Bijlage 4: bijlagenboek bopa motivering Grote Doelenlaan 14-16
Tekst van het document
MER-BEOORDELING Grote Doelenlaan 12-14, Sint-Oedenrode 2 juli 2024
1/14
DATUM KENMERK PROJECT PROJECTLEIDER
2 juli 2024 OKKO Project 20230980
DISCLAIMER © Rho Adviseurs B.V. Niets uit dit drukwerk mag door anderen dan de opdrachtgever worden verveelvoudigd en/of openbaar gemaakt door middel van druk, fotokopie, microfilm of op welke andere wijze dan ook zonder voorafgaande toestemming van Rho Adviseurs B.V., behoudens voor zover dit drukwerk wettelijk een openbaar karakter heeft gekregen. Dit drukwerk mag zonder genoemde toestemming niet worden gebruikt voor enig ander doel dan waarvoor het is vervaardigd. AVG Onze producten worden vrijgegeven conform het protocol en eisen uit het kwaliteitssysteem van Rho Adviseurs B.V.. Daarbij wordt niet gewerkt met handtekeningen en/of parafen. In het kader van de AVG worden, voorafgaand aan publicatie of bij uitlevering aan derden, persoonsgegevens van derden in onze producten geanonimiseerd. In het belang van de advisering en herkenbaarheid worden bedrijfsgegevens van Rho Adviseurs B.V., namen, e-mailadres(sen) en telefoonnummer(s) van adviseur(s), zijnde auteur(s) van het rapport of de projectleider van het onderhavige project, niet geanonimiseerd. 2/14
INHOUD 1.
2.
3.
4.
3/14
Inleiding
4
1.1
Aanleiding
4
1.2
Mer-beoordeling
4
1.3
Leeswijzer
4
Plaats en kenmerken van het project
5
2.1
Plaats van het project
5
2.2
Kenmerken van het project 2.2.1 Huidige situatie 2.2.2 Beoogde ontwikkeling
7 7 8
2.3
Cumulatie
9
Kenmerken van de milieueffecten
10
3.1
Algemeen 3.1.1 Ontmanteling van een bedrijfsmatige locatie 3.1.2 Verkeer en parkeren
10 10 10
3.2
Milieuhygiënische situatie 3.2.1 Geluid 3.2.2 Geur 3.2.3 Luchtkwaliteit 3.2.4 Omgevingsveiligheid 3.2.5 Bodem
10 10 10 11 11 11
3.3
Natuur 3.3.1 Beschermde natuurgebieden 3.3.2 Soortenbescherming
11 11 12
3.4
Cultuurhistorie en archeologie 3.4.1 Cultuurhistorie 3.4.2 Archeologie
12 12 12
3.5
Water
12
3.6
Overigen 3.6.1 Gezondheid 3.6.2 Duurzaamheid 3.6.3 Aanlegwerkzaamheden
13 13 13 13
Conclusie
14
1. INLEIDING 1.1
Aanleiding
De initiatiefnemer is voornemens de bedrijfslocatie van een voormalig busbedrijf om te zetten naar een nieuw woonbuurt. Het nieuwe plan omvat 23 woningen: • Bedrijfsbebouwing wordt gesloopt om plaats te maken voor 21 nieuwe woningen; • De voormalige bedrijfswoning wordt omgezet naar een reguliere woning; • De mantelzorgwoning bij de voormalige bedrijfswoning wordt omgezet naar een reguliere woning. Het initiatief past niet binnen het omgevingsplan, aangezien de activiteit wonen en de toevoeging van de nieuwbouw ter plaatse niet zijn toegestaan. Het initiatief kan ook niet middels een binnenplanse omgevingsplanactiviteit (opa) worden gerealiseerd. Gelet op de aard en omvang van het project is er dan ook voor gekozen om het initiatief mogelijk te maken middels een buitenplanse omgevingsplanactiviteit (bopa).
1.2
Mer-beoordeling
In Bijlage V van het Omgevingsbesluit (Ob) is aangegeven welke projecten mer-plichtig of mer-beoordelingsplichtig zijn. Projecten die zijn genoemd in kolom 1 van deze bijlage zijn mer-beoordelingsplichtig in gevallen als genoemd in kolom 3 bij besluiten genoemd in kolom 4. Voor deze activiteiten moet worden onderzocht of deze aanzienlijke milieueffecten kunnen hebben. De criteria om dit vast te stellen zijn genoemd in bijlage III van Richtlijn 2011/92/EU (richtlijn m.e.r.). Samengevat zijn dit de kenmerken van een project, de locatie van een project en soort en kenmerken van de verschillende milieueffecten. De initiatiefnemer van een in Bijlage V aangewezen project moet daarvan mededeling doen bij het bevoegd gezag, doorgaans het college van B&W. In die mededeling (vormvrij, meestal een aanmeldingsnotitie) is een beschrijving van het project en de locatie en de mogelijke milieueffecten opgenomen. Het bevoegd gezag beslist binnen zes weken of geen sprake is van aanzienlijke milieueffecten en neemt de motivatie van dit besluit op in de motivering van het wijzigingsbesluit/omgevingsplan/de vergunning. Wanneer uit de mer-beoordeling blijkt dat belangrijke nadelige milieugevolgen kunnen optreden, is een volledige mer-procedure noodzakelijk.
