Bijlagen bij vast te stellen bestemmingsplan Hoofdstraat 145-147 Schijndel
Tekst van het document
‘Leidraad inventariserend veldonderzoek; Deel: karterend booronderzoek’. SIKB. Tump, M. 2013. ‘Schijndel, Mieke de Brefstraat (gemeente Schijndel). Inventariserend Veldonderzoek door middel van Proefsleuven en Archeologische Begeleiding’. BAAC-rapport A13.0082. http://dx.doi.org/10.17026/dans-zgh-ejkg. Verhees, H. 1794. ‘Meierijkaart van Hendrik Verhees, getiteld: “Kaart Figuratief van het grootste gedeelte van Bataasch Braband, bevattende de Meyerye van 's Bosch, bestaande in de vier kwartieren...”’ https://www.archieven.nl/nl/zoeken? mivast=0&mizig=210&miadt=235&miaet=1&micode=5129&minr=1064048 9&miview=inv2. van de Weijer, Jan Francis. 1756. ‘“Caarte Figuratief van het dorp Schijndel in Clampen” ofwel tiendkaart van geheel Schijndel,’. https://proxy.archieven.nl/0/18D8E85935464056B28C521B3A1618E0.
Bureau voor Archeologie Rapport 1081
Schijndel Hoofdstraat 145 en 147
29
Figuren
Figuur 2: Luchtfoto actueel.
Bureau voor Archeologie Rapport 1081
Schijndel Hoofdstraat 145 en 147
30
Figuur 3: Topografische kaart.
Bureau voor Archeologie Rapport 1081
Schijndel Hoofdstraat 145 en 147
31
Figuur 4: Zuidzijde van het plangebied (Google Street View).
Bureau voor Archeologie Rapport 1081
Schijndel Hoofdstraat 145 en 147
32
Figuur 5: Archeologische beleidskaart gemeente Schijndel (Berkvens 2013).
Bureau voor Archeologie Rapport 1081
Schijndel Hoofdstraat 145 en 147
33
Figuur 6: Nieuwe situatie.
Bureau voor Archeologie Rapport 1081
Schijndel Hoofdstraat 145 en 147
34
Figuur 7: Bouwjaren (Kadaster 2013). De ligging van kelders/souterrain zijn aangegeven met oranje contouren.
Bureau voor Archeologie Rapport 1081
Schijndel Hoofdstraat 145 en 147
35
Figuur 8: Bestektekening uit 1956 van het pand aan de Hoofdstraat 145 (Brabants Historisch Informatie Centrum 2021).
Bureau voor Archeologie Rapport 1081
Schijndel Hoofdstraat 145 en 147
Figuur 9: Bestektekening uit 1946 van de bioscoop achter de Hoofdstraat 145 (Brabants Historisch Informatie Centrum 2021).
Figuur 10: Bestektekening uit 1946 van de westzijde van de bioscoop achter de Hoofdstraat 145 (Brabants Historisch Informatie Centrum 2021).
38
Figuur 11: Geomorfologische kaart (Maas e.a. 2019).
Bureau voor Archeologie Rapport 1081
Schijndel Hoofdstraat 145 en 147
39
Figuur 12: Bodemkaart (Alterra 2014).
Bureau voor Archeologie Rapport 1081
Schijndel Hoofdstraat 145 en 147
40
Figuur 13: Hoogte-reliëfkaart (Actueel Hoogtebestand Nederland 2018).
Bureau voor Archeologie Rapport 1081
Schijndel Hoofdstraat 145 en 147
41
Figuur 14: Hoogte-reliëfkaart detail (Actueel Hoogtebestand Nederland 2018). Hoogtewaarden zijn in meters ten opzichte van NAP.
Bureau voor Archeologie Rapport 1081
Schijndel Hoofdstraat 145 en 147
42
Figuur 15: Tiendkaart van Schijndel, 1756 (Van de Weijer 1756). Het plangebied is globaal aangegeven met blauw.
Figuur 16: Kaart figuratief van het grootste gedeelte van Bataasch Braband, 1794 (Verhees 1794).Het plangebied is globaal aangegeven met blauw.
Bureau voor Archeologie Rapport 1081
Schijndel Hoofdstraat 145 en 147
43
Eenheid
toelichting Bouwland
Figuur 17: Kadastrale minuut 1811-1832, gemeente Schijndel, sectie D, blad 2 (Kadaster 1811).
Bureau voor Archeologie Rapport 1081
Schijndel Hoofdstraat 145 en 147
44
Figuur 18: Topografisch militaire kaart 1850.
Figuur 19: 608-2076-ST. MICHIELSGESTEL-1900.
Bureau voor Archeologie Rapport 1081
Schijndel Hoofdstraat 145 en 147
45
Figuur 20: 608-2079-ST. MICHIELSGESTEL-1928.
Figuur 21: 45D-1956-Boxtel / Schijndel / s-Hertogenbosch.
Bureau voor Archeologie Rapport 1081
Schijndel Hoofdstraat 145 en 147
46
Figuur 22: 45D-1978-Boxtel / Schijndel / s-Hertogenbosch.
Figuur 23: 45D-1988-Boxtel / Schijndel / s-Hertogenbosch.
Bureau voor Archeologie Rapport 1081
Schijndel Hoofdstraat 145 en 147
47
Figuur 24: Archeologische terreinen (rood), vondstlocaties (geel) en zaken (blauw) uit ARCHIS (Rijksdienst voor het Cultureel Erfgoed 2021).
Bureau voor Archeologie Rapport 1081
Schijndel Hoofdstraat 145 en 147
48
Figuur 25: Boorpuntenkaart met plangebied (blauw) en onderzoeksgebied van het booronderzoek (rood gestreept).
Bureau voor Archeologie Rapport 1081
Schijndel Hoofdstraat 145 en 147
Figuur 26: Schematische weergave van de boorprofielen.
50
Figuur 27: Foto van boring 5.
Bureau voor Archeologie Rapport 1081
Schijndel Hoofdstraat 145 en 147
Bijlage 1: Boorbeschrijvingen nr.
grens (cm - grond mv)
bijmenging
mediaan kleur
kalk
nieuwvormingen antropogene bijmengingen
horizonten boortype overig
boven onder 1
beschrijver: C. de Jong opmerking algemeen: ongeveer 50 cm boven maaiveld buiten 0
4 beton
beton
4
20 zand
zwak siltig
matig fijn donker-grijs
20
120 zand
sterk humeus; zwak siltig
zeer fijn
120
130 niet beschreven
130
135 zand
matig humeus; zwak siltig
zeer fijn
donker-grijs-bruin kalkloos
135
165 zand
zwak siltig
zeer fijn
geel
kalkloos weinig roestvlekken
165
180 zand
zwak siltig
zeer fijn
licht-geel
kalkloos
kalkrijk
7cmEdelman
puin; zand matig afgerond; zeer grote spreiding; basis scherp
donker-roze-zwart kalkloos
7cmEdelman
omgewerkte grond; zand matig afgerond; matig kleine spreiding; basis scherp
7cmEdelman
kalkloos wit plakkerig materiaal; basis scherp
7cmEdelman
zand matig afgerond; matig kleine spreiding; basis scherp; omgewerkte grond
C-horizont
7cmEdelman
zand matig afgerond; matig kleine spreiding; basis geleidelijk
C-horizont
7cmEdelman
zand matig afgerond; matig kleine spreiding
2
beschrijver: C. de Jong opmerking algemeen: ongeveer 50cm boven maaiveld buiten 0
10 beton
beton
10
15 zand
zwak siltig; sterk zeer fijn grindig
donker-grijs
kalkrijk
7cmEdelman
opgebrachte grond; zand matig afgerond; matig kleine spreiding; basis scherp
15
20 zand
zwak humeus; zwak siltig
zeer fijn
donker-grijs-bruin kalkloos
7cmEdelman
zand matig afgerond; matig grote spreiding; basis scherp
20
40 zand
zwak siltig; matig grindig
matig fijn donker-grijs
7cmEdelman
opgebrachte grond; zand matig afgerond; matig kleine spreiding
kalkrijk
nr.
