Bijlagen bij toelichting_Bijlage 11 Vooronderzoek niet gesprongen explosieven.pdf
Tekst van het document
257-018-VO-01
Pagina 1 van 74
Vooronderzoek naar het risico op het aantreffen van Conventionele Explosieven in het onderzoeksgebied ‘Kloosterlocatie te Veghel’.
257-018-VO-01
Pagina 2 van 74
ONDERZOEKSGEBIED:
Kloosterlocatie te Veghel
OPDRACHTGEVER:
Buro Ontwerp & Omgeving
DATUM:
16-11-2018
TER ACCORDERING MANAGEMENT EN EINDVERANTWOORDELIJKE DIRECTIE:
Ing. F. Pas – Algemeen Directeur Explosive Clearance Group
………………………………………………………...
DOCUMENTCODE:
257-018-VO-01
VERSIE:
Definitief
DISTRIBUTIELIJST:
Explosive Clearance Group BV Buro Ontwerp & Omgeving
Copyright Explosive Clearance Group BV 2018©. Niets uit deze rapportage mag worden verveelvoudigd en/of openbaar gemaakt door middel van druk, fotokopie, microfilm, internet of welke andere wijze dan ook zonder voorafgaande schriftelijke toestemming van de houders van het auteursrecht. De opdrachtgever mag voor intern gebruik duplicaten maken. 257-018-VO-01
Pagina 3 van 74
Inhoudsopgave 1
INLEIDING ..................................................................................................................... 6
1.1 1.2 1.3 1.4 1.5 1.6
AANLEIDING ..................................................................................................................................... 6 ONDERZOEKSGEBIED .......................................................................................................................... 6 ALGEMEEN ....................................................................................................................................... 8 DOEL VAN HET INDICATIEONDERZOEK .................................................................................................... 9 BRONNEN....................................................................................................................................... 11 KWALIFICATIE ONDERZOEKSTEAM ....................................................................................................... 12
2
HET INDICATIE ONDERZOEK ...............................................................................................13
2.1 INDELING EN OPZET VAN HET INDICATIEONDERZOEK............................................................................... 13 2.2 UITGANGSPUNTEN VOOR DE BEOORDELING VAN DE RELEVANTIE VAN EEN INDICATIE ................................... 13 2.3 HISTORISCH-GEOGRAFISCHE INFORMATIE ............................................................................................ 13 2.4 REEDS UITGEVOERDE RAPPORTAGES.................................................................................................... 16 2.5 LITERATUUR .................................................................................................................................... 16 2.6 GEMEENTELIJKE, REGIONALE EN PROVINCIALE ARCHIEVEN ...................................................................... 17 2.6.1 BRABANTS HISTORISCH INFORMATIE CENTRUM .................................................................................... 17 2.6.2 OPENBARE BIBLIOTHEEK VEGHEL........................................................................................................ 17 2.7 LANDELIJKE ARCHIEVEN..................................................................................................................... 17 2.7.1 NATIONAAL ARCHIEF DEN HAAG ........................................................................................................
17 2.7.2 NIOD INSTITUUT VOOR OORLOGS- HOLOCAUST- EN GENOCIDENSTUDIES AMSTERDAM .............................. 18 2.7.3 NEDERLANDS INSTITUUT VOOR MILITAIRE HISTORIE DEN HAAG .............................................................. 19 2.8 INTERNATIONALE ARCHIEVEN ............................................................................................................. 19 2.8.1 THE NATIONAL ARCHIVES LONDEN ..................................................................................................... 19 2.8.1.1 The National Archives: omgang en uitgangspunt ontlenen gegevens aan Daily Logs. 19 2.8.1.2 Geallieerden: Nord de Guerre coördinatenstelsel....................................................... 20 2.8.2 NATIONAL ARCHIVES AND RECORDS ADMINISTRATION .......................................................................... 20 2.8.3 BUNDESARCHIV-MILITÄRARCHIV ........................................................................................................ 20 2.9 GEMELDE EN GERUIMDE EXPLOSIEVEN EOD EN M.M.O.D..................................................................... 23 2.9.1 ARCHIEF UITVOERINGSOPDRACHTEN EXPLOSIEVEN OPRUIMINGSDIENST DEFENSIE...................................... 23 2.9.2 ARCHIEF M.M.O.D. SEMISTATISCHE ARCHIEFDIENSTEN MINISTERIE DEFENSIE RIJSWIJK .............................
24 2.9.3 MIJNENVELDREGISTER ...................................................................................................................... 24 2.10 LUCHTFOTO INTERPRETATIE ............................................................................................................... 24 2.10.1 DOEL VAN DE LUCHTFOTO INTERPRETATIE ............................................................................................ 24 2.10.2 METHODIEK.................................................................................................................................... 25 2.10.3 GRENZEN EN MOGELIJKHEDEN VAN LUCHTFOTO INTERPRETATIE............................................................... 25 2.10.4 INVENTARISATIE, SELECTIE EN INTERPRETATIE VAN HET GEHANTEERDE BEELDMATERIAAL.............................. 26 2.11 OVERZICHT OORLOGSHANDELINGEN UIT LITERATUUR, ARCHIEFMATERIAAL EN LUCHTFOTO’S ........................ 30 2.11.1 OVERZICHTSTABEL INDICATIES MET BETREKKING TOT HET ONDERZOEKSGEBIED ........................................... 30 2.11.2 BEELDMATERIAAL AFKOMSTIG UIT LITERATUUR EN ARCHIEVEN ................................................................ 38 2.12 ANALYSE INDICATIES UIT INDICATIE ONDERZOEK .................................................................................... 40
3
HET CONTRA-INDICATIE ONDERZOEK ...................................................................................41
3.1
BEELDVERGELIJKING TEN BEHOEVE CONTRA-INDICATIE ONDERZOEK .......................................................... 41
257-018-VO-01
Pagina 4 van 74
3.2 3.3
OVERIGE GEGEVENS BETREFFENDE NAOORLOGSE WERKZAAMHEDEN ........................................................ 43 SAMENVATTING NAOORLOGSE WERKZAAMHEDEN ................................................................................. 46
4
AFBAKENING VERDACHT GEBIED .........................................................................................47
4.1 4.2 4.3 4.4
EVALUATIE AFWEGING INDICATIES EN CONTRA-INDICATIES ...................................................................... 47 HORIZONTALE AFBAKENING ............................................................................................................... 48 MOGELIJK AAN TE TREFFEN CONVENTIONELE EXPLOSIEVEN..................................................................... 48 VERTICALE AFBAKENING .................................................................................................................... 49
5 6 7 8
LEEMTEN IN KENNIS ........................................................................................................50 CONCLUSIE EN ADVIES .....................................................................................................51 OVERZICHT VAN GEHANTEERDE BRONNEN .............................................................................53 BIJLAGEN .....................................................................................................................55
BIJLAGE 1: VASTSTELLEN VERDACHT GEBIED EN AFBAKENING IN VOORONDERZOEK................................................ 55 BIJLAGE 2: SYSTEEM CERTIFICATEN OPSPOREN CONVENTIONELE EXPLOSIEVEN .................................................... 59 BIJLAGE 3: PROTOCOL TOEVALSVONDST ........................................................................................................ 60 BIJLAGE 4: TOELICHTING VERPLICHTE EN AANVULLENDE BRONNEN WSCS-OCE................................................... 62 BIJLAGE 5: GERAADPLEEGDE ARCHIEVEN ....................................................................................................... 65 BIJLAGE 6: CE-BODEMBELASTINGKAART ........................................................................................................ 72
257-018-VO-01
Pagina 5 van 74
1 INLEIDING Op een onbekend aantal plaatsen in Nederland liggen nog bommen, granaten en andere munitieartikelen uit de Tweede Wereldoorlog. Volgens mondiale, militaire inschatting is van al het explosieve materiaal dat gedurende de Tweede Wereldoorlog (1939-1945) is ingezet, verschoten of afgeworpen, tussen de zeven en vijftien procent om verschillende redenen niet tot uitwerking gekomen of gebracht. In dit hoofdstuk zullen allereerst de aanleiding en het onderzoeksgebied van de voorliggende bureaustudie worden toegelicht. Hierna volgt een passage over het vooronderzoek in het algemeen, om vervolgens het onderzoeksdoel van deze studie te omschrijven. Tot slot volgt een inzicht van geraadpleegde bronnen en een toelichting van de door ECG gestelde eisen aan haar onderzoekers.
1.1
AANLEIDING
In Veghel is men voornemens het bestaande kloostercomplex een eigentijds gebruik te geven, deels door behoud en deels door herontwikkeling van de gronden. Buro Ontwerp & Omgeving verzorgt de nieuwe landschappelijk, stedenbouwkundige en bouwkundige invulling van het terrein, alsmede haalbaarheidsonderzoeken en het totale projectmanagement.1 Om het risico op het aantreffen van CE voorafgaande aan de geplande bodemroerende werkzaamheden in te kunnen schatten, is aan ECG de opdracht verstrekt voor de uitvoering van een vooronderzoek. De bureaustudie is door ECG uitgevoerd conform het in Nederland vigerende WSCS-OCE en de inspanningen zoals aangegeven in de offerte bureaustudie met kenmerk ‘257-018-VO-01’ betiteld als ‘Kloosterlocatie te Veghel’ daterende van 13 juni 2018. De locatie van het onderzoeksgebied is opgenomen in paragraaf 1.2.
