CConstaterende datMeierijstad
Koppel je AI →
Document · PDF

Bijlageboek BP Antoniusstraat 15 Keldonk

Raadsvergadering 29 september 2022, gemeente MeierijstadBij agendapunt: Gewijzigde vaststelling bestemmingsplan en vaststelling beeldkwaliteitsplan 'Antoniusstraat 15, Erp'22.734 woorden

Open het PDF bij de gemeente ↗Naar de vergadering →

Tekst van het document

Uit het bestand gehaald, zonder opmaak, tabellen en afbeeldingen · deel 2 van 3

Onder het antropogeen eerddek en in de top van de dekzandafzettingen

Neolithicum

Hoog

Akkerlaag en/of nederzettingssporen, grafvelden, rituele plaatsen: kleine fragmenten aardewerk, natuursteen en vuurstenen gebruiksvoorwerpen, houtskool en gebruiksvoorwerpen

Onder het antropogeen eerddek en in de top van de dekzandafzettingen

Bronstijd

Hoog

Akkerlaag en/of nederzettingssporen, grafvelden, rituele plaatsen: kleine fragmenten aardewerk, natuursteen en vuurstenen gebruiksvoorwerpen, metaalresten, houtskool, botresten en gebruiksvoorwerpen

Onder het antropogeen eerddek en in de top van de dekzandafzettingen

IJzertijd

Hoog

Akkerlaag en/of nederzettingssporen, grafvelden, rituele plaatsen: kleine fragmenten aardewerk, natuursteen, metaalresten, glasresten, houtskool, botresten en gebruiksvoorwerpen

Onder het antropogeen eerddek en in de top van de dekzandafzettingen

Romeinse tijd

Hoog

Akkerlaag en/of nederzettingssporen, grafvelden, rituele plaatsen: kleine fragmenten aardewerk, natuursteen, metaalresten, glasresten, houtskool, botresten en gebruiksvoorwerpen

Onder het antropogeen eerddek en in de top van de dekzandafzettingen

Vroege-Middeleeuwen

Hoog

Bewoningssporen van een (boeren)erf: kleine fragmenten aardewerk, metaalresten, glasresten, houtskool, botresten, organische resten en gebruiksvoorwerpen

Onder het antropogeen eerddek en in de top van de dekzandafzettingen

Late-Middeleeuwen

Hoog

Bewoningssporen van een (boeren)erf: kleine fragmenten aardewerk, metaalresten, glasresten, houtskool, botresten, organische resten en gebruiksvoorwerpen

Onder het antropogeen eerddek en in de top van de dekzandafzettingen

Nieuwe tijd

Hoog

Bewoningssporen van een (boeren)erf: kleine fragmenten aardewerk, metaalresten, glasresten, houtskool, botresten, organische resten en gebruiksvoorwerpen

Onder maaiveld/in het antropogeen eerddek en in de top van de dekzandafzettingen

Uit de landschappelijke ligging op de rand van een hooggelegen dekzandrug in het zuiden naar het laaggelegen beekdal van de Aa in het noorden, blijkt dat het plangebied vanaf het Paleolithicum gunstig is geweest voor jagers en verzamelaars en vanaf het Neolithicum voor landbouwers. Uit de archeologische gegevens die verzameld zijn uit het onderzoeksgebied blijkt dat er in de omgeving van het plangebied met name sporen van menselijke activiteit zijn waar genomen uit het Neolithicum tot en met de Nieuwe tijd. Door archeologisch onderzoek is er een goed beeld van waar de jagers en verzamelaars hun tijdelijke kampementen vestigden. De jagers en verzamelaars waren afhankelijk van een aantal ecologische factoren, zoals het voedselaanbod en de aanwezigheid van grondstoffen in de omgeving van de locatie. Ze leefde van de jacht, visserij en het verzamelen van onder andere noten, vruchten en wortels. Dit soort voedsel was met name te vinden op het overgangsgebied van hoge en droge gronden naar lage en natte gronden, de gradiëntzone, en dichtbij water, zoals vennen en beken. Op dit soort locaties was ook drinkwater bereikbaar.36 De ligging van het plangebied op een hoge rug op de rand van

36

Louwe Kooijmans et al., 2005.

Rapport 17141.001 versie 2

Pagina 11 van 20

het beekdal van de Aa maakt dat het landschappelijk gezien een geschikte vestigingslocatie was voor jagers en verzamelaars. Het plangebied heeft daarom een hoge gespecificeerde verwachtingswaarde voor archeologische resten uit het Laat-Paleolithicum en Mesolithicum. Voor de landbouwers zijn andere factoren van belang bij de locatiekeuze. Vanaf het Neolithicum ging men zich vestigen op één locatie. Om te kunnen blijven wonen op één plek werd het kunnen uitvoeren van landbouw een belangrijke factor. Voor akkerbouw is onder andere een vruchtbare bodem en een goede afwatering van belang.37 De ligging van het plangebied op een goed ontwaterende dekzandrug naast een beekdal maakt dat het een geschikte vestigingslocatie was voor landbouwers. Het plangebeid heeft daarom een hoge gespecificeerde verwachtingswaarde voor archeologische resten uit het Neolithicum tot en met de Vroege-Middeleeuwen. Vanaf de Middeleeuwen zijn schriftelijke bronnen bekend die de bekende locatiekeuzes en archeologische gegevens kunnen aanvullen. Vanaf de 13 e eeuw wordt de locatie langs kruisingen en splitsingen van doorgaande en lokale wegen ook van belang voor de locatiekeuze van een nederzetting. Deze nederzettingen kunnen zijn gegroeid tot de hedendaagse gehuchten en woonkernen. 38 Het zuiden van het plangebied maakt onderdeel uit van de oude lintbebouwing van Keldonk.

Het meest zuidelijke deel van het plangebied is al gedurende minimaal 200 jaar, en waarschijnlijk langer, bebouwd met woningen en erf. Het plangebied heeft daarom een hoge gespecificeerde verwachtingswaarde voor archeologische resten uit de Late-Middeleeuwen en Nieuwe tijd. Deze verwachting geldt met name voor het zuidelijke deel van het plangebied. Beekdalen werden in het Neolithicum, Bronstijd, IJzertijd en Romeinse tijd gebruikt voor rituele doeleinden, zoals deposities. Rituele deposities betreffen ‘losse’ vondsten die een sociale of rituele betekenis hebben gehad. Dit soort deposities werden op een specifieke locatie in het landschap gedeponeerd, zoals bijvoorbeeld het samenvloeien van twee beeklopen, beekovergangen en vennen/moerassen. Dit soort vondsten zijn puntlocaties. 39 Omdat het uiterste noordwesten van het plangebied net binnen het beekdal van de Aa lijkt te liggen, kunnen hier archeologische resten worden verwacht die samenhangen met beekdalen. De archeologische resten in het plangebied worden verwacht onder het eerddek en in de top van de oorspronkelijke C-horizont. De vondstenlaag is opgenomen onder in het eerddek; hier wordt ook wel van ‘cultuurlaag’ gesproken: een doorwerkte oude bodem tussen het eerddek en de ongeroerde ondergrond met kleine fragmenten aardewerk, natuursteen, vuursteen en houtskool.

Aan en direct onder het maaiveld worden archeologische resten verwacht uit de Nieuwe tijd. De vondstenlaag van deze resten zal zich niet dieper bevinden dan circa 30 cm beneden het maaiveld. Archeologische sporen worden verwacht in de top van de C-horizont. Organische resten en metaal zullen door de relatief droge en zure bodemomstandigheden slecht zijn geconserveerd. Het complextype en de omvang kunnen niet nader worden gespecificeerd door de beperkte gegevens. Bodemverstoring Dat een gebied een middelhoge of hoge archeologische verwachting heeft, betekent niet dat eventuele aanwezige archeologische resten behoudenswaardig zijn. De waarde van archeologische vindplaatsen wordt grotendeels bepaald door de mate waarin grondsporen dan wel vondsten in situ bewaard zijn gebleven. Het plangebied is in het verleden in gebruik geweest als een deels bebouwd boerenerf en verder als grasland en akkerland. Door ploegen, graafwerkzaamheden en bouwactivitei-

37

Louwe Kooijmans et al., 2005. Renes, 1999. 39 Fontijn, 2002. 38

Rapport 17141.001 versie 2

Pagina 12 van 20

ten kunnen eventueel aanwezige archeologische waarden, die vanaf het maaiveld worden verwacht, mogelijk verloren zijn gegaan. 2.9 Conclusie bureauonderzoek Doel van het bureauonderzoek is een antwoord te vinden op de vraag wat de gespecificeerde archeologische verwachting voor het plangebied is. Op basis van de resultaten van het bureauonderzoek heeft het plangebied een hoge gespecificeerde verwachtingswaarde voor archeologische resten uit alle perioden vanaf het Laat-Paleolithicum. Gezien de in dit bureauonderzoek opgestelde archeologische verwachting is binnen het plangebied vervolgonderzoek noodzakelijk om deze te toetsen. Gezien de omvang van het plangebied en de aanwezigheid van een hoge zwarte enkeerdgrond is in dit stadium de meest geschikte onderzoeksmethode een verkennend booronderzoek. Verspreid in het plangebied dienen boringen te worden gezet met als doel om inzicht te krijgen in de toestand van het bodemprofiel. Tevens dient gekeken te worden naar de aanwezigheid van mogelijke vegetatie- en/of cultuurlagen, die zichtbaar zijn als bodemverkleuringen. Door middel van het verkennend booronderzoek dient te worden vastgesteld of er binnen het plangebied archeologische resten in situ te verwachten zijn.

