Bijlage 5 U&HS ODBN 2025-2028
Tekst van het document
Alhoewel de leegstand van vastgoed in Noord-Brabant afneemt, is de verwachting dat met name de leegstand van agrarische bedrijven zal toenemen, doordat meer en meer landbouwbedrijven stoppen. Volgens de provincie is in de afgelopen drie jaar ongeveer 0,7 miljoen m2 aan stallen en schuren in Brabant leeg komen te staan. De komende tien jaar komt daar naar verwachting nog 6 tot 8 miljoen m2 bij. Een deel van die stallen zal, via overnames, in gebruik blijven. Een ander deel krijgt een nieuwe (niet-agrarische) bestemming. Zie figuur 5 en 6. Door veel vrijkomende (agrarische) bedrijven, is er ook in het werkgebied van de ODBN, meer risico op illegale activiteiten in leegstaande panden. In directe zin is een effect op het takenpakket van de ODBN te verwachten vanuit toezicht en handhaving om zicht te hebben en houden op leegstaande bedrijven. Vanwege het incidentgerelateerde karakter van de activiteiten (reageren op signalen van illegaliteit) is het lastig dit onderwerp in het gewone werkprogramma op te nemen.
Ook is er een toenemend risico op het ontstaan van stalbranden ten gevolge van een verouderd elektriciteitsnet. De minister zet voor bestaande stallen vooralsnog in op preventieve keuringen, en legt de focus van de maatregelen op het vlak van het verbeteren van de brandveiligheid van stallen op nieuw te bouwen en te verbouwen stallen, vooral door verdere brandcompartimentering11. Bij bestaande stallen zou een preventieve keuring met name kunnen worden afgedwongen wanneer niet kan worden aangetoond dat de elektriciteitsvoorziening aan de geldende normen voldoet. Overigens kan ook ongedierte de elektriciteitsvoorzieningen aantasten, waardoor kortsluiting kan ontstaan – waarbij de bouwregelgeving overigens voorschrijft dat het binnendringen van ratten en muizen door adequate voorzieningen moet worden tegengegaan. Hier is vooral de alertheid van de ondernemer op de aanwezigheid van ongedierte relevant.
Illegaliteit Er is landelijk toenemende aandacht voor de aanpak van illegaliteit, zowel vanuit het perspectief van ondermijning en milieucriminaliteit, als op het vlak van illegale lozingen en afvalstromen. Enerzijds heeft dit betrekking op het lozen of dumpen van stoffen die niet in het milieu terecht mogen komen of op een ongewenste wijze gemengd worden voor toepassing elders. Anderzijds gaat het ook om bedrijven die meer lozen of gevaarlijke stoffen opslaan dan de vergunning toestaat.
Figuur 5. Leegstand in Brabant in absolute aantallen leegstaande gebouwen en in % van het totale aantal gebouwen12
De makers van drugs weten – ook in Brabant – leegstaande grote panden zoals boerderijen of bedrijfspanden op verouderde bedrijventerreinen goed te vinden. De vestiging van illegale bedrijven in leegstaande panden voor drugsproductie is al een milieuovertreding op zich met mogelijk ernstige gevolgen zoals explosies en afval. In het verlengde daarvan raakt deze ontwikkeling het taakveld bodem (bij sanering) en in bredere zin de taak omgevingsveiligheid. Het afval wordt vaak gedumpt in de natuur, met alle kwalijke milieueffecten tot gevolg. De omgevingsdienst heeft hier met name een rol in het tijdig signaleren – en zo voorkomen – van bodemverontreiniging en gezondheidbedreigende situaties ten gevolge van drugsproductie in leegstaande bedrijven of afvaldumping in het buitengebied.
https://www.omgevingsweb.nl/nieuws/verhoging-brandveiligheid-stallen/
11
https://noord-brabant.maps.arcgis.com/apps/MapSeries/index.html?appid=b4b277f94edd4d9cb20d6e637a1a9344
12
ODBN Uitvoerings- en Handhavingsstrategie.2025
75
Vrijgekomen agrarische locaties
76
Gemiddelde oppervlak per locaties
Omvang vrijgekomen agrarische bebouwing
Opgave leegstand en hergebruik leegstand 0,7 mln. m2
2017-2020
hergebruik 0,4 mln. m2 1.400 locaties
1.220 m2
1.7 mln m2
woonhuizen 0,7 mln. m2 leegstand 3,3 mln. m2
2020-2035
hergebruik 3,4 mln. m2 3.500 locaties
2.300 m2
8.3 mln m2
woonhuizen 1,6 mln. m2
Figuur 6. Agrarische leegstand in Brabant13
3.2.3 Ontwikkelingen ten aanzien van een duurzame leefomgeving Het bijdragen aan een duurzame leefomgeving is merkbaar in de bijdrage van de omgevingsdienst aan het beperken van het energieverbruik bij niet-huishoudens, het bewaken van de zorgvuldige omgang met grondstofstromen ten behoeve van de circulaire economie en het beperken van het gebruik van drinkwater.
Energietransitie De energietransitie is in volle gang: de omschakeling van een systeem hoofdzakelijk gebaseerd op fossiele energie naar een systeem met niet-fossiele energiebronnen als wind en zon, waardoor de uitstoot van CO2 drastisch wordt verminderd. De Europese ‘Green Deal’ en ‘fit for 55’-doelen, het landelijke klimaatakkoord en de Regionale Energiestrategie (RES) zetten stevige ambities neer die de komende jaren een zichtbare invloed hebben op de uitvoering van omgevingsdiensten. Als uitwerking van ‘fit for 55’, heeft het Europees parlement onder andere in 2023 de vernieuwde ‘Energy Efficiency Directive’ (EED) en in 2024 de ‘Energy Performance of Building Directive’ (EPBD IV) vastgesteld. Deze introduceren een breed pakket aan duurzaamheidseisen voor nieuwbouw (zero emission buildings, ZEB), renovatie (renovatieverplichting), bestaande gebouwen (energielabels) en gebieden (o.a. laadinfrastructuur). De komende jaren worden deze richtlijnen vertaald naar nationale wetgeving. De uitvoering daarvan zal bij verschillende instanties komen te liggen, waaronder naar alle waarschijnlijkheid ook omgevingsdiensten.
In het ‘beleidsprogramma versnelling verduurzaming gebouwde omgeving’ (2022), geeft de Rijksoverheid in vijf programmalijnen (figuur 7) sturing aan de energie- en warmtetransitie in woningen en utiliteitsgebouwen. Gemeenten hebben in de uitvoering daarvan een centrale regierol en ontvangen daarvoor de noodzakelijke middelen (o.a. CDOKE-gelden). Vanuit het Nationaal Isolatie Programma (NIP) en Nationaal Programma Lokale Warmtetransitie (NPLW) voeren zij programma’s uit voor woningisolatie en aardgasvrije wijken. De aanpak van utiliteitsgebouwen leunt sterk op (nieuwe) wetgeving en normering met daarin een steeds sterkere rol voor omgevingsdiensten. Sinds 2023 is het toezicht op de energiebesparingsplicht een basistaak en vanaf 2025 zijn omgevingsdiensten als basistaak ook belast met toezicht op Werkgebonden Personen Mobiliteit (WPM). De rol van omgevingsdiensten groeit niet alleen omdat het wettelijk instrumentarium wordt uitgebreid, maar ook omdat toezichtstaken die eerder bij andere instanties lagen, verschuiven naar omgevingsdiensten. Programmalijn 1
Programmalijn 2
Gebiedsgerichte aanpak warmtetransactie
Gebiedsgerichte aanpak warmtetransactie
Aardgasvrije wijken (Alternatieve warmteopties)
Koop
Huur
Nationaal isolatieprogramma Programma hybride warmtepompen
Programmalijn 3
Programmalijn 4
Gebiedsgerichte aanpak warmtetransactie
Gebiedsgerichte aanpak warmtetransactie
Bedrijfsmatig vastgoed
Duurzame gassen Duurzame warmtebronnen en -netten
Maatschappelijk vastgoed
Duurzame gassen
Programmalijn 5
Innovatie in de bouw Versterken innovatie ecosysteem
Continue bouwstroom
Eerstverantwoordelijke B2K
Normering duurzaam bouwen
Duurzame elektriciteit
Eerstverantwoordelijke E2K
Figuur 7. Beleidsprogramma versnelling verduurzaming gebouwde omgeving (Bron: Beleidsprogramma versnelling verduurzaming gebouwde omgeving, BZK VRO, 2022)
https://noord-brabant.maps.arcgis.com/apps/MapSeries/index.html?appid=b4b277f94edd4d9cb20d6e637a1a9344
13
ODBN Uitvoerings- en Handhavingsstrategie.2025
77
78
In de regionale energiestrategie Noordoost-Brabant (RES-NOB) hebben gemeenten zich als doel gesteld om in 2030 1,6 TWh aan hernieuwbare energie op te wekken. Ondanks knelpunten door netcongestie en hoogtebeperkingen door de radar van vliegbasis Volkel, zal in de periode tot 2030 toch een aantal grootschalige wind- of zonneparken in de regio worden gerealiseerd. Voor de zorgvuldige ruimtelijke inpassing daarvan is mogelijk een milieueffectrapportage en of omgevingsvergunning vereist en moet worden getoetst of projecten voldoen aan normen voor onder andere geluid, trillingen, licht (slagschaduw, schittering) en veiligheid. Omgevingsdiensten kunnen gemeenten en provincie hierin ondersteunen met advies en uitvoering. In de warmtetransitie zet de RES-NOB in op realisatie van tenminste drie PJ duurzame warmte uit bijvoorbeeld restwarmte van bedrijven of bodemenergie. Vanuit het streven minder fossiele brandstoffen te gebruiken, wordt de gebouwde omgeving en mobiliteit in snel tempo geëlektrificeerd. Elektrificatie door warmtepompen is in de gebouwde omgeving een toenemende bron van geluidsoverlast. In combinatie met een toenemend aanbod van weersafhankelijke elektriciteit door zon en wind, zorgt de elektrificatie ook in Noordoost-Brabant voor ernstige netcongestie.
