Bijlage 9 Toelichting Weverspad 1 (inclusief bijlagen)
Tekst van het document
In het beginsel dient een rijbak binnen de bestemming ‘Wonen’ gerealiseerd te worden. De beoogde rijbak heeft een afmeting van 20 bij 40 meter. Binnen de beoogde woonbestemming is het niet mogelijk om de rijbak te realiseren. Tussen de voormalige rundveestal en de rand van het bestemmingsvlak bevindt zich 23 meter. Wanneer de rijbak ten zuiden van het beoogde bestemmingsvlak, naast de voormalige rundveestal en Weverspad (straat) wordt gesitueerd is het niet mogelijk om de stal rondom te bereiken. Hierbij komt de rijbak deels op de bestaande erfverharding te liggen, waardoor de rijbak een obstakel vormt om de in- en uitrit naar de straat te bereiken. De bereikbaarheid van de voormalige rundveestal, dat in de beoogde situatie gebruikt kan worden ten behoeve van (gedeeltelijk) agrarische activiteiten bij wijze van hobby en/of ten behoeve van een aan huis verbonden beroep of bedrijf, wordt hierdoor beperkt. Het bijgebouw is minder toegankelijk voor vrachtwagens, bestelbussen of werktuigen zoals landbouwtrekkers. Daarnaast is het kader van veiligheid niet wenselijk dat de beoogde rijbak direct naast de stal te situeren. Het is daarom voor de initiatiefnemer wenselijk dat de beoogde rijbak direct grenzend aan de bestemming ‘Wonen’ wordt gerealiseerd. Binnen 50 meter van de beoogde rijbak zijn geen woningen van derden gelegen.
De oppervlakte van de beoogde rijbak bedraagt ongeveer 20 bij 40 meter. Het totaal oppervlakte is hierbij ongeveer 800 m2. Er worden maximaal 4 lichtmasten gerealiseerd met een maximale hoogte van 6 meter. Binnen 100 meter van de lichtmasten bevinden zich geen gronden met de bestemming ‘Bos’, ‘Natuur’ en ‘Groen’. De maximale bouwhoogte van de omheining van de rijbak is niet hoger dan 2 meter. De dichtstbijzijnde woning van derden is gelegen op ruim 100 meter afstand vanaf de rijbak. Gezien het hobbymatig gebruik en de ruime afstanden kan worden gesteld dat de belangen van derden worden niet onevenredig geschaad worden en er is geen sprake van onevenredige milieuhygiënische belemmeringen. Door de rijbak ten westen van de voormalige rundveestal te situeren ligt de rijbak uit het zicht. Door beplanting ten zuiden van de rijbak te plaatsen wordt het geheel landschappelijk ingepast. Ten behoeve van het project is er een landschappelijk inpassingsplan opgesteld. Dit is nader beschreven in paragraaf 3.1.3 en 4.5. Het initiatief voldoet hiermee aan de voorwaarden zoals opgenomen Artikel 37 Algemene afwijkingsregels, lid b van het bestemmingsplan het bestemmingsplan ‘Buitengebied SintOedenrode, herziening 4’.
Ruimtelijke onderbouwing Weverspad 1 te Sint-Oedenrode
24
4. Milieuhygiënische en planologische aspecten Op grond van het bepaalde in het Besluit ruimtelijke ordening (Bro) is het verplicht om inzicht te bieden in de relevante milieuhygiënische en planologische aspecten. In dit hoofdstuk worden deze aspecten beschreven. 4.1. Milieueffectrapportage en vormvrije m.e.r.-beoordeling Een milieueffectrapportage (MER), en de bijbehorende procedure (m.e.r.), is een hulpmiddel om de belangen van het milieu volwaardig te betrekken bij de besluitvorming over plannen en projecten. Het gaat hierbij enkel om plannen en projecten die kunnen leiden tot initiatieven waardoor het milieu mogelijk nadelig wordt beïnvloed. Als uitgangspunt gelden voor plannen, waaronder partiële herzieningen, onderstaande criteria om te beoordelen of een MER noodzakelijk is: - Plannen waarvoor een passende beoordeling nodig is in verband met een mogelijk significant negatief effect op Natura 2000 gebieden. - Plannen die kaderstellend zijn voor toekomstige m.e.r.- (beoordelings)plichtige besluiten; Ten aanzien van het eerste criterium geldt dat er in deze situatie geen sprake is van een plan waarvoor een passende beoordeling nodig is in verband met een mogelijk significant negatief effect op Natura 2000-gebieden. In paragraaf 4.3.2 is een uitgebreide toelichting opgenomen voor de mogelijke effecten van het plan op de Natura 2000-gebieden.
Op basis van deze paragraaf kan worden geconcludeerd dat het project geen significant effect heeft op de Natura 2000-gebieden Een plan is kaderstellend voor een toekomstig m.e.r.- (beoordelings)plichtig besluit indien er sprake is van een overschrijding van de grenswaarden uit de C- of D-lijst van het Besluit m.e.r. Onder de grenzen uit de C- en D-lijst van het Besluit m.e.r. geldt sinds 7 juli 2017 een vormvrije m.e.r.-beoordelingsplicht. Dit houdt in dat er bekeken moet worden of er bij het initiatief sprake is van dusdanig bijzondere omstandigheden of milieueffecten dat er toch een MER moet worden opgesteld. Het initiatief betreft het in gebruik nemen van een voormalige agrarische bedrijfswoning als burgerwoning. Het gaat dus om een functiewijziging, die verder geen milieuhygiënische effecten heeft op de omgeving. Hieruit kan worden geconcludeerd dat er voor het initiatief geen (vormvrije) m.e.r.beoordelingsplicht geldt. Uit bovenstaande kan worden geconcludeerd dat er geen sprake is van een verplichting tot het opstellen van een MER en het doorlopen van de bijbehorende procedure. 4.2. Waterhuishouding Sinds 1 november 2003 is het verplicht om bij ruimtelijke ingrepen de watertoets toe te passen. Deze verplichting is wettelijk geregeld in het Besluit ruimtelijke ordening (Bro).
Door middel van deze watertoets moet inzicht worden geboden in de effecten van het initiatief op de waterhuishouding. In het kader van de watertoets dient de gemeente voorafgaand aan de procedure het voornemen van de ruimtelijke ingreep aan het waterschap te verzenden. De gemeente en het waterschap kunnen afspraken maken over de wijze waarop het aspect water in het ruimtelijk plan is opgenomen. In deze waterparagraaf komen de volgende onderdelen aan bod: - Beschrijving waterrelevant beleid; - Bestaande waterhuishoudkundige situatie; - Beoogde waterhuishoudkundige situatie.
4.2.1. Waterrelevant beleid
De Europese Kaderrichtlijn Water (KRW) is vanaf 22 december 2000 van kracht. De KRW heeft als doel om te komen tot schone, ecologisch gezonde stroomgebieden, waarin water op een duurzame manier wordt gebruikt. Om dit doel te bereiken is een systematiek opgesteld die alle Europese lidstaten in de nationale wetgeving moeten implementeren en uitvoeren. De Nederlandse regering heeft invulling aan de KRW gegeven door middel van de Waterwet, die in werking is getreden op 22 december 2009. De Waterwet regelt het beheer van het oppervlakte- en grondwater en verbetert ook de samenhang tussen het waterbeleid en ruimtelijke ordening. De visies met betrekking tot het waterbeleid worden door de verschillende bestuurslagen in diverse plannen beschreven.
Ruimtelijke onderbouwing Weverspad 1 te Sint-Oedenrode
25
Provincie Het beleid van de provincie Noord-Brabant richt zich op het bereiken en in stand houden van watersystemen die ruimte bieden aan een gezond leefmilieu voor mens, dier en plant. Daarbij zijn economische en ecologische ontwikkelingen met elkaar in evenwicht en is het hebben en houden van een veilige en bewoonbare provincie een randvoorwaarde. Dit beleid is vertaald in de Omgevingsvisie en Interim omgevingsverordening Noord-Brabant. De belangrijkste aspecten zijn: - Een robuust en veerkrachtig water- en natuursysteem; - Een betere waterveiligheid door preventie; - Koppeling van waterberging en droogtebestrijding. Zoals reeds uiteen is gezet in paragraaf 3.2.3 liggen er binnen de Iov geen werkingsgebieden voor wat betreft het aspect water op de projectlocatie. Er zijn derhalve geen voorwaarden waar in het kader van de Iov aan getoetst dient te worden. De watertoets en de wijze waarop de provincie daar mee omgaat, is beschreven in het Provinciaal Milieu en Waterplan (PMWP). Provinciale Staten hebben op 18 december 2015 het Provinciaal Milieu- en Waterplan 2016 – 2021 ‘Samen naar een duurzaam gezonde en veilige leefomgeving in Brabant vastgesteld (PMWP). Hiermee zijn twee aparte provinciale plannen samengevoegd, te weten het voormalige ‘PWP 2010-2015’ en het ‘Provinciale Milieuplan 2012-2015’.