1.2
ONDERZOEKSGEBIED
Het onderzoeksgebied ‘Kloosterlocatie te Veghel’ is, zoals de naam al doet vermoeden, gelegen te Veghel, in de gemeente Meierijstad. Het onderzoeksgebied bestaat aan de zuidzijde uit verschillende gebouwen en aan de noordzijde uit een tuin die onder het beheer van de Zusters Franciscanessen vallen. Een weergave van het onderzoeksgebied volgt op de volgende pagina (257-018-TE-01).
1
Buro Ontwerp & Omgeving, ‘Ontwikkeling Hart van Veghel’, https://www.ontwerpenomgeving.nl/nieuws/ontwikkeling-hart-van-veghel (geraadpleegd 25 oktober 2018). 257-018-VO-01
Pagina 6 van 74
257-018 ONDERZOEKSGEBIED
Esri Nederland, beeldmateriaal.nl
LEGENDA
Onderzoeksgebied
DATUM: 1 NOVEMBER 2018 PROJECT NR.: 257-018-VO-01 TEKENING NR.: 257-018-TE-01
OPDRACHTGEVER: BURO ONTWERP EN OMGEVING
0
50
SCHAAL: 1:2.000
/
GETEKEND DOOR: ECG
BEZOEKADRES
Esri Nederland, Community Map Contributors
METERS
25
Nieuweweg 212 6603 BV Wijchen
POSTADRES
Postbus 332 6500 AH Nijmegen
CONTACTGEGEVENS
E-mail: info@ecg-group.nl Telefoon: 024-6452409
Copyright 2018 Explosive Clearance Group BV
1.3
ALGEMEEN
Hoofdrisico van het werkveld van het opsporen van Conventionele Explosieven (CE) is het onverhoeds aantreffen van deze CE bij het uitvoeren van werkzaamheden in de (water)bodem en/of de ondeskundige en onzorgvuldige omgang met aangetroffen CE. Hierdoor bestaat het gevaar op het ongewenst tot (uit)werking komen van CE en dat kan grote uitwerkingsgevolgen teweegbrengen. De belangrijkste daarvan zijn luchtdruk, schokgolf en scherfwerking, welke een groot gevaar vormen voor de veiligheid en gezondheid van bij het opsporen van CE betrokken werknemers en andere personen. Het voornoemd risico doet zich voor indien voorafgaand aan (bouw)projecten geen/onvoldoende onderzoek wordt gedaan naar de mogelijke aanwezigheid van CE en/of het opsporen van CE op een onzorgvuldige en/of ondeskundige wijze plaatsvindt. In het laatstgenoemde geval doet het risico van het onverhoeds aantreffen van CE zich ook voor zodra na een opsporingsproject met de reguliere (bouw)werkzaamheden wordt gestart.2 Om spontane vondsten en eventuele daaruit voortvloeiende ongewilde gebeurtenissen te voorkomen, dient de opdrachtgever ervoor te zorgen (inspanningsverplichting) dat in de ontwerpfase – als onderdeel van de Risico-Inventarisatie en Evaluatie (RI&E) – er rekening wordt gehouden met (veiligheids) verplichtingen die gelden in de uitvoeringsfase.
Dat wil onder andere zeggen dat de opdrachtgever (de initiatiefnemer van de werkzaamheden) het mogelijk moet maken dat de aannemer die het werk uitvoert dat op een veilige en gezonde manier kan doen, onder naleving van wettelijke regels en door toepassing van maatregelen uit de voor dat werk geldende arbocatalogus, brancherichtlijnen, stand der techniek en wetenschap.3 Als gevolg van het voorgaande dient de opdrachtgever er vooraf zorg voor te dragen dat er bij gronden/of waterbodemroerende activiteiten informatie beschikbaar (inventariseren en evalueren) is over de samenstelling van de (water)bodem. Zoals of er bijvoorbeeld sprake is van de vermoede aanwezigheid van CE en/of de identificatie van potentiële risicolocaties. Om het maatschappelijk belang (veiligheid en gezondheid van en rondom arbeid) te waarborgen, is door de overheid gekozen voor een wettelijk verplichte certificatieregeling voor de borging van de kwaliteit/veiligheid van het opsporen van Conventionele Explosieven. Dat wil zeggen dat opsporingswerkzaamheden met betrekking tot CE op grond van het Arbeidsomstandighedenbesluit (Arbobesluit) enkel uitgevoerd mogen worden door de Explosieven Opruimingsdienst Defensie (EOD) en bedrijven die in het bezit zijn van een certificaat voor het opsporen van Conventionele Explosieven.
Om dit certificaat te verkrijgen dient het bedrijf (en de EOD) te voldoen aan de eisen zoals gesteld in het ‘Werkveldspecifieke certificatieschema voor het systeemcertificaat opsporing conventionele explosieven zoals opgenomen in bijlage XII van de Arbeidsomstandighedenregeling’ (afgekort als 2 Voor nadere info betreffende regelgeving etc. zie: www.explosievenopsporing.nl. 3 Zie ook voor achtergrond Nederland: Ministerie van Sociale Zaken en Werkgelegenheid, Inspectie Sociale Zaken en
Werkgelegenheid, Jaarplan 2015 (Den Haag 2014) 18 (http://www.inspectieszw.nl/Images/Jaarplan-InspectieSZW2015_tcm335-359626.pdf); De Inspectie blijft zich inzetten om bij de opdrachtgevers, inclusief gemeenten, indringend concrete aandacht en zorg te eisen voor hun verantwoordelijkheid bij de voorbereidingen voor GWW-projecten. Bijvoorbeeld het veilig opleveren van projectgrond – gevrijwaard van explosieven – en sturing op arbo-aspecten in het opdrachtverlenings-traject.
257-018-VO-01
Pagina 8 van 74
WSCS-OCE). Het toepassingsgebied van het Certificatieschema is verdeeld in twee deelgebieden: A (Opsporing, inclusief vooronderzoek) en B (Civieltechnisch Opsporingsproces). De doelstelling van dit door het ministerie van Sociale Zaken en Werkgelegenheid (SZW) vastgestelde certificatieschema is drieledig: ▪ ‘bewerkstelligen dat risicovolle werkzaamheden voldoende veilig voor het eigen personeel en derden aanwezig op het project worden uitgevoerd; ▪ bewerkstelligen dat risicovolle werkzaamheden zodanig en met die deskundigheid worden uitgevoerd dat omwonenden veilig zijn en dat de openbare orde en publieke veiligheid wordt gewaarborgd; ▪ bewerkstelligen dat het vooronderzoek en/of de opsporing volgens de gegunde opdracht wordt uitgevoerd en opgeleverd (vast te leggen in het proces-verbaal van oplevering).’4 Explosive Clearance Group B.V. (ECG) is voor beide deelgebieden (A+B) gecertificeerd.5 Een eerste stap in het opsporingsproces wordt (doorgaans) gevormd door een (historisch) vooronderzoek waarin beoordeeld wordt of een onderzoekgebied VERDACHT of ONVERDACHT is op de mogelijke aanwezigheid van Conventionele Explosieven.
1.4
DOEL VAN HET INDICATIEONDERZOEK
Het onderzoeksdoel en de te volgen werkwijze betreffende een vooronderzoek zijn in het WSCS-OCE als volgt omschreven: ‘Het vooronderzoek heeft tot doel om te beoordelen of er indicaties zijn dat binnen het onderzoeksgebied CE aanwezig zijn, en zo ja, om het verdachte gebied [in horizontale en verticale dimensie] af te bakenen. Het vooronderzoek bestaat uit zowel het inventariseren als beoordelen (analyseren) van bronnenmateriaal en resulteert in een rapportage en een CE bodembelastingskaart.’6 Het uitgangspunt van deze studie is het verkrijgen van een, door middel van het verzamelen en verwerken van relevant (historisch) feitenmateriaal, gefundeerd antwoord op de volgende drie kernvragen: 1. Is het onderzoeksgebied of delen hiervan betrokken geweest bij oorlogshandelingen (indicaties) en is er daardoor sprake van een verhoogd risico op het aantreffen van Conventionele Explosieven, oftewel van VERDACHT gebied?
4 Werkveldspecifieke certificatieschema voor het systeemcertificaat opsporing conventionele explosieven zoals opgenomen
in bijlage XII van de Arbeidsomstandighedenregeling (WSCS-OCE) 2. 5 Het certificaat is opgenomen onder Bijlage 2. 6 WSCS-OCE, 16.
