BIjlage 6 Toelichting Erpsesteeg 6 (inclusief bijlagen)
Tekst van het document
dit moment niet rechtstreeks toegestaan. Voor deze afwijking is op dit moment een omgevingsvergunning vereist, met voorwaarde AAB advies (volwaardig bedrijf). Die verplichting komt in het nieuwe plan te vervallen, aangezien in het bestemmingsplan ‘Laaghangend fruit’ een ‘volwaardig agrarisch bedrijf’ niet meer als uitgangspunt geldt, maar een reëel agrarisch bedrijf.
25
Toelichting bestemmingsplan Erpsesteeg 6 te Zijtaart (Veghel)
HOOFDSTUK 4 MILIEUHYGIËNISCHE EN PLANOLOGISCHE VERANTWOORDING
4 1 Milieuhygiënische en
2 planologische verantwoording
4.1
INLEIDING Bij het opstellen van een bestemmingsplan is het verplicht om inzicht te bieden in de relevante omgevingsaspecten. Aangetoond dient te worden dat de realisatie van het plan er niet toe leidt dat andere functies in de omgeving worden beperkt in hun mogelijkheden en dat sprake is van een goed woon- en leefklimaat. In onderhavige situatie wordt om aan de voorwaarden uit de SRV te kunnen voldoen ervoor gekozen om de aanduiding ‘intensieve veehouderij’ van het bouwvlak te halen. Hiermee wordt geen nieuwe miliehygiënische en planologische ruimte gegeven dan reeds op basis van het huidige bestemmingsplan ter plaatse is toegestaan. In onderhavige situatie wordt enkel milieuhygiënische en planologische ruimte ontnomen t.o.v. de huidige vigerende situatie. Immers is door het verwijderen van de aanduiding ‘intensieve veehouderij’ het niet meer mogelijk om ter plaatse in de toekomst nog een intensieve veehouderij te exploiteren. Zoals reeds in het vorige hoofdstuk is aangegeven worden de te realiseren boogkassen niet voorzien van verlichting en geluidsinstallaties. Deze activiteit heeft niet tot gevolg dat de verkeersaantrekkende werking toeneemt t.o.v. de situatie dat ter plaatse een vollegrondsgroenteteelt bedrijf wordt geëxploiteerd zonder boogkassen.
Het scheppen van rechtstreekse bouwmogelijkheden voor de realisatie van de boogkassen leidt daarmee niet tot extra milieugevolgen. Dit blijkt ook uit het vervolg van dit hoofdstuk.
4.2
M.E.R.-BEOORDELING Op grond van hoofdstuk 7 van de Wet milieubeheer en het Besluit milieueffectrapportage (Besluit m.e.r.) is het noodzakelijk om ten behoeve van een bestemmingsplan dat kaderstellend is voor projecten met grote milieugevolgen, een plan-m.e.r. op te stellen. Onderdeel D van de bijlage Besluit m.e.r. geeft de omvang van dergelijke projecten weer. Hierbij geldt sinds de aanpassing van het Besluit m.e.r. per 1 april 2011 de omvang als richtwaarde en niet als absolute drempelwaarde. Daarom is altijd een toets noodzakelijk om na te gaan of sprake is van een project met grote milieugevolgen. Deze toets dient plaats te vinden aan de hand van de criteria van Bijlage III, van de EU-richtlijn m.e.r. De hoofdcriteria waaraan moet worden getoetst zijn: • kenmerken van de projecten; • plaats van de projecten; • kenmerken van het potentiële effect. Het mag duidelijk zijn dat wanneer een project ruim beneden de omvang uit de bijlage van het Besluit m.e.r. blijft, deze beoordeling beknopt kan zijn. Het is voor de beoogde ontwikkeling op de locatie niet noodzakelijk een milieu effect rapportage op te stellen. Het initiatief kan immers niet worden aangemerkt als een activiteit die voorkomt in een van de categorieën uit bijlagen C en D van het Besluit m.e.r.
26
Toelichting bestemmingsplan Erpsesteeg 6 te Zijtaart (Veghel)
In het kader van de voorliggende ontwikkeling zijn verderop in dit hoofdstuk diverse milieuaspecten zorgvuldig afgewogen. Per aspect is bepaald of de ontwikkeling gevolgen heeft voor de (milieu)aspecten bedrijven‐ en milieuzonering, geluid, luchtkwaliteit, externe veiligheid, bodemgeschiktheid, flora‐ en fauna, water, archeologie, cultuurhistorie, verkeer en parkeren. Uit de afweging is gebleken dat de effecten niet van dien aard zijn dat een m.e.r.‐beoordeling aan de orde is. Op grond van het voorgaande zijn belangrijke nadelige milieueffecten uitgesloten, waardoor het uitvoeren van een m.e.r.‐beoordeling of MER niet zinvol wordt geacht. Daarnaast wordt middels onderhavig plan geen nieuwe planologische ruimte geclaimd. Er wordt enkel planologische ruimte ingeleverd, door het verwijderen van de aanduiding ‘intensieve veehouderij’. Conclusie Voor onderhavig plan is geen M.E.R. beoordeling of vormvrije M.E.R. beoordeling noodzakelijk.
4.3
CULTUURHISTORIE EN ARCHEOLOGIE Vanwege artikel 3.1.6, vijfde lid, van het Besluit ruimtelijke ordening moet in de toelichting van een ruimtelijk plan een beschrijving worden opgenomen van de wijze waarop met de in het gebied aanwezige cultuurhistorische waarden en in de grond aanwezige of te verwachten monumenten rekening is gehouden. Gemeenten zullen een inventarisatie moeten (laten) maken van alle cultuurhistorische waarden in het besluitgebied, dus niet alleen van de archeologische waarden. Daarnaast moeten ze aangeven welke conclusies ze daaraan verbinden en op welke wijze ze deze waarden borgen in het kader van het planvoornemen. In 1992 is het Verdrag van Malta ondertekend door de lidstaten van de Raad van Europa. Dit verdrag heeft tot doel het cultureel erfgoed wat zich in de bodem bevindt te beschermen en te behouden. Hierbij moet gedacht worden aan archeologische vondsten en resten, gebruiksvoorwerpen, restanten van oude nederzettingen en grafvelden etc. Een van de belangrijke aspecten voor onderhavig plan is het kader wat het verdrag stelt t.a.v. ruimtelijke ordening. Dit kader houdt in dat er tijdig rekening gehouden dient te worden met de mogelijke aanwezigheid van archeologische waarden in de bodem.
Voorafgaand aan een plan moet inzichtelijk gemaakt worden welke verwachtingen er zijn en in hoeverre rekening gehouden dient te worden met de aanwezige archeologische waarden. In algemene zin blijft altijd artikel 5.10 van de erfgoedwet van kracht. Het artikel ziet toe op toevalsvondsten die een ieder zou kunnen doen bij een opgraving. Artikel 5.10. Archeologische toevalsvondst Degene die anders dan bij het verrichten van opgravingen een vondst doet waarvan hij weet dan wel redelijkerwijs moet vermoeden dat het een archeologische vondst betreft, meldt dit zo spoedig mogelijk bij Onze Minister. Conclusie Cultuurhistorie en archeologie vormen geen belemmering voor de ontwikkeling binnen het plangebied. Er vinden geen bodemingrepen plaats op gronden die niet eerder verstoord zijn. De nieuwe boogkassen komen in de plaats van de reeds gesaneerde varkensstallen en reiken niet dieper dan de fundering van die stallen. De gesaneerde stallen hadden geen
27
Toelichting bestemmingsplan Erpsesteeg 6 te Zijtaart (Veghel)
cultuurhistorische waarde waardoor er geen belemmering bestond voor de gemeente om de betreffende sloopmelding van de stallen niet te accepteren.
4.4
NATUUR Per 1 januari 2017 geldt de Wet natuurbescherming. Deze wet vervangt de Natuurbeschermingswet 1998, de Flora- en faunawet en de Boswet. De nieuwe Wet natuurbescherming (Natuurwet) voorziet in vereenvoudigde regels ter bescherming van de natuur, in decentralisatie van bevoegdheden naar provincies en in een goede aansluiting op het omgevingsrecht. Er wordt beter aangesloten op de Europese regelgeving en er wordt een duidelijker onderscheid gemaakt tussen soorten die Europees beschermd zijn en nationaal beschermde soorten. De Wet natuurbescherming is, door de samenvoeging van de wetten, zowel gericht op de gebiedsbescherming als de soortenbescherming. Gebiedsbescherming De Wet natuurbescherming bepaalt dat nieuwe of uitbreidingen van bestaande economische activiteiten moeten worden getoetst op hun effect op de Natura 2000gebieden. Het dichtstbijzijnde Natura 2000-gebied betreft het gebied ‘Kampina & Oisterwijkse Vennen’ dat op circa 16 km ten westen van de projectlocatie is gelegen. Met de stikstofdepositieberekening uitgevoerd met het meest recente Aerius-calculator model 6, opgenomen in bijlage 3 van onderhavige toelichting, is inzichtelijk gemaakt dat het beoogde plan niet leidt tot een bijdrage aan stikstofdepositie op enig Natura 2000-gebied en daarmee dus niet leidt tot significante gevolgen voor Natura 2000-gebieden.