Oplossingen hiervoor worden onder andere gezocht in energieopslag (met bijvoorbeeld accu’s), energiehubs, warmtenetten en alternatieve energiedragers als (groene) waterstof of biogas. Met name waterstof en accu’s geven nieuwe uitdagingen voor omgevingsveiligheid waarover omgevingsdiensten kunnen adviseren. Onder het motto ‘alles wat je bespaart hoef je niet op te wekken’ heeft de RES-NOB zichzelf ook een besparingsdoel gesteld: 11% energiebesparing in 2030 ten opzichte van 2017. Energietoezicht bij bedrijven is daarvoor een van de meest effectieve aanpakken. In 2021 heeft de ODBN zich in een ‘energiebod’ aan zijn deelnemers ten doel gesteld om 20% van het besparingsdoel van de RES-NOB te realiseren met energietoezicht. Deelnemers hebben een toenemende behoefte deze bijdrage zichtbaar te maken met zogenoemd ‘outcomegericht werken’. Beter nog dan toezicht, is het realiseren van spontane naleving. De Informatieplicht (2019) en Onderzoeksplicht (2023) als onderdeel van de energiebesparingsplicht in de Omgevingswet zijn daarvoor effectieve instrumenten gebleken. Er zijn en komen echter ook diverse subsidies en ondersteuningsprogramma’s van overheden en brancheverenigingen om bedrijven te verleiden, te informeren en te adviseren bij energiebesparing. De veelvuldige contacten van omgevingsdiensten met bedrijven kunnen worden benut om bedrijven te wijzen op deze mogelijkheden.
Omgevingsdiensten ontwikkelen door hun groeiende takenpakket veel informatie, kennis en expertise op verschillende specialismen in de energietransitie: energietoezicht, vergunningverlening, toetsing en advies, hinder en overlast (klachten), veiligheid et cetera. Gemeenten en provincie hebben als regisseurs van de energietransitie juist steeds minder uitvoerende en specialistische taken, terwijl gemeentelijke taken als het ontwikkelen van beleid, het stellen van regels in omgevingsplannen en het zorgdragen voor een zorgvuldige ruimtelijke inpassing wel veel inhoudelijke en specialistische expertise vragen. Het is daarom te verwachten dat gemeenten en provincie vaker de samenwerking met de omgevingsdienst zoeken en deze om advies vragen bij zowel de uitvoering als bij beleidsontwikkeling.
79
Circulaire economie De omslag naar een circulaire economie is evident van invloed op de wijze waarop er naar grondstofstromen wordt gekeken en hoe daarmee wordt omgegaan. Niet alleen nemen de eisen aan en voor hoogwaardig hergebruik van grondstoffen toe (dat zal invloed hebben op de inrichting van en differentiatie in grondstromen en de opslag van afkomende en her te gebruiken stoffen), maar ook ontstaan er nieuwe productieprocessen waarin meer gebruikgemaakt wordt van hergebruikt materiaal of waarin afkomend materiaal bewerkt wordt tot herbruikbaar materiaal. Er komen nieuwe wetgevingen aan en het landelijk afvalbeheerplan (LAP3)14 wordt het Circulair Materialen Plan (CMP)15. Zie voor een toelichting paragraaf 3.3. Het Ruimtelijk Planbureau16 deed onderzoek naar de ruimtelijke consequenties van het streven naar een circulaire economie en schetst dat de omschakeling nieuwe bedrijfsactiviteiten met zich mee zal brengen op het vlak van reparatie, delen, recycling en de verwerking van (bio)grondstoffen, maar ook ruimte vraagt voor de benodigde transportinfrastructuur en opslag. Kleinere lokale hubs zijn daarbij gemakkelijker in te passen dan meer overlast veroorzakende activiteiten zoals de bouw- en afvalrecyclingindustrie met ook een hogere milieucategorie. Het planbureau geeft aan dat er tot nu toe in het beleid weinig aandacht is voor deze ruimtelijke vraagstukken.
De bijdrage van de omgevingsdienst in het vormgeven van de circulaire economie is nog vrij onduidelijk, is op dit moment nog geen basistaak. Binnen Noord-Brabant is wel provinciaal beleid in ontwikkeling17 en is een provinciale pilot in voorbereiding om deze rol te onderzoeken. Er is ook een relatie tussen energietransitie, circulaire economie en omgevingsveiligheid: op dit moment is nog niet helder wat in de toekomst de belangrijkste brandstof(fen) en energiedragers gaan worden. In Brabant zou een keuze voor biobrandstoffen, gezien de hoeveelheid mest, betekenen dat mest in plaats van alleen als afvalstof ook vaker als te behouden grondstof gezien wordt. Deze mest zou in de toekomst meer gebruikt kunnen worden voor de omzetting van energie door middel van mestvergistingsinstallaties. Een andere relatie tussen circulariteit en omgevingsveiligheid is het ontstaan van nieuwe grondstofkeuzes. Als een bedrijf nu bijvoorbeeld een bepaalde gevaarlijke stof gebruikt voor zijn productieproces, zou deze in de toekomst vervangen kunnen worden door een minder gevaarlijke stof die nabij geproduceerd wordt.
https://lap3.nl/ www.circulairmaterialenplan.nl 16 https://www.pbl.nl/publicaties/ruimte-voor-circulaire-economie 17 https://www.brabant.nl/onderwerpen/economie/circulariteit-duurzaamheid/ 14 15
ODBN Uitvoerings- en Handhavingsstrategie.2025
80
Klimaatadaptatie en water en bodem sturend Daar waar in het thema ‘schone en gezonde leefomgeving’ de waterkwaliteit in het kader van indirecte lozingen al benoemd is als vraagstuk, is binnen het thema ‘duurzame leefomgeving’ het zorgdragen voor het langer vasthouden van oppervlaktewater om droogte tegen te gaan, onder meer door vergroening en het beperken van het te snel afvloeien van oppervlaktewater, en het zorgdragen voor voldoende waterberging in periodes van veel regen en hoge rivierstanden aan de orde. Hier spelen vooral de waterschappen een belangrijke rol. Het thema raakt de omgevingsdienst echter daar waar ten gevolge van deze ontwikkelingen ruimtelijke ingrepen worden voorzien met potentiële milieu-effecten, door het beroeren van de bodem. In de gemeenten ‘s-Hertogenbosch, Vught, Sint-Michielsgestel en Boxtel zijn er grote opgaven met het oog op het voorkomen van wateroverlast/overstromingen. Het wordt vaker warm en we krijgen vaker te maken met extreem weer, zoals hevige regenbuien, langdurige droogte en stormen. Ook de Maas overstroomt de laatste jaren vaker. Op verschillende plekken in de provincie en het werkgebied van de ODBN, waaronder het Land van Cuijk, wordt hard gewerkt aan maatregelen om overlast door klimaatverandering te voorkomen. Hierbij wordt samengewerkt met het waterschap. De overige gebieden (zandgronden) zijn gevoelig voor droogte.