grens (cm - grond mv)
bijmenging
mediaan kleur
kalk
nieuwvormingen antropogene bijmengingen
horizonten boortype overig
boven onder 40
70 zand
zwak siltig; matig grindig
matig fijn donker-grijs
kalkrijk
3cm- Guts opgebrachte grond; wit glas baksteen mortel; matig kleine spreiding; zand matig afgerond
70
75 zand
sterk humeus; zwak siltig
matig fijn zwart
kalkloos
3cm- Guts omgewerkte grond; zand matig afgerond; matig kleine spreiding; basis scherp
75
85 zand
zwak siltig
matig fijn geel
kalkloos
3cm- Guts omgewerkte grond; zand matig afgerond; matig kleine spreiding; basis scherp
85
90 zand
sterk humeus; zwak siltig
matig fijn zwart
kalkloos
3cm- Guts omgewerkte grond; zand matig afgerond; matig kleine spreiding; basis scherp
90
100 zand
zwak siltig
matig fijn geel
kalkloos
3cm- Guts omgewerkte grond; zand matig afgerond; matig kleine spreiding; basis scherp
100
140 zand
sterk humeus; zwak siltig
matig fijn zwart
kalkloos
3cm- Guts omgewerkte grond; zand matig afgerond; matig grote spreiding; basis scherp
140
150 zand
zwak siltig
matig fijn geel
kalkloos
C-horizont
3cm- Guts zand matig afgerond; matig kleine spreiding
3
beschrijver: C. de Jong opmerking algemeen: ongeveer 55 cm boven maaiveld buiten 0
5 tegel
5
30 zand
zwak siltig
zeer fijn
bruin-grijs
tegel
30
50 zand
matig humeus; zwak siltig
zeer fijn
donker-bruin-grijs kalkrijk
50
145 zand
sterk humeus; zwak siltig
zeer fijn
zwart
kalkrijk
kalkloos
7cmEdelman
opgebrachte grond; zand matig afgerond; matig kleine spreiding; basis scherp
spoor baksteen
7cmEdelman
opgebrachte grond; zand matig afgerond; matig kleine spreiding; baksteenspikkels rood sintels; basis scherp
weinig baksteen
7cmEdelman
omgewerkte grond; baksteen rood tot 5cm sintels kalkmortel; zand matig afgerond; matig kleine spreiding; basis scherp
nr.
grens (cm - grond mv)
bijmenging
mediaan kleur
kalk
nieuwvormingen antropogene bijmengingen
horizonten boortype overig
boven onder 145
150 zand
zwak humeus; zwak siltig
zeer fijn
donker-grijs-bruin kalkloos
150
200 zand
matig siltig
zeer fijn
geel
kalkloos
C-horizont
7cmEdelman
omgewerkte grond; zand matig afgerond; spoor zandbrokjes; matig kleine spreiding; zandbrokken humeus; basis scherp
7cmEdelman
zand matig afgerond; matig kleine spreiding
4
beschrijver: C. de Jong 0
35 hout en beton
hout + holte + beton
35
40 zand
zwak siltig
zeer fijn
grijs
kalkloos
7cmEdelman
opgebrachte grond; zand matig afgerond; matig kleine spreiding; basis scherp
40
45 zand
zwak humeus; zwak siltig
zeer fijn
donker-grijs
kalkrijk
7cmEdelman
opgebrachte grond; zand matig afgerond; matig kleine spreiding; basis scherp
45
55 zand
zwak siltig
zeer fijn
grijs
kalkloos
7cmEdelman
kalkmortel; zand matig afgerond; matig kleine spreiding; basis scherp
55
95 zand
sterk humeus; zwak siltig
zeer fijn
zwart
kalkloos
7cmEdelman
omgewerkte grond; sintels verroeste spijker wit vensterglas; zand matig afgerond; spoor zandbrokjes; matig kleine spreiding; basis scherp
95
130 zand
zwak siltig
zeer fijn
geel
kalkloos
C-horizont
7cmEdelman
zand matig afgerond; matig kleine spreiding; basis geleidelijk
130
150 zand
zwak siltig
zeer fijn
geel
kalkloos spoor roestvlekken
C-horizont
7cmEdelman
basis geleidelijk; zand matig afgerond; matig kleine spreiding
5
beschrijver: C. de Jong opmerking algemeen: ongeveer 55 cm boven maaiveld buiten 0
30 zand
matig humeus; zwak siltig;
zeer fijn
grijs-bruin
kalkrijk
7cm-
puin; zand matig afgerond; matig kleine spreiding; basis
nr.
grens (cm - grond mv)
bijmenging
mediaan kleur
kalk
nieuwvormingen antropogene bijmengingen
horizonten boortype overig
boven onder matig grindig
Edelman
scherp
30
50 zand
matig humeus; zwak siltig
zeer fijn
grijs-bruin
kalkloos
7cmEdelman
omgewerkte grond; zand matig afgerond; weinig zandbrokjes; matig kleine spreiding; basis scherp
50
55 zand
zwak humeus; zwak siltig
zeer fijn
donker-grijs
kalkloos
7cmEdelman
omgewerkte grond; zand matig afgerond; matig kleine spreiding; basis scherp
55
90 zand
sterk humeus; zwak siltig
zeer fijn
zwart
kalkloos
7cmEdelman
omgewerkte grond; baksteenspikkels rood sintels; zand matig afgerond; matig kleine spreiding; basis geleidelijk
90
110 zand
zwak siltig; sterk zeer fijn humeus
zwart
kalkloos
7cmEdelman
matig kleine spreiding; zand matig afgerond; veel zandbrokjes; omgewerkte grond; basis geleidelijk
110
150 zand
sterk humeus; zwak siltig
zeer fijn
zwart
kalkloos
7cmEdelman
omgewerkte grond; zand matig afgerond; matig kleine spreiding; basis scherp
150
160 zand
zwak siltig; sterk zeer fijn humeus
zwart
kalkloos
7cmEdelman
omgewerkte grond; zand matig afgerond; veel zandbrokjes; matig kleine spreiding; basis scherp
160
175 zand
zwak siltig
matig fijn licht-grijs
kalkloos
C-horizont
7cmEdelman
zand matig afgerond; matig kleine spreiding; basis geleidelijk
175
195 zand
zwak siltig
matig fijn licht-geel-grijs
kalkloos
C-horizont
7cmEdelman
basis geleidelijk; zand matig afgerond; matig kleine spreiding
195
200 zand
zwak siltig
matig fijn licht-grijs
kalkloos
C-horizont
7cmEdelman
matig kleine spreiding; zand matig afgerond
spoor baksteen
Coördinaten van de boringen: nr.
X (m RD)
Y (m RD)
Z (cm NAP)
1
158533
403066
1050
2
158528
403052
1050
3
158521
403056
1055
4
158510
403051
1010
5
158503
403055
1013
Ecologische quickscan Hoofdstraat 145 - 147 in Schijndel In het kader van de Wet natuurbescherming
Colofon Tekst, foto's en samenstelling
S. Bakker
Rapportnummer
EQ2154
Status rapport
Definitief
Datum oplevering rapport
4-9-2021
Aantal pagina's
34
Wijze van citeren
S. Bakker, 2021, Ecologische quickscan Hoofdstraat 145 - 147 in Schijndel, in het kader van de Wet natuurbescherming, rapportnummer EQ2154
1
Inhoudsopgave 1
Leeswijzer ..................................................................................................... 3
2
Inleiding ......................................................................................................... 4
3
Werkwijze ...................................................................................................... 5
4
Wet- en regelgeving ..................................................................................... 6
5
Omschrijving plangebied ............................................................................ 10
6
Effecten van de ingreep en toetsing aan de wet natuurbescherming .... 19
7
Conclusies en aanbevelingen ..................................................................... 28
8
Gebruikte bronnen ....................................................................................... 33 2
1 Leeswijzer In hoofdstuk 2 wordt een beschrijving gegeven van de beoogde ruimtelijke ingreep van de opdrachtgever en de doelen van het ecologisch onderzoek. In hoofdstuk 3 wordt beschreven welke werkwijze is gevolgd bij het uitvoeren van de ecologische quickscan. In hoofdstuk 4 wordt ingegaan op de Wet natuurbescherming en wordt in algemene bewoordingen aangegeven waar rekening mee moet worden gehouden bij de uitvoering van ruimtelijke ingreep. In hoofdstuk 5 wordt het plangebied beschreven en de ligging ten opzichte van beschermde natuurgebieden. Er wordt een inschatting gemaakt welke beschermde soorten mogelijk voorkomen op basis van literatuuronderzoek en de fysieke bezoeken aan het plangebied. In hoofdstuk 6 wordt een beschrijving gegeven van de voorgenomen activiteiten van de ingreep en worden de effecten van de voorgenomen ingreep op flora en fauna beschreven. Deze effecten worden vervolgens getoetst aan de wet natuurbescherming. Afsluitend komen in hoofdstuk 7 de conclusies uit de ecologische quickscan aan bod.
3
2 Inleiding Is er eventueel een verdiepend onderzoek noodzakelijk? Zo ja: De opdrachtgever heeft het voornemen om het pand aan de Hoofdstraat 145 - 147 (City Theater De Beurs) in Schijndel te slopen en hier een nieuw appartementencomplex te realiseren. Omdat de uitvoering van deze ingreep mogelijk negatieve effecten heeft op beschermde soorten en beschermde gebieden heeft de gemeente Meierijstad , waar Schijndel onder valt, verzocht om een ecologische quickscan uit te voeren. Met dit rapport wordt aan deze vraag voldaan.
2.1
•
Naar welke soorten en functies dient eventueel aanvullend onderzoek plaats te vinden?