Door in het bestemmingsplan een zogenaamd stikstofslot op te nemen worden de maximale planologische mogelijkheden en de effecten daarvan op Natura 2000-gebieden geborgd en vastgelegd. Dit betreft een regeling die de toename van stikstofdepositie uitsluit. Dit kan door de inputgegevens 7 die zijn opgenomen in de in de bijlage toegevoegde Aeriuscalculator berekening als uitgangspunt voor de maximale toegestane stikstofdepositie te hanteren. Soortenbescherming De Wet natuurbescherming kent een apart beschermingsregime voor soorten van de Vogelrichtlijn, een apart beschermingsregime voor soorten van de Habitatrichtlijn, het Verdrag van Bern en het Verdrag van Bonn en een apart beschermingsregime voor ‘andere soorten’, die vanuit nationaal oogpunt beschermd worden. In het kader van de ‘sloopmelding’ is destijds om een indicatie te krijgen van de effecten die de sloopwerkzaamheden zouden hebben op de natuurwaarden binnen het plangebied, een quickscan flora en fauna verricht. De rapportage, d.d.27 juli 2020, is opgenomen als bijlage 2 bij deze toelichting. 6 AERIUS versie: 2021.0.2_20220128_2eee9c6138, Database versie: 2021_2eee9c6138
7 50 bewegingen met licht verkeer, 16 bewegingen met middelzwaar vrachtverkeer en 8 bewegingen met zwaar vrachtverkeer per dag. Het aantal vervoersbewegingen is het dubbele van het aantal bezoeken omdat er met heen- en terugverkeer wordt gerekend. Tractoren die van en naar de locatie rijden vallen onder zwaar vrachtverkeer. Tractoren of andere fossiele aangedreven werktuigen die binnen het plangebied voortbewegen zijn mobiele werktuigen. Voor de mobiele werktuigen is een stelpost van 5.000 liter diesel per jaar opgenomen. Ook bij verdubbeling van bovengenoemde aantallen bewegingen is er geen sprake van een significante bijdrage op Natura-2000 gebieden.
28
Toelichting bestemmingsplan Erpsesteeg 6 te Zijtaart (Veghel)
Hierna volgt de conclusie. Het voornemen zoals opgenomen in de inleiding en de daarbij behorende werkzaamheden, zal naar verwachting geen negatief effect hebben op staat van instandhouding van beschermde soorten. Binnen het plangebied zijn geen (verblijfplaatsen van) strikt beschermde soorten aangetroffen die door de werkzaamheden worden beïnvloed. Uit de effectenbeschrijving blijkt dat er geen onevenredige directe of indirecte gevolgen zijn van de voorgenomen activiteiten op de voortplanting en instandhouding van beschermde dier- en/of plantsoorten. Lokaal zullen mogelijk algemene soorten uit het plangebied trekken op zoek naar een vervangende biotoop. Voor aanvang van de werkzaamheden, dient derhalve geen aanvullende onderzoek plaats te vinden. Een ontheffing met betrekking tot aantasting van beschermde soorten is niet nodig. De werkzaamheden kunnen leiden tot een beschadiging of vernietiging van mogelijke verblijfplaatsen en/of verstoring van eventueel aanwezige algemene soorten. Een algehele vrijstelling op basis van de Verordening natuurbescherming voor ruimtelijke ontwikkelingen is hierop van toepassing. De algemene zorgplicht blijft onverminderd van toepassing.
4.5
WATER Op grond van het Besluit ruimtelijke ordening (artikel 3.1.6 lid 1 onder b van het Bro) dient inzicht te worden gegeven in de gevolgen voor de waterhuishouding die samenhangen met de ruimtelijke ontwikkeling die mogelijk wordt gemaakt. Bij een planologische procedure dienen waterhuishoudkundige belangen expliciet en op evenwichtige wijze meegewogen te worden. De ‘watertoets’ is hiervoor het toetsinstrument. Het is niet een toets achteraf, maar een proces dat de initiatiefnemer van een ruimtelijk plan en de waterbeheerder met elkaar in gesprek brengt in een zo vroeg mogelijk stadium. Dit verkleint de kans op problemen zoals overstroming door onvoldoende veilige dijken, wateroverlast door onvoldoende bergingsmogelijkheden voor hemelwater of een slechte waterkwaliteit. Het resultaat is een ruimtelijk plan dat waterbestendig is. Maar het gaat niet alleen om het voorkomen van problemen. Ruimte voor water kan ook de ruimtelijke kwaliteit en de leefomgeving van mens en dier verbeteren. Nieuwe plannen dienen te voldoen aan het principe van Hydrologisch Neutraal Ontwikkelen, waarbij de hydrologische situatie minimaal gelijk moet blijven aan de oorspronkelijke situatie. Het plangebied valt onder het beheer van Waterschap Aa en Maas. Bij ruimtelijke ontwikkelingen hanteert het Waterschap een aantal beleidsmatige uitgangspunten ten aanzien van het duurzaam omgaan met water.
In deze paragraaf wordt beschreven op welke wijze bij dit plan rekening is gehouden met de ruimtelijk relevante aspecten van (duurzaam) waterbeheer. Beleidskader Relevante beleidsstukken op het gebied van water zijn het ‘Programma Water en Riolering Meierijstad 2022-2026’ van de gemeente Meierijstad, het Waterbeheerplan 2022-2027 van het Waterschap Aa en Maas, de Vierde Nota Waterhuishouding, WB21, Nationaal Bestuursakkoord Water en de Europese Kaderrichtlijn Water. Evenals de voormalige Verordening water, die is opgegaan in de Interim omgevingsverordening Noord-Brabant.
29
Toelichting bestemmingsplan Erpsesteeg 6 te Zijtaart (Veghel)
Kern van deze beleidsstukken is dat water een belangrijk sturend element is in de ruimtelijke ordening. Programma Water en Riolering Meierijstad 2022-2026 (PWR) In het PWR zijn twee rode draden te herkennen. De eerste rode draad is de wettelijke verplichte invulling van de klassieke zorgplichten voor afvalwater, hemelwater en grondwater aangevuld met de verantwoordelijkheid die de gemeente heeft voor het oppervlaktewater. De tweede rode draad is de aanstaande Omgevingswet. Het PWR betreft wederom een beleidsplan waarin de zorgplichten voor zowel de waterhuishouding als riolering verwoord zijn. Het plan is samen met de waterschappen Aa en Maas en De Dommel tot stand gekomen. Naast het in stand houden en goed laten functioneren van het rioolstelsel richt het PWR zich o.a. ook op het doelmatig verwerken van afvalwater in het buitengebied. Het is verboden om vanaf een nieuw verhard oppervlak hemelwater te lozen op de riolering of openbaar terrein. Voor een toename van meer dan 500 m² verhard oppervlak moet voldaan worden aan het beleid van beide waterschappen. Verordening fysieke leefomgeving Meierijstad – Hoofdstuk 6 Afvoer hemelwater en grondwater Het doel van hoofdstuk 6 ‘Afvoer hemelwater en grondwater’ in de ‘Verordening fysieke leefomgeving Meierijstad’ is het tegengaan van de verdroging en het ontlasten van riolering en rioolwaterzuiveringsinstallaties.
Daartoe worden regels gesteld om de opvang van regenwater op eigen terrein te bevorderen en het lozen van hemelwater- en grondwater op de openbare riolering te voorkomen. Dit hoofdstuk heeft geen betrekking op onderhavig plan. Immers is in artikel 6.3 lid 1 ‘Reikwijdte van dit hoofdstuk’ opgenomen dat dit hoofdstuk geen betrekking heeft op inrichtingen in de zin van de Wet milieubeheer. Binnen onderhavig plangebied blijft een inrichting actief die valt onder artikel 8.40 van de Wet milieubeheer, Activiteitenbesluit. Waterbeheerplan 2022-2027 Aa en Maas Op 18 december 2020 heeft Waterschap Aa en Maas het Waterbeheerplan 2022 – 2027 vastgesteld. In dit waterbeheerplan staan de doelstellingen die het waterschap nastreeft en wat het waterschap in de periode 2022 – 2027 gaat doen om deze doelen te halen. In het plan zijn verschillende programma’s uitgewerkt: • Programma Waterveiligheid; • Programma Klimaatbestendig en gezond watersysteem; • Programma Schoon Water.