In de gehele provincie geldt dat vóór 2030 actie moet worden ondernomen om problemen in de (drink)watervoorziening te voorkomen. Alhoewel de beschikbaarheid en kwaliteit van het drinkwater géén wettelijke taak is voor de omgevingsdienst, is er wel een signalerende rol denkbaar en voor de hand liggend ten aanzien van het voorkomen van onnodig drinkwatergebruik.
3.2.4 Ontwikkelingen ten aanzien van natuurbeheer en biodiversiteit Het bijdragen aan het natuurbeheer en de biodiversiteit is zichtbaar in de bijdragen aan de bescherming van soorten en biodiversiteit, de instandhouding van houtopstanden, en de instandhouding en verbetering van de kwaliteit van de natuur en specifiek Natura 2000-gebieden.
Biodiversiteit en soortenbescherming Het beschermen en verbeteren van de natuur is uitgewerkt in gebiedsbescherming en soortenbescherming en afspraken op het vlak van houtopstanden. De provincie is het bevoegd gezag op deze onderwerpen en heeft de vergunningverlening, het toezicht en de handhaving ervan (inclusief faunabeheer en houtopslag) gemandateerd aan de ODBN. Het landelijke streven is naar meer kwalitatief hoogwaardige en biodiverse natuur- en landschappen en groen, zowel binnen- als buitenstedelijk. De verwachting is daarom een verdere toename van het natuurareaal en de toevoeging van nieuwe stiltegebieden, maar daarnaast ook het conserveren van bestaande natuurgebieden. Door het grote aantal ruimtelijke inrichtingsprojecten (voor woningen, bedrijvigheid, mobiliteit, klimaatadaptatie en energietransitie) is er een veel grotere vraag bij vergunningverlening op het vlak van biodiversiteit en soortenbescherming. Bovendien is er meer maatschappelijke aandacht. Tegelijkertijd is er een groot tekort aan ecologen bij gemeenten, waardoor er vaker een beroep op de omgevingsdienst wordt gedaan voor deskundigheid.
Drinkwater
De intensiteit van het gebruik van buitengebieden door recreanten en bedrijven neemt landelijk gezien toe. Recreanten gebruiken natuurgebieden intensiever, maar ook is er een toename van het meer bedrijfsmatige gebruik van natuurgebieden voor sport/bootcamps, hondenuitlaatservice en dergelijke. Dit intensievere gebruik brengt ook meer afval in de buiten- en natuurgebieden met zich mee. Ongewenst gebruik als wildcrossen, stroperij en afvaldumpingen vraagt blijvend en toenemend de aandacht. Daarnaast zien we dat het aantal natuurbranden toeneemt, en er vaker sprake is van verschuiling, illegale bewoning en verwarde personen. Ook verplaatst een deel van criminaliteit en overlast vanuit de binnensteden zich naar het buitengebied. Dit is vooral het werkterrein van de groene boa’s in het kader van het Samen Sterk in Brabant (SSIB)-verband.
De beschikbaarheid en kwaliteit van drinkwater is geen wettelijke taak van de omgevingsdienst. De verwachting is dat er in de toekomst wel wat over het beperken van het gebruik van drinkwater in de basistaak wordt opgenomen. Dit kan zowel betrekking hebben op het totale verbruik als op het deels vervangen van het gebruik van drinkwater door hemel- of oppervlaktewater. Op dit moment kan de omgevingsdienst op dit vlak alleen een adviserende rol spelen.
Landelijk speelt vaker de discussie over botsende belangen tussen natuur en andere bestemmingen, bijvoorbeeld wolf versus recreant en agrariër, of in het Brabantse: het groeien van de beverpopulatie en de daardoor ontstane overlast voor de infrastructuur door verzakkingen. Dit leidt op termijn wellicht tot andere prioriteiten op gebiedsniveau.
De veranderde visie op de ruimtelijke inrichting in Nederland vanuit het adagium ‘water en bodem sturend’ veroorzaakt een toename van de beleidsaandacht vanuit de bevoegde gezagen en beïnvloedt de hiërarchie in beleidskeuzes over de ruimtelijke inrichting (wat doen we waar?). Tegelijkertijd is over die prioritering in de beleidskeuzes en het ‘hoe’ meer te sturen op bodem en water bij ruimtelijke ontwikkelingen nog veel onduidelijk, waardoor ook het handelingsperspectief voor omgevingsdiensten op dit vlak nog niet is uitgekristalliseerd.
De aandacht voor gebiedsbescherming en soortenbescherming blijft de komende jaren onverminderd hoog. Deels is een toename te verwachten van het aantal bedrijven (en woningen) dat zal verduurzamen, waarbij de daarbij behorende renovaties VTH-werkzaamheden ten aanzien van soortenbescherming (flora en fauna) zullen (blijven) ‘uitlokken’, met een toename van het aantal vergunningaanvragen. Het intensievere gebruik van de groene ruimte zal leiden tot meer druk op (benodigde inzet voor) de betrokken toezichts- en handhavingstaken.
ODBN Uitvoerings- en Handhavingsstrategie.2025
81
82
Houtopstanden
3.2.5
Ten aanzien van houtopstanden ziet de ODBN een afname van het aantal meldingen over vellingen, maar ook van het totale aantal vellingen zelf. Dit wordt mede veroorzaakt door een toenemend maatschappelijk besef over de waarde van bossen en de aanplant van nieuwe bossen. Het areaal groeit daardoor.
Landbouwtransitie
Natura 2000-gebieden In Nederland voldoen veel Natura 2000-gebieden niet aan de natuurdoelstellingen van de Kritische Depositie Waarde (KDW). Noord-Brabant is hierop geen uitzondering. Bestaand beleid is naar verwachting onvoldoende om deze gebieden alsnog onder de KDW te brengen. De doelstelling voor landbouw (ammoniak) die hierop van invloed is, is nog niet in zicht. Daarnaast zal bestaand beleid onvoldoende zijn om de doelen voor herstel en versterking van de natuur (biodiversiteit) uit de Vogel- en habitatrichtlijn te halen. Zonder vergaande maatregelen in het toekomstige beleid zal het niet gemakkelijk zijn om aan de Europese verplichtingen te voldoen. Al met al is er dus een grote noodzaak tot aanvullend beleid, waar op dit moment de vergunningverlening stokt, doordat dit landelijk en provinciaal beleid er op dit moment niet is of niet helder genoeg is. Dit veroorzaakt ook meer bezwaren en beroep bij het uitvaardigen van vergunningen. Het is aannemelijk dat dit ook voor Noord-Brabant en het werkgebied van de ODBN geldt; aangezien er hier veel intensieve veehouderijen zijn gevestigd is de opgave waarschijnlijk zelfs groter dan het landelijk gemiddelde. Het hoge niveau van huidige emissies veroorzaakt daarnaast, door de effecten op Natura 2000-gebieden, dat bouwprojecten niet kunnen worden vergund.
Er staan ook in Brabant verschillende projecten op de planning die ingrijpen in de fysieke leefomgeving. Het gaat bijvoorbeeld om woningbouw, de verbreding van wegen en het aanleggen van infrastructuur voor hoogspanningskabels. Zoals alle genoemde grootschalige projecten, raakt dit de taken van de ODBN wanneer er sprake is van bijvoorbeeld bodem en water gestuurde besluitvorming, soortenbescherming of andere milieu-en natuurgerelateerde gevolgen van de projecten. Daarnaast blijft de potentiële impact van ruimtelijke ontwikkelingen op Natura 2000 relevant. Tegelijkertijd legt ook die impact op het vlak van stikstof een groot deel van de ontwikkelingen in Brabant op dit moment stil. De verwachting is dat gezocht zal worden naar mogelijkheden om vergunningverlening weer op te starten.
