Bijlage 4: bijlagenboek bopa motivering Grote Doelenlaan 14-16
Tekst van het document
23081.003 versie D1
14 / 23
5
TOETSING AAN SOORTENBESCHERMING
Als gevolg van de voorgenomen ingreep op de onderzoekslocatie kunnen er schadelijke handelingen optreden die leiden tot een vergunningsplichtig geval. In dit hoofdstuk wordt beschreven voor welke soorten er sprake is van dreigende overtreding van de Omgevingswet en of met eenvoudige maatregelen overtreding is te voorkomen. Verder wordt beschreven voor welke soorten een vervolgtraject noodzakelijk is, bijvoorbeeld omdat toetsing van de ingreep aan de Omgevingswet op basis van de huidige onderzoeksinspanning niet mogelijk is, en wat de eventuele consequenties zijn ten aanzien van vergunningen.
5.1 Broedvogels Huismus en gierzwaluw De nesten van huismussen en gierzwaluwen zijn het gehele jaar beschermd en vallen onder de beschermingscategorie 2 van vogelnesten. Dit zijn nesten van koloniebroeders die elk seizoen op dezelfde plaats broeden en die daarin zeer honkvast zijn of afhankelijk zijn van bebouwing. Volgens artikel 11.37, eerste lid, Besluit activiteiten leefomgeving (Bal) verboden nesten van huismussen en gierzwaluwen te beschadigen, te vernielen of weg te nemen. Aangezien de bedrijfshal ongeschikt is voor bovengenoemde soorten en de bedrijfswoning geheel behouden blijft, worden geen nesten beschadigd, vernield of weggenomen. Om te zorgen dat potentiele nestlocaties in de bedrijfswoning functioneel en duurzaam behouden blijven, dienen de bouwwerkzaamheden plaats te vinden buiten het broedseizoen (globaal maart t/m half augustus). Algemene broedvogels Voor de algemene broedvogelsoorten die op de onderzoekslocatie zijn te verwachten geldt dat, indien de sloopwerkzaamheden buiten het broedseizoen gestart worden, er geen overtredingen plaats zullen vinden met betrekking tot deze soorten. Artikel 11.37 (Bal) (Het is verboden nesten te beschadigen, te vernielen of weg te nemen) is van toepassing. De nesten mogen echter wel worden weggenomen wanneer deze op dat moment niet in gebruik zijn. In de Omgevingswet wordt geen vaste periode gehanteerd voor het broedseizoen.
Globaal kan voor het broedseizoen de periode maart tot half augustus worden aangehouden. Geldend is echter de aanwezigheid van een broedgeval op het moment van ingrijpen. Indien binnen het broedseizoen gestart gaat worden met de sloopwerkzaamheden, kan dit enkel nadat tijdens een broedvogelinspectie door een deskundig ecoloog is bevestigd dat er geen broedgevallen aanwezig zijn. Met betrekking tot het verwijderen van de aanwezige beplanting buiten het broedseizoen wordt geadviseerd om ook het snoeiafval buiten het broedseizoen te verwijderen. Een grote stapel snoeiafval vormt namelijk een ideale broedlocatie voor kleine vogelsoorten als de winterkoning. Indien onverhoopt een dergelijke soort hierin tot broeden komt, mag het snoeiafval niet eerder worden verwijderd dan wanneer de jongen definitief zijn uitgevlogen.
5.2 Vleermuizen De te slopen bedrijfshal en de te behouden bedrijfswoning op de onderzoekslocatie zijn in principe geschikt als verblijfplaats voor vleermuizen. De sloop van de bedrijfshal zou in geval van aanwezigheid van een verblijfs-
23081.003 versie D1
15 / 23
functie van vleermuizen kunnen leiden tot schadelijke handelingen die leiden tot een vergunningsplichtig geval. Alle vleermuissoorten zijn opgenomen in bijlage IV van de EU-Habitatrichtlijn, dier- en plantensoorten van communautair belang die strikt moeten worden beschermd. Vleermuizen worden ook benoemd in Bijlage II van de conventie van Bonn. Gelet op de geschiktheid van de onderzoekslocatie voor vleermuizen, zal nader onderzoek noodzakelijk zijn om de daadwerkelijke functie van het gebied voor vleermuizen te kunnen vaststellen. Deze informatie is benodigd om vast te kunnen stellen of overtredingen van de Omgevingswet aan de orde zijn. De vleermuissoorten die onderzocht dienen te worden zijn de gewone dwergvleermuis, ruige dwergvleermuis, meervleermuis en laatvlieger. Een dergelijk nader onderzoek dient te worden uitgevoerd conform het protocol voor vleermuisonderzoek (Vleermuisvakberaad Netwerk Groene Bureaus, 2021). Dit houdt in dat afhankelijk van de potentiële functies er in de periode april tot en met september een aantal veldbezoeken uitgevoerd dient te worden. Vervolgens kan aan de hand van de onderzoeksresultaten worden vastgesteld of er overtredingen plaats zullen vinden bij de uitvoering van het project.
Bij het aantreffen van verblijfplaatsen van vleermuizen in de (te slopen) bedrijfshal is een overtreding van de Omgevingswet naar verwachting niet te vermijden en is daarom een vergunningsaanvraag aan de orde. Door het treffen van maatregelen zal de functionaliteit van een rust- of voortplantingsplaats behouden moeten worden en zal schade aan individuen moeten worden voorkomen. Deze maatregelen, omschreven in een activiteitenplan, dienen vervolgens ter goedkeuring te worden voorgelegd via het Omgevingsloket, middels een omgevingsvergunning. Om overtreding van de Omgevingswet ten aanzien van vleermuizen te voorkomen, dient naast aanvullend onderzoek tevens rekening gehouden te worden met verlichting. Additionele (sloop- en bouw)verlichting richting gebouwen in de omgeving van de bedrijfshal (waaronder de bedrijfswoning) dient voorkomen te worden (zowel tijdens de werkzaamheden als in de eindfase). Hiermee blijven mogelijke verblijfplaatsen in gebouwen functioneel en duurzaam behouden. Indien een verlichtingstoename niet te voorkomen is, dienen maatregelen genomen te worden om de verlichtingstoename tot een minimum te beperken. Maatregelen dienen te worden opgenomen in een ecologisch werkprotocol zodat het voorkomen van overtredingen van de Omgevingswet ten aanzien van vleermuizen geborgd wordt.
5.3 Algemene grondgebonden zoogdieren en amfibieën Voor de te verwachten soorten geldt dat de werkzaamheden mogelijk verstorend kunnen werken. Als gevolg van sloop- en graafwerkzaamheden kunnen dieren verwond of gedood worden en holen kunnen worden verwijderd. Dit houdt een overtreding van artikel 11.54 (Bal). Voor de te verwachten soorten geldt, op grond van het provinciale soortenbeleid, bij ruimtelijke ontwikkelingen echter een vrijstelling, waardoor geen ontheffing hoeft te worden aangevraagd. Het is echter in het kader van de zorgplicht wel noodzakelijk om voldoende zorg te dragen voor de aanwezige individuen en al het redelijkerwijs mogelijke dient gedaan te worden om het doden van individuen te voorkomen. Dieren die gedurende de werkzaamheden worden aangetroffen dienen de gelegenheid te krijgen om veilig weg te komen.
23081.003 versie D1
16 / 23
5.4 Teunisbloempijlstaart De teunisbloempijlstaart is beschermd volgens artikel 11.46, eerste lid (Bal). De soort staat tevens vermeld in de EU-habitatrichtlijn. Aangezien het veldbezoek heeft plaatsgevonden buiten het groeiseizoen, kan de aanwezigheid van waardplanten die de teunisbloempijlstaart gebruikt niet met zekerheid uitgesloten worden. Er wordt aanbevolen om in het groeiseizoen aanvullend te beoordelen of het habitat (on)geschikt is voor de soort door te kijken naar de aanwezigheid van waardplanten, vraatsporen en/of individuen (rupsen). Indien het habitat als geschikt wordt beoordeeld, wordt aanvullend onderzoek naar de soort en/of een vergunningsaanvraag noodzakelijk geacht.
5.5 Specifieke zorgplicht Een Rode Lijst is een overzicht van levende soorten die uit Nederland zijn verdwenen of dreigen te verdwijnen. Dit wordt bepaald op basis van zeldzaamheid en/of negatieve trend. De lijsten worden periodiek vastgesteld door de Minister van Economische Zaken. Voor de specifieke zorgplicht (artikel 11.27, Bal) soorten geldt dat negatieve gevolgen voor belangrijke leefgebieden of natuurlijke habitats van deze soorten dienen te worden voorkomen. Er dienen passende (preventieve) maatregelen te worden getroffen. Momenteel zijn er geen richtlijnen/kaders en zijn er nog geen concrete omgevingsvisies en omgevingsplannen beschikbaar vanuit de gemeente en provincie. Hoe en met welke Rode lijst-soorten het bevoegd gezag omgaat in het kader van de specifieke zorgplicht, is daardoor nog niet bekend. Onderstaand zijn adviezen uitgewerkt op basis van de relevante soort(groep)en van de Rode lijsten en de voorgenomen werkzaamheden op de onderzoekslocatie. Oranje zandoogje Aangaande het oranje zandoogje wordt geadviseerd om tijdens het aanvullend onderzoek naar de beschermde teunisbloempijlstaart tevens de aanwezigheid van waardplanten van het oranje zandoogje te beoordelen en te letten op aanwezige individuen.