Keur Waterschap Aa en Maas 2015 Op 26 februari 2015 heeft het waterschap de nieuwe Keur vastgesteld, die op 1 maart 2015 in werking is getreden. Deze keur is in samenwerking tussen de waterschappen Aa en Maas, Brabantse Delta en De Dommel tot stand gekomen, waardoor er nu sprake is van een uniforme Keur. De regels uit de geldende Keur zijn eenvoudiger dan eerst en er is minder vaak een watervergunning nodig dan voorheen. Activiteiten en werkzaamheden rondom kleine watergangen zijn in veel gevallen zelfs van regels vrijgesteld. De Keur is een verordening waarin staat wat wel en niet mag rondom watergangen, dijken en grondwater. Voor veel zaken hoeven burgers en bedrijven geen vergunning meer aan te vragen. Een melding aan het waterschap volstaat. Alle ingrepen die een grote impact hebben op belangrijke watergangen en -keringen zijn vergunningplichtig. Het doel van de
30
Toelichting bestemmingsplan Erpsesteeg 6 te Zijtaart (Veghel)
regels is de wateraanvoer en -afvoer te waarborgen, Noord-Brabant te beschermen tegen overstromingen en de gevolgen van droogte te beperken. De waterschappen maken bij het beoordelen van ontwikkelingen met een toename verhard oppervlak onderscheid tussen grote en kleine plannen. Hoewel er relatief veel kleine plannen zijn, veroorzaken deze op deelstroomgebiedsniveau nauwelijks een toename van de maatgevende afvoer. Dit heeft er toe geleid dat voor kleine plannen (toename verhard oppervlak tussen de 500 m2 en de 10.000 m2) kan worden volstaan met het toepassen van een eenvoudige rekenregel voor het bepalen van de opgave van compenserende berging van hemelwater. Voor grote plannen (toename verhard oppervlak groter dan 10.000 m2) volstaat deze rekenregel niet en is er altijd een waterhuishoudkundig onderzoek door de initiatiefnemer noodzakelijk waarbij het waterschap vroegtijdig dient te worden betrokken. Voor plannen waarbij de toename verhard oppervlak kleiner dan 500 m2 is hebben de drie waterschappen besloten dat het gelet de dermate kleine afvoer van hemelwater verantwoord is geen compensatie te eisen. Op basis van het gemeentelijk beleid geldt hiervoor nog wel dat er een hydrologisch neutrale ontwikkeling noodzakelijk is met bij voorkeur het verwerken van hemelwater op eigen terrein.
Interim omgevingsverordening Noord-Brabant Per 5 november 2019 is de voormalige Verordening water opgegaan in de Iov. Binnen de Verordening water werd er een onderscheid gemaakt in beschermde gebieden en attentiegebieden. In de Iov is het beschermingsniveau gehandhaafd. Hoofdstuk 4 van de Interim omgevingsverordening richt zich op het regionale waterbeheer en de taakuitoefening van de waterschappen. In dit hoofdstuk zijn instructieregels opgenomen die waterschappen bij de uitoefening van hun bevoegdheden moeten betrekken. Met dit onderdeel wordt voldaan aan de verplichtingen van de Waterwet. Het plangebied ligt niet binnen één van de zones waarin beperkingen gelden ter bescherming van de waterhuishoudkundige functies en kenmerken van het gebied. Legger waterschap Aa en Maas Het plangebied grenst aan de noordzijde aan een A-watergang volgens de keur en legger van het waterschap. Daaraan is in de keur een beschermingszone van 5 meter verbonden, voor behoud en onderhoud en goede werking van het watersysteem. Ruimtelijk is rekening gehouden met deze waterbelangen. Er worden geen werken of objecten in deze zone geplaatst.
31
Toelichting bestemmingsplan Erpsesteeg 6 te Zijtaart (Veghel)
•
Figuur 4.1: Uitsnede legger oppervlaktewater Aa en Maas
Conclusie Met onderhavig plan wordt de aanduiding intensieve veehouderij van het bestemmingsvlak verwijderd. De twee eerder aanwezige varkensstallen en de voerplaten zijn reeds gesaneerd, wat heeft geleid tot een sterke afname van het verharde oppervlak ter plaatse van het plangebied. Het gaat om circa 5.550 m² 8. Dit leidt tot een verbetering van de hydrologische (waterkundige) situatie. Daarvoor in de plaats worden twee boogkassen op de vollegrond geplaatst, maar verder wordt hiermee geen nieuw verhard oppervlak gerealiseerd. Het gaat dan om twee boogkassen met een gezamenlijke maximale omvang van 1.400 m². Het hemelwater dat op de boogkassen terechtkomt stroomt direct door naar beneden op de onverharde grond en zal, zoals ook op de landbouwgronden waarop geen boogkassen zijn gerealiseerd, van daaruit infiltreren in de bodem. Er is sprake van een hydrologisch neutrale ontwikkeling. Er zal binnen het plangebied meer onbebouwde grond zijn waardoor het voor hemelwater makkelijker is om lokaal te infiltreren. Dit heeft een positieve invloed op de waterhuishouding ter plaatse. Derhalve is een nadere uitwerking van de waterparagraaf niet noodzakelijk. Daarnaast komen door onderhavig plan de aangrenzende watergangen niet in het geding. In het kader van het wettelijk vooroverleg is onderhavig plan door de gemeente voorgelegd aan Waterschap Aa en Maas.
Op 9 december 2021 heeft het waterschap gereageerd. Op basis van deze reactie is onderhavige paragraaf deels aangepast en aangevuld.
2 varkensstallen (2.400 m² + 1.600 m²) + 3 voerplaten (gezamenlijk ca. 750 m²) en erfverharding (ca. 800 m²).
8
32
Toelichting bestemmingsplan Erpsesteeg 6 te Zijtaart (Veghel)
4.6
BODEM In het Besluit ruimtelijke ordening (artikel 3.1.6 lid 1 onder d) is bepaald dat voor de uitvoerbaarheid van een plan rekening gehouden moet worden met de bodemgesteldheid in het plangebied. Bij functiewijzigingen dient te worden bepaald of de bodemkwaliteit voldoende is voor de beoogde functie en moet worden bepaald of nader onderzoek en eventueel saneringen noodzakelijk zijn. In de Wet bodembescherming is bepaald dat indien de desbetreffende bodemkwaliteit niet voldoet aan de norm voor de beoogde functie, de grond zodanig dient te worden gesaneerd dat zij kan worden gebruikt door de desbetreffende functie (functiegericht saneren). Nieuwe bestemmingen dienen bij voorkeur op schone grond te worden gerealiseerd. De te realiseren boogkassen worden gerealiseerd binnen het bestaande bouwvlak op de plek waar voorheen de varkensstallen waren gesitueerd. Tijdens de sloop zijn de bestaande putten onder de varkensstallen verwijderd en is een bouwput ontstaan van circa 1 tot 1,5 meter diep. Puin afkomstig uit de bouwput is gezeefd en afgevoerd. Om de ontstane bouwput weer te dichten is grond aangekocht voorzien van een schone grond verklaring. Door opbrengen van schone grond en in feite sanering van directe omgeving van het varkensbedrijf wordt de bodemgesteldheid verzekerd voor de toekomstige situatie. In 2005 is de eerste bebouwing gerealiseerd ter plaatse van het plangebied.
In 1993 heeft de Nederlandse overheid het toepassen van asbest volledig verboden. Aangezien de reeds gesloopte varkensstallen ruim 10 jaar na het asbestverbod zijn opgericht is met 100% zekerheid te stellen dat ter plaatse geen asbestverontreiniging heeft plaatsgevonden. Conclusie Het aspect bodem vormt geen belemmering voor onderhavig plan. Eventuele bedreigingen in de vorm van zware metalen en asbest zijn uit te sluiten. Aangezien het plangebied voor 2005 niet bebouwd is geweest, kan ter plaatse geen sprake zijn van asbestverontreininging en door uitgraven van de putten en vervangen van de grond door grond met een schone grond verklaring is de bodem verzekerd van een goede kwaliteit en gesteldheid.