Het doel van dit plan is het creëren van een gezonde leefomgeving voor mens, dier en plant, waarin we veilig kunnen wonen en waar ruimte is voor economische, maatschappelijke en ecologische ontwikkelingen. Het aspect water maakt hier onderdeel van uit. Kort gezegd gaat het PMWP voor: - Voldoende water voor mens, plant en dier; - Schone en gezonde leefomgeving (bodem, water en lucht); - Bescherming van Brabant tegen overstromingen en externe risico’s; - Verduurzaming van de grondstoffen-, energie- en voedselvoorziening. Gemeenten en waterschappen dienen hun waterbeleid te baseren op de uitgangspunten die de provincie in hun PMWP stelt. De PMWP is enkel voor de provincie Noord-Brabant zelf bindend. Zoals weergegeven is in afbeelding 11 heeft de projectlocatie in het PMWP de waterhuishoudkundige ‘Water voor het gemengd landelijk gebied’ toegekend gekregen. Deze aanduiding komt overeen met de aanduiding ‘gemengd landelijk gebied’ uit de Structuurvisie ruimtelijke ordening en de Interim omgevingsverordening Noord-Brabant. Het waterbeheer richt zich op een goede waterhuishouding voor een duurzame en concurrerende landbouw. Randvoorwaarden zijn de verplichtingen uit de Kaderrichtlijn Water en afstemming met de maatregelen voor de Natura 2000-gebieden en de Natte natuurparels. Voor het overige geldt geen specifiek beschermingsbeleid.
Ruimtelijke onderbouwing Weverspad 1 te Sint-Oedenrode
26
Afbeelding 11: uitsnede kaart ‘Gezondheid – 1’ PWMP (bron: www.ruimtelijkeplannen.nl) Op de kaart 2 en 3 behorende bij de PMWP heeft de planlocatie geen aanduiding gekregen. Volgens het beleidskader van de PMWP is dus geen specifiek beschermingsregime van toepassing binnen de projectlocatie. Hiermee past het initiatief binnen het beleidskader van de PMWP. Waterschap Waterschap de Dommel is de beheerder van zowel de kwantiteit als de kwaliteit van het grond- en oppervlaktewater in de omgeving van de projectlocatie. Het waterbeheerplan 'Waardevol Water' beschrijft de doelen van Waterschap De Dommel voor de periode 2016-2021. Het plan is afgestemd op de ontwikkeling van het Nationaal Waterplan, het Provinciaal Milieu en Waterplan en het Stroomgebiedsbeheerplan. Meer dan voorheen wil het waterschap inspelen op initiatieven van derden en kansen die zich voordoen in het gebied. Ten aanzien van de doelen is een indeling gemaakt in de volgende waterthema’s. - Droge voeten: voorkomen van wateroverlast in het beheergebied (onder meer door het aanleggen van waterbergingsgebieden en het op orde brengen van regionale keringen); - Voldoende water: zowel voor de natuur als de landbouw is het belangrijk dat er niet te veel en niet te weinig water is.
Daarvoor reguleert het waterschap het grond- en oppervlaktewater; - Natuurlijk water: zorgen voor flora en fauna in en rond beken en sloten door deze waterlopen goed in te richten en te beheren; - Schoon water: zuiveren van afvalwater en vervuiling van oppervlaktewater aanpakken en voorkomen; - Mooi water: stimuleren dat mensen de waarde van water beleven, door onder meer recreatief gebruik. Het waterschap staat voor een aantal complexe uitdagingen, die zij in veel gevallen niet alleen kan realiseren. Deze uitdagingen geven invulling aan de verbinding van water met de maatschappelijke ontwikkelingen. Daarom zet het waterschap sterk in op samenwerking. In het Waterbeheerplan nodigt het waterschap waterpartners, stakeholders, boeren, burgers en bedrijven nadrukkelijk uit om gezamenlijk te werken aan slimme, innovatieve oplossingen voor de complexe wateropgaven. Dit betekent onder meer dat het waterschap de bestaande samenwerking met al de partners in het gebied wil uitbreiden en ‘grenzeloos’ organiseren vanuit de kracht van ieders rol en verantwoordelijkheid. Daarnaast heeft het waterschap waar nodig nog toegespitst beleid en beleidsregels op de verschillende thema’s/speerpunten uit het waterbeheersplan en heeft het waterschap een eigen verordening; De Keur en de Legger. De Keur bevat gebods- en verbodsbepalingen met betrekking tot ingrepen die
Ruimtelijke onderbouwing Weverspad 1 te Sint-Oedenrode
27
consequenties hebben voor de waterhuishouding en het waterbeheer. De legger geeft aan waar de waterstaatswerken plus bijbehorende beschermingszones liggen, aan welke afmetingen en vorm die moeten voldoen en wie onderhoudsplichtig is. Veelal is voor deze ingrepen een watervergunning van het waterschap benodigd. In sommige gevallen vallen de werkzaamheden onder een Algemene regel. Dan kan er onder voorwaarden sprake zijn van vrijstelling van de vergunningsplicht. De Keur en de Algemene regels zijn te raadplegen via de site van waterschap De Dommel.
4.2.2. Bestaande waterhuishoudkundige situatie
In navolgende afbeelding is een uitsnede weergegeven van de ‘Vastgestelde legger oppervlaktewaterlichamen 2018’. Hierop zijn de A- en B-watergangen in de omgeving van de projectlocatie weergegeven. Aan de noord- en oostzijde van de projectlocatie grenst een B-watergang.
Projectlocatie
Afbeelding 12: uitsnede ‘Vastgestelde legger oppervlaktewaterlichamen 2018’ (bron: Waterschap De Dommel) In de bestaande waterhuishoudkundige situatie wordt het bedrijfsafvalwater van huishoudelijke aard geloosd op het gemeentelijk riool. Voor het overige wordt er uit de inrichting enkel niet-verontreinigd hemelwater geloosd. Dit hemelwater is afkomstig van regenwater dat op de daken en erfverharding valt. Gemiddeld valt er jaarlijks 0,8 m3 niet-verontreinigd hemelwater per m2 verhard oppervlak. Dit hemelwater wordt door middel van afschot van daken en erfverharding geloosd op omliggende perceelsloten. Op het bedrijf wordt aandacht besteed aan het schoonhouden van het verhard oppervlak. Er is sprake van good-house-keeping management. De erfverharding en de daken worden zo vaak als voor de goede orde noodzakelijk is schoon gehouden. Op het bedrijf vinden geen bijzondere activiteiten plaats die ertoe kunnen leiden dat er stoffen in aanraking kunnen komen met het hemelwater. Het nietverontreinigde hemelwater kan dus zonder problemen worden geloosd op de omliggende perceelsloten.
4.2.3. Beoogde waterhuishoudkundige situatie
In de beoogde situatie wijzigt de waterhuishoudkundige situatie niet. Ook in de beoogde situatie wordt het afvalwater van huishoudelijke aard geloosd op het gemeentelijk riool. Voor het overige wordt er vanuit projectlocatie enkel niet-verontreinigd hemelwater geloosd. De eerdergenoemde B-watergangen blijven tevens ongewijzigd. De beoogde situatie zal een positief effect hebben op de waterhuishouding. Overtollige (agrarische) bedrijfsbebouwing (ongeveer 3.127 m2) en erfverhardingen zullen verdwijnen in het kader van de SRVregeling. Er worden geen nieuwe gebouwen opgericht. Hiervoor is er sprake van een afname van
Ruimtelijke onderbouwing Weverspad 1 te Sint-Oedenrode
28
verharde oppervlaktes. Dit brengt een afname in puntlozing met zich mee. Neerslag kan op deze gronden dus direct infiltreren in de bodem. Hieruit kan worden geconcludeerd dat er ten aanzien van het aspect water geen belemmeringen zijn voor het initiatief. 4.3. Natuur Voorafgaand aan de beoogde wijziging dient onderzocht te worden of er sprake is van een aantasting van wettelijk beschermde natuurwaarden op basis van de groene wet- en regelgeving. Onderstaand zijn de diverse aspecten ten aanzien van natuurwaarden beschreven.