Indien uit dit onderzoek blijkt dat er waardplanten van bovengenoemde dagvlinders zijn op de onderzoekslocatie, dienen de te nemen maatregelen te worden opgenomen in een ecologisch werkprotocol. Hierbij dient rekening gehouden te worden met de meest kwetsbare perioden en/of het zorgvuldig omgaan met de strooisellaag waar eventuele rupsen of poppen zich in kunnen bevinden. Overige soorten/soortgroepen Bij uitvoering van de voorgenomen plannen is schade aan mogelijk incidenteel aanwezige individuen niet volledig te voorkomen. In het kader van de zorgplicht strekt de aanbeveling om algemene maatregelen te treffen om schade te beperken tot een minimum. Het wordt aanbevolen deze maatregelen op te laten nemen in een ecologisch werkprotocol.
23081.003 versie D1
17 / 23
6
TOETSING AAN GEBIEDSBESCHERMING
In algemene zin kan er door een plan sprake zijn van negatieve gevolgen op, vanuit de Omgevingswet aangewezen, beschermde gebieden. In dit hoofdstuk wordt beschreven voor welke gebieden er mogelijk sprake is van negatieve effecten als gevolg van de voorgenomen ingrepen op de onderzoekslocatie. Verder wordt beschreven of een vervolgtraject noodzakelijk is en wat de eventuele consequenties zijn ten aanzien van vergunningen.
6.1 Natura 2000 De onderzoekslocatie is niet gelegen binnen de grenzen, of in de directe nabijheid van een gebied dat aangewezen is als Natura 2000. Het meest nabijgelegen Natura 2000-gebied, Kampina & Oisterwijkse Vennen, bevindt zich op circa 11,5 kilometer afstand ten westen van de onderzoekslocatie (zie figuur 6.1).
Figuur 6.1 Ligging van de onderzoekslocatie (wit omlijnd bij gele pijl) ten opzichte van Natura 2000 (geel/groen vlak).
De onderzoekslocatie is niet gelegen binnen een Natura 2000-gebied. Indien er sprake zou zijn van een effect, betreft dit een extern effect, zoals toenamen van geluid, trilling, licht of depositie van stikstof. Externe effecten als gevolg van de voorgenomen plannen op de onderzoekslocatie zijn, gezien de afstand (± 11,5 km) tot de meest nabijgelegen Natura 2000-gebieden in combinatie met de aard van de plannen (sloop en woningbouw) niet te verwachten. Vervolgonderzoek met betrekking tot Natura 2000-gebieden wordt niet noodzakelijk geacht.
23081.003 versie D1
18 / 23
6.2 Natuurnetwerk Nederland De onderzoekslocatie maakt geen deel uit van het Natuurnetwerk of een ecologische verbindingszone. De onderzoekslocatie ligt ook niet in de nabijheid van een gebied behorend tot het Natuurnetwerk Nederland of een ecologische verbindingszone. Het meest nabijgelegen gebied bevindt zich circa 350 meter afstand ten zuiden van de onderzoekslocatie. In figuur 6.2 is de ligging van de onderzoekslocatie ten opzichte van het Natuurnetwerk Nederland en de ecologische verbindingszone weergegeven.
Figuur 6.2 Ligging van de onderzoekslocatie (wit omlijnd bij gele pijl) ten opzichte van het Natuurnetwerk Nederland en de ecologische verbindingszone (groene vlakken).
Initiatiefnemers van ingrepen binnen of in de directe nabijheid van het Natuurnetwerk Nederland of een ecologische verbindingszone dienen in Noord-Brabant de effecten van de ingreep op de wezenlijke waarden en kenmerken van het Natuurnetwerk en de ecologische verbindingszone te onderzoeken. Gezien de afstand van de onderzoekslocatie tot het dichtstbijzijnde deel van het Natuurnetwerk en de ecologische verbindingszone in combinatie met de aard van de voorgenomen ingreep zullen de wezenlijke waarden en kenmerken ten opzichte van de oorspronkelijke situatie niet veranderen. Vervolgonderzoek in het kader van het Natuurnetwerk Nederland of de ecologische verbindingszone wordt niet noodzakelijk geacht.
23081.003 versie D1
19 / 23
7
HOUTOPSTANDEN
In artikel 11.112 (Bal) zijn de oogmerken opgenomen met betrekking tot houtopstanden, hout en houtproducten. De oogmerken, voor het vellen en herplanten van houtopstanden, hebben betrekking op de natuurbescherming, de instandhouding van het bosareaal in Nederland en het beschermen van landschappelijke waarden. De Omgevingswet beschermt bos van minimaal 10 are en bomenrijen van minimaal 21 bomen, gelegen buiten de bebouwde kom (de zogenaamde 'houtopstanden'). Het is verboden deze houtopstanden geheel of gedeeltelijk te vellen zonder voorafgaande melding bij het bevoegd gezag. In dit hoofdstuk wordt beschreven of er bij de voorgenomen kap sprake is van meldings- en herplantplicht. Verder wordt beschreven of er vervolgmaatregelen getroffen dienen te worden ten behoeve van de voorgenomen houtkap. Er worden geen bomen op de onderzoekslocatie gekapt waardoor het onderdeel houtopstanden als bedoeld in artikel 11.111 (Bal) buiten beschouwing kan worden gelaten. Vervolgstappen zijn niet noodzakelijk.
23081.003 versie D1
20 / 23
8
SAMENVATTING EN CONCLUSIES
Econsultancy heeft in opdracht van Rho Adviseurs voor leefruimte een quickscan natuurwaarden uitgevoerd aan de Grote Doelenlaan te Sint-Oedenrode. De quickscan natuurwaarden is uitgevoerd in het kader van de voorgenomen bestemmingsplanwijziging, sloop en nieuwbouw en heeft tot doel om in te schatten of er op de onderzoekslocatie planten- en diersoorten, gebieden of houtopstanden aanwezig zijn die volgens de natuurbescherming onder de Omgevingswet een beschermde status hebben en die mogelijk negatieve gevolgen kunnen ondervinden door de voorgenomen ingreep. De initiatiefnemer is voornemens de bedrijfshal op de onderzoekslocatie te slopen en op diezelfde locatie circa 20 grondgebonden woningen te ontwikkelen. Tevens wordt het parkeerterrein volledig op het maaiveld geplaatst. Dit wordt in overleg met de gemeente uitgevoerd. De bestaande bedrijfswoning zal geheel behouden blijven als woning (bestemmingsplanwijziging). De aanwezigheid van geschikt habitat op de onderzoekslocatie voor de verschillende soorten en soortgroepen is weergegeven in tabel 8.1. In de tabel is samengevat of de voorgenomen ingreep mogelijk verstorend kan werken en wat de consequenties zijn voor eventuele vervolgstappen, zoals soortgericht nader onderzoek of vergunningstrajecten.
In de tabel is weergegeven of maatregelen noodzakelijk zijn om overtreding van de Omgevingswet voor bepaalde soortgroepen te voorkomen. Tabel 8.1
Overzicht geschiktheid onderzoekslocatie voor soortgroepen en te nemen vervolgstappen.