Doel van de ecologische quickscan
In dit oriënterend onderzoek worden de volgende vragen beantwoord: Vindt het initiatief plaats op een locatie waar (mogelijk) beschermde dier- en/of plantensoorten voorkomen of functies voor deze soorten worden vervuld? Zo ja: •
Welke beschermde dier- en/of plantensoorten komen op of rond deze locatie voor?
•
Welk beschermingsregime is van toepassing is op deze soorten?
•
Ondervinden die soorten schadelijke effecten van de ingreep?
•
Kunnen schadelijke effecten worden voorkomen door ingrepen op een aangepaste wijze uit te voeren?
•
Is er sprake van een overtreding van de verbodsbepalingen van beschermde soorten?
Heeft de ingreep negatieve effecten op een beschermd natuurgebied? Zo ja: •
Wat zijn de instandhoudingsdoelen van het gebied?
•
Heeft de handeling significante gevolgen voor dat gebied?
•
Is er sprake van een overtreding van de verbodsbepalingen van beschermde gebieden? 4
3 Werkwijze Er is een ecologische quickscan (verkennende inventarisatie) uitgevoerd om in beeld te brengen of door het voorgenomen initiatief negatieve effecten zijn te verwachten op beschermde soorten en beschermde gebieden.
3.1
Literatuuronderzoek
Door middel van literatuuronderzoek wordt normaal gesproken onderzocht welke beschermde flora en fauna in de ruime omgeving van het plangebied zijn waargenomen. Hierbij wordt dan gebruik gemaakt van de NDFF (Nationale Databank Flora en Fauna) en relevante recente verspreidingsatlassen. De opgevraagde gegevens dekken het gehele gebied waar de activiteiten plaats gaan vinden, samen met de directe omgeving. Vervolgens wordt voor deze beschermde soorten onderzocht of op basis van verspreiding, ecologie en de aanwezige ecotopen het aannemelijk is dat een soort in het plangebied of invloedgebied van de ingreep voorkomt.
Tijdens het bezoek is de (potentieel) aanwezige flora en fauna onderzocht, alsook de functies die bepaalde delen van het plangebied mogelijk kunnen vervullen. Hierbij is gebruik gemaakt van checklijsten en protocollen (zoals gepubliceerd door het NDFF), kennisdocumenten van BIJ12 en diverse gidsen en websites waarin ecologie van soorten aan bod komt. Aan de hand van deze informatie en opgebouwde ecologische kennis binnen Natuurlink is de potentiële aanwezigheid van beschermde soorten en functies van het plangebied ingeschat.
3.3
Toetsing aan de Wet natuurbescherming
Op grond van de beschreven activiteiten en de daaruit volgende verstoringen is door Natuurlink een inschatting gemaakt van de redelijkerwijs te verwachten negatieve effecten op de (potentieel) aanwezige beschermde soorten en functies. De mogelijke negatieve effecten zijn vervolgens getoetst aan de Wet natuurbescherming. Hierbij is gekeken of er sprake is van een overtreding van de soortbescherming of gebiedsbescherming en hoe een overtreding van de Wet natuurbescherming valt te voorkomen.
In dit geval is door Natuurlink echter geoordeeld dat, op basis van de voorgenomen ingreep en de aard en de situering van het plangebied, negatieve effecten alleen kunnen optreden op gebouwbewonende soorten en algemeen voorkomende broedvogels in de stad. Daarom zijn niet, zoals bij een normale quickscan, de effecten beoordeeld op alle beschermde soorten die in de directe omgeving zijn waargenomen (meestal 0 – 10 km), maar alleen op alle soorten die daadwerkelijk verwacht kunnen worden in of direct rond het plangebied.
3.2
Flora en fauna onderzoek
Het plangebied is bezocht door Sebastiaan Bakker. De weersomstandigheden waren goed om een inspectie uit te voeren (zie tabel 1). Tabel 1. Weersomstandigheden tijdens het veldbezoek.
Datum
Tijd
Weersomstandigheden
07-07-2021 10:00 – 12:00 18 °C, droog, half bewolkt, ZZW3
5
4 Wet- en regelgeving 4.1
Inleiding in de Wet natuurbescherming
4.2
Soortbescherming in de Wet natuurbescherming
De Wet natuurbescherming kent drie verschillende beschermingsregimes om soorten te beschermen:
De Wet natuurbescherming (Wnb) is in Nederland op 1 januari 2017 in werking getreden. In deze wet staan de beschermingsregels voor de Nederlandse natuurgebieden en planten- en diersoorten. Vanwege de inwerkingtreding van deze wet zijn de Flora- en faunawet, de Natuurbeschermingswet en de Boswet komen te vervallen. De Wet natuurbescherming geeft uitvoering aan de verplichtingen van de Vogelrichtlijn en de Habitatrichtlijn die zowel soortenbescherming als gebiedsbescherming op Europees niveau regelen.
1.
soorten van de Vogelrichtlijn;
2.
soorten van de Habitatrichtlijn, het Verdrag van Bern en het Verdrag van Bonn;
3.
soorten die vanuit nationaal oogpunt beschermd worden.
Het uitgangspunt van de wet is dat geen schade mag worden toegebracht aan beschermde dieren of planten of beschermde natuurgebieden, tenzij dit uitdrukkelijk is toegestaan.
Elk van deze beschermingsregimes kent zijn eigen verbodsbepalingen en vereisten voor vrijstelling of ontheffing van de verboden. Verbodsbepalingen mogen niet overtreden worden, tenzij men een ontheffing kan krijgen (het zogenoemde ‘nee, tenzij-principe’). De belangrijkste verbodsbepalingen staan vermeld in tabel 2.
Dit betekent in de praktijk dat het bij ruimtelijke ingrepen gaat om het effect van activiteiten op beschermde soorten en gebieden. Als activiteiten zodanig worden uitgevoerd dat er geen schade wordt toebracht, dan is toetsing aan de Wet natuurbescherming niet nodig. Soms is het echter onvermijdelijk dat of onduidelijk of schade wordt toegebracht. In die situaties is het noodzakelijk om aanvullend ecologisch onderzoek te laten uitvoeren en te bepalen of er een vrijstelling geldt voor de activiteiten of dat een ontheffing moet worden aangevraagd. De gemeente is het eerste aanspreekpunt voor de aanvraag van een Omgevingsvergunning. De bevoegdheid om te toetsen aan de Wet natuurbescherming ligt in de meeste gevallen bij de provincie.
6
Tabel 2. Overzicht belangrijkste verbodsbepalingen uit de Wet natuurbescherming.
Beschermingsregime soorten Vogelrichtlijn
Beschermingsregime soorten Habitatrichtlijn § 3.2 Wnb
Beschermingsregime andere soorten
Art. 3.1 lid 1 Het is verboden in het wild levende vogels opzettelijk te doden of te vangen.
Art. 3.5 lid 1 Het is verboden soorten in hun natuurlijke verspreidingsgebied opzettelijk te doden of te vangen.
Art. 3.10 lid 1a Het is verboden soorten opzettelijk te doden of te vangen.
Art. 3.1 lid 2 Het is verboden opzettelijk nesten, rustplaatsen en eieren van vogels te vernielen of te beschadigen, of nesten van vogels weg te nemen1
Art. 3.5 lid 4 Het is verboden de voortplantingsplaatsen of rustplaatsen van dieren te beschadigen of te vernielen1.
Art. 3.10 lid 1b Het is verboden de vaste voortplantingsplaatsen of rustplaatsen van dieren opzettelijk te beschadigen of te vernielen1.
Art. 3.1 lid 3 Het is verboden eieren te rapen en deze onder zich te hebben.
Art. 3.5 lid 3 Het is verboden eieren van dieren in de natuur opzettelijk te vernielen of te rapen.
Niet van toepassing.
Art. 3.1 lid 4 en lid 5 Het is verboden vogels opzettelijk te storen, tenzij de storing niet van wezenlijke invloed is op de staat van instandhouding van de desbetreffende vogelsoort2
Art. 3.5 lid 2 Het is verboden dieren opzettelijk te verstoren.
Niet van toepassing.
Niet van toepassing.
Art. 3.5 lid 5 Het is verboden plantensoorten in hun natuurlijke verspreidingsgebied opzettelijk te plukken en te verzamelen, af te snijden, te ontwortelen of te vernielen.
Art. 3.10 lid 1c Het is verboden plantensoorten in hun natuurlijke verspreidingsgebied opzettelijk te plukken en te verzamelen, af te snijden, te ontwortelen of te vernielen.
§ 3.1 Wnb
§ 3.3 Wnb
1 Een zodanige verstoring van een van het nest dat deze wordt verlaten dient volgens de Afdeling Bestuursrechtspraak van de Raad van State (ABRvS) ook te worden meegenomen in een overtreding van de verbodsbepaling.