83
Algemene ontwikkelingen
Een thema dat veel van de voorgenoemde expertisegebieden tegelijkertijd raakt is de landbouwtransitie, waarmee de impact van de landbouw op biodiversiteit, klimaat, bodem (onder andere door de uitstoot van stikstof ) en water wordt verminderd en er een positieve bijdrage aan de kwaliteit van de natuur wordt beoogd. Deze transitie brengt ook in Brabant de omvorming van onder meer (intensieve) veeteeltbedrijven met zich mee, naast bedrijfsbeëindigingen. De landbouwtransitie kenmerkt zich door toegespitste, specialistische wegingskaders en een hoog juridisch risico op bezwaarprocedures. Dit heeft direct effect op de werklast van de ODBN. De bevoegde gezagen binnen de provincie Noord-Brabant zijn hiermee voortvarend aan de slag in het kader van het het Brabants Programma Landelijk Gebied , met een integrale uitvoering van het Brabantse beleid op het gebied van natuur, stikstof, water, bodem, klimaat en landbouw. Als bevoegd gezag voor natuurbescherming heeft de provincie nog voor de stikstofuitspraak van 2019 eigen beleid ontwikkeld voor het reduceren van stikstof bij veehouderijen, en dat vastgelegd in de Provinciale Verordening. De GGD bracht recent bovendien een rapport uit over de effecten van ammoniak en fijnstof. Naar verwachting neemt daardoor ook vanuit dat oogpunt de regionale beleidsaandacht voor de uitstoot van deze stoffen nog verder toe.
Er zijn op dit moment heel veel aanvragen voor vergunningen in de agrarische sector die niet in behandeling genomen kunnen worden door onduidelijkheid over stikstof of de emissie van stalsystemen. Deze onduidelijkheid leidt ook tot veel verzoeken tot opschorting.
Intensivering ruimtegebruik De ruimte in Nederland wordt schaarser. De intensivering van het ruimtegebruik leidt tot een complexe afweging tussen het beschermen van mens, natuur en milieu enerzijds en het benutten van de ruimte voor bijvoorbeeld wonen en werken anderzijds. Deze afweging vraagt vroegtijdige, integrale afstemming tussen een steeds diverser palet aan stakeholders en mede-toezichthouders. Omdat omgevingsdiensten beschikken over relatief schaarse en integrale kennis op de benodigde specialismen, wordt de bijdrage van deze diensten aan de voorkant van processen steeds belangrijker, naast de uitvoering van hun reguliere VTH-taken. Dit vraagt voortdurend actualisering van kennis en een meer integrale toetsing op verschillende, steeds specifiekere kennisvelden. De keuze voor een gezonde leefomgeving als een van de doelen in de Omgevingswet geeft een bredere uitleg aan verschillende milieudoelen. De nadere uitwerking hiervan zal de komende jaren vorm krijgen.
ODBN Uitvoerings- en Handhavingsstrategie.2025
84
Alle gemeenten in het werkgebied van de ODBN hebben een (grote) woningbouwopgave. In de regionale woondeal is er sprake van 34.000 nieuw te bouwen woningen tussen 2024 en 2030. Hierbij wordt zowel binnenstedelijk als buitenstedelijk gezocht naar ruimte. De energietransitie brengt eveneens veel fysieke ingrepen met zich mee, zowel in het aanpassen van gebouwen (woningen, bedrijfsonroerend goed (isolatie, zonnepanelen, alternatieve lokale opwek)), het beschikbaar en geschikt maken van locaties voor energie-infrastructuur, als de aanleg van nieuwe infrastructuur (van hoogspanningsleidingen tot trafohuisjes). Een andere ruimtelijke vraag komt waarschijnlijk vanuit grootschalige energieopwekkingsprojecten zoals zonneparken. Voor projecten als gevolg van aanpassingen ten behoeve van het voorkomen van wateroverlast en andere gevolgen van de klimaatverandering geldt hetzelfde. Concreet zijn er in ‘s-Hertogenbosch, Vught, Sint-Michielsgestel en Boxtel grote opgaven met het oog op het voorkomen van overstromingen. Al met al zal dus ook in het werkgebied van de ODBN de ‘strijd om de schaarse ruimte’ steeds meer ervaren worden.
Er zal enerzijds vanuit het toenemende aantal initiatieven meer beroep gedaan worden op de ODBN voor het toetsen van de milieuconsequenties, maar anderzijds is juist ook de weging (wat kan waar, zonder ongewenste consequenties voor bestaande en nog nieuw toe te voegen functies) steeds meer onderwerp van gesprek.
Participatie – het eerder en intensiever betrekken van burgers bij de beleidsvorming en uitvoering – is een van de manieren waarop geprobeerd wordt om deze trend om te buigen. Zo heeft de Eerste Kamer op 4 juni jl. ingestemd met de Wet versterking participatie op decentraal niveau. Voorlopig heeft dat nog niet geleid tot een afname van het aantal bezwaren en daarmee samenhangende juridische procedures, en het aantal klachten. De verwachting is daarom dat voor de periode 2025 - 2028 rekening gehouden moet worden met een mogelijke verdere toename van juridische procedures. Dit heeft effect op het werkproces bij vergunningverlening (zo secuur mogelijk en dat kost tijd) en bij juridisch advies in de verschillende vormen. De Omgevingswet vraagt echter wel via het middel van de omgevingsdialoog dat initiatiefnemers eerst zelf met de omgeving in gesprek gaan alvorens een vergunning aan te vragen. Dit leidt na een periode van gewenning en implementatie wellicht op termijn alsnog tot een afname van het aantal bezwaren.
Gezien het aantal terreinen waarop in de komende jaren een fysieke opgave voorligt (woningbouw, infra, klimaatadaptatie, energietransitie, circulariteit, natuur/vergroening) zal naar verwachting het aantal opgestarte projecten toenemen. Voor een deel van die projecten zal de stikstofproblematiek het ten uitvoer komen van die projecten voorlopig verhinderen, maar voor een ander deel (met name kleinschaliger ingrepen zoals renovatie- en verduurzamingsactiviteiten met beperkte of geen impact op stikstofdepositie) zullen, wellicht met aanpassing van het gehanteerde materieel, wél vergunningaanvragen of meldingen volgen, met als gevolg mogelijkerwijs een groter beroep op VTH-capaciteit bij de ODBN.
De toename van klachten en bezwaren (van omwonenden) zal naar verwachting leiden tot meer toezichtactiviteiten en daaraan gerelateerd onderzoek en metingen door de omgevingsdienst op alle taakvelden, maar ook de behoefte aan meer juridische ondersteuning – ook bij beroepen. Dit geldt zeker in verdichtend stedelijk gebied.
Mondige burger Inwoners worden steeds mondiger en laten zich horen als ze iets willen of ergens hinder van ervaren. Er is landelijk sprake van een toename van klachten, beroepen en ook van het aantal bezwaarprocedures en andere juridische procedures. Bij de ODBN is het aantal milieuklachten over overlastgevende inrichtingen bijvoorbeeld van 3.429 in 2018 gestegen naar 5.635 in 2022. De piek tot nu toe lag in het jaar 2021, met stabiliserende cijfers in de afgelopen twee jaar. Via verschillende juridische routes controleren particulieren en belangenorganisaties de juistheid van genomen besluiten door de overheid, onder andere door tegenstrijdig of onhelder beleid. Uit een recent rapport van de Raad voor de Leefomgeving en Infrastructuur (waar ook de ODBN input voor heeft gegeven via een expertmeeting) blijkt dat er meer sprake is van juridisering rond de leefomgeving, waardoor de rechter steeds belangrijker is geworden. De omgevingsdiensten kunnen eraan bijdragen om dit evenwicht te herstellen, door zorgvuldig om te gaan met het toetsen aan wet- en regelgeving en zelf niet onnodig hoger beroep in te stellen.
Een vervelend bijverschijnsel van de toenemende mondigheid van burgers, ten slotte, is de toenemende agressie tegen toezichthouders en handhavers. Ook de omgevingsdiensten krijgen hiermee te maken en zullen aandacht moeten besteden aan passende procedures en de weerbaarheid van hun medewerkers.
