CConstaterende datMeierijstad
Koppel je AI →
Document · PDF

Bijlage 4a Toelichting bestemmingsplan

Raadsvergadering 4 november 2021, gemeente MeierijstadBij agendapunt: Gewijzigde vaststelling bestemmingsplan 'Herontwikkeling voormalig gemeentehuis Schijndel'18.532 woorden

Open het PDF bij de gemeente ↗Naar de vergadering →

Tekst van het document

Uit het bestand gehaald, zonder opmaak, tabellen en afbeeldingen · deel 2 van 3

37

Nummer aanduiding parkeergelegenheid

Type parkeren

Capaciteit parkeergelegenheid

5

Blauwe zone maza 8.00-18.00 uur Vrij parkeren Blauwe zone maza 8.00-18.00 uur Blauwe zone maza 8.00-18.00 uur Blauwe zone maza 8.00-18.00 uur Blauwe zone maza 8.00-18.00 uur

66 72 73 76 80 Totaal

Resterende capaciteit in aantallen

19

Hoogste bezettingsgraad piekmoment ‘werkdag avond’ (vrijdag 17.00-20.00 uur) 37%

47 4

53% 25%

22,09 3

5

100%

0

50

38%

31

11

27%

8,03

136

11,97

76,09

Bovenstaande parkeergelegenheden tezamen omvatten 136 parkeerplaatsen. Uit bovenstaande figuur kan worden geconcludeerd dat, m.u.v. de parkeervoorziening met nummer 73, de parkeergelegenheden zich in de huidige situatie ruim onder de maximale bezettingsgraad van 85% bevinden. Er is nog een totale restcapaciteit van afgerond 76 parkeerplaatsen over t.a.v. de in de tabel opgenomen parkeerplaatsen. Voor het planvoornemen zijn 20 parkeerplaatsen nodig. Derhalve kan worden geconcludeerd dat er ruim voldoende capaciteit is om dit op te vangen in de openbare ruimte. Weliswaar geldt voor veel van de aangeduide parkeergelegenheden dat dit ‘blauwe zone parkeerplaatsen’ betreffen, waarvoor geldt dat van maandag tot zaterdag tussen 8.00 – 18.00 uur maximaal 2 uur geparkeerd mag worden. Buiten deze dagen/tijden kan vrij geparkeerd worden. Ten aanzien van het planvoornemen geldt dat bezoekers van de horeca of de appartementen evenals kort-parkeren van bewoners van de appartementen derhalve overdag prima kan plaatsvinden binnen deze blauwe zone parkeerplaatsen. In de avonduren en op zondagen is vrij gebruikt mogelijk, wat evenals geldt voor de parkeerplaatsen die zijn aangeduid met nummer 66. Tot slot; voorheen waren er 15 parkeerplaatsen gelegen bij het Oude Raadshuis (aangeduid met nummer 71).

Bij de herontwikkeling van het Oude Raadshuis door de gemeente is deze parkeergelegenheid komen te vervallen en is hiervoor een pocketpark in de plaats gekomen.

38

Indien ook rekening wordt gehouden met het wegvallen van deze 15 parkeerplaatsen blijkt dat er nog steeds voldoende restcapaciteit in de omgeving beschikbaar is om zowel deze 15 parkeerplaatsen als de voor het planvoornemen benodigde 20 parkeerplaatsen op te vangen. Derhalve kan geconcludeerd worden dat de parkeergelegenheid in de omgeving van het plangebied voldoende capaciteit bevat om het beoogde planvoornemen, waarbij 20 parkeerplaatsen op de openbare ruimte worden afgewenteld, op te vangen. Fietsparkeren In navolgende tabel is een berekening opgenomen van de totale fiets-parkeerbehoefte van het planvoornemen, waarbij een onderscheid is tussen bewoners en bezoekers van de appartementen en de horeca (binnen en buiten).

De 40 fietsparkeerplaatsen voor bewoners van de appartementen worden inpandig opgelost (in het parkeergedeelte en in de kelder van het gebouw). De fietsparkeerplaatsen voor bezoekers van de appartementen zullen buiten op eigen terrein gerealiseerd worden nabij de entree van het appartementengebouw. Omdat er twee entrees zijn is dit op de hoek Markt – Vicaris van Alphenstraat en/of op de hoek Vicaris van Alphenstraat – Verlengde Kloosterpad. De afgerond 48 fietsparkeerplaatsen ten behoeve van de horeca worden opgevangen in de openbare ruimte. Op en rondom de Markt en aan de Hoofdstraat zijn hiertoe diverse fietsparkeergelegenheden gelegen. Conclusie Aan het planvoornemen is een netto auto-parkeerbehoefte van 36 parkeerplaatsen verbonden, waarvan 16 parkeerplaatsen op eigen terrein zullen worden gerealiseerd. Met behulp van het onderzoek van DTV Consultants is voldoende aangetoond dat de resterende parkeerbehoefte van 20 parkeerplaatsen conform de vereisten die daartoe gelden op basis van de Nota Parkeernormen Meierijstad 2018 op de openbare parkeergelegenheid kunnen worden afgewenteld. Ook voldoet het planvoornemen aan de parkeernota ten aanzien van fietsparkeren.

39

Onderhavig plan sluit aan bij c.q. doet geen afbreuk aan de ambities en de (beleids)doelstellingen en -uitgangspunten, zoals verwoord in het Paraplubestemmingsplan parkeren / de Nota Parkeernormen Meierijstad 2018. Welstandsnota Meierijstad 2018 Toetsingskader De Welstandsnota Meierijstad 2018 is vastgesteld op 5 juli 2018. De welstandsnota heeft de ambitie om bij te dragen aan een hoogwaardige woon- en leefomgeving voor iedereen in Meierijstad en geeft daarom nuttige aanwijzingen bij nieuw- en verbouwplannen. De nota is gebaseerd op bestaand welstandsbeleid uit de nota’s van Schijndel, Veghel en SintOedenrode, aangevuld met het actuele thema duurzaamheid. De verschillen in de nota’s zijn genivelleerd door nog meer delen van het grondgebied welstandsvrij te verklaren. In die gebieden is voor nieuwe bouwinitiatieven wel een welstandsbeoordeling van toepassing. Met het nieuwe voorstel wordt de gebiedsgerichte welstandsbeoordeling beperkt tot de gebieden met een beeldkwaliteitsplan. In de overige gebieden blijft de welstandsbeoordeling beperkt tot de ‘objectbeoordeling’ (onder andere monumenten) of ‘themabeoordeling’(reclames). De welstandsbeoordeling wordt niet volledig afgeschaft, maar wel overal waar het verantwoord is. De welstandsbeoordeling blijft beperkt tot: 1. de centrumgebieden van Schijndel, Veghel, Sint-Oedenrode en Erp; 2. monumenten; 3.

beeldbepalende en cultuurhistorisch waardevolle panden; 4. bijzondere bebouwing en ensembles; 5. gebieden met een beeldkwaliteitseisen; 6. nieuwbouw in de overige gebieden. Zodoende is er geen welstandsbeoordeling meer nodig voor de volgende initiatieven: • Veel voorkomende (kleinere) vergunningplichtige bouwwerken. Deze werden voorheen beoordeeld aan de zogenaamde sneltoetscriteria. De initiatiefnemers krijgen nu dus meer vrijheden, maar tegelijkertijd ook een grotere verantwoordelijkheid voor behoud van de ruimtelijke kwaliteit. • Vergunningplichtige verbouwingen in alle kerkdorpen en de historische linten in de drie kernen. Nieuwe bouwinitiatieven op deze plaatsen worden wel beoordeeld aan de criteria nieuwbouw of de beoordelingscriteria in het op te stellen beeldkwaliteitsplan. Samen met de regels in het bestemmingsplan stimuleren we het behoud van identiteit en karakter van deze gebieden. • Vergunningplichtige bouwinitiatieven anders dan nieuwbouw in de overige gebieden.

40

•

Vergunningvrije bouwactiviteiten in gebieden met een beeldkwaliteitsplan.

Doorwerking plan(gebied) Specifiek voor het plangebied geldt dat het is gelegen in het centrumgebied van Schijndel. Het plan is nog niet in welstand geweest. Er heeft wel reeds een informele welstandstoets plaatsgevonden. De formele behandeling zal te zijner tijd bij de aanvraag omgevingsvergunning plaatsvinden. Conclusie Onderhavig plan sluit aan bij c.q. doet geen afbreuk aan de ambities en de (beleids)doelstellingen en -uitgangspunten zoals verwoord in het welstandsbeleid.