2 Het opzettelijk storen geldt dan met name in kwetsbare perioden zoals het broedseizoen, overwintering en trek.
7
De term ‘verstoring’.
Vrijstelling, ontheffing en vergunning.
Er is sprake van een verstoring ingeval een activiteit een verontrusting van een soort veroorzaakt ten gevolge waarvan sprake is van een wezenlijke invloed op de gunstige staat van instandhouding van de soort. Zo is er sprake van een verstoring indien de functie van een voortplantings- of rustplaats van een soort, al dan niet voorlopig, door een activiteit niet of minder goed kan worden vervuld, ook al blijft die plaats fysiek in stand. Verstoringen moeten per soort worden beoordeeld in het licht van de intensiteit, duur en frequentie van herhaling van de verstoring.
Voor een besluit waarbij een uitzondering op een wettelijk verbod of gebod wordt gemaakt voor een categorie van gevallen, wordt de term "vrijstelling" gebruikt.
Bron: BIJ12
Voor een beschikking waarbij in een individueel geval een uitzondering op een wettelijk verbod of gebod wordt gemaakt, wordt de term "ontheffing" gebruikt. Voor een beschikking waarbij een bepaalde handeling wordt toegestaan, wordt de term "vergunning" gebruikt.
4.2.1 Afwijkingen van de verbodsbepalingen
4.2.2 Gedragscode
Om af te mogen wijken van de verbodsbepalingen via een ontheffing of vrijstelling moet aan drie criteria zijn voldaan:
De verboden, bedoeld in de artikelen 3.1, 3.5 of 3.10 Wnb zijn niet van toepassing op handelingen die zijn beschreven in en aantoonbaar worden uitgevoerd overeenkomstig een goedgekeurde gedragscode (art. 3.31 lid 1 Wnb). Werken volgens een gedragscode heeft als voordeel dat geen ontheffingsprocedure hoeft te worden doorlopen. Mogelijke uitzonderingen hierop staan in de gedragscode omschreven. Hierdoor kan het gebruik van een gedragscode zorgen voor een sterke vermindering van administratieve lasten en voor kortere proceduretijden.
1.
Ten eerste mag alleen van de verbodsbepaling worden afgeweken als er geen andere bevredigende oplossing voor de handeling mogelijk is.
2.
Ten tweede moet tegenover de afwijking van het verbod een in de wet genoemd belang staan. De wet geeft voor de verschillende beschermingsregimes aan wat die belangen zijn zoals volksgezondheid of openbare veiligheid.
3.
Tenslotte mag de ingreep geen afbreuk doen aan de staat van instandhouding van de soort.
Als aan deze drie vereisten is voldaan, kan een ontheffing worden verleend. Voor een aantal handelingen zijn bovendien vrijstellingen mogelijk, bijvoorbeeld in de vorm van een provinciale verordening of een gedragscode.
Een gedragscode geldt voor heel Nederland, dus niet voor één bepaald gebied of plaats. En ze mogen door alle organisaties in dezelfde sector gebruikt worden als de belangen en activiteiten op u van toepassing zijn. De provincies ontvangen graag een melding als een ruimtelijke ingreep onder een gedragscode soortenbescherming wordt uitgevoerd. Dit is niet verplicht maar de provincies stellen dit erg op prijs. Het voorkomt bijvoorbeeld onnodige handhavingsacties.
8
4.3
Gebiedsbescherming in de Wet natuurbescherming
Binnen de Wet natuurbescherming worden ook natuurgebieden en de daarin voorkomende natuurlijke waarden en wezenlijke kenmerken beschermd. Dit zijn de Natura 2000-gebieden, het Natuurnetwerk Nederland (NNN), bijzondere provinciale natuurgebieden en landschappen, bijzondere nationale natuurgebieden en de nationale parken. Deze gebieden zijn geselecteerd op grond van in deze gebieden voorkomende bijzondere natuurwaarden of om een samenhangend ecologisch netwerk te creëren. De Natura 2000-gebieden worden direct beschermd via de Wnb, de overige gebieden via het besluit algemene regels ruimtelijke ordening (Barro) en provinciale verordeningen. Als er naar aanleiding van een initiatief mogelijkerwijs significante effecten optreden, dienen deze vooraf in kaart te worden gebracht en te worden beoordeeld. Projecten, plannen en overige handelingen die mogelijk een negatief effect hebben op de beschermde natuurgebieden zijn vergunningsplichtig.
4.5
Houtopstanden in de Wet natuurbescherming
Naast het soortenbeschermingsregime en gebiedsbeschermingsregime zijn in hoofdstuk 4 van de Wet natuurbescherming ook de bepalingen ter bescherming van houtopstanden opgenomen. Onder houtopstand wordt verstaan: een zelfstandige eenheid van bomen, boomvormers, struiken, hakhout of griend, die een oppervlakte grond beslaat van 10 are of meer, of bestaat uit een rijbeplanting die meer dan 20 bomen omvat, gerekend over het totaal aantal rijen. Als een houtopstand moet worden gekapt, dan moet de initiatiefnemer dit melden bij het bevoegd gezag en moet er herplant plaatsvinden. Het bevoegd gezag kan een kapverbod opleggen ter bescherming van bijzondere natuur- of landschapswaarden.
Binnen deze ecologische quickscan wordt daarom bepaald of het initiatief mogelijk negatieve effecten heeft op de doestellingen van Natura 2000-gebieden en overige beschermde gebieden. Als er sprake is van negatieve effecten, dan dient als eerste stap een voortoets te worden uitgevoerd. Dit is een oriënterend onderzoek naar mogelijk negatieve effecten op de instandhoudingsdoelstellingen van het Natura 2000-gebied. Als hieruit blijkt dat er een kans bestaat op een negatief, maar geen significant effect, dan moet vervolgens een verslechteringstoets worden uitgevoerd. Zijn deze effecten mogelijk wel significant, dan moet er een passende beoordeling worden opgesteld.
4.4
Zorgplicht voor dieren en planten
De Wet natuurbescherming kent een zorgplicht (art. 1.11 Wnb). Iedereen moet voldoende zorg in acht nemen voor Natura 2000-gebieden, bijzondere nationale natuurgebieden en voor in het wild levende planten en dieren en hun directe leefomgeving. Of dier- en plantensoorten en gebieden nu wettelijk beschermd zijn of niet, iedereen die redelijkerwijs kan vermoeden dat door zijn of haar handelen nadelige gevolgen kunnen worden veroorzaakt, laat deze handelingen achterwege, neemt maatregelen om die te voorkomen of probeert deze zoveel mogelijke te beperken of ongedaan te maken.
9
5 Omschrijving plangebied Het plangebied bevindt zich aan de Hoofdstraat 145 - 147 in Schijndel dat onder de gemeente Meierijstad valt (zie figuur 1 en figuur 2). In het plangebied liggen de kadastrale perceelnummers:
Figuur 1. Ligging van het plangebied. De uitsnede is weergegeven in figuur 2. Bron: Nationaal Georegister, bewerkt.
1. 2. 3.
SDL00-G-434 (Hoofdstraat 145 t/m 145 B , 185 m2); SDL00-G-2387 (Hoofdstraat 147, 750 m2); SDL00-G-2386 (Meierijstraat 1, 561 m2).
Op de volgende pagina’s is een aantal foto’s te vinden van het plangebied.
Figuur 2. Ligging van het plangebied (geel omkaderd). Bron: Nationaal Georegister, bewerkt.
10
Figuur 3. Beeld van voorzijde (noord) van het City Theater.
Figuur 5. Beeld van de oostgevel.
Figuur 4. Beeld van woning tegenover de voorzijde van het City Theater.
Figuur 6. Beeld van achter- en westgevel.
11
5.1
Afstand tot beschermde natuurgebieden
Om te bepalen of geplande activiteiten invloed kunnen hebben op beschermde natuurgebieden is als eerste onderzocht op welke afstand deze gebieden zich bevinden. Natura 2000-gebieden Het dichtstbijzijnde Natura 2000-gebied is ‘Vlijmens Ven, Moerputten & Bossche Broek. De afstand vanaf het plangebied bedraagt ongeveer 10 kilometer. Verder weg liggen de gebieden ‘Kampina & Oisterwijkse Vennen’ en de ‘Loonse en Drunense Duinen & Leemkuilen’ (zie ook figuur 7 en tabel 3). Al deze gebieden zijn aangewezen als Habitatrichtlijngebied (HR). ‘Kampina & Oisterwijkse Vennen‘ is ook aangewezen als Vogelrichtlijngebied (VR). Tabel 3. Afstand van het plangebied ten opzichte van beschermde Natura 2000-gebieden en het Natuurnetwerk Nederland. Mogelijke negatieve effecten
Aanwijzing
Afstand (km)
Vlijmens Ven, Moerputten & Bossche Broek Kampina & Oisterwijkse Vennen Loonse en Drunense Duinen & Leemkuilen
HR HR+VR HR
10,5 11,7 15,6
Figuur 7. Ligging van het plangebied ten opzichte van het Natura 2000 gebieden.