Soortgroep
Broedvogels
algemeen
Geschikt habitat
Ingreep verstorend
Nader onderzoek
Omgevingsvergunning
Bijzonderheden / opmerkingen*
ja
nee, mits*
nee
nee
*sloopwerkzaamheden buiten het broedseizoen starten of een broedvogelinspectie voorafgaand aan sloopwerkzaamheden tevens dient snoeiafval buiten het broedseizoen verwijderd te worden
Vleermuizen
jaarrond beschermd
ja
nee, want*
nee
nee
*mogelijke nestplaatsen van huismus en gierzwaluw in de bedrijfswoning blijven behouden en worden niet verstoord mits bouwwerkzaamheden buiten het broedseizoen plaatsvinden
verblijfplaatsen
ja
mogelijk
ja
mogelijk
nader onderzoek gewone dwergvleermuis, ruige dwergvleermuis, meervleermuis en laatvlieger tevens dient rekening gehouden te worden met additionele verlichting richting gebouwen rondom de bedrijfshal op de onderzoekslocatie of maatregelen opnemen in een ecologisch werkprotocol
23081.003 versie D1
21 / 23
Soortgroep
Geschikt habitat
Ingreep verstorend
Nader onderzoek
Omgevingsvergunning
Bijzonderheden / opmerkingen*
foerageergebied
ja
nee
nee
nee
voldoende alternatief in de omgeving beschikbaar
vliegroutes
nee
nee
nee
nee
-
Grondgebonden zoogdieren
ja, voor algemene soorten
mogelijk
nee
nee
aandacht voor zorgplicht ten aanzien van algemene grondgebonden zoogdieren zoals egel en diverse muizensoorten
Reptielen
nee
nee
nee
nee
-
Amfibieën
ja, voor algemene soorten
mogelijk
nee
nee
aandacht voor zorgplicht ten aanzien van algemene amfibieënsoorten zoals bastaardkikker, bruine kikker, gewone pad en kleine watersalamander
Vissen
nee
nee
nee
nee
-
Libellen
nee
nee
nee
nee
-
streng beschermd
mogelijk
mogelijk
ja
mogelijk
in het groeiseizoen beoordelen of het habitat (on)geschikt is voor de teunisbloempijlstaart door te letten op waardplanten, vraatsporen en/of individuen (rupsen) van de soort
licht beschermd
mogelijk
mogelijk
ja
nee
tijdens aanvullend onderzoek naar teunisbloempijlstaart letten op de aanwezigheid van het oranje zandoogje en zijn waardplanten
Overige ongewervelden
ja
nee, mits*
nee
nee
*maatregelen worden opgenomen in een ecologisch werkprotocol
Vaatplanten
nee
nee
nee
nee
-
Gebiedsbescherming
Gebied aanwezig
Ingreep verstorend
Nader onderzoek
Vergunningplicht
Bijzonderheden / opmerkingen*
Natura 2000
op 11,5 km
nee
nee
nee
-
Natuurnetwerk Nederland
op 350 m
nee
nee
nee
-
Houtopstanden
n.v.t.
n.v.t.
n.v.t.
n.v.t.
-
Vlinders
* Wijzigingen in het planvoornemen kunnen van invloed zijn op de uitkomst van het onderzoek.
Conclusie en aanbevelingen Op basis van onderhavige quickscan natuurwaarden dient voor uitvoering van de plannen middels aanvullend onderzoek meer duidelijkheid te worden verkregen omtrent de aan- of afwezigheid van beschermde functies ten aanzien van vleermuizen (gewone dwergvleermuis, ruige dwergvleermuis, meervleermuis en laatvlieger) en de teunisbloempijlstaart op de onderzoekslocatie.
23081.003 versie D1
22 / 23
Overtredingen ten aanzien van potentiële nestlocaties van huismussen en/of gierzwaluwen in de (te behouden) bedrijfswoning kunnen voorkomen worden door de bouwwerkzaamheden buiten het broedseizoen (globaal maart t/m half augustus) te laten plaatsvinden. Overtredingen ten aanzien van potentiële verblijfplaatsen van vleermuizen in diverse gebouwen in de omgeving van de bedrijfshal kunnen voorkomen worden door rekening te houden met additionele verlichting richting deze gebouwen. Indien een verlichtingstoename niet te voorkomen is, dienen maatregelen opgenomen te worden in een ecologisch werkprotocol om de verlichtingstoename tot een minimum te beperken. Zorgplicht Wat betreft algemene broedvogels kunnen overtredingen voorkomen worden door de sloopwerkzaamheden te starten voordat het broedseizoen (globaal maart t/m half augustus) begint. Indien binnen het broedseizoen gestart gaat worden met de sloopwerkzaamheden, kan dit enkel nadat tijdens een broedvogelinspectie door een deskundig ecoloog is bevestigd dat er geen broedgevallen aanwezig zijn. Tevens dient het snoeiafval buiten het broedseizoen verwijderd te worden.
Ten aanzien van algemene grondgebonden zoogdieren en amfibieën is het binnen het kader van zorgplicht noodzakelijk om voldoende zorg te dragen voor de aanwezige individuen en al het redelijkerwijs mogelijke dient gedaan te worden om het doden van individuen te voorkomen. Tijdens het aanvullend ecologisch onderzoek naar de teunisbloempijlstaart, dient ook gelet te worden op de aanwezigheid van het oranje zandoogje en zijn waardplanten. Indien aanwezigheid van wordt vastgesteld, dienen de te nemen maatregelen opgenomen te worden in een ecologisch werkprotocol. Voor beschermde soorten behorend tot de overige soortgroepen zijn overtredingen ten aanzien van de Omgevingswet wegens het ontbreken van geschikt habitat, het ontbreken van sporen en/of vanwege een vrijstelling bij ruimtelijke ontwikkeling niet aan de orde. Wel dient rekening te worden gehouden met de algemene zorgplicht. Maatregelen dienen te worden opgenomen in een ecologisch werkprotocol. Gebiedsbescherming Ten aanzien van Natura 2000-gebieden, het Natuurnetwerk Nederland, ecologische verbindingszones en beschermde houtopstanden worden geen bezwaren voorzien in de uitvoering van de voorgenomen werkzaamheden op de onderzoekslocatie.
Econsultancy Boxmeer, 13 februari 2024
23081.003 versie D1
23 / 23
GERAADPLEEGDE BRONNEN Broekhuizen, S., Spoelstra, K., Thissen, J., Canters, K. & Buys, J. (2016). Atlas van de Nederlandse zoogdieren Natuur van Nederland 12. Naturalis Biodiversity Center & EIS Kenniscentrum Insecten en andere ongewervelden, Leiden. Limpens H. & Regelink J. (2017). Vleermuizen en planologie. Zoogdiervereniging, Nijmegen. Ministerie van Landbouw, Natuur en Voedselkwaliteit (z.d.). Natura 2000 gebieden. Geraadpleegd op 13 februari 2024 van https://www.natura2000.nl/gebieden. Nationale Database Flora en Fauna (z.d.). Uitvoerportaal; zoekgebied Sint-Oedenrode, periode 2014-2024. NDFF. Geraadpleegd op 13 februari 2024 van https://ndff-ecogrid.nl. Ravon (z.d.). Soorten. Geraadpleegd op 13 februari 2024 van https://www.ravon.nl/Soorten/Soortinformatie Sovon (z.d.). Soortenoverzicht. Geraadpleegd op 13 februari 2024 van https://stats.sovon.nl/stats/soorten. Stichting Anemoon (z.d.). Soorteninformatie. Geraadpleegd op 24 januari 2024 van https://www.anemoon.org/soorteninformatie. Van Delft, J., J. Kranenbarg, A. de Bruin & P. Frigge (2015). Waarnemingenoverzicht 2014. Bijlage bij RAVON 59 Jaargang 17 (4). Verspreidingsatlas (z.d.). NDFF Verspreidingsatlas. Geraadpleegd op 13 februari 2024 van https://www.verspreidingsatlas.nl/. Vleermuisvakberaad Netwerk Groene Bureaus (2021). Vleermuisprotocol 2021. Opgehaald van https://netwerkgroenebureaus.nl/vleermuisprotocol.
Vlinderstichting (z.d.) Vlinders. Geraadpleegd op 13 februari 2024 van https://www.vlinderstichting.nl/vlinders Vogelbescherming (z.d.). Vogelgids. Geraadpleegd op 13 februari 2024 van https://www.vogelbescherming.nl/ Zoogdiervereniging (z.d.) Zoogdiersoorten. Geraadpleegd op 13 februari 2024 van https://www.zoogdiervereniging.nl/zoogdiersoorten Provinciale bron www.brabant.nl (NNN en beschermde gebieden in Noord-Brabant)
BIJLAGE 1 NATUURWETGEVING EN DOELEN NATURA 2000 Natuurwetgeving Natura 2000 Deze bijlage geeft achtergrondinformatie over de natuurwetgeving waaraan de voorgenomen ingreep op de onderzoekslocatie wordt getoetst. Deze bijlage is niet toegespitst op de situatie op de onderzoekslocatie, maar geeft enkel een beschrijving van de vigerende, en per 1 januari 2024 geldende, wetgeving. Indien een plangebied in of nabij een beschermd gebied is gelegen, dan dient te worden bepaald of er een (extern) effect valt te verwachten op Natura 2000. Natura 2000 is de benaming voor een Europees netwerk van natuurgebieden waarin belangrijke flora en fauna voorkomen, gezien vanuit een Europees perspectief. Met Natura 2000 wil men deze flora en fauna duurzaam beschermen. De staatssecretaris van Economische Zaken heeft voor Nederland ruim 162 Natura 2000gebieden aangewezen. Gezamenlijk hebben ze een oppervlak van ruim 1,1 miljoen hectare. Ze maken deel uit van een samenhangend netwerk van natuurgebieden in de Europese Unie die zijn aangewezen op grond van de vogelrichtlijn en habitatrichtlijn. Het doel van Natura 2000 is het keren van de achteruitgang van de biodiversiteit. Binnen een gebied kan spanning optreden tussen economie en ecologie. In een zogenaamd beheerplan leggen Rijk en provincies vast welke activiteiten, op welke wijze mogelijk zijn.