41

5. Archeologie en cultuurhistorie Toetsingskader Belangrijk bij de afweging of er gebouwd kan worden is het nagaan of in of rondom het plangebied belangrijke archeologische en, cultuurhistorische waarden aanwezig zijn. Het voorkomen van deze waarden wil niet per definitie zeggen dat er ter plaatse niet gebouwd kan worden, maar geeft aan dat zorgvuldig omgaan met deze waarden vereist is. Doel van het archeologische onderzoek is het waar nodig beschermen van archeologische waarden en het streven naar behoud van de waarden in de bodem (in situ). De essentie van het archeologische onderzoek is het verkrijgen van gegevens over de archeologische resten in de bodem teneinde in een vroeg stadium een goede afweging te kunnen maken van alle bij een ruimtelijk besluit betrokken belangen. Het archeologische onderzoek is verankerd in de Wet op de Archeologische Monumentenzorg uit 2007. De uitgangspunten van de wet zijn: • archeologische waarden zoveel mogelijk in de bodem bewaren en alleen opgraven als behoud in de bodem (in situ) niet mogelijk is; • de initiatiefnemer van een ruimtelijke ontwikkeling moet in een vroegtijdig stadium aangeven hoe met eventuele archeologische waarden bij bodemverstorende ingrepen zal worden omgegaan.

Dit houdt in een verplichting tot vooronderzoek bij werkzaamheden die de grond gaan verstoren; • bodemverstoorders betalen archeologisch onderzoek en mogelijke opgravingen. De kosten voor noodzakelijke archeologische werkzaamheden komen ten laste van de initiatiefnemer. Op 5 juli 2011 is een wijziging van het Bro gepubliceerd. Vanaf 1 januari 2012 moet ieder nieuw bestemmingplan een analyse van cultuurhistorische waarden bevatten. In aansluiting op de vaststelling van de Wet tot wijziging van de Monumentenwet 1988 en de Wet algemene bepalingen omgevingsrecht in mei 2011 zijn op 17 juni 2011 het Bro, het Besluit omgevingsrecht (Bor) en het Besluit archeologische monumentenzorg (Bamz) aangepast. Door een wijziging van het Bro moeten cultuurhistorische waarden voortaan vooraf in het proces van ruimtelijke ordening worden meegenomen, met name bij de voorbereiding en vaststelling van bestemmingsplannen. Het Bro bevat eisen waaraan de voorbereiding van een bestemmingsplan moet voldoen. In de toelichting van de ruimtelijke onderbouwing dient een beschrijving te worden opgenomen hoe met de in het gebied aanwezige cultuurhistorische waarden en in de grond aanwezige of te verwachten monumenten rekening is gehouden. De opsteller van de

42

ruimtelijke onderbouwing is daarmee dus verplicht om breder te kijken dan alleen naar het facet archeologie. Ook de facetten historische (steden)bouwkunde en historische geografie dienen te worden meegenomen in de belangenafweging. Hierbij gaat het om zowel beschermde als niet formeel beschermde objecten en structuren. In de provincie Noord-Brabant dienen in het kader van het behoud van waardevolle cultuurhistorische elementen en archeologische vindplaatsen, bestemmingsplannen te worden getoetst aan de provinciale Cultuurhistorische Waardenkaart (CHW). Hierop staan de bepalende cultuurhistorische elementen aangeven. Bij de afweging of een ruimtelijke ontwikkeling mogelijk is, dient nagegaan te worden of er binnen of rondom het plangebied cultuurhistorische waarden aanwezig zijn. Het eventueel aanwezig zijn van deze waarden wil niet per definitie zeggen dat een bepaalde ruimtelijke ontwikkeling niet realiseerbaar is, maar geeft wel aan dat zorgvuldig omgaan met deze waarden vereist is. Doorwerking plan(gebied) Archeologie Ten behoeve van de voorgestane, hoofdzakelijke functionele, wijzigingen ter plaatse van het voormalige gemeentehuis vinden nagenoeg geen of in ieder geval geen significante (bodem)graafwerkzaamheden plaats. Nagenoeg het gehele perceel is bebouwd en derhalve reeds geroerd. Het eventueel aanwezige archeologische bodemarchief is derhalve reeds verstoord.

Enkel daar waar een extra aanbouw aan het bestaande vastgoed is voorzien, zal de grond geroerd worden. Echter, de oppervlakte daarvan reikt niet boven de 50 m2. Derhalve wordt een verkennend archeologisch onderzoek niet noodzakelijk geacht. In algemene zin geldt altijd wel een meldingsplicht, indien er tijdens de bouwgraafwerkzaamheden alsnog archeologische indicatoren aangetroffen worden. Tot slot kan worden vermeld dat het plangebied geen monumentale status of een anderszins vastgelegde beeldbepalende kwaliteit bezit. Daarmee kan worden geconcludeerd dat de aspecten archeologie en cultuurhistorie niet aan de realisatie van het planvoornemen in de weg staan. Cultuurhistorie Het plangebied c.q. het pand waarop onderhavig planvoornemen betrekking heeft, bezit geen monumentale status of anderszins vastgelegde beeldbepalende kwaliteit.

43

Conclusie Uit archeologisch en cultuurhistorisch perspectief zijn er geen belemmeringen voor het (bestemmings)plan.

44

6. Flora en fauna: toetsing natuurwetgeving en stikstof(depositie) Toetsingskader Op 1 januari 2017 is de Wet natuurbescherming (Wnb) ingegaan. In het Decentralisatieakkoord Natuur (PS2011-778) is afgesproken dat de wetgever de decentralisatie van rijkstaken in het landelijk gebied naar provincies formaliseert. Met de Wnb geeft het Rijk invulling aan de decentralisatieafspraken uit het Decentralisatieakkoord Natuur en het Natuurpact (PS2013-797). De Wnb is daarmee het sluitstuk van de decentralisatie van het natuurbeleid. Doorwerking plan(gebied) Initiatiefnemer heeft door Buro Maerlant een oriënterend onderzoek naar beschermde flora en fauna uit laten voeren. Hierna zijn de conclusie en het advies uit het onderzoek letterlijk overgenomen. De integrale rapportage is als bijlage 2 opgenomen.

Conclusie Soorten In het plangebied of binnen de invloedssfeer van de werkzaamheden, zijn de volgende potentiële natuurwaarden aangetroffen waar rekening mee gehouden dient te worden: • Kans op de aanwezigheid van verblijfplaatsen van vleermuizen in te slopen en verbouwen deel van het plangebied zelf; • Kans op de aanwezigheid van nesten van de huismus en/of de gierzwaluw (daken); • Algemene broedvogels (niet jaarrond beschermd). Effecten Op basis van de aard en omvang van het plangebied en het feit dat in de regel preventief afdoende maatregelen kunnen worden getroffen, zijn over het algemeen géén negatieve effecten op strikter beschermde soorten te verwachten. Afhankelijk van het ontwerp/de geplande ingrepen kan het noodzakelijk zijn nader onderzoek naar vleermuizen, de huismus en de gierzwaluw uit te voeren om actueel gebruik van de bebouwing / het plangebied vast te kunnen stellen voorafgaand aan de ingrepen. Na uitvoer van het onderzoek kunnen, indien noodzakelijk, gepaste maatregelen worden getroffen. Doordat gedeeltelijk sprake is van inpandige verbouwing, bestaat de kans dat eventueel aangetroffen verblijfplaatsen kunnen worden gespaard.

45

Beschermde gebieden Het plangebied ligt niet in beschermde gebieden krachtens Natura 2000, EHS / de Provinciale Verordening. Er is voldoende aannemelijk gemaakt, dat effecten van de plannen op beschermde gebieden in de ruimere omgeving uitgesloten zijn. Advies Bij de totstandkoming van het ontwerp dient men rekening te houden met de aangetroffen potenties voor vleermuizen, de huismus en de gierzwaluw. Geadviseerd wordt het definitieve ontwerp voor te leggen aan een ter zake deskundige (ecoloog). Op basis hiervan kan worden bepaald óf nader onderzoek benodigd is volgens onderstaande aanpak. Vleermuizen Het onderzoek dient volgens het huidige protocol (versie 2017) te bestaan uit drie bezoeken in midden mei tot midden juli en twee bezoeken in de periode midden augustus tot 1 oktober, allen met een onderlinge tussenpoos van circa 20 - 30 dagen. Vogels (gierzwaluw en huismus) Gierzwaluw: Uitvoer 3 bezoeken in de periode 1 juni - medio juli met een tussenpoos van minimaal 10 dagen. De bezoeken worden gestart vanaf 1 1/2 uur vóór zonsondergang. Het onderzoek kan gedeeltelijk worden gecombineerd met het vleermuizenonderzoek. Huismus: Uitvoer twee ochtendbezoeken met een minimale tussenpoos van 10 dagen in de periode 1 april tot medio juni.