3

INVENTARISEREND VELDONDERZOEK

3.1

Doelstelling en onderzoeksvragen

Het inventariserend veldonderzoek (IVO-overig, verkennende fase) heeft tot doel de gespecificeerde archeologische verwachting aan te vullen en te toetsen door middel van boringen. Het veldonderzoek heeft tot doel antwoorden te vinden op wat de bodemopbouw is binnen het plangebied. Tevens dient te worden vastgesteld wat de gevolgen zijn van het in het plangebied aangetroffen bodemprofiel voor de gespecificeerde archeologische verwachting. 3.2

Methoden

Het inventariserend veldonderzoek is uitgevoerd in de vorm van een verkennend booronderzoek, onder certificaat op grond van de BRL SIKB 4000 (KNA, versie 4.1, 24‑05‑2018) en Kwaliteitsnorm Nederlandse Archeologie (KNA, versie 4.1, 24‑05‑2018), specificatie VS03. Voor het inventariserend veldonderzoek is op 12 oktober 2021 door drs. M. Stiekema (Senior KNA Prospector) een Plan van Aanpak (PvA) opgesteld. Het gehele plangebied was vrij toegankelijk. De boringen zijn verspreid binnen het plangebied gezet. Bij het zetten van de boringen is rekening gehouden met de aanwezige verhardingen, gebouwen en de aanwezigheid van een wespennest in het zuidwesten van het plangebied. In totaal zijn er met behulp van een edelmanboor (diameter 7 cm) zes boringen tot maximaal 1,50 meter -mv gezet (Figuur 10). De boringen zijn lithologisch conform de Archeologische Standaard Boorbeschrijvingsmethode beschreven.40 De boringen zijn met meetlinten ingemeten (x- en y-waarden). Van alle boringen is de maaiveldhoogte afgeleid van het Actueel Hoogtebestand Nederland (AHN). Aan de hand van het opgeboorde materiaal is beoordeeld of er wel, geen of slechts deels sprake is van een gaaf bodemprofiel. Tevens is gekeken naar de aanwezigheid van mogelijke vegetatie- en/of cultuurlagen, die zichtbaar zijn als bodemverkleuringen. Het opgeboorde materiaal is in het veld door

40

Bosch, 2005.

Rapport 17141.001 versie 2

Pagina 13 van 20

middel van versnijden/verkruimelen geïnspecteerd op het voorkomen van archeologische indicatoren, zoals fragmenten vuursteen, aardewerk, houtskool, verbrand leem en bot. Vanwege het gebruik van het plangebied (bebouwing, verharding en grasland) was het niet mogelijk een oppervlaktekartering uit te voeren. 3.3

Resultaten

Geologie en bodem De resultaten van de boringen zijn opgenomen in de vorm van boorprofielen en worden in bijlage 7 weergegeven. De bodemopbouw kan als volgt worden beschreven: Boring 1 en 2 zijn in het zuidelijke deel van het plangebied aan de Antoniusstraat gezet. Onder een 25-50 cm dikke zwak humeuze bouwvoor is bij beide boringen een verstoorde laag aangetroffen: bij boring 1 tot 80 cm -mv en bij boring 2 tot 120 cm -mv. De verstoringen kenmerken zich door de aanwezigheid van fragmenten baksteen en de gevlektheid van het sediment. Vanaf respectievelijk 80 en 120 cm -mv zijn onverstoorde dekzandafzettingen aangetroffen in beide boringen. Opvallend was dat de dekzandafzettingen in beide boringen nat waren door de hoge grondwaterstand. Boring 3 is meer naar het noorden geplaatst en kenmerkt zich door een 75 cm dik zwak humeus eerddek op een laag van 45 cm dik bestaande uit verstoord (gevlekt) zand, bestaande uit een mix van donker eerddekzand en gele dekzandafzettingen. Vanaf 120 cm -mv zijn ook bij boring 3 opvallend natte dekzandafzettingen aangetroffen. Boring 6 is ook in het centrale deel van het plangebied op het erf geplaatst, maar is al op 40 cm -mv gestuit op steen of puin. Boring 4 en 5 zijn in het weiland in het noorden van het plangebied gezet.

Onder een 20-35 cm dikke zwak humeuze bouwvoor is bij beide boringen een verstoorde laag aangetroffen: bij boring 4 tot 75 cm -mv en bij boring 5 vermoedelijk tot 90 cm -mv. De verstoringen kenmerken zich door de gevlektheid van het sediment bij boring 4 en de lichte gelaagdheid bij boring 5. Mogelijk is bij beide boringen een deel van het sediment ingeschoven omdat de oorspronkelijke ligging op de rand van het beekdal te laag en/of nat was. Vanaf respectievelijk 75 en 90 cm -mv zijn onverstoorde dekzandafzettingen aangetroffen in beide boringen. Opvallend was dat de dekzandafzettingen ook in deze beide boringen nat waren door de hoge grondwaterstand. Bij boring 4 was het zand bovendien grijs van kleur en geheel gereduceerd. Archeologische indicatoren In geen van de boringen zijn archeologische indicatoren waargenomen. Het gaat hier echter om een verkennend bodemonderzoek, dat zich richt op de bodemopbouw en mogelijke bodemverstoringen die de archeologische trefkans kunnen beïnvloeden en niet zo zeer op het onderzoeken op de aanwezigheid van archeologische vondsten en/of sporen. 3.4

Conclusie veldonderzoek

Het veldonderzoek heeft tot doel antwoorden te vinden op wat de bodemopbouw is binnen het plangebied en wat de gevolgen zijn van het in het plangebied aangetroffen bodemprofiel voor de gespecificeerde archeologische verwachting. Uit het verkennend booronderzoek blijkt dat het bodemprofiel in het gehele plangebied is verstoord tot een diepte van 75-120 cm -mv, en dat de natuurlijke dekzandafzettingen hieronder vrij nat zijn. Dit hangt vermoedelijk samen met de ligging nabij en deels in een beekdal. In het noorden is het maai-

Rapport 17141.001 versie 2

Pagina 14 van 20

veld mogelijk iets opgehoogd vanwege de natuurlijke natte omstandigheden. De gespecificeerde archeologische verwachting voor resten uit het Laat-Paleolithicum tot en met de Vroege-Middeleeuwen kan op basis van de aangetroffen natte omstandigheden en bodemverstoringen worden bijgesteld naar laag voor het gehele plangebied. Het zuidelijke deel van het plangebied maakt onderdeel uit van de historische lintbebouwing van Keldonk. Hoewel de boringen 1 en 2 wel een verstoorde context tonen, is het mogelijk dat dit samenhangt met resten van de historische bebouwing en/of erf langs de Antoniusstraat. Voor het zuiden van het plangebied blijft de hoge gespecificeerde archeologische verwachting voor resten uit de Late-Middeleeuwen en Nieuwe tijd daarom gehandhaafd. Voor de rest van het plangebied wordt deze bijgesteld naar laag. De grens van deze twee zones valt samen met de noordelijke rand van het bebouwingslint op de historische kaarten.

4

CONCLUSIE EN ADVIES

Het bureauonderzoek toonde aan dat er zich mogelijk archeologische waarden in het plangebied zouden kunnen bevinden. In het bijzonder verhoogt de ligging van een deel van het plangebied in de historische kern van Keldonk de kans daarop. Daarom is er aansluitend een inventariserend veldonderzoek in de vorm van een verkennend booronderzoek uitgevoerd. De gespecificeerde archeologische verwachting, zoals die is weergegeven tijdens het bureauonderzoek, is door het booronderzoek voor het gehele plangebied naar laag bijgesteld voor de perioden Laat-Paleolithicum tot en met Vroege-Middeleeuwen en voor het centrale en noordelijk deel van het plangebied ook voor de perioden Late-Middeleeuwen en Nieuwe tijd. Voor het zuidelijke deel van het plangebied blijft de hoge gespecificeerde archeologische verwachting voor resten uit de LateMiddeleeuwen en Nieuwe tijd gehandhaafd. Op basis van het behoud van een hoge trefkans voor het zuiden van het plangebied blijft de kans reëel dat archeologische resten binnen het plangebied aanwezig zijn (zie figuur 11). Gezien de in dit onderzoek opgestelde archeologische verwachting is binnen het zuidelijke deel van het plangebied vervolgonderzoek noodzakelijk om deze te toetsen. Gezien de ligging in een historische kern is in dit stadium de meest geschikte onderzoeksmethode een karterend en waarderend proefsleuvenonderzoek.