4.7
TECHNISCHE INFRASTRUCTUUR De locatie is reeds aangesloten op alle gangbare technische infrastructuur zoals drukriolering en andere nutsvoorzieningen. Hiervoor hoeven geen structurele aanpassingen plaats te vinden. Conclusie Onderhavig plan wordt niet belemmerd door de technische infrastructuur. Er zijn voor de voortzetting van het agrarische bedrijf ter plaatse in de vorm van een biologisch vollegrondsgroenteteelt bedrijf geen nieuwe aansluitingen noodzakelijk.
4.8
BEDRIJVEN EN MILIEUZONERING Om tussen bedrijven en woningen een goede ruimtelijke afstemming te maken wordt in de ruimtelijke ordening veelal een milieuzonering gehanteerd. Deze dient er voor te zorgen dat door het in acht nemen van voldoende afstand tussen bedrijven en gevoelige objecten (zoals woningen), geen overlast, hinder of schade ontstaat. Deze ruimtelijke zonering is
33
Toelichting bestemmingsplan Erpsesteeg 6 te Zijtaart (Veghel)
gebaseerd op het in acht nemen van voldoende fysieke afstand. Afhankelijk van bedrijfstype en sector gelden verschillende afstanden. Om gemeenten te ondersteunen in het keuzeproces welke bedrijven gewenst en welke bedrijven ongewenst geacht worden heeft de vereniging Nederlandse gemeenten (VNG) een Handreiking Bedrijven en milieuzonering uitgebracht. De Handreiking, in de vorm van een gids, geeft voor verschillende bedrijfstypen richtafstanden op de onderdelen geur, stof, geluid en gevaar. Voor ruimtelijke ontwikkelingen is het goed en verstandig om de situatie voor de ontwikkeling te toetsen aan de situatie na de beoogde ontwikkeling. In het geval van de ontwikkeling binnen het plangebied zijn er richtafstanden bekend voor een varkenshouderij en richtafstanden voor akkerbouwbedrijven voor de ontwikkeling en richtafstanden voor tuinbouw (bedrijfsgebouwen) (kassen zonder verwarming) en detailhandel voor zover n.e.g. na de beoogde ontwikkeling. In onderstaand figuur zijn de bedrijfstypen en richtafstanden gegeven voor een varkenshouderij, akkerbouwbedrijf en tuinbouwbedrijf (bedrijfsgebouwen), (kassen zonder verwarming) en detailhandel voor zover n.e.g. Omschrijving
Afstanden in meters Geur Stof 200 30
Geluid 50
Gevaar 0
Akkerbouw en fruitteelt (bedrijfsgebouwen)
10
10
30
10
2
Tuinbouw (bedrijfsgebouwen
10
10
30
10
2
Tuinbouw (kassen zonder verwarming)
10
10
30
10
2
Detailhandel voor zover n.e.g.
0
0
10
0
1
Fokken en houden van varkens
Categorie 4.1
Figuur 4.2: Tabel Richtafstandenlijst ‘Bedrijven en milieuzonering’
•
Feitelijk gebeurt het volgende binnen het plangebied: • De varkenshouderij wordt beëindigd, waardoor de bovengenoemde in figuur 4.1 weergegeven richtafstanden voor het ‘fokken en houden van varkens’ komt te vervallen; • In de regels van het bestemmingsplan wordt ander soortige veehouderij binnen het bouwvlak planologisch uitgesloten; • Binnen het huidige agrarische bouwvlak wordt het vollegrondteeltbedrijf in de vorm van akkerbouw voortgezet als vollegrondsgroenteteelt bedrijf; • De detailhandelsfunctie t.b.v. productiegebonden detailhandel blijft men voortzetten. Het plangebied is gelegen binnen het gebiedstype ‘gemengd gebied’, aangezien het gebied zich kenmerkt door de aanwezigheid van meerdere functies (‘Wonen’, ‘Agrarische bedrijvigheid’ en ‘Niet-Agrararische bedrijvigheid’). Bij een 'gemengd gebied' kunnen de richtafstanden met 1 afstandsstap verkleind worden. Uitzondering hierop is de richtafstand voor externe veiligheid. Deze wordt niet verkleind.
34
Toelichting bestemmingsplan Erpsesteeg 6 te Zijtaart (Veghel)
Zoals uit bovenstaande tabel, in figuur 4.1 naar voren komt, blijkt dat de milieu-impact van de voorgenomen functie aanzienlijk lager is gelegen dan de milieu-impact afkomstig van de huidige intensieve varkenshouderij, die samen met de te handhaven akkerbouwtak, planologisch is toegestaan op de locatie. Door beëindiging van de intensieve varkenshouderij zal met name voor wat betreft het aspect geur, stof en geluid de situatie enorm verbeteren. De voorgenomen ontwikkeling zorgt voor een verbetering van het woonen leefklimaat rondom het plangebied. Binnen 10 en 30 meter (afstandsstap niet verkleind) van het plangebied (gemeten vanaf de rand van het bouwvlak) is geen gevoelig object gelegen. De dichtstbijzijnde gevoelige objecten (de woningen ter plaatse van Hoge Biezen 5, Zondveldstraat 1A en1B) zijn op > 180 meter van het plangebied gelegen (gemeten vanaf rand bouwvlak/bestemmingsvlak tot rand bouwvlak/bestemmingsvlak). Doordat het bestemmingsplan het niet mogelijk maakt om gevoelige objecten buiten het bouwvlak/ bestemmingsvlak te bouwen en het feit dat de maximale planologische mogelijkheden worden/zijn beperkt tot onderschreven initiatief waarborgt dat ter plaatse een aanvaardbaar woon- en leefklimaat blijft gegarandeerd. Andersom mag de ontwikkeling de bedrijfsvoering van omliggende (agrarische) bedrijven niet belemmeren t.o.v. de vigerende situatie.
Binnen het plangebied is een agrarische bedrijfswoning aanwezig. Deze bedrijfswoning blijft behouden en dienst doen als bedrijfswoning. Planologisch wordt middels onderhavig plan niet de mogelijkheid gecreëerd om ter plaatse een nieuw gevoelig object op te richten danwel de bestaande woning rechtstreeks te verplaatsen. Dit houdt in dat hetzelfde toetsingsregime voor de woning blijft gelden en onderhavig plan niet leidt tot een belemmering voor de bedrijfsvoering van (agrarische) bedrijven in de omgeving. Conclusie Het aspect ‘Bedrijven en milieuzonering’ vormt geen belemmering voor onderhavig plan. Er is sprake van voldoende afstand tussen het plangebied en omliggende functies, ook zonder de toegestane verkleining van 1 afstandsstap binnen het ‘gemengd gebied’. De afstand in combinatie met het feit dat de planologische mogelijkheden binnen het plangebied enkel beperkt worden t.o.v. de huidige situatie, minder zware agrarische bestemming, maken dat er geen significante negatieve ontwikkeling aan de orde is en er gesproken kan worden van een aanvaardbaar woon- en leefklimaat. 4.9
GEUR De Wet geurhinder en veehouderij geeft het wettelijk kader inzake geurhinder in relatie tot veehouderijen. De Wet geurhinder en veehouderij heeft tot doel het beschermen van mens en milieu tegen de negatieve effecten van geurbelasting, onder andere als gevolg van emissies door bedrijven. Indirect heeft de Wgv ook consequenties voor de totstandkoming van geurgevoelige objecten en dus voor de ruimtelijke ordening, dit wordt ‘omgekeerde werking’ genoemd. Voor wat betreft geurhinder van veehouderijen betekent dit dat de volgende aspecten in ogenschouw moeten worden genomen: • •
Leidt een plan tot belemmeringen voor de bedrijfsvoering ontwikkelingsmogelijkheden van nabij gelegen veehouderijen? Is ter plaatse van de woning een goed woon- en leefklimaat gegarandeerd?
of
Belemmeringen Op grond van artikel 3.2 van de Wet geurhinder en veehouderij moet de afstand tussen het dichtstbijzijnde emissiepunt van een dierenverblijf behorende tot een veehouderij en een geurgevoelig object dat onderdeel uitmaakt van een andere veehouderij, of dat op of na 19
35
Toelichting bestemmingsplan Erpsesteeg 6 te Zijtaart (Veghel)
maart 2000 heeft opgehouden deel uit te maken van een andere veehouderij, gelegen binnen de bebouwde kom, tenminste 100 meter te bedragen. Buiten de bebouwde kom is deze afstand minimaal 50 meter. In artikel 5.1 van de Wet geurhinder en veehouderij is opgenomen dat onverminderd artikel 3.2 bedraagt de afstand van de buitenzijde van een dierenverblijf tot de buitenzijde van een geurgevoelig object ten minste 50 meter indien het geurgevoelige object binnen de bebouwde kom is gelegen, en ten minste 25 meter indien het geurgevoelige object buiten de bebouwde kom is gelegen. Gemeenten mogen bij verordening van de normen van de Wet geurhinder en veehouderij afwijken, binnen bepaalde grenzen (artikel 6 van de wet). In de huidige situatie biedt het bestemmingsplan binnen het plangebied nog mogelijkheden voor een intensieve veehouderij met een geurproductie en daarmee eventuele geurhinder voor de omgeving van het plangebied. Het verwijderen van de aanduiding ‘intensieve veehouderij’ van het bestemmingsvlak betekend dat ter plaatse in de toekomst niet opnieuw een intensieve veehouderij geëxploiteerd wordt en de eventuele overlast daarvan volledig verdwijnt, een grondgebonden agrarisch bedrijf kent geen geurproductie. Conclusie Onderhavig plan brengt geen geurbelemmering met zich mee.