Aanpak vogels algemeen Doordat de kans bestaat dat broedende vogels in de nabijheid van de werkzaamheden aanwezig zijn, wordt aanbevolen rekening te houden met het broedseizoen en ingrepen zoals sloop, of het verwijderen van beplantingen, uit te voeren ná half juli en vóór half maart. Indien een ter zake deskundige heeft vastgesteld, dat geen nesten aanwezig zijn, is het ook mogelijk binnen deze periode te werken. Het verstoren van broedende vogels is conform de Wet natuurbescherming niet toegestaan. Aanpak voor de uitvoering algemeen Voorafgaand aan de feitelijke realisatie is het benodigd te bepalen of er een preventieve aanpak noodzaklelijk is inzake vleermuizen, de huismus en de gierzwaluw. Een ter zake deskundige kan hierin adviseren. Een mitigatieplan en eventuele ontheffing kan onderdeel uitmaken van deze aanpak.

46

Stikstof De planlocatie bevindt zich op de Markt 20a in Schijndel. Het meest nabijgelegen Natura 2000-gebied, ‘Kampina & Oisterwijkse Vennen’, ligt op een afstand van ca. 11,0 km ten zuidwesten van de planlocatie. Door de rijksoverheid is de ‘Handreiking woningbouw en Aerius’ beschikbaar gesteld. In deze handreiking is onderstaande tabel opgenomen. Deze tabel stelt dat bij een nieuwbouwplan tot 50 woningen op een afstand van tenminste 7 km van een Natura 2000-gebied, de stikstofdepositie onder gemiddelde omstandigheden 0,00 mol/ha/jaar bedraagt. Hierbij geldt als aanvullende eis dat de woningen gasloos en haardloos dienen te zijn. In aanvulling hierop wordt verwezen naar het uitgevoerde oriënterende onderzoek naar beschermde flora en fauna (zie bijlage 2), waarin ook is gesteld dat het plangebied niet ligt in beschermde gebieden krachtens Natura 2000, EHS / de Provinciale Verordening en dat daarmee voldoende aannemelijk is gemaakt dat effecten van de plannen op beschermde gebieden in de ruimere omgeving uitgesloten zijn. De transformatie van het kantorendeel van het voormalige gemeentehuis Schijndel betreft een transformatie van een kantoorgebouw met gasaansluiting, naar een appartementengebouw met 16 appartementen die gasloos (en haardloos) worden uitgevoerd.

Het plan omvat aanzienlijk minder dan 50 woningen en de afstand tot het dichtstbijzijnde Natura 2000-gebied overschrijdt de 10 km ruim. Bovendien is er sprake van een transformatie waarbij het bestaande gebouw nagenoeg geheel gehandhaafd blijft en de werkzaamheden voornamelijk in het gebouw plaatsvinden. De ‘aanlegfase’ bij deze transformatie verschilt daarmee aanzienlijk ten opzichte van een nieuwbouwplan. Voor wat betreft de ‘gebruiksfase’ geldt dat deze zal verbeteren ten opzichte van de huidige situatie, bijvoorbeeld ten aanzien van de verkeersaantrekkende werking. Nu heeft het gebouw een kantoorfunctie met ruimte voor ruim 100 medewerkers. Dit wordt getransformeerd tot een woongebouw met 16 gasloze appartementen en lichte horeca ter plaatse van de op de verbeelding opgenomen aanduiding. Initiatiefnemer heeft door Tritium een stikstofdepositieberekening uitgevoerd. Hierna is de conclusie letterlijk overgenomen. De integrale rapportage is als bijlage 3 opgenomen.

Uit de rekenresultaten van AERIUS Calculator 2020 blijkt dat er ten gevolge van de maximale planologische mogelijkheden geen stikstofdepositie op Natura 2000-gebieden plaatsvindt. Derhalve zijn ‘significante (negatieve) effecten’ op beschermde natuurgebieden ten aanzien van stikstofdepositie uit te sluiten. Bovendien moet worden opgemerkt dat er

47

geen rekening is gehouden met interne saldering en dat er is uitgegaan van een ‘worst-case’ scenario, desondanks is er geen sprake van stikstofdepositie. Een vergunning in het kader van de Wnb is derhalve niet aan de orde. De berekening toont aan dat het aspect stikstof geen beperkingen oplevert ten aanzien van mogelijk ontwikkelingen binnen het plangebied.

Voor projecten met een stikstofdepositie van 0,00 mol/ha/jaar hoeft geen vergunning in het kader van de Wnb te worden aangevraagd. Met bovenstaande motivering kan gesteld worden dat de beoogde transformatie geen effect heeft op de stikstofdepositie en dat derhalve een melding- of vergunningsplicht in het kader van de Wnb niet aan de orde is. Conclusie Vanuit het oogpunt van flora en fauna en stikstof(depositie) zijn er – na het treffen van de geadviseerde vervolgacties met betrekking tot vleermuis, gierzwaluw en huismus – geen belemmeringen voor het (bestemmings)plan.

48

7. Water Toetsingskader Bij de watertoets gaat het om het verantwoorden van de waterhuishoudelijke aspecten bij ruimtelijke plannen en besluiten. Met behulp van de watertoets wordt er naar gestreefd om het waterhuishoudkundig aspect in combinatie met het ruimtelijke beleid toe te passen op het beoogde plangebied, waarbij op basis van de voorgenomen ontwikkelingen gezocht is naar een hydrologisch neutrale oplossingsrichting. De watertoets is wettelijk verankerd in artikel 3.1.6, eerste lid, sub b van het Besluit ruimtelijke ordening. Dit besluit verplicht tot het opnemen van ‘een beschrijving van de wijze waarop in het bestemmingsplan rekening is gehouden met de gevolgen voor de waterhuishouding’ in de toelichting van ruimtelijke plannen van provincies, regionale openbare lichamen en gemeenten in het kader van de Wro. Vanuit verschillende overheidsniveaus zijn beleid en uitgangspunten geformuleerd voor wat betreft de omgang met afstromend hemelwater. De belangrijkste uitgangpunten hierbij zijn het hydrologisch neutraal ontwikkelen en het doorlopen van de volgorde ‘her-gebruikvasthouden-berging-afvoer’. Het plangebied valt binnen het beheersgebied van Waterschap Aa en Maas. Ook voor het Waterschap Aa en Maas is hydrologisch neutraal ontwikkelen speerpunt bij ruimtelijke ingrepen in haar beheersgebied.

Het waterschap heeft een beleidsnota met uitgangspunten ten behoeve van de water-toets. Hierbij staan de volgende principes centraal: • wateroverlastvrij bestemmen; • gescheiden houden van vuil water en schoon hemelwater; • doorlopen van de afwegingsstappen: ‘hergebruik - infiltratie - buffering - afvoer’; • hydrologisch neutraal bouwen; • water als kans; • meervoudig ruimtegebruik; • voorkomen van vervuiling • rekening houden met waterschapsbelangen. De voornoemde principes liggen in lijn met het landelijke beleid ten aanzien van de watertoets. Gestreefd dient te worden naar een waterhuishoudkundig minimaal gelijkwaardige situatie. Het belangrijkste gegeven is het geohydrologisch compenseren van

49

een eventuele toename van verharde oppervlakte, waardoor hemelwater versneld kan worden afgevoerd. Doorwerking plan(gebied) Ten behoeve van de voorgestane, hoofdzakelijke functionele, wijzigingen ter plaatse van het voormalige gemeentehuis vinden nagenoeg geen, of in ieder geval, geen significante graafwerkzaamheden plaats. Ook zal het verhard / bebouwd oppervlak niet significant toenemen in de nieuwe situatie Mocht een evidente uitbreiding of oprichting van bouwwerken in een later stadium toch de wens zijn van de huidige of nieuwe bewoner(s)/eigenaren, dan zal daar eventueel een vergunning voor moeten worden aangevraagd. Te zijner tijd kan dan een omgevingsvergunningprocedure worden doorlopen om een aanbouw of oprichting van een vrijstaand bijgebouw mogelijk te maken. Een aanvullende watertoets zou dan één van de vereisten van bevoegd gezag kunnen zijn, om dergelijke ontwikkelingen mogelijk te maken. Tot die tijd is er sprake van een hydrologisch neutrale ontwikkeling. Conclusie Vanuit het oogpunt van hydrologie zijn er geen belemmeringen voor het (bestemmings)plan.

