Bijlagen bij regels
Tekst van het document
Bijgebouwen toegestaan
Bijbehorende bouwwerken Bijbehorende bouwwerken in het achtererfgebied
Kavelgrens
Bijgebouwen niet toegestaan (tuin) Zoekgebied voorgevelrooilijn nokrichting 5,8
BOUWREGELS
Afstand Maatvoering in meters Zijde(n) waar kavel ontsloten dient/dienen te worden met inrit Landschappelijke inpassing - houtsingel Landschappelijke inpassing - lage natuurlijke groene haag, maximaal 80 cm
Voor het bouwen van bijbehorende bouwwerken in het achtererfgebied gelden de volgende bepalingen: a. de hoogte van een bijbehorend bouwwerk mag maximaal één bouwlaag bedragen, waarbij de goothoogte maximaal 3,5 m¹ mag bedragen dan wel, wanneer de feitelijke hoogte van de onderste bouwlaag van het hoofdgebouw hoger is, de betreffende hogere maat; b. de maximum bouwhoogte van een bijbehorend bouwwerk mag maximaal 5 m¹ bedragen; c. in afwijking van het bepaalde in sub b. dient de maximum bouwhoogte van een aangebouwd bijbehorend bouwwerk minimaal 1,5 m¹ onder de nok van het hoofdgebouw te liggen; Bijbehorende bouwwerken in het bebouwbaar deel van het zijerf
Voor het bouwen van bijbehorende bouwwerken in het bebouwbaar deel van het zijerf gelden de volgende bepalingen: a. de hoogte van een bijbehorend bouwwerk mag maximaal één bouwlaag bedragen, waarbij de goothoogte maximaal 3,5 m¹ mag bedragen dan wel, wanneer de feitelijke hoogte van de onderste bouwlaag van het hoofdgebouw hoger is, de betreffende hogere maat; b. dakterrassen zijn niet toegestaan; c. voldaan wordt aan de uitgangspunten die in het beeldkwaliteitsplan (bijlage 1 bij de regels) zijn opgenomen;
LE P: E BES EMMINGSPLAN EN E BEELDK ALI EI PLAN ZI N AL I D MAA GEVEND
Bijbehorende Bijbehorende bouwwerken bouwwerken in in het het voorerfgebied voorerfgebied
Bijbehorende bouwwerken in het achtererfgebied
InIn het het voorerfgebied voorerfgebied mogen mogen uitbouwen uitbouwen inin de de vorm vorm van van entrees entrees en en erkers erkers worden worden gebouwd, gebouwd, met met dien dien verstande verstande dat: dat: a. de diepte van een entree en erker maximaal 1,5 m¹ mag bedragen, mits de afstand tot de bouwperceelsgrens minimaal 2 m¹ bedraagt; b. de breedte van een entree maximaal de helft van de breedte van de gevel van het hoofdgebouw mag bedragen, waaraan/-in de entree wordt gesitueerd; c. de breedte van een erker maximaal tweederde van de breedte van de gevel van het hoofdgebouw mag bedragen, waaraan/-in de erker wordt gesitueerd; d. op één hoek van het hoofdgebouw een hoekerker is toegestaan, mits de diepte aan de zijgevel maximaal 1,5 m¹ en de afstand tot de zijdelingse perceelsgrens minimaal 1 m¹ bedraagt; e. de goothoogte van een entree en erker maximaal de hoogte van de begane grondlaag van het hoofdgebouw mag bedragen; f. de bouwhoogte van een entree en erker maximaal de helft van de hoogte van de tweede bouwlaag van het hoofdgebouw mag bedragen; PARKEERPLAATSEN PARKEERPLAATSEN Er Er dienen dienen minimaal minimaal in in 22 parkeerplaatsen parkeerplaatsen op op eigen eigen terrein terrein te te worden worden voorzien.
0
a. De gezamenlijke oppervlakte aan bijbehorende bouwwerken bedraagt per bouwperceel niet meer dan 50 m² PLUS 30% van het deel van het bebouwingsgebied dat groter is dan 100 m², met een maximum van 250 m². b. Met dien verstande dat de oppervlakte van een bijbehorend bouwwerk maximaal 100 m² mag bedragen. c. maximaal 1 carport met een oppervlakte van maximaal 20 m², niet bij de berekening van de gezamenlijke oppervlakte aan bijbehorende bouwwerken in het bebouwingsgebied wordt meegenomen WATERBERGING EIGEN TERREIN
Alvorens de gronden in gebruik genomen worden dient voldaan te worden aan de volgende voorwaarden: a. dient te zijn aangetoond dat de toename van de afvoer van afstromend regenwater gecompenseerd wordt conform de eisen van het waterschap en voorzien is een waterberging met voldoende capaciteit op eigen terrein; b. de compensatie dient tenminste naar evenredigheid van de realisatie van verhardingen gerealiseerd te worden; c. de compensatie bedraagt tenminste 60 mm per m² verharding.
15-02-2023
Versie Datum
PVBE Omschrijving
Ruimte voor Ruimte II CV
10
-+R0KW+-
SR
088 - 3366333 info@kragten.nl www.kragten.nl
Kavelpaspoort Kavel 9
5
KW
Opsteller Par. Verificatie Par. Validatie
Woonlocatie Grote Braeck - Schijndel
Fase ontwerp Formaat A3 Schaal 1: 250 m
-+C0PVBE+-
Projectnr. RVR001-0001 Tekeningnr. 2022-1188 Doc. nr. 15 20
25
-+L0SR+-
Par.
P:\prj100\RVR\001\2_Werk\Ontwerp\VoorlopigOntwerp\Tekeningen\01-Plottekeningen\02 kavelpaspoorten\2022-1188 Kavelpaspoort Kavel 9.dwg
VERKLARING
3,0
P P
5,0
2,0 2,0
5,0
P
P
P
P
3,0
uitgezo nderd
P
3,0
P P
P
P
P
P P
P P
kavel 10
P
P
P
P
P
P
P
P
P
P
P
P
P
P
P
P
P
P
P P P
P
P
P PP
P
P
P
nderd uitgezo
P
1064,4 m²
P P
9.10
P
P
5,0
P
P
P P
P P
5,0
2,0 2,0
5,0
6,0
P
P
P
9.30
P
P
P P
PP
P P
P
P
PP
P PP
P
P
P P
P
6,0
PP
PP
P
P
P
P
PP P P
P
PP
P
3,0
P
Hoofdgebouw
Bouwvlak hoofdgebouw
Voor het bouwen van hoofdgebouwen gelden de volgende bepalingen: a. de goothoogte van hoofdgebouwen mag niet meer bedragen dan 4,5 m1 b. de bouwhoogte van hoofdgebouwen mag niet meer bedragen dan 8 m1 c. de afstand tot de zijdelingse perceelsgrens moet aan beide zijden minimaal 5 m1 bedragen
Bijgebouwen toegestaan
Bijbehorende bouwwerken Bijbehorende bouwwerken in het achtererfgebied
Kavelgrens
Bijgebouwen niet toegestaan (tuin) Zoekgebied voorgevelrooilijn nokrichting 5,8
BOUWREGELS
Afstand Maatvoering in meters Zijde(n) waar kavel ontsloten dient/dienen te worden met inrit Landschappelijke inpassing - houtsingel Landschappelijke inpassing - lage natuurlijke groene haag, maximaal 80 cm
Voor het bouwen van bijbehorende bouwwerken in het achtererfgebied gelden de volgende bepalingen: a. de hoogte van een bijbehorend bouwwerk mag maximaal één bouwlaag bedragen, waarbij de goothoogte maximaal 3,5 m¹ mag bedragen dan wel, wanneer de feitelijke hoogte van de onderste bouwlaag van het hoofdgebouw hoger is, de betreffende hogere maat; b. de maximum bouwhoogte van een bijbehorend bouwwerk mag maximaal 5 m¹ bedragen; c. in afwijking van het bepaalde in sub b. dient de maximum bouwhoogte van een aangebouwd bijbehorend bouwwerk minimaal 1,5 m¹ onder de nok van het hoofdgebouw te liggen; Bijbehorende bouwwerken in het bebouwbaar deel van het zijerf
Voor het bouwen van bijbehorende bouwwerken in het bebouwbaar deel van het zijerf gelden de volgende bepalingen: a. de hoogte van een bijbehorend bouwwerk mag maximaal één bouwlaag bedragen, waarbij de goothoogte maximaal 3,5 m¹ mag bedragen dan wel, wanneer de feitelijke hoogte van de onderste bouwlaag van het hoofdgebouw hoger is, de betreffende hogere maat; b. dakterrassen zijn niet toegestaan; c. voldaan wordt aan de uitgangspunten die in het beeldkwaliteitsplan (bijlage 1 bij de regels) zijn opgenomen;
LE P: E BES EMMINGSPLAN EN E BEELDK ALI EI PLAN ZI N AL I D MAA GEVEND
Bijbehorende Bijbehorende bouwwerken bouwwerken in in het het voorerfgebied voorerfgebied
Bijbehorende bouwwerken in het achtererfgebied
InIn het het voorerfgebied voorerfgebied mogen mogen uitbouwen uitbouwen inin de de vorm vorm van van entrees entrees en en erkers erkers worden worden gebouwd, gebouwd, met met dien dien verstande verstande dat: dat: a. de diepte van een entree en erker maximaal 1,5 m¹ mag bedragen, mits de afstand tot de bouwperceelsgrens minimaal 2 m¹ bedraagt; b. de breedte van een entree maximaal de helft van de breedte van de gevel van het hoofdgebouw mag bedragen, waaraan/-in de entree wordt gesitueerd; c. de breedte van een erker maximaal tweederde van de breedte van de gevel van het hoofdgebouw mag bedragen, waaraan/-in de erker wordt gesitueerd; d. op één hoek van het hoofdgebouw een hoekerker is toegestaan, mits de diepte aan de zijgevel maximaal 1,5 m¹ en de afstand tot de zijdelingse perceelsgrens minimaal 1 m¹ bedraagt; e. de goothoogte van een entree en erker maximaal de hoogte van de begane grondlaag van het hoofdgebouw mag bedragen; f. de bouwhoogte van een entree en erker maximaal de helft van de hoogte van de tweede bouwlaag van het hoofdgebouw mag bedragen; PARKEERPLAATSEN PARKEERPLAATSEN Er Er dienen dienen minimaal minimaal in in 22 parkeerplaatsen parkeerplaatsen op op eigen eigen terrein terrein te te worden worden voorzien.