(Aanvullende) booronderzoeken zijn in historische kernen minder geschikt gezien de grote kans op het voorkomen van puinlagen die aan historische bebouwing toegeschreven kunnen worden. Bij een proefsleuvenonderzoek dienen verspreid over het plangebied sleuven gegraven te worden met als doel om eventuele archeologische waarden te karteren en waarderen. Voor dit onderzoek dient een door de bevoegde overheid goedgekeurd Programma van Eisen te zijn opgesteld waarin is vastgelegd waaraan het onderzoek moet voldoen. Binnen het centrale en noordelijke deel van het plangebied, waar het bodemprofiel is verstoord en een natte context heeft en waar dus geen archeologische waarden worden verwacht, wordt geadviseerd geen vervolgonderzoek te laten uitvoeren (zie figuur 11). Wel wordt geadviseerd, omdat er in het zuidelijke deel van plangebied toch al proefsleuven zullen worden aangelegd, één controlesleuf in het noorden van het plangebied aan te laten leggen, bijvoorbeeld ter plaatse van de te graven vijver. Mochten tijdens de graafwerkzaamheden in het vrijgegeven deel van het plangebied toch archeologische waarden worden aangetroffen, dan dient hiervan melding te worden gemaakt conform artikel 5.10 van de Erfgoedwet uit juli 2016 bij het Ministerie van Onderwijs, Cultuur en Wetenschap (de Rijksdienst voor het Cultureel Erfgoed41).

41 Infodesk email: info@cultureelerfgoed.nl of tel: 033-4217456.

Rapport 17141.001 versie 2

Pagina 15 van 20

Namens de bevoegde overheid (gemeente Meierijstad) heeft de heer J. van de Roest, senior archeoloog van de gemeente ’s-Hertogenbosch een selectieadvies opgesteld. Hierin geeft hij aan: het advies voor proefsleuvenonderzoek wordt in de praktijk mogelijk gecompliceerd door de nu nog (?) aanwezig bebouwing daar; het proefsleuvenonderzoek zou mogelijk (deels ?) al ingezet kunnen worden als archeologische begeleiding bij de sloop van de ondergrondse delen van de bebouwing daar, dit mede om beschadiging van het bodemarchief door al te rigoureuze sloopwerkzaamheden door een sloper of de aannemer voor te zijn; dit zijn zaken die ons inziens bij het opstellen van het PvE en het voortraject en overleg met de opdrachtgever meegenomen dienen te worden.

Rapport 17141.001 versie 2

Pagina 16 van 20

LITERATUUR Amersfoort, H. & P.H. Kamphuis, 1990: Mei 1940. De strijd op Nederlands grondgebied. ‘s- Gravenhage. Auwerda, F./ P. Grimm, 2008: Verliesregister 1939-1945, Alle militaire vliegtuigverliezen in Nederland tijdens de Tweede Wereldoorlog, Den Haag. Berendsen, H.J.A., 2008: Fysische Geografie van Nederland, deel 1: De vorming van het land. Inleiding in de geologie en de geomorfologie. Van Gorcum, Assen. Berkel, G. van & K. Samplonius, 1995: Nederlandse plaatsnamen. De herkomst en betekenis van onze plaatsnamen., Meppel. Bont, C. de, 1993: ‘…al het merkwaardige in bonte afwisseling…’. Een historische geografie van Midden- en Oost-Brabant, Waalre (Stichting Brabants Heem). Bosch, J.H.A., 2005: Archeologische Standaard Boorbeschrijvingsmethode, Versie 5.2. Utrecht (TNOrapport, NITG 05-043-A). Buesink, A., 2014: Gemeente Veghel. Actualisatie van de gemeentelijke archeologische verwachtingskaart. BAAC rapport V-13.0274. Doesburg, J. van (red.), et al., 2007: Essen in zicht. Essen en plaggendekken in Nederland: onderzoek en beleid. Amersfoort 2007. Jong, L. de, 1969-1994: Het Koninkrijk der Nederlanden in de Tweede Wereldoorlog. ‘s- Gravenhage. Kars, H. & A. Smit (red.), 2003: Handleiding Fysiek Behoud Archeologisch Erfgoed. Degradatiemechanismen in sporen en materialen. Monitoring van de conditie van het bodemarchief.

Amsterdam (Geoarchaeological and Bioarchaeological Studies, 1). Klep C. & B. Schoenmaker, 1995: De Bevrijding Van Nederland 1944-1945 - Oorlog op de flank. Locher, W.P. & H. de Bakker, 1990: Bodemkunde van Nederland. Deel 1: Algemene bodemkunde. Malmberg, Den Bosch. Louwe Kooijmans,. L.P., P.W. van den Broeke, H. Fokkens, A. van Gijn (red.), 2005: Nederland in de prehistorie. Uitgeverij Bert Bakker, Amsterdam. Mulder, E.F.J. de, M.C. Geluk, I.L. Ritsema, W.E. Westerhoff, T.E. Wong, 2003: De ondergrond van Nederland. Wolters-Noordhoff, Groningen. Renes, J., 1999: Landschappen van Maas en Peel. Een toegepast historisch-geografisch onderzoek in het streekplangebied Noord- en Midden-Limburg. Eisma, Leeuwarden. Stichting voor Bodemkartering, 1976: Bodemkaart van Nederland, schaal 1:50.000, blad 45 Oost Stichting voor Bodemkartering, 1981: Bodemkaart van Nederland, schaal 1:50.000, blad 51 Oost

Rapport 17141.001 versie 2

Pagina 17 van 20

Wageningen Environmental Research, 2017: Geomorfologische Kaart van Nederland (2017), schaal 1:50.000. Zwanenburg G.J., 1990: En nooit was het stil - Kroniek van een luchtoorlog. Emmen.

Rapport 17141.001 versie 2

Pagina 18 van 20

BRONNEN AHN; internetsite, oktober 2021. http://www.ahn.nl Archeologisch informatiesysteem Archis3, Rijksdienst voor het Cultureel Erfgoed (RCE), Amersfoort, oktober 2021. https://archis.cultureelerfgoed.nl Basisregistraties Adressen en Gebouwen (BAG), internetsite, oktober 2021. http://bagviewer.kadaster.nl Beeldbank Rijksdienst voor het Cultureelerfgoed; internetsite, oktober 2021 http://www.beeldbank.cultureelerfgoed.nl Beeldbank Vrije Universiteit; internetsite, oktober 2021. http://imagebase.ubvu.vu.nl/cdm/compoundobject/collection/krt/id/5629/rec/1 Bodemkundig Informatie Systeem (BIS) Nederland, internetsite, oktober 2021. http://maps.bodemdata.nl/ Bodemloket, internetsite, oktober 2021. http://www.bodemloket.nl Brabants Historisch Informatiecentrum; internetsite, oktober 2021. http://www.bhic.nl Cultuurhistorische Waardenkaart van de Provincie Noord-Brabant; internetsite, oktober 2021. http://www.brabant.nl/kaarten.aspx Data Archiving and Networked Services DANS-Easy; internetsite, oktober 2021. https://easy.dans.knaw.nl/ui/home Dinoloket; internetsite, oktober 2021. http://www.dinoloket.nl/ Indicatieve kaart Militair Erfgoed; internetsite, oktober 2021. http://www.ikme.nl/ Kadaster Topotijdreis; internetsite, oktober 2021. http://www.topotijdreis.nl/ Portaal voor ruimtelijke plannen; internetsite, oktober 2021.

http://www.ruimtelijkeplannen.nl/web-roo/roo/ Publieke Dienstverlening Op de Kaart (PDOK); internetsite, oktober 2021. https://pdokviewer.pdok.nl Ruimingskaart; internetsite, oktober 2021. http://www.beobom.nl/ruimingskaart/

Rapport 17141.001 versie 2

Pagina 19 van 20

SIKB; internetsite, oktober 2021. https://www.sikb.nl VEO Bommenkaart; internetsite, oktober 2021. http://www.explosievenopsporing.nl/veo-bommenkaart/ V.1 & V.2inslagen in Nederland; internetsite, oktober 2021. Vergeltungswaffen.nl

Rapport 17141.001 versie 2

Pagina 20 van 20

Figuur 1. Situering van het plangebied binnen Nederland

Rapport 17141.001 versie 2

Figuur 2. Detailkaart van het plangebied

Rapport 17141.001 versie 2

Figuur 3. Luchtfoto van het plangebied

Rapport 17141.001 versie 2

Figuur 4. Situering van het plangebied binnen de archeologische verwachtingskaart

Rapport 17141.001 versie 2

Rapport 17141.001 versie 2

Figuur 5. Situering van het plangebied binnen de Geomorfologische kaart

Rapport 17141.001 versie 2

Figuur 6. Situering van het plangebied binnen het Actueel Hoogtebestand Nederland (AHN)