4.3.1. Natuurnetwerk Nederland (NNN)
In de twintigste eeuw is veel Nederlandse natuur verdwenen. De overgebleven gebieden zijn vaak klein en liggen veelal ver uit elkaar. Hierdoor hebben bepaalde organismen moeite om gebieden te bereiken en zich er te handhaven, waardoor de diversiteit van planten, dieren en micro-organismen (de biodiversiteit) ook sterk achteruit gaat. Om de biodiversiteit te behouden en te versterken is het Natuurnetwerk Nederland opgericht. Het Natuurnetwerk Nederland is een netwerk van natuurgebieden en verbindingszones. Het Natuurnetwerk Nederland (NNN) is in de eerste plaats belangrijk als netwerk van leefgebieden voor veel planten en dieren. In het NNN liggen: - Bestaande natuurgebieden, waaronder de 20 Nationale Parken; - Gebieden waar nieuwe natuur aangelegd wordt; - Landbouwgebieden, beheerd volgens agrarisch natuurbeheer; - Ruim 6 miljoen hectare grote wateren: meren, rivieren, de kustzone van Noordzee en de Waddenzee; - Alle Natura 2000-gebieden. Het Rijk heeft het algemene NNN-beleid in het Besluit algemene regels ruimtelijke ordening (Barro) vastgelegd. Op grond van artikel 2.10.2 van het Barro moeten provincies bij provinciale verordening de NNN-gebieden aanwijzen en nauwkeurig begrenzen. Op grond van artikel 2.10.3 Barro moeten zij ook de wezenlijke kenmerken en waarden van die gebieden vastleggen. Daarnaast wijzen de provincies de natuurdoelen in de NNN aan.
Elk NNN-gebied heeft een zogenaamd natuurdoel. Een natuurdoel beschrijft een bepaalde natuurkwaliteit en wordt gebruikt als een toetsbare doelstelling voor een natuurgebied. Natuur Netwerk Brabant (NNB) Vanaf 2014 zijn de provincies verantwoordelijke voor de begrenzing en de ontwikkeling van het NNN. De provincie Noord-Brabant heeft in zijn Interim omgevingsverordening (Iov) de gebieden opgenomen als Natuur Netwerk Brabant. Men wil in 2027 alle gaten in het netwerk hebben gedicht met nieuwe natuur. Ongeveer 90% van het Natuur Netwerk Brabant wordt gevormd door bestaande natuurgebieden. Tussen deze gebieden is men voornemens om verbindingen te leggen in de vorm van Ecologische verbindingszones. Door deze verbindingen tussen natuurgebieden kunnen dieren van het ene gebied naar het andere foerageren. De concrete ambities van de provincie Noord-Brabant staan in het Natuurbeheerplan Noord-Brabant 2016. De begrenzing van het netwerk is daarnaast ook opgenomen in de Iov. Het NNB kent geen specifiek beschermingsregime, anders dan via het ruimtelijke spoor. Conform de kaart ‘Instructieregels gemeenten: natuur en stiltegebieden’ van de Iov is binnen de planlocatie geen NNB aanwezig, zie navolgende afbeelding. De beoogde ontwikkelingen hebben daarom geen invloed op de concrete ambities uit het Natuurbeheerplan 2016.
Door het saneren van de veehouderij is er sprake van een afname van de emissies waardoor het leefmilieu in de omgeving wordt verbeterd. Daarbij wordt opgemerkt dat door de aanleg van de zorgvuldige landschappelijke inpassing de ecologische waarden in de omgeving versterkt zullen worden.
Ruimtelijke onderbouwing Weverspad 1 te Sint-Oedenrode
29
Afbeelding 13: uitsnede kaart ‘Instructieregels gemeenten: natuur en stiltegebieden’ Iov 4.3.2. Wet natuurbescherming
In de Wet natuurbescherming zijn regels gesteld met betrekking tot gebiedsbescherming, soortenbescherming en bescherming van houtopstanden. In deze paragraaf wordt getoetst of de ontwikkeling invloed heeft op de beschermde gebieden en soorten die zijn opgenomen in de Wet natuurbescherming. Gebiedsbescherming De gebiedsbescherming is beperkt tot de Natura 2000-gebieden en eventueel buiten het Natuur Netwerk liggende bijzondere provinciale natuurgebieden. De bescherming van het Natuur Netwerk Nederland is al beschermd in het Barro en de provinciale verordening. In Nederland zijn 161 Natura 2000-gebieden aangewezen. Voorbeelden van de Natura 2000-gebieden zijn, Strabrechtse Heide & Beuven en Leenderbos, Groote Heide & De Plateaux. De provincie Noord-Brabant heeft geen bijzondere provinciale natuurgebieden vastgesteld. Per Natura 2000-gebied zijn instandhoudingsdoelstellingen (voor soorten en vegetatietypen) opgesteld. Iedereen die vermoedt of kan weten dat zijn handelen of nalaten, gelet op de instandhoudingdoelen, nadelige gevolgen voor een Natura 2000-gebied kan hebben, is verplicht deze handelingen achterwege te laten of te beperken. Het bevoegd gezag kan schadelijke activiteiten beperken en eisen dat een vergunning in het kader van de Wet Natuurbescherming (Wnb) wordt aangevraagd. Regulier beheer en bestaand gebruik zijn (of worden) opgenomen in Natura 2000-beheerplannen.
Na vaststelling van de beheerplannen hoeft daarvoor geen vergunning aangevraagd te worden. Het dichtstbij liggende Natura 2000-gebied betreft Strabrechtse Heide & Beuven, dat op een afstand van ongeveer 15 kilometer ligt. Elke ruimtelijke ontwikkeling kan negatieve effecten hebben op de Natura 2000-gebieden. Er zijn namelijk verschillende factoren die kunnen leiden tot de verstoring van beschermde vogel- en habitattypen en soorten. Vooral de storingsfactoren verzuring en vermesting door stikstof uit de lucht spelen hierbij een belangrijke rol, omdat deze ook op grote afstand van een gebied voor effecten kunnen zorgen. Daarnaast kunnen andere factoren eveneens leiden tot een verstoring van habitattypen en soorten, indien een ontwikkeling op korte afstand van een gebied plaatsvindt. Verzuring en vermesting door stikstof uit de lucht Middels het rekenprogramma AERIUS kan de stikstofdepositie op omliggende Natura 2000-gebieden worden berekend. Hiermee wordt het effect op verzuring en vermesting in beeld gebracht. Wanneer
Ruimtelijke onderbouwing Weverspad 1 te Sint-Oedenrode
30
met het rekenprogramma AERIUS kan worden aangetoond dat een initiatief geen toename in stikstofdepositie op Natura 2000-gebieden tot gevolg heeft, kan de ontwikkeling doorgang vinden. Indien er wel sprake is van een toename in stikstofdepositie op Natura 2000-gebieden moet onderbouwd worden hoe deze toename in depositie ongedaan wordt gemaakt (door het treffen van maatregelen of extern salderen). Voor Weverspad 1 te Sint-Oedenrode is op 27 mei 2015 en omgevingsvergunning afgegeven voor het houden van voor het houden van 105 zoogkoeien, 51 stuks jongvee, 4 fokstieren/overig rundvee en 2.744 vleesvarkens. Door het beëindigen van de intensieve veehouderij ter plaatse van de projectlocatie wordt een aanzienlijke milieuwinst behaald. Zo vindt er een afname plaats van de hoeveelheid stikstof die wordt uitgestoten, namelijk 3.544,80 kg NH3/per jaar. De vergunningen met betrekking tot de rundveehouderij wordt ingetrokken wanneer de wijziging van dit bestemmingsplan onherroepelijk is geworden. In de volgende tabel wordt de vigerende vergunning weergegeven met bijhorende emissies. Met de beëindiging van de intensieve veehouderij en het omschakelen naar de bestemming ‘Wonen’ is er sprake van een afname van de hoeveelheid stikstof.