0
a. De gezamenlijke oppervlakte aan bijbehorende bouwwerken bedraagt per bouwperceel niet meer dan 50 m² PLUS 30% van het deel van het bebouwingsgebied dat groter is dan 100 m², met een maximum van 250 m². b. Met dien verstande dat de oppervlakte van een bijbehorend bouwwerk maximaal 100 m² mag bedragen. c. maximaal 1 carport met een oppervlakte van maximaal 20 m², niet bij de berekening van de gezamenlijke oppervlakte aan bijbehorende bouwwerken in het bebouwingsgebied wordt meegenomen WATERBERGING EIGEN TERREIN
Alvorens de gronden in gebruik genomen worden dient voldaan te worden aan de volgende voorwaarden: a. dient te zijn aangetoond dat de toename van de afvoer van afstromend regenwater gecompenseerd wordt conform de eisen van het waterschap en voorzien is een waterberging met voldoende capaciteit op eigen terrein; b. de compensatie dient tenminste naar evenredigheid van de realisatie van verhardingen gerealiseerd te worden; c. de compensatie bedraagt tenminste 60 mm per m² verharding.
15-02-2023
Versie Datum
PVBE Omschrijving
Ruimte voor Ruimte II CV
10
-+R0KW+-
SR
088 - 3366333 info@kragten.nl www.kragten.nl
Kavelpaspoort Kavel 10
5
KW
Opsteller Par. Verificatie Par. Validatie
Woonlocatie Grote Braeck - Schijndel
Fase ontwerp Formaat A3 Schaal 1: 250 m
-+C0PVBE+-
Projectnr. RVR001-0001 Tekeningnr. 2022-1189 Doc. nr. 15 20
25
-+L0SR+-
Par.
P:\prj100\RVR\001\2_Werk\Ontwerp\VoorlopigOntwerp\Tekeningen\01-Plottekeningen\02 kavelpaspoorten\2022-1189 Kavelpaspoort Kavel 10.dwg
VERKLARING
3,0
P P
5,0
2,0 2,0
5,0
PP
P
P
P
3,0 2,0 2,0
5,0
6,0
uitgezo
P
P
P
3,0
P P
5,0
nderd
P P
P P
kavel 11
P
P
P
P
P
P
P
P
P
P
P
P
P
P
P
P
P
P
P P P
P
P
P PP
P
P
P
nderd uitgezo
P
1052,1 m²
P P
9.10
P
P
P
P P
5,0
P
P
P P
P P
P
9.30
P
P
P P
PP
P P
P
P
PP
P PP
P
P
P P
P
P
P P
6,0
PP
PP
P
PP P P
P
PP
P PP
3,0
Hoofdgebouw
Bouwvlak hoofdgebouw
Voor het bouwen van hoofdgebouwen gelden de volgende bepalingen: a. de goothoogte van hoofdgebouwen mag niet meer bedragen dan 4,5 m1 b. de bouwhoogte van hoofdgebouwen mag niet meer bedragen dan 8 m1 c. de afstand tot de zijdelingse perceelsgrens moet aan beide zijden minimaal 5 m1 bedragen
Bijgebouwen toegestaan
Bijbehorende bouwwerken Bijbehorende bouwwerken in het achtererfgebied
Kavelgrens
Bijgebouwen niet toegestaan (tuin) Zoekgebied voorgevelrooilijn nokrichting 5,8
BOUWREGELS
Afstand Maatvoering in meters Zijde(n) waar kavel ontsloten dient/dienen te worden met inrit Landschappelijke inpassing - houtsingel Landschappelijke inpassing - lage natuurlijke groene haag, maximaal 80 cm
Voor het bouwen van bijbehorende bouwwerken in het achtererfgebied gelden de volgende bepalingen: a. de hoogte van een bijbehorend bouwwerk mag maximaal één bouwlaag bedragen, waarbij de goothoogte maximaal 3,5 m¹ mag bedragen dan wel, wanneer de feitelijke hoogte van de onderste bouwlaag van het hoofdgebouw hoger is, de betreffende hogere maat; b. de maximum bouwhoogte van een bijbehorend bouwwerk mag maximaal 5 m¹ bedragen; c. in afwijking van het bepaalde in sub b. dient de maximum bouwhoogte van een aangebouwd bijbehorend bouwwerk minimaal 1,5 m¹ onder de nok van het hoofdgebouw te liggen; Bijbehorende bouwwerken in het bebouwbaar deel van het zijerf
Voor het bouwen van bijbehorende bouwwerken in het bebouwbaar deel van het zijerf gelden de volgende bepalingen: a. de hoogte van een bijbehorend bouwwerk mag maximaal één bouwlaag bedragen, waarbij de goothoogte maximaal 3,5 m¹ mag bedragen dan wel, wanneer de feitelijke hoogte van de onderste bouwlaag van het hoofdgebouw hoger is, de betreffende hogere maat; b. dakterrassen zijn niet toegestaan; c. voldaan wordt aan de uitgangspunten die in het beeldkwaliteitsplan (bijlage 1 bij de regels) zijn opgenomen;
LE P: E BES EMMINGSPLAN EN E BEELDK ALI EI PLAN ZI N AL I D MAA GEVEND
Bijbehorende Bijbehorende bouwwerken bouwwerken in in het het voorerfgebied voorerfgebied
Bijbehorende bouwwerken in het achtererfgebied
InIn het het voorerfgebied voorerfgebied mogen mogen uitbouwen uitbouwen inin de de vorm vorm van van entrees entrees en en erkers erkers worden worden gebouwd, gebouwd, met met dien dien verstande verstande dat: dat: a. de diepte van een entree en erker maximaal 1,5 m¹ mag bedragen, mits de afstand tot de bouwperceelsgrens minimaal 2 m¹ bedraagt; b. de breedte van een entree maximaal de helft van de breedte van de gevel van het hoofdgebouw mag bedragen, waaraan/-in de entree wordt gesitueerd; c. de breedte van een erker maximaal tweederde van de breedte van de gevel van het hoofdgebouw mag bedragen, waaraan/-in de erker wordt gesitueerd; d. op één hoek van het hoofdgebouw een hoekerker is toegestaan, mits de diepte aan de zijgevel maximaal 1,5 m¹ en de afstand tot de zijdelingse perceelsgrens minimaal 1 m¹ bedraagt; e. de goothoogte van een entree en erker maximaal de hoogte van de begane grondlaag van het hoofdgebouw mag bedragen; f. de bouwhoogte van een entree en erker maximaal de helft van de hoogte van de tweede bouwlaag van het hoofdgebouw mag bedragen; PARKEERPLAATSEN PARKEERPLAATSEN Er Er dienen dienen minimaal minimaal in in 22 parkeerplaatsen parkeerplaatsen op op eigen eigen terrein terrein te te worden worden voorzien.
0
a. De gezamenlijke oppervlakte aan bijbehorende bouwwerken bedraagt per bouwperceel niet meer dan 50 m² PLUS 30% van het deel van het bebouwingsgebied dat groter is dan 100 m², met een maximum van 250 m². b. Met dien verstande dat de oppervlakte van een bijbehorend bouwwerk maximaal 100 m² mag bedragen. c. maximaal 1 carport met een oppervlakte van maximaal 20 m², niet bij de berekening van de gezamenlijke oppervlakte aan bijbehorende bouwwerken in het bebouwingsgebied wordt meegenomen WATERBERGING EIGEN TERREIN
Alvorens de gronden in gebruik genomen worden dient voldaan te worden aan de volgende voorwaarden: a. dient te zijn aangetoond dat de toename van de afvoer van afstromend regenwater gecompenseerd wordt conform de eisen van het waterschap en voorzien is een waterberging met voldoende capaciteit op eigen terrein; b. de compensatie dient tenminste naar evenredigheid van de realisatie van verhardingen gerealiseerd te worden; c. de compensatie bedraagt tenminste 60 mm per m² verharding.
15-02-2023
Versie Datum
PVBE Omschrijving
Ruimte voor Ruimte II CV
10
-+R0KW+-
SR
088 - 3366333 info@kragten.nl www.kragten.nl
Kavelpaspoort Kavel 11
5
KW
Opsteller Par. Verificatie Par. Validatie
Woonlocatie Grote Braeck - Schijndel
Fase ontwerp Formaat A3 Schaal 1: 250 m
-+C0PVBE+-
Projectnr. RVR001-0001 Tekeningnr. 2022-1190 Doc. nr. 15 20
25
-+L0SR+-
Par.