De beëindiging van de varkenshouderij binnen het plangebied betekend dat de geuremissie en eventuele hinder daarvan voor de omgeving geheel is verdwenen. In de omgeving zijn enkele intensieve veehouderijen aanwezig maar het plangebied is op voldoende afstand gelegen om de invloed van deze bedrijven op het plangebied beperkt in te kunnen schalen.
4.10
AKOESTIEK Voor het aspect geluid is binnen het plangebied de Wet geluidhinder van toepassing. De Wet geluidhinder kent voor weg- en railverkeer alsmede voor gezoneerde industrieterreinen voorkeursgrenswaarden op nieuwe bestemmingen. De Wet geluidhinder gaat uit van zones langs (spoor)wegen en zones bij industrieterreinen die aandachtsgebieden voor mogelijke geluidhinder begrenzen. Volgens de Wet geluidhinder gelden voor woningen, andere geluidsgevoelige gebouwen dan woningen en andere geluidsgevoelige objecten binnen de zone van een weg geluidswaarden die niet overschreden mogen worden. Op basis van art. 76 lid 3 Wgh hoeft de geluidsbelasting van een aanwezige weg waar geen wijzigingen optreden op bestaande woningen niet getoetst te worden aan de grenswaarden. Zoals ook in paragraaf 4.8 te zien is wordt de richtafstand voor wat het geluidsaspect betreft bij beëindiging van een varkenshouderij en de voortzetting als een grondgebonden agrarisch bedrijf met 20 meter verkleind. Het bedrijf heeft daarmee een minder grote invloed op de omgeving voor wat betreft geluid. Daarnaast wordt opgemerkt dat middels onderhavig plan geen nieuwe gevoelige objecten binnen het plangebied worden gerealiseerd danwel mogelijk gemaakt. De bestaande bedrijfswoning blijft als bedrijfswoning gehandhaafd en behoudt hetzelfde beschermingsregime m.b.t.
industrielawaai afkomstig van bedrijven in de omgeving. Hiermee worden bedrijven in de omgeving betreffende het aspect geluid niet verder belemmerd in de bedrijfsvoering t.o.v. de feitelijke bestaande vigerende situatie
36
Toelichting bestemmingsplan Erpsesteeg 6 te Zijtaart (Veghel)
Conclusie Voor wat betreft het aspect geluid zijn er geen belemmeringen voor onderhavig initiatief. De richtastand wordt kleiner doordat de planologische en juridische mogelijkheden middels onderhavig plan worden beperkt. De richtastand voor de grondgebonden activiteit die binnen het plangebied wordt voortgezet is kleiner dan de eerder ter plaatse gevestigde varkenshouderij. Daarnaast belemmerd onderhavig plan bedrijven in de omgeving niet in hun bedrijfsvoering t.o.v. de huidige situatie. Het plan heeft op basis van het aspect geluid een positief effect op het woon- en leefklimaat ter plaatse als voor de omgeving. De Wgh legt geen restricties aan onderhavig planvoornemen.
4.11
LUCHTKWALITEIT Titel 2 van hoofdstuk 5 van de Wet milieubeheer (deze titel wordt ook wel aangeduid als ‘Wet luchtkwaliteit’) voorziet onder meer in een gebiedsgerichte aanpak van de luchtkwaliteit via het Nationaal Samenwerkingsprogramma Luchtkwaliteit (NSL). De programma-aanpak zorgt voor een flexibele koppeling tussen ruimtelijke activiteiten en milieugevolgen. Van bepaalde projecten met getalsmatige grenzen is vastgesteld dat deze ‘niet in betekenende mate’ (NIBM) bijdragen aan de luchtverontreiniging. Deze mogen zonder toetsing aan de grenswaarden voor luchtkwaliteit uitgevoerd worden. Een project draagt ‘niet in betekende mate’ bij aan de luchtverontreiniging als de 3% grens niet wordt overschreden. De grens is gedefinieerd als 3% van de grenswaarde voor de jaargemiddelde concentratie van fijn stof (PM10) of stikstofdioxide (NO2). Dit komt overeen met 1,2 μg/m voor zowel PM10 als NO2. 3
Er dient met name gekeken te worden naar de emissie van fijn stof (PM10). Op grond van de Wet luchtkwaliteit gelden grenswaarden waaraan voldaan moet worden. De grenswaarden waaraan getoetst wordt zijn: • Jaargemiddelde concentratie: 40 μg/m3; • Daggemiddelde concentratie: 50 μg/m3; • Aantal toegestane overschrijdingen daggemiddelde: 35 keer. Vanuit de rijksoverheid worden er via het RIVM grootschalige concentratie- en depositiekaarten beschikbaar gesteld. De kaarten geven voor PM10, NO2 en PM2,5 achtergrond concentraties in de lucht. In figuur 4.2, 4.3 en 4.4 zijn uitsneden gegeven van de betreffende kaarten. De kaartgegevens zijn op gemeenteniveau uit te lezen, met een ster is globaal de ligging van het plangebied weergegeven. Te zien is dat er ter plaatse sprake is van een goede luchtkwaliteit. Het beëindigen van de intensieve veehouderij betekent automatisch een verbetering ten aanzien van de luchtkwaliteit. Varkenshouderijen kennen een behoorlijke uitstoot van fijnstof en een beperkte uitstoot van stikstofdioxide.
37
Toelichting bestemmingsplan Erpsesteeg 6 te Zijtaart (Veghel)
•
Figuur 4.3: Uitsnede GCN-kaart RIVM fijnstof PM10 (bron:geodata.rivm.nl)
•
Figuur 4.4: Uitsnede GCN-kaart RIVM Stikstofdioxide NO2 (bron:geodata.rivm.nl)
38
Toelichting bestemmingsplan Erpsesteeg 6 te Zijtaart (Veghel)
•
Figuur 4.5: Uitsnede GCN-kaart RIVM fijnstof PM2,5 (bron:geodata.rivm.nl)
NIBM Het Besluit ‘niet in betekenende mate bijdragen’ staat bouwprojecten toe wanneer de bijdrage aan de luchtkwaliteit van het desbetreffende project niet in betekenende mate is. De afkorting NIBM staat voor ‘Niet in betekenende mate bijdragen' aan de luchtverontreiniging. Hiermee worden ruimtelijke projecten of (te vergunnen) activiteiten bedoeld die slechts een zeer geringe bijdrage hebben aan de luchtverontreiniging. In deze gevallen is een toetsing aan de grenswaarden luchtkwaliteit niet nodig. Belangrijk bij toepassing van NIBM is dat aannemelijk gemaakt moet worden, dat de 3% grens niet wordt overschreden (artikel 2 van het Besluit NIBM). Wanneer gesteld kan worden dat het aannemelijk is dat de grens niet wordt overschreden, dan is het project al ‘NIBM’. Behalve de getalsmatige onderbouwing geeft de regeling NIBM aan dat een woningbouwplan met minder dan 1500 woningen per definitie niet in betekenende mate bijdragen aan de luchtverontreiniging. Een project is ‘NIMB’ wanneer maximaal 3% van de jaargemiddelde grenswaarde bijdraagt aan de concentraties fijnstof (PM₁₀) of stikstofdioxide (NO₂). Dit komt overeen met een toename van maximaal 1,2 μg/m3 voor zowel PM₁₀ als NO₂. Het project is wel in betekende mate (IMB) indien de toename voor één of beide stoffen hoger is. Er zijn twee mogelijkheden om aannemelijk te maken dat een project binnen de NIBMgrens blijft: 1.