De beoogde ontwikkeling omvat 23 woningen, maar betreft de realisatie van per saldo 22 nieuwe woningen (21 nieuwbouw woningen en omzetten één mantelzorgwoning naar volwaardige reguliere woning). Vooral vanwege het aantal nieuw te bouwen woningen valt deze ontwikkeling onder categorie J11 ‘Stedelijk ontwikkelingsproject met inbegrip van de bouw van winkelcentra en parkeerterreinen’. Hiervoor is een mer-beoordeling noodzakelijk bij de wijziging van de aanvraag van een BOPA. Deze aanmeldnotitie bevat deze mer-beoordeling.
1.3
Leeswijzer
Deze aanmeldnotitie: ● beschrijft in hoofdstuk 2 de plaats en omvang van het project; ● licht in hoofdstuk 3 de verwachte effecten voor de verschillende milieueffecten toe; ● geeft in hoofdstuk 4 de voorlopige conclusie weer voor de mer-beoordeling.
4/14
2. PLAATS EN KENMERKEN VAN HET PROJECT 2.1
Plaats van het project
Ligging projectgebied Het projectgebied ligt in het noordoosten van de kern Sint-Oedenrode. De locatie omvat een bedrijfshal met bijbehorende bedrijfswoning en mantelzorgwoning. Het betreft vier kadastrale percelen die kadastraal bekend staan als gemeente SintOedenrode, sectie I, nummers 4645, 5868, 6415 en 6416.
Figuur 2.1 Luchtfoto met kadastrale kaart van het projectgebied (blauw omlijnd) (Bron: https://app.pdok.nl/viewer)
Het projectgebied omvat een solitair gelegen bedrijfsperceel binnen het stedelijk gebied van Sint Oedenrode. Tot aan het begin van de 21e eeuw lag het perceel aan de rand van het dorp, maar na het gereedkomen van de Noordelijke Randweg werd de noordoostelijke hoek van Sint Oedenrode tot aan de randweg bebouwd. Direct aan de randweg is bedrijventerrein De Kampen gerealiseerd en daaromheen richting de kern Sint-Oedenrode kwam een nieuwe woonbuurt. Daarmee is de omgeving van het projectgebied nu enkele decennia veranderd in een woonomgeving. Natuurlijke hulpbronnen, bijzondere gebieden en het opnamevermogen van het natuurlijk milieu Het projectgebied is niet gelegen in een kwetsbaar gebied en/of een gebied met beschermde status zoals grondwaterbeschermingsgebieden (zie figuur 2.2). Ook bevindt het projectgebied zich niet in een stiltegebied (zie figuur 2.3). Het projectgebied vormt geen onderdeel van een natuur- of groengebied met een beschermde status, zoals Natura 2000 of Natuurnetwerk Brabant. Het projectgebied ligt op circa 7 kilometer van het stikstofgevoelige Natura 2000-gebied ‘Leenderbos, Groote Heide & De Plateaux’. De dichtstbijzijnde delen van het Natuurnetwerk bevinden zich op circa 1,3 kilometer ten westen van het projectgebied (zie figuur 2.4). Er bevinden zich geen natuurlijke hulpbronnen in of op korte afstand van het projectgebied.
5/14
Figuur 2.2 Grondwaterbeschermingsgebieden- en waterwingebieden en nabij de projectlocatie (blauwe marker) (bron: Atlas Leefomgeving)
Figuur 2.3 Stiltegebieden ten opzichte van het projectgebied (blauwe marker) (bron: Atlas Leefomgeving)
6/14
Figuur 2.4 Natura 2000 en NNB nabij de projectlocatie (blauwe marker) (bron: Atlas Leefomgeving)
2.2
Kenmerken van het project
2.2.1 Huidige situatie Het projectgebied omvat het voormalige bedrijfsperceel van een touringcarbedrijf. In de huidige situatie is de projectlocatie grotendeels verhard en deels bebouwd met bedrijfsbebouwing. Op dit moment is functioneel niet meer in gebruik met bedrijfsactiviteiten.