P:\prj100\RVR\001\2_Werk\Ontwerp\VoorlopigOntwerp\Tekeningen\01-Plottekeningen\02 kavelpaspoorten\2022-1190 Kavelpaspoort Kavel 11.dwg
VERKLARING
3,0
P P
5,0
2,0 2,0
5,0
P
P
P
P
3,0 2,0 2,0
5,0
6,0
uitgezo
P
P
P
3,0
P P
5,0
nderd
P P
P P
kavel 12
P
P
P
P
P
P
P
P
P
P
P
P
P
P
P
P
P
P
P P P
P
P
P PP
P
P
P
nderd uitgezo
P
1031,0 m²
P P
9.10
P
P
P
P
5,0
P
P
P P
P P
P
P
9.30
P
P
P P
PP
P P
P
P
PP
P PP
P
P
P P
P
P
P P
6,0
PP
PP
P
PP P P
P
PP
P PP
3,0 BOUWREGELS
VERKLARING
Bouwvlak hoofdgebouw
Voor het bouwen van hoofdgebouwen gelden de volgende bepalingen: a. de goothoogte van hoofdgebouwen mag niet meer bedragen dan 4,5 m1 b. de bouwhoogte van hoofdgebouwen mag niet meer bedragen dan 8 m1 c. de afstand tot de zijdelingse perceelsgrens moet aan beide zijden minimaal 5 m1 bedragen
Bijgebouwen toegestaan
Bijbehorende bouwwerken Bijbehorende bouwwerken in het achtererfgebied
Kavelgrens
Bijgebouwen niet toegestaan (tuin) Zoekgebied voorgevelrooilijn nokrichting 5,8
Hoofdgebouw
Afstand Maatvoering in meters Zijde(n) waar kavel ontsloten dient/dienen te worden met inrit Landschappelijke inpassing - houtsingel Landschappelijke inpassing - lage natuurlijke groene haag, maximaal 80 cm
Voor het bouwen van bijbehorende bouwwerken in het achtererfgebied gelden de volgende bepalingen: a. de hoogte van een bijbehorend bouwwerk mag maximaal één bouwlaag bedragen, waarbij de goothoogte maximaal 3,5 m¹ mag bedragen dan wel, wanneer de feitelijke hoogte van de onderste bouwlaag van het hoofdgebouw hoger is, de betreffende hogere maat; b. de maximum bouwhoogte van een bijbehorend bouwwerk mag maximaal 5 m¹ bedragen; c. in afwijking van het bepaalde in sub b. dient de maximum bouwhoogte van een aangebouwd bijbehorend bouwwerk minimaal 1,5 m¹ onder de nok van het hoofdgebouw te liggen; Bijbehorende bouwwerken in het bebouwbaar deel van het zijerf
Voor het bouwen van bijbehorende bouwwerken in het bebouwbaar deel van het zijerf gelden de volgende bepalingen: a. de hoogte van een bijbehorend bouwwerk mag maximaal één bouwlaag bedragen, waarbij de goothoogte maximaal 3,5 m¹ mag bedragen dan wel, wanneer de feitelijke hoogte van de onderste bouwlaag van het hoofdgebouw hoger is, de betreffende hogere maat; b. dakterrassen zijn niet toegestaan; c. voldaan wordt aan de uitgangspunten die in het beeldkwaliteitsplan (bijlage 1 bij de regels) zijn opgenomen;
LE P: E BES EMMINGSPLAN EN E BEELDK ALI EI PLAN ZI N AL I D MAA GEVEND
Bijbehorende Bijbehorende bouwwerken bouwwerken in in het het voorerfgebied voorerfgebied
Bijbehorende bouwwerken in het achtererfgebied
InIn het het voorerfgebied voorerfgebied mogen mogen uitbouwen uitbouwen inin de de vorm vorm van van entrees entrees en en erkers erkers worden worden gebouwd, gebouwd, met met dien dien verstande verstande dat: dat: a. de diepte van een entree en erker maximaal 1,5 m¹ mag bedragen, mits de afstand tot de bouwperceelsgrens minimaal 2 m¹ bedraagt; b. de breedte van een entree maximaal de helft van de breedte van de gevel van het hoofdgebouw mag bedragen, waaraan/-in de entree wordt gesitueerd; c. de breedte van een erker maximaal tweederde van de breedte van de gevel van het hoofdgebouw mag bedragen, waaraan/-in de erker wordt gesitueerd; d. op één hoek van het hoofdgebouw een hoekerker is toegestaan, mits de diepte aan de zijgevel maximaal 1,5 m¹ en de afstand tot de zijdelingse perceelsgrens minimaal 1 m¹ bedraagt; e. de goothoogte van een entree en erker maximaal de hoogte van de begane grondlaag van het hoofdgebouw mag bedragen; f. de bouwhoogte van een entree en erker maximaal de helft van de hoogte van de tweede bouwlaag van het hoofdgebouw mag bedragen; PARKEERPLAATSEN PARKEERPLAATSEN Er Er dienen dienen minimaal minimaal in in 22 parkeerplaatsen parkeerplaatsen op op eigen eigen terrein terrein te te worden worden voorzien.
0
a. De gezamenlijke oppervlakte aan bijbehorende bouwwerken bedraagt per bouwperceel niet meer dan 50 m² PLUS 30% van het deel van het bebouwingsgebied dat groter is dan 100 m², met een maximum van 250 m². b. Met dien verstande dat de oppervlakte van een bijbehorend bouwwerk maximaal 100 m² mag bedragen. c. maximaal 1 carport met een oppervlakte van maximaal 20 m², niet bij de berekening van de gezamenlijke oppervlakte aan bijbehorende bouwwerken in het bebouwingsgebied wordt meegenomen WATERBERGING EIGEN TERREIN
Alvorens de gronden in gebruik genomen worden dient voldaan te worden aan de volgende voorwaarden: a. dient te zijn aangetoond dat de toename van de afvoer van afstromend regenwater gecompenseerd wordt conform de eisen van het waterschap en voorzien is een waterberging met voldoende capaciteit op eigen terrein; b. de compensatie dient tenminste naar evenredigheid van de realisatie van verhardingen gerealiseerd te worden; c. de compensatie bedraagt tenminste 60 mm per m² verharding.
15-02-2023
Versie Datum
PVBE Omschrijving
Ruimte voor Ruimte II CV
10
-+R0KW+-
SR
088 - 3366333 info@kragten.nl www.kragten.nl
Kavelpaspoort Kavel 12
5
KW
Opsteller Par. Verificatie Par. Validatie
Woonlocatie Grote Braeck - Schijndel
Fase ontwerp Formaat A3 Schaal 1: 250 m
-+C0PVBE+-
Projectnr. RVR001-0001 Tekeningnr. 2022-1191 Doc. nr. 15 20
25
-+L0SR+-
Par.