50

8. Fysieke belemmeringen: (ondergrondse) infrastructuur / kabels en (buis)leidingen Toetsingskader Transport van gevaarlijke stoffen vindt plaats over de weg, het spoor, het water en door buisleidingen. Tijdens het transport kunnen dingen misgaan waardoor de gevaarlijke lading kan ontbranden of exploderen of waardoor er bijvoorbeeld giftige gassen ontsnappen via een lek of breuk. Bij risicovolle buisleidingen kan gedacht worden aan (hogedruk) transport van aardgas, maar ook van olie, benzine, kerosine, chemische producten en industriële gassen. Deze stoffen kunnen giftig, licht ontvlambaar, of brandbaar zijn. Buisleidingen lopen meestal ondergronds, maar kunnen soms ook bovengronds voorkomen. De grootste kans op een beschadiging aan een buisleiding ontstaat door graafwerkzaamheden. Denk hierbij aan werkzaamheden aan gas-, olie- en waterleidingen in de grond, of kabels voor stroom, TV, telefoon en internet. De risicokaart toont alle aardgasleidingen vanaf een diameter van 50 mm en een druk van 16 bar, alle buisleidingen voor brandbare vloeistoffen vanaf een diameter van 100 mm en alle overige buisleidingen waarvan geldt dat er een overschrijding van de wettelijke norm is op 5 meter afstand van de buis. Deze wettelijke norm is het plaatsgebonden risico 10-6. Het Besluit Externe Veiligheid Buisleidingen (Bevb) is op 1 januari 2011 in werking getreden.

In het Besluit externe veiligheid buisleidingen zoals dit per 1 januari 2011 geldt, staan veiligheidseisen voor de exploitant en de gemeente. Exploitanten hebben een zorgplicht en moeten ervoor zorgen dat hun buisleidingen veilig zijn. Gemeenten moeten buisleidingen in hun bestemmingsplan opnemen en bij nieuwbouw zorgen voor genoeg afstand tot de buisleidingen. Doorwerking plan(gebied) Teneinde een goede belangenafweging mogelijk te maken voor de voorgenomen functiewijziging is het noodzakelijk om inzicht te hebben in de ligging en eigenschappen van binnen het plangebied voorkomende kabels en leidingen. Sommige van deze kabels en leidingen vereisen een bepaalde afstand tot gevoelige functies. Voor onderhavig plan zijn er geen belemmeringen aan de orde, zodat er in dit opzicht geen gevolgen zijn voor dit plan. Besluit externe veiligheid buisleidingen Er bevindt zich geen (hoge druk) gasleiding binnen of op korte afstand van het plangebied.

51

Overige kabels en (buis)leidingen Nutsbedrijven eisen dat kabels en leidingen in het openbaar gebied (komen te) liggen. De initiatienemer van onderliggend bouwplan is verplicht zorg te dragen voor een door gemeente en nutsbedrijven geaccordeerde wijze van aansluiting. Overige zonering Er zijn in/op en nabij het plangebied verder geen hoogspanningslijnen, ondergrondse leidingen, waterkeringen, straalpaden, invliegfunnels aanwezig waarvan de aanwezigheid van invloed kan zijn op de voorgenomen ontwikkeling. Conclusie Geconcludeerd kan worden dat het voorgenomen plan, beschouwd vanuit de aspecten ondergrondse infrastructuur, kabels en leidingen, geen problemen oplevert. Nader onderzoek is na deze quickscan niet nodig.

52

9. Milieu-hygiënische verantwoording 9.1 Inleiding Er bestaat een duidelijke relatie tussen milieubeleid en ruimtelijke ordening. De beleidsvelden groeien naar elkaar toe. De milieukwaliteit vormt een belangrijke afweging bij de ontwikkelingsmogelijkheden van ruimtelijke functies. Bij de afweging van het al dan niet toelaten van bepaalde ruimtelijke ontwikkelingen, dient onderzocht te worden welke milieuaspecten daarbij een rol kunnen spelen. Tevens is het van belang milieubelastende functies, zoals bedrijfsactiviteiten, ruimtelijk te scheiden ten opzichte van milieugevoelige functies, zoals woningen. In dit hoofdstuk wordt ingegaan op de milieu- en ruimtelijke aspecten die van belang zijn voor de te ontwikkelen gronden aan de Markt 20a. De resultaten van de onderzoeken naar de milieukundige haalbaarheid worden beschreven en er wordt aan de andere – ruimtelijk relevante – waarden en omgevingsaspecten, zoals verkeer en mobiliteit, getoetst. Tot slot wordt inhoudelijk ingegaan op de ruimtelijke inpassing en de beeldkwaliteit van het plan. De thema’s die aan bod komen, hebben direct of indirect betrekking op de voorgenomen planontwikkeling. 9.2 M.e.r.-beoordeling Toetsingskader Het Besluit Mer is per 1 juli 2017 gewijzigd. De nieuwe beoordelingssystematiek moet worden toegepast en worden omschreven.

Voor elk besluit of plan dat betrekking heeft op activiteit(en) die voorkomen op de D-lijst die onder de drempelwaarden van kolom 2 vallen moet een toets worden uitgevoerd of belangrijke nadelige milieugevolgen kunnen worden uitgesloten. Voor deze toets wordt de term vormvrije m.e.r.-beoordeling gehanteerd. Dit houdt in dat er voorafgaand aan de vaststelling van een bestemmingsplan een aparte merbeoordelingsbeslissing moet worden genomen dat geen MER nodig is. Dit beslissingsdocument moet vervolgens in de bijlage van de toelichting opgenomen worden. Een m.e.r.-beoordeling is een toets van het bevoegd gezag om te beoordelen of bij een project belangrijke nadelige milieugevolgen kunnen optreden. Wanneer uit de toets blijkt dat er belangrijke nadelige milieugevolgen kunnen optreden moet er een m.e.r.-procedure worden doorlopen. Met andere woorden dan is het opstellen van een m.e.r. nodig. De vormvrije m.e.r.-beoordeling is dus altijd nodig als een besluit of plan wordt voorbereid over activiteiten die voorkomen op de D-lijst en die onder de drempelwaarden liggen. Voor de vormvrije m.e.r.-beoordeling gelden twee voorwaarden:

53

1. het gaat over één of meer activiteiten die voorkomen op de D-lijst van het Besluit m.e.r.; 2. de omvang van al die activiteit(en) ligt onder de drempelwaarde (kolom 2 van de Dlijst). Bij besluiten en plannen over activiteiten die niet op de D-lijst staan, is de vormvrije m.e.r.beoordeling dus niet nodig. In de bijlage bij het Besluit MER is opgenomen welke activiteiten m.e.r.-plichtig zijn (de Clijst) en welke activiteiten m.e.r.-beoordelingsplichtig zijn (de D-lijst). Bij de vormvrije m.e.r.-beoordeling kan aandacht worden besteed aan het volgende: • een globale beschrijving van de ingreep-effectrelaties en dosis-effectrelaties van de voorgenomen activiteit; • wat zijn maatgevende effecten van de voorgenomen activiteit? Is er sprake van emissies (bijvoorbeeld van geluid, lucht), verkeersaantrekkende werking e.d.? • wat is het ruimtebeslag? • wat is de afstand van de activiteit(en) tot gebieden die gevoelig zijn? • zijn er met betrekking tot de activiteit indicatieve invloedsafstanden bekend? (bijvoorbeeld uit het ‘groene boekje’) • waarvoor zijn de gebieden gevoelig? Heeft de voorgenomen activiteit daar invloed op? Doorwerking plan(gebied) In de bijlage bij het Besluit m.e.r. is opgenomen welke activiteiten m.e.r.-plichtig zijn (de Clijst) en welke activiteiten m.e.r.-beoordelingsplichtig zijn (de D-lijst).

Bij de vormvrije m.e.r.-beoordeling kan aandacht worden besteed aan het volgende: • een globale beschrijving van de ingreep-effectrelaties en dosis-effectrelaties van de voorgenomen activiteit; • wat zijn maatgevende effecten van de voorgenomen activiteit? Is er sprake van emissies (bijvoorbeeld van geluid, lucht), verkeersaantrekkende werking e.d.? Wat is het ruimtebeslag? • wat is de afstand van de activiteit(en) tot gebieden die gevoelig zijn? • zijn er met betrekking tot de activiteit indicatieve invloedsafstanden bekend? (bijvoorbeeld uit het ‘groene boekje’) • waarvoor zijn de gebieden gevoelig? Heeft de voorgenomen activiteit daar invloed op?

54

Om te bepalen of een m.e.r.-beoordeling noodzakelijk is, dient bepaald te worden (1) of de ontwikkeling de drempelwaarden uit de D-lijst van het Besluit m.e.r. overschrijdt, (2) of de ontwikkeling in een gevoelig gebied ligt en (3) of er belangrijke milieugevolgen zijn. 1. Op het plangebied wordt de realisatie van extra wooneenheden binnen de bestaande bebouwing mogelijk gemaakt. Er is daarmee geen sprake van een overschrijding van de drempelwaarden uit de D-lijst van het Besluit m.e.r. 2. In onderdeel A van de bijlage bij het Besluit m.e.r is bepaald wat verstaan wordt onder een ‘gevoelig gebied’. Als gevoelig gebied zijn gebieden aangewezen die beschermd worden op basis van de natuurwaarden, landschappelijke waarden, cultuurhistorische waarden en waterwingebieden. Het plangebied behoort niet tot een waterwinlocatie, waterwingebied of grondwaterbeschermingsgebied. Ook behoort het plangebied niet tot een gebied waarbinnen een Rijksmonument ligt of een Belvédèregebied. 3. In dit hoofdstuk worden de milieueffecten beschouwd, zoals geluid en luchtkwaliteit. Hieruit blijkt dat er door onderhavig bestemmingsplan geen sprake zal zijn van nadelige milieugevolgen.