Tabel 1: Vigerende vergunning 27 mei 2015 Ammoniak Diercategorie
RAV code
Aantal dieren
zoogkoeien ouder dan 2 jaar vrouwelijk jongvee tot 2 jaar
A 2.100 A 3.100
105 51
4,10 4,40
430,50 224,40
fokstieren en overig rundvee ouder dan 2 jaar
A 7.100
4
6,20
24,80
D 3.2.15.4
544
0,45
244,80
vleesvarkens Totaal:
kg NH3 totaal per dier kg NH3
4.224,50
Om aan te tonen dat er als gevolg van de beoogde ontwikkeling geen toename in stikstofdepositie op Natura 2000-gebieden plaatsvindt zijn middels het rekenprogramma AERIUS berekeningen gemaakt voor de gebruiksfase van het initiatief. De uitgangspunten voor deze berekeningen zijn uiteengezet in bijlage 3. In bijlage 4 zijn de rekenresultaten van deze berekeningen opgenomen. Hieruit blijkt dat de stikstofdepositie in zowel de realisatie- als de gebruiksfase van het plan niet groter is dan 0,00 mol/ha/jaar. Het aspect stikstofdepositie vormt derhalve geen belemmering voor vaststelling en uitvoering van het plan. Overige storingsfactoren Vanwege de ruime afstand van de projectlocatie tot het dichtstbijzijnde Natura 2000-gebied Strabrechtse Heide & Beuven leidt het initiatief verder niet tot andere voorkomende storende factoren op omliggende Natura 2000-gebieden zoals oppervlakteverlies, versnippering, verontreiniging, verdroging, verstoring door geluid, optische verstoring, verstoring door mechanische effecten en bewuste verandering soortensamenstelling. Conclusie Gezien het vorenstaande kan geconcludeerd worden dat negatieve effecten op soorten en habitattypen in beschermde Natura 2000-gebieden zijn uitgesloten. Er is derhalve op grond van de Wet natuurbescherming geen omgevingsvergunning in het kader van gebiedsbescherming noodzakelijk.
Bescherming van soorten De soortenbeschermende werking is rechtstreeks opgenomen in de Wnb. In hoofdstuk 3 van de Wnb zijn de beschermingsregimes in drie aparte paragrafen neergelegd. Per beschermingsregime is bepaald welke verboden er gelden en onder welke voorwaarden ontheffing of vrijstelling kan worden verleend door het bevoegd gezag. Hieronder zijn de drie beschermingsregimes weergegeven: 1. Beschermingsregime soorten Vogelrichtlijn; Dit zijn alle van nature in Nederland in het wild levende vogels (zoals bedoelt in artikel 1 van de Vogelrichtlijn).
Ruimtelijke onderbouwing Weverspad 1 te Sint-Oedenrode
31
2. Beschermingsregime soorten Habitatrichtlijn; Dit zijn soorten die genoemd zijn in Bijlage IV van de Habitatrichtlijn, Bijlage I en II van het Verdrag van Bern en Bijlage II van het Verdrag van Bonn. In de bijlagen van de Verdragen van Bern en Bonn worden ook vogels genoemd. 3. Beschermingsregime andere soorten. Dit zijn soorten die genoemd zijn in Bijlage onderdeel A en B van de Wet natuurbescherming. Het gaat hier om de bescherming van zoogdieren, amfibieën, reptielen, vissen, dagvlinders, libellen, kevers en vaatplanten voorkomend in Nederland. In Nederland komen ongeveer 30.000 soorten dieren en planten voor. De Wnb regelt de bescherming van circa 300 in het wild voorkomende soorten inheemse planten en dieren. In de Wnb is onder meer bepaald dat beschermde diersoorten niet gedood, gevangen of verontrust mogen worden en plantensoorten niet geplukt, uitgestoken of verzameld mogen worden. Bovendien dient iedereen voldoende zorg in acht te nemen voor in het wild levende dieren en planten. Daarnaast is het niet toegestaan om hun directe leefomgeving, waaronder nesten en holen, te beschadigen, te vernielen of te verstoren.
Bij het beoordelen van de in de projectlocatie voorkomende beschermde soorten gaat het primair om soorten die door de ingreep direct beïnvloed worden, doordat: - Zij fysiek aangetast worden (doden/verwonden van dieren, verwijderen van planten); - Zij verstoord worden (toename van geluid of licht); - Hun vaste verblijfplaatsen c.q. groeiplaatsen aangetast of verstoord worden. Gelet op de aard van het initiatief aan de Weverspad 1 te Sint Oedenrode, dient met name bepaald te worden of ter plaatse van de te slopen bedrijfsgebouwen, beschermde natuurwaarden voorkomen, die verstoord zouden kunnen worden. Verboden handelingen dienen te worden voorkomen en handelingen mogen niet leiden tot aantasting van de gunstige staat van instandhouding. Het (onopzettelijk) doden, verwonden of verontrusten van deze soorten is zonder ontheffing niet toegestaan. Gezien het huidige intensieve gebruik van het bouwvlak en de landbouwgronden grenzend aan het bouwvlak is de aanwezigheid van beschermde of bijzondere soorten echter niet te verwachten. Er is door M&A een Quick Scan Flora en Fauna uitgevoerd op locatie in het kader van toekomstige ruimtelijke ontwikkelingen. Het rapport (d.d. 14 september 2020, rapportnummer 220-NWel-nw-vl) is als separate bijlage bijgevoegd bij deze ruimtelijke onderbouwing. Tijdens de veldbezoeken is gekeken naar flora en fauna.
Daarbij is rondom de te slopen stallen (tot een afstand van 200 meter daar buiten) rastermatig het gebied verkend. De stallen zijn onderzocht op eventuele nesten / verblijfplaatsen van vogels en vleermuizen. Hierbij is niets aangetroffen. Bij de inventarisatie is ook speciale aandacht besteed aan andere kenmerken van broedende vogelsoorten, zoals uitwerpselen en achtergelaten nestmateriaal. De conclusie in deze Quick Scan luidt als volgt: - Door het literatuuronderzoek van de inventarisatie is aangetoond dat het mogelijk is dat in het gebied beschermde flora of fauna (voornamelijk vleermuizen, broed- en wintervogels) voor kunnen komen (zie inventarisatie Natuurloket). - In de nabijheid van het perceel zijn tijdens het veldbezoek in juli 2020 echter geen waarnemingen gedaan van schaarse soorten. Ook rondom het perceel zijn bij de inventarisaties geen waarnemingen gedaan van beschermde soorten (waaronder Huismussen, Gierzwaluwen en vleermuisssoorten). - Het veldonderzoek, uitgevoerd in de dag- en avondperiode op 14 juli 2020, is binnen het broedvogelseizoen uitgevoerd. Desondanks is er speciale aandacht besteed aan andere kenmerken van broedende vogelsoorten. Onder andere uitwerpselen van broedvogelsoorten en hun kuikens, achtergebleven nestmaterialen, vraatsporen en uitwerpselen zijn kenmerken waarop speciaal is gelet.
Het veldonderzoek kan daarom als vrij uitvoerig worden beschouwd. - Bij de inventarisatie is ook aandacht besteed aan verblijfplaatsen van vleermuizen en nestkasten en -mogelijkheden in het gebied. Bij de inventarisatie van de vleermuizen is extra aandacht besteed aan mestsporen, keutels en vraatsporen. De kieren en openingen in de stallen zijn onderzocht met een camera (Novascope) en hierbij zijn geen aanwijzingen aangetroffen voor verblijfplaatsen van fauna. - Volgens het Natuurnetwerk Nederland zijn er geen ecologische verbindingszones in de nabijheid van het perceel gesitueerd. Ook is het perceel niet gesitueerd in een waardevol gebied qua natuurwaarden.
Ruimtelijke onderbouwing Weverspad 1 te Sint-Oedenrode
32
-
Door de sloop van de stallen, wordt het karakter van het gebied positief beïnvloed. Het open karakter in de omgeving wordt versterkt door de sloop van de beide stallen. Er verdwijnen geen verblijfs- of broedmogelijkheden. Bij de werkzaamheden dient niettemin aandacht te worden besteed aan eventuele verstoring van natuurwaarden in het algemeen. Door extra zorg hieraan de besteden tijdens de sloopwerkzaamheden, wordt vermeden dat de dieren hiervan teveel hinder zullen ondervinden. Op grond van deze inventarisatie gelden er geen belemmeringen voor de plannen op grond van de natuurwaarden.
Gezien het voorstaande kan geconcludeerd worden dat het aantreffen van beschermde natuurwaarden niet aan de orde is. Een omgevingsvergunning in het kader van de bescherming van soorten is op grond van de Wet natuurbescherming derhalve niet noodzakelijk. Bescherming van houtopstanden De bescherming van houtopstanden zoals die is vastgelegd in de Wnb vloeit voort uit de voormalige Boswet. Voorwaarden zijn gericht op de instandhouding van het bosareaal. Bij houtopstanden groter dan 10 are of 20 rijbomen en liggend buiten de bebouwde kom geldt een meldplicht, herplantplicht en mogelijke oplegging van een kapverbod. Met het initiatief is geen sprake van het vellen van houtopstanden. Hieruit kan worden geconcludeerd dat er op grond van de Wet natuurbescherming geen omgevingsvergunning in het kader van de bescherming van houtopstanden noodzakelijk is. 4.4. Cultuurhistorie, aardkunde en archeologie Voorafgaand aan de realisatie van de beoogde situatie moet onderzocht worden of er sprake is van aantasting van archeologische, cultuurhistorische en aardkundige waarden.