Uitgangspunt is steeds het realiseren van ecologische doelen met respect voor en in een zorgvuldige balans met wat particulieren en ondernemers willen. Het opstellen gebeurt daarom in overleg met alle direct betrokkenen, zoals beheerders, gebruikers, omwonenden, gemeenten, natuurorganisaties en waterschappen. Samen geven ze invulling aan beleven, gebruiken en beschermen. Daar draait het om in de Nederlandse Natura 2000-gebieden (bron: Regiegroep Natura 2000). Het is verboden zonder vergunning van gedeputeerde staten een project te realiseren dat niet direct verband houdt met of nodig is voor het beheer van een Natura 2000-gebied, maar afzonderlijk of in combinatie met andere plannen of projecten significante gevolgen kan hebben voor een Natura 2000-gebied (artikel 2.7, lid 2 Wnb. en per 1 januari 2024 artikel 5.1, lid 1, sub e, Bal). Handelingen die een negatieve invloed hebben op Natura 2000-gebieden, worden slechts onder strikte voorwaarden toegestaan. Een vergunning is vereist. Door middel van het Nederlandse vergunningsstelsel wordt een zorgvuldige afweging gewaarborgd. De vergunningen zullen beoordeeld en afgegeven worden door het bevoegd gezag. De provincie is bevoegd gezag voor de toetsing van handelingen met mogelijke gevolgen voor beschermde Natura 2000-gebieden (de gebiedsbeschermingsbepalingen).
Alleen bij ruimtelijke ingrepen waarmee grote nationale belangen zijn gemoeid, blijft het Rijk bevoegd gezag.
Doelen Natura 2000 Voor ieder Natura 2000-gebied geldt dat deze een specifiek internationaal belang heeft voor bepaalde soorten en/of habitattypen. Op grond van de staat van instandhouding en het relatief belang van soorten en habitattypen zijn de belangrijkste verbeteropgaven en doelen op landelijk niveau vastgesteld. Deze landelijke doelen vormen de kaders voor de formulering van instandhoudingdoelen op gebiedsniveau. Algemene doelen zijn behoud en indien van toepassing herstel van: • •
• •
De bijdrage van het Natura 2000-gebied aan de ecologische samenhang van Natura 2000 zowel binnen Nederland als binnen de Europese Unie; De bijdrage van het Natura 2000-gebied aan de biologische diversiteit en aan de gunstige staat van instandhouding van natuurlijke habitats en soorten binnen de Europese Unie, die zijn opgenomen in bijlage I of bijlage II van de Habitatrichtlijn. Dit behelst de benodigde bijdrage van het gebied aan het streven naar een op landelijk niveau gunstige staat van instandhouding voor de habitattypen en de soorten waarvoor het gebied is aangewezen; De natuurlijke kenmerken van het Natura 2000-gebied, inclusief de samenhang van de structuur en functies van de habitattypen en van de soorten waarvoor het gebied is aangewezen; De op het gebied van toepassing zijnde ecologische vereisten van de habitattypen en soorten waarvoor het gebied is aangewezen.
BIJLAGE 2 NATUURWETGEVING Natuurnetwerk Nederland Natuurwetgeving Natuurnetwerk Nederland Deze bijlage geeft achtergrondinformatie over de natuurwetgeving waaraan de voorgenomen ingreep op de onderzoekslocatie is getoetst. Deze bijlage is niet toegespitst op de situatie op de onderzoekslocatie, maar geeft enkel een beschrijving van de vigerende, en per 1 januari 2024 geldende, wetgeving. Indien een plangebied in of nabij een beschermd gebied is gelegen, dan dient te worden bepaald of er een (extern) effect valt te verwachten. Het gaat daarbij om gebieden behorend tot het Natuurnetwerk Nederland. Het Natuurnetwerk Nederland is het Nederlands netwerk van bestaande en nieuw aan te leggen natuurgebieden. Het netwerk moet natuurgebieden beter verbinden met elkaar en met het omringende agrarisch gebied. Het Natuurnetwerk Nederland bestaat uit: • Bestaande natuurgebieden, waaronder de 20 Nationale Parken; • Gebieden waar nieuwe natuur aangelegd wordt; • Landbouwgebieden, beheerd volgens agrarisch natuurbeheer; • Ruim 6 miljoen hectare grote wateren: meren, rivieren, de Noordzee en de Waddenzee; • Alle Natura 2000-gebieden. In de Omgevingswet staan de bijzondere provinciale natuurgebieden en bijzondere provinciale landschappen in de omgevingsverordening (artikel 2.44, lid 4 en 5 Ow en artikel 7.6, lid 1 Bkl).
Initiatiefnemers van ingrepen binnen (of in de directe nabijheid van) het Natuurnetwerk Nederland dienen de effecten van de ingreep op kernkwaliteiten en omgevingscondities te onderzoeken. De omgevingscondities zullen ten opzichte van de oorspronkelijke situatie mogelijk veranderen. Dit zal middels nader onderzoek/toetsing inzichtelijk gemaakt moeten worden. Ingrepen die de natuur significant aantasten, mogen niet worden toegestaan in het bestemmingsplan (“nee”), tenzij ze een groot openbaar belang dienen én er geen alternatieven zijn buiten de natuur. Als het toegestaan is, is natuurcompensatie verplicht (op een andere plek moet dan nieuwe natuur komen).
BIJLAGE 3 OMGEVINGSWET Omgevingswet AFDELING 2.6 BIJZONDERE TAKEN EN BEVOEGDHEDEN § 2.6.3 Bijzondere bevoegdheden natuur en landschap Artikel 2.44 (aanwijzing natuurgebieden en landschappen) 1. Onze Minister voor Natuur en Stikstof wijst ter uitvoering van de vogelrichtlijn of de habitatrichtlijn Natura 2000-gebieden aan en stelt daarbij instandhoudingsdoelstellingen voor die gebieden vast. 2. Onze Minister voor Natuur en Stikstof kan ter uitvoering van de vogelrichtlijn of de habitatrichtlijn bijzondere nationale natuurgebieden aanwijzen en instandhoudingsdoelstellingen voor die gebieden vaststellen. 3. Onze Minister voor Natuur en Stikstof kan nationale parken aanwijzen. 4. Bij omgevingsverordening worden de gebieden aangewezen die behoren tot het natuurnetwerk Nederland. 5. Bij omgevingsverordening kunnen gebieden, met uitzondering van Natura 2000- gebieden of gebieden als bedoeld in het vierde lid, worden aangewezen als bijzondere provinciale natuurgebieden en bijzondere provinciale landschappen. AFDELING 5.1 DE OMGEVINGSVERGUNNING § 5.1.1 Verbodsbepalingen Artikel 5.1 (omgevingsvergunningplichtige activiteiten wet) (In de Wet natuurbescherming artikel 2.7) 1. Het is verboden zonder omgevingsvergunning de volgende activiteiten te verrichten: a. een afwijkomgevingsplanactiviteit, b. een rijksmonumentenactiviteit, c. een ontgrondingsactiviteit, d.
een stortingsactiviteit op zee, e. een Natura 2000-activiteit, f. een jachtgeweeractiviteit, g. een valkeniersactiviteit, tenzij het gaat om een bij algemene maatregel van bestuur aangewezen geval. 2. Het is verboden zonder omgevingsvergunning de volgende activiteiten te verrichten: a. een bouwactiviteit, b. een milieubelastende activiteit, c. een lozingsactiviteit op: 1°. een oppervlaktewaterlichaam, 2°. een zuiveringtechnisch werk, d. een wateronttrekkingsactiviteit, e. een mijnbouwlocatieactiviteit, f. een beperkingengebiedactiviteit met betrekking tot: 1°. een weg,
h.
2°. een waterstaatswerk, 3°. een luchthaven, 4°. een hoofdspoorweg, lokale spoorweg of bijzondere spoorweg, 5°. een installatie in een waterstaatswerk, een flora- en fauna-activiteit, voor zover het gaat om een bij algemene maatregel van bestuur aangewezen geval.
§ 5.1.2 Reikwijdte aanvraag omgevingsvergunning en aanwijzing bevoegd gezag Artikel 5.7 (aanvraag los of gelijktijdig) 1. Een aanvraag om een omgevingsvergunning kan naar keuze van de aanvrager op een of meer activiteiten betrekking hebben. 2. Met het oog op een doelmatig waterbeheer wordt een omgevingsvergunning voor wateractiviteiten, in bij algemene maatregel van bestuur aangewezen gevallen, los aangevraagd van de omgevingsvergunning voor andere activiteiten als bedoeld in de artikelen 5.1 en 5.4. 3. Een omgevingsvergunning voor een activiteit waarbij de locatie van ondergeschikt belang is, wordt, in bij algemene maatregel van bestuur aangewezen gevallen, los aangevraagd van de omgevingsvergunning voor andere activiteiten. 4. Een omgevingsvergunning voor een milieubelastende activiteit en een omgevingsvergunning voor een wateractiviteit, met uitzondering van een als wateractiviteit aan te merken beperkingengebiedactiviteit, worden gelijktijdig aangevraagd als: a. die activiteiten betrekking hebben op dezelfde ippc-installatie, of b. op die activiteiten de Seveso-richtlijn van toepassing is. 5. Dit artikel is van overeenkomstige toepassing op aanvragen om wijziging van de voorschriften van een omgevingsvergunning.