Rapport 17141.001 versie 2

Figuur 7. Situering van het plangebied binnen de Bodemkaart

Rapport 17141.001 versie 2

Figuur 8. Archeologische Gegevenskaart van het onderzoeksgebied

Rapport 17141.001 versie 2

Rapport 17141.001 versie 2

Figuur 9. Situering van het plangebied binnen de historische kaarten

Rapport 17141.001 versie 2

Figuur 10. Boorpuntenkaart

Rapport 17141.001 versie 2

Rapport 17141.001 versie 2

Figuur 11. Advieskaart vervolgonderzoek

Rapport 17141.001 versie 2

Bijlage 1 Ouderdom in jaren

Overzicht geologische en archeologische tijdvakken

Chronostratigrafie

MIS

Holoceen 11.755 12.745 13.675 14.025

LaatWeichselien (LaatGlaciaal)

15.700

1 Late Dryas (koud) Allerød (warm) Vroege Dryas (koud) Bølling (warm)

Lithostratigrafie Formaties: Naaldwijk (marien), Nieuwkoop (veen), Echteld (fluviatiel)

2

LaatPleniglaciaal 29.000

50.000

MiddenWeichselien (Pleniglaciaal)

MiddenPleniglaciaal VroegPleniglaciaal

3

Formatie van Kreftenheye

Formatie van Boxtel

4

75.000

VroegW eichselien (VroegGlaciaal) 115.000 130.000

370.000 410.000

5a 5c 5d

Eemien (warme periode)

5e

Saalien (ijstijd)

6

Holsteinien (warme periode)

Formatie van Beegden

5b

Eem Formatie Formatie van Drente

Formatie van Urk

Elsterien (ijstijd) 475.000

Cromerien (warme periode) 850.000

Pre-Cromerien 2.600.000

Rapport 17141.001 versie 2

Formatie van Sterksel

Formatie van Peelo

Cal. jaren v/n Chr.

14

C jaren

Chronostratigrafie

Pollen zones

0

1950

Vb2

1500

Subatlanticum koeler vochtiger

450 0 12

Vb1 Va

Vegetatie Loofbos eik en hazelaar overheersen haagbeuk veel cultuurplanten rogge, boekweit, korenbloem

Archeologische perioden Nieuwe tijd Middeleeuwen Romeinse tijd IJzertijd

800 815

2650

IVb Subboreaal koeler droger

2000

3755

IVa

5000

4900

5300

7020

8240

Atlanticum warm vochtig

III

Boreaal warmer

II

Preboreaal warmer

I

8000

9000

8800 11.755

10.150

12.745

10.800

13.675

11.800

14.025

12.000

15.700

13.000

LaatWeichselien (LaatGlaciaal)

Late Dryas

LW III

Allerød

LW II

Vroege Dryas LW I Bølling

35.000

Loofbos eik en hazelaar overheersen beuk>1% invloed landbouw (granen)

Bronstijd

Neolithicum

Loofbos eik, els en hazelaar overheersen in zuiden speelt linde een grote rol den overheerst hazelaar, eik, iep, linde, es eerst berk en later den overheersend

Mesolithicum

parklandschap dennen- en berkenbossen open parklandschap open vegetatie met kruiden en berkenbomen

MiddenWeichselien (Pleniglaciaal)

perioden met een poolwoestijn en perioden met een toendra

VroegWeichselien (VroegGlaciaal)

perioden met bos en perioden met een subarctisch open landschap

Laat-Paleolithicum

75.000

115.000 130.000

Eemien (warme periode)

Midden-Paleolithicum loofbos

Saalien (ijstijd) 300.000

Vroeg-Paleolithicum Chronostratigrafie voor Noordwest-Europa volgens Zagwijn (1974), Vandenberghe (1985) en De Mulder et al. (2003). Lithostratigrafie volgens De Mulder et al. (2003). Mariene isotoop stadium (MIS) volgens Bassinot et al. (1994). Atmosferische data volgens Stuiver et al. (1998). Zuurstofisotoop calibratie (OxCal) versie 3.9 Bronk Ramsey (2003), toegepast op het Laat-Weichselien en het Holoceen. Archeologische periode-indeling en ouderdom volgens de Rijksdienst voor het Oudheidkundig Bodemonderzoek (ROB). Vegetatie bewerkt volgens Berendsen (2000). Pollenzones volgens P. Vos & P. Kiden (2005).

Rapport 17141.001 versie 2

Bijlage 2 Zaaknummer (OMnummer) 2357216100 (50461)

Onderzoeksmeldingen

Locatie

Aard, uitvoerder en resultaten van het onderzoek

35 meter ten oosten van het plangebied te Keldonk Gemeente Meierijstad Coördinaat: 168940/399975

Type onderzoek: booronderzoek Uitvoerder: Archeopro Datum: 27-1-2012 Resultaat: Volgens het gespecificeerd archeologisch verwachtingsmodel geldt voor het plangebied een middelhoge verwachting voor wat betreft de aanwezigheid van archeologische resten daterend vanaf het Paleolithicum tot en met de Nieuwe tijd. Met name resten die samenhangen met huisplaatsen en bijbehorende erfelementen uit de LateMiddeleeuwen en Nieuwe tijd worden verwacht. Om de bodemopbouw in beeld te brengen en de kans op het aantreffen van archeologische indicatoren zo groot mogelijk te maken zijn binnen het plangebied vijf boringen gezet met behulp van een zandguts en een edelmanboor met een diameter van 15 centimeter resulterend in een relatief hoge boordichtheid van 30 boringen per hectare. Uit de resultaten van het booronderzoek blijkt dat de bodem binnen het plangebied niet zoals verwacht uit een hoge enkeerdgrond maar uit een akkereerdgrond met een donker, humusrijk plaggendek (eerdlaag) van slechts 30 tot 50 cm dik bestaat dat direct op het gele dekzand van de C-horizont ligt (AC-profiel). De gemiddelde dikte van het plaggendek (Aa-horizont) bedraagt 42 cm. De overgangszone tussen het plaggendek en de C-horizont is zwak geroerd.

Eventuele restanten van een oorspronkelijke humuspodzol onder het plaggendek ontbreken volledig Tijdens de boorwerkzaamheden zijn in zowel de basis van het plagendek als in de top van (geroerde) C-horizont geen archeologische grondsporen of indicatoren aangetroffen. Vanwege het volledig ontbreken van archeologische indicatoren en de aanwezigheid van een geroerd AC-profiel zonder enige restanten van een oorspronkelijk podzolprofiel, kan de archeologische verwachting van het plangebied worden bijgesteld naar laag. Er is derhalve geen aanleiding om archeologisch vervolgonderzoek te adviseren. Type onderzoek: booronderzoek Uitvoerder: Aeres Milieu Datum: 20-2-2018 Resultaat: Op basis van het uitgevoerde verkennend booronderzoek kan worden gesteld dat de bodemopbouw binnen het plangebied bestaat uit een A-C profiel. De bodem is tot diep in de C-Horizont verstoord en is opgenomen in de toplaag. Uit de dikte van het mengpakket in boring 1, 2, 3 en 4 blijkt dat de bovenste 40 tot 70 centimeter van het oorspronkelijke profiel is verstoord. Eventueel aanwezige archeologische resten zullen niet langer in situ aanwezig zijn. Om die reden wordt de middelhoge verwachting voor de periode tot en met de Vroege-Middeleeuwen uit het bureauonderzoek naar laag bijgesteld. De lage verwachting voor de periode Volle Middeleeuwen tot en met de Nieuwe tijd blijft gehandhaafd.

Om bovenstaande redenen luidt het advies dat geen archeologisch vervolgonderzoek noodzakelijk wordt geacht. Type onderzoek: booronderzoek Uitvoerder: Archeomedia Datum: 14-3-2007 Resultaat: De ondergrond ter plaatse is waarschijnlijk grotendeels en diepgaand (tot ca. 1,0 à 2,6 m -mv) verstoord, en mogelijk opgehoogd. Recente archeologische indicatoren zijn tot op 1,0 à 2,6 m -mv aangetroffen. De kans bestaat dat de bodem door nabije bominslagen is geroerd (zoals bijv. V1 bominslag aan de Antoniusstraat 37-39 uit de Tweede Wereldoorlog). Het terrein zal nadien genivelleerd en opgehoogd kunnen zijn. De boring 005 heeft als enige geen archeologische indicatoren opgeleverd. Wel is in deze boring op 1,60-1,61 m mv een humeuze zandlaag, een mogelijke horizont, vastgesteld. De resultaten van het bureauonderzoek en het inventariserende veldonderzoek geven geen aanleiding tot aanpassingen in de voorgenomen bouwplannen op de onderzoekslocatie. Indien in de zuidwestzijde van de onderzoekslocatie, het gebied ter hoogte van boring 005, dieper ontgraven wordt dan circa 1,5 m -mv, dient mogelijk vervolgonderzoek te worden uitgevoerd. Aanbevolen wordt vooraf overleg te voeren met de bevoegde overheid, de provincie Noord-Brabant.