Versterking VTH-keten Landelijk wordt al een aantal jaar ingezet op een meer ‘robuuste’ VTH-keten, waarvoor het IBP VTH (interbestuurlijk programma versterking VTH) is opgericht. Vanuit dit programma zijn criteria opgesteld op basis waarvan de robuustheid van een uitvoerende dienst wordt vastgesteld. Onlangs is de ODBN als een ‘robuuste organisatie’ gekwalificeerd. Er zal de komende jaren landelijk veel aandacht uitgaan naar de effectiviteit en efficiëntie van de volledige VTH-keten. Van daaruit kunnen nieuwe eisen aan de processen van omgevingsdiensten ontstaan, die ook de ODBN kunnen raken. Hoewel het programma IBP VTH eind 2024 eindigt, is de verwachting dat daarop voortgebouwd zal worden – met nieuwe initiatieven vanuit bijvoorbeeld ODNL - onder meer gericht op ‘outcome-gericht’ werken, waarbij de capaciteitsinzet op het vlak van VTH meer op basis van te veroorzaken impact dan op basis van inspanning kan worden ingezet. De omgevingsdienst formuleert hiertoe voor zichzelf doelen en toetst daarop, en kan daarmee ook laten zien waar prioriteiten liggen. De ODBN heeft dit al enige tijd in gang gezet.
ODBN Uitvoerings- en Handhavingsstrategie.2025
85
86
Een deel van de invulling van outcome-gericht werken betreft bijvoorbeeld het ‘opschuiven’ in het besluitvormingsproces van sec uitvoering naar proactief advies geven (al dan niet al tijdens de beleidsontwikkeling of wat later in het proces aan de omgevingstafel bijvoorbeeld), evenals het meedenken bij ontwerp- en normeringsvraagstukken voor de nieuwe omgevingsplannen voor de deelnemende gemeenten. Dit wordt door verschillende uitvoerende diensten als een wenselijke ontwikkeling benoemd. Ook de visitatiemethodiek en robuustheidscriteria zullen naar verwachting een rol van betekenis blijven spelen. Daarnaast zullen er nieuwe initiatieven komen op het gebied van digitalisering.
In het anticiperen op deze toenemende complexiteit is deels het afstemmen tussen disciplines van belang en deels zien we nieuwe, meer integrale, functies ontstaan, bijvoorbeeld de rol van de omgevingsmanager, bij veel uitvoerende overheden in het fysieke domein, om een meer integrale blik op casusniveau te kunnen vormen. Overigens is het borgen van meer samenhang bij toenemende complexiteit géén aanleiding tot ‘vervlakking’ of afname van het belang van de benodigde specialismen.
De verwachting is dat het Rijk ook de komende jaren, bijvoorbeeld door wijzigingen in wet- en regelgeving (vgl. energietoezicht), subsidieprogramma’s (vgl. IBP SPUK) of indirect via financiering aan ODNL zal proberen om ook (nieuwe) landelijke prioriteiten een plek te laten krijgen in de taakuitvoering van omgevingsdiensten.
De verzwaring van eisen en beleidsregels in de loop van de tijd en de toenemende complexiteit en onderlinge samenhang van de verschillende taakvelden en vergunningen zal de benodigde capaciteit per aanvraag en de gevraagde expertise naar verwachting doen toenemen. De complexiteit en stapeling van wet- en regelgeving brengt mogelijkerwijs ook meer beroep met zich mee vanuit vergunningaanvragers en daardoor meer juridische vraagstukken en een ingewikkelder (tijdsintensief ) vergunningsproces, maar ook vanuit toezicht en handhaving.
Arbeidsmarkt
Toename advies- en verzoektaken
De situatie op de arbeidsmarkt maakt het in het werkgebied VTH lastig om de personele capaciteit op orde te houden. Er is een kwalitatief en kwantitatief tekort aan vergunningverleners, specialisten, toezichthouders en juristen, en deze situatie blijft de komende jaren bestaan. Bij een steeds complexer wordende beleidsmatige, specialistische en juridische context, wordt het tekort steeds nijpender. Het zal steeds moeilijker worden om het personeelsbestand op orde te houden om VTHtaken adequaat in te vullen.
Voor de advies- en verzoektaken geldt dat de complexiteit van de opgave en alle (veranderende) regelgeving naar verwachting de komende jaren zal zorgen voor een toename van vooral adviesverzoeken en specialistische en juridische kennisvragen vanuit een deel van de opdrachtgevende gemeenten. Hier verwachten we dat met name de integrale benadering die de ODBN kan bieden vanuit alle verschillende specialismen, de bevoegde gezagen, daar waar die zelf niet beschikken over deze breedte aan specialismen, kunnen ondersteunen. We verwachten dat bij die bevoegde gezagen ook in een vroegtijdig stadium van beleidsvorming en planontwikkeling ondersteuning zal worden ingeroepen, bijvoorbeeld bij het opstellen van het omgevingsplan en het formuleren van regels en/of omgevingswaarden.
Naast de ODBN speelt dit probleem ook bij deelnemers waardoor het concentreren van (uitvoerings)taken bij een omgevingsdienst naar verwachting nog aantrekkelijker zal worden voor (een aantal) bevoegde gezagen, omdat het voor hen vaak nog lastiger is om die specialismen in huis te houden. Dit zou kunnen leiden tot een toename van VTH-taken, adviestaken, en collectieve taken.
Toenemende complexiteit Ruimtelijke ontwikkelingen en het werkveld van de omgevingsdienst kennen een toenemende complexiteit. Niet alleen komen er steeds meer beleidsdoelen en regels, waardoor een vergunningaanvraag steeds vaker meerdere specialismen ‘raakt’, maar ook de snelheid waarmee de aanpassingen plaatsvinden vraagt een continu aangesloten blijven op de actualiteit. Om in deze complexiteit gericht te blijven op het uiteindelijke doel van VTH, te weten het merkbaar verbeteren van de kwaliteit van de leefomgeving en het verminderen van schade aan het milieu die vermeden had kunnen worden, wordt nagedacht over een manier van werken die zo effectief en efficiënt mogelijk bijdraagt aan het realiseren van het doel. Zie ook hetgeen hiervoor bij ‘versterking VTHketen’ is geformuleerd.
Doordat de omgevingsdienst actuele en specialistische kennis heeft over alle relevante milieuthema’s, de bedrijven en hun milieubelastende activiteiten in de regio, maar ook de mogelijkheden heeft om de leefomgeving te verduurzamen, zal de omgevingsdienst als ‘kennispartner’ steeds belangrijker worden, met name voor die bevoegde gezagen die deze kennis niet of minder in huis hebben, maar ook voor bedrijven. Op basis hiervan is een toename van alle advies- en alle onderzoeks- en meettaken te verwachten, bij die deelnemers die deze taken bij de ODBN hebben belegd. Dit geldt zowel voor de specialistische adviezen, als voor het meer integraal beschouwen van vraagstukken vanuit verschillende taakgebieden tegelijkertijd. Ook zal afstemming en samenwerking met andere toezichthouders vaker aan de orde zijn (ketengericht toezicht). Dit doet meer dan nu het geval is een beroep op competenties als adviseren, meedenken en samenwerken met andere partijen, ook voor het uitwisselen van kennis – dit geldt zowel voor de andere omgevingsdiensten als bijvoorbeeld voor de veiligheidsregio, waterschappen, GGD, ILT, politie en Openbaar Ministerie.
Daarnaast is er een toename van de (behoefte aan) informatievoorziening, kennisdeling en actuele data (vanuit bevoegd gezag maar ook vanuit vergunningaanvragers en MBA-activiteiten) te verwachten bij ruimtelijke ontwikkelingen en (uitbreiding van) bedrijfsmatige activiteiten.
ODBN Uitvoerings- en Handhavingsstrategie.2025
87
88
3.3 Ontwikkelingen in wet- en regelgeving 3.3.1
Europese en nationale beleidskaders en wet- en regelgeving
Milieubeleid Europa kent algemene beginselen en een basiskader voor milieubeleid. Deze zijn uitgewerkt in milieuactieprogramma's (MAP’s). Het nieuwste plan heeft zes prioritaire doelstellingen: 1. verwezenlijking van de doelstelling om de broeikasgasemissies uiterlijk in 2030 terug te dringen met 55% en om uiterlijk in 2050 klimaatneutraliteit te bereiken; 2. vergroting van het aanpassingsvermogen, versterking van de veerkracht en vermindering van de kwetsbaarheid voor klimaatverandering; 3. toewerken naar een regeneratief groeimodel, loskoppeling van economische groei en het gebruik van hulpbronnen en milieuschade, en versnelling van de overgang naar een circulaire economie; 4. nastreven van de ambitie om alle verontreiniging tot nul terug te dringen, ook voor lucht, water en bodem, en bescherming van de gezondheid en het welzijn van de Europeanen; 5. bescherming, behoud en herstel van de biodiversiteit en verbetering van het natuurlijk kapitaal (met name lucht, water, bodem, bos, zoetwater, moerasland en mariene ecosystemen); 6. vermindering van de milieu- en klimaatdruk in verband met productie en consumptie (met name op het gebied van energie, industriële ontwikkeling, gebouwen en infrastructuur, mobiliteit en het voedselsysteem).