Motiveren dat het project binnen de getalsmatige grenzen van een categorie uit de Regeling NIBM valt. Het gaat dan bijvoorbeeld om het realiseren van kantoor- en woningbouwlocaties. Het project is dan NIBM als ze onder de vastgestelde omvang blijft. 2. Op een andere manier aannemelijk maken dat het project de 3% grens niet overschrijdt. Hiervoor kunnen berekeningen nodig zijn. Dit mag ook als een project de getalsmatige grenzen van de Regeling NIBM overschrijdt. Het is dan mogelijk
39
Toelichting bestemmingsplan Erpsesteeg 6 te Zijtaart (Veghel)
om alsnog via berekeningen aannemelijk te maken dat de 3% grens niet wordt overschreden. Soms kan een kwalitatieve beschrijving voldoende zijn. De Regeling NIBM geeft categorieën aan van gevallen en getalsmatige grenzen waarbinnen een project altijd NIBM is, ongeacht de bijdrage ervan op de concentraties. Voor dergelijke gevallen mag er zonder meer van worden uitgegaan dat de bijdrage van het project NIBM is. Verkeer Het plan heeft gelet op de aard van de ontwikkeling mogelijk invloed op de luchtkwaliteit. In de huidige bestemming wordt het bedrijf bezocht door divers verkeer voor de aanvoer van voer, de afvoer van dieren en mest, aan- en afvoer akkerbouwproducten en bezoek van diverse controlerende of ondersteunende instanties. Een aanzienlijk deel van dit verkeer vindt plaats via zwaar vrachtverkeer. Na de beëindiging van de intensieve veehouderij blijven binnen het plangebied de bedrijfswoning, een bijgebouw en een bedrijfsgebouw gehandhaafd die ingezet blijven worden t.b.v. de biologische akkerbouwtak die men voortzet als biologisch vollegrondsgroenteteelt bedrijf. Daarnaast is men voornemens ter plaatse van waar de twee varkensstallen hebben gestaan boogkassen te realiseren. De locatie blijft daarmee aangedaan worden door met name zwaar vrachtverkeer en enkele personenauto’s.
Om te bepalen of deze ontwikkeling in betekenende mate gezien kan worden is een berekening uitgevoerd met een worst case situatie. Voor onderhavig plan betekent dit dat, bovenop de huidige aantal verkeersbewegingen op de locatie maximaal 205 extra voertuigbewegingen (weekdaggemiddelde) kunnen plaatsvinden, die voor 80% bestaan uit aandeel vrachtverkeer, alvorens er ter plaatse sprake is van een in betekende mate situatie. Dit is in onderhavige situatie niet aan de orde. In onderstaand figuur is de uitkomst van deze berekening zichtbaar.
•
Figuur 4.6: NIBM tool Worst-case berekening voor de bijdrage van het extra verkeer als gevolg van een plan op luchtkwaliteit.
Conclusie Het aspect luchtkwaliteit vormt geen belemmering voor onderhavig plan. Er is in de huidige situatie sprake van een goede luchtkwaliteit en met het beëindigen van de varkenshouderij verbeterd de luchtkwaliteit. Het beperken van de planologische mogelijkheden die het bestemmingsplan nu biedt, door het verwijderen van de aanduiding ‘intensieve veehouderij’, en de voortzetting van het biologische akkerbouwbedrijf in een biologisch
40
Toelichting bestemmingsplan Erpsesteeg 6 te Zijtaart (Veghel)
vollegrondsgroenteteelt bedrijf betekent dat de verkeersbewegingen en de fijnstofproductie afkomstig van deze verkeersbewegingen in de beoogde situatie nagenoeg gelijk blijven danwel iets af zullen nemen.
4.12
EXTERNE VEILIGHEID Externe veiligheid richt zich op het beheersen van activiteiten die een risico voor de omgeving kunnen opleveren, zoals milieurisico’s, transportrisico’s en risico’s die kunnen optreden bij de productie, het vervoer en de opslag van gevaarlijke stoffen in inrichtingen. Bij de (her)inrichting van een gebied bepaalt de externe veiligheidssituatie mede de ruimtelijke mogelijkheden. Het wettelijk kader voor externe veiligheid wordt gevormd door diverse besluiten en circulaires: • Inrichtingen (bedrijven): Besluit externe veiligheid inrichtingen (Bevi); • Transportroutes: Besluit transportroutes externe veiligheid (Btev); • Buisleidingen: Besluit externe veiligheid buisleidingen (Bevb). Deze wettelijke kaders gaan uit van een minimum veiligheidsniveau voor locaties via het plaatsgebonden risico (PR) en het beperken van het theoretisch aantal slachtoffers in geval van een incident via het groepsrisico (GR). Plaatsgebonden risico Het plaatsgebonden risico (PR10-6) is een (berekende) afstand vanaf een risicobron waarbinnen de kans om te overlijden door een ongeval met de aanwezig gevaarlijke stoffen meer dan 1 op een miljoen jaar is. Binnen deze afstand mogen geen kwetsbare objecten aanwezig zijn of worden opgericht binnen het bestemmingsplan. Kwetsbare objecten zijn bijvoorbeeld grote kantoren, kinderdagverblijven e.d.
Het plaatsgebonden risico wordt weergegeven in de vorm van contouren rond een risicobron. Groepsrisico Het groepsrisico is een berekende (oriëntatie-)waarde die aangeeft of er mogelijk sprake is van veel slachtoffers bij een ongeval met gevaarlijke stoffen. Om het groepsrisico te berekenen is inzicht noodzakelijk in de aard van de risicobron en het aantal aanwezige personen binnen het invloedsgebied daarvan. Bij veel ruimtelijke besluiten moet de hoogte van dit groepsrisico verantwoord worden. Dit noemt men de verantwoordingsplicht van het groepsrisico. Het groepsrisico wordt weergegeven in een grafiek: de fN-curve. Deze curve geeft aan hoe groot de kans is op een ongeval met een bepaald aantal slachtoffers. Onderstaand figuur geeft een weergave van de risicokaart voor de omgeving van het plangebied. Het plangebied is centraal aangeduid als bron van vier blauwe lijnen. Te zien is dat het plangebied op ruim 2.500 m van de A50 en ruim 1.100 m van een buisleiding is gelegen.
41
Toelichting bestemmingsplan Erpsesteeg 6 te Zijtaart (Veghel)
•
Figuur 4.7: Uitsnede risicokaart
De afstanden tussen de A50 ten westen en de buisleidingen Z-542-01 ten oosten, Z-54210 ten noorden en A-521 ten westen van het plangebied zijn groot genoeg. Het plangebied is buiten de invloed gebieden van de risicobronnen gelegen. Conclusie Externe veiligheid vormt geen belemmering voor onderhavig plan. Er is (ruim) voldoende afstand aanwezig tussen het plangebied en de aanwezige risicobronnen.
4.13
HOOGSPANNINGSLIJNEN Vanuit een goede ruimtelijke ordening is het van belang ieder aspect met mogelijke invloed op een plangebied of ontwikkeling te behandelen. De aanwezigheid van hoogspanningslijnen kan een invloed hebben op een goed woon- en leefklimaat en kan beperkend zijn voor bedrijfsvoering, met name als gewerkt wordt in hoge gebouwen of met machines met een grote reikwijdte. Er zijn in de directe omgeving van het plangebied geen hoogspanningslijnen gelegen, de dichtstbijzijnde lijn ligt op ruim 2.000 meter. Conclusie Onderhavig plan wordt niet belemmerd door hoogspanningslijnen. Er is sprake van een aanzienlijke afstand tussen het plangebied en aanwezige hoogspanningslijnen.
4.14
SPUITZONES GEWASBESCHERMING Met name bij het telen van fruit in boomgaarden is het gebruik van gewasbeschermingsmiddelen gebruikelijk 9. Om de middelen op de bomen te brengen wordt gebruik gemaakt van mobiele spuitinrichtingen die via de lucht de middelen op de gewassen brengen. Met het in de lucht brengen van middelen worden deze bloot gesteld
Maar ook bij vele soorten open teelten wordt dit toegepast. Naast fruitboomgaarden bijvoorbeeld ook bij de teelt van siergewassen (bomen en heesters), vaste planten, bloemen, bloembollen, groente in de volle grond of andere vormen van akkerbouw (met uitzondering van biologische teelten, waarbij geen gewasbeschermingsmiddelen worden toegepast).