4.4.1. Cultuurhistorie en aardkunde
Uit de cultuurhistoriekaart van de provinciale Interim omgevingsverordening Noord-Brabant blijkt dat de projectlocatie niet in gebied ligt met aardkundige of cultuurhistorische waarden, zie navolgende afbeelding. Daarnaast kent de locatie geen complexen van cultuurhistorisch belang. Hierdoor zal bij uitvoering van het project geen afbreuk gedaan worden aan cultuurhistorische waarden of aardkundig waardevol gebied.
Afbeelding 14: uitsnede kaart 'Instructieregels gemeenten: stedelijke ontwikkeling en erfgoed' Iov
Ruimtelijke onderbouwing Weverspad 1 te Sint-Oedenrode
33
Op de Cultuurhistorische Waardenkaart van de provincie Noord-Brabant is de locatie niet gelegen in ‘Cultuurhistorische waardevol gebied’. Op navolgende afbeelding is een uitsnede van de Cultuurhistorische Waardenkaart van de provincie Noord-Brabant weergegeven.
Projectlocatie
Afbeelding 15: uitsnede kaart CHW-kaart 2015 (bron: provincie Noord-Brabant)
Ten aanzien van cultuurhistorie zijn er derhalve geen bezwaren ten aanzien van de gewenste ontwikkeling.
4.4.2. Archeologie
De zorg voor archeologische monumenten wordt geregeld in het proces van de ruimtelijke ordening. Zo is wettelijk bepaald dat gemeenten in nieuwe bestemmingsplannen rekening moeten houden met de in de grond aanwezige, dan wel te verwachten, archeologische waarden. Bij deze nieuwe plannen kunnen voorwaarden worden gesteld aan omgevingsvergunning voor de activiteiten bouw, aanleggen e.d.. In het vigerend bestemmingsplan ‘Buitengebied Sint-Oedenrode, herziening 2’ is voor de projectlocatie geen archeologische waarde opgenomen. Met het beoogde project worden de bestaande varkensstallen in het kader van de SRV-regeling gesloopt en een rijbak opgericht ter plaatse van de huidige varkensstal. Tijdens de realisatie van deze gebouwen destijds zijn de gronden rondom de stallen verstoord door het bouwrijp maken en afgravingen t.b.v. fundering en mestkelder. Hierdoor wordt de kans op aanwezigheid van archeologische waarden zeer gering geacht. Te allen tijde geldt wel een meldingsplicht bij het aantreffen van archeologische toeval vondsten op basis van art. 5.10 van de Erfgoedwet. Bodemvondsten kunnen telefonisch worden gemeld bij het Provinciaal Meldpunt Archeologische Bodemvondsten. Ten aanzien van archeologie zijn er derhalve geen bezwaren ten aanzien van de gewenste ontwikkeling. 4.5. Landschappelijke inpassing Zoals in paragraaf 3.2.2.
is er in het kader van kwaliteitsverbetering een landschappelijk inpassingsplan opgesteld ten behoeve van het project. Binnen de gemeente Meijerijstad is ‘Kwaliteitsverbetering van het landschap gemeente Sint-Oedenrode 2016’ van toepassing. Omdat er sprake is van omschakeling van agrarisch naar wonen, met in de beoogde situatie een van woonbestemming van 5.000 m 2 en 580 m2 bijgebouwen bij een woning, wordt deze ontwikkeling door de provincie aangemerkt als een categorie 3 ontwikkeling. Het realiseren van een rijbak aansluitend aan het bouwvlak is aangemerkt als een categorie 2 ontwikkeling. Het landschappelijk inpassingsplan is als separate bijlage toegevoegd aan de ruimtelijke onderbouwing (bijlage 2).
Ruimtelijke onderbouwing Weverspad 1 te Sint-Oedenrode
34
Hierin is de ontwikkeling aangemerkt als een categorie 2 ontwikkeling wat betekent dat met enkel een goede landschappelijke inpassing voldoende kwaliteitsverbetering bereikt wordt. In het landschappelijke inpassingsplan is rekening gehouden met de huidige situatie en de gewenste activiteiten. Ten behoeve van het initiatief wordt voorgesteld om de huidige beplanting te behouden en solitaire bomen aan te planten als erfbeplanting. Hierdoor ontstaat er een fysieke beperking tussen de agrarische percelen en de bebouwing. Tevens wordt de bebouwing minder zichtbaar vanaf Weverspad. Op de navolgende afbeelding is het uitsnede van het landschappelijke inpassingsplan weergegeven met de maatregelen die getroffen worden. Het landschappelijk inpassingsplan waarop het sortiment en aantallen zijn aangegeven is opgenomen als bijlage bij deze ruimtelijke onderbouwing (bijlage 2).
Afbeelding 16: uitsnede landschappelijk inpassingsplan 4.6. Bodemkwaliteit In het kader van ruimtelijke ontwikkelingen dient de aanwezige bodemkwaliteit te passen bij het huidige of toekomstige gebruik van die bodem. Uitgangspunt is dat de bodemkwaliteit als gevolg van aanwezige bodemverontreiniging geen onaanvaardbaar risico oplevert voor de gebruikers van de bodem. Bovendien mag de bodemkwaliteit niet verslechteren. Indien de bodemkwaliteit (humane) risico’s met zich mee brengt of er sprake is van een spoedeisend geval van bodemverontreiniging kan de ontwikkeling voor bepaalde nieuwe functies geen doorgang vinden tot de risico’s zijn beheerst of weggenomen door sanering. Een historisch en verkennend bodemonderzoek conform de NEN 5740 dient te worden uitgevoerd wanneer de bestemming en/of gebruik wordt gewijzigd én wanneer een gebouw of gebruik wordt gerealiseerd waarin mensen 2 uur of langer gaan verblijven. Het initiatief betreft het saneren van de veehouderij en het wijzigen van de bestemming ‘Agrarisch met waarden – Landschapswaarden’ naar de bestemming ‘Wonen’ ten behoeve van een passende herbestemming en het realiseren van een rijbak. In dit geval wordt er geen nieuw gebruik gerealiseerd waarin mensen 2 uur of langer gaan verblijven. De bestaande bedrijfswoning mag al als zodanig worden gebruikt.
De vrijkomende agrarische bedrijfsgebouwen die behouden blijven zullen worden gebruikt voor (gedeeltelijk) agrarische activiteiten bij wijze van hobby en/of ten behoeve van een aan huis verbonden beroep of bedrijf. Dit gebruik is
Ruimtelijke onderbouwing Weverspad 1 te Sint-Oedenrode
35
vergelijkbaar met het huidige gebruik en dus niet gericht op het verblijf van mensen voor een periode van 2 uur of langer. De sloopmelding ten behoeve van de te slopen gebouwen in het kader van de SRV-regeling is op 18 november 2020 ingediend en geaccepteerd (kenmerk Z/133644). Op navolgende foto’s is zichtbaar dat de varkensstallen inmiddels zijn gesloopt. De voormalige rundveestal blijft behouden.
Afbeelding 17: foto’s sloop varkensstallen Ter plaatse van mestkelders van de voormalige varkensstallen is bodem aangevuld met schone grond om deze gereed te maken voor het beoogde gebruik als gras- en/of akkerland. Van de aangevoerde grond zijn bodemcertificaten aanwezig. In de bijlage 6 zijn de grondcertificaten, verkennend bodemonderzoek en grondkeuring toegevoegd. Hieruit blijkt dat de grond milieuhygiënisch geschikt voor het beoogde gebruik. Er is derhalve geen sprake van onaanvaardbare risico’s voor de huidige en toekomstige gebruikers van de bodem. Ten aanzien van het aspect bodem zijn er derhalve geen bezwaren voor de gewenste ontwikkeling. Een nader onderzoek naar de bodemgesteldheid is dan ook niet noodzakelijk. 4.7. Spuitzones In de vollegronds- en sierteelt ontkomt men niet aan het gebruik van gewasbeschermingsmiddelen tegen schimmels, luizen en andere vormen van ongedierte. In relatie tot omliggende gronden heeft de projectlocatie derhalve mogelijk te maken met spuitzones. In het kader van een goede ruimtelijke ordening moet een afweging worden gemaakt tussen het gebruik van gewasbeschermingsmiddelen en de volksgezondheid. Uit jurisprudentie blijkt dat de Raad van State een afstand van 50 meter, tussen gevoelige functies en agrarische bedrijvigheid waarbij gewasbeschermingsmiddelen worden gebruikt, in het algemeen niet onredelijk vindt.