Type onderzoek: booronderzoek Uitvoerder: BAAC BV Datum: 21-10-2011 Resultaat: Tijdens het veldonderzoek is in het plangebied een intact laarpodzolprofiel aangetroffen in boringen 1 t/m 4. In boring 5 is dit podzolprofiel verstoord. Bij het zeven van het opgeboorde materiaal zijn geen archeologische indicatoren gevonden. De middelhoge verwachting voor het plangebied van het bureauonderzoek kan daarom bijgesteld worden naar een lage verwachting. Vervolgonderzoek is in het plangebied dan ook niet noodzakelijk. Type onderzoek: proefsleuvenonderzoek Uitvoerder: BAAC BV Datum: 11-2-2015 Resultaat: Sloop van funderingen is archeologisch begeleid. Het uitgraven van de bouwput is niet begeleid, omdat geen archeoloog is ingeschakeld bij de graafwerkzaamheden.

4590192100

100 meter ten zuidwesten van het plangebied te Keldonk Gemeente Meierijstad Coördinaat: 168733/399853

2148496100 (21501)

200 meter ten oosten van het plangebied Antoniusstraat Tussen Huisnrs. 28 En 34 te Keldonk Gemeente Meierijstad Coördinaat: 169130/399982

2346119100 (49006)

200 meter ten zuiden van het plangebied te Keldonk Gemeente Meierijstad Coördinaat: 168835/399724

2471483100 (54375)

200 meter ten zuiden van het plangebied Keldonk te Keldonk Gemeente Meierijstad Coördinaat: 168834/399722

Rapport 17141.001 versie 2

2230386100 (33144)

300 meter ten oosten van het plangebied Hackerom Te Keldonk te Keldonk Gemeente Meierijstad Coördinaat: 169180/400127

3983738100

400 meter ten noordoosten van het plangebied te Erp Gemeente Meierijstad Coördinaat: 169172/400295 450 meter ten oosten van het plangebied Keldonk, De Roost 2 te Keldonk Gemeente Meierijstad Coördinaat: 169321/400006

2110602100 (16042)

2311167100 (44336)

450 meter ten zuiden van het plangebied Keldonk, Kampweg te Keldonk Gemeente Meierijstad Coördinaat: 168855/399532

2435462100 (60559)

450 meter ten noordoosten van het plangebied Erp, Hackerom 6 te Erp Gemeente Meierijstad Coördinaat: 169217/400333

Rapport 17141.001 versie 2

Type onderzoek: booronderzoek Uitvoerder: Synthegra BV Datum: 9-2-2009 Resultaat: Het perceel is nu in gebruik als grasland, in de toekomst zullen hier twee woningen gerealiseerd worden. Tijdens de oppervlaktekartering zijn er zeven artefacten aangetroffen. Alle vondsten zijn te dateren op eind Late-Middeleeuwen of in de Nieuwe tijd. Deze vondsten zijn vermoedelijk door bemesting op het veld aangevoerd. Er zijn geen indicaties die wijzen op de aanwezigheid van een vindplaats binnen de grenzen of in de omgeving van het plangebied. Op grond van de resultaten van het onderzoek wordt voor het plangebied geen vervolgonderzoek geadviseerd. Er zijn geen indicaties die erop wijzen dat binnen het plangebied een vindplaats gelegen is. Type onderzoek: proefsleuvenonderzoek Uitvoerder: Archeodienst Gelderland BV Datum: 6-1-2016 Resultaat: Geen rapportage of documentatie aanwezig vanwege faillissement van de organisatie die dit onderzoek heeft uitgevoerd. Type onderzoek: bureauonderzoek Uitvoerder: BAAC BV Datum: 16-2-2006 Resultaat: Het grootste deel van de onderzoekslocatie is al tot minstens 1,80 meter -mv verstoord door de huidige bebouwing. Eventuele archeologische resten zullen hier volledig verdwenen zijn. Buiten deze bebouwing is de bodem mogelijk onverstoord en kan het niet worden uitgesloten dat op deze plek nog archeologische resten aanwezig zijn.

De oppervlakte is echter dusdanig klein (kleiner dan 50 m2) dat een vervolgonderzoek (zelfs in de vorm van een opgraving) vermoedelijk weinig archeologische informatie zal opleveren. Op basis hiervan en op basis van de conclusies van het bureauonderzoek acht BAAC bv een vervolgonderzoek niet noodzakelijk. Type onderzoek: booronderzoek Uitvoerder: BAAC BV Datum: 7-12-2010 Resultaat: In het plangebied zijn 5 boringen gezet, waarbij in de boringen 2 en 5 deels intacte podzolprofielen zijn aangetroffen. De bodem in de overige boringen is sterk verstoord tot in de ongeroerde grond. Hierbij zullen eventuele archeologische niveaus niet meer intact aanwezig zijn. In boring 5 is in de BC-horizont tussen 50 en 65 cm –mv een fragment verbrand hard gebakken aardewerk of natuursteen aangetroffen. Het fragment is niet te dateren. Het is niet evident of het aardewerk of natuursteen betreft, maar wel dat het verbrand is wat vrijwel zeker duidt op antropogene invloed. Een vindplaats kan nog gaaf aanwezig zijn op een diepte vanaf circa 45 cm beneden maaiveld in de zone tussen en rondom de boringen 2 en 5. Op basis van de resultaten van het onderzoek adviseert BAAC bv om bodemingrepen die dieper gaan dan 30 cm beneden maaiveld in de zone tussen en rondom de boringen 2 en 5 te vermijden.

Indien dit niet mogelijk is dan adviseert BAAC bv een archeologisch vervolgonderzoek in de vorm van een proefsleuvenonderzoek. Type onderzoek: booronderzoek Uitvoerder: Archeodienst Gelderland BV Datum: 5-3-2014 Resultaat: Op basis van de resultaten van het booronderzoek is de bodem in het westelijke deel van het plangebied intact en is er een bodemopbouw aanwezig die past bij een middelhoge tot hoge verwachting. Eventuele vindplaatsen vanaf het Neolithicum zijn mogelijk bewaard gebleven. Wanneer de geplande graafwerkzaamheden dieper reiken dan 30 cm beneden maaiveld kunnen eventueel aanwezig archeologische resten verloren gaan en is vervolgonderzoek noodzakelijk of aanpassing van de plannen. De geplande schapen- en paardenstal ligt grotendeels in de zone van het beekdal en deels in de zone van de dekzandwelving. Mogelijk is hier planaanpassing mogelijk, zodat voor de aanleg van de stal niet in de zone van de dekzandwelving gegraven wordt. De geplande vijver in het zuidoosten ligt ook deels in de dekzandwelvingzone en hier zou ook door middel van planaanpassing deze zone kunnen worden ontzien. Indien planaanpassing niet gewenst is door de opdrachtgever adviseert Archeodienst BV een vervolgonderzoek door middel van een karterend onderzoek in de zone met de dekzandwelving

Bijlage 3

Vondstmeldingen

Zaaknummer (Waarnemingsnr.) 3279280100 (436474)

Locatie

Omschrijving

110 meter ten westen van het plangebied Oudestraat te Keldonk Gemeente Meierijstad Coördinaat: 168696/399990

Type onderzoek: graafwerkzaamheden Uitvoerder: particulier Nieuwe tijd : - fragment van een metalen klok/bel - 25 fragmenten van keramische pispotten Type onderzoek: onbekend Uitvoerder: particulier Romeinse tijd : - 48 zilveren munten, denarius Type onderzoek: graafwerkzaamheden Uitvoerder: particulier Mesolithicum - Neolithicum : - vuursteen kern - vuursteen afslag

2846205100 (444848)

3279183100 (436476)

250 meter ten noordwesten van het plangebied Oudestraat te Keldonk Gemeente Meierijstad Coördinaat: 168600/400180 300 meter ten westen van het plangebied Oudestraat te Keldonk Gemeente Meierijstad Coördinaat: 168530/400100

Late-Middeleeuwen - Nieuwe tijd : - fragment van een plantaardig, hout speelgoed

2230386100 (421066)

350 meter ten oosten van het plangebied Hackerom te Keldonk Gemeente Meierijstad Coördinaat: 169183/400115

Nieuwe tijd : - fragmenten van keramische speelgoed - 4 fragmenten van geglazuurde steengoed kannen Neolithicum - Nieuwe tijd : - aardewerk Romeinse tijd - Nieuwe tijd : - fragment van een dakpan Late-Middeleeuwen - Nieuwe tijd : - fragment van steengoed - 2 fragmenten van roodbakkend geglazuurd aardewerk

2311167100 (425664)

3279289100 (436478)

Rapport 17141.001 versie 2

450 meter ten zuiden van het plangebied Keldonk, Kampweg te Keldonk Gemeente Meierijstad Coördinaat: 168878/399521 500 meter ten noordwesten van het plangebied Oudestraat te Keldonk Gemeente Meierijstad Coördinaat: 168365/400248