P:\prj100\RVR\001\2_Werk\Ontwerp\VoorlopigOntwerp\Tekeningen\01-Plottekeningen\02 kavelpaspoorten\2022-1191 Kavelpaspoort Kavel 12.dwg
P
3,0
5,0
2,0 2,0
5,0
P
3,0
P
P
P
2,0 2,0
5,0 5,0
P P
uitgezo nderd
P P
P
P
P
P P
P P
P
P
P
P
P
P
P
P
P
P
P
P
P
P
P
P
P
P
P
1223,6 m²
kavel 13
P
P
P P
5,0
P
P
P
P
P
P
nderd uitgezo
P
PP
P
P P
P P
9.10
P
P
P
P
P
9.30
P
P
P
P
PP
P
P
P
6,0
P
PP
P PP
P
P
P P
P
P
P P
5,0
P
PP P P
PP
P P
PP
P
3,0
3,0
3,3
PP
PP
VERKLARING Kavelgrens Bouwvlak hoofdgebouw Bijgebouwen toegestaan Bijgebouwen niet toegestaan (tuin) Zoekgebied voorgevelrooilijn nokrichting Oriëntatie voorgevel (bij dubbel georiënteerde hoekwoning) 5,8
Afstand Maatvoering in meters Zijde(n) waar kavel ontsloten dient/dienen te worden met inrit Landschappelijke inpassing - hoge natuurlijke groene haag Landschappelijke inpassing - lage natuurlijke groene haag, maximaal 80 cm
Hoofdgebouw
Voor het bouwen van hoofdgebouwen gelden de volgende bepalingen: a. de goothoogte van hoofdgebouwen mag niet meer bedragen dan 4,5 m1 b. de bouwhoogte van hoofdgebouwen mag niet meer bedragen dan 8 m1 c. de afstand tot de zijdelingse perceelsgrens moet aan beide zijden minimaal 5 m1 bedragen Bijbehorende bouwwerken Bijbehorende bouwwerken in het achtererfgebied
Voor het bouwen van bijbehorende bouwwerken in het achtererfgebied gelden de volgende bepalingen: a. de hoogte van een bijbehorend bouwwerk mag maximaal één bouwlaag bedragen, waarbij de goothoogte maximaal 3,5 m¹ mag bedragen dan wel, wanneer de feitelijke hoogte van de onderste bouwlaag van het hoofdgebouw hoger is, de betreffende hogere maat; b. de maximum bouwhoogte van een bijbehorend bouwwerk mag maximaal 5 m¹ bedragen; c. in afwijking van het bepaalde in sub b. dient de maximum bouwhoogte van een aangebouwd bijbehorend bouwwerk minimaal 1,5 m¹ onder de nok van het hoofdgebouw te liggen; Bijbehorende bouwwerken in het bebouwbaar deel van het zijerf
Voor het bouwen van bijbehorende bouwwerken in het bebouwbaar deel van het zijerf gelden de volgende bepalingen: a. de hoogte van een bijbehorend bouwwerk mag maximaal één bouwlaag bedragen, waarbij de goothoogte maximaal 3,5 m¹ mag bedragen dan wel, wanneer de feitelijke hoogte van de onderste bouwlaag van het hoofdgebouw hoger is, de betreffende hogere maat; b. dakterrassen zijn niet toegestaan; c. voldaan wordt aan de uitgangspunten die in het beeldkwaliteitsplan (bijlage 1 bij de regels) zijn opgenomen;
LE OP: E BES EMMINGSPLAN EN E BEELDK ALI EI PLAN ZI N AL I D MAA GEVEND
Bijbehorende Bijbehorende bouwwerken bouwwerken in in het het voorerfgebied voorerfgebied
Bijbehorende bouwwerken in het achtererfgebied
InIn het het voorerfgebied voorerfgebied mogen mogen uitbouwen uitbouwen inin de de vorm vorm van van entrees entrees en en erkers erkers worden worden gebouwd, gebouwd, met met dien dien verstande verstande dat: dat: a. de diepte van een entree en erker maximaal 1,5 m¹ mag bedragen, mits de afstand tot de bouwperceelsgrens minimaal 2 m¹ bedraagt; b. de breedte van een entree maximaal de helft van de breedte van de gevel van het hoofdgebouw mag bedragen, waaraan/-in de entree wordt gesitueerd; c. de breedte van een erker maximaal tweederde van de breedte van de gevel van het hoofdgebouw mag bedragen, waaraan/-in de erker wordt gesitueerd; d. op één hoek van het hoofdgebouw een hoekerker is toegestaan, mits de diepte aan de zijgevel maximaal 1,5 m¹ en de afstand tot de zijdelingse perceelsgrens minimaal 1 m¹ bedraagt; e. de goothoogte van een entree en erker maximaal de hoogte van de begane grondlaag van het hoofdgebouw mag bedragen; f. de bouwhoogte van een entree en erker maximaal de helft van de hoogte van de tweede bouwlaag van het hoofdgebouw mag bedragen; PARKEERPLAATSEN PARKEERPLAATSEN Er Er dienen dienen minimaal minimaal in in 22 parkeerplaatsen parkeerplaatsen op op eigen eigen terrein terrein te te worden worden voorzien.
0
a. De gezamenlijke oppervlakte aan bijbehorende bouwwerken bedraagt per bouwperceel niet meer dan 50 m² PLUS 30% van het deel van het bebouwingsgebied dat groter is dan 100 m², met een maximum van 250 m². b. Met dien verstande dat de oppervlakte van een bijbehorend bouwwerk maximaal 100 m² mag bedragen. c. maximaal 1 carport met een oppervlakte van maximaal 20 m², niet bij de berekening van de gezamenlijke oppervlakte aan bijbehorende bouwwerken in het bebouwingsgebied wordt meegenomen WATERBERGING EIGEN TERREIN
Alvorens de gronden in gebruik genomen worden dient voldaan te worden aan de volgende voorwaarden: a. dient te zijn aangetoond dat de toename van de afvoer van afstromend regenwater gecompenseerd wordt conform de eisen van het waterschap en voorzien is een waterberging met voldoende capaciteit op eigen terrein; b. de compensatie dient tenminste naar evenredigheid van de realisatie van verhardingen gerealiseerd te worden; c. de compensatie bedraagt tenminste 60 mm per m² verharding.
15-02-2023
Versie Datum
PVBE Omschrijving
Ruimte voor Ruimte II CV
10
-+R0KW+-
SR
088 - 3366333 info@kragten.nl www.kragten.nl
Kavelpaspoort Kavel 13
5
KW
Opsteller Par. Verificatie Par. Validatie
Woonlocatie Grote Braeck - Schijndel
Fase ontwerp Formaat A3 Schaal 1: 250 m
-+C0PVBE+-
Projectnr. RVR001-0001 Tekeningnr. 2022-1192 Doc. nr. 15 20
25
-+L0SR+-
Par.
P:\prj100\RVR\001\2_Werk\Ontwerp\VoorlopigOntwerp\Tekeningen\01-Plottekeningen\02 kavelpaspoorten\2022-1192 Kavelpaspoort Kavel 13.dwg
BOUWREGELS
P P
P
3,0
nderd
P P
5,0
2,0
uitgezo
P
P
6,0
P
P
P P
P P
P
P
P
P
P
P
P
P
P
P
P
P
P
P
P
P
P
P
P P
P
P
P
P
P
P
nderd uitgezo
P
PP
P
P P
P P
866,6 m²
kavel 14
P
P
9.10
P
P
P
P
P
9.30
P
P
P P
PP
P P
P
P
PP
P PP
P
P
P P
P P
P
P
P
PP
PP
P P
3,0
3,0
2,0 2,0
5,0
P
BOUWREGELS
5,0
Hoofdgebouw
Kavelgrens Bouwvlak hoofdgebouw Bijgebouwen toegestaan Bijgebouwen niet toegestaan (tuin) Zoekgebied voorgevelrooilijn Verplichte voorgevelrooilijn nokrichting
Voor het bouwen van hoofdgebouwen gelden de volgende bepalingen: a. de goothoogte van hoofdgebouwen mag niet meer bedragen dan 4,5 m1 b. de bouwhoogte van hoofdgebouwen mag niet meer bedragen dan 8 m1 c. de afstand tot de zijdelingse perceelsgrens moet aan beide zijden minimaal 5 m1 bedragen Bijbehorende bouwwerken Bijbehorende bouwwerken in het achtererfgebied
Voor het bouwen van bijbehorende bouwwerken in het achtererfgebied gelden de volgende bepalingen: a. de hoogte van een bijbehorend bouwwerk mag maximaal één bouwlaag bedragen, waarbij de goothoogte maximaal 3,5 m¹ mag bedragen dan wel, wanneer de feitelijke hoogte van de onderste bouwlaag van het hoofdgebouw hoger is, de betreffende hogere maat; b. de maximum bouwhoogte van een bijbehorend bouwwerk mag maximaal 5 m¹ bedragen; c. in afwijking van het bepaalde in sub b. dient de maximum bouwhoogte van een aangebouwd bijbehorend bouwwerk minimaal 1,5 m¹ onder de nok van het hoofdgebouw te liggen;
Oriëntatie voorgevel (bij dubbel georiënteerde hoekwoning) Bijbehorende bouwwerken in het bebouwbaar deel van het zijerf
Afstand Maatvoering in meters Zijde(n) waar kavel ontsloten dient/dienen te worden met inrit Landschappelijke inpassing - watergang Landschappelijke inpassing - hoge natuurlijke groene haag Landschappelijke inpassing - lage natuurlijke groene haag, maximaal 80 cm
Voor het bouwen van bijbehorende bouwwerken in het bebouwbaar deel van het zijerf gelden de volgende bepalingen: a. de hoogte van een bijbehorend bouwwerk mag maximaal één bouwlaag bedragen, waarbij de goothoogte maximaal 3,5 m¹ mag bedragen dan wel, wanneer de feitelijke hoogte van de onderste bouwlaag van het hoofdgebouw hoger is, de betreffende hogere maat; b. dakterrassen zijn niet toegestaan; c. voldaan wordt aan de uitgangspunten die in het beeldkwaliteitsplan (bijlage 1 bij de regels) zijn opgenomen;
LE OP: E BES EMMINGSPLAN EN E BEELDK ALI EI PLAN ZI N AL I D MAA GEVEND
Bijbehorende Bijbehorende bouwwerken bouwwerken in in het het voorerfgebied voorerfgebied
Bijbehorende bouwwerken in het achtererfgebied
InIn het het voorerfgebied voorerfgebied mogen mogen uitbouwen uitbouwen inin de de vorm vorm van van entrees entrees en en erkers erkers worden worden gebouwd, gebouwd, met met dien dien verstande verstande dat: dat: a. de diepte van een entree en erker maximaal 1,5 m¹ mag bedragen, mits de afstand tot de bouwperceelsgrens minimaal 2 m¹ bedraagt; b. de breedte van een entree maximaal de helft van de breedte van de gevel van het hoofdgebouw mag bedragen, waaraan/-in de entree wordt gesitueerd; c. de breedte van een erker maximaal tweederde van de breedte van de gevel van het hoofdgebouw mag bedragen, waaraan/-in de erker wordt gesitueerd; d. op één hoek van het hoofdgebouw een hoekerker is toegestaan, mits de diepte aan de zijgevel maximaal 1,5 m¹ en de afstand tot de zijdelingse perceelsgrens minimaal 1 m¹ bedraagt; e. de goothoogte van een entree en erker maximaal de hoogte van de begane grondlaag van het hoofdgebouw mag bedragen; f. de bouwhoogte van een entree en erker maximaal de helft van de hoogte van de tweede bouwlaag van het hoofdgebouw mag bedragen; PARKEERPLAATSEN PARKEERPLAATSEN Er Er dienen dienen minimaal minimaal in in 22 parkeerplaatsen parkeerplaatsen op op eigen eigen terrein terrein te te worden worden voorzien.