Figuur 2.5 Foto van de bebouwing binnen het projectgebied (Bron: Google Streetview, mei 2023, https://www.google.nl/maps)
7/14
2.2.2 Beoogde ontwikkeling De bedrijfsactiviteiten op de projectlocatie zijn inmiddels beëindigd. Initiatiefnemer is van plan om de locatie om te zetten naar een woonlocatie met in totaal 23 woningen. Het bedrijfsgebouw en opstel- en manoeuvreerterrein zullen worden gesaneerd om plaats te maken voor 21 nieuwe woningen. De bestaande bedrijfswoning met bijgebouwen blijft behouden als reguliere burgerwoning. De mantelzorgwoning wordt eveneens omgezet naar een volwaardige reguliere burgerwoning. Het stedenbouwkundige plan gaat uit van een hedendaagse interpretatie van het boerenerf, waarbij er van oorsprong een hoofdwoning aan de straatzijde gelegen is en het achtergelegen terrein voorzien is van schuren. In het plan worden vier woning-typologieën gerealiseerd; acht hoofdwoningen (zuidzijde), zeven schuurwoningen (noordzijde), twee seniorenwoningen (westzijde) en vier starterswoningen (oostzijde). Parkeren vindt volledig plaats op maaiveld. Aan de Grote Doelenlaan komen, net als in de rest van de wijk, parkeerplaatsen voor de deur in de vorm van haaksparkeerplaatsen. In de noordwestelijke hoek van het projectgebied komt een parkeercluster te liggen waarin in de overige parkeerplaatsen wordt voorzien. Het voornemen is de parkeerplaatsen een duurzame toepassing te geven zoals halfverharding, waardoor hemelwater kan infiltreren en om hittestress tegen te gaan.
Het parkeercluster is bereikbaar via een ontsluiting aan de Grote Doelenlaan. Deze ontsluiting scheidt de nieuwe woningen van de reeds bestaande woningen. De voormalige bedrijfswoning krijgt een nieuwe oprit met carport ten westen van de woning. Rondom het cluster met nieuwe woningen wordt een pad aangelegd voor langzaamverkeer. Het merendeel van de woningen is dan ook niet direct met de auto bereikbaar. Het voornemen is om het pad aan te sluiten op de Van der Lindenstraat, ook in verband met eventuele calamiteiten. Het nieuwe woningcluster wordt met een groene zone afgescheiden van de woonbuurt ten oosten van het projectgebied. In deze groene zone is ruimte voor waterbergingsvoorziening om het afgekoppelde hemelwater te infiltreren.
Figuur 2.6 3D-impressie (Bron: LA Architecten Ingenieurs)
8/14
2.3
Bijzondere kenmerken
De voorgenomen activiteit kan bijzondere kenmerken hebben en aanzien van een aantal aspecten. Onderstaand is per aspect weergegeven welke kenmerken de ontwikkeling heeft: Natuurlijke hulpbronnen van het gebied Er worden geen natuurlijke hulpbronnen van het gebied gebruikt om de ontwikkeling te realiseren. Het gebied heeft ook geen natuurlijke hulpbronnen die eventueel gebruikt kunnen worden. Er zijn daarom geen bijzondere kenmerken over dit aspect. De productie van afvalstoffen Bij de bouw van de woningen wordt zoveel mogelijk gebruik gemaakt van duurzame en waar mogelijk circulaire materialen. Hiermee wordt de productie van afval zoveel mogelijk voorkomen. Er zijn daarom geen bijzondere kenmerken over dit aspect. Verontreiniging en hinder Om verontreiniging van het grondwater en de bodem te voorkomen worden geen bestrijdingsmiddelen gebruikt. Hinder wordt voorkomen door de bouwwerkzaamheden zoveel mogelijk gedurende kantoortijden plaats te laten vinden. De omgeving zal hierdoor minimale hinder ondervinden van geluid en trillingenoverlast. Er zijn daarom geen bijzondere kenmerken over dit aspect. Risico van ongevallen, met name gelet op de gebruikte stoffen of technologieën Er wordt geen gebruik gemaakt van gevaarlijke stoffen of technologieën voor de bouw of het bestaan van de woningen. Er zijn daarom geen bijzondere kenmerken over dit aspect.
2.4
Cumulatie
Voor zover bekend zijn er geen concrete ruimtelijke ontwikkelingen in de directe omgeving van het projectgebied. Er is daarom geen sprake van een cumulatie van milieueffecten vanwege omliggende projecten.
9/14
3. KENMERKEN VAN DE MILIEUEFFECTEN In dit hoofdstuk worden