257-018-VO-01
Pagina 9 van 74
2. Zijn er gebeurtenissen (contra-indicaties) die een aanwijzing vormen dat een (mogelijk verdacht) gebied of een deel hiervan als ONVERDACHT kan worden aangemerkt?
3. Indien er sprake is van VERDACHT gebied wat is dan de (sub)soort, hoeveelheid en verschijningsvorm van de vermoede Conventionele Explosieven?
De indicaties zijn onder te verdelen naar: geografisch herleidbare gebeurtenissen met informatie die een aanwijzing vormen dat het gebied ‘verdacht’ is op Conventionele Explosieven of geografisch herleidbare gebeurtenissen die een aanwijzing vormen dat het gebied als ‘onverdacht’ kan worden aangemerkt (contra-indicaties).7 Oorlogshandelingen (in dit geval gebeurtenissen die tot de mogelijke aanwezigheid van Conventionele Explosieven leiden) kunnen over het algemeen onderverdeeld worden naar een bepaalde oorzaak of scenario, zoals in het navolgende overzicht (figuur 1) is weergegeven.8 MOGELIJKE OORZAKEN VOOR ACHTERGEBLEVEN CONVENTIONELE EXPLOSIEVEN
LUCHTAANVALLEN
Bombardement
Beschieting met boordwapens
Beschieting met raketten
Vliegtuigcrash
GRONDGEVECHTEN (SECUNDAIRE GEVOLGEN)
Blindgangers (bijv. artillerie beschieting)
In stellingen achtergelaten, gedumpt of bedolven
MUNITIE VERNIETIGING
MILITAIR GEBRUIK
MUNITIE OPSLAG
Springputten en dergelijke
Militair oefenterrein
Munitie fabricage en/of opslag
Munitiedump of stort
Stationering militairen
Munitie inrichtingen
Munitiedump in water
Vliegveld
(afzinking)
Mijnenveld(en)
Vernielingsactiviteiten
Figuur 1: Overzicht van mogelijk te achterhalen oorlogshandelingen in en rond een onderzoeksgebied.
7 VERDACHT of ONVERDACHT houdt niet in dat feitelijk vaststaat dat er wel of geen CE liggen, maar geeft antwoord op de
vraag of het (op basis van feiten/bronnenmateriaal) aannemelijk is dat in een bepaald gebied CE kunnen worden aangetroffen. Enkel door middel van opsporingswerkzaamheden kan de feitelijke aanwezigheid en exacte ligplaats van CE worden vastgesteld. 8 De weergegeven scenario’s zijn exemplarisch en pretenderen geen volledigheid.
257-018-VO-01
Pagina 10 van 74
Gebeurtenissen die mogelijk geleid hebben tot het uit de bodem verwijderen van conventionele explosieven (contra-indicaties) kunnen over het algemeen onderverdeeld worden naar een bepaalde oorzaak of scenario, zoals hieronder is weergegeven. MOGELIJKE OORZAKEN VOOR CONTRA-INDICATIES VAN CONVENTIONELE EXPLOSIEVEN
GRONDROERENDE WERKZAAMHEDEN
Ontgravingen
BAGGERWERKZAAMHEDEN
Gronddepositie
OPSPORINGSWERKZAAMHEDEN
EODD en voorgangers
Civiele opsporingsbedrijven
Figuur 2: Overzicht van mogelijk te achterhalen naoorlogse (bodem)activiteiten in en rond een onderzoeksgebied
Deze rapportage omvat (naast de eerder genoemde zaken): ▪ ▪ ▪ ▪
Aanleiding van het vooronderzoek; omschrijving en doelstelling van de opdracht; begrenzing van het onderzoeksgebied; beschrijving van de uitvoering van het onderzoek (inclusief de betrokken, door het management van ECG bevoegde, personen); ▪ verantwoording van het bronnenmateriaal (inclusief bronverwijzing); ▪ resultaten van de beoordeling van het bronnenmateriaal; ▪ beschrijving leemten in kennis. Als er aanwijzingen worden achterhaald dat het onderzoeksgebied betrokken is geweest bij oorlogshandelingen en er geen sprake is van relevante contra-indicaties dan zal de uiteindelijke afbakening van het ‘verdachte’ gebied in zowel horizontale (indien mogelijk aan de hand van bijlage 3 uit het WSCS-OCE9) als verticale zin plaatsvinden (indien de in het WSCS-OCE weergegeven vereiste parameters aanwezig zijn).
1.5
BRONNEN
Bij het indicatieonderzoek dienen volgens het WSCS-OCE een aantal bronnen verplicht te worden geraadpleegd.10 In het navolgende overzicht (tabel 1) staat schematisch weergegeven welke bronnen dit zijn en of hieraan bij dit onderzoek gehoor is gegeven. Optionele bronnen dienen in bepaalde, in het certificatieschema vastgelegde, situaties te worden gehanteerd. Daarnaast raadpleegt ECG aanvullend een tweetal archieven welke niet zijn opgenomen 9 Zie Bijlage 1 rapportage. 10 WSCS-OCE, 16.
257-018-VO-01
Pagina 11 van 74
in het vigerende WSCS-OCE. De conclusie ‘verdacht’ wordt bij voorkeur vastgesteld op basis van twee of meer onafhankelijke bronnen. Een toelichting betreffende de verplicht en aanvullend te raadplegen bronnen is opgenomen in Bijlage 4. BRONNEN CONFORM WSCS-OCE: Literatuur Gemeente- en Provinciaal archief Nederlands Instituut voor Militaire Historie NIOD Instituut voor Oorlogs-, Holocaust- en Genocidestudies Explosieven Opruimingsdienst Defensie Luchtfotocollectie Universiteit Wageningen Luchtfotocollectie Topografische Dienst Zwolle Luchtfotocollectie The Aerial Reconnaissance Archives/National Collection of Aerial Photography (Edinburgh) The National Archives (Londen) Bundesarchiv-Militärarchiv (Freiburg) The National Archives (Washington) Getuigen
RAADPLEGEN: Verplicht Optioneel ✓ ✓
GERAADPLEEGD
✓
Ja Ja Ja Ja Ja Ja Ja Ja
✓ ✓ ✓ ✓
Ja Ja Ja Nee
✓ ✓ ✓ ✓ ✓
AANVULLEND BRONNENONDERZOEK ECG: Semistatische archiefdiensten Ministerie Defensie te Rijswijk Nationaal Archief te Den Haag
Nvt. Nvt.
Ja Ja
Tabel 1: Overzicht van geraadpleegde bronnen.
1.6
KWALIFICATIE ONDERZOEKSTEAM
Hoewel in de geldende regels geen ervarings- en opleidingseisen zijn gesteld aan de uitvoerende(n) van een vooronderzoek naar de kans op het aantreffen van achtergebleven explosieven, stelt ECG deze eisen wel aan haar onderzoekers. Het basisteam dat het vooronderzoek daadwerkelijk uitvoert en rapporteert, bestaat uit academisch geschoolde historici. Reden voor deze opleidingseis van ECG is het feit dat academisch geschoolde historici gespecialiseerd zijn in het vergaren, selecteren en beoordelen van relevant (feiten)materiaal en in staat zijn deze op een duidelijke manier te rapporteren. Het onderscheiden van hoofd- en bijzaken is daarbij van essentieel belang.
257-018-VO-01
Pagina 12 van 74
2 HET INDICATIE ONDERZOEK In het indicatie onderzoek wordt op basis van bronnenonderzoek vastgesteld of het onderzoeksgebied mogelijk betrokken is geweest bij oorlogshandelingen.
2.1
INDELING EN OPZET VAN HET INDICATIEONDERZOEK
In dit hoofdstuk wordt ten eerste het uitgangspunt voor de beoordeling van de relevantie van een indicatie toegelicht, waarna er met behulp van historisch kaartmateriaal een historisch-geografische situatie wordt gekenschetst van het onderzoeksgebied ten tijde van de oorlogsperiode. Hierop volgend wordt een inventarisatie uitgevoerd naar bij ECG bekende gegevens omtrent eerder uitgevoerd€ onderzoek(en) naar de aanwezigheid van conventionele explosieven in of nabij het onderzoeksgebied.11 Daarop volgt er een opsomming van de geraadpleegde literatuur en de bezochte archiefinstanties en de geraadpleegde dossiers. Vervolgens worden de eventueel achterhaalde naoorlogse ruimingen van Conventionele Explosieven en daaraan gerelateerde zaken in beeld gebracht. Tot slot zullen vanuit een combinatie van bronspecifieke en historische benadering (waaronder de mogelijk reeds achterhaalde indicaties) luchtfoto’s uit de Tweede Wereldoorlog geanalyseerd worden om de hierboven aangehaalde omschrijvingen verder te verifiëren en/of te herleiden. De indicaties die relevant zijn voor het onderzoeksgebied zullen in Paragraaf 2.11 in een chronologisch overzicht worden weergegeven en nader getoetst op verificatie en herleidbaarheid.