Deze thema’s worden via de volgende veelgebruikte termen in de diverse beleidsstukken zichtbaar: ➜ klimaatmitigatie, klimaatadaptatie en circulaire economie; ➜ gezonde leefomgeving; ➜ beschermen en verbeteren van natuur; ➜ richtlijn industriële emissies. Deze doelstellingen zijn in Europa uitgewerkt in richtlijnen, de Green Deal, klimaatafspraken op mondiaal niveau, en worden verder uitgewerkt in landelijk beleid met dezelfde doelstellingen. Vanuit Europa wordt Nederland strakker gehouden aan regelgeving die milieu en natuur moet beschermen. Dit betekent dat wanneer oplossingen worden gezocht voor bijvoorbeeld stikstof of ZZS, steeds strikter wordt gekeken of deze inderdaad bijdragen aan het realiseren van de opgestelde normen.
89
Luchtkwaliteit De gezonde leefomgeving is in Nederland verder vastgelegd in de doelstellingen van de Omgevingswet en uitgewerkt in het Besluit kwaliteit leefomgeving (Bkl). Hierin zijn omgevingswaarden opgenomen voor de verschillende milieucompartimenten zoals luchtkwaliteit, geur, geluid, bodem- en waterkwaliteit. De Herziening Luchtkwaliteitsrichtlijn past in deze lijn.
Bodem Naast het Bkl is specifiek ten aanzien van de kwaliteit van de bodem ook de invoering van de vijfde tranche van de Basisregistratie Ondergrond20 per 1 juli 2025 van kracht, met effecten op de taakuitoefening van de omgevingsdienst. Met de basisregistratie brengt het ministerie van Volkshuisvesting en Ruimtelijke Ordening (VRO) het gebruik van de ondergrond voor opgaven als energietransitie, klimaatadaptatie, woonopgave en economische groei landelijk in kaart. Voor een goed beleid en efficiënt beheer van de ondergrond zijn eenduidige, betrouwbare data en informatie essentieel. Daarom wordt gewerkt aan de Basisregistratie Ondergrond (BRO). De data over de ondergrond worden in tranches ingevoerd in de basisregistratie. Per 1 januari 2025 wordt dus de vijfde tranche van kracht, waarin specifiek data over milieukwaliteit worden toegevoegd. Er zijn twee registratie-objecten: ➜ Milieuhygiënisch bodemonderzoek (SAD – Site Assessment Data) Het kwantitatieve onderzoek naar de aard en gehalten van stoffen in de bodem met als doel vast te stellen of er sprake is van bodemverontreiniging. ➜ Overheidsbesluit bodemverontreiniging (SLD – Soil Legal Decisions) De wettelijke status van de onderzoekslocatie binnen het kader van de aanpak van bodemverontreiniging op grond van de Wet bodembescherming (Wbb) of het uitvoeren van milieubelastende activiteiten onder de Omgevingswet.
Het team Bodem van de ODBN werkt aan een Bodemplan 2024 - 2028. Daarin worden de doelen, uitgangspunten en strategie voor de uitvoering van (wettelijke) bodemtaken door de ODBN vastgelegd.
Kwaliteit van water Voor 2027 staat ook het voldoen aan de EU-kaderrichtlijn water op de planning en gezien de huidige staat van de kwaliteit van het water wordt deze niet gehaald (zie hierover paragraaf 3.2.1). In het verlengde van de strakkere sturing vanuit de EU zorgen in Nederland zelf uitspraken van de Raad van State over onder andere klimaatafspraken en natuurwetgeving voor aanpassingen in het toetsen van vergunningen.
20
Wat is de BRO? - Basisregistratieondergrond ODBN Uitvoerings- en Handhavingsstrategie.2025
90
Gevaarlijke stoffen
91
Geluid, licht en geur
De herziene Richtlijn Industriële Emissies (die nog gepubliceerd moet worden) is een aangescherpte norm voor de nationale wet- en regelgeving van de EU-lidstaten. Dit betekent dat het bevoegd gezag voor IPPC installaties moet gaan vergunnen op basis van strengere ‘Best Beschikbare Technieken’ (BBT) conform zogenoemde ‘BBT-conclusiedocumenten’22. De Richtlijn Industriële Emissies is gericht op de geïntegreerde preventie en bestrijding van milieuverontreiniging. Emissies naar lucht, water en bodem (inclusief afvalstoffen) worden voor grote milieuverontreinigende bedrijven en intensieve veehouderijen gereguleerd via integrale vergunningen op basis van de BBT. Dit is grotendeels uitgewerkt in het BAL onder de Omgevingswet, waarbij de omgevingswaarden weer uit het Bkl komen. Bedrijven die onder deze richtlijn vallen hebben een jaarlijkse verplichting om emissies te melden via het elektronisch milieujaarverslag (eMJV). Dit wordt ook gerapporteerd naar Europa. 21
Daarnaast wordt in de loop van de jaren het beleid ten aanzien van toelaatbare geluids-, lichten geurniveaus stringenter (zie bijvoorbeeld Europese Richtlijn Omgevingslawaai (2002/49/ EG)) en vormt verkeerslawaai (doelstelling: 30% reductie in 2030) ook een onderdeel van het ‘Zero Polution Action Plan’ van de Europese Commissie. In 2023 is een rapport verschenen waarin aangegeven wordt dat meer actie nodig is om omgevingsgeluid te verminderen. De ‘Richtlijn lichthinder’ van NSVV (2021) geeft aanknopingspunten voor het omgaan met lichthinder. Gemeenten kunnen deze richtlijnen in hun beleidskaders opnemen. Ten aanzien van geur moeten gemeenten in hun omgevingsplannen beleidsregels opnemen voor een aantal geurbelasting veroorzakende activiteiten. Voor een aantal activiteiten moet de gemeente geurregels opnemen in het omgevingsplan. Hiervoor staan instructieregels in het Bkl. Dit geldt voor rioolwaterzuiveringsinstallaties (rwzi's), het houden van landbouwhuisdieren en andere agrarische activiteiten.
Afval en circulariteit Er komen nieuwe wetgevingen aan op het vlak van afval en circulariteit en het LAP323 wordt het CMP24 . Vanaf 2025 ondersteunt het CMP de transitie naar een circulaire economie. Het LAP beschrijft het afvalbeleid en het beleid voor afvalpreventie en afvalbeheer. Naast het beleid voor traditionele afvalactiviteiten zoals inzamelen, recyclen, verbranden en afstoten, komt ook de relatie tot de circulaire economie aan de orde. Met de komst van het CMP wordt er meer gestuurd op hoogwaardige verwerking. Om de ontwikkeling van nieuwe en innovatieve technieken bij recyclebedrijven te stimuleren, onderzoekt het ministerie de mogelijke toepassing van de ‘vollastverklaring’. Dat betekent dat het afval eerst naar deze bedrijven moet om gerecycled te worden. Pas wanneer deze bedrijven een plek hebben, mag het naar de AVI om verbrand te worden. Het CMP besteedt ook meer aandacht aan grondstoffengebruik en het voorkomen dat een materiaal of product in de afvalfase komt. Ter ondersteuning van de bevoegde gezagen en de omgevingsdiensten zal er een handreiking worden uitgebracht om preventie op basis van ervaringen aan te scherpen. Last but not least komt er met het CMP een stevigere procedure voor bevoegde gezagen als zij willen afwijken van het plan. Deze ontwikkelingen hebben consequenties voor de taakuitvoering van de ODBN.
