslocatie is, zover bekend, niet onderhevig aan invloeden van buitenaf. Het grondwatersysteem in het plangebied kan onderscheiden worden in intermediair algemeen. In de intermediaire gebieden wordt een groot deel van het grondwater snel door waterlopen afgevoerd, waardoor ze afhankelijk van het seizoen afwisselend droog en nat zijn.