12
Natuurnetwerk Nederland (NNN) Het plangebied valt buiten het Natuurnetwerk Brabant (NNB). Het dichtstbijzijnde deel van het NNB is Smaldonk op 850 meter ten noorden van het plangebied (zie figuur 8 en tabel 4). Dit maakt onderdeel uit van het Wijboschbroek. Op nog iets grotere afstand ten zuidwesten en -oosten van het plangebied zijn de Geelders en het Duits lijntje te vinden. Tabel 4. Afstand van het plangebied ten opzichte van beschermde Natura 2000-gebieden en het Natuurnetwerk Nederland. Mogelijke negatieve effecten
Aanwijzing
Afstand (km)
Smaldonk Duits lijntje Wijboschbroek Geelders
NNB NNB NNB NNB
0,8 1,1 2,3 3,1
Figuur 8. Ligging van het plangebied ten opzichte van het Natuurnetwerk Brabant.
13
Natte Natuurparels (NNP) Natte Natuurparels (NNP) zijn hydrologisch gevoelige gebieden binnen het Natuurnetwerk Brabant (NNB) die vanwege specifieke omstandigheden van bodem en water hoge natuurwaarden vertegenwoordigen. Rondom de Natte Natuurparels liggen attentiegebieden. De meeste Natte Natuurparels hebben nu last van verdroging. Het herstel van een goede waterhuishouding door méér en langer water vast te houden, is een belangrijke voorwaarde om de gewenste natuur te behouden of terug te laten keren. Ruimtelijke initiatieven mogen daarom geen negatieve effecten hebben op deze gebieden. De dichtstbijzijnde Natte Natuurparel is te vinden bij Smaldonk op ongeveer 800 meter ten noorden van het plangebied. Groenblauwe mantel De Provincie Noord-Brabant streeft naar samenhangende aanpak van natuur, landschap en water die de omgevingskwaliteit en recreatiemogelijkheden versterkt en waardoor de gevolgen van klimaatveranderingen voor de natuur en het watersysteem beter kunnen worden opgevangen. Om de robuustheid van het systeem te bevorderen, zijn er gebieden opgenomen als verbinding tussen het Natuurnetwerk Brabant en het landelijk gebied - de groenblauwe mantel.
De waarden in de groenblauwe mantel zijn vaak gekoppeld aan het bodemwatersysteem (zoals de aanwezigheid van een kwel), aan landschapselementen (zoals houtwallen en heggen), of aan het voorkomen van bijzondere planten en dieren. De groenblauwe mantel richt zich niet alleen op het beschermen van die waarden, maar juist ook op de ontwikkeling daarvan. Nieuwe ontwikkelingen binnen de groenblauwe mantel zijn mogelijk, als deze bestaande natuur-, bodem- en waterfuncties respecteren of bijdragen aan een kwaliteitsverbetering van deze functies of het (cultuurhistorisch waardevolle) landschap. Het dichtstbijzijnde gebied dat binnen de groenblauwe mantel valt is wederom Smaldonk op ongeveer 800 meter ten noorden van het plangebied.
Figuur 9. Ligging van het plangebied ten opzichte van Natte Natuurparels en de groenblauwe mantel.
14
5.2
Geschiktheid van het plangebied voor beschermde soorten.
Op basis van het veldbezoek, de aard van de voorgenomen ingreep, het ontbreken van enig groen en de ligging midden in stedelijk gebied is door Natuurlink geoordeeld dat negatieve effecten alleen kunnen optreden op gebouwbewonende soorten en algemeen voorkomende broedvogels in de stad. Daarom zijn niet, zoals bij een normale quickscan, de effecten beoordeeld op alle beschermde soorten die in de directe omgeving zijn waargenomen (meestal binnen een straal van 0 – 10 km), maar is de potentiële geschiktheid bepaald voor soorten die binnen de bebouwde omgeving kunnen worden verwacht.
5.2.1 Vogels
Algemeen voorkomende broedvogels Rond het plangebied is vrijwel geen opgaand groen te vinden. Alleen aan de voorzijde van het te slopen deel is de tuin te vinden van Hoofdstraat 149. Hier kunnen algemeen voorkomende broedvogels worden verwacht in de hagen, bomen en het struweel. Soorten als winterkoning (Troglodytes troglodytes), houtduif (Columba palumbus), koolmees (Parus major), heggenmus (Prunella modularis), roodborst (Erithacus rubecula) en merel (Turdus merula) kunnen hier bijvoorbeeld mogelijk broeden. Soorten met een ongunstige staat van instandhouding (SVI) Er is beoordeeld of rondom de planlocatie soorten aanwezig zijn of kunnen worden verwacht die gevoelig zijn voor verstoring en zich al in een ongunstige staat van instandhouding bevinden. Deze soorten zijn niet aangetroffen of te verwachten binnen de invloedsfeer van de werkzaamheden.
Figuur 10. Aan de voorzijde grenst de tuin van Hoofdstraat 149.
Jaarrond beschermde nesten Er is gericht gezocht naar mogelijke nestlocaties van soorten met een jaarrond beschermd nest in en rondom het plangebied. Tijdens het veldbezoek is de huismus (Passer domesticus) gehoord en gezien. De omgeving lijkt zeer geschikt voor huismus om te broeden. Er zijn in de tuinen wintergroene struiken aanwezig die kunnen dienen als dekking en onder de dakpannen van veel daken kan worden gebroed.
15
Ook het pand dat gesloopt gaat worden is geschikt voor huismussen om te broeden. Het gehele dak is bedekt met dakpannen en op diverse plaatsen zijn geschikte openingen aanwezig (zie figuur 11 en figuur 12). Nestlocaties van huismus kunnen daarom niet op voorhand worden uitgesloten.
Figuur 12. Ook aan de westzijde van het dak zijn openingen in het dak aanwezig.
Figuur 11. In de oostzijde van het dak zijn op diverse plekken openingen aanwezig in het dak. Deze openingen bieden toegang voor huismus, gierzwaluw en vleermuizen.
Veel van de openingen in het dak bieden ook geschikte nestlocaties voor gierzwaluw (Apus apus). Verblijfplaatsen van gierzwaluw kunnen daarom ook niet op voorhand worden uitgesloten.
Vanwege de grootte van veel openingen kunnen ook spreeuw (Sturnus vulgaris), zwarte roodstaart (Phoenicurus ochruros), holenduif (Columba oenas) en kauw (Coloeus monedula) mogelijk worden verwacht.
16
5.2.2 Zoogdieren Hieronder volgt een beschrijving van zoogdieren die mogelijk zijn te verwachten op of in de directe omgeving van het plangebied. VLEERMUIZEN In het gebouw zijn diverse openingen aanwezig waarbij vleermuizen het dak kunnen bereiken en de zolder van het gebouw (zie figuur 13). De zolder is geïnspecteerd op het voorkomen van vleermuizen. Vleermuizen of sporen van vleermuizen zijn in het geheel niet aangetroffen.
Het gebouw heeft geen spouw, waardoor het gebouw geen optimale geschikte verblijfplaatsen kan bieden. Vleermuizen kunnen daarom mogelijk alleen aanwezig zijn onder de dakpannen. Vanwege de grote temperatuurverschillen die hier kunnen optreden is dit geen optimale verblijfplaats. Echter, vleermuizen worden soms ook op deze plekken aangetroffen. Gebouwbewonende vleermuissoorten kunnen daarom niet op voorhand worden uitgesloten. De volgende soorten kunnen mogelijk worden verwacht: -
gewone dwergvleermuis (Pipistrellus pipistrellus); ruige dwergvleermuis (Pipistrellus nathusii); laatvlieger (Eptesicus serotinus); gewone grootoorvleermuis (Plecotus auritus).
Figuur 14. Er zijn diverse openingen aanwezig waarbij vleermuizen de ruimte onder de dakpannen kunnen bereiken.
Figuur 13. Beeld van de zolder van het gebouw. Er zijn hier in het geheel geen sporen van vleermuizen aangetroffen.
17
De volgende functies kunnen mogelijk worden verwacht op de onderzoekslocatie: -
zomerverblijf (schuil- en rustplaats); paarverblijf (plek/territorium waar een mannetje vrouwtjes proberen te lokken); mild winterverblijf (verblijfplaats in de winter buiten vorstperiodes).
Een massa winterverblijf (verblijfplaats waar grote groepen vleermuizen in de winter verblijven) wordt niet verwacht. De warmtecapaciteit (vermogen om energie in de vorm van warmte op te slaan) en de temperatuurbuffering (mate waarin fluctuaties in het verloop van de temperatuur kunnen worden gebufferd) van het gebouw is hiervoor te laag.
schuilplaatsen waar de steenmarter gedurende de dag kan verblijven. Vaste verblijfplaatsen van de steenmarter worden daarom niet verwacht.