Besluit kwaliteit leefomgeving AFDELING 7.3 INSTRUCTIEREGELS MET HET OOG OP NATUURBESCHERMING § 7.3.1 Natuurnetwerk Nederland Artikel 7.6 (aanwijzing en begrenzing natuurnetwerk Nederland) 1. Bij omgevingsverordening worden de gebieden die het natuurnetwerk Nederland, bedoeld in artikel 2.44, vierde lid, van de wet, vormen, aangewezen en wordt de geometrische begrenzing daarvan vastgelegd. 2. De militaire terreinen OT De Haar, OT De Vlasakkers, OT Havelte West, OT Leusderheide, OT Marnewaard en OT Oirschotse Heide, genoemd in bijlage XIV, onder A, waarvan de geometrische begrenzing bij ministeriële regeling is vastgelegd, maken geen deel uit van het natuurnetwerk Nederland. Artikel 7.8 (beschermingsregime) 1. Bij omgevingsverordening worden in het belang van de bescherming, instandhouding, verbetering en ontwikkeling van de wezenlijke kenmerken en waarden van het natuurnetwerk Nederland regels gesteld over: a. regels in omgevingsplannen als bedoeld in artikel 4.2, eerste lid, van de wet; en
b. projectbesluiten als bedoeld in artikel 2.23, eerste lid, aanhef en onder a, onder 4°, van de wet. 2. De regels verzekeren in ieder geval dat de kwaliteit en oppervlakte van het natuurnetwerk Nederland niet achteruitgaan, dat de samenhang tussen de gebieden van het natuurnetwerk wordt behouden en dat, als binnen het natuurnetwerk activiteiten worden toegelaten die nadelige gevolgen kunnen hebben voor de wezenlijke kenmerken of waarden van het natuurnetwerk, deze gevolgen tijdig worden gecompenseerd, zodanig dat de kwaliteit, oppervlakte en samenhang van het natuurnetwerk behouden blijven. 3. Over militaire terreinen en terreinen met een militair object als bedoeld in artikel 5.150, eerste lid, binnen het natuurnetwerk Nederland worden bij omgevingsverordening alleen regels gesteld die verzekeren dat tijdige compensatie plaatsvindt van de nadelige gevolgen voor het natuurnetwerk door terreinverharding en bouwactiviteiten op die terreinen.
Besluit activiteiten leefomgeving AFDELING 11.1 ACTIVITEITEN MET MOGELIJKE GEVOLGEN VOOR NATURA 2000-GEBIEDEN OF BIJZONDERE NATIONALE NATUURGEBIEDEN § 11.1.1 Algemeen Artikel 11.6 (specifieke zorgplicht) 1. Degene die een activiteit als bedoeld in artikel 11.1, eerste lid, verricht en weet of redelijkerwijs kan vermoeden dat die activiteit nadelige gevolgen kan hebben voor het belang, bedoeld in artikel 11.2, is verplicht: a. alle maatregelen te nemen die redelijkerwijs van diegene kunnen worden gevraagd om die gevolgen te voorkomen; b. voor zover die gevolgen niet kunnen worden voorkomen: die gevolgen zoveel mogelijk te beperken of ongedaan te maken; en c. als die gevolgen onvoldoende kunnen worden beperkt: die activiteit achterwege te laten voor zover dat redelijkerwijs van diegene kan worden gevraagd. 2. De plicht, bedoeld in het eerste lid, houdt in ieder geval in dat: a. voorafgaand aan het verrichten van activiteiten in, of in de directe nabijheid van een Natura 2000gebied of een bijzonder nationaal natuurgebied kennis wordt genomen van de informatie in het aanwijzingsbesluit van het gebied over de leefgebieden voor vogelsoorten, natuurlijke habitats en habitats van soorten waarvoor het gebied is aangewezen en de daarvoor geldende instandhoudingsdoelstellingen; b.
wordt nagegaan of op voorhand op grond van objectieve gegevens verslechterende of significant verstorende gevolgen kunnen worden uitgesloten; c. als die gevolgen niet kunnen worden uitgesloten: wordt nagegaan welke gevolgen de activiteit kan hebben voor de leefgebieden, natuurlijke habitats en habitats van soorten, gelet op de instandhoudingsdoelstellingen; d. alle passende preventieve maatregelen worden getroffen om verslechterende of significant verstorende gevolgen, gelet op de instandhoudingsdoelstellingen, voor het betrokken gebied te voorkomen; e. tijdens en na het verrichten van de activiteit wordt nagegaan of de getroffen maatregelen de beoogde effecten hebben; en
f.
het verrichten van de activiteit wordt gestaakt, of, als staken van de activiteit redelijkerwijs niet meer mogelijk is, passende herstelmaatregelen worden getroffen als zich, ondanks de getroffen maatregelen, verslechterende of significant verstorende gevolgen voordoen voor de leefgebieden, natuurlijke habitats of habitats van soorten waarvoor het gebied is aangewezen.
AFDELING 11.2 ACTIVITEITEN MET BETREKKING TOT DIEREN OF PLANTEN IN HET WILD § 11.2.1 Algemeen Artikel 11.27 (specifieke zorgplicht) 1. Degene die een flora- en fauna-activiteit of een activiteit als bedoeld in artikel 11.22, eerste lid, onder b tot en met g, verricht en weet of redelijkerwijs kan vermoeden dat die activiteit nadelige gevolgen kan hebben voor de belangen, bedoeld in artikel 11.23, is verplicht: a. alle maatregelen te nemen die redelijkerwijs van diegene kunnen worden gevraagd om die gevolgen te voorkomen; b. voor zover die gevolgen niet kunnen worden voorkomen: die gevolgen zoveel mogelijk te beperken of ongedaan te maken; en c. als die gevolgen onvoldoende kunnen worden beperkt: die activiteit achterwege te laten voor zover dat redelijkerwijs van diegene kan worden gevraagd. 2. Voor flora- en fauna-activiteiten houdt deze plicht in ieder geval in dat: a. voorafgaand aan het verrichten van de activiteit wordt nagegaan of er aanwijzingen zijn van de aanwezigheid op de locatie waar de activiteit wordt verricht of in de directe nabijheid van die locatie van: 1˚. van nature in Nederland in het wild levende vogels van soorten, genoemd in bijlage I bij de vogelrichtlijn, en niet in die bijlage genoemde, geregeld in Nederland voorkomende trekvogelsoorten als bedoeld in artikel 4, tweede lid, van die richtlijn; 2˚.
van nature in Nederland in het wild levende dieren of planten van soorten, genoemd in de bijlagen II, IV en V bij de habitatrichtlijn; 3˚. dieren of planten van soorten, genoemd in bijlage IX of in de rode lijsten, bedoeld in artikel 2.19, vijfde lid, onder a, onder 3˚, van de wet; en 4˚. voor die soorten belangrijke leefgebieden of natuurlijke habitats; b. als deze aanwijzingen er zijn: wordt vastgesteld of op voorhand op grond van objectieve gegevens nadelige gevolgen kunnen worden uitgesloten voor dieren van die soorten, hun nesten, hun foerageerplaatsen, hun voortplantingsplaatsen, hun rustplaatsen en hun eieren, of voor planten van die soorten; c. als die gevolgen niet kunnen worden uitgesloten: wordt nagegaan welke gevolgen de activiteit kan hebben voor dieren van die soorten, hun nesten, hun foerageerplaatsen, hun voortplantingsplaatsen, hun rustplaatsen en hun eieren, of voor planten van die soorten; d. alle passende preventieve maatregelen worden getroffen om die nadelige gevolgen te voorkomen; e. tijdens en na het verrichten van de activiteit wordt nagegaan of de getroffen maatregelen de beoogde effecten hebben; en f. het verrichten van de activiteit wordt gestaakt als de nadelige gevolgen toch niet worden voorkomen, of, als staken van de activiteit redelijkerwijs niet meer mogelijk is, passende herstelmaatregelen worden getroffen.