0
a. De gezamenlijke oppervlakte aan bijbehorende bouwwerken bedraagt per bouwperceel niet meer dan 50 m² PLUS 30% van het deel van het bebouwingsgebied dat groter is dan 100 m², met een maximum van 250 m². b. Met dien verstande dat de oppervlakte van een bijbehorend bouwwerk maximaal 100 m² mag bedragen. c. maximaal 1 carport met een oppervlakte van maximaal 20 m², niet bij de berekening van de gezamenlijke oppervlakte aan bijbehorende bouwwerken in het bebouwingsgebied wordt meegenomen WATERBERGING EIGEN TERREIN
Alvorens de gronden in gebruik genomen worden dient voldaan te worden aan de volgende voorwaarden: a. dient te zijn aangetoond dat de toename van de afvoer van afstromend regenwater gecompenseerd wordt conform de eisen van het waterschap en voorzien is een waterberging met voldoende capaciteit op eigen terrein; b. de compensatie dient tenminste naar evenredigheid van de realisatie van verhardingen gerealiseerd te worden; c. de compensatie bedraagt tenminste 60 mm per m² verharding.
15-02-2023
Versie Datum
PVBE Omschrijving
Ruimte voor Ruimte II CV
10
-+R0KW+-
SR
088 - 3366333 info@kragten.nl www.kragten.nl
Kavelpaspoort Kavel 14
5
KW
Opsteller Par. Verificatie Par. Validatie
Woonlocatie Grote Braeck - Schijndel
Fase ontwerp Formaat A3 Schaal 1: 250 m
-+C0PVBE+-
Projectnr. RVR001-0001 Tekeningnr. 2022-1193 Doc. nr. 15 20
25
-+L0SR+-
Par.
P:\prj100\RVR\001\2_Werk\Ontwerp\VoorlopigOntwerp\Tekeningen\01-Plottekeningen\02 kavelpaspoorten\2022-1193 Kavelpaspoort Kavel 14.dwg
5,0
P P P P
P P PP
VERKLARING
5,8
PP
PP
3,0 3,0
5,0
2,0
P
P
P
2,0
5,0
P P P P
uitgezo nderd
P P
P
P
P
P
P P
P P
P
P
P
P
P
P
P
P
P
P
P
P
P
P
P
P
P
P
P P
P
P
P
P
P
P
nderd uitgezo
P
PP
P
P P
P P
846,1 m²
kavel 15
P
P
9.10
P
P
P
P
5,0
P
9.30
P
P
P P
PP
P P
P
P
PP
P PP
PP
P
P
P
PP
P
P P
P
P
P
PP P P
P
PP
P PP
Bouwvlak hoofdgebouw Bijgebouwen toegestaan Bijgebouwen niet toegestaan (tuin) Zoekgebied voorgevelrooilijn nokrichting Afstand Maatvoering in meters Zijde(n) waar kavel ontsloten dient/dienen te worden met inrit Landschappelijke inpassing - watergang Landschappelijke inpassing - houtsingel Landschappelijke inpassing - lage natuurlijke groene haag, maximaal 80 cm
BOUWREGELS Hoofdgebouw
Voor het bouwen van hoofdgebouwen gelden de volgende bepalingen: a. de goothoogte van hoofdgebouwen mag niet meer bedragen dan 4,5 m1 b. de bouwhoogte van hoofdgebouwen mag niet meer bedragen dan 8 m1 c. de afstand tot de zijdelingse perceelsgrens moet aan beide zijden minimaal 5 m1 bedragen Bijbehorende bouwwerken Bijbehorende bouwwerken in het achtererfgebied
Voor het bouwen van bijbehorende bouwwerken in het achtererfgebied gelden de volgende bepalingen: a. de hoogte van een bijbehorend bouwwerk mag maximaal één bouwlaag bedragen, waarbij de goothoogte maximaal 3,5 m¹ mag bedragen dan wel, wanneer de feitelijke hoogte van de onderste bouwlaag van het hoofdgebouw hoger is, de betreffende hogere maat; b. de maximum bouwhoogte van een bijbehorend bouwwerk mag maximaal 5 m¹ bedragen; c. in afwijking van het bepaalde in sub b. dient de maximum bouwhoogte van een aangebouwd bijbehorend bouwwerk minimaal 1,5 m¹ onder de nok van het hoofdgebouw te liggen; Bijbehorende bouwwerken in het bebouwbaar deel van het zijerf
Voor het bouwen van bijbehorende bouwwerken in het bebouwbaar deel van het zijerf gelden de volgende bepalingen: a. de hoogte van een bijbehorend bouwwerk mag maximaal één bouwlaag bedragen, waarbij de goothoogte maximaal 3,5 m¹ mag bedragen dan wel, wanneer de feitelijke hoogte van de onderste bouwlaag van het hoofdgebouw hoger is, de betreffende hogere maat; b. dakterrassen zijn niet toegestaan; c. voldaan wordt aan de uitgangspunten die in het beeldkwaliteitsplan (bijlage 1 bij de regels) zijn opgenomen;
LE P: E BES EMMINGSPLAN EN E BEELDK ALI EI PLAN ZI N AL I D MAA GEVEND
Bijbehorende Bijbehorende bouwwerken bouwwerken in in het het voorerfgebied voorerfgebied
Bijbehorende bouwwerken in het achtererfgebied
InIn het het voorerfgebied voorerfgebied mogen mogen uitbouwen uitbouwen inin de de vorm vorm van van entrees entrees en en erkers erkers worden worden gebouwd, gebouwd, met met dien dien verstande verstande dat: dat: a. de diepte van een entree en erker maximaal 1,5 m¹ mag bedragen, mits de afstand tot de bouwperceelsgrens minimaal 2 m¹ bedraagt; b. de breedte van een entree maximaal de helft van de breedte van de gevel van het hoofdgebouw mag bedragen, waaraan/-in de entree wordt gesitueerd; c. de breedte van een erker maximaal tweederde van de breedte van de gevel van het hoofdgebouw mag bedragen, waaraan/-in de erker wordt gesitueerd; d. op één hoek van het hoofdgebouw een hoekerker is toegestaan, mits de diepte aan de zijgevel maximaal 1,5 m¹ en de afstand tot de zijdelingse perceelsgrens minimaal 1 m¹ bedraagt; e. de goothoogte van een entree en erker maximaal de hoogte van de begane grondlaag van het hoofdgebouw mag bedragen; f. de bouwhoogte van een entree en erker maximaal de helft van de hoogte van de tweede bouwlaag van het hoofdgebouw mag bedragen; PARKEERPLAATSEN PARKEERPLAATSEN Er Er dienen dienen minimaal minimaal in in 22 parkeerplaatsen parkeerplaatsen op op eigen eigen terrein terrein te te worden worden voorzien.
0
a. De gezamenlijke oppervlakte aan bijbehorende bouwwerken bedraagt per bouwperceel niet meer dan 50 m² PLUS 30% van het deel van het bebouwingsgebied dat groter is dan 100 m², met een maximum van 250 m². b. Met dien verstande dat de oppervlakte van een bijbehorend bouwwerk maximaal 100 m² mag bedragen. c. maximaal 1 carport met een oppervlakte van maximaal 20 m², niet bij de berekening van de gezamenlijke oppervlakte aan bijbehorende bouwwerken in het bebouwingsgebied wordt meegenomen WATERBERGING EIGEN TERREIN
Alvorens de gronden in gebruik genomen worden dient voldaan te worden aan de volgende voorwaarden: a. dient te zijn aangetoond dat de toename van de afvoer van afstromend regenwater gecompenseerd wordt conform de eisen van het waterschap en voorzien is een waterberging met voldoende capaciteit op eigen terrein; b. de compensatie dient tenminste naar evenredigheid van de realisatie van verhardingen gerealiseerd te worden; c. de compensatie bedraagt tenminste 60 mm per m² verharding.
15-02-2023
Versie Datum
PVBE Omschrijving
Ruimte voor Ruimte II CV
10
-+R0KW+-
SR
088 - 3366333 info@kragten.nl www.kragten.nl
Kavelpaspoort Kavel 15
5
KW
Opsteller Par. Verificatie Par. Validatie
Woonlocatie Grote Braeck - Schijndel
Fase ontwerp Formaat A3 Schaal 1: 250 m
-+C0PVBE+-
Projectnr. RVR001-0001 Tekeningnr. 2022-1194 Doc. nr. 15 20
25
-+L0SR+-
Par.