9
42
Toelichting bestemmingsplan Erpsesteeg 6 te Zijtaart (Veghel)
aan de wind en daarmee ontstaat het risico dat middelen meer bereiken dan het gewas alleen. Dit proces wordt ‘drift’ genoemd. Gewasbeschermingsmiddelen vormen een potentieel risico voor de gezondheid van omwonenden, om die reden is het bij ruimtelijke ontwikkelingen inmiddels gebruikelijk om spuitzones en middelengebruik mee te nemen in de verantwoording bij planologische besluitvorming zodat het eventuele risico beoordeeld wordt voor gevoelige locaties. Om handvatten te geven aan de wijze waarop initiatiefnemers en gebruikers rekening dienen te houden met het gebruik en de risico’s van gewasbeschermingsmiddelen heeft de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State (hierna: ‘de Afdeling’) een indicatieve afstand van 50 meter als vuistregel in de ruimtelijke ordening geïntroduceerd. In september 2014 heeft de Afdeling een uitspraak gedaan waarin is overwogen dat de voorgestelde afstand van 50 meter indicatief dient te worden gebruikt en de feitelijke situatie op locatie van groter belang is bij ruimtelijke ontwikkelingen. Daarbij dienen eventuele te treffen voorzorgsmaatregelen meegenomen te worden in de afweging.
In een klein land als Nederland kunnen veel fruitteelt bedrijven niet uit de voeten met de voorgestelde afstand van 50 meter en is maatwerk noodzakelijk om een goed woon- en leefklimaat te garanderen en de bedrijfsvoering van de bedrijven niet te negatief te beïnvloeden. Gebruikelijk is om bij de beoordeling van situaties te verwijzen naar verschillende onderzoeken uitgevoerd door de Wageningen universiteit. Deze onderzoeken gaan in eerste instantie uit van de gestelde 50 meter veilige afstand en door middel van het toepassen van verschillende maatregelen kan deze veilige afstand worden teruggebracht. Globaal zijn er 3 belangrijke punten waarmee drift kan worden gereduceerd:
• • •
Plaatsen van een ‘windhaag’, een gewas om drift uit de lucht op te vangen Het vergroten van de fysieke afstand tot een boomgaard Het toepassen van drift reducerende spuitmiddelen
Sinds 1 januari 2018 is het op grond van het Activiteitenbesluit verplicht voor ondernemers om drift reducerende maatregelen te nemen wanneer men fruit teelt. De percelen die grenzen aan het plangebied hebben een agrarische bestemming maar fruitteelt is niet direct mogelijk gemaakt aangezien binnen het plangebied sprake is en blijft van een gevoelig object. De gronden ten westen van het bouwvlak maken onderdeel uit van het biologisch vollegrondsgroenteteelt bedrijf van initiatiefnemer. In de biologische landbouw worden gewasbeschermingsmiddelen vermeden en worden enkel natuurlijke stoffen gebruikt.
43
Toelichting bestemmingsplan Erpsesteeg 6 te Zijtaart (Veghel)
Conclusie Onderhavig plan, waarbij de aanduiding ‘intensieve veehouderij’ van het bestemmingsvlak wordt gehaald, wordt niet belemmerd door het aspect spuitzones. De percelen die grenzen aan het plangebied blijven zoals in de huidige situatie de agrarische bestemming behouden. De gronden ten westen van het bouwvlak worden gebruikt voor de biologische groenteteelt. Dit houdt in dat op deze gronden gewasbeschermingsmiddelen worden vermeden. Fruitteelt of andere type teelten waar gewasbeschermingsmiddelen gebruikelijk zijn worden in de huidige situatie niet direct mogelijk gemaakt.
4.15
VOLKSGEZONDHEID IN RELATIE TOT VEEHOUDERIJEN Gezondheid is in de ruimtelijke ordening een steeds belangrijker thema. Er is geen specifieke wet- en regelgeving of beleidskader voor het meenemen van dit aspect in ruimtelijke procedures. Van belang is dat een ruimtelijk besluit voldoet aan een goede ruimtelijke ordening. Om de toetsing van gezondheid een volwaardige plaats te geven binnen de ruimtelijke ordeningspraktijk wordt de Handreiking veehouderij en volksgezondheid 2.0 gehanteerd. Deze handreiking bevat een praktisch stappenplan om na te gaan of er voor een ontwikkeling, vanuit het oogpunt van volksgezondheid, knelpunten worden gevonden en of nadere advisering vanuit de GGD wenselijk is. Met het planvoornemen is geen sprake van de oprichting van nieuwe gevoelige objecten, de bestaande bedrijfswoning blijft gehandhaafd. Er is geen sprake van wijziging/uitbreiding of oprichting van een veehouderij (enkel de beëindiging daarvan). Dit betekent dat het aantal blootgestelden in de toekomst niet toeneemt en dat er geen wijziging plaatsvindt die een aanvaardbaar woon- en leefklimaat negatief beïnvloedt. Hiermee behoeft het aspect volksgezondheid geen nadere beschouwing.
4.16
VERKEER EN PARKEREN Het plangebied is ontsloten via de Erpsesteeg. Dit is tevens het enige object dat aan deze weg is ontsloten. Het is daarom ook aannemelijk dat deze weg hoofdzakelijk in gebruik is voor bestemmingsverkeer. Het verkeer dat in de huidige situatie het plangebied bezoekt zal in aard vergelijkbaar zijn met het verkeer in de beoogde situatie. De frequentie zal anders zijn. Met name in tijden dat het land bewerkt dient te worden en in de oogstperiode zal dit wat meer zijn dan in de andere periodes. Daarnaast vinden er aan- en afvoerbewegingen plaats om de producten uiteindelijk bij de consument te krijgen (afzet middels productiegebonden detailhandel ter plaatse van de Erpsesteeg 6, levering aan streekwinkels, natuurvoedingswinkels, marktkooplieden in de regio, lokale horeca en via consumenten abonnementen). Daar tegenover zijn de verkeersbewegingen voor de aan en afvoer van middelen van de intensieve veehouderij komen te vervallen. De Erpsesteeg is in staat om het verkeer van en naar het plangebied te blijven verwerken. Binnen het plangebied blijft een gedeelte van de verharding behouden danwel wordt opnieuw aangelegd om het parkeren voor bezoekers en eigen voertuigen te kunnen verwerken. Het laden en lossen van goederen en middelen vindt plaats op eigen terrein.
44
Toelichting bestemmingsplan Erpsesteeg 6 te Zijtaart (Veghel)
Conclusie Verkeer en parkeren vormen geen belemmering voor onderhavig plan. De verkeerskundige situatie wijzigt in die zin dat het verkeer van de varkenshouderij is komen te vervallen. Het verkeer t.b.v. het biologisch vollegrondsgroenteteelt bedrijf zorgt ervoor dat de aard van het verkeer vergelijkbaar blijft en de frequentie anders verdeeld is en meer verspreid. Er is voldoende ruimte binnen het plangebied aanwezig om het parkeren ter plaatse zelf op te lossen, waardoor er niet op gronden van derden geparkeerd hoeft te worden.
45
Toelichting bestemmingsplan Erpsesteeg 6 te Zijtaart (Veghel)
HOOFDSTUK 5 ECONOMISCHE UITVOERBAARHEID
5 1 ECONOMISCHE
2 UITVOERBAARHEID Het plan wordt geheel in particuliere handen uitgevoerd. Voor de gemeente zijn er geen financiële consequenties aan verbonden. Onderhavig plan voorziet niet in een aangewezen bouwplan waarbij het kostenverhaal verplicht is.
46
Toelichting bestemmingsplan Erpsesteeg 6 te Zijtaart (Veghel)
HOOFDSTUK 6 MAATSCHAPPELIJKE UITVOERBAARHEID
6 1 MAATSCHAPPELIJKE 2 UITVOERBAARHEID
Wettelijk (voor)overleg Onderdeel van de procedure is het aan gaan van vooroverleg met de desbetreffende partners. Inmiddels heeft vooroverleg plaatsgevonden met de provincie. De vooroverlegreactie van 22 december 2021 van de provincie Noord-Brabant is hieronder weergegeven.
De gemeente heeft in het kader van de opmerking rondom het Nationaal en provinciaal beleid verzocht de omvang van het bouwvlak te verantwoorden in de toelichting. Dit is verwerkt in paragraaf 2.2. beoogde situatie van onderhavige toelichting. Verder is door de gemeente de volgende reactie geformuleerd, als reactie op het vooroverleg.