3. Voor de uitoefening van de jacht en activiteiten om populaties van in het wild levende dieren te beheren of om schade door dieren te bestrijden houdt deze plicht in ieder geval in, dat een ieder die een in het wild levend dier doodt of vangt voorkomt dat het dier onnodig lijdt. Artikel 11.28 (voorkomen onnodig lijden van dieren) Een ieder die een in het wild levend dier doodt of vangt, voorkomt dat het dier onnodig lijdt. § 11.2.3 Flora- en fauna-activiteiten: omgevingsvergunning soorten habitatrichtlijn Artikel 11.46 (aanwijzing vergunningplichtige gevallen soorten habitatrichtlijn: schadelijke handelingen) (In de Wet natuurbescherming artikel 3.5) 1. Het verbod, bedoeld in artikel 5.1, tweede lid, aanhef en onder g, van de wet, om zonder omgevingsvergunning een flora- en fauna-activiteit te verrichten, geldt voor: a. het in hun natuurlijk verspreidingsgebied opzettelijk doden of opzettelijk vangen van in het wild levende dieren van soorten, genoemd in bijlage IV, onder a, bij de habitatrichtlijn, bijlage II bij het verdrag van Bern of bijlage I bij het verdrag van Bonn; b. het opzettelijk verstoren van dieren als bedoeld onder a; c. het in de natuur opzettelijk vernielen of rapen van eieren van dieren als bedoeld onder a; d. het beschadigen of vernielen van de voortplantingsplaatsen of rustplaatsen van dieren als bedoeld onder a; en e.
het opzettelijk plukken en verzamelen, afsnijden, ontwortelen of vernielen van planten van soorten, genoemd in bijlage IV, onder b, bij de habitatrichtlijn of bijlage I bij het verdrag van Bern, in hun natuurlijke verspreidingsgebied. 2. Het verbod geldt niet als: a. het verrichten van de activiteit op grond van een andere wet is toegestaan en is voldaan aan artikel 16, eerste lid, van de habitatrichtlijn; of b. de activiteit uitvoering geeft aan: 1˚. een instandhoudingsmaatregel als bedoeld in de artikelen 3, eerste lid en tweede lid, onder b, c en d, en 4, eerste lid, eerste zin, en tweede lid, van de vogelrichtlijn of artikel 6, eerste lid, van de habitatrichtlijn; of 2˚. een passende maatregel als bedoeld in artikel 6, tweede lid, van de habitatrichtlijn. 3. Onder de soorten, bedoeld in het § 11.2.4 Flora- en fauna-activiteiten: omgevingsvergunning andere soorten Artikel 11.54 (aanwijzing vergunningplichtige gevallen andere soorten: schadelijke handelingen) (In de Wet natuurbescherming artikel 3.10) 1. Het verbod, bedoeld in artikel 5.1, tweede lid, aanhef en onder g, van de wet, om zonder omgevingsvergunning een flora- en fauna-activiteit te verrichten, geldt voor: a. het opzettelijk doden of vangen van in het wild levende zoogdieren, amfibieën, reptielen, vissen, dagvlinders, libellen en kevers van de soorten, genoemd in bijlage IX, onder A; b.
het opzettelijk beschadigen of vernielen van de vaste voortplantingsplaatsen, rustplaatsen of eieren van dieren als bedoeld onder a; en
c.
het opzettelijk in hun natuurlijke verspreidingsgebied plukken en verzamelen, afsnijden, ontwortelen of vernielen van vaatplanten van de soorten, genoemd in bijlage IX, onder B. 2. Het verbod geldt niet als: a. het gaat om het doden of vangen van de bosmuis, de huisspitsmuis en de veldmuis, of om het beschadigen of vernielen van hun vaste voortplantingsplaatsen of rustplaatsen, voor zover deze dieren zich in of op gebouwen of daarbij behorende erven of roerende zaken bevinden; b. het verrichten van de activiteit op grond van een andere wet is toegestaan en is voldaan aan de eisen die zijn opgenomen artikel 8.74l van het Besluit kwaliteit leefomgeving; of c. de activiteit deel uitmaakt van: 1˚. een instandhoudingsmaatregel als bedoeld in de artikelen 3, eerste lid en tweede lid, onder b, c en d, en 4, eerste lid, eerste zin, en tweede lid, van de vogelrichtlijn of artikel 6, eerste lid, van de habitatrichtlijn; of 2˚. een passende maatregel als bedoeld in artikel 6, tweede lid, van de habitatrichtlijn.
- MEMO Memo
DATUM KENMERK VAN
26 januari 2024 20230980/134704/ S. Lie M. Tajqurishi
PROJECT OPDRACHTGEVER BIJLAGE(N)
20230980 Grote Doelenlaan 14-16 Sint-Oedenrode OKKO project
STIKSTOFMEMO GROTE DOELENLAAN 14-16
1. INLEIDING De initiatiefnemer is voornemens om aan de Grote Doelenlaan 14-16 te Sint-Oedenrode de bestaande bebouwing te slopen en 21 grondgebonden woningen te realiseren. Het initiatief past niet binnen het omgevingsplan en zal middels een buitenplanse omgevingsplanactiviteit (BOPA) mogelijk gemaakt worden. De beoogde herontwikkeling dient getoetst te worden aan de eisen uit de Omgevingswet, waarbij de mogelijke gevolgen voor de stikstofdepositie binnen Natura 2000gebieden een rol spelen. Figuur 1 laat de ligging van het projectgebied ten opzichte van het Natura 2000-netwerk zien. Niet alle Natura 2000-gebieden zijn gevoelig voor stikstofdepositie. Het meest nabijgelegen gebied met stikstofgevoelige habitats betreft het Natura 2000-gebied Kampina & Oisterwijkse Vennen. De afstand van dit Natura 2000-gebied tot het projectgebied bedraagt circa 11 kilometer. De andere Natura 2000-gebieden met stikstofgevoelige habitats liggen op grotere afstand.
Figuur 1 Ligging projectgebied (gemarkeerd) ten opzichte van Natura 2000-gebied
Met het rekenmodel Aerius (versie 2023.2) is een berekening uitgevoerd om de mogelijke gevolgen van de ontwikkeling voor de stikstofdepositie binnen Natura 2000 in beeld te brengen, daarbij zijn de realisatie- en gebruiksfase (na oplevering van de beoogde ontwikkeling) beschouwd. In deze memo wordt achtereenvolgens ingegaan op de gehanteerde uitgangspunten, de resultaten en de conclusie. De invoer- en uitvoergegevens vanuit Aerius zijn opgenomen in een aparte bijlage.
2. TOETSINGSKADER Omgevingswet De aanwijzing en bescherming van de Nederlandse Natura 2000-gebieden is geregeld in de Omgevingswet en de bijbehorende uitvoeringsregelgeving. Elk Natura 2000-gebied is aangewezen door het Ministerie van Landbouw, Natuur en Voedselkwaliteit door middel van een aanwijzingsbesluit. Het aanwijzingsbesluit bepaalt voor welke soorten en habitats het gebied wordt aangewezen, welke instandhoudingsdoelen gerealiseerd moeten worden (behoud, herstel, uitbreiding) en de exacte begrenzing van het gebied. Voor elk Natura 2000-gebied is een beheerplan worden opgesteld, waarin maatregelen zijn opgenomen om de instandhoudingsdoelstellingen te bereiken. Beheerplannen worden in de meeste gevallen vastgesteld door de Provincie. In het beheerplan kan ook worden bepaald welke activiteiten in het gebied zijn toegestaan en onder welke voorwaarden. Schadelijke effecten op de aanwezige natuurwaarden waarvoor het gebied is aangewezen moeten daarbij uitgesloten zijn. Voor Natura 2000-gebieden gelden onder meer de volgende verplichtingen: ● De overheid dient ervoor te zorgen dat de kwaliteit van de natuurlijke habitats en de habitats van soorten in de speciale beschermingszones niet verslechtert. Tevens mag er geen verstoring optreden voor de soorten waarvoor de beschermingszones zijn aangewezen.
● Voor elk plan of project dat niet direct verband houdt met of nodig is voor het beheer van het gebied, maar afzonderlijk of in combinatie met andere plannen of projecten significante gevolgen kan hebben voor zo'n gebied, wordt een passende beoordeling gemaakt van de gevolgen voor het gebied. Bevoegde nationale instanties geven slechts toestemming voor het plan of project nadat zij de zekerheid hebben verkregen dat de natuurlijke kenmerken van het gebied niet worden aangetast. ● Als een plan of project om dwingende reden van groot openbaar belang toch moet worden gerealiseerd, terwijl significant negatieve effecten niet kunnen worden uitgesloten, moeten alle nodige compenserende maatregelen worden genomen om te waarborgen dat de algehele samenhang van het Europees ecologisch netwerk (Natura 2000) bewaard blijft. Bij de beoordeling van de gevolgen van plannen, projecten en handelingen voor de instandhoudingsdoelstellingen spelen onder andere de ecologische effecten van verzuring en vermesting door een eventuele toename van stikstofdepositie een rol. Uit jurisprudentie volgt dat in een overbelaste situatie al bij een kleine toename van stikstofdepositie sprake kan zijn van significante negatieve effecten. In dat geval is een ecologische beoordeling noodzakelijk.