P:\prj100\RVR\001\2_Werk\Ontwerp\VoorlopigOntwerp\Tekeningen\01-Plottekeningen\02 kavelpaspoorten\2022-1194 Kavelpaspoort Kavel 15.dwg
Kavelgrens
3,0
5,0
2,0 2,0
5,0
6,0
P P VERKLARING
5,8
3,0
P
3,0
P
P
P
2,0 2,0
5,0 5,0
P P
uitgezo nderd
P P
P
P
P
P
P P
P
P
P
P
P
P
P
P
P
P
P
P
P
P
P
P
P
P
P
P
P
P P P
P
P
P PP
P
P
P
nderd uitgezo
P
0 9.3
kavel 16
840,8 m²
5,0 9.10
P
P P
P P
9.10
P
P
P
P
P
9.30
P
P
P P
PP
P P
P
P
PP
P PP
PP
P
P
P
PP
P
P P
P
P
P
PP P P
P
PP
P
6,0
PP
4,0
8,0
4,0
P
VERKLARING Kavelgrens Bouwvlak hoofdgebouw Bijgebouwen toegestaan Bijgebouwen niet toegestaan (tuin) Zoekgebied voorgevelrooilijn nokrichting 5,8
Afstand Maatvoering in meters Zijde(n) waar kavel ontsloten dient/dienen te worden met inrit Landschappelijke inpassing - watergang Landschappelijke inpassing - houtsingel Landschappelijke inpassing - lage natuurlijke groene haag, maximaal 80 cm
Hoofdgebouw
Voor het bouwen van hoofdgebouwen gelden de volgende bepalingen: a. de goothoogte van hoofdgebouwen mag niet meer bedragen dan 4,5 m1 b. de bouwhoogte van hoofdgebouwen mag niet meer bedragen dan 8 m1 c. de afstand tot de zijdelingse perceelsgrens moet aan beide zijden minimaal 5 m1 bedragen Bijbehorende bouwwerken Bijbehorende bouwwerken in het achtererfgebied
Voor het bouwen van bijbehorende bouwwerken in het achtererfgebied gelden de volgende bepalingen: a. de hoogte van een bijbehorend bouwwerk mag maximaal één bouwlaag bedragen, waarbij de goothoogte maximaal 3,5 m¹ mag bedragen dan wel, wanneer de feitelijke hoogte van de onderste bouwlaag van het hoofdgebouw hoger is, de betreffende hogere maat; b. de maximum bouwhoogte van een bijbehorend bouwwerk mag maximaal 5 m¹ bedragen; c. in afwijking van het bepaalde in sub b. dient de maximum bouwhoogte van een aangebouwd bijbehorend bouwwerk minimaal 1,5 m¹ onder de nok van het hoofdgebouw te liggen; Bijbehorende bouwwerken in het bebouwbaar deel van het zijerf
Voor het bouwen van bijbehorende bouwwerken in het bebouwbaar deel van het zijerf gelden de volgende bepalingen: a. de hoogte van een bijbehorend bouwwerk mag maximaal één bouwlaag bedragen, waarbij de goothoogte maximaal 3,5 m¹ mag bedragen dan wel, wanneer de feitelijke hoogte van de onderste bouwlaag van het hoofdgebouw hoger is, de betreffende hogere maat; b. dakterrassen zijn niet toegestaan; c. voldaan wordt aan de uitgangspunten die in het beeldkwaliteitsplan (bijlage 1 bij de regels) zijn opgenomen;
LE P: E BES EMMINGSPLAN EN E BEELDK ALI EI PLAN ZI N AL I D MAA GEVEND
Bijbehorende Bijbehorende bouwwerken bouwwerken in in het het voorerfgebied voorerfgebied
Bijbehorende bouwwerken in het achtererfgebied
InIn het het voorerfgebied voorerfgebied mogen mogen uitbouwen uitbouwen inin de de vorm vorm van van entrees entrees en en erkers erkers worden worden gebouwd, gebouwd, met met dien dien verstande verstande dat: dat: a. de diepte van een entree en erker maximaal 1,5 m¹ mag bedragen, mits de afstand tot de bouwperceelsgrens minimaal 2 m¹ bedraagt; b. de breedte van een entree maximaal de helft van de breedte van de gevel van het hoofdgebouw mag bedragen, waaraan/-in de entree wordt gesitueerd; c. de breedte van een erker maximaal tweederde van de breedte van de gevel van het hoofdgebouw mag bedragen, waaraan/-in de erker wordt gesitueerd; d. op één hoek van het hoofdgebouw een hoekerker is toegestaan, mits de diepte aan de zijgevel maximaal 1,5 m¹ en de afstand tot de zijdelingse perceelsgrens minimaal 1 m¹ bedraagt; e. de goothoogte van een entree en erker maximaal de hoogte van de begane grondlaag van het hoofdgebouw mag bedragen; f. de bouwhoogte van een entree en erker maximaal de helft van de hoogte van de tweede bouwlaag van het hoofdgebouw mag bedragen; PARKEERPLAATSEN PARKEERPLAATSEN Er Er dienen dienen minimaal minimaal in in 22 parkeerplaatsen parkeerplaatsen op op eigen eigen terrein terrein te te worden worden voorzien.
0
a. De gezamenlijke oppervlakte aan bijbehorende bouwwerken bedraagt per bouwperceel niet meer dan 50 m² PLUS 30% van het deel van het bebouwingsgebied dat groter is dan 100 m², met een maximum van 250 m². b. Met dien verstande dat de oppervlakte van een bijbehorend bouwwerk maximaal 100 m² mag bedragen. c. maximaal 1 carport met een oppervlakte van maximaal 20 m², niet bij de berekening van de gezamenlijke oppervlakte aan bijbehorende bouwwerken in het bebouwingsgebied wordt meegenomen WATERBERGING EIGEN TERREIN
Alvorens de gronden in gebruik genomen worden dient voldaan te worden aan de volgende voorwaarden: a. dient te zijn aangetoond dat de toename van de afvoer van afstromend regenwater gecompenseerd wordt conform de eisen van het waterschap en voorzien is een waterberging met voldoende capaciteit op eigen terrein; b. de compensatie dient tenminste naar evenredigheid van de realisatie van verhardingen gerealiseerd te worden; c. de compensatie bedraagt tenminste 60 mm per m² verharding.
15-02-2023
Versie Datum
PVBE Omschrijving
Ruimte voor Ruimte II CV
10
-+R0KW+-
SR
088 - 3366333 info@kragten.nl www.kragten.nl
Kavelpaspoort Kavel 16
5
KW
Opsteller Par. Verificatie Par. Validatie
Woonlocatie Grote Braeck - Schijndel
Fase ontwerp Formaat A3 Schaal 1: 250 m
-+C0PVBE+-
Projectnr. RVR001-0001 Tekeningnr. 2022-1195 Doc. nr. 15 20
25
-+L0SR+-
Par.
P:\prj100\RVR\001\2_Werk\Ontwerp\VoorlopigOntwerp\Tekeningen\01-Plottekeningen\02 kavelpaspoorten\2022-1195 Kavelpaspoort Kavel 16.dwg
BOUWREGELS
45
Herten Schoolstraat 8 6049 BN Herten Postbus 14 6040 AA Roermond
's-Hertogenbosch Hambakenwetering 5-J 5231 DD 's-Hertogenbosch Postbus 2309 5202 CH 's-Hertogenbosch
154000
154500
155000
155500
156000
156500
157000
157500
Cultuurhistorische inventarisatie en waardering van het buitengebied van de gemeente Schijndel
158500
158000
159000
159500
160000
160500
161000
161500
Molenhoek
162000
162500
163000
Cultuurhistorische inventarisatie en waardering van het buitengebied van de gemeente Schijndel
Maaskantje Waardering van historisch cultuurlandschap, landschapselementen en historische bouwkunst RAAP-rapport 2970, kaartbijlage 2, schaal 1:10.000
Muggenhoek Fokkershoek
Waardering van historisch cultuurlandschap, landschapselementen en historische bouwkunst RAAP-rapport 2970, kaartbijlage 2, schaal 1:10.000 legenda CULTUURLANDSCHAPPEN zeer hoog hoog
407500
407500
Heilaren
middelmatig basiswaarde niet gewaardeerd
LANDSCHAPSELEMENTEN
Woud
zeer hoog hoog
Dintersche Broek
middelmatig zeer hoog hoog middelmatig
407000
407000
't Woud
HISTORISCHE BOUWKUNST Bouwkunst (objecten)
Heeswijk
type zeer hoog hoog middelmatig niet gewaardeerd
Hazelbergsche Broek
status geen 406500
406500
gemeentelijk monument rijksmonument
Tielse Hoeve
Bouwkunst (ensembles) hoog
Dinther
middelmatig
OVERIG grens bestemmingsplan buitengebied
406000
406000
De Bus
Houterd Lieseind
Meijldoorn
405500
405500
De Bus
405000
405000
Hezelaar
404500
404500
Weidonk
Boschweg
404000
404000
Heuvel
Wijboschbroek
403500
403500
Oetelaar
Borne
Schijndel
Kapeleind
Besselaar
403000
403000
Wijbosch Elde
Hoevenbraak
Elderbroek
Hoeves Hongerhoek 402500
402500
Vossenholen
402000
402000
Hermalen
Truijenheide Eerde Gasthuiskamp
Vlagheide
Heikant
Eekhoorn
401500
401500
Achterste Hermalen
401000
Eerdsche Bergen
401000
Rooische Heide De Geelders
De Vlagheide
Hooge Beek
Bus
400500
400500
Schijndelsche Heide
Het Speet
Baarseind
Savendonk
Schijndelsche Heide
400000
400000
Hoefje
0
De Horst schla2_kb_TE1
154000
154500
155000
155500
156000
100
200
300
400
500
m 156500
157000
157500
158000
158500
159000
159500
160000
160500
161000
161500
162000
162500
163000
RAAP-RAPPORT 2970
Tussen Aa-dal en Rooise Heide Herijking van het erfgoedbeleid van de gemeente Schijndel
Versie 6.9
Colofon Opdrachtgever: Gemeente Schijndel Titel: Tussen Aa-dal en Rooise Heide; herijking van het erfgoedbeleid van de gemeente Schijndel Status: eindversie Datum: 26 oktober 2015 Auteurs: Projectcode: SCHLA2 Bestandsnaam: RA2970_SCHLA2 Projectleider: Projectmedewerkers: Bevoegd gezag: Gemeente Schijndel ISSN: 0925-6229
RAAP Archeologisch Adviesbureau B.V. Leeuwenveldseweg 5b
telefoon: 0294-491 500
1382 LV W eesp
telefax: 0294-491 519
Postbus 5069
E-mail: raap@raap.nl
1380 GB W eesp
© RAAP Archeologisch Adviesbureau B.V., 2015 RAAP Archeologisch Adviesbureau B.V. aanvaardt geen aansprakelijkheid voor eventuele schade voortvloeiend uit het gebruik van de resultaten van dit onderzoek of de toepassing van de adviezen.