Conclusie Gelet op kleinschalige karakter van het plan in vergelijking met de plandrempels uit het Besluit m.e.r., de ligging van het plangebied (op grotere afstand dan 10 km van een Natura 2000-gebied) en de kenmerken van de potentiële effecten zullen geen belangrijke negatieve milieugevolgen optreden. Dit blijkt ook uit de milieutoets van de verschillende milieuaspecten, zoals deze in de overige paragrafen zijn opgenomen. Uit de opgestelde aanmeldnotitie – zie bijlage 4 – blijkt dat er, gezien de kenmerken en plaats van de beoogde ontwikkeling in relatie met de potentiële effecten daarvan, geen significante nadelige gevolgen voor het milieu zullen zijn. Op basis van deze aanmeldnotitie kunnen burgemeester en wethouders besluiten dat geen milieueffectrapportage is vereist. 9.3 Bodem Toetsingskader Het doel van de bodemtoets bij ruimtelijke plannen is het bepalen van de geschiktheid van de bodemkwaliteit voor de voorgenomen plannen en het bepalen of de voorgenomen plannen financieel haalbaar zijn. Een bodemonderzoek geeft uitsluitsel over de financiële haalbaarheid en een eventuele saneringsnoodzaak. De wet bepaalt dat bij een ruimtelijk plan rekening gehouden moet worden met de bodemkwaliteit ter plaatse.

De reden hiervoor is dat eventueel aanwezige bodemverontreiniging van groot belang kan zijn voor de keuze van bepaalde bestemmingen en/of voor de uitvoerbaarheid van het bestemmingsplan.

55

Doorwerking plan(gebied) Ten behoeve van de voorgestane, hoofdzakelijke functionele, wijzigingen ter plaatse van het voormalige gemeentehuis vinden nagenoeg geen, of in ieder geval, geen significante graafwerkzaamheden plaats. Daar waar de grond wel wordt geroerd, worden in elk geval geen verblijfsfuncties gerealiseerd. Ook zal het verhard / bebouwd oppervlak niet significant in oppervlak toenemen en hebben ter plaatse nimmer potentieel bodembedreigende handelingen plaatsgevonden. Er is derhalve sprake van een geologisch neutrale situatie. De bodemkwaliteit en het woon- en leefklimaat ter plaatse van het plangebied is gewaarborgd. Volledigheidshalve is het ingevulde formulier ‘Historische toets t.b.v. vrijstelling bodemonderzoek’ als bijlage 5 opgenomen. Conclusie Geconcludeerd kan worden dat het aspect bodem geen belemmering vormt voor onderhavige planontwikkeling. 9.4 Geluid (wegverkeerslawaai) Toetsingskader Bij de realisatie van geluidgevoelige bestemmingen, zoals woningen, in de nabijheid van wegen dient in het bestemmingsplan aandacht besteed te worden aan de akoestische omstandigheden. De gevels van de woningen ondervinden namelijk een geluidbelasting ten gevolge van het wegverkeer in de omgeving. De verplichting tot uitvoering van een akoestisch onderzoek is vastgelegd in de Wet geluidhinder.

De Wet geluidhinder bevat geluidnormen en richtlijnen over de toelaatbaarheid van geluidniveaus als gevolg van rail- en wegverkeerslawaai, industrielawaai en luchtvaartlawaai. De Wet geluidhinder geeft aan dat een akoestisch onderzoek moet worden uitgevoerd bij het voorbereiden van de vaststelling van een bestemmingsplan, indien het plan een geluidgevoelig object mogelijk maakt binnen een geluidzone van een bestaande geluidbron of indien het plan een nieuwe geluidbron mogelijk maakt. De Wet geluidhinder bepaalt in hoeverre het bouwen op een locatie is toegestaan, het Bouwbesluit bevat onder meer eisen die aan de geluidwering van de uitwendige scheidingsconstructie van het gebouw worden gesteld. Deze worden onder meer bepaald door de hoogte van de geluidbelasting, het type buitengeluid en de gebruiksfunctie.

56

Doorwerking plan(gebied) Initiatiefnemer heeft door Adviesgroep K+ een onderzoek naar de gevolgen van het wegverkeerslawaai uit laten voeren. Hierna zijn de onderzoeksresultaten letterlijk overgenomen. De integrale rapportage is als bijlage 6 opgenomen.

5.2 Goede ruimtelijke ordening 5.2.1 Vicaris van Alphenstraat / St. Servatiusstraat - Er is sprake van een 30 km/zone, zodat niet hoeft te worden getoetst aan de Wet geluidhinder. In het kader van een goede ruimtelijke ordening wordt de weg wel beschouwd en wordt ook het toetsingskader van de Wet geluidhinder gehanteerd. - In waarneempunt 1 en 2 zijn gevelbelastingen vastgesteld hoger dan de ‘voorkeursgrenswaarde’. - De geluidbelasting ten gevolge van deze weg is maximaal 56 dB, zonder aftrek artikel 110g. Zou die aftrek wel worden gehanteerd, dan is de geluidbelasting 51 dB waarmee deze boven de voorkeursgrenswaarde zou liggen wanneer getoetst zou worden aan de Wet geluidhinder. De maximale ontheffingswaarde wordt niet overschreden. - Omdat geen sprake is van een gezoneerde weg, hoeft ook geen hogere waarde ten aanzien van deze weg worden aangevraagd. - Formeel hoeven ten gevolge van deze weg geen maatregelen te worden getroffen aan de gevel. Uit het oogpunt van wooncomfort en gezondheid wordt echter geadviseerd wel maatregelen te treffen om een binnenniveau van 33 dB te garanderen. Hiervoor wordt verwezen naar tabel 4.3 kolom comforteis. Hieruit blijkt dat ten gevolge van deze weg een gevelgeluidwering van maximaal 23 dB dient te worden behaald.

Omdat de appartementen worden voorzien van een gebalanceerd ventilatiesysteem, wordt deze geluidwering voor dit pand uit 1990 in goede staat van onderhoud altijd behaald. Er is daarmee in de appartementen sprake van een goed woon- en leefklimaat ten gevolge van deze wegen. 5.2.2 Rietbeemdpad - Er is sprake van een 30 km/zone, zodat niet hoeft te worden getoetst aan de Wet geluidhinder. In het kader van een goede ruimtelijke ordening is de weg wel meegenomen Rm210010aaA0.wesi_03 16 en zijn de optredende gevelbelastingen beschouwd volgens de systematiek van de Wet geluidhinder. - De voorkeursgrenswaarde wordt niet overschreden, zou getoetst worden aan de Wet geluidhinder. De geluidbelasting is ten hoogste 49 dB (excl. art. 110g Wgh). Zou de aftrek gehanteerd mogen worden is de belasting 44 dB (incl. art. 110g) waarmee deze waarde

57

onder de voorkeursgrenswaarde ligt. - Er is sprake van een goed woon- en leefklimaat. 5.3 Bouwbesluit Het bouwbesluit stelt in deze situatie dat voor de gevelgeluidwering moet worden voldaan aan het rechtens verkregen niveau. In het onderhavige geval betekent dit dat geen eisen worden gesteld. Uit het oogpunt van gezondheid en comfort wordt geadviseerd wel maatregelen te treffen. Hierbij wordt geadviseerd ook uit te gaan van de gecumuleerde waarde. Dit betekent dat bij een gevel hogere eisen worden gesteld aan de gevelgeluidwering om te voldoen aan nieuwbouwniveau, te weten een gevelgeluidwering van maximaal 23 dB. Wordt een gebalanceerd ventilatiesysteem toegepast, dan wordt gezien de leeftijd van het pand en de staat van onderhoud altijd aan deze waarde voldaan. Er is daarmee sprake van een goed woon- en leefklimaat in de appartementen.