2.2
UITGANGSPUNTEN VOOR DE BEOORDELING VAN DE RELEVANTIE VAN EEN INDICATIE
Bij het beoordelen of de bij het indicatieonderzoek achterhaalde informatie/indicatie relevant is/of kan zijn, wordt een selectiecriterium uit het WSCS-OCE toegepast: ‘Indicaties/contra-indicaties dienen een locatieverwijzing te hebben, aangezien deze essentieel is om te bepalen of de informatie relevant is voor de aanwezigheid van CE in het onderzoeksgebied.’12 Indien de locatieverwijzing niet verwijst naar de omgeving van het onderzoeksgebied of op een andere wijze een relatie met het onderzoeksgebied (bijvoorbeeld op basis van voorkennis) impliceert of van invloed kan zijn, dan wordt de desbetreffende informatie niet in de rapportage opgenomen of als niet relevant beoordeeld en wordt deze verder buiten beschouwing gelaten.
2.3
HISTORISCH-GEOGRAFISCHE INFORMATIE
Aangezien locatieverwijzingen een essentiële rol spelen bij het vaststellen van de relevantie van achterhaalde indicaties, wordt er gekeken naar de geografische situatie voor of ten tijde van aanvang van de oorlog. Derhalve kunnen locatieverwijzingen die uit het huidige stratenbeeld zijn verdwenen toch worden achterhaald. 11 Onder onderzoek wordt door ECG bij voorkeur verstaan: een (opsporings)onderzoek uitgevoerd volgens de regels
van de voormalige Beoordelingsrichtlijn Opsporing Conventionele Explosieven (BRL-OCE) of het vigerende WSCS-OCE. 12 WSCS-OCE, 17.
257-018-VO-01
Pagina 13 van 74
Met behulp van Geallieerde stafkaarten kan de topografie van het onderzoeksgebied ten tijde van de oorlog worden achterhaald.13 Middels ArcGis wordt het onderzoeksgebied op de oude situatie geprojecteerd. Een overzicht is op de volgende pagina weergegeven (tekening 257-018-TE-02). Op deze kaart staan diverse toponiemen weergeven. In de wetenschap van deze (voor een deel) uit de huidige topografie verdwenen locatieverwijzingen zal het indicatieonderzoek worden uitgevoerd. Ten tijde van de Tweede Wereldoorlog viel het onderzoeksgebied binnen de gemeente Veghel. Derhalve dient het archief van deze gemeente te worden geraadpleegd, alsmede het bijbehorende provinciale archief.
13 Veghel, sheet 18 N.E., A.M.S. M831 (G.S.G.S. 4427) First Edition of 1943, Holland 1:25.000.
257-018-VO-01
Pagina 14 van 74
257-018 HISTORISCH-GEOGRAFISCHE INFORMATIE
Esri Nederland, beeldmateriaal.nl
LEGENDA
Onderzoeksgebied
DATUM: 1 NOVEMBER 2018 PROJECT NR.: 257-018-VO-01 TEKENING NR.: 257-018-TE-02
OPDRACHTGEVER: BURO ONTWERP EN OMGEVING
0
50 100
METERS
300
SCHAAL: 1:8.000
/
GETEKEND DOOR: ECG
BEZOEKADRES
Esri Nederland, Community Map Contributors
200
Nieuweweg 212 6603 BV Wijchen
POSTADRES
Postbus 332 6500 AH Nijmegen
CONTACTGEGEVENS
E-mail: info@ecg-group.nl Telefoon: 024-6452409
Copyright 2018 Explosive Clearance Group BV
2.4
REEDS UITGEVOERDE RAPPORTAGES
Conform de proceseisen vooronderzoek zoals opgenomen in het WSCS-OCE, heeft ECG een inventarisatie gemaakt van reeds uitgevoerde bureaustudies door zowel ECG als derden. Er zijn geen rapportages gevonden die betrekking hebben op het huidige onderzoeksgebied. Het onderzoeksgebied viel wel binnen het aandachtsgebied van de volgende rapportage: ▪
2.5
Bodac, ‘Vooronderzoek Conventionele Explosieven Kademuur Hoogstraat Veghel’ (documentnummer 201607129_H6021_VOB/01, 29 juli 2016).
LITERATUUR
Om een totaalbeeld te krijgen van mogelijk relevante oorlogshandelingen in en nabij het onderzoeksgebied heeft ECG onder meer de onderstaande (deels locatiespecifieke) literatuur. Een compleet overzicht van geraadpleegde literatuur is opgenomen in hoofdstuk 7. Gedrukte literatuur: ▪ Amersfoort, H. en P. Kamphuis (red.), Mei 1940. De strijd op Nederlands grondgebied (2e herziene druk; Den Haag 2005). ▪ Bollen, H., Corridor naar de Rijn: Operatie Market Garden, september 1944 (Zutphen 1988). ▪ Didden, J. van en M. Swarts, Brabant bevrijd (Hulst 1993). ▪ Didden, J. en M. Swarts, Einddoel Maas (Weesp 1984). ▪ Eversteijn, T., Bombardementen en verongelukte vliegtuigen in de periode 10 mei 1940 – 5 mei 1945 (z.p. z.j.). ▪ Govers, F., Corridor naar het verleden: Veghel een snijpunt in Oost-Brabant 1940-1945 (Hapert 1983). ▪ Nierstrasz, V.E., De verdediging van Noord-Limburg en Noord-Brabant, Mei 1940 (Den Haag 1953). ▪ Pigmans, A. en N. Vreeswijk, ‘19 September 1944 bij de Zusters Franciscanessen in Veghel: een dag om nooit te vergeten’, D'n Tesnuzzik : Heemtijdschrift voor Beek en Donk 26 (2006) 3-12. ▪ Sectie Krijgsgeschiedenis van den Generalen Staf, Beknopt overzicht van de krijgsverrichtingen der Koninklijke Landmacht 10-19 mei 1940 (Leiden 1947). ▪ Studiegroep Luchtoorlog 1939-1945, Verliesregister 1939-1945.
Alle militaire vliegtuigverliezen in Nederland tijdens de Tweede Wereldoorlog (Den Haag 2008). ▪ Wanrooij-Naus, B. van, ‘De oorlog vanuit een klooster in Veghel’, Van Vehchele tot Veghel : periodiek van de Heemkundekring Vehchele 26 (2006) 13-28. ▪ Zwanenburg, G.J., En nooit was het stil…: kroniek van een luchtoorlog Volume 1-2 (Den Haag 1990-1993). In de geraadpleegde literatuur kunnen verwijzingen naar oorlogshandelingen worden aangetroffen welke op basis van de locatiebeschrijvingen herleidbaar zijn naar het onderzoeksgebied. Deze feitelijk herleidbare indicaties zullen in het chronologisch overzicht in Paragraaf 2.11 worden opgenomen.
257-018-VO-01
Pagina 16 van 74
Verdere verificatie van de relevantie en herleidbaarheid vindt plaats middels archiefonderzoek en luchtfotoanalyse.
2.6
GEMEENTELIJKE, REGIONALE EN PROVINCIALE ARCHIEVEN
In het indicatieonderzoek ligt bij het raadplegen van de diverse archieven de nadruk op het bestuderen van de stukken van de luchtbeschermingsdienst, de stukken over aangetroffen/geruimde CE en oorlogsschaderapporten. 2.6.1
BRABANTS HISTORISCH INFORMATIE CENTRUM
Voor het onderzoek zijn ten eerste archieven van de gemeente Veghel geraadpleegd, te weten 7699 Gemeentebestuur Veghel, 1937-1969 en 7710 Gemeentebestuur Veghel, 1970-1993. Daarnaast is in het Brabants Historisch Centrum (BHIC) te ’s-Hertogenbosch ook archief 127 Militair Gezag NoordBrabant, 1944-1946 geraadpleegd. Het Militair Gezag (MG) was een orgaan dat in de bevrijde delen van Nederland een interim-bestuur moest vestigen zolang er een oorlogstoestand heerste en de regering het gezag nog niet kon overnemen. Het MG hield zich onder meer bezig met het herstel en handhaving van de veiligheid en het weer op gang brengen van het maatschappelijk leven. Dit hield ook in, dat men zich bezighield met luchtbescherming, het herstellen van oorlogsschade, explosievenopruiming etc. Stukken omtrent deze onderwerpen kunnen relevant zijn voor het vooronderzoek. Een overzicht van de geraadpleegde archiefstukken is opgenomen in Bijlage 5. De achterhaalde indicaties worden in Paragraaf 2.11 beoordeeld op relevantie en herleidbaarheid. 2.6.2
OPENBARE BIBLIOTHEEK VEGHEL
Het archief 1569 Documentatie Veghel bevindt zich in de Openbare Bibliotheek te Veghel. De documentatie bevat stukken over ten tijde van de Tweede Wereldoorlog neergestorte vliegtuigen en over de bezetting en bevrijding van Veghel. Een overzicht van de geraadpleegde archiefstukken is opgenomen in Bijlage 5. De achterhaalde indicaties worden in Paragraaf 2.11 beoordeeld op relevantie en herleidbaarheid.