Asbest Het ministerie van SZW moet een nieuwe EU-richtlijn over asbest implementeren vóór 1 januari 2026. De richtlijn schrijft onder andere voor dat elk bedrijf dat handelingen verricht met asbest(houdend materiaal) hiervoor een vergunning moet hebben, terwijl er op dit moment alleen een certificatieplicht is voor bedrijven of personen die de meest schadelijke soorten behandelen. Er worden dus ineens veel meer bedrijven vergunningplichtig. De verwachting is daarom dat de consequenties groot zijn, ook omdat de wijzigingen doorwerken in het BBL (minder relevant voor de ODBN), en de Omgevingswet25.
https://iplo.nl/regelgeving/regels-voor-activiteiten/toelichting-milieubelastende-activiteiten/vergunning-milieubelastende-activiteit/ ippc/nieuws-ippc/2024/herziening-richtlijn-industriele-emissies/ 22 ttps://iplo.nl/regelgeving/regels-voor-activiteiten/toelichting-milieubelastende-activiteiten/vergunning-milieubelastende-activiteit/ h ippc/stand-komen-bref-bbt-conclusies/ 21
Energie en klimaat Het klimaatbeleid is in Nederland vastgelegd in de Klimaatwet, waarin de Europese doelstellingen overgenomen zijn. Uitwerking vindt plaats in het Klimaatplan, waarin veel verschillende maatregelen samenkomen zoals het aandeel hernieuwbare energie (RES), energiebesparing, de nieuwste wetenschappelijke inzichten, innovaties en een mondiale beschouwing.
Biodiversiteit en soortenbescherming Het beschermen en verbeteren van de natuur is uitgewerkt in gebiedsbescherming en soortenbescherming. De provincie is het bevoegd gezag op deze onderwerpen en heeft de vergunningverlening, het toezicht en de handhaving ervan (inclusief faunabeheer en houtopslag) gemandateerd aan de ODBN. Het landelijk streven is naar meer en meer kwalitatief hoogwaardige en biodiverse natuur- en landschappen en groen, zowel binnen- als buitenstedelijk. Vooral gebiedsbescherming staat onder hoogspanning door verschillende uitspraken door de Raad van State. De staat van de natuur in Nederland is zo slecht dat er geen nieuwe uitstoot van stikstof, de voornaamste bron van verslechtering, mag worden toegestaan. Dit heeft een groot effect op de veehouderijsector, industrie, logistiek over rivieren en de weg. Op 17 juni j.l. is de Verordening Natuurherstel aangenomen. Voor zowel de gezonde leefomgeving als het verbeteren van de natuur/waterkwaliteit is de aankomende Herziening Richtlijn Stedelijk Afvalwater26 mogelijk nog relevant, die zowel een aanscherping van de gemeentelijke watertaken (met een planverplichting voor het beheer van stedelijk afvalwater) vraagt als strengere eisen stelt aan de waterschapstaken, voor de verwijdering van nutriënten en medicijnresten door de rioolzuiveringsinstallaties.
Ook steunt de richtlijn het beginsel dat de vervuiler betaalt, waarbij producenten minimaal 80% van de kosten moeten betalen voor het verwijderen van eventuele vervuiling door hun producten.
Whttps://lap3.nl/ www.circulairmaterialenplan.nl 25 Tussenbericht Omgevingsdienst NL, d.d. 1 augustus 2024 26 https://iplo.nl/thema/water/nieuws-water/2024/politiek-akkoord-europese-richtlijn-stedelijk/ 23 24
ODBN Uitvoerings- en Handhavingsstrategie.2025
92
3.3.2 Ontwikkelingen in provinciale, regionale en lokale beleidskaders en wet- en regelgeving
Ruimtelijke puzzel De provincies hebben in voorbereiding op de nieuwe Nota Ruimte allemaal bouwstenen aangeleverd voor de ruimtelijke puzzel van Nederland. Daarnaast wordt gewerkt aan het Brabants Programma Landelijk Gebied27, waarin alle opgaven voor het landelijk gebied bij elkaar worden gebracht. Alle gemeenten in het werkgebied van de ODBN hebben een (grote) woningbouwopgave. In de regionale woondeal is er sprake van 34.000 nieuw te bouwen woningen tussen 2024 en 2030. Hierbij wordt zowel binnenstedelijk als buitenstedelijk gezocht naar ruimte. De energietransitie vraagt zowel vanuit het aanpassen van bestaande woningen (isolatie) als het aanleggen van infrastructuur (van hoogspanningsleidingen tot trafohuisjes) toetsing op soortenbescherming en op Evenwichtige Toedeling van Functies Aan Locaties (ETFAL) en op omgevingswaarden bodem en water. ETFAL komt voort uit de Omgevingswet en vervangt het toetsen op een goede ruimtelijke ordening. ETFAL vraagt een bredere blik dan toetsen op een goede ruimtelijke ordening en heeft tot doel het stimuleren van de veilige, schone en gezonde leefomgeving. Binnen de ODBN is advies op dit thema een aparte verzoektaak.
Luchtkwaliteit Noord Brabant stelt zich in het Schone Lucht Akkoord ten doel: ‘In 2030 hebben we minimaal 50% gezondheidswinst uit Brabantse bronnen gerealiseerd ten opzichte van 2016’. Dit is onderweg naar de ambitie 2050: ‘In 2050 voldoet de Brabantse Luchtkwaliteit minimaal aan de WHO-advieswaarden voor fijnstof en stikstofdioxide’. Daarbij horen de volgende provinciale streefwaarden: WHOadvieswaarde PM10 van 15 µg/m3 en NO2 van 10 µg/m3 in 2030 in Brabant.
Landbouwtransitie Een thema dat veel van deze punten raakt is de landbouwtransitie. Ten aanzien van de landbouwtransitie kent de provincie Noord-Brabant eigen beleid voor het reduceren van stikstof bij veehouderijen die is vastgelegd in de Provinciale Verordening Brabantse Zorgvuldigheidsscore Veehouderij (BZV)28. De BZV stuurt, stimuleert en objectiveert de ontwikkeling naar zorgvuldige veehouderij. Ondernemers ‘verdienen’ daarbij punten door maatregelen te treffen die de inpassing van het bedrijf in de omgeving verbeteren en hebben daarbij de keuzevrijheid in welke maatregelen het beste passen bij hun bedrijfsvoering of de wensen van de omgeving. Door de eisen periodiek aan te passen aan nieuwe inzichten en mogelijkheden, wordt de transitie ondersteund. De provincie stuurt bij vergunningverlening met betrekking tot emissies aan op het hanteren van de normen voor de laagst mogelijke emissies. Dit wordt aangeduid met de term ‘scherp vergunnen’. Hiermee loopt de provincie iets voor op de EU/NL-wetgeving. Per 1 juli is er een provinciale deadline voor het behalen van de eisen voor stalemissies. De ODBN verwacht pieken en dalen in het werkaanbod ten gevolge van de emissieregels in de komende jaren.
Een eventuele toe- of afname van EFTAL-gerelateerde taken, toetsen op basis van de Brabantse Zorgvuldigheidsscore Veehouderij, de behandeling van sloopmeldingen en het toezicht op sloop zal samenhangen met het tempo van het maken van ruimtelijke plannen door het bevoegd gezag, het al dan niet doorgaan van ruimtelijke projecten, en het beroep dat opdrachtgevers daarbij wensen te doen op de ODBN.
Bodem Onder de Omgevingswet zijn de bodemtaken van de provincie verschoven naar gemeenten, zoals al beschreven in paragraaf 3.1. Het Voorstel Bodemmonitoringsrichtlijn schrijft onder meer voor dat bodemverontreiniging moet worden aangepakt en dat parameters moeten worden opgesteld en gevolgd die inzicht geven in de kwaliteit van de bodem. In combinatie met de aandacht voor ZZS is dit een belangrijk thema.
Omgevingswet en ontwikkeling omgevingsplannen Nu de Omgevingswet in werking is getreden, worden de consequenties ervan op de dagelijkse werkzaamheden steeds duidelijker, bijvoorbeeld de consequentie van de maximering van de reguliere termijn voor vergunningverlening op acht weken, die een behoorlijke druk op het uitvoeringsapparaat met zich meebrengt. Een relevant gevolg dat met name de komende jaren een rol gaat spelen, is de verplichting voor gemeenten om een omgevingsvisie en een omgevingsplan op te stellen. Het benutten van nieuwe ruimte, het beschermen van inwoners en natuur en tegelijkertijd de huidige gebruikers van de ruimte niet benadelen is een vraagstuk waar gemeenten mee worstelen bij de formulering van hun definitieve omgevingsvisie (deadline 1 januari 2027). Vooral (de inrichting van) het omgevingsplan heeft directe gevolgen voor de ODBN. De Omgevingswet geeft gemeenten meer ruimte om met omgevingswaarden te werken in het omgevingsplan, om zo ontwikkelingen mogelijk te maken of juist de natuur en het milieu te beschermen. De kennis en data over emissies van bedrijven en kennis over (milieu) omgevingswaarden liggen echter bij een aantal gemeenten eerder bij de ODBN dan intern. Bij het maken van het omgevingsplan en het invulling geven aan de omgevingswaarden zal bij het ontwerp al gekeken moeten worden naar milieu in plaats van toetsen achteraf.