Spoorweglawaai In de directe omgeving van het plangebied is geen actieve spoorlijn gelegen. Nader onderzoek naar de gevolgen van spoorweglawaai is derhalve niet noodzakelijk. Vliegtuiglawaai Het plangebied is niet gelegen nabij een (militair) vliegveld. Nader onderzoek naar de gevolgen van vliegtuiglawaai is derhalve niet noodzakelijk. Stiltegebieden Het plangebied is niet gelegen in of nabij een stiltegebied. Conclusie Vanuit akoestisch oogpunt levert het plan geen belemmeringen op. Het woon- en leefklimaat ter plaatse van het plangebied is gewaarborgd. 9.5 Milieuzonering (geur en industrielawaai) Toetsingskader Het doel van milieuzonering is om te komen tot een optimale kwaliteit van de leefomgeving. Instrumenten van ruimtelijke ordening en milieu kunnen elkaar daarbij ondersteunen. Om tot een optimale invulling van de ruimte te komen, onderscheidt de Vereniging van Nederlandse

58

Gemeenten (VNG) in haar brochure Bedrijven en Milieuzonering (editie 2009) twee omgevingstypen: 1. omgevingstype rustige woonwijk of rustig buitengebied; 2. omgevingstype gemengd gebied. Ad. 1 Een ‘rustige woonwijk’ is een woonwijk die is ingericht volgens het principe van functiescheiding. Afgezien van wijkgebonden voorzieningen komen vrijwel geen andere functies (zoals bedrijven of kantoren) voor. Langs de randen (in de overgang naar mogelijke bedrijfsfuncties) is weinig verstoring door verkeer. Een vergelijkbaar omgevingstype qua aanvaardbare milieubelasting is een ‘rustig buitengebied’ (eventueel inclusief verblijfsrecreatie), een stiltegebied of een natuurgebied. Ad. 2 Een ‘gemengd gebied’ is een gebied met een matige tot sterke functiemenging. Direct naast woningen komen andere functies voor, zoals winkels, horeca en kleine bedrijven. Geluid is voor de te hanteren afstand van milieubelastende activiteiten veelal bepalend. Vervolgens worden in de brochure, op basis van een aantal factoren (geur, stof, geluid en gevaar), richtafstanden genoemd tussen verschillende bedrijfstypen en omgevingstype ‘rustige woonwijk’ of ‘rustig buitengebied’, waarmee gemeenten bij ruimtelijke ontwikkelingen rekening kunnen houden.

Indien sprake is van het omgevingstype ‘gemengd gebied’, dan kunnen de richtafstanden – zonder dat dit ten koste gaat van het woon- en leefklimaat en het functioneren van bedrijven – met één afstandsstap worden verlaagd. Doorwerking plan(gebied) Geurhinder (Wgv) De maximale voor- en achtergrondbelasting vanuit de omliggende veehouderijen zijn weliswaar niet exact berekend maar bedragen respectievelijk minder dan 2,0 en minder dan 5,0 ouE/m3 (o.b.v. de regionale geurkaart) en de afstand vanaf de buitenzijde van het geurgevoelig object tot het dichtstbijzijnde emissiepunt dan wel begrenzing van het dierenverblijf is meer dan 100 meter. Hiermee wordt voldaan aan zowel het wettelijk kader als de gezondheidskundige advieswaarde. In de directe omgeving van de planlocatie zijn geen (intensieve) veehouderijen en andersoortige agrarische bedrijven gelegen.

59

Milieuzonering (categorie-indeling bedrijven) Stap 3 van de VNG brochure vraagt ook om te kijken naar cumulatie met andere bronnen. In de omgeving zijn andere horeca-inrichtingen en terrassen aanwezig. Deze zijn op een zodanige afstand gelegen dat ze, bij regulier gebruik, geen relevante geluidsbijdrage veroorzaken op de appartementen. Ook ondervinden de appartementen aan de zuidwestzijde van het complex, waar het terras ligt, geen relevante geluidbelasting ten gevolge van wegverkeer. Van cumulatie van geluid is daarom geen sprake. Het plangebied en de omgeving ervan kunnen worden aangemerkt als het omgevingstype ‘gemengd gebied’. In de directe omgeving van de planlocatie komen namelijk diverse horeca-, commerciële (detailhandels-) en kantoorvoorzieningen voor, gemengd met woondoeleinden. Hierdoor kunnen de richtafstanden met één afstandstrap worden verkleind en kan de richtafstand voor ‘restaurants, cafetaria’s, snackbars, e.d.’ (SBI-2008: 552, 553), ‘detailhandel voor zover n.e.g.’ (SBI-2008: 47) ‘overige zakelijke dienstverlening: kantoren’ (SBI-2008: 63, 69 t/m 71, 73, 74, 77, 78, 80 t/m 82), ‘kerkgebouwen e.d. (SBI-2008: 9491) van 10 m (en 30 m voor het kerkgebouw) gereduceerd worden tot 0 m. Hier kan aan worden toegevoegd dat de aanwezige bedrijfsfuncties reeds ‘begrensd’ worden door gevoelige woonfuncties die op kortere afstand liggen dan de onderhavige wooneenheden.

De dichtst bij het plangebied gelegen horecavoorziening bevindt zich op een afstand van 50 meter. Hierbij kunnen worden genoemd: snackroom Van den Akker (Markt 21) en Mima Schoenmakerij (Vicaris van Alphenstraat 28). Tevens is aan de Vicaris van Alphenstraat 16 de Heilige Servatiuskerk gevestigd. Behalve de diverse voorzieningen in de omgeving van het plangebied vinden er aan de Markt jaarlijks ook vele evenementen plaats. Voor deze evenementen zijn evenementenvergunning nodig, waarbij moet worden aangetoond dat deze voldoen aan de geldende geluidnormen in relatie tot de omgeving. Evenementen kunnen en hoeven in het kader van het bestemmingsplan niet te worden beschouwd. De horeca die is voorzien bij de beoogde transformatie van het gemeentehuis betreft lichte dag- en avondhoreca. Het muziekgeluidniveau van deze horeca bedraagt maximaal achtergrondmuziek en zal derhalve de 70 dB niet overschrijden. In de planregels is aansluiting gezocht bij de voorschriften van het vigerende bestemmingsplan ten aanzien van andere horecagelegenheden aan de Markt. Uit het onderzoek wegverkeerslawaai komt naar voren dat ten aanzien van de gevelgeluidwering voor de appartementen uit mag worden gegaan van het rechtens verkregen niveau. Vanuit het oogpunt van gezondheid en comfort wordt echter geadviseerd te voldoen aan nieuwbouwniveau, te weten een gevelgeluidbelasting van 23 dB. Middels

60

toepassing van een gebalanceerd ventilatiesysteem kan hieraan worden voldaan. Dit advies wordt door initiatiefnemer in acht genomen. Derhalve wordt gewaarborgd dat de appartementen geen overlast ondervinden van de in het plan opgenomen lichte dag- en avondhoreca of van de andere in de omgeving gelegen voorzieningen of evenementen. Initiatiefnemer heeft door Adviesgroep K+ een onderzoek naar de gevolgen van het terrasgeluid van de beoogde horeca uit laten voeren. Hierna zijn de evaluatie en conclusie letterlijk overgenomen. De integrale rapportage is als bijlage 7 opgenomen.

Er worden 5 tafels aan de Markt geplaatst en 4 tafels in de doorsteek. Uitgangspunt bij de berekeningen is dat het terras in de dagperiode gedurende maximaal 9 uur geopend is. Dit is akoestisch mogelijk. De maximale niveaus ten gevolge van lachen van de bezoekers voldoen ook aan de geluideisen uit het Activiteitenbesluit / de VNG Brochure voor gemengd gebied. Indien het terras gedurende 4 uren in de avondperiode in gebruik is, wordt niet voldaan aan Stap 3 van de VNG brochure. Het realiseren van het terras is dan niet wenselijk. Zou het terras gedurende 1 uur in de avondperiode geopend zijn (tot 20 uur), dan wordt wel aan stap 2 van de brochure voldaan. Om te kunnen voldoen aan Stap 3 zou het terras gedurende 3 uren in de avondperiode geopend kunnen zijn (dus tot 22 uur). Om de geluidniveaus van Stap 3 acceptabel te vinden, moeten de overige geluidbronnen in de omgeving worden beschouwd. Uit het onderzoek wegverkeerslawaai (Transformatie gemeente Schijndel, Wegverkeerslawaai, rapportnummer Rm210010aaA0.wesi_02 d.d. 143-2021 van K+ Adviesgroep) blijkt dat de appartementen aan de zuidwestzijde van het complex geen relevante geluidbelasting ten gevolge van wegverkeer ondervinden. De overige terrassen op de Markt zijn wat verder weg gelegen, zodat hier ook geen relevante bijdrage van te verwachten is.

Ten behoeve van de levendigheid van de Markt en het plan zelf, alsmede de kansen voor een succesvolle horecalocatie te vergroten, zou de gemeente Meijerijstad kunnen overwegen om inderdaad de geluidniveaus van 55 dB(A) etmaalwaarde in het kader van een goede ruimtelijke ordening, toe te staan. Daarmee zou een terras op deze locatie tot 22 uur geopend kunnen zijn. Opgemerkt wordt dat als het terras zou worden overkapt en/of verwarmd, er wel moet worden getoetst aan het Activiteitenbesluit milieubeheer. Hiertoe dient een nieuw onderzoek te worden uitgevoerd.