2/4
3. UITGANGSPUNTEN Realisatiefase Sloopfase Gedurende de sloopfase is er sprake van inzet van materieel (zoals graafmachines) en transporten. In de onderstaande tabel zijn de afzonderlijke emissiebronnen voor de sloopfase uitgewerkt die gebaseerd zijn op de informatie vanuit vergelijkbare sloopprojecten. Het literverbruik is gebaseerd op de gegevens van TNO1 waarnaar verwezen wordt in de ‘Instructie gegevensinvoer voor AERIUS Calculator 2020’ door BIJ12. Voor het materieel is uitgegaan van stage klasse IV, omdat deze klasse de meest voorkomende klasse is in deze tijd. De uitkomsten op jaarbasis zijn ingevoerd in AERIUS Calculator. De verkeersbewegingen zijn ingevoerd als lijnbron. Ten behoeve van het manoeuvreren en laden en lossen van vrachtwagens is een extra lijnbron ingetekend met 100% stagnatie. De inzet van het overige materieel is ingevoerd als vlakbron aangezien dit materieel op het hele terrein werkzaam zal zijn. Tabel 1 Materieel inzet sloop
Materieel
Stage Klasse
Bouwjaar
Vermogen in kW
Totaal uren
Hydraulische kraan Graafmachine Totaal Aanvoer materialen Woon-werkverkeer Vrachtwagens
Stage IV, 75-560 kW, 2014-2018 Stage IV, 75-560 kW, 2014-2018
2018 2018
235 168
160 160 320
Literverbruik / uur 21,9 16,3
Totaal liter verbruik / jaar
3.504 2.608 6.112 240 lichte bewegingen 100 zware bewegingen
Realisatie woningen Voor de bouw van de woningen wordt uitgegaan van het kental van 3 kg NOx per woning. In zowel het rapport “Methode inschatting depositie woningbouwprojecten” van het RIVM (d.d. 14 november 2019) als in het rapport “Handreiking woningbouw en AERIUS” van de Rijksoverheid (d.d. januari 2020) is ditzelfde kengetal vastgesteld voor de realisatie van één woning. Binnen dit kengetal valt de inzet van mobiele werktuigen en het transport van zowel de bouwmaterialen als de werknemers van en naar de bouwlocatie (bij gebruik van lichte materialen - houtskeletbouw en modulair bouwen - kan de depositie lager zijn). Er wordt alsnog worst-case uitgegaan van 150 lichte bewegingen en 25 zware bewegingen per woning. Ten behoeve van het manoeuvreren en laden en lossen van vrachtwagens is een extra lijnbron ingetekend met 100% stagnatie. De totale emissies voor de 21 woningen komen uit op 63 kg NOx. De totale verkeersbewegingen voor de realisatie van 21 woningen bedragen 3.150 lichte bewegingen en 525 zware bewegingen.
1
Nobert E. Ligterink (2021) ‘tabellen bij rapport TNO 2021 R12305 AUB’ TNO
3/4
Gebruiksfase De beoogde ontwikkeling voorziet in de realisatie van 21 woningen. De ontwikkeling krijgt geen gasaansluiting, zodoende is in de beoogde situatie geen sprake van directe emissies vanuit het project. De (potentiële) gevolgen voor de stikstofdepositie binnen Natura 2000-gebieden worden in de gebruiksfase bepaald door de emissies die samenhangen met de verkeersgeneratie. Voor het bepalen van de verkeersgeneratie van de beoogde ontwikkeling wordt gebruik gemaakt van CROWkentallen. Hierbij wordt op basis van de omgevingsadressendichtheid en het autobezit per kengetallen het gemiddelde van de bandbreedte gehanteerd. De verkeersgeneratie is in tabel 1 weergegeven en bedraagt 181 mvt/etmaal. Tabel 1 Verkeersgeneratie toekomstige situatie
Type functie
CROW categorie
Aantal
Kencijfer
Weekdagintensiteit mvt/etmaal
Wonen
Koop, huis, vrijstaand
21
8,6 per woning
181
Verkeersafwikkeling Het verkeer wikkelt af via de Grote Doelenstraat naar de Schijndelseweg. Een indicatie van de verkeersintensiteiten is te vinden op de CIMLK-monitoringstool 2023 (www.cimlk.nl). Volgens de tool bedroegen de verkeersintensiteiten in 2022 voor de Schijndelseweg 4.669 voor licht verkeer en 41 voor zwaar verkeer. Op de Schijndelseweg gaat het extra verkeer op in het heersende verkeersbeeld. Dit is het geval op het moment dat het aan- en afrijdende verkeer, conform de Instructieregels voor Aerius zich heeft verdund tot enkele procenten van het reeds aanwezige verkeer. Het onderhavige project voegt in de realisatiefase maximaal 0,2% licht verkeer en 4,2% zwaar verkeer en in de gebruiksfase 3,9% licht verkeer toe aan de Schijndelseweg.
Rekenjaar Voor de realisatie- en gebruiksfase is worst-case het rekenjaar 2024 gehanteerd. Dit betekent dat beide fases in één berekening zijn uitgevoerd. Naarmate het rekenjaar verder in de toekomst ligt, worden de emissies ten gevolge van transportbewegingen lager, omdat het rekenmodel uitgaat van toepassing van schonere technieken in de toekomst.
4. RESULTATEN EN CONCLUSIE Uit de berekening met AERIUS Calculator (2023.2) voor de realisatie- en gebruiksfase blijkt dat er geen toename is van stikstofdepositie hoger dan 0,00 mol/ha/jr. Op basis van de berekening zijn significant negatieve effecten op Natura 2000-gebieden in de realisatie- en gebruiksfase uitgesloten. De beoogde herontwikkeling is derhalve uitvoerbaar in het kader van de Omgevingswet.
4/4
Projectberekening Dit document geeft een overzicht van de invoer en rekenresultaten van een Projectberekening met AERIUS Calculator. De berekening is uitgevoerd binnen Natura 2000-gebieden, op rekenpunten die overlappen met stikstofgevoelige habitattypen en/of leefgebieden, gekoppeld aan een aangewezen soort, of nog onbekend maar mogelijk wel relevant, en waar tevens sprake is van een overbelaste of bijna overbelaste situatie voor stikstofdepositie.
Overzicht Samenvatting situaties Resultaten Detailgegevens per emissiebron Deze PDF is een digitaal bestand dat weer in te lezen is in AERIUS. Meer toelichting over de PDF en AERIUS kunt u vinden in de of .
handleidingen op onze website
Projectberekening
Contactgegevens Rechtspersoon Inrichtingslocatie
Activiteit
Omschrijving Toelichting
Berekening
Rho Adviseurs -, - Sint-Oedenrode Grote Doelenstraat 14-16 Realisatie- en gebruiksfase 2024 Grote Doelenstraat 14-16
AERIUS kenmerk Datum berekening Rekenconfiguratie
ReVqujNjWLaQ 16 juli 2024, 16:00 OwN2000-rekengrid
Totale emissie
Rekenjaar
Emissie NH₃
Emissie NOₓ
Resultaten
Hoogste bijdrage
Hexagon
Gebied
Situatie 1 - Beoogd Situatie 1 - Beoogd Gekarteerd oppervlak met toename (ha) Gekarteerd oppervlak met afname (ha) Grootste toename Grootste afname
ReVqujNjWLaQ (16 juli 2024)
2024 -
1,6 kg/j
271,3 kg/j
2/7
Projectberekening
Situatie 1 (Beoogd), rekenjaar 2024 Emissiebronnen 1 2
ReVqujNjWLaQ (16 juli 2024)
Anders... | Anders... | Realisatie woningen Mobiele werktuigen | Bouw, Industrie en Delfstoffenwinning | Sloop Verkeersnetwerk
Emissie NH₃
Emissie NOₓ
1,5 kg/j 0,2 kg/j
63,0 kg/j 203,3 kg/j 5,0 kg/j
3/7
Projectberekening
Hoogste af- en toename op (bijna) overbelaste stikstofgevoelige Natura 2000 gebieden.
500 m Habitatrichtlijn Vogelrichtlijn Vogelrichtlijn, Habitatrichtlijn Niet bepaald
© OSM & Kadaster Grootste toename (projectberekening) Grootste afname (projectberekening) Hoogste totaal (achtergrond + projectberekening)
De letters bij de bronlabels op de kaart geven bij welke type situaties de bronnen horen: beoogde situatie (B), referentiesituatie (R) en/of salderingssituatie (S). ReVqujNjWLaQ (16 juli 2024)
4/7
Projectberekening
Resultaten stikstofgevoelige Natura 2000 gebieden situatie "Situatie 1" (Beoogd) incl. saldering e/o referentie Berekend (ha gekarteerd)
Totaal
ReVqujNjWLaQ (16 juli 2024)
-
Hoogste totale Met toename Grootste depositie (mol (ha gekarteerd) toename (mol N/ha/jr) N/ha/jr)
-
-
-
Met afname (ha Grootste afname gekarteerd) (mol N/ha/jr)
-
-
5/7
Projectberekening
Situatie 1, Rekenjaar 2024 1
Anders... | Anders...