2.7
LANDELIJKE ARCHIEVEN
2.7.1 NATIONAAL ARCHIEF DEN HAAG In het Nationaal Archief (NA) is archief 2.04.53.15 Ministerie van Binnenlandse Zaken: Inspectie Bescherming Bevolking tegen Luchtaanvallen, 1937-1946 geraadpleegd. De Inspectie Bescherming Bevolking tegen Luchtaanvallen werd naar aanleiding van de Wet tot Bescherming van de Bevolking tegen Luchtaanvallen, die in 1936 in werking trad, opgericht. De taak van dit overheidsorgaan was de gemeentelijke activiteiten op dit terrein te begeleiden en te controleren. Toen in 1942 de Duitse bezetter de wet verving door de Luchtbeschermingsverordening kwam de luchtbescherming sterker onder controle te staan van de bezetter. De archiefstukken beslaan diverse onderwerpen betreffende de luchtbeschermingsdienst, waaronder door gemeenten ingestuurde rapporten betreffende Geallieerde luchtactiviteiten.
257-018-VO-01
Pagina 17 van 74
Tevens is archief 2.13.210 Commissie van Proefneming met hierin opgenomen afgedwaalde archiefbescheiden van onderdelen van de Artillerie-Inrichtingen en Artillerie onderdelen, (1814-) 1867-1942 geraadpleegd. De Commissie van Proefneming (CvP) was een instelling die zich bezighield met proeven betreffende wapens en artilleriegeschut. In de archiefstukken zijn ook staten opgenomen betreffende plaatsen waar mogelijk onontplofte projectielen zijn gevonden, die wel of niet geruimd zijn, in het begin van de oorlog. Ook 2.13.71 Archieven van het Ministerie van Defensie te Londen [1940-1941]; Ministerie van Oorlog te Londen [1941-1945]; Departement van Oorlog: Bureau Londen [1945-1947], (1933) 1940-1947 (1974) is geraadpleegd met betrekking tot mogelijk relevante gegevens voor het onderzoeksgebied. Dit betreft het archief van het ministerie van Defensie (later Oorlog) dat vanaf 14 mei 1940 in Londen was gevestigd. Het hield zich onder meer bezig met luchtvaart, militaire operaties en inlichtingen uit Nederland. Ook een onderzoek naar het verloop van de Meidagen van 1940 en de voorbereiding van de terugkeer naar Nederland behoorde tot het takenpakket. Het Bureau Londen hield zich na de bevrijding bezig met de afwikkeling van zaken in Engeland, waarna het in 1947 werd opgeheven.
In het NA is het archief 2.04.110 Korps Hulpverleningsdienst van het Ministerie van Binnenlandse Zaken en Koninkrijksrelaties, 1945-1974 geraadpleegd. Het Korps Hulpverleningsdienst (HVD) nam vanaf juli 1947 de taken van de Mijn- en Munitieopruimingsdienst (M.M.O.D.) over. Eind juli 1947 werd de H.V.D. verantwoordelijk voor het ruimen van explosieven die in de civiele sector werden aangetroffen en vanaf januari 1948 ook voor het ruimen op militaire objecten en terreinen. In 1971 werd de taak van de H.V.D. overgedragen aan de EOD.14 Door middel van het raadplegen van delen van het archief van de Hulpverleningsdienst is getracht inzicht te verkrijgen in mogelijke ruimingen van CE in de periode van ca. 1947 tot en met het begin van de jaren ’70 van de vorige eeuw. Een overzicht van de geraadpleegde archiefstukken is opgenomen in Bijlage 5. De achterhaalde indicaties worden in Paragraaf 2.11 beoordeeld op relevantie en herleidbaarheid. 2.7.2 NIOD INSTITUUT VOOR OORLOGS- HOLOCAUST- EN GENOCIDENSTUDIES AMSTERDAM Aangezien er uit de literatuurcollectie bij het NIOD geen (niet reeds in de literatuurlijst opgenomen) mogelijk relevante boektitels naar voren kwamen, is het interesseveld voor dit archief naar een aantal aldaar gedeponeerde archieven verschoven.
In het NIOD is het archief van ‘Generalkommissar für das Sicherheitswesen en Höhere SS- und Polizeiführer’ Hanns Albin Rauter (1892-1949), die was belast met ‘de openbare orde en veiligheid’ in Nederland, en het archief van het Departement van Justitie tussen 1940 en 1945 geraadpleegd, respectievelijk archief 077 Generalkommissariat für das Sicherheitswesen (Höhere SS-und Polizeiführer Nord-West), (1938) 1940-1945 en 216k Departement van Justitie (1935) 1940-1945 (1950). Verder is het archief 226B Bureau Inlichtingen – Hoofdbureau Londen, 1940-1945 ingezien. Een overzicht van de geraadpleegde archiefstukken is opgenomen in Bijlage 5. De achterhaalde indicaties worden in Paragraaf 2.11 beoordeeld op relevantie en herleidbaarheid. 14 J. van Woensel, Vrij van explosieven. De geschiedenis van het EOCKL en zijn voorgangers, 1944-2004 (Meppel 2004) 107
en 142.
257-018-VO-01
Pagina 18 van 74
2.7.3 NEDERLANDS INSTITUUT VOOR MILITAIRE HISTORIE DEN HAAG De collecties 575 Duitse verdedigingswerken en inundaties van Nederlands Grondgebied in de oorlog / Rapporten van militaire aard vanuit bezet Nederland aan Bureau Inlichtingen Londen (collectie 575) 1940-1945 en 409 Gevechtsverslagen en rapporten mei 1940 van het Nederlands Instituut voor Militaire Historie (NIMH) in Den Haag zijn geraadpleegd. Een overzicht van de geraadpleegde archiefstukken is opgenomen in Bijlage 5. De achterhaalde indicaties worden in Paragraaf 2.11 beoordeeld op relevantie en herleidbaarheid.
2.8
INTERNATIONALE ARCHIEVEN
ECG beschikt over gegevens uit internationale archieven welke voor dit onderzoek zijn geraadpleegd. Het betreft historische informatie afkomstig uit The National Archives (TNA) te Londen, The National Archives and Records Administration (NARA) te Maryland en het Bundesarchiv-Militärarchiv (BAMA) te Freiburg im Breisgau. 2.8.1 THE NATIONAL ARCHIVES LONDEN ECG beschikt over de Daily Logs van de Geallieerde 2nd Tactical Airforce (2nd TAF – een Geallieerd luchtleger welke veelvuldig in de periode september 1944-april 1945 boven Nederland actief was) en enkele overige AIR-collecties. Deze gegevens zijn afkomstig uit The National Archives te Londen. Uit deze gegevens kan (onder andere) informatie worden gehaald omtrent de aanvalsdoelen, het verloop van de gebeurtenissen/gevechtshandelingen en de gehanteerde wapens en/of gebruikte CE. Naast de voorgaande gegevens betreffende de luchtoorlog, beschikt ECG over oorlogsverslagen, afkomstig uit de War Office collectie van The National Archives, van in Nederland ingezette Geallieerde regimenten. Ook oorlogsverslagen van de Britse 44 Royal Tank Regiment en Grenadier Guards die betrokken waren bij de verdediging van Veghel zijn bij ECG voorhanden. Een overzicht van de geraadpleegde archiefstukken is opgenomen in Bijlage 5. De achterhaalde indicaties worden in Paragraaf 2.11 beoordeeld op relevantie en herleidbaarheid. 2.8.1.1
THE NATIONAL ARCHIVES: OMGANG EN UITGANGSPUNT ONTLENEN GEGEVENS AAN DAILY LOGS
Alvorens de gegevens uit de Daily Logs verwerkt worden, dienen de volgende zaken opgemerkt te worden. De ervaring leert dat enige terughoudendheid bij het hanteren van de gegevens hieruit op zijn plaats is. Coördinaat aanduidingen, informatie over bommenlast en gevechts-/ bombardementsbeschrijvingen kunnen door allerlei oorzaken niet overeenkomen met de werkelijke gebeurtenissen en/of locaties. Door middel van ander bronnenmateriaal (zoals de Operation Record Books van de betrokken RAF squadrons) en luchtfotoanalyse zal ECG trachten de (beschreven locaties van de) oorlogshandelingen te verifiëren en (indien relevant) te herleiden.