Dit vraagt om een andere wijze van samenwerken – namelijk óók vooraan in de beleidscyclus in plaats van achteraf ten tijde van de vergunningverlening zelf. Zo kan elke gemeente eigen omgevingswaarden opnemen in het plan, die moeten worden getoetst bij verzoektaken op het gebied van ruimtelijke ordening, een vergunningaanvraag en vervolgens ook door toezicht en handhaving. De vertaling van het beleid in regels kan door de verschillende gemeenten op eigen wijze worden doorgevoerd óf in onderlinge afstemming. De regelgeving kan daardoor per gemeente meer gaan verschillen, waardoor toetsing nog meer maatwerk wordt en tijd en inspanning vergt.
https://www.brabant.nl/onderwerpen/omgevingsbeleid/samenwerken-ruimtelijke-opgaven/natuur-landbouw/brabants-programmalandelijk-gebied-bplg/ 28 https://bzv.brabant.nl/ 27
ODBN Uitvoerings- en Handhavingsstrategie.2025
93
94
Het lokale maatwerk van gemeenten in het kader van de Omgevingswet zal meer inzet vragen van specialisten, maar ook van juristen, omdat de verwachting is dat het maatwerk zelf een aanleiding kan zijn voor meer bezwaar- en beroepszaken en, als gevolg van de (gedeeltelijke) onbekendheid met de wetgeving en lokale regels, wellicht ook meer sanctiezaken. Voor de kortere termijn geldt dat bij het opstellen van de omgevingsplannen door de deelnemers naar verwachting een beroep gedaan wordt op de kennis van de ODBN: Bij het vaststellen van omgevingsplannen, voor het meedenken over de uitvoerbaarheid en haalbaarheid van beleidsambities en bijvoorbeeld bij het omzetten van milieuregels in de bruidsschat naar het eigen omgevingsplan en de integrale blik op alle elementen van de milieuregelgeving. Een ander element is dat onder de Omgevingswet de instrumenten ‘vergunning’ en ‘melding’ en de werkwijze daarbij (zowel in de vergunningverlening als in het toezicht) van aard zijn veranderd. Ook heeft er een verschuiving plaatsgevonden voor het type en het aantal activiteiten waarvoor er een vergunnings- of meldingsplicht is. Welk effect dit precies heeft op de taakuitvoering van de omgevingsdienst naar de aard en omvang van activiteiten, moet in de komende jaren nog duidelijk worden.
De verwachting is dat toezicht complexer wordt, omdat er binnen de nieuwe Omgevingswet veel (interpretatie)ruimte is. Daarnaast is onduidelijk hoe het ‘voorzorgprincipe’ uit de Omgevingswet zijn concrete vertaling zal krijgen. Ook is de verwachting dat er structureel meer aandacht nodig zal zijn voor het actualiseren van vergunningen.
H4 Doelstellingen ODBN per expertisegebied
4.1 Introductie en toelichting In dit hoofdstuk worden, naar aanleiding van de ontwikkelingen per expertisegebied en de verwachte effecten op de taakuitvoering van de ODBN, per expertisegebied doelstellingen geformuleerd voor de periode 2025 - 2028. Deze doelstellingen zullen in het werk- en ontwikkelprogramma van de ODBN steeds worden uitgewerkt in specifieke doelstellingen per jaar. De keuze van doelstellingen hangt natuurlijk samen met de geformuleerde strategische doelen waaraan de ODBN een bijdrage levert enerzijds, maar ook met beschikbare middelen, waaronder financiën en arbeidskracht die beschikbaar is voor de uitvoering anderzijds. In de formulering van de doelstellingen voor de ODBN is het vergroten van de efficiëntie, waardoor met beperkte arbeidskracht een zo groot mogelijke impact kan worden gemaakt, een van de uitgangspunten geweest. Mét de bevoegde gezagen zal de ODBN de komende vier jaar verdere prioriteiten stellen in zijn inzet binnen de geformuleerde doelen, als de beschikbare middelen daartoe nopen. De doelen voor de ODBN zijn geordend naar de bovenliggende strategische doelen waaraan de ODBN bijdraagt met zijn dienstverlening en vervolgens per expertisegebied. De ordening is in de inleiding van hoofdstuk 3 weergegeven in figuur 4.
Per expertisegebied is een diagram weergegeven, waarin rechtsboven, onder het kopje ‘Wat we zien’, de ontwikkelingen uit hoofdstuk 3 zijn samengevat. Aan de linkerzijde is/zijn op de bovenste lijn het bovenliggende doel/de bovenliggende doelen benoemd waaraan dit expertisegebied (het meest) bijdraagt. Daaronder staat wat de bevoegde gezagen samen met de ODBN op dit expertisegebied met de VTH-taakuitvoering willen (helpen) bereiken. Het is evident dat de ODBN slechts een bijdrage kan leveren aan het bereiken van deze doelstellingen, omdat bijvoorbeeld in het formuleren van beleid en het tot stand komen van wet- en regelgeving niet de ODBN, maar de deelnemers zelf aan zet zijn. Bovendien ligt er wel een wettelijke verplichting om basistaken door een omgevingsdienst te laten uitvoeren, maar staat het de deelnemers vrij of zij ook verzoektaken bij de ODBN onderbrengen, of die zelf ter hand nemen. In de regel ‘Wat de ODBN daaraan bij kan dragen’ staat daarom wat de ODBN specifiek kan doen om de veranderingen in de context bij het realiseren van deze gezamenlijke doelstelling het hoofd te bieden.
Hier staat dus hoe de ODBN zijn specifieke eigen bijdrage ziet: wat stelt de ODBN zich ten doel op dit gebied voor de komende vier jaar? Deze bijdrage van de ODBN zal zich afspelen binnen de verschillende taakgebieden van de ODBN: de vergunningverlening, handhaving en toezicht, en ondersteunende advisering. Voor elk van deze taakgebieden geldt dat de ODBN zijn werk als professionele organisatie in nauwe afstemming op de ontwikkelingen om zich heen en steeds beter wil gaan doen. Voor de herkenbaarheid is voor elk expertisegebied per subdoel aangegeven bij welk taakgebied dit doel hoort: groen voor vergunningverlening, blauw voor toezicht en handhaving en geel voor advisering.
ODBN Uitvoerings- en Handhavingsstrategie.2025
95
96
97 Efficiëntere en effectievere vergunningverlening
Efficiënter en effectiever toezicht
Efficiëntere en effectievere handhaving (bestuursrechtelijk/ strafrechtelijk)
Doelgericht en efficiënt adviseren
Figuur 8. ER-doel ODBN per taakgebied
In de regel daar weer onder is een eerste indicatie gegeven van zaken die nodig zijn om deze bijdrage daadwerkelijk te leveren. Deze regel zal in de werk- en jaarprogramma’s nader uitgewerkt en aangevuld worden; deze regel in de slides is dus nog niet alomvattend, concreet en specifiek. Figuur 9 geeft een voorbeeld van een uitgewerkte slide voor afval, waarin de genoemde lijnen zichtbaar zijn.
Afval
Wat we zien:
Voorbeeld
Bovenliggend doel
Bijdrage leveren aan schone leefomgeving
Ontbrekend zicht op afvalstromen en ongewenst (milieugevaarlijk) gebruik en opslag van afval. Aandacht voor afvalstromen nieuwe branches. Relatie afval en circulariteit: nieuwe en strengere . regels over hergebruik: van LAP naar CMP. En discussie wanneer is het afval en wanneer niet?
Bijdrage leveren aan gezonde leefomgeving
Kern uit omgevingsanalyse
Wat we met elkaar (BG en ODBN)
Tegengaan van ongecontroleerde en milieuschadelijke afvalstromen en ongewenst gebruik
willen bereiken:
Wat ODBN zich dan ten doel stelt Wat ODBN daaraan bij kan dragen:
Meer aandacht voor acceptatie en verwerkingsbeleid bij vergunning-verlening en afstemming met toezicht