Nieuwe tijd : - 2 fragmenten van geglazuurde steengoed bekers Neolithicum - Nieuwe tijd : - fragment van een keramisch object,

Type onderzoek: graafwerkzaamheden Uitvoerder: particulier Neolithicum - IJzertijd : - slijpsteen

Bijlage 4

Bewoningsgeschiedenis van Nederland

Als aanvullende informatie wordt hieronder een algemene ontwikkeling van de bewoningsgeschiedenis van Nederland weergegeven. Paleolithicum (tot circa 8800 v. Chr.) De vroegste bewoningssporen in Nederland uit deze periode dateren uit de voorlaatste ijstijd, circa 300.000-130.000 jaar geleden. Waarschijnlijk hebben in de koudste fasen van de ijstijden in Nederland geen mensen geleefd. Daarentegen was bewoning in de warmere perioden wel mogelijk. De mensen die hier toen leefden trokken als jagers/vissers/verzamelaars rond in kleine groepen en maakten gebruik van tijdelijke kampementen. Veranderingen in het klimaat zorgden voor een veranderende flora en fauna. Tijdens de koude perioden bestond het groot wild onder meer uit rendieren, mammoeten, paarden en steppewisenten. Vooral op paarden en rendieren werd in het LaatPaleolithicum intensief jacht gemaakt. Tijdens de warmere perioden werd er onder andere op herten, wilde zwijnen en oerossen gejaagd. Mesolithicum (circa 8800-4900 v. Chr.) Rond de overgang van het Pleistoceen naar het Holoceen (circa 9000 v. Chr.) verbeterde het klimaat voor een langdurige periode. De gemiddelde temperatuur steeg, waardoor de variatie in flora en fauna (o.a. bosontwikkeling) toenam. De mens kreeg nu de mogelijkheid om meer gevarieerd te eten: vruchten en andere eetbare gewassen stonden nu vaker op het menu.

Doordat de temperatuur steeg, trok het groot wild (met name rendieren) naar het noorden, en maakte plaats voor meer territoriumgebonden klein wild, vogels en vissen. Door deze veranderende leefomstandigheden werd de jachttechniek aangepast. De vuursteen bewerkingstechniek hield met deze ontwikkeling gelijke tred. Er werden kleine vuursteenspitsen vervaardigd die als pijl- en harpoenpunt werden gebruikt. Met de stijging van de temperatuur begon het landijs te smelten en de zeespiegel te stijgen. Het tot dan toe droge Noordzee-Bekken kwam onder water te staan. De groepen jagers/vissers/verzamelaars wisselden nog wel van locatie maar exploiteerden kleinere gebieden. In het voorjaar viste men in de rivieren, tijdens de zomer leefde men voornamelijk langs de kust, waar naast vis en schaaldieren ook zeehonden als voedselbron dienden. In de herfst verzamelde men noten en vruchten, terwijl in de winter op onder meer pelsdieren werd gejaagd. Neolithicum (circa 5300-2000 v. Chr.) Aan het begin van deze periode gingen het jagen, vissen en verzamelen een steeds minder belangrijke rol spelen. Men ging nu zelf cultuurgewassen telen en dieren houden bij het kamp.

Uit vondsten valt af te leiden dat het om twee groepen mensen gaat, enerzijds kolonisten met een vrijwel agrarische levenswijze, anderzijds om de autochtone mesolitische bevolking die een halfagrarische levensstijl erop na gaat houden. Deze verandering ging gepaard met enkele technologische en sociale vernieuwingen zoals: het wonen op een vaste plek in een huis, het gebruik van vaatwerk van (gebakken) klei en de introductie van geslepen stenen dissels en bijlen. De bevolking groeide nu gestaag, mede door de productie van overschotten. Uit het Neolithicum zijn verschillende nu nog zichtbare grafmonumenten bekend, te weten grafkelders, hunebedden en grafheuvels. Bronstijd (circa 2000-800 v. Chr.) Het begin van dit tijdvak valt samen met het eerste gebruik van bronzen voorwerpen zoals bijlen. Vuurstenen werktuigen bleven, zij het minder, in gebruik. Het aardewerk uit deze periode is over het algemeen tamelijk zeldzaam. Vuursteenmateriaal uit de Bronstijd is meestal niet goed te onderscheiden van dat uit andere perioden. Lange tijd bleven bronzen voorwerpen zeer schaars binnen Nederlands grondgebied. Door het van nature ontbreken van de benodigde grondstoffen moest het brons worden geïmporteerd en ontstonden er handelscontacten over langere afstanden. Eén en ander had

Rapport 17141.001 versie 2

wel tot gevolg dat er binnen de bevolking grotere verschillen ontstonden door verschillen op basis van bezit. De grafheuveltraditie, die tijdens het Neolithicum haar intrede deed, werd in eerste instantie voortgezet, maar rond 1200 v. Chr. vervangen door begravingen in urnenvelden. Het gaat hier om ingegraven urnen met crematieresten waar overheen kleine heuveltjes werden opgeworpen, omgeven door een greppel. Een Kopertijd voorafgaand aan de Bronstijd wordt in Noordwest-Europa niet onderscheiden, in tegenstelling tot bijvoorbeeld het Middellandse Zeegebied. Wel zijn uit het LaatNeolithicum koperen voorwerpen bekend. IJzertijd (circa 800-12 v. Chr.) In deze periode werden voor het eerst ijzeren voorwerpen vervaardigd. Voor de productie van werktuigen en wapens werd brons vervangen door ijzer. Er ontstond een inheemse ijzerproductie. Het gebruik van vuursteen voor het vervaardigen van werktuigen duurde nog in beperkte mate voort. Ten opzichte van de Bronstijd traden er in de aardewerktraditie geen radicale veranderingen op. Evenals in het Neolithicum en de Bronstijd woonden de mensen in verspreid liggende hoeven ('Einzelhöfe') of in nederzettingen bestaande uit maar enkele huizen; deze werden in een beperkt gebied nogal eens verplaatst. Op de hogere zandgronden ontstonden uitgebreide omwalde akkercomplexen ('Celtic fields').

Opvallend zijn de verschillen in materiële welstand (bezit van metalen voorwerpen), die mogelijk op sociale ongelijkheid duiden. In de zogenaamde vorstengraven uit Zuid Nederland, met daarin luxe, geïmporteerde bijgaven, zijn vermoedelijk lokale of regionale autoriteiten begraven. De meeste begravingen vonden nog immer plaats in urnenvelden. Tijdens de IJzertijd werd het Friese kustgebied gekoloniseerd en ontstonden de eerste terpen. Romeinse tijd (circa 12 v. Chr. - 450 n. Chr.) Met de komst van de Romeinen eindigt de prehistorie en begint de geschreven geschiedenis. Aangezien de schriftelijke bronnen slechts een zeer fragmentarisch beeld schetsen, is men toch nog in belangrijke mate aangewezen op de archeologie als informatiebron. Een tijd lang diende het Nederlandse rivierengebied als uitvalsbasis voor veldtochten in het noorden van Germanië. In 47 n. Chr. werd de Rijn definitief als Romeinse rijksgrens ingesteld. Ter controle en verdediging van deze zogenaamde 'limes' werden langs de Rijn, tot diep in Duitsland, 'castella' (militaire forten) gebouwd. De inheemse manier van leven handhaafde zich nog lange tijd. Wel werd, vooral na de opstand van de Bataven tegen de Romeinse overheersers in 69-70 n. Chr., de Romeinse invloed steeds duidelijker.

In veel inheems-Romeinse nederzettingen was bijvoorbeeld, naast het eigen handgevormde aardewerk, Romeins importaardewerk in gebruik, dat op de draaischijf was vervaardigd. Er werden, vooral in Limburg, grootse villa's (Romeinse herenboerderijen) gebouwd, hetzij nieuw gesticht, hetzij ontwikkeld vanuit een bestaande inheemse nederzetting. De Romeinen legden een voor die tijd al uitgebreide infrastructuur aan, waardoor het gebied steeds beter werd ontsloten. Op verschillende plaatsen ontstonden aanzienlijke nederzettingen, waarvan er enkele met een stedelijk karakter (zoals Nijmegen). De inheemse bevolking, ten noorden van de Limes, werd niet zo sterk beïnvloed door de Romeinse aanwezigheid. Er was wel sprake van handelscontacten en het uitwisselen van geschenken. In de tweede helft van de derde eeuw ontstond, onder meer door invallen van Germaanse stammen, een instabiele situatie die met korte onderbrekingen voortduurde tot in de vijfde eeuw. Uiteindelijk leidde dit in het jaar 406 tot de definitieve ineenstorting van de grensverdediging langs de Rijn. Middeleeuwen (circa 450-1500 n. Chr.) Over de Vroege-Middeleeuwen, vooral over het tijdvak 450-600 n. Chr., is relatief weinig bekend. Zowel historische bronnen als archeologische overblijfselen zijn schaars. De bevolkingsomvang was ten opzichte van de voorafgaande periode sterk afgenomen.