257-018-VO-01
Pagina 19 van 74
2.8.1.2
GEALLIEERDEN: NORD DE GUERRE COÖRDINATENSTELSEL
De Geallieerden hanteerden gedurende de Tweede Wereldoorlog onder andere het zogeheten Nord de Guerre coördinatenstelsel. De gegevens uit de Daily Logs met de eventueel daarin aangehaalde coördinaten zijn door middel van Geallieerde stafkaarten herleidbaar naar een locatie. Een met vier cijfers aangeduid coördinaat beslaat een kaartvierkant van 1000 bij 1000 meter. Indien een locatie met zes (100 meter) of acht cijfers (10 meter) wordt aangeduid, is het in de meeste gevallen mogelijk een specifiekere positie binnen het desbetreffende kaartvierkant aan te geven. De navolgende Geallieerde stafkaart heeft betrekking op het onderzoeksgebied: ▪ Veghel, sheet 18 N.E., A.M.S. M831 (G.S.G.S. 4427) First Edition of 1943, Holland 1:25.000. De volgende kaartvierkanten zijn bij het doornemen van de Geallieerde bronnen gehanteerd: NORD DE GUERRE COÖRDINATEN: QE4837 Onderzoeksgebied QE4838
Onderzoeksgebied
Tabel 2: De gehanteerde kaartvierkanten met basis coördinaat bij het doornemen van de Daily Logs.
Overzichtskaart 257-017-TE-03 op bladzijde 22 toont de locatie van de gehanteerde Nord de Guerrecoördinaten ter hoogte van het onderzoeksgebied. 2.8.2 NATIONAL ARCHIVES AND RECORDS ADMINISTRATION In het NARA zijn archiefbescheiden als oorlogsverslagen van in Nederland ingezette regimenten en divisies raadpleegbaar. ECG beschikt over een deel van deze gegevens uit de RG 407 collectie, waaronder van de 101st Airborne Divsion die Veghel bevrijdde en verdedigde. Uit deze gegevens kan informatie worden gehaald over het verloop van de gevechtshandelingen en gehanteerde wapens. Een overzicht van de geraadpleegde archiefstukken is opgenomen in Bijlage 5. De achterhaalde indicaties worden in Paragraaf 2.11 beoordeeld op relevante en herleidbaarheid. 2.8.3 BUNDESARCHIV-MILITÄRARCHIV Het Militärarchiv is een onderdeel van het Duitse Bundesarchiv en is gehuisvest in Freiburg im Breisgau. Deze instelling beheert onder meer het archiefmateriaal en documenten van de Duitse strijdkrachten en het Ministerie van Defensie. Uit de periode van het Deutsches Reich 1933-1945, beheert het onder meer de archieven van de Reichswehr, Wehrmacht en Waffen-SS. Opgemerkt dient te worden dat de archieven door verschillende oorlogsactiviteiten ernstig hebben geleden.
De schade aan de collecties wordt als volgt omschreven door het Militärarchiv: “Die Überlieferungen aus der Zeit bis 1945 haben durch Kriegseinwirkungen erhebliche Verluste erlitten. Die Unterlagen der zentralen Dienststellen der Wehrmacht und der Heeresführung, der Dienststellen und der Truppen des Heeres 257-018-VO-01
Pagina 20 van 74
unterhalb der Divisionsebene sowie der Luftwaffe und der Waffen-SS sind weitgehend verlorengegangen. Dagegen haben die Masse der Kriegstagebücher der Kommandobehörden des Heeres und der Divisionsstäbe bis 1943 sowie das Archivgut der Marine den Krieg überdauert. Ebenso blieb das Archivgut der wehrtechnischen Einrichtungen und Dienststellen der Wehrmacht nahezu vollständig erhalten. Der größte Teil der Akten der Preußischen Armee wurde 1945 mit dem Brand des Heeresarchivs Potsdam vernichtet.”15 ECG heeft de beschikking over een aantal Lageberichten van de Duitse Luftwaffenführungsstab uit de periode 1940-1941. In deze rapporten, die per dag werden opgesteld, werd informatie verzameld omtrent de voortgang van de strijd in de verschillende oorlogsgebieden. Een overzicht van de geraadpleegde archiefstukken is opgenomen in Bijlage 5. De achterhaalde indicaties worden in Paragraaf 2.11 beoordeeld op relevantie en herleidbaarheid.
15 https://www.bundesarchiv.de/DE/Content/Artikel/Benutzen/Hinweise-zur-Benutzung/benutzen-hinweise-militaerische-
unterlagen.html (geraadpleegd: oktober 2018).
257-018-VO-01
Pagina 21 van 74
257-018 NORD DE GUERRE KAARTVIERKANTEN QE4939
QE4839
QE4739
QE4938 QE4838 QE4738
QE4937 QE4837 QE4737
QE4936
QE4836
QE4736
Esri Nederland, Community Map Contributors
LEGENDA
Onderzoeksgebied
Nord de Guerre-grid
DATUM: 1 NOVEMBER 2018 PROJECT NR.: 257-018-VO-01 TEKENING NR.: 257-018-TE-03
OPDRACHTGEVER: BURO ONTWERP EN OMGEVING
Source: Esri, DigitalGlobe, GeoEye, Earthstar Geographics, CNES/Airbus DS, USDA, USGS, AeroGRID,
0
50 100
200
METERS
300
SCHAAL: 1:8.000
/
GETEKEND DOOR: ECG
BEZOEKADRES
Nieuweweg 212 6603 BV Wijchen
POSTADRES
Postbus 332 6500 AH Nijmegen
CONTACTGEGEVENS
E-mail: info@ecg-group.nl Telefoon: 024-6452409
Copyright 2018 Explosive Clearance Group BV
2.9
GEMELDE EN GERUIMDE EXPLOSIEVEN EOD EN M.M.O.D.
Voor deze bureaustudie is ten behoeve voor verder inzicht betreffende eerdere gedocumenteerde ruimingen van Conventionele Explosieven in of nabij het onderzoeksgebied het archief van de Explosieven Opruimings Dienst Defensie (EOD) te Soesterberg bestudeerd. De EOD is eigenaar van twee archieven: het Mijnenveldregister en het archief met de ‘Uitvoeringsopdrachten (UO’s)’ – ook betiteld als ‘Melding Opdracht Ruimrapportage Afdoening (MORA’s)’; de zgn. ruimrapporten. Dit laatstgenoemde archief bevindt zich in het Semistatisch archiefdiensten Ministerie Defensie (SSA) te Rijswijk. Een nadeel van deze bron is dat deze niet volledig is: over de meldingen/ruimingen tussen 1940-1944 en 1947/1948-1971 zijn bij de EOD en het SSA nauwelijks gegevens beschikbaar. Eventuele meldingen of ruimingen van (vermoede) explosieven in of direct grenzend aan het onderzoeksgebied over de periode medio 2010-2017 zijn digitaal raadpleegbaar bij de EOD. 2.9.1 ARCHIEF UITVOERINGSOPDRACHTEN EXPLOSIEVEN OPRUIMINGSDIENST DEFENSIE ECG heeft een overzicht van de UO’s/MORA’s van het onderzoeksgebied en het omliggende gebied welk in Nederland is gelegen, ontvangen.16 De omschrijvingen van de locaties zijn inclusief spelfouten en dergelijke letterlijk overgenomen.
Uit de praktijk is gebleken dat door de EOD en haar voorgangers het dichtstbijzijnde adres in de omgeving van de vindplaats als locatie aanduiding wordt gehanteerd. Dit kan betekenen dat het gemelde of geruimde object op een locatie (bijvoorbeeld in akkerland achter het vermelde adres) is gevonden zodat naderhand slechts bij benadering de locatie kan worden aangegeven. Om de door de EOD opgegeven adressen en plaatsaanduidingen te lokaliseren is door ECG gebruik gemaakt van Google Earth & Maps. Er heeft beperkte controle plaatsgevonden of de hieraan ontleende adresgegevens corresponderen met mogelijk in de loop van de jaren veranderde huisnummering, straatnamen of perceelindelingen. Verder zijn te globale locatieaanduidingen en ruimingen waarbij geen CE zijn aangetroffen (bijvoorbeeld “schroot”) niet meegenomen. MELDING NR.
DATUM17
LOCATIE
AANGETROFFEN
19721963 19763620 19940385
27-08-1972 26-10-1976 09-03-1994
20152104 20160925
06-12-2015 31-05-2016
Stationsstraat 81 Ziekenhuis, in tuin achter hek Deken van Miertstraat 8, achter klooster, in tuin Parklaan Hoogstraat thv brug over Dommel
3x nevelmortieren 2 inch 1x druktank van vliegtuig 1x brisantgranaat van 8 cm met restant ontsteker18 1x bodembuis M66 (US) 2x scherfhandgranaat; No 36 Mills (UK)
16 Om een zo nauwkeurig mogelijk beeld te kunnen schetsen of een gebied bloot heeft gestaan aan een bepaald soort
oorlogshandelingen (grondgevechten, beschietingen, bombardementen etc.), hanteert ECG een afbakening van 750 meter rondom het onderzoeksgebied bij het aanvragen van de meldings- en ruimrapporten. 17 Meldingsdatum 18 Vernietiging ter plaatse in de kloostertuin.
257-018-VO-01
Pagina 23 van 74
MELDING NR.