5.2.3 Vaatplanten, mossen en korstmossen Alle muren en overige verharde delen zijn vrijwel onbegroeid. Beschermde vaatplanten, mossen en korstmossen kunnen daarom worden uitgesloten.
Een kraamverblijf (verblijfplaats waar groepen vrouwtjes de jongen grootbrengen) wordt ook niet verwacht, omdat het gebouw geen ruimte biedt aan verblijfplaatsen waar een stabiel binnenklimaat kan worden verwacht. Woelmuizen, ware muizen en Spitsmuizen Er kan een aantal spitsmuizen, woelmuizen en ware muizen worden verwacht in de stedelijke omgeving. Alle te verwachten soorten zijn echter vrijgesteld volgens de Interim omgevingsverordening Noord-Brabant. ROOFDIEREN Marterachtigen De steenmarter (Martes foina) kan worden verwacht in de binnenstad van Schijndel. Steenmarters hebben een netwerk aan vaste verblijfsplaatsen. Voorbeelden van rustplaatsen zijn: holen, houtstapels, holle bomen, drainagepijpen, takkenrillen, hooi- en strobalen, stapels stenen en puin, gaten en holten, schuurtjes, stallen, kelders en hooizolders. De steenmarter verspreidt een sterke geur via de anaalklieren of kliertjes in de voetkussentjes van de achterpoten. Met deze geurstof worden de grenzen van een territorium gemarkeerd. Deze geur is nergens waargenomen. Er is ook geen overlast van stank (welke door latrines in gebouwen kan worden veroorzaakt). Er zijn ook geen sporen van marters gevonden (prooiresten, voedselvoorraden, graafsporen, wissels, uitwerpselen, etc.). Daarnaast biedt het terrein geen rustige 18
6 Effecten van de ingreep en toetsing aan de wet natuurbescherming In dit hoofdstuk wordt ingegaan op de voorgenomen activiteiten en de effecten die deze activiteiten hebben op flora en fauna. Deze effecten worden vervolgens getoetst aan de Wet natuurbescherming.
6.1
Voornemen
De opdrachtgever heeft het voornemen om het Citytheater geheel te slopen en op deze plek een nieuwe appartementencomplex te bouwen dat ruimte biedt aan 26 appartementen. Daarnaast wordt de woning 145b gerenoveerd. Het betreft hier alleen vergunningsvrije activiteiten waaronder het vervangen van de dakkapel. Deze renovatie wordt daarom niet in de verdere beoordeling opgenomen.
6.2
Activiteitenoverzicht
De volgende hoofdactiviteiten zullen worden uitgevoerd. Sloop van gebouwen De gebouwen zullen als eerste worden gesloopt. Deze activiteit zal naar verwachting twee tot drie weken in beslag nemen. Sloopafval wordt ter plekke gesorteerd op de verharde delen van het terrein. Het sloopafval vervolgens worden afgevoerd met kiepwagens richting Van Doorn Recycling B.V op de Landingsweg. De route die hier bij wordt gevolgd is terug te vinden in figuur 15. Dit traject is ongeveer 2,7 kilometer lang. Bij de sloopwerkzaamheden kunnen de volgende verstorende effecten optreden: - verlies vaste voortplantings- rust- of verblijfplaatsen; - directe sterfte; - verstoring door beweging van mensen en materiaal; - verstoring door trilling; - verstoring door geluid.
Figuur 15. Overzicht van de te slopen delen en aan- en afvoerroute van sloop- en bouwmateriaal.
19
Bouwrijp maken van het terrein Voor aanvang van de bouw van de nieuwe woningen zal het terrein eerst bouwrijp worden gemaakt. Met een shovel zal de grond worden geëgaliseerd en zullen sleuven worden getrokken voor leidingen en elektra. Het bouwrijp maken van het terrein zal worden uitgevoerd buiten het broedseizoen van alle aanwezige en mogelijk te verwachten soorten broedvogels. Deze activiteit zal naar verwachting een aantal weken in beslag nemen. Bij het bouwrijp maken van het terrein kunnen de volgende verstorende effecten optreden: -
verlies vaste voortplantings- rust- of verblijfplaatsen; directe sterfte (bij graafwerkzaamheden); verstoring door beweging van mensen en materiaal; verstoring door trilling; verstoring door geluid.
Realisatie van een nieuwbouw. Bij de nieuwbouw (zie figuur 16 t/m figuur 20) zal er naar verwachting gedurende meerdere maanden zwaar materieel moeten worden ingezet. Hierbij valt te denken aan een hijskranen en een betonwagens. Ook bouwmaterialen zullen met zwaar vrachtverkeer worden aangevoerd. De bouw zal bestaan uit algemene bouwwerkzaamheden. Storende factoren die normaal gesproken kunnen optreden zijn: -
verlies functioneel leefgebied; verstoring door geluid; verstoring door licht; verstoring door trilling; verstoring door beweging.
Figuur 16. Plattegrond van de nieuwe situatie.
20
Figuur 17. Beeld van de toekomstige situatie aan de oostzijde.
Figuur 18. Beeld van de toekomstige situatie aan de westzijde
21
Figuur 20. Beeld van de toekomstige situatie aan de achterzijde (zuid)
Figuur 19. Beeld van de toekomstige situatie aan de voorzijde (noord)
22
6.3
Bepaling invloed van de effecten
Bepalend bij de beoordeling van negatieve effecten van een project is de vraag of er wel of geen wezenlijke negatieve invloed is op de gunstige staat van instandhouding van een beschermde soort. Voor ruimtelijke ontwikkelingen betreft dit vooral het aantasten van de functionaliteit van de vaste rust- en verblijfplaats van de soort. Het betreft de vaste rust- en verblijfplaats zelf, alsook de soortspecifieke omgevingseisen, gekoppeld aan de vaste rust- en verblijfplaats. Hierbij dient ook de actieradius van de soort te worden betrokken. Als er sprake is van permanente vaste rust- en verblijfplaatsen en de soort heeft op basis van een ruimtelijke ontwikkeling geen herstelmogelijkheden, dan is er wel een wezenlijke negatieve invloed Als er sprake is van herstelmogelijkheden van beschermde soorten tijdens en na realisatie van de ruimtelijke ontwikkeling, is er lokaal en regionaal geen wezenlijke negatieve invloed op de gunstige staat van instandhouding van de soort Voorafgaand aan de activiteit dienen effectbeperkende en/of mitigerende maatregelen te worden getroffen om het herstel zo snel mogelijk te laten plaatsvinden.
6.4
Effecten op de flora en fauna
Uit het onderzoek naar beschermde soorten blijkt dat er beschermde soorten zijn aangetroffen of mogelijkerwijs zijn te verwachten binnen of direct rond het plangebied. In deze paragraaf wordt ingegaan op de effecten op soorten die daadwerkelijk verwacht kunnen worden binnen de invloedsfeer van de geplande werkzaamheden.
6.4.1 Vogels Het is zeer aannemelijk dat een aantal algemeen voorkomende vogels broedt op en direct rond het plangebied. Omdat alle vogels tijdens het broeden beschermd zijn, kunnen activiteiten tijdens het broedseizoen leiden tot een overtreding van de Wet natuurbescherming. Activiteiten die er toe leiden dat nesten worden vernietigd of verlaten, of waarbij het aannemelijk is dat de activiteit gevolgen heeft voor het broedsucces, moeten achterwege worden gelaten.
Bescherming van vogelnesten Bij de uitvoering van het initiatief moet er rekening worden gehouden met het broedseizoen van vogels. De Wet natuurbescherming kent geen standaardperiode voor het broedseizoen. Het gaat erom of er een broedgeval is. Normaal gesproken loopt het broedseizoen voor de meeste vogelsoorten van 15 maart tot 15 juli, maar er zijn soorten die buiten deze periode broeden. Voorbeelden zijn een aantal soorten uilen die al heel vroeg in het jaar beginnen met broeden en een aantal soorten duiven die tot eind oktober kan broeden en bij gunstige omstandigheden nog langer. De meeste vogels maken elk broedseizoen een nieuw nest of zijn in staat om een nieuw nest te maken. Deze vogelnesten voor eenmalig gebruik vallen alleen tijdens het broedseizoen onder de bescherming van art 3.1 Wnb. Voor deze soorten is geen ontheffing nodig voor werkzaamheden buiten het broedseizoen. Evenmin is een ontheffing nodig als maatregelen worden getroffen die voorkomen dat deze soorten zich op of rond het werkgebied vestigen tijdens het broedseizoen. Buiten het broedseizoen mogen nesten worden verplaatst of verwijderd, maar daar zijn uitzonderingen op. Jaarrond beschermde nesten Slechts een beperkt aantal soorten bewoont het nest permanent of keert elk jaar terug naar hetzelfde nest. Verblijfplaatsen van vogels die hun verblijfplaats het hele jaar gebruiken, zijn jaarrond beschermd.