De marktgerichte economie verdween en de mensen vielen terug op zelfvoorziening. De politieke macht was na het wegvallen van de Ro-

Rapport 17141.001 versie 2

meinse staatsorganisatie in handen gekomen van regionale en lokale hoofdlieden. Een gezaghebbende status was nu vooral gebaseerd op militair succes en materiële welstand. Deze instabiele periode wordt ook wel aangeduid als de 'tijd van de volksverhuizingen'. Vanaf de 10e – 11e eeuw wordt een overheersende positie van de al dan niet adellijke grootgrondbezitters waargenomen. Dit vertaalt zich in nieuwe nederzettingsvormen als mottes, kastelen en versterkte hoeven. In verband met de aanhoudende bevolkingsgroei, en mede dankzij gunstige klimatologische omstandigheden, werd een begin gemaakt met het ontginnen van woeste gronden als bos, heide en veen. Veel van de huidige dorpen en steden dateren uit deze periode. Door de aanleg van dijken en kaden werden laaggelegen gebieden beschermd tegen wateroverlast. De heersende rivaliteit tussen de vorsten leidde, in combinatie met een zwak centraal gezag, veelvuldig tot lokaal geweld, waarvan de bevolking vaak het slachtoffer werd. Door het aanleggen van burgen, schansen, landweren en wallen trachtte men zich te beveiligen. Nieuwe tijd (1500-heden) De Nieuwe tijd kenmerkt zich door een groot aantal veranderingen vooral op het gebied van mens- en wereldbeeld. Er is sprake van een Europese overzeese expansie wat leidt tot handelscontacten, handelskapitalisme en het begin van een wereldeconomie.

Er ontstaat een nieuwe wetenschappelijke belangstelling die resulteert in vele uitvindingen. Deze uitvindingen vormen de motor van de industriele revolutie. Er ontstaat een nationale staat die centraal bestuurd wordt. Als gevolg van deze ontwikkelingen neemt het belang en de omvang van steden toe en neemt de macht van adel af. Het grootste deel van de bevolking is niet meer werkzaam en woonachtig op het platteland maar in de steden. In verband met de aanhoudende bevolkingsgroei worden aan het eind van de 19e tot het begin van de 20e eeuw op grote schaal woeste gronden gecultiveerd. Door de industriële revolutie komen steeds meer producten beschikbaar voor steeds meer mensen waardoor de welvaart stijgt. In de Nieuwe tijd vindt er eveneens een hernieuwde oriëntatie op het erfgoed van de klassieke Oudheid plaats, wat zich tot in het begin van de 20e eeuw uit in de kunsten.

Rapport 17141.001 versie 2

Bijlage 5

AMZ-cyclus

Het AMZ-proces Archeologisch onderzoek in Nederland wordt in het algemeen uitgevoerd binnen het kader van de Archeologische Monumentenzorg (AMZ). Het gehele traject van de AMZ omvat een aantal stappen die elkaar kunnen opvolgen, afhankelijk van het resultaat van de voorgaande stappen. Om inhoudelijke, prijs- en planningstechnische redenen kan er soms voor gekozen worden om bepaalde stappen gelijktijdig uit te voeren. Bovendien kan, indien reeds voldoende gegevens bekend zijn, een stap worden overgeslagen. Elke stap eindigt met een rapport met daarin een advies voor de vervolgstappen. Na elke stap wordt er een besluit genomen door de bevoegde overheid, gemeente, provincie of de Rijksdienst voor het Cultureel Erfgoed, op basis van de resultaten van het archeologisch onderzoek. Indien na een bepaalde stap blijkt dat geen nader vervolgonderzoek nodig is, wordt het archeologisch onderzoek afgesloten. Ook kan de bevoegde overheid besluiten dat een vindplaats van zo groot belang is, dat deze in situ behouden moet worden. Dan dienen de archeologische resten in de grond beschermd te worden door planaanpassing of planinpassing. Het begint met het bepalen van de onderzoeksplicht. Gemeentelijke, provinciale en landelijke archeologische waardenkaarten geven aan of het plangebied in een gebied ligt met een archeologische verwachting.

Indien dit het geval is, dan zal er in het kader van de planprocedure onderzoek verricht moeten worden om te bepalen of er archeologische waarden binnen het plangebied aanwezig zijn. Hiermee start de zogenaamde AMZ-cyclus (zie schema). De eerste fase: Bureauonderzoek Elk archeologisch onderzoek begint met een bureauonderzoek. Dit heeft tot doel het verwerven van informatie, aan de hand van bestaande bronnen, over bekende of verwachte archeologische waarden, binnen het plangebied om tot een gespecificeerd verwachtingsmodel te komen, op basis waarvan een beslissing genomen kan worden ten aanzien van een eventuele vervolgstap. De tweede fase: Inventariserend VeldOnderzoek (IVO) Het doel van een IVO is het aanvullen en toetsen van het gespecificeerde verwachtingsmodel. Het IVO moet informatie geven over de aan- of afwezigheid, de aard, het karakter, de omvang, de datering, de gaafheid, de conservering en de inhoudelijke kwaliteit van de archeologische waarden. Inventariserend Veldonderzoek; Booronderzoek en Veldkartering Door een booronderzoek kan er een goede inschatting gemaakt worden van de kans op archeologische waarden (grondsporen en daarmee samenhangende voorwerpen). Bij het booronderzoek is een onderscheid aangebracht in een verkennende, karterende en waarderende fase.

De verkennende fase heeft tot doel inzicht te krijgen in de vormeenheden van het landschap, voor zover deze van invloed zijn op de locatiekeuze. Op deze manier worden kansarme zones uitgesloten en kansrijke zones geselecteerd voor de volgende fasen. Tijdens de karterende fase wordt het onderzoeksgebied systematisch onderzocht op de aanwezigheid van archeologische vondsten of sporen. De waarderende fase sluit aan op de karterende fase. Het waarnemingsnet kan verdicht worden om de horizontale begrenzing, ligging en omvang van archeologische vindplaatsen vast te stellen. Een veldkartering wordt uitgevoerd wanneer vondsten of sporen aan de oppervlakte worden verwacht en zichtbaar zijn op het moment dat het onderzoek uitgevoerd wordt. Dit type onderzoek bestaat uit het systematisch belopen van het maaiveld van het plangebied.

Rapport 17141.001 versie 2

Inventariserend Veldonderzoek; Proefsleuven Als uit vooronderzoek blijkt dat binnen het plangebied archeologische resten aangetroffen kunnen worden kan de bevoegde overheid beslissen tot een proefsleuvenonderzoek. Proefsleuven zijn lange sleuven van minimaal twee tot vijf meter breed die worden aangelegd in de zones waar in de voorgaande onderzoeksfase aanwijzingen voor vindplaatsen zijn aangetroffen. De KNA schrijft voor dat bij een dergelijk onderzoek minimaal 5% van het te verstoren gebied onderzocht dient te worden. Variant archeologische begeleiding Als het vooronderzoek niet voldoende informatie heeft opgeleverd om de archeologische waarde van de archeologische resten te bepalen en indien proefsleuvenonderzoek door praktische redenen niet uitvoerbaar is, kan besloten worden tot proefsleuven variant archeologische begeleiding van de sloop- of graafwerkzaamheden. Dit betekent dat archeologen bij het graafwerk aanwezig zijn om het werk te volgen en eventuele resten te documenteren. Wanneer tijdens de werkzaamheden vondsten (van hoge archeologische waarde) naar boven komen, die aanleiding geven tot nader onderzoek, kan alsnog besloten worden om tot een opgraving over te gaan.

De derde fase: Opgraven Indien de archeologische resten niet in situ bewaard kunnen blijven, maar wel van belang zijn voor de wetenschap, kan de bevoegde overheid besluiten over te gaan tot een opgraving. Het doel hiervan is volgens de KNA het documenteren van gegevens en het veiligstellen van materiaal van vindplaatsen om daarmee informatie te behouden, die van belang is voor kennisvorming over het verleden. Variant archeologische begeleiding Als het vooronderzoek niet voldoende informatie heeft opgeleverd om de archeologische waarde van de archeologische resten te bepalen, kan besloten worden tot een opgraving variant archeologische begeleiding van de sloop- of graafwerkzaamheden. Dit betekent dat archeologen bij het graafwerk aanwezig zijn om het werk te volgen en eventuele resten te documenteren. Wanneer tijdens de werkzaamheden vondsten (van hoge archeologische waarde) naar boven komen, die aanleiding geven tot nader onderzoek, kan alsnog besloten worden om tot een opgraving over te gaan.