Naam Realisatie Uittreedhoogte woningen Warmteinhoud Locatie X:160367,7 Spreiding Y:398070,52 Oppervlakte 0,55 ha Wijze van ventilatie Niet geforceerd Temporele variatie Continue Emissie 2
0,0 m 0,000 MW 0m
Naam Stageklasse
Sloop X:160367,78 Y:398070,38 0,55 ha
NOₓ NH₃
Brandstofverbruik
Totaal Stage-IV, 2014-2018, 75-560 kW, diesel, SCR: 6112 l/j ja
Wegverkeer | Weg
Naam Locatie Lengte Wegtype Rijrichting Tunnelfactor Type hoogteligging Weghoogte t.o.v. maaiveld Verkeer
Voorgeschreven factoren Voorgeschreven factoren Voorgeschreven factoren Voorgeschreven factoren Voorgeschreven factoren Voorgeschreven factoren Voorgeschreven factoren Voorgeschreven factoren
Wegverkeer | Weg
Naam Locatie Lengte Wegtype Rijrichting Tunnelfactor Type hoogteligging Weghoogte t.o.v. maaiveld Verkeer
Licht verkeer Middelzwaar vrachtverkeer Zwaar vrachtverkeer Busverkeer ReVqujNjWLaQ (16 juli 2024)
Ontsluiting Schijndelseweg X:160381,15 Y:398032,55 195,50 m Binnen bebouwde kom (normaal) Beide richtingen 1 Normaal 0m Max. snelheid
Licht verkeer Middelzwaar vrachtverkeer Zwaar vrachtverkeer Busverkeer Licht verkeer Middelzwaar vrachtverkeer Zwaar vrachtverkeer Busverkeer 4
63,0 kg/j
Mobiele werktuigen | Bouw, Industrie en Delfstoffenwinning
Naam Locatie Oppervlakte
3
NOₓ
Stagnatie verkeer X:160389,85 Y:398074,25 70,84 m Binnen bebouwde kom (stagnerend) Beide richtingen 1 Normaal 0m Max. snelheid
Voorgeschreven factoren Voorgeschreven factoren Voorgeschreven factoren Voorgeschreven factoren
Draaiuren AdBlue verbruik
320 u/j 0 l/j
203,3 kg/j 1,5 kg/j Stof Emissie
NOₓ NH₃
203,3 kg/j 1,5 kg/j
Links Rechts NOₓ 4,7 kg/j Type scherm - NO₂ 0,8 kg/j Hoogte - NH₃ 0,2 kg/j Afstand tot de weg - -
Aantal voertuigbewegingen
3.390,0 /jaar 0,0 /jaar 625,0 /jaar 0,0 /jaar 181,0 /etmaal 0,0 /etmaal 0,0 /etmaal 0,0 /etmaal
In file
0,0 % 0,0 % 0,0 % 0,0 % 0,0 % 0,0 % 0,0 % 0,0 %
Links Rechts NOₓ 0,3 kg/j Type scherm - - NO₂ 80,8 g/j Hoogte - - NH₃ 3,3 g/j Afstand tot de weg - -
Aantal voertuigbewegingen
0,0 /jaar 0,0 /jaar 625,0 /jaar 0,0 /jaar
In file
0,0 % 0,0 % 0,0 % 0,0 %
6/7
Projectberekening
Disclaimer Hoewel verstrekte gegevens kunnen dienen ter onderbouwing van een vergunningaanvraag, kunnen er geen rechten aan worden ontleend. De eigenaar van AERIUS aanvaardt geen aansprakelijkheid voor de inhoud van de door de gebruiker aangeboden informatie. Bovenstaande gegevens zijn enkel bruikbaar tot er een nieuwe versie van AERIUS beschikbaar is. AERIUS is een geregistreerd handelsmerk in Europa. Alle rechten die niet expliciet worden verleend, zijn voorbehouden. Rekenbasis Deze berekening is tot stand gekomen op basis van AERIUS versie 2023.2.1_20240702_c9370194cb Database versie 2023.2.1_c9370194cb_calculator_nl_stable Voor meer informatie over de gebruikte methodiek en data zie: https://link.aerius.nl/website
ReVqujNjWLaQ (16 juli 2024)
7/7
RAPPORTAGE onderzoek wegverkeerslawaai Grote Doelenlaan Sint-Oedenrode
Rapport onderzoek wegverkeerslawaai Grote Doelenlaan, Sint-Oedenrode Opdrachtgever
Rho Adviseurs voor leefruimte Torenallee 20 5617 BC Eindhoven
1
Rapportnummer
23081.004
Versienummer
D1
Status
Definitief
Datum
29 januari 2024
Opsteller1
Mevrouw I. Kemper, MSc
Kwaliteitscontrole
De heer N. Berends, BSc
AVG
In onze rapportages wordt niet gewerkt met handtekeningen en/of parafen. Conform protocol en eisen uit het kwaliteitssysteem wordt het rapport aantoonbaar vrijgegeven. In het kader van de AVG dient, voorafgaand aan publicatie of bij uitlevering aan derden, bijlagen met kadastrale uittreksels en namen van opdrachtgevers verwijderd dan wel zwart gelakt te worden.
CERTIFICERING Econsultancy werkt volgens een dynamisch kwaliteits- en milieusysteem, zoals beschreven in het kwaliteitsen milieuhand-boek. Ons kwaliteits- en milieusysteem is gecertificeerd volgens de eisen in de NEN-EN-ISO 9001 en NEN-EN-ISO 14001. Daarnaast staat veilig werken bij Econsultancy voorop en zijn we gecertificeerd voor VCA*. Al onze rapportages worden opgesteld conform de ‘Handreiking omgaan met AVG in bodemonderzoeken’ opgesteld door de VKB (29 juni 2022). Hiermee voldoet de rapportage aan de eisen die de wet en NEN normen ons stellen en wordt tevens voldaan aan de AVG. RECHTEN Niets uit deze uitgave mag worden verveelvoudigd, opgeslagen in een geautomatiseerd gegevensbestand, of openbaar gemaakt, in enige vorm of op enige wijze, hetzij elektronisch, mechanisch, door fotokopieën, opnamen, of enige andere manier, zonder voorafgaande schriftelijke toestemming van de rechthebbende.
INHOUDSOPGAVE SAMENVATTING ................................................................................................................................................... 1 1
INLEIDING .................................................................................................................................................. 2
2
TOETSINGSKADER ...................................................................................................................................... 3 2.1 2.2
3
UITGANGSPUNTEN .................................................................................................................................... 4 3.1 3.2
4
Besluit kwaliteit leefomgeving ....................................................................................................... 3 Samenvatting toetsingskader......................................................................................................... 3
Brongegevens ................................................................................................................................. 4 Plangegevens ................................................................................................................................. 4
BEREKENINGSRESULTATEN EN TOETSING ................................................................................................. 5
BIJLAGEN: 1. - Opgave brongegevens wegbeheerder 2. - Invoergegevens akoestisch overdrachtsmodel 3. - Berekeningsresultaten
23081.004
SAMENVATTING De initiatiefnemer is voornemens nieuwe geluidgevoelige bestemmingen te realiseren aan de Grote Doelenlaan te Sint-Oedenrode. De bestaande bebouwing zal worden geamoveerd. In het kader van de voorgenomen ontwikkeling heeft Econsultancy voor de buitenplanse omgevingsplanactiviteit (BOPA) een onderzoek wegverkeerslawaai uitgevoerd. Bij de projectie van een nieuwe geluidgevoelige gebouwen binnen het geluidsaandachtsgebied van een (spoor)weg is een onderzoek verkeerslawaai noodzakelijk. Het geluidsaandachtsgebied van (spoor)wegen is opgenomen in de Centrale Voorziening Geluidsgegevens (CVGG). Ten tijde van het uitvoeren van dit onderzoek zijn nog geen geluidsaandachtsgebieden opgenomen in het CVGG. Derhalve zijn alle omliggende wegen betrokken. In het onderzoek wordt de geluidbelasting op de geluidgevoelige bestemming inzichtelijk gemaakt en beoordeeld op basis van het toetsingskader. Voor het plangebied is reeds een tekening opgesteld met de projectie van de woningen. Voor elke zijde van een woning zijn toetspunten ten behoeve van maximaal 3 bouwlagen gemodelleerd. De berekeningen zijn verricht aan de hand van de rekenregels binnen de Aanvullingsregeling geluid Omgevingswet en met behulp van het programma Geomilieu, versie 2023.12. De geluidsbelasting op de nieuw te bouwen woningen bedraagt ten hoogste 50 Lden en voldoet daarmee aan de standaardwaarde.