23
Nestlocaties van huismus (Passer domesticus) en gierzwaluw (Apus apus) kunnen niet op voorhand worden uitgesloten. Deze locaties zullen verloren gaan door de sloop van deze gebouwen. Dit zal leiden tot een overtreding van de verbodsbepaling van art. 3.1 lid 2 Wnb. Hierin wordt gesteld dat het verboden is om opzettelijk nesten, rustplaatsen en eieren van vogels te vernielen of te beschadigen, of nesten van vogels weg te nemen.
instandhouding bevinden, en gevoelig zijn voor verstoring, worden echter niet verwacht binnen de invloedsfeer van de werkzaamheden.
Het is daarom noodzakelijk om aanvullend onderzoek te verrichten naar de huismus en gierzwaluw om de aan- of afwezigheid van nestlocaties van de huismus aan te tonen. Het onderzoek naar huismus bestaat uit twee gerichte veldbezoeken in de periode 1 april tot en met 15 mei of tijdens vier gerichte veldbezoeken in de periode 10 maart tot en met 20 juni. Aangenomen kan worden dat er geen broedende huismussen aanwezig zijn als er tijdens deze bezoeken geen aanwezigheid kan worden aangetoond. Het onderzoek naar gierzwaluw bestaat uit drie gerichte veldbezoeken in de periode 15 mei tot en met 15 juli. Aangenomen kan worden dat er geen broedende gierzwaluwen aanwezig zijn als er tijdens deze bezoeken geen aanwezigheid kan worden aangetoond. Gebouwbewonende soorten als spreeuw (Sturnus vulgaris) en zwarte roodstaart (Phoenicurus ochruros) kunnen ook niet op voorhand worden uitgesloten. De nesten van spreeuw en zwarte roodstaart vallen echter binnen categorie 5. Deze nesten zijn buiten het broedseizoen alleen onder heel zwaarwegende factoren beschermd. Van deze soorten mag worden verwacht dat als de broedplaats verloren is gegaan, zij zich elders kunnen vestigen. Een overtreding van de verbodsbepaling van art. 3.1 lid 2 Wnb kan dan worden voorkomen door na het broedseizoen te starten met sloopwerkzaamheden.
Nesten van holenduif (Columba oenas) en kauw (Coloeus monedula) zijn alleen beschermd gedurende het broedseizoen. Soorten met een ongunstige staat van instandhouding (SVI) Volgens art. 3.1 lid 4 en lid 5 Wnb is het verboden vogels opzettelijk te storen, tenzij de storing niet van wezenlijke invloed is op de staat van instandhouding van de desbetreffende vogelsoort. Soorten die zich in een ongunstige staat van 24
6.4.2 Zoogdieren INSECTENETERS
6.4.3 Vaatplanten en mossen Er zijn geen beschermde vaatplanten en mossen waargenomen of te verwachten. Negatieve effecten zijn hiermee uitgesloten.
Alle insecteneters die kunnen worden verwacht (met name spitsmuizen) zijn vrijgesteld volgens de Interim omgevingsverordening Noord-Brabant. Een overtreding van de verbodsbepalingen is daarom niet aan de orde. Wel is de zorgplicht van toepassing. VLEERMUIZEN De aanwezigheid van verblijfplaatsen van vleermuizen kan niet op voorhand worden uitgesloten. Mochten vleermuizen aanwezig zijn, dan kunnen deze bij de ingreep worden gedood of verwond. Dit leidt tot een overtreding van art. 3.5 lid 1 Wnb (het is verboden soorten in hun natuurlijke verspreidingsgebied opzettelijk te doden of te vangen). Daarnaast zullen de mogelijke verblijfplaatsen niet meer kunnen functioneren. Dit leidt tot een overtreding van art. 3.5 lid 4 Wnb (het is verboden de voortplantingsplaatsen of rustplaatsen van dieren te beschadigen of te vernielen). Het is daarom noodzakelijk om aanvullend onderzoek uit te voeren naar het voorkomen van vleermuizen. Dit onderzoek dient te worden uitgevoerd volgens het Vleermuisprotocol 2021 (Vleermuisvakberaad Netwerk Groene Bureaus, Zoogdiervereniging, 2020). Rond en boven het plangebied kunnen ook foeragerende vleermuizen worden verwacht. Het plangebied zal geenszins een essentieel foerageergebied vormen vanwege de kleine oppervlakte en het ontbreken van groen. Ook zal het gebouw geen essentieel onderdeel vormen van een vliegroute.
ROOFDIEREN Marterachtigen Vaste rust- en verblijfplaatsen van alle marterachtigen kunnen worden uitgesloten binnen het plangebied en binnen de invloedsfeer van de werkzaamheden. Negatieve effecten op marterachtigen worden daarom uitgesloten. 25
6.5
Effecten op beschermde natuurgebieden
Tabel 5. Toetsing van mogelijke negatieve effecten van het project op Natura 2000gebieden
Natura 2000-gebieden
Mogelijke negatieve effecten
Effect kan optreden?
Toelichting
Natura 2000-gebieden worden direct beschermd via de Wnb. Plannen, projecten en overige handelingen mogen geen negatieve effecten hebben op de instandhoudingsdoelen van deze gebieden.
Oppervlakteverlies
Nee
N.v.t.
Versnippering
Nee
N.v.t.
Verzuring door stikstof uit de lucht
Nee
Stikstofdepositie mogelijk significant
Vermesting door stikstof uit de lucht
Nee
Stikstofdepositie mogelijk significant
Verzoeting
Nee
N.v.t.
Verzilting
Nee
N.v.t.
Verontreiniging
Nee
N.v.t.
Verdroging
Nee
N.v.t.
Vernatting
Nee
N.v.t.
Verandering stroomsnelheid
Nee
N.v.t.
Verandering overstromingsfrequentie
Nee
N.v.t.
Verandering dynamiek substraat
Nee
N.v.t.
Verstoring door geluid
Nee
N.v.t.
Verstoring door licht
Nee
N.v.t.
Verstoring door trilling
Nee
N.v.t.
Optische verstoring
Nee
N.v.t.
Verstoring door mechanische effecten
Nee
N.v.t.
Verandering in populatiedynamiek
Nee
N.v.t.
Bewuste verandering soortensamenstelling
Nee
N.v.t.
Gezien de aard van de werkzaamheden en de afstand tot beschermde Natura 2000-gebieden kan alleen redelijkerwijs een mogelijk negatief effect worden verwacht door de uitstoot van stikstof (zie ook tabel 5). Per 1 juli 2021 is de Wet stikstofreductie en natuurverbetering in werking getreden. Deze wet regelt onder meer drie resultaatsverplichtingen voor stikstofreductie: - in 2025 moet minimaal 40% van het areaal van de stikstofgevoelige natuur in beschermde Natura 2000-gebieden een gezond stikstofniveau hebben; - in 2030 minimaal de helft en; - in 2035 minimaal 74%. Het Besluit stikstofreductie en natuurverbetering werkt de stikstofwet verder uit. Hierin is onder andere een bouwvrijstelling opgenomen. Voor bouw-, aanleg- en sloopactiviteiten geldt er een vrijstelling en hoeft er dus geen stikstofcalulatie te worden uitgevoerd. De vrijstelling geldt niet voor de gebruiksfase van wat wordt gebouwd of aangelegd. Dat betekent bijvoorbeeld dat met name voor zaken die een verkeersaantrekkende werking hebben een stikstofcalculatie dient te worden uitgevoerd. Bij depositieberekeningen met AERIUS Calculator dient een maximale rekenafstand van 25 kilometer te worden gehanteerd. Deze rekenafstand is ook van toepassing op de berekening van de effecten van de maatregelen die worden opgevoerd voor projectspecifieke mitigatie.
Het project van de opdrachtgever heeft in de gebruiksfase geen een verkeersaantrekkende werking en dus wordt de kan worden gesteld. Om juridisch zeker te zijn dat het project geen significante depositie in natuurgebieden veroorzaakt is het daarom noodzakelijk het initiatief te toetsen in AERIUS.
26
Natuurnetwerk Nederland (NNN) Voor het Natuurnetwerk Nederland (NNN) geldt het toetsingskader van het Besluit algemene regels ruimtelijke ordening (Barro). Hierin is ‘nee, tenzij’ beginsel opgenomen. Directe of indirecte aantasting van de aanwezige natuur- en landschapswaarden door een ingreep binnen het NNN dient waar mogelijk te worden voorkomen. Het plangebied valt niet binnen het NNN, waardoor het hiervoor genoemde toetsingskader niet van toepassing is. Wel is ‘externe werking’ van toepassing in de Provincie Noord-Brabant. Er dient dus te worden beoordeeld of er sprake is van een directe of indirecte aantasting van de aanwezige natuur- en landschapswaarden door de ingreep. Gezien de aard van de ingreep en de afstand tot het NNN is hier geen sprake van en worden geen negatieve effecten op het NNN verwacht. De ingreep heeft ook geen invloed op nabijgelegen Natte Natuurparels.