Rapport 17141.001 versie 2

Schema van de Archeologische Monumenten Zorg Vergunningaanvraag/ruimtelijke ontwikkeling ▼ Toetsing aan archeologisch beleid (Gemeente, Provincie, Rijk) ▼ Bureauonderzoek* (verzamelen gegevens en opstellen verwachtingsmodel) ▼ Besluit (door de bevoegde overheid op basis van resultaten) ▼ Inventariserend veldonderzoek* ▼ ▼ Verkennend veldonderzoek ►**** Karterend veldonderzoek Door middel van: Door middel van: - terreininspectie - oppervlaktekartering booronderzoek** - booronderzoek** - proefsleuven*** ▼ ▼***** Besluit (door de bevoegde overheid op basis van resultaten) ▼ Bewezen of hoge kans op de aanwezigheid van archeologie ▼****** Waarderend veldonderzoek door middel van proefsleuven*** (variant begeleiding) ▼ Besluit (door de bevoegde overheid op basis van resultaten) ▼ ▼ Opgraven*** Beschermen Verwijderen van de Bescherming van de archeologische archeologie door resten door archeoplanaanpassing logen (variant begeleiding)

► Vergunningverlening indien geen onderzoek noodzakelijk wordt geacht.

► Bij geen of geringe kans op aanwezigheid van archeologie. Einde onderzoek, vrijgeven voor functie (eventueel met bouwkundige voorwaarden). Ook kan besloten worden over te gaan op het begeleiden van de graafwerkzaamheden door archeologen.***

► Bij geen of geringe kans op aanwezigheid van archeologie. Einde onderzoek, vrijgeven voor functie (eventueel met bouwkundige voorwaarden). Ook kan besloten worden over te gaan op het begeleiden van de graafwerkzaamheden door archeologen.*** ► Bij geen of geringe kans op aanwezigheid van archeologie, wel archeologische waarden aanwezig maar geen vervolgonderzoek noodzakelijk op grond van waardering. Einde onderzoek, vrijgeven voor functie (eventueel met bouwkundige voorwaarden).

* Combinatie bureauonderzoek en IVO verkennende of karterende fase mogelijk, indien een PvA aanwezig is. ** Voorafgaand aan het booronderzoek dient een PvA worden opgesteld, toetsing door de bevoegde overheid. *** Voorafgaand aan het onderzoek dient een PvE en PvA te worden opgesteld, toetsing door de bevoegde overheid. **** Na een verkennend booronderzoek kan de bevoegde overheid besluiten dat een aanvullend karterend bureauonderzoek moet worden uitgevoerd. ***** Een combinatie van bureauonderzoek en IVO karterende en waarderende fase door middel van proefsleuven is mogelijk, indien een PvA en een goedgekeurd PvE aanwezig is en met instemming van de bevoegde overheid. ****** Een combinatie van bureauonderzoek en IVO karterende en waarderende fase door middel van proefsleuven of een IVO karterende en waarderende fase door middel van proefsleuven is mogelijk, indien een PvA en een goedgekeurd PvE aanwezig is en met instemming van de bevoegde overheid.

Rapport 17141.001 versie 2

Bijlage 6

Rapport 17141.001 versie 2

Planontwerp

Bijlage 7

Rapport 17141.001 versie 2

Boorprofielen

Legenda (conform NEN 5104) grind

klei

geur

Grind, siltig

Klei, zwak siltig

Grind, zwak zandig

Klei, matig siltig

geen geur zwakke geur matige geur sterke geur

Grind, matig zandig

Klei, sterk siltig

Grind, sterk zandig

Klei, uiterst siltig

Grind, uiterst zandig

Klei, zwak zandig

uiterste geur

olie geen olie-water reactie zwakke olie-water reactie matige olie-water reactie sterke olie-water reactie Klei, matig zandig

Klei, sterk zandig

zand

uiterste olie-water reactie

p.i.d.-waarde >0

Zand, kleiïg

>1 >10 Zand, zwak siltig

>100

leem

>1000

Zand, matig siltig

Leem, zwak zandig

>10000

Zand, sterk siltig

Leem, sterk zandig

monsters geroerd monster

Zand, uiterst siltig

overige toevoegingen zwak humeus

veen Veen, mineraalarm

matig humeus

Veen, zwak kleiïg

sterk humeus

ongeroerd monster volumering

overig bijzonder bestanddeel Gemiddeld hoogste grondwaterstand grondwaterstand

Veen, sterk kleiïg

zwak grindig

Veen, zwak zandig

matig grindig

Veen, sterk zandig

sterk grindig

Gemiddeld laagste grondwaterstand slib

water

Rapport 17141.001 versie 2

Bijlage 3 Selectieadvies archeologische monumentenzorg

Gemeente Meierijstad Selectieadvies AMZ, 21-12-2021

613

Selectieadvies archeologische monumentenzorg Gemeente Meierijstad Antoniusstraat 15 te Keldonk - gemeente Meierijstad archeologisch bureauonderzoek en verkennend booronderzoek Econsultancy Rapportnr. 17141.001 Econsultancy (definitieve versie rapport)

Naam

Afdeling/bedrijf

Datum

Opsteller

Juan van der Roest

senior archeoloog, 21-12-2021 gemeente ’s-Hertogenbosch afdeling SO/Erfgoed

Controle

Stefan Molenaar

senior archeoloog, 21-12-2021 gemeente ’s-Hertogenbosch afdeling SO/Erfgoed

Controle Gemeente Meierijstad

Mark van den Broek

medewerker Erfgoed gemeente Meierijstad

21-12-2021

Paraaf

SM

Selectieadvies AMZ - Antoniusstraat 15 te Keldonk - gemeente Meierijstad - BO + IVO-B - Econsultancy - 613

1 Inleiding In opdracht van Bouwbedrijf Van Grunsven B.V. heeft Econsultancy in oktober 2021 archeologisch onderzoek uitgevoerd voor een plangebied gelegen aan de Antoniusstraat 15 te Keldonk. De initiatiefnemer is voornemens 23 woningen in het plangebied te realiseren. Om deze ontwikkeling mogelijk te maken, moet eerst een wijziging van het bestemmingsplan worden doorgevoerd. Hierbij moet ook inzichtelijk worden gemaakt welke archeologische waarden binnen het plangebied kunnen worden verwacht. Het plangebied valt binnen het Bestemmingsplan Keldonk (2011). Volgens dit bestemmingsplan heeft het de dubbelbestemming Waarde - Archeologie. Volgens de bijbehorende planregels is archeologisch onderzoek noodzakelijk bij bodemingrepen groter dan 100 m2 en dieper dan 30 cm -mv. De dubbelbestemming is afgeleid van de (later geactualiseerde) archeologische verwachtingskaart van de (voormalige) gemeente Veghel en de bijbehorende beleidsnota. Volgens de beleidskaart ligt het plangebied in een zone met een middelhoge archeologische verwachting. Archeologisch onderzoek is noodzakelijk om te bepalen of er archeologische waarden aanwezig zijn binnen het plangebied en of deze door de voorgenomen bodemingrepen kunnen worden aangetast. Dit rapport voorziet in die plicht. De gemeente Meierijstad is - als bevoegde overheid - nu gevraagd het rapport te beoordelen en een selectieadvies op te stellen.

Het rapport is daartoe voorgelegd aan de afdeling SO / Erfgoed van de gemeente ’s-Hertogenbosch. 1.1 Het plangebied Het plangebied, ca. 7.000 m2, ligt aan de Antoniusstraat 15, aan de N. rand van de kern van Keldonk. Het is kadastraal bekend als Erp, sectie P, nrs 413, 419, 912 en 2044. Het plangebied is momenteel deels met stallen en een woning bebouwd en deels in gebruik als verhard erf en als grasland. 1.2 Aard van de bedreiging In het plangebied zijn 23 woningen, 53 parkeerplaatsen en groenstroken met een vijver gepland. Hierbij zal een groot deel van het plangebied worden bebouwd en/of vergraven. Het exacte oppervlak en de diepte van verstoring ten behoeve van de nieuwbouw zijn nog niet bekend. Deze werkzaamheden kunnen tot gevolg hebben dat eventueel aanwezige archeologische waarden worden verstoord. 2 Archeologisch onderzoek Econsultancy heeft het onderzoek in oktober 2021 uitgevoerd ; resultaten zijn vastgelegd in : Stiekema, M., 2021 : Archeologisch bureauonderzoek en verkennend booronderzoek Antoniusstraat 15 te Keldonk - Gemeente Meierijstad - Econsultancy Rapportnr. 17141.001 - conceptversie v. 2 - 20 december 2021. Eerder was de conceptversie (v. 1 - 25 oktober 2021 ) van dit rapport beoordeeld ; daarbij waren enkele op- en aanmerkingen gemaakt die in deze versie in voldoende mate zijn verwerkt, zie 3 Beoordeling.

De tekst is automatisch uit het bestand gehaald en kan afwijken van het origineel (kolommen, tabellen en koppen lopen door elkaar). Het officiële stuk bij de gemeente is leidend. Bron: https://api1.ibabs.eu/publicdownload.aspx?site=Meierijstad&id=a150e719-43f7-4119-8b71-1d91c1ce72a2