DATUM17
LOCATIE
AANGETROFFEN
20161943
20-11-2016
Markt
1x scherfhandgranaat; Mk II A1 met restant ontsteker
Tabel 3: Meldingen en ruimingen van mogelijke conventionele explosieven in (de omgeving van) het onderzoeksgebied.
Van de meldingen is er één MORA direct naar het onderzoeksgebied herleidbaar, te weten die met meldingsnummer 19940385. Aangetroffen werd een brisantgranaat van 8cm met restant ontsteker, die ter plaatse in de kloostertuin werd vernietigd. 2.9.2 ARCHIEF M.M.O.D. SEMISTATISCHE ARCHIEFDIENSTEN MINISTERIE DEFENSIE RIJSWIJK In het Semistatisch Archief van Defensie te Rijswijk bevindt zich eveneens het archief van de Mijn- en Munitieopruimingsdienst (M.M.O.D). Deze dienst was in de periode 1945-1947 verantwoordelijk voor het opruimen van mijnen en achtergelaten munitie. Het archief bestaat uit meldingen, kaarten, plattegronden en ruimingrapporten uit diverse Nederlandse gemeenten. Een overzicht van de geraadpleegde archiefstukken is opgenomen in Bijlage 5. De achterhaalde indicaties worden in Paragraaf 2.11 beoordeeld op relevantie en herleidbaarheid. 2.9.3
MIJNENVELDREGISTER
Gedurende de oorlog zijn door de strijdende partijen mijnenvelden ingericht. Deze velden werden voor verschillende doeleinden aangelegd: bescherming, verdediging, het stoppen of desorganiseren van de vijandelijke opmars. Daarnaast werden zogenaamde ‘schijnmijnenvelden’ aangelegd. Een dergelijk veld bevatte geen explosieven en had ten doel de vijandelijke opmars te vertragen. Het soort (antitank- of antipersoneelmijnen) en aantal gelegde mijnen binnen een mijnenveld was afhankelijk van de functie van het veld. Na de oorlog zijn de mijnenvelden in Nederland (voor zover bekend) in kaart gebracht in zogenaamde “mijnenboeken”. Deze mijnenkaarten zijn in het bezit van de EOD. ECG heeft bij de EOD navraag gedaan of er voor de onderzoeksgebieden mijnenvelden zijn gedocumenteerd. Uit de door de EOD aangeleverde gegevens blijkt dat er geen geregistreerde mijnenvelden hebben gelegen in en nabij het onderzoeksgebied.
2.10 LUCHTFOTO INTERPRETATIE Luchtfoto’s uit de Tweede Wereldoorlog kunnen in een aantal gevallen een bruikbare bron vormen bij het vergaren van informatie betreffende de mogelijke aanwezigheid van Conventionele Explosieven. 2.10.1 DOEL VAN DE LUCHTFOTO INTERPRETATIE Het primaire doel van de luchtfoto interpretatie is het vaststellen of een gebied zichtbaar betrokken is geweest bij oorlogshandelingen. Met andere woorden: zijn er sporen waarneembaar van kraters, 257-018-VO-01
Pagina 24 van 74
stellingen (militaire werken), vernielde of beschadigde bebouwing en andere oorlogs-gerelateerde handelingen. Ten gevolge van deze constatering kan een inschatting worden gemaakt of er een verhoogde kans bestaat op het aantreffen van achtergebleven Conventionele Explosieven. Luchtfoto’s kunnen in de meeste gevallen als een betrouwbare bron worden geclassificeerd, waarmee tevens indicaties geografisch herleid en geverifieerd kunnen worden. 2.10.2 METHODIEK Er zijn meerdere typen luchtfoto’s, dit heeft onder andere te maken met de opnamehoek. De meest bruikbare voor interpretatie zijn de zgn. verticals. Het interpreteren van deze luchtfoto’s gebeurt op diverse manieren. Eenvoudig gesteld: de foto’s worden zo nauwkeurig mogelijk geanalyseerd op zichtbare verstoringen die mogelijk in verband staan met oorlogshandelingen. Een aantal van de geselecteerde foto’s heeft de overlapping en kwaliteit om het stereoscopisch interpreteren (creëren van diepte voor dimensionaal inzicht door middel van het gebruik beeldparen) mogelijk te maken.
Vervolgens worden middels georeferentie en georectificatie (door middel van ArcGIS, versie 10.6) de luchtfoto’s zo exact mogelijk gepositioneerd op een recente ondergrond om de analyseresultaten te transponeren naar de hedendaagse situatie.19 2.10.3 GRENZEN EN MOGELIJKHEDEN VAN LUCHTFOTO INTERPRETATIE Het hanteren van luchtfoto’s bij explosievenonderzoek wordt sterk beïnvloed door een aantal kwaliteits- en randvoorwaarden: ▪ ▪ ▪ ▪ ▪ ▪ ▪
Beschikbaarheid van luchtfoto’s van het gebied; Opnamedata; Beeldkwaliteit; Opnamehoogte en (brandpunt van) de gehanteerde lens (schaal); Beschikbare neveninformatie (bijv. bombardements- en aanvalsdata); Ondersteunende technische mogelijkheden (bijv. analoge of digitale interpretatie-systemen); Ervaring van het uitvoerende personeel met interpreteren/analyseren.
Daarnaast blijft een luchtfoto een momentopname van een situatie die bijvoorbeeld een week, een maand of een jaar later totaal anders zou kunnen zijn. Het is mogelijk dat een bomkrater of een loopgraaf op de ene foto wel, maar op een eerdere of latere luchtfoto niet (meer) zichtbaar is. Tussentijdse herstel- en/of dempwerkzaamheden en camouflage kunnen een vertekend/onvolledig beeld geven. Bovendien kunnen bijvoorbeeld: jaargetijden, bebouwing, schaduwwerking, wolken, puin, begroeiing en water een belemmerend effect hebben op het ontlenen van gegevens aan luchtfotografie.
19 Afhankelijk van de fotohoek (verticals - split verticals e.d.), vlieghoogte, de schaal, de gehanteerde fotolens, de
beeldkwaliteit, de stabiliteit tijdens de vlucht van het fotograferende vliegtuig, de beschikbare georeferentiepunten, hoogteverschillen in het landschap en de georectificatie, treden er tijdens de georeferentie van de verschillende foto’s afwijkingen (toleranties) van 5 meter tot maximaal 10 meter op. In dit onderzoek wordt een tolerantie van 5 meter gehanteerd.
257-018-VO-01
Pagina 25 van 74
2.10.4 INVENTARISATIE, SELECTIE EN INTERPRETATIE VAN HET GEHANTEERDE BEELDMATERIAAL Voor dit onderzoek is er door ECG in samenwerking met de Luftbilddatenbank Dr. Carls GmbH een inventarisatie uitgevoerd van beschikbare luchtopnamen in de luchtfotocollecties van Wageningen University (WUR), de Topografische Dienst te Zwolle (TOPO), National Collection of Aerial Photography (NCAP) – The Aerial Reconnaissance Archives (TARA) te Edinburgh (Schotland). Van de in deze archieven beschikbare luchtfoto’s van het onderzoeksgebied zijn er in totaal 11 luchtfoto’s uit de periode 1944-1945 geïnterpreteerd op indicaties van oorlogshandelingen. In het overzicht opgenomen op de volgende pagina zijn de opnamen beschreven welke voor de luchtfoto interpretatie zijn gebruikt.20 Resumerend kan worden gesteld dat aan verschillende zijden van het onderzoeksgebied granaatinslagen zichtbaar zijn. Daarnaast zijn aan de westzijde van het onderzoeksgebied militaire werken waarneembaar. Daar de foto van 29 oktober de situatie het beste weergeeft, is deze opgenomen in tekening 257-018-TE-05. De aanduidingen op de tekening zijn op de oorspronkelijke foto’s en dus niet door ECG aangebracht. Deze tonen een deel van de inslagen en stellingen.
20 Bij de selectie van luchtfoto’s is rekening gehouden met: opnamedatum in relatie tot oorlogshandelingen, kwaliteit van
het fotobeeld en de schaal.
257-018-VO-01
Pagina 26 van 74
NR.:
DATUM:
01
SORTIE NR.:
SCHAAL (1:X):
BEELDNUMMER(S):
KWALITEIT:
ARCHIEF:
AANTAL:
28-03-1944 J-738
12.500
3158; 3159
Redelijk
TOPO
2
02
18-09-1944 7-3361
40.000
7005
Slecht
TARA
1
03
19-09-1944 106G-3002
7.900
3232; 4268; 4269
Redelijk
TOPO
3
04
06-10-1944 R4-993
16.800
4143
Matig
NCAP
1
05
29-10-1944 DT-SP1-NL
18.000
134
Redelijk
NARA
1
06
23-12-1944 7-3702
52.000
8011
Slecht
TARA
1
07
15-03-1945 16-1847
15.000
4072
Redelijk
TARA
1
08
02-09-1945 106G-LIB-295
15.000
4269
Goed
TARA
1
Tabel 4: Selectietabel van de beschikbare, bewerkte en geanalyseerde luchtfoto’s ten behoeve van het onderzoek ‘Kloosterlocatie te Veghel’.