Versie 6.9
Tussen Aa-dal en Rooise Heide; herijking van het erfgoedbeleid van de gemeente Schijndel
Samenvatting De gemeente Schijndel heeft RAAP Archeologisch Adviesbureau en het Monumenten Advies Bureau via Buro Waalbrug gevraagd het erfgoedbeleid te herijken. Belangrijkste doel was het inzichtelijk krijgen van de precieze redenen waarom specifieke gebieden, elementen of objecten hoog, gemiddeld of laag gewaardeerd werden. Aanleiding voor deze herijking was het actualiseren van het bestemmingsplan waarin deze cultuurhistorische waarden dienden te worden vastgelegd. Basis voor het uit te voeren werk vormde een cultuurhistorische waardenkaart die was opgesteld door het SRE, voorloper van de huidige Omgevingsdienst Zuidoost-Brabant. RAAP en MAB hebben in antwoord op deze vraag een projectaanpak geformuleerd die uitgaat van een gedeeltelijke herziening van de bestaande inventarisatie- en waarderingskaart op het gebied van de landschapstypen, een aanvullende inventarisatie en een beargumenteerde herwaardering van landschapselementen/-structuren en van het gebouwd erfgoed.
Een belangrijk resultaat van het onderzoek met het oog op de toepassing is een waardering van cultuurlandschappen, waaruit blijkt dat de belangrijkste waarden (hoog en zeer hoog) geconcentreerd zijn in de bosgebieden ten noorden van de kern, de heide- en broekontginningen Oude Molenheide, Vlagheide en Rooische Heide alsmede een verspreid aantal gebieden in het kampenlandschap ten westen en zuiden van de bebouwde kom. Hoog en zeer hoog gewaardeerde elementen, met name wegen maar ook groen en kleinere elementen als poelen, vinden we verspreid over de gehele gemeenten. Langs de oude wegen van het kampenlandschap en in mindere mate in de jonge ontginningen vinden we de waardevolle historische bouwkunst, waarvan alles vanaf een middelmatige waarde op de waarderingskaart is aangegeven. Geconcentreerd zijn zij in een aantal stedenbouwkundige ensembles. Voor landschapselementen, bouwkunst en stedenbouw is het belangrijk op te merken dat alleen die objecten op de kaarten zijn opgenomen, die in het bestemmingsplangebied (buitengebied) vallen. Wij adviseren om de planologische borging te richten op de afzonderlijke onderdelen landschappen, landschapselementen, bouwkunst en bouwkunstensembles. Hiervoor kunnen passende dubbelbestemmingen worden opgenomen, en per dubbelbestemming dient nagegaan te worden welke waarderingsklassen geborgd zouden moeten worden.
In het rapport hebben we ons advies dienaangaand nader uitgewerkt.
RAAP-rapport 2970 / eindversie, 26 oktober 2015
[3]
Tussen Aa-dal en Rooise Heide; herijking van het erfgoedbeleid van de gemeente Schijndel
Inhoudsopgave Samenvatting ........................................................................................................................................ 3
Inhoudsopgave ........................................................................................................................ 4 1
Inleiding ............................................................................................................................. 5 1.1
Aanleiding en aanpak .............................................................................................................. 5
1.2 Onderzoeksgebied ..................................................................................................................... 5
2 Methoden en bronnen ........................................................................................................... 6 2.1
Algemene uitgangspunten ........................................................................................................ 6
2.2
Historisch cultuurlandschap ..................................................................................................... 7
2.3 Landschapselementen.............................................................................................................. 12 2.4
Historische bouwkunde .......................................................................................................... 15
3 Toelichting op de kaarten .................................................................................................... 21 3.1 Historisch cultuurlandschap ...................................................................................................... 21 3.2 Landschapselementen.............................................................................................................. 33 3.3 Bouwkunst en stedenbouw ....................................................................................................... 35
4 Adviezen ............................................................................................................................ 45 4.1 Inleiding .................................................................................................................................. 45 4.2 Historisch cultuurlandschap ...................................................................................................... 45 4.3 Landschapselementen.............................................................................................................. 46 4.4 Historische bouwkunst en stedenbouw ...................................................................................... 47
Literatuur .............................................................................................................................. 53 Overzicht van figuren, tabellen en kaartbijlagen ..................................................................... 54
RAAP-rapport 2970 / eindversie, 26 oktober 2015
[4]
Tussen Aa-dal en Rooise Heide; herijking van het erfgoedbeleid van de gemeente Schijndel
1 Inleiding 1.1 Aanleiding en aanpak De gemeente Schijndel heeft RAAP Archeologisch Adviesbureau en het Monumenten Advies Bureau via Buro Waalbrug gevraagd het erfgoedbeleid te herijken. Belangrijkste doel was het inzichtelijk krijgen van de precieze redenen waarom specifieke gebieden, elementen of objecten hoog, gemiddeld of laag gewaardeerd werden. RAAP en MAB hebben in antwoord op deze vraag een projectaanpak geformuleerd die uitgaat van een gedeeltelijke herziening van de inventarisatie- en waarderingskaart op het gebied van de landschapstypen en een aanvullende inventarisatie en beargumenteerde herwaardering van landschapselementen/-structuren en van het gebouwd erfgoed. De kartering en waardering van landschapstypen werd uitgevoerd door ir. Luuk Keunen (RAAP), die tevens als projectleider van de herijking vanuit RAAP optrad. Herwaardering van de landschapselementen en –structuren vond plaats door Frank van Bakel, Wim Bekkers, Peter Smulders, Joop Verhagen, Tim Verhagen en Erik Verkuijlen van de gemeente Schijndel, waarbij Steven van der Veen MA (RAAP) de instruering, inhoudelijke begeleiding en uitwerking verzorgde. Cees-Jan Frank en Miranda Lemmens (MAB) voerden de aanvullende inventarisatie en de waardering van het onderdeel ‘bouwkunst en stedenbouw’ uit.
De klankbordgroep, bestaande uit Joop Steenbakkers (Stichting Brabantse Boerderij), Jan Aalders, Frans Abrahams, Ruud Hemelaar en Gerard van Kaathoven (Heemkundekring Schijndel), Leo Telgenkamp en Karina Tribels (NMC Schijndel) en Anton van den Broek (ZLTO Schijndel), leverde tijdens twee bijeenkomsten waardevolle opmerkingen aan.
1.2 Onderzoeksgebied De herijking van het erfgoedbeleid is primair gericht op het bestemmingsplangebied ‘Agrarisch Buitengebied’ van de gemeente Schijndel. De landschapstypologische kartering werd uitgevoerd voor het totale grondgebied van de gemeente Schijndel, zodat ook de prestedelijke landschappen zichtbaar werden. De aanvullende inventarisatie en de waardering van landschapselementen en bouwkunst hebben zich beperkt tot het buitengebied.
RAAP-rapport 2970 / eindversie, 26 oktober 2015
[5]
Tussen Aa-dal en Rooise Heide; herijking van het erfgoedbeleid van de gemeente Schijndel
2 Methoden en bronnen 2.1 Algemene uitgangspunten Voornaamste doel van dit rapport en de bijbehorende kaartbijlagen is het inzichtelijk maken van de aanwezige cultuurhistorische waarden op het grondgebied van de gemeente Schijndel en de feitelijke karakteristieken/kenmerken die tot deze waarden leiden. Onder cultuurhistorische waarden verstaan we binnen deze context bovengrondse ruimtelijke structuren, sporen, objecten en relicten uit het verleden, waaraan een wetenschappelijke, politieke en/of maatschappelijke waarde als erfgoed wordt toegekend. Het eindproduct van het onderzoek bestaat uit uitgewerkte kaartbeelden gekoppeld aan een geografisch informatiesysteem (GIS met databases) met exacte gegevens over de geografische ligging en aard van waardevolle cultuurlandschappelijke en historisch-bouwkundige elementen. De presentatieschaal van de cultuurhistorische waardenkaart, bestaande uit twee kaartbladen, is 1:10.000. Ten behoeve van de kartering zijn de volgende bronnen gebruikt: - Tiendkaart Schijndel, 1757; - kadastrale minuutplans, ca. 1832; - Topografisch-Militaire Kaart (TMK), ca 1840 en ca 1850, als veldminuut, in nettekening en steendruk; - Chromotopografische Kaart des Rijks (bonneblaadjes), ca. 1910 en ca.