61

Binnen een afstand van 50 meter van de planlocatie bevinden zich geen (boom)kwekerijen of fruitteeltbedrijven. In de directe omgeving zijn derhalve geen locaties gelegen waar gewasbeschermingsmiddelen worden gebruikt. Spuitzones zijn om die reden niet aanwezig. Conclusie Bezien vanuit het oogpunt van ‘inwaartse milieuzonering’ komt er in de nabijheid van het plangebied geen bedrijvigheid voor welke een mogelijke belemmering vormt voor het onderliggende plan. Daarnaast levert het plan, vanuit het oogpunt van ‘uitwaartse zonering, ook geen belemmering op voor omliggende bedrijven. Dit betekent dat er vanuit de aspecten milieuzonering en hinderlijke bedrijvigheid geen belemmeringen zijn voor het plan. 9.6 Luchtkwaliteit Toetsingskader Hoewel de luchtkwaliteit de afgelopen decennia in Nederland is verbeterd, voldoet ze nog steeds niet overal aan de normen. Met name fijn stof en stikstofdioxiden leveren problemen op. Het doel van luchtkwaliteitsonderzoek is het geven van inzicht in het effect van het plan op de luchtkwaliteit. Daarom moet luchtkwaliteit al in een vroeg stadium van de planvorming worden meegewogen. Gegevens over de luchtkwaliteit worden verzameld om vervolgens te kunnen bepalen of er voor het doorgaan van het project al dan niet aanvullende maatregelen nodig zijn. In de praktijk zullen met name fijn stof en stikstofdioxiden moeten worden onderzocht.

Daarnaast kan een goede ruimtelijke ordening met zich brengen dat een afweging wordt gemaakt rondom de aanvaardbaarheid van een project op een bepaalde locatie. De luchtkwaliteit hoeft (artikel 5.16 Wet milieubeheer) geen belemmering te vormen voor ruimtelijke ontwikkelingen als: • er geen sprake is van een feitelijke of dreigende overschrijding van een grenswaarde; • een plan of project niet in betekenende mate (NIBM) bijdraagt; • een project per saldo niet tot een verslechtering van de luchtkwaliteit leidt; • een project is opgenomen in een regionaal programma van maatregelen of in het Nationaal Samenwerkingsprogramma Luchtkwaliteit (NSL) dat tevens voorziet in maatregelen om de luchtkwaliteit te verbeteren.

62

De luchtkwaliteit komt voort uit Europese wet- en regelgeving en de hoofdlijnen van de regelgeving zijn opgenomen in de Wet milieubeheer. In de Nederlandse wetgeving is opgenomen dat in het geval van ruimtelijke ontwikkelingen beoordeelt moet worden welk effect de gewenste ontwikkeling heeft op de luchtkwaliteit. Er zijn echter situaties waarin een ontwikkeling ‘niet in betekenende mate’ bijdraagt aan (de verslechtering) van de luchtkwaliteit. In het besluit ‘niet in betekenende mate bijdragen’ (Besluit NIBM) en in de regeling ‘niet in betekenende mate bijdragen’ (Regeling NIBM) is aangegeven in welke gevallen hiervan sprake is. Concreet is in het Besluit NIBM vastgelegd in welke gevallen een ontwikkeling niet in betekenende mate bijdraagt aan de concentratie van een bepaalde stof. Een ontwikkeling is NIBM als aannemelijk is gemaakt dat de ontwikkeling een toename van de concentratie veroorzaakt van maximaal 3%. De 3% grens wordt gedefinieerd als 3% van de grenswaarde voor de jaargemiddelde concentratie van fijn stof (PM10) of stikstofdioxide (NO2). Dit komt overeen met 1,2 microgram/m3 voor zowel fijn stof en NO2. In de Regeling NIBM is een lijst met categorieën van gevallen (inrichtingen, kantoor- en woningbouwlocaties) opgenomen die sowieso niet in betekenende mate bijdragen aan de luchtverontreiniging.

Deze gevallen kunnen zonder toetsing aan de grenswaarden voor het aspect luchtkwaliteit uitgevoerd worden. Ook als het bevoegd gezag op een andere wijze, bijvoorbeeld door berekeningen, aannemelijk kan maken dat het geplande project NIBM bijdraagt, kan toetsing aan de grenswaarden voor luchtkwaliteit achterwege blijven. De regeling geeft concrete getallen voor plannen die gaan over bijvoorbeeld de bouw van woningen en/of kantoren. De grens voor woningbouwplannen ligt bij 3%. Als er twee ontsluitingswegen zijn, mag een grens van 3.000 woningen worden gehanteerd. Op 15 januari 2009 is het Besluit gevoelige bestemmingen (luchtkwaliteitseisen) in werking getreden die toeziet op het beschermen van bepaalde gevoelige groepen mensen (bijvoorbeeld kinderen, ouderen en zieken). De intentie van het Besluit gevoelige bestemmingen is dat bepaalde gebouwen (bijvoorbeeld scholen, kinderdagverblijven, bejaarden- en verzorgingstehuizen) niet meer worden gebouwd in gebieden waar de normen worden overschreden. Daartoe voorziet het besluit in zones waarbinnen luchtkwaliteitsonderzoek nodig is: 300 meter aan weerszijden van rijkswegen en 50 meter langs provinciale wegen, gemeten vanaf de rand van de weg. In de context van het besluit worden ziekenhuizen, woningen en sportaccommodaties niet als ‘gevoelige bestemming’ gezien.

63

Doorwerking plan(gebied) Plannen hebben pas een negatief effect op de luchtkwaliteit, zodra de verkeersgeneratie in ruime mate toeneemt. Ter vergelijking; een effect op de luchtkwaliteit hoeft pas aangetoond te worden als de bouw van 1.500 woningen of 66.667 m² kantoor en de daarmee gepaard gaande verkeersgeneratie plaatsvindt. Onderhavig plan heeft uiteraard een veel lagere verkeersaantrekkende functie dan 1.500 nieuwe woningen of 66.667 m² nieuw kantooroppervlakte. Hierdoor valt het plan ruim onder de 3% grens voor PM10 of NO2. Het plan draagt dan ook ‘niet in betekenende mate’ (NIBM) bij aan de luchtverontreiniging. Gesteld kan worden dat de luchtkwaliteit zal voldoen aan de grenswaarden en dat de luchtkwaliteit verder geen belemmeringen vormt voor de te volgen procedure. Het plan voldoet aan de uitvoeringsregels uit het Besluit Nibm en de Regeling Nibm. Aanvullende berekeningen zijn in het kader van het aspect luchtkwaliteit niet aan de orde. Het aspect luchtkwaliteit levert derhalve geen beperking en/of belemmeringen op aan de planontwikkeling. Verder geldt dat het plangebied niet is gelegen binnen een zone van 300 meter vanaf de rand van een Rijksweg en ook niet binnen een zone van 50 meter vanaf de rand van een provinciale weg.

Het plan heeft geen negatieve invloed op de heersende achtergrondconcentraties luchtverontreinigende stoffen in de directe omgeving van het plangebied. Andersom hebben de heersende achtergrondconcentraties luchtverontreinigende stoffen in Schijndel ook geen negatieve invloed op het plangebied. Ter toelichting kan worden vermeld dat de huidige luchtkwaliteit nabij het plangebied globaal afgeleid kan worden uit beschikbare informatie aan de hand van: • het aantal dagen met een daggemiddelde concentratie fijnstof (PM10) boven 50 μg/m3; • de grenswaarde voor jaargemiddelde fijnstofconcentratie van 40 μg/m3; • de jaargemiddelde concentratie van stikstofdioxide (40 μg NO2/m3). Op navolgende afbeelding, afkomstig van de NSL-monitoringstool, zijn de concentraties NO2, PM10 en PM2,5 nabij het plangebied weergegeven. Uit de afbeelding blijken de volgen maximale concentraties NO2, PM10 en PM2,5:

64

-

NO2: 23,4 μg/m3 PM10: 20,6 μg/m3 PM2,5: 12,7 μg/m3

De immissienormen voor deze stoffen volgen uit titel 5.2 van de Wet milieubeheer en bedragen: NO2: 40,0 μg/m3 PM10: 40,0 μg/m3 PM2,5: 25,0 μg/m3 Op een afstand van meer dan 150 meter van de weg (de rekenpunten uit de NSLmonitoringstool) wordt ruimschoots aan de normen voor luchtkwaliteit voldaan. Gesteld kan worden dat verderop in het plangebied sprake is van een nog betere luchtkwaliteit. Luchtkwaliteit vormt geen belemmering voor het plan. Het plan heeft derhalve geen negatieve invloed op de heersende achtergrondconcentraties luchtverontreinigende stoffen in de directe omgeving van het plangebied. Andersom hebben de heersende achtergrondconcentraties luchtverontreinigende stoffen in Schijndel ook geen negatieve invloed op het plangebied.