27
7 Conclusies en aanbevelingen
verbodsbepaling van art. 3.1 lid 2 Wnb. Hierin wordt gesteld dat het verboden is om opzettelijk nesten, rustplaatsen en eieren van vogels te vernielen of te beschadigen, of nesten van vogels weg te nemen.
In dit hoofdstuk worden de conclusies uit de ecologische quickscan beschreven. Hierbij wordt een indeling naar beschermingsregime gebruikt.
Het is daarom noodzakelijk om aanvullend onderzoek te verrichten naar de huismus en gierzwaluw om de aan- of afwezigheid van nestlocaties van de huismus aan te tonen.
Beschermingsregime soorten Vogelrichtlijn Algemeen voorkomende broedvogels Een aantal algemeen voorkomende vogels kan mogelijk als broedvogel worden verwacht direct rond het plangebied. Omdat alle vogels tijdens het broeden beschermd zijn, kunnen activiteiten tijdens het broedseizoen die dicht bij mogelijke nestlocaties liggen leiden tot een overtreding van de Wet natuurbescherming. Volgens art. 3.1 lid 2 Wnb is het namelijk verboden opzettelijk nesten, rustplaatsen en eieren van vogels te vernielen of te beschadigen, of nesten van vogels weg te nemen. Hieronder valt ook een dusdanige verstoring dat het nest wordt verlaten. Volgens art. 3.1 lid 4 en lid 5 Wnb is het verboden vogels opzettelijk te storen, tenzij de storing niet van wezenlijke invloed is op de staat van instandhouding van de desbetreffende vogelsoort. Vogels die zich al in een ongunstige staat van instandhouding bevinden en gevoelig zijn voor verstoring worden echter niet verwacht. Werkzaamheden kunnen daarom het beste worden gestart buiten het broedseizoen. Als de werkzaamheden doorlopen tot in het broedseizoen, dan worden er geen verbodsbepalingen overtreden. Vogels zullen zich ofwel niet vestigen of er is gewenning opgetreden aan de verstoring waardoor negatieve effecten zijn uitgesloten. Voor het broedseizoen stelt de Wnb geen vaste begin- of einddatum. Het gaat er om of er een broedgeval is.
Normaal gesproken loopt het broedseizoen voor de meeste vogelsoorten van 15 maart tot 15 juli, maar er zijn soorten die buiten deze periode broeden.
Het onderzoek naar huismus bestaat uit twee gerichte veldbezoeken in de periode 1 april tot en met 15 mei of tijdens vier gerichte veldbezoeken in de periode 10 maart tot en met 20 juni. Aangenomen kan worden dat er geen broedende huismussen aanwezig zijn als er tijdens deze bezoeken geen aanwezigheid kan worden aangetoond. Het onderzoek naar gierzwaluw bestaat uit drie gerichte veldbezoeken in de periode 15 mei tot en met 15 juli. Aangenomen kan worden dat er geen broedende gierzwaluwen aanwezig zijn als er tijdens deze bezoeken geen aanwezigheid kan worden aangetoond. Gebouwbewonende soorten als spreeuw (Sturnus vulgaris) en zwarte roodstaart (Phoenicurus ochruros) kunnen ook niet op voorhand worden uitgesloten. De nesten van spreeuw en zwarte roodstaart vallen echter binnen categorie 5. Deze nesten zijn buiten het broedseizoen alleen onder heel zwaarwegende factoren beschermd. Van deze soorten mag worden verwacht dat als de broedplaats verloren is gegaan, zij zich elders kunnen vestigen. Een overtreding van de verbodsbepaling van art. 3.1 lid 2 Wnb kan dan worden voorkomen door na het broedseizoen te starten met sloopwerkzaamheden. Beschermingsregime soorten Habitatrichtlijn De aanwezigheid van verblijfplaatsen van vleermuizen kan niet op voorhand worden uitgesloten. Mochten vleermuizen aanwezig zijn, dan kunnen deze bij de voorgenomen ingreep worden gedood of verwond.
Dit leidt tot een overtreding van art. 3.5 lid 1 Wnb (het is verboden soorten in hun natuurlijke verspreidingsgebied opzettelijk te doden of te vangen).
Jaarrond beschermde nesten
Daarnaast zullen de mogelijke verblijfplaatsen niet meer kunnen functioneren. Dit leidt tot een overtreding van art. 3.5 lid 4 Wnb (het is verboden de voortplantingsplaatsen of rustplaatsen van dieren te beschadigen of te vernielen).
Nestlocaties van huismus (Passer domesticus) en gierzwaluw (Apus apus) kunnen niet op voorhand worden uitgesloten. Deze locaties zullen verloren gaan door de sloop van deze gebouwen. Dit zal leiden tot een overtreding van de
Het is daarom noodzakelijk om aanvullend onderzoek uit te voeren naar het voorkomen van vleermuizen. Dit onderzoek dient te worden uitgevoerd volgens het 28
vleermuisprotocol 2021 (Vleermuisvakberaad Netwerk Groene Bureaus, Zoogdiervereniging, 2020). De volgende soorten kunnen mogelijk worden verwacht: -
gewone dwergvleermuis (Pipistrellus pipistrellus); ruige dwergvleermuis (Pipistrellus nathusii); laatvlieger (Eptesicus serotinus); gewone grootoorvleermuis (Plecotus auritus).
De volgende functies kunnen mogelijk worden verwacht op de onderzoekslocatie: -
zomerverblijf (schuil- en rustplaats); paarverblijf (plek/territorium waar een mannetje vrouwtjes proberen te lokken); mild winterverblijf (verblijfplaats in de winter buiten vorstperiodes).
Een massa winterverblijf (verblijfplaats waar grote groepen vleermuizen in de winter verblijven) wordt niet verwacht. De warmtecapaciteit (vermogen om energie in de vorm van warmte op te slaan) en de temperatuurbuffering (mate waarin fluctuaties in het verloop van de temperatuur kunnen worden gebufferd) van de gebouwen is hiervoor te laag. Een kraamverblijf (verblijfplaats waar groepen vrouwtjes de jongen grootbrengen) wordt ook niet verwacht omdat het gebouw geen ruimte biedt aan verblijfplaatsen waar een stabiel binnenklimaat kan worden verwacht.
voorkomen, te beperken of ongedaan te maken. Maatregelen die genomen kunnen worden zijn: -
Let continue op aanwezige individuen binnen het werkterrein (denk aan algemeen voorkomende amfibieën en zoogdieren) en verplaats deze naar een vergelijkbare, veilige plek buiten de invloedssfeer van de werkzaamheden.
Gebiedsbescherming Natura 2000-gebieden Het project van de opdrachtgever heeft in de gebruiksfase een verkeersaantrekkende werking. Om juridisch zeker te zijn dat het project geen significante depositie in natuurgebieden veroorzaakt is het daarom noodzakelijk het initiatief te toetsen in AERIUS. Op basis van de aard van de werkzaamheden en de afstand tot beschermde Natura 2000-gebieden worden er geen overige negatieve effecten verwacht op de instandhoudingsdoelstellingen van deze gebieden. Natuurnetwerk Nederland (NNN)
Beschermingsregime ‘andere soorten’
De ruimtelijke ontwikkeling vindt niet plaats binnen het Natuurnetwerk Nederland (NNN) waardoor directe aantasting van de aanwezige natuur- en landschapswaarden van het NNN niet plaatsvindt. Er wordt ook geen indirecte aantasting verwacht als gevolg van externe werking op het NNN.
Er wordt een aantal soorten verwacht die beschermd zijn onder het beschermingsregime ‘andere soorten’. Alle te verwachten soorten zijn echter vrijgesteld volgens de Interim omgevingsverordening Noord-Brabant. Een overtreding van de verbodsbepalingen onder dit beschermingsregime is daarom niet aan de orde.
De ingreep heeft ook geen invloed op nabijgelegen Natte Natuurparels.
Zorgplicht Voor soorten die zijn vrijgesteld, geldt wel de zorgplicht. Dit betekent dat er maatregelen moeten worden genomen om negatieve effecten zoveel mogelijk te 29
7.1
Samenvatting soortbescherming
In tabel 7 is een samenvatting te vinden waarin wordt aangegeven of het voorgenomen initiatief negatieve effecten kan hebben op beschermde soorten en wat de eventuele vervolgstappen zijn, zoals soortgericht nader onderzoek of vergunningstrajecten. Er wordt ook aangegeven hoe een eventuele overtreding kan worden voorkomen. Tabel 6. Overzicht mogelijk aanwezige of aangetroffen beschermde soorten binnen de invloedsfeer van de werkzaamheden en de te nemen vervolgstappen. Soortgroep