47
Toelichting bestemmingsplan Erpsesteeg 6 te Zijtaart (Veghel)
Reëel agrarisch bedrijf Voor het verlenen van omgevingsvergunningen voor het oprichten van bebouwing binnen agrarische bouwvlak heeft de gemeente het uitgangspunt dat sprake moet zijn van een reëel agrarisch bedrijf. ( Bestemmingplan harmonisatie van diverse regelingen (“laaghangend fruit”) / artikel 8.1 sub d). Een reëel agrarisch bedrijf is in dit bestemmingsplan als volgt gedefinieerd: 1.48 reëel agrarisch bedrijf een agrarisch bedrijf dat jaarrond een arbeidsbehoefte of -omvang heeft van ten minste één halve arbeidskracht, met een daarbij passend jaarinkomen; 1.7 agrarisch bedrijf een bedrijf dat is gericht op het voortbrengen van producten door middel van het telen van gewassen, waaronder agrarische houtteelt, en/of het houden, fokken of veredelen van dieren; Op de locatie Erpsesteeg 6 was tot voor kort een gemengd agrarisch bedrijf aanwezig met een varkenstak en een akkerbouwtak. Door de deelname aan de Saneringsregeling Varkenshouderij is de varkenshouderij beëindigd en wordt de akkerbouwtak voortgezet / verder ontwikkeld als een biologisch vollegrondsgroenteteeltbedrijf. •
bedrijfsmatig Gelet op de omvang van de bij het bedrijf behorende gronden ca. 17,6 hectare (deels eigendom/ deels langdurige pacht) behoeve van de (biologische) vollegrondsgroenteteelt is zonder meer sprake van een (agrarische) bedrijfsmatige opzet.
•
arbeidsbehoefte Dat de arbeidsbehoefte tenminste een halve arbeidskracht bedraagt is aannemelijk gemaakt (zie opgestelde toelichting). Biologische teelt vergt toch al een hogere arbeidsinzet dan traditionele teelt. Ook de specifieke doelgroepen waarop het bedrijf zich gaat richten, met een daar aan verbonden kleinschaligere en meer diverse teelt, het verwerken en verpakken van producten, maken de bedrijfsvoering arbeidsintensiever.
•
inkomen Het betreft het voorzetten en verder ontwikkelen van de biologische akkerbouwtak. Initiatiefnemer heeft dan ook al ruime ervaringen met de teelt van groenten / het runnen van een akkerbouwbedrijf. Gelet op de omvang van het bedrijf en de beoogde afzet van de producten (particulieren, horeca, streekwinkels –en markten) waarbij een hogere opbrengst kan worden bewerkstelligd, is het aannemelijk dat tenminste een jaarinkomen kan worden gegeneerd passend bij een halve arbeidskracht.
Omvang bouwvlak Het bouwvlak heeft een omvang van ca.1 hectare. Twee varkensstallen op het terrein zijn inmiddels gesloopt vanwege de deelname aan de saneringsregeling Varkenshouderij. Ten opzichte van de eerder opgestelde toelichting (februari 2021) zijn de plannen aangepast, ter plaatse van de varkenstallen wenst initiatiefnemer de mogelijk te hebben voor het realiseren van teeltondersteunende voorzieningen in de vorm van tunnelkassen. Hiervoor wordt in het bestemmingsplan een rechtstreekse mogelijkheid opgenomen van 1400 m2.
48
Toelichting bestemmingsplan Erpsesteeg 6 te Zijtaart (Veghel)
Deze voorzieningen mogen alleen worden gerealiseerd binnen de op de verbeelding aangegeven zone.( 40 bij 60 meter / 2400 m2). Met deze tunnelkassen kan het seizoen worden vervroegd/verlengd en kunnen ook meer kwetsbare groentesoorten worden geteeld. Zoals in het bovenstaande reeds is aangegeven zal het bedrijf zich nog verder gaan ontwikkelen. Het is daardoor voorstelbaar dat ook andere voorzieningen zoals bijvoorbeeld een waterbassin voor gietwater worden gerealiseerd. Voor eventuele grotere tunnelkassen is in het plan een afwijkingsbevoegdheid opgenomen (tot maximaal 5000m2). Daarnaast sluit initiatiefnemer eventuele nevenactiviteiten in de toekomst niet uit. Het is derhalve niet gewenst om het bouwvlak te verkleinen, hierdoor zou onvoldoende ruimte overblijven voor de verdere ontwikkeling van het bedrijf. Hieraan kan worden toegevoegd dat het hier een biologisch vollegrondsgroenteteeltbedrijf betreft. Dit bedrijfstype sluit goed aan op de gemeentelijke doelstellingen met betrekking tot de noodzakelijke verduurzaming van de agrarische sector. Als pluspunten kunnen worden genoemd: Voedselproductie voor lokale consumptie/afzet, i.p.v.
bulkproductie voor export/veevoer; Afname gebruik van bestrijdingsmiddelen; Hogere kwaliteit van bodem / verhoging biodiversiteit en in samenhang daarmee mogelijk een aanzet tot een meer natuur inclusieve vorm van landbouw/ kringlooplandbouw. Dit soort bedrijven moet ook in ruimtelijk opzicht gefaciliteerd worden, waarbij het bouwvlak voldoende flexibiliteit en ontwikkelingsruimte moet bieden. De omvang van ca. 1 hectare achten wij dan ook passend in deze situatie. Het inwinnen van een AAB-advies heeft ons inziens geen meerwaarde in deze situatie. Initiatiefnemer heeft voldoende aannemelijk gemaakt dat sprake is van een reëel agrarisch bedrijf m.b.t. arbeidsbehoefte/inkomensvergaring. Ontwerp Het ontwerpbestemmingsplan heeft, conform afdeling 3.4 van de Algemene wet bestuursrecht (Awb), van 7 april 2022, gedurende 6 weken, tot en met 18 mei 2022 ter inzage gelegen. Tijdens deze periode is door de provincie Noord-Brabant m.b.t. de locatie Erpsesteeg 6 een zienswijze ingediend. Deze zienswijze luidt als volgt: De ontwikkeling op de locatie Erpsesteeg 6 omvat de beëindiging van een intensieve veehouderij en het voortzetten van het akkerbouwbedrijf (vollegrondsteeltbedrijf). Zorgvuldig ruimtegebruik Het bouwvlak is niet verkleind.
U geeft aan dat: “Om in de toekomst de mogelijkheid te behouden om ter plaatse de benodigde voorzieningen en uitbreidingen te kunnen faciliteren is het niet gewenst om het huidige bouwvlak met een omvang van ruim 1 hectare (circa 10.525 m²) te verkleinen. Hierdoor zou onvoldoende ruimte overblijven voor de verdere ontwikkeling van het bedrijf.” Dit past niet in de het basisprincipe van zuinig en zorgvuldig ruimtegebruik. De ruimte is immers niet noodzakelijk, noch wordt zij gebruikt voor de uitoefening van het bedrijf. De ontwikkeling is daarmee in strijd met artikel 3.6 van de IOV.
49
Toelichting bestemmingsplan Erpsesteeg 6 te Zijtaart (Veghel)
In het verlengde hiervan vragen wij ons nadrukkelijk af of hier sprake is van hobbymatige activiteiten of dat sprake is van een bedrijfsmatige agrarische activiteiten. Indien sprake is van hobbymatige activiteiten ligt onzes inziens de verkeerde bestemming op deze locatie. Notitie beantwoording zienswijzen Gelet op de ontvangen zienswijze en de eerdere vooroverlegreactie van 22 december 2021 is besloten om een advies in te winnen bij de Adviescommissie Agrarische Bouwaanvragen. In het op 22 juni 2022 ontvangen advies is aangegeven dat er voldoende basis is om uit te gaan van de ontwikkeling van het bedrijf als vollegrondsteelt-bedrijf met een omvang van een reëel agrarisch bedrijf zoals omschreven in het bestemmingsplan. Ten aanzien van de omvang van het bouwvlak is aangegeven dat dit passend is in relatie tot de aard en omvang van het te ontwikkelen agrarisch bedrijf. Het volledige advies is opgenomen in de bijlagen bij het bestemmingsplan. Het door de AAB uitgebrachte advies bevestigt ons eerder ingenomen standpunt. Er is in deze casus geen sprake van hobbymatige activiteiten, de agrarische bestemming en de omvang van het bouwvlak dienen dan ook als passend beschouwd te worden in het kader van een evenwichtige toewijzing van functies en een zorgvuldig ruimtegebruik zoals aangegeven in de IOV.
De zienswijze vormt geen aanleiding om het bestemmingsplan aan te passen, behoudens het toevoegen van het advies aan de bijlagen bij de toelichting. Conclusie Het door de AAB uitgebrachte advies wordt toegevoegd aan de bijlagen bij de toelichting.
50
Toelichting bestemmingsplan Erpsesteeg 6 te Zijtaart (Veghel)