65

Het plan zelf biedt daarmee geen mogelijkheden om overschrijdingen teniet te doen, noch staat het plan het bereiken van de algemene doelstelling voor luchtkwaliteit in de weg. De realisatie van het plan houdt geen juridisch relevante verslechtering in voor de luchtkwaliteit. Conclusie Vanuit het oogpunt van luchtkwaliteit zijn er geen belemmeringen voor het (bouw)plan. 9.7 Externe veiligheid Toetsingskader Het externe veiligheidsbeleid is bedoeld om de risico’s voor de omgeving ten aanzien van handelingen met gevaarlijke stoffen te beperken en te beheersen. De wetgeving is gericht op het gebruiken, opslaan en productie van gevaarlijke stoffen binnen inrichtingen, als wel het transport van gevaarlijke stoffen. In het Besluit externe veiligheid inrichtingen (Bevi) zijn de richtlijnen ten aanzien van inrichtingen opgenomen. Daarnaast zijn er richtlijnen voor het vervoer van gevaarlijke stoffen. In deze regelgeving is de verplichting opgenomen om in ruimtelijke plannen de ontwikkelingen te toetsen op het plaatsgebonden risico en het groepsrisico. Externe veiligheid heeft dus betrekking op situaties waar iets mis zou kunnen gaan met gevaarlijke stoffen, waardoor mensen gevaar lopen.

Voorbeelden van risicobronnen en risicovolle activiteiten zijn: productie, gebruik of opslag en transport van gevaarlijke stoffen (LPG-tankstations en fabrieken, routes voor gevaarlijke stoffen, leidingen). Plaatsgebonden risico Het plaatsgebonden risico is de kans per jaar dat een onbeschermd individu overlijdt als gevolg van een ongeval met gevaarlijke stoffen. Dit plaatsgebonden risico wordt vertaald naar een risicocontour rondom een risicobron (bijvoorbeeld een inrichting of een weg). De maatgevende grens is de 10-6 contour, dit is de kans van 1 op 1 miljoen dat een onbeschermd persoon omkomt per jaar. Groepsrisico Het groepsrisico is de kans dat een groep van 10 of meer personen gelijktijdig overlijdt door een ongeval met gevaarlijke stoffen. Het groepsrisico is bedoeld om een inschatting te maken ten aanzien van de maatschappelijke ontwrichting in het geval van een calamiteit. Voor het groepsrisico geldt een oriëntatiewaarde in de verantwoording (dit betekent dat er gemotiveerd van mag worden afgeweken).

66

Elke verandering van het groepsrisico in het invloedsgebied van een risicobron moet verantwoord worden. Hierbij moet ingegaan worden op de wijze waarop deze verandering in het groepsrisico is betrokken bij de besluitvorming. Tevens moeten kwalitatieve aspecten beoordeeld worden, zoals zelfredzaamheid en bestrijdbaarheid. In het kader van een ‘goede ruimtelijke ordening‘ (artikel 3.1 Wro) wordt ook getoetst aan eventueel van toepassing zijnde veiligheidsafstanden uit het Activiteitenbesluit en effectafstanden uit de ‘Circulaire effectafstanden LPG-tankstations’. In hoofdstuk 8 is reeds uitvoerig ingegaan op de ‘fysieke belemmeringen: (ondergrondse) infrastructuur / kabels en (buis)leidingen’. In dat hoofdstuk komt ook het Besluit Externe Veiligheid Buisleidingen (Bevb) aan bod. Doorwerking plan(gebied) Externe veiligheid inrichtingen Aan de hand van de Risicokaart van de provincie Noord-Brabant – zie navolgende uitsnede – kan in de vorm van een quickscan worden vastgesteld welke bronnen mogelijk een belemmering opleveren voor onderhavig plan. Het plangebied is niet omsloten door bestaande bedrijvigheid en vormt op geen enkele wijze een risico voor kwetsbare objecten in de omgeving.

Op basis van de Risicokaart van de provincie Noord-Brabant kan worden geconcludeerd dat in de directe omgeving van het plangebied geen risicovolle inrichting ligt. Het plangebied ligt

67

derhalve niet binnen PR-contouren en GR-invloedsgebieden van risicovolle (Bevi)inrichtingen. Externe veiligheid vervoer Per 1 april 2015 is het Besluit externe veiligheid transportroutes (BEVT) en de Regeling Basisnet in werking getreden. Het BEVT vormt de wet- en regelgeving, en de concrete uitwerking volgt in het Basisnet. Met het inwerking treden van het BEVT vervalt de circulaire Risiconormering vervoer gevaarlijke stoffen. Het Basisnet beoogt voor de lange termijn (2020, met uitloop naar 2040) duidelijkheid te bieden over het maximale aantal transporten van, en de bijbehorende maximale risico's die het transport van gevaarlijke stoffen mag veroorzaken. Het Basisnet is onderverdeeld in drie onderdelen: Basisnet Spoor, Basisnet Weg en Basisnet Water. Het BEVT en het bijbehorende Basisnet maakt bij het PR onderscheid in bestaande en nieuwe situaties. Voor bestaande situaties geldt een grenswaarde voor het PR van 10-5 per jaar ter plaatse van kwetsbare en beperkt kwetsbare objecten en een streefwaarde van 10-6 per jaar. Voor nieuwe situaties geldt de 10-6 waarde als grenswaarde voor kwetsbare objecten, en als richtwaarde bij beperkt kwetsbare objecten. In het Basisnet Weg en het Basisnet Water zijn veiligheidsafstanden (PR 10-6 contour) opgenomen vanaf het midden van de transportroute. Tevens worden in het Basisnet de plasbrandaandachtsgebieden benoemd voor transportroutes.

Hiermee wordt geanticipeerd op de beperkingen voor ruimtelijke ontwikkelingen die samenhangen met deze plasbrandaandachtsgebieden. Het Basisnet vermeldt dat op een afstand van 200 meter vanaf de rand van het tracé in principe geen beperkingen hoeven te worden gesteld aan het ruimtegebruik. Het plangebied ligt aan de Markt te Schijndel. Deze weg is echter niet beschouwd in onderzoek naar vervoersstromen van gevaarlijke stoffen over provinciale wegen in NoordBrabant (Arcadis, 2010). Dit wijst erop dat hierover geen significant vervoer van gevaarlijke stoffen plaatsvindt. De weg heeft dan ook geen PR 10-6 contour. Ook is het groepsrisico lager dan 0,1 maal de oriëntatiewaarde. Een en ander heeft dan ook geen (nieuwe of nadelige) gevolgen voor het veiligheidsrisico. Dit houdt in dat voor dit aspect geen knelpunt aanwezig is. De oriënterende waarde van het groepsrisico wordt niet overschreden. Er ontstaat geen groter veiligheidsrisico en ook geen extra belemmeringen naar de omgeving toe. Voorliggend plangebied kan worden gekenmerkt als risicoluw gebied. Dit zijn locaties die worden gekenmerkt door hoge dichtheden van personen en gemengde activiteiten zoals wonen, scholen en zorginstellingen. De gemeente wil de burgers een zo veilig mogelijke

68

woonomgeving bieden en daarom worden er geen risicovolle inrichtingen toegelaten. Onderhavig initiatief maakt enkel de ontwikkeling van woningen mogelijk. Er is dan ook geen sprake van strijd met de beleidsvisie. Gesteld kan worden dat het voorgenomen plan zelf geen extern veiligheidsrisico vormt. Voor wat betreft externe veiligheid zijn er naar de omgeving toe geen belemmeringen te verwachten. Uitgebreid onderzoek naar externe veiligheid is na deze quickscan dan ook niet nodig. Externe veiligheid is geen belemmering voor de ontwikkeling, zo blijkt ook uit het van de Brandweer Brabant-Noord (zie bijlage 8). De brandweer stelt dat de bestrijdbaarheid en zelfredzaamheid niet negatief worden beïnvloed door de ontwikkeling. Er bestaat vanuit extern veiligheidsoogpunt daarom geen bezwaar tegen de gewenste ontwikkeling. Er is volgens de brandweer geen reden voor nader advies. Conclusie Vanuit het oogpunt van externe veiligheid zijn er geen belemmeringen voor het (bouw)plan. 9.8 Volksgezondheid in relatie tot veehouderijen Op basis van het ‘Endotoxine toetsingskader 1.0’ kan worden beoordeeld of sprake is van een verhoogd gezondheidsrisico ten aanzien van varkenshouderijen en pluimveehouderijen. Het plangebied ligt niet binnen de afstanden die aangehouden moeten worden rondom de varkens- en pluimveehouderijen in de omgeving.

De tekst is automatisch uit het bestand gehaald en kan afwijken van het origineel (kolommen, tabellen en koppen lopen door elkaar). Het officiële stuk bij de gemeente is leidend. Bron: https://api1.ibabs.eu/publicdownload.aspx?site=Meierijstad&id=08eb4ee0-0d4a-4c13-8799-0b8f3a1be3f3