257-018-VO-01
Pagina 27 van 74
257-018 OVERZICHT GEANALYSEERDE LUCHTFOTO'S
Esri Nederland, Community Map Contributors
LEGENDA
Onderzoeksgebied
DATUM: 1 NOVEMBER 2018 PROJECT NR.: 257-018-VO-01 TEKENING NR.: 257-018-TE-04
OPDRACHTGEVER: BURO ONTWERP EN OMGEVING
Source: Esri, DigitalGlobe, GeoEye, Earthstar Geographics, CNES/Airbus DS, USDA, USGS, AeroGRID,
0
100
200
METERS
400
SCHAAL: 1:12.000
/
GETEKEND DOOR: ECG
BEZOEKADRES
Nieuweweg 212 6603 BV Wijchen
POSTADRES
Postbus 332 6500 AH Nijmegen
CONTACTGEGEVENS
E-mail: info@ecg-group.nl Telefoon: 024-6452409
Copyright 2018 Explosive Clearance Group BV
257-018 GEVOLGEN BEVRIJDINGSGEVECHTEN, 29 OKTOBER 1944
Esri Nederland, Community Map Contributors
LEGENDA
Onderzoeksgebied
DATUM: 1 NOVEMBER 2018 PROJECT NR.: 257-018-VO-01 TEKENING NR.: 257-018-TE-05
OPDRACHTGEVER: BURO ONTWERP EN OMGEVING
Source: Esri, DigitalGlobe, GeoEye, Earthstar Geographics, CNES/Airbus DS, USDA, USGS, AeroGRID,
0
50
METERS
100
SCHAAL: 1:2.500
/
GETEKEND DOOR: ECG
BEZOEKADRES
Nieuweweg 212 6603 BV Wijchen
POSTADRES
Postbus 332 6500 AH Nijmegen
CONTACTGEGEVENS
E-mail: info@ecg-group.nl Telefoon: 024-6452409
Copyright 2018 Explosive Clearance Group BV
2.11 OVERZICHT OORLOGSHANDELINGEN UIT LITERATUUR, ARCHIEFMATERIAAL EN LUCHTFOTO’S 2.11.1 OVERZICHTSTABEL INDICATIES MET BETREKKING TOT HET ONDERZOEKSGEBIED In navolgend overzicht zijn de gegevens opgenomen welke zijn achterhaald uit hiervoor opgesomde geraadpleegde literatuur, archieven en luchtopnamen. In de tabel worden de locatie beschrijvingen nader getoetst op verificatie, herleidbaarheid en relevantie tot het onderzoeksgebied. DATUM:
LITERATUUR:
11-05-1940
Nederlandse troepen trokken zich terug uit de PeelRaamstelling naar de westelijke oever van de ZuidWillemsvaart, waaronder bij Veghel. De bruggen over de Zuid-Willemsvaart werden vernield, evenals de brug bij de Hoogstraat over de Aa. Dit leverde veel schade op. Er was veel glasschade en vele gebouwen raakten ook op andere wijzen zwaar of licht beschadigd. Het gebied ten westen van de Zuid-Willemsvaart was niet op verdediging ingericht. Snel werden schuttersputten gemaakt en gevechtsstellingen voor de zware mitrailleurs en voor de 6-veld kanonnen aangelegd. De Nederlandse troepen bleven daarnaast verstoken van artilleriesteun.21 Tweemaal stelde een 6 Veld een Duitse pantserwagen in de Hoofdstraat van Veghel met een voltreffer buiten gevecht.22 Infanterie voorkwam pogingen van het 481. Infanterieregiment om de Zuid-Willemsvaart over te steken.23 De Nederlandse troepen bij Veghel gaven zich gewonnen toen het 456. Infanterieregiment bij Erp het kanaal passeerde.24
NATIONALE ARCHIEVEN
INTERNATIONALE ARCHIEVEN
HERLEIDBAARHEID & RELEVANTIE ONDERZOEKSGEBIED: De indicatie handelt over grondgevechten bij de ZuidWillemsvaart. Deze bevindt zich op geruime afstand van het onderzoeksgebied. Ook de Hoofdstraat, waar twee pantserwagens buiten werking werden gesteld, bevindt zich buiten het onderzoeksgebied. Volgens de zusters vlogen kogels hen om de oren. Er zijn geen gegevens achterhaald die dit bevestigen. Daarnaast zijn er geen aanwijzingen dat de Duitsers die in het Moederhuis verbleven, CE zouden hebben gedumpt. De schade aan het Moederhuis kan worden verklaard door het springen van de burg over de Aa. De indicatie is derhalve niet relevant voor het huidige onderzoek.
Het Tweede Bataljon, 17e Regiment Infanterie verdedigde het stuk ten zuidenwesten van Veghel tot een locatie ter hoogte van de Chrysantenstraat. Ten noorden daarvoor geschiedde de verdediging langs de Zuid-Willemsvaart door het Tweede Bataljon, 2e Regiment Infanterie.25 In Veghel moesten de Zusters Franciscanessen het moederhuis ontvluchten. Zuster Angelina beschreef de gang van zaken: ‘Bij het Kanaal werd flink gevochten na den middag. Ook door den Franciscushof vlogen kogels en het werd raadzaam voor de veiligheid de kelders op te zoeken. Aan den voorgevel van het Moederhuis waren veel ruiten stuk en terwijl wij ons veilig waanden in de onderaardse gewelven trokken de Duitse stoottroepen ons huis binnen, marcheerden door de gangen, wasten zich in het eerste het beste vertrek, dat ze zagen, vielen doodmoe op de bedden van Zusters en kinderen.’ Er werd besloten dat de zusters het moederhuis moesten verlaten. Zuster Gijsbertini zei hierover: ‘Wij trokken door onze tuin 21 F. Govers, Corridor naar het verleden: Veghel een snijpunt in Oost-Brabant 1940-1945 (Hapert 1983) 42-44 22 Ibidem, 53. 23 H. Amstersfoort en P. Kamphuis (red.), Mei 1940. De strijd op Nederland grondgebied (2e herziene druk; Den Haag 2005) 234-235. 24 Ibidem, 235. 25 V.E. Nierstrasz, De verdediging van Noord-Limburg en Noord-Brabant, Mei 1940 (Den Haag 1953) 303; Govers, Corridor naar het verleden, 42.
257-018-VO-01
Pagina 30 van 74
DATUM:
LITERATUUR:
NATIONALE ARCHIEVEN
INTERNATIONALE ARCHIEVEN
HERLEIDBAARHEID & RELEVANTIE ONDERZOEKSGEBIED:
zodat wij bij het St. Josephziekenhuis uitkwamen. De kogels floten over onze hoofden, maar wij liepen gewoon door.’26 Op 16 mei keerden de zusters terug.27 07-08-1942
29-08-1942
28-07-1943
Rond 23.00 uur werd in de buurt van de Lambertuskerk geschoten op een Duitse officier in burger. Een uitvoerig onderzoek leverde niets op.29 Mosquito Mk XD- van het No. 139 Jamaica squadron verongelukt in de Gasthuisstraat te Veghel.30 Mosquito Mk IV DZ458 XD- van het No. 139 squadron om 01.10 uur te Veghel.31 Het verliesregister meldt het verlies met volgnummer T2720 en als locatieomschrijving ‘Veghel (Gasthuisstraat)’.32
Schade-opgave aan het gemeentehuis te Veghel (adres Markt 1) ten gevolge van een bominslag in de nabijheid op deze dag. Er was glasschade.28
Het gemeentehuis te Veghel is herleidbaar tot de omgeving van het onderzoeksgebied. Er zijn geen gegevens aangetroffen die duiden op een bominslag in of direct nabij het onderzoeksgebied. De indicatie is derhalve niet relevant voor het huidige onderzoek. De indicatie is incidenteel van aard en derhalve niet relevant voor het huidige onderzoek.
Om 23.08 uur vertrok een Mosquito met serienummer DZ458, behorende tot het 139 Jamaica Squadron naar Duisburg voor een afleidingsaanval. De Mosquito stortte op 28 juli omstreeks 01.20 uur neer in de Gasthuisstraat, tussen het ziekenhuis en de overweg en de beide bemanningsleden wisten zich met de parachute te redden.35
De locatie bevindt zich buiten het onderzoeksgebied. De indicatie is derhalve niet relevant voor het huidige onderzoek.
Een Mosquito, die om 23.08 uur opsteeg van de basis Wyton met de opdracht tot een aanval op Duisburg, stortte om 02.10 uur neer in de Gasthuisstraat te Veghel. Dit is voor zover bekend het enige toestel dat in de bebouwde kom van Veghel voorkwam. De oorzaak van het ongeluk was onbekend.33