Volgens vaste rechtspraak kan een kortere afstand ook aanvaardbaar zijn, mits hieraan een goede onderbouwing ten grondslag ligt. Daarnaast kan het zijn dat gepaste maatregelen genomen moeten worden om drift te voorkomen of overdrachtsmaatregelen zoals bijvoorbeeld een dichte haag. De projectlocatie ligt direct aansluitend aan landbouwgronden. Er wordt dus niet voldaan aan de richtafstand van 50 meter. Hierbij wordt echter opgemerkt dat die richtafstand met name is bedoeld voor gewassen die verticaal bespoten moeten worden, zoals boomgaarden. Grondgewassen worden altijd neerwaarts bespoten, wat de drift (indien deze al bestaat) aanzienlijk beperkt. In de omgeving van de projectlocatie komen geen boomgaarden voor. Daarnaast wordt in Nederland doorgaans gebruik gemaakt van driftarme doppen om mogelijke drift die ontstaat bij de bespuiting tot een minimum te beperken. De spuitdruk gecombineerd met het type dop bepaalt de druppelgrootte. Zo geven driftarme doppen meer grove druppels, die minder snel verwaaien. Hiermee worden reductiepercentages van 50-95% gehaald, afhankelijk van het type dop en de spuitdruk. Deze worden spuitdoppen getest op windsnelheden waaronder geen sprake meer is van een gevaar voor de volksgezondheid (door de Technische Commissie Techniekbeoordeling, versie 19 feb 2016). Deze maximale windsnelheid is vastgesteld op 5 m/s.
Hiervan uitgaande zal in de beoogde situatie niet gespoten worden bij een windsnelheid van 5 m/s op spuithoogte. Daarbij wordt opgemerkt
Ruimtelijke onderbouwing Weverspad 1 te Sint-Oedenrode
36
dat het gebruik bij een hogere windsnelheid ook een negatief effect heeft op de werking van de te gebruiken bestrijdingsmiddelen waardoor de ondernemer gebaat is bij gebruik bij een lage windsnelheid. De beoogde ontwikkeling voorziet omzetting van een reeds bestaande bedrijfswoning met een varkenshouderij en rundveehouderij naar een woonbestemming met bestaande bijgebouwen voor privégebruik. In beide gevallen is er sprake van een gevoelig object met betrekking tot het aspect gewasbeschermingsmiddelen. Dit veranderd in de beoogde situatie niet. Met het oog op het woon- en leefklimaat kan daarom worden gesteld dat er geen wijziging plaatsvindt die een aanvaardbaar woonen leefklimaat negatief beïnvloed. Bovendien is de projectlocatie aan de randen voorzien van landschappelijke inpassing. Hierdoor wordt voorkomen dat drift – mocht deze al ontstaan – tot aan de woning reikt. De projectlocatie heeft dus in relatie tot omliggende gronden geen negatief effect van spuitzones. 4.8. Bedrijven en milieuzonering De handreiking ‘Bedrijven en Milieuzonering’ (editie 2009) is een publicatie van de Vereniging van Nederlandse Gemeenten en dient als hulpmiddel voor milieuzonering in de ruimtelijke planvorming.
Milieuzonering zorgt ervoor dat nieuwe bedrijven een passende locatie in de nabijheid van woningen krijgen en dat nieuwe woningen op een verantwoorde afstand van bedrijven gesitueerd worden. Het waar nodig ruimtelijk scheiden van bedrijven en woningen bij nieuwe ontwikkelingen dient twee doelen: - Het al in het ruimtelijke spoor voorkomen of zoveel mogelijk beperken van hinder en gevaar voor woningen; - Aan bedrijven voldoende zekerheid bieden dat zij hun activiteiten duurzaam binnen aanvaardbare voorwaarden kunnen uitvoeren. De VNG-publicatie is een hulpmiddel om de afstanden tussen bedrijvigheid en woningen concreet in te vullen. Gemeenten beslissen uiteindelijk zelf over een bepaalde locatie. De handreiking geeft informatie over de ruimtelijk relevante milieuaspecten (geur, stof, geluid en veiligheid) en bijbehorende richtafstanden van een scala aan bedrijfsactiviteiten. Deze richtafstanden zijn afgestemd op de omgevingskwaliteit. Er wordt onderscheid gemaakt in de omgevingstypen: - Rustige woonwijk en rustig buitengebied: een woonwijk (of vergelijkbaar omgevingstype) die is ingericht volgens het principe van functiescheiding. Er komen enkel wijkgebonden voorzieningen voor en er is weinig verstoring door verkeer. - Gemengd gebied: een gebied met matige tot sterke functiemenging.
Direct naast woningen komen functies zoals winkels, horeca en kleine bedrijven voor of er is sprake lintbebouwing in het buitengebied met overwegend agrarische en andere bedrijvigheid. Ook gebieden die direct naast de hoofdinfrastructuur liggen behoren tot het omgevingstype gemengd gebied, hier is sprake van verhoogde milieubelasting door geluid. Hier zijn dan ook kleinere richtafstanden te rechtvaardigen (behalve voor het aspect veiligheid). De projectlocatie ligt in omgevingstype ‘gemengd gebied’. Dit omgevingstype wordt gekenmerkt door een matige tot sterke functiemenging. In de omgeving bevinden zich direct naast woningen andere functies zoals o.a. de Daf-testbaan. Daarnaast is de projectlocatie direct gelegen aan de Lieshoutseweg. Deze weg maakt onderdeel uit van de hoofdinfrastructuur tussen Nijnsel en Mariahout. Hierdoor is er reeds sprake van verhoogde milieubelasting door geluid. Wat betreft veehouderijen word in de volgende paragraaf getoetst aan de wetgeving die specifiek van toepassing is voor veehouderijen met betrekking tot het aspect geur. De dichtstbijzijnde niet-agrarische bedrijvigheid is de DAF Proefbaan, Weverspad 2. Dit type bedrijf is niet opgenomen in de VNG handleiding of een vergelijkbare functie. Een kartbaan of autocircuit behoort, afhankelijk van de bedrijfsduur minimaal tot milieucategorie 5.1. Waarbij het aspect geluid de maatgevende afstand is.
Een De Daf Proefvaan zal doorgaans niet de gehele dag in gebruik zijn. Daarbij zullen de DAF Trucks minder geluid produceren dan een raceauto. Daarom wordt de DAF Proefbaan ingeschat op milieucategorie 5.1. Conform de handreiking geldt voor een bedrijf in deze milieucategorie, liggend in gemengd gebied, een richtafstand van 300 meter in het kader van geluid. De DAF Proefbaan ligt in de huidige situatie op ongeveer 115 meter van de projectlocatie, de woning is op 230 meter afstand gelegen.
Ruimtelijke onderbouwing Weverspad 1 te Sint-Oedenrode
37
Tabel 2: richtafstanden ‘Bedrijven en milieuzonering’ Omschrijving Fokken en houden van rundvee Fokken en houden van varkens Skelter- en kartbanen, open lucht, < 8 uur/week in gebruik
SBI-code SBI-2008: 0142
Milieucat.
Geur
Stof
Geluid
Gevaar
3.2
50
10
10
0
SBI-2008: 0146
4.1
100
10
30
0
SBI-2008: 931
5.1
30
10
300
30
0141,
*richtafstanden zijn met stap verlaagd In de beoogde situatie wordt het bouwvlak van de projectlocatie verkleind waardoor de afstand wordt vergroot naar ongeveer 150 meter (rand bouwvlak). Daarnaast is er sprake van een bestaande situatie waarbij er geen nieuwe (geluidsgevoelige) objecten worden opgericht. Op grond hiervan kan worden gesteld dat het woon- en leefklimaat binnen de projectlocatie niet nadelig wordt beïnvloed en dat de DAF Proefbaan niet wordt belemmerd door voorliggend initiatief. Op grond hiervan kan worden gesteld dat wordt voldaan aan het aspect ‘Bedrijven en milieuzonering’. 4.9. Geur De Wet geurhinder en veehouderij (Wgv) betreft een wet waarmee de nationale regels inzake geurhinder ten opzichte van de tot veehouderijen behorende dierenverblijven vastgesteld staan. De Wet geurhinder en veehouderij heeft tot doel het beschermen van mens en milieu tegen de negatieve effecten van geurbelasting, onder andere als gevolg van emissies door bedrijven. Indirect heeft de Wgv ook consequenties voor de totstandkoming van geurgevoelige objecten en dus voor de ruimtelijke ordening, dit wordt ‘omgekeerde werking’ genoemd. Voor wat betreft geurhinder van veehouderijen betekent dit dat de volgende aspecten in ogenschouw moeten worden genomen: a. Wordt er een onevenredige inbreuk gemaakt op de mogelijkheden voor bedrijfsontwikkeling van de nabij gelegen veehouderijen? b.