1935; - Topografische Kaart van Nederland, 1954-heden; - Bodemkaart en geomorfologische kaart als GIS; - algemene literatuur over Noord-Brabant en bijzondere literatuur over (delen van) de gemeente Schijndel (zie literatuurlijst); - databases behorend tot de erfgoedkaart van de gemeente Schijndel (SRE) 1; - Actueel Hoogtebestand Nederland 0,5 meter grid (AHN2). De landschapstypering is volledig nieuw opgesteld ter vervanging van de analyse van historisch grondgebruik op de erfgoedkaart, waarvan de vertaling in het bestemmingsplan problematisch bleek te zijn. De nieuwe kartering maakt het mogelijk meer op hoofdlijnen waardevolle karakteristieken van specifieke deelgebieden/landschappen te borgen. Het betreft dan bijvoorbeeld de algemene beplantings- en bebouwingskarakteristiek van bepaalde landschappen in historisch perspectief, onafhankelijk van het exacte perceel waar zich die bevindt. De inventarisatie van landschapselementen, waarbij het vooral om wegen gaat, is op onderdelen aangevuld en geïntegreerd op basis van de erfgoedkaart. De elementen in de categorieën reliëf en historische verka-
1
Berkvens & Leenders, 2013
RAAP-rapport 2970 / eindversie, 26 oktober 2015
[6]
Tussen Aa-dal en Rooise Heide; herijking van het erfgoedbeleid van de gemeente Schijndel
veling zijn volledig aanvullend geïnventariseerd aan de hand van het AHN2 en vergelijking met historische kaarten. Alle elementen zijn aanvullend gewaardeerd. De database van historische bouwkunst is op onderdelen herzien en uitgebreid, en vervolgens zijn ook deze objecten (opnieuw) gewaardeerd.
2.2 Historisch cultuurlandschap 2.2.1 Achtergrond en uitgangspunten Het landschap van de gemeente Schijndel is een complex geheel dat is ontstaan onder invloed van natuurlijke en menselijke factoren. Bij de typering van het historisch cultuurlandschap beschrijven we de wijze waarop de mens haar invloed heeft laten gelden in het landschap (en daarmee het natuurlijk landschap geleidelijk heeft omgevormd) en welke elementen daarmee samenhangen. Landschap in lagen De genese van het landschap kan op verschillende manieren worden ontrafeld. 2 Eén van de manieren om inzicht te krijgen in deze complexe materie is de ontleding ervan middels een zogenaamd lagenmodel. Hierbij wordt inzichtelijk gemaakt hoe opeenvolgende fasen in de landschapsontwikkeling zich ten opzichte van elkaar verhouden. 3 Het model biedt ruimte voor uiteenlopende invalshoeken, zoals infrastructuur, landgebruik, occupatie, territoria, etc., en biedt daarnaast ruimte om de ontwikkelingen van deze lagen door de tijd inzichtelijk te maken. Een voorbeeld is hoe de vroeg-20e-eeuwse bebossing zich verhoudt ten opzichte van de situatie aan het einde van de 20ste eeuw, of hoe het areaal akkerland van de 19e eeuw zich verhoudt tot de hedendaagse situatie. In de landschapstypering en –beschrijving hebben we aspecten van deze lagenbenadering meegenomen.
Landschapstypologie De TMK is de vroegste landsdekkende topografische kaart waarbij op perceelsniveau bebouwing, landgebruik èn landschapselementen zijn gekarteerd. Deze kaart vormt ook inhoudelijk de meest complete en geografisch meest correcte laag waarop het landschap uit de 19e eeuw van de gemeente Schijndel zichtbaar is. De TMK, en wel in zijn vroege versie van omstreeks 1840, vormt dan ook het uitgangspunt bij het inzichtelijk maken van de landschapsontwikkeling in de gemeente. Vooral met behulp van deze kaart is een landschapstypologie opgesteld. Bodemkaarten, geomorfologische kaarten en hoogtekaarten (AHN2) hebben we ter ondersteuning gebruikt. Voor ons zicht op eerdere tijdslagen zijn we afhankelijk van archeologische en schriftelijke bronnen. Deze leveren echter zowel ruimtelijk als in temporeel opzicht een versnipperd beeld dat lastig toepasbaar is op het gewenste schaalniveau. Dit probleem is deels ondervangen door aan
2
Hidding, e.a., 2001. p.12
3
Hidding, e.a., 2001. p.8
RAAP-rapport 2970 / eindversie, 26 oktober 2015
[7]
Tussen Aa-dal en Rooise Heide; herijking van het erfgoedbeleid van de gemeente Schijndel
de hand van de landschapstypologie niet alleen het 19e-eeuwse landschap maar ook de ontwikkelingen daarvoor te bekijken. Het 19e-eeuwse landschap is dus slechts een hulpmiddel om de voorgaande perioden en de periode daarna te beschrijven en mag niet als eindstadium of hoogtepunt van het historisch cultuurlandschap worden gezien. Jongere landschappen In de 20e en vroege 21e eeuw heeft zich een aantal grootschalige ruimtelijke transformaties voorgedaan, zoals heideontginningen, ruilverkavelingen en natuurontwikkeling. Hierbij zijn nieuwe lagen aan het landschap toegevoegd, waarbij soms wel en soms niet rekening is gehouden met de toen aanwezige cultuurhistorische kwaliteiten in het landschap. De mate waarop deze cultuurhistorische kwaliteiten zijn opgenomen in deze nieuwe laag blijkt wanneer we het kaartbeeld van 1850 vergelijken met het huidige landschap en met kaartbeelden uit de tussenliggende periode. Vooral het kaartbeeld van omstreeks 1955 is daarbij relevant, omdat hierbij duidelijk voor het eerst de landschappelijke patronen na de heideontginningen te zien zijn, nog vóór de transformatie door de ruilverkavelingen. Wat uit deze kaartvergelijking niet noodzakelijkerwijs naar voren komt is de cultuurhistorische kwaliteit van wat er na 1850 in het landschap is veranderd.
Veel meer dan in de periode hiervoor gaat het om ontworpen landschap, en is derhalve de kwaliteit en doordachtheid van het ontwerp een waarderingscriterium. We kunnen vaststellen dat de ontginning van de heide en de ruilverkavelingen zeer kenmerkend zijn geworden voor het Schijndelse landschap, maar helaas is het instrumentarium om tot een onderbouwde waardestelling van deze 'recente' landschappen te komen heel beperkt. Naarmate de periode waarin deze ontwikkelingen zich voordeden verder van ons af komt te liggen en we de ontwikkelingen in een historisch kader kunnen plaatsen, zullen we beter in staat zijn de cultuurhistorische waarde ervan te duiden. Begrenzingen Een systematische opbouw van de kaart is de basis voor zijn betrouwbaarheid. Dat betekent, dat we op basis van een vergelijking tussen de historische en hedendaagse situatie grenzen tussen verschillende landschappen trekken. Van elke plek in het huidige landschap is dan te traceren welk historisch cultuurlandschap hier in het verleden te vinden was en in hoeverre dit nog herkenbaar is. Zou je huidige perceelsgrenzen aanhouden, dan koppel je in feite een verkeerd historisch landschapstype aan een bepaald perceel. De vlakken die hierdoor getekend worden, zijn in het waarderingsstadium de vlakken die als geheel gewaardeerd worden en slechts in incidentele gevallen verder worden opgeknipt.
Inventarisatie en waardering hebben dus in principe steeds op hetzelfde vlak betrekking. Het aanhouden van historische grenzen heeft als voordeel dat exact inzichtelijk is waar de historische contouren van landschappen in de huidige verkaveling nog zichtbaar zijn (zoals de grens tussen het oudste en jongste deel van de Rooische Heide). Daar staat tegenover dat we ook herkennen waar de verkaveling dusdanig gewijzigd is, dat de overgang tussen historische landschappen in het huidige landschapsbeeld niet meer te zien is. Een voorbeeld daarvan is het
RAAP-rapport 2970 / eindversie, 26 oktober 2015
[8]
Tussen Aa-dal en Rooise Heide; herijking van het erfgoedbeleid van de gemeente Schijndel
gebied ten oosten van Houterd. Verschillende waarderingen kunnen hier binnen één huidig perceel bij elkaar komen als de gebieden als geheel een afzonderlijke waardering hebben gekregen. Dat de grens van beide dan binnen één perceel komt te liggen, is door de keuze voor historische grenzen (zoals hierboven onderbouwd) niet te vermijden.
2.2.2 Kartering Bij de kartering van het cultuurlandschap is onderscheid gemaakt tussen landschapstypen en nederzettingstypen. De nederzettingstypen die in deze fase gekarteerd en beschreven worden, vormen de 19e-eeuwse kernen die onlosmakelijk verbonden waren met het historisch cultuurlandschap. Wanneer de bebouwing sterk verspreid gesitueerd is, hebben we deze binnen de landschapstypering niet meer als afzonderlijk nederzettingstype – los van het landschap – beschouwd, maar bekeken als onderdeel van een groter landschap. Centraal in de gekozen methodiek voor de cultuurhistorische landschapstypering staat het landschaps- of dorpstype zoals dat historisch te typeren is in relatie tot wat daarvan in het tegenwoordige landschap nog terug te vinden is. Daarmee biedt de gedetailleerde typering, bruikbaar op perceelsniveau een goede basis om de historische kwaliteiten van het agrarisch cultuurlandschap te monitoren, te stimuleren en op andere wijzen te gebruiken voor gemeentelijk beleid. Het zorgvuldig karteren van landschapstypen is daarnaast een goede manier om cultuurhistorische waarden niet alleen te inventariseren, maar vooral ook planologisch te verankeren. Daarbij biedt deze manier goede mogelijkheden om cultureel erfgoed niet alleen te beschermen, maar ook op een positieve manier te ontwikkelen.