Is ter plaatse van de projectlocatie een goed woon- en verblijfklimaat gegarandeerd?
4.9.1. Omgekeerde werking
Met de beoogde ontwikkeling worden geen nieuwe geurgevoelige objecten opgericht. De bedrijfswoning is en blijft een geurgevoelig object in het kader van de Wet geurhinder en veehouderij. De vrijkomende agrarische bedrijfsgebouwen die in gebruik worden genomen ten behoeve van de woonfunctie worden derhalve niet beschouwd nieuw geurgevoelig object. Op grond van artikel 3, tweede lid, van de Wgv moet de afstand tussen een veehouderij en een geurgevoelig object dat onderdeel uitmaakt van een andere veehouderij, of dat op of na 19 maart 2000 heeft opgehouden deel uit te maken van een veehouderij, ten minste 50 meter bedragen indien het geurgevoelige object buiten de bebouwde kom ligt. Deze afstand moeten veehouderijen in de omgeving in de bestaande situatie dus al in acht nemen en dat blijft in de beoogde situatie het geval. Daar de (voormalige) bedrijfswoning met het project niet dichter bij veehouderijen in de omgeving wordt gesitueerd, verandert de toetsingsafstand voor die veehouderijen niet. In navolgende afbeelding is de (voormalige) bedrijfswoning weergegeven met daaromheen een buffercirkel van 50 meter. Op de afbeelding is te zien dat binnen 50 meter van de (voormalige) bedrijfswoning geen dierenverblijf behorende bij een veehouderij van derden is gelegen. Geconcludeerd kan worden dat er aan de vaste afstanden van 50 meter voldaan.
Hieruit kan worden geconcludeerd dat de ontwikkeling met zekerheid niet zorgt voor een onevenredige belemmering voor de ontwikkelingsmogelijkheden van veehouderijen in de omgeving.
Ruimtelijke onderbouwing Weverspad 1 te Sint-Oedenrode
38
Afbeelding 18: weergave woonhuis met buffercirkel 50 meter (bron: Qgis) 4.9.2. Woon- en leefklimaat
Vanuit een goede ruimtelijke ordening is het van belang dat er ter plaatse van het projectlocatie sprake is van een aanvaardbaar woon- en leefklimaat ten aanzien van het aspect geur. Het woon- en leefklimaat wordt bepaald door een vergelijking te maken met de geurbelasting als gevolg van het veelvoud van de veehouderijen in de omgeving van het betreffende geurgevoelige object (cumulatieve geurhinder) en de geurbelasting afkomstig van de veehouderij binnen de planlocatie (voorgrondbelasting). De dichtstbijzijnde veehouderij met dieren met een geuremissiefactor is Lieshoutseweg 82 te SintOedenrode. Op deze locatie worden varkens en paarden gehouden. Van Lieshoutseweg 82 is een voorgrondgeurberekening gemaakt om te bepalen wat de voorgrondgeurbelasting is van dit bedrijf op de projectlocatie Weverspad 1. De voorgrondgeurbelasting van Lieshoutseweg 82 bedraagt 33,9 OU e per m3. Uit berekening van de cumulatieve geurhinder (achtergrondgeurbelasting) ter plaatse van Weverspad 1 blijkt dat de geurbelasting 55,17 OUe. bedraagt. In bijlage 7 zijn de invoergegevens van het voor- en achtergrond geuronderzoek bijgevoegd. Zoals in paragraaf 4.9.1. omgekeerde werking is beschreven betreft de locatie een voormalig agrarisch bedrijf en is sprake van een bestaande woning met bijbehorende bijgebouwen. Hierdoor is artikel 3 lid 2 van de Wgv van toepassing.
Omliggende bedrijven met dieren met een geuremissiefactor hoeven daarom niet te toetsen aan de voor- en achtergrondgeurbelasting op deze woning. De projectlocatie voldoet aan de gestelde vaste afstanden in de Wgv en het Activiteitenbesluit milieubeheer. Dit betekend in beginsel een aanvaard woon- en leefklimaat. Ten aanzien van het aspect geur zijn er dus geen belemmeringen voor de beoogde ontwikkeling. 4.10. Luchtkwaliteit In het kader van een planologische procedure dient te worden aangetoond dat voldaan wordt aan de wettelijke normen voor wat betreft luchtkwaliteit. Hierbij dient het effect op de luchtkwaliteit in de omgeving als gevolg van een nieuwe ontwikkeling, als ook de toetsing aan de Wet luchtkwaliteit in beeld te worden gebracht. Op 15 november 2007 is de Wet luchtkwaliteit in werking getreden en sindsdien staan de hoofdlijnen voor regelgeving rondom luchtkwaliteitseisen beschreven in de Wet milieubeheer (hoofdstuk 5 Wm). In de Wet luchtkwaliteit zijn luchtkwaliteitseisen opgenomen voor luchtverontreinigende stoffen in de buitenlucht. Met name de stoffen stikstofdioxide (NO2) en fijnstof (PM10 en PM2,5) worden beleidsmatig relevant geacht. Er dient te worden aangetoond dat het woon- en leefklimaat ten aanzien van deze stoffen ter plaatse aanvaardbaar is en als gevolg van de beoogde ontwikkeling in de omgeving aanvaardbaar blijft.
Ruimtelijke onderbouwing Weverspad 1 te Sint-Oedenrode
39
4.10.1. Niet in betekenende mate Indien ontwikkelingen binnen de projectlocatie gevolgen kunnen hebben voor de luchtkwaliteit moet aandacht worden besteed aan de gevolgen voor de milieukwaliteitseisen. Onderzoek moet worden verricht naar de gevolgen voor de in bijlage 2 van de Wet milieubeheer genoemde milieukwaliteitseisen voor de buitenlucht. Volgens de Regeling beoordeling luchtkwaliteit 2007 moeten de concentraties worden bepaald vanaf de grens van het terrein van de inrichting. Dit onderzoek kan echter achterwege blijven indien de nieuwe bestemming betrekking heeft op één of meer categorieën van gevallen als genoemd in de Regeling niet in betekende mate bijdragen. In die gevallen wordt aangenomen dat de toename van de concentratie in de buitenlucht van zowel zwevende deeltjes (PM 10) als stikstofdioxide de 3% grens van de jaargemiddelde concentratie niet overschrijdt. Als sprake is van een beperkte toename van de luchtverontreiniging die ‘niet in betekenende mate’ (NIBM) bijdraagt aan de concentratie PM10 in de buitenlucht, hoeft een plan niet langer meer getoetst te worden. Dit volgt uit artikel 5.16, lid 1, sub c, van de Wet milieubeheer. Het Besluit NIBM legt vast wat geldt als niet in betekenende mate bijdragen.
Voor de volgende categorieën in de Regeling NIBM kan getoetst worden aan of een plan NIBM bijdraagt: - Categorie woningbouwlocaties; - Categorie kantoorlocaties; - Combinatie van woningbouw en kantoren; - Categorie inrichtingen. Voor woningbouwlocaties geldt dat deze NIBM zijn wanneer het netto niet meer dan 1.500 nieuwe woningen omvat, in geval van één ontsluitingsweg (bijlage 3A, Regeling niet in betekende mate bijdragen). Aangezien het initiatief slechts één woning betreft, wordt dus ruimschoots voldaan aan de NIBM-grens.
4.10.2. Woon- en leefklimaat
Op grond van de Wet luchtkwaliteit zijn grenswaarden opgenomen voor de jaargemiddelde concentraties voor onder andere fijnstof (PM10). De grenswaarde voor de jaargemiddelde concentratie bedraagt 40 μg/m3. Vanaf 1 januari 2015 geldt daarnaast een grenswaarde voor PM 2,5 waaraan door het bevoegd gezag bij vergunningverlening moet worden getoetst. Deze grenswaarde is opgenomen in de Wet milieubeheer en bedraagt 25 μg/m3 voor de jaargemiddelde concentratie. Voor de kortdurende blootstelling van de mens aan piekconcentraties van NO 2 geldt een grenswaarde van 200 μg/m3 voor het uurgemiddelde van NO2. Indien aan deze grenswaarden wordt voldaan, mag worden aangenomen dat het woon- en leefklimaat ten aanzien van het aspect luchtkwaliteit aanvaardbaar is Het RIVM heeft Grootschalige Concentratie- en Depositiekaarten van Nederland waarop de achtergrondconcentratie van fijnstof PM10, PM2,5 en NO2 ten aanzien van een goed woon- en leefklimaat geraadpleegd kan worden. De jaargemiddelde fijnstofconcentratie binnen de projectlocatie is conform de GCN-kaart voor fijnstof PM10 19,13 μg/m3, voor PM2,5 11,59 μg/m3 en voor NO2 13,68 μg/m3, zie afbeelding 19, 20 en 21.
Ruimtelijke onderbouwing Weverspad 1 te Sint-Oedenrode
40
Projectlocatie
Afbeelding 19: uitsnede GCN-kaart fijnstof PM10
Projectlocatie
Afbeelding 20: uitsnede GCN-kaart fijnstof PM2,5
Ruimtelijke onderbouwing Weverspad 1 te Sint-Oedenrode
41
Projectlocatie
Afbeelding 21: uitsnede GCN-kaart fijnstof NO2
Ten aanzien van de luchtkwaliteit zijn er dus geen belemmeringen voor de beoogde ontwikkeling. 4.11. Geluid De Wet geluidhinder (Wgh) vormt sinds 1979 het juridisch kader voor het Nederlandse geluidsbeleid. Deze wet zorgt voor de bescherming van geluidsgevoelige bestemmingen tegen geluidhinder van wegverkeerslawaai, spoorweglawaai en industrielawaai. Hierbij wordt o.a. gebruik gemaakt van zonering en geluidsnormen. In de Wgh is bepaald dat voor locaties in een bestemmingsplan waar woningen en andere geluidgevoelige bestemmingen kunnen worden gerealiseerd, de geluidbelasting dient te worden onderzocht binnen de zones behorende bij verkeersbewegingen, spoorwegen en industrieterreinen. In de omgeving van de projectlocatie liggen geen spoorwegen of industrieterreinen. De projectlocatie ligt wel binnen het geluidszone van Lieshoutseweg en Weverspad. Met de beoogde ontwikkeling wordt geen nieuw geluidsgevoelig object opgericht. De vrijkomende bedrijfswoning betreft een reeds bestaand geluidsgevoelig object in het kader van de Wgh. Dit verandert met de beoogde ontwikkeling niet. Er hoeft derhalve geen onderzoek te worden gedaan naar de geluidsinvloed van industrieterreinen in de omgeving of omliggende wegen en spoorlijnen op geluidsgevoelige objecten binnen de projectlocatie.
Er kan worden geconcludeerd dat er voor wat betreft het aspect geluid geen belemmeringen zijn voor het initiatief. 4.12. Verkeer en parkeren Binnen de projectlocatie dient een adequate afwikkeling van personen- en goederenvervoer verzekerd te zijn, waaronder een goede aansluiting op de aanwezige infrastructuur van weg, water of spoor. De projectlocatie ligt aan de Weverspad. In de huidige situatie wordt de locatie ontsloten door drie bestaande in- en uitritten. Weverspad is een verharde, doodlopende weg die alleen gebruikt wordt door bestemmingsverkeer. De weg wordt ontsloten door Lieshoutseweg. Deze ontsluitingsroutes beschikken over voldoende capaciteit om verkeersbewegingen met voornamelijk lichte motorvoertuigen af te wikkelen. In de beoogde situatie wordt één in- en uitrit opgeheven. Daarnaast zullen er in de beoogde
Ruimtelijke onderbouwing Weverspad 1 te Sint-Oedenrode
42
situatie namelijk voornamelijk personenvervoersmiddelen van en naar de projectlocatie bewegen. De verkeersbewegingen van en naar de inrichting zullen dus vele malen lager liggen dan dat het geval is bij een agrarisch bedrijf. In de beoogde situatie wordt de projectlocatie ontsloten door 2 in-en uitritten. In afbeelding 22 is de ontsluiting van de projectlocatie weergegeven in de beoogde situatie. De verharding naar de in- uitrit wordt verwijderd zoals eerder aangegeven. De grond ter plaatse van de verharding wordt de beoogde situatie in gebruik genomen als landbouwgrond ten behoeve van grasen/of akkerland. De in- en uitrit wordt in de beoogde situatie gebruikt om het landbouwperceel te kunnen bereiken.
Afbeelding 22: ontsluiting projectlocatie, met een rode pijl is de ontsluiting weergeven (bron: google.maps) Er dient tevens voorzien te zijn in voldoende parkeergelegenheid. In de ‘Nota Parkeernormen Meierijstad 2018’ (vastgesteld op 18 december 2018) worden de landelijke CROW richtlijnen vertaald naar de situatie in de gemeente Meierijstad. In de nota zijn parkeernormen opgenomen. Voor een vrijstaande woning in het buitengebied in Sint is de norm van 2,4 parkeerplaatsen opgenomen. Bij de woning is voldoende ruimte aanwezig om te voorzien in minimaal drie privé parkeerplaatsen. De beoogde ontwikkeling vormt dus geen belemmering voor wat betreft de aspecten verkeer en parkeren. 4.13. Externe veiligheid Externe veiligheid heeft betrekking op de risico’s die mensen lopen ten gevolge van mogelijke ongelukken met gevaarlijke stoffen bij bedrijven en transportverbindingen (wegen, spoorwegen, waterwegen en buisleidingen). Externe veiligheid gaat nadrukkelijk niet over de veiligheid van de mensen die werkzaam zijn binnen het bedrijf of binnen een risicogebied van een transportroute.
4.13.1. Regelgeving
De regelgeving rondom externe veiligheid is opgenomen in diverse besluiten en regelingen. Besluiten en regelingen, waarin de aanvaardbare risico’s zijn vastgelegd, zijn: - Besluit externe veiligheid inrichtingen (Bevi) - Besluit externe veiligheid buisleidingen (Bevb) - Besluit externe veiligheid transportroutes (Bevt) De normen in de besluiten zijn vastgelegd in de vorm van grenswaarden en richtwaarden. De grenswaarden geven de milieukwaliteit aan die op een bepaald tijdstip ten minste moet zijn bereikt, en die, waar zij aanwezig is, ten minste in stand moet worden gehouden. De richtwaarden geven de
Ruimtelijke onderbouwing Weverspad 1 te Sint-Oedenrode
43
kwaliteit aan die op een bepaald tijdstip zoveel mogelijk moet zijn bereikt en die, waar zij aanwezig is, zoveel mogelijk in stand moet worden gehouden. De externe veiligheidsrisico’s worden uitgedrukt in het plaatsgebonden risico (PR) en het groepsrisico (GR) binnen het invloedsgebied. In onderstaand kader worden deze risico’s nader uitgelegd. Plaatsgebonden risico (PR) Het plaatsgebonden risico geeft inzicht in de theoretische kans op overlijden van een individu op een bepaalde horizontale afstand van een risicovolle activiteit. Het plaatsgebonden risico wordt bepaald door te stellen dat een (fictief) persoon zich 24 uur per dag gedurende een heel jaar onbeschermd op een bepaalde plaats bevindt. De plaatsgebonden risicocontour is een contour waarbij alle punten met een gelijk risico met elkaar verbonden worden. Deze punten worden bepaald door de kans van optreden van diverse ongeval scenario’s. De grenswaarde voor het plaatsgebonden risico is 10-6 per jaar en geldt voor nieuwe situaties. Hierbinnen mogen geen kwetsbare objecten worden toegevoegd en ook nieuwe beperkt kwetsbare objecten, zijn in beginsel niet toegestaan. Als het plaatsgebonden risico 10-8 per jaar is, wordt het als verwaarloosbaar beschouwd.
Groepsrisico (GR) Het groepsrisico wordt behalve de ongevalfrequentie en het aantal transporten van gevaarlijke stoffen, tevens bepaald door de hoeveelheid aanwezige mensen in de nabijheid van een mogelijk ongeval. Met het groepsrisico wordt aangegeven hoe groot het aantal dodelijke slachtoffers bij een ongeval kan zijn op basis van de hoeveelheid aanwezige mensen. Naarmate de groep slachtoffers groter wordt, moet de kans op een dergelijk ongeval (kwadratisch) kleiner zijn. Bij het bepalen van het groepsrisico wordt getoetst aan de oriëntatiewaarde, hiervoor zijn geen vaste contouren beschikbaar. Invloedsgebied Gebied aan weerszijden van een weg, spoorweg of binnenwater waar ten hoogste 1% van de in dat gebied aanwezige personen kan overlijden als rechtstreeks gevolg van een ongewoon voorval op die weg, spoorweg of binnenwater waarbij een gevaarlijke stof betrokken is. Voor wat betreft risicobedrijven is het invloedsgebied het gebied, dat in het Reglement externe veiligheid inrichtingen is bepaald, waarin personen worden meegeteld voor de berekening van het groepsrisico. Indien de projectlocatie gelegen is binnen het invloedsgebied geldt er een verantwoordingsplicht met betrekking tot het groepsrisico. Dit betekent dat het groepsrisico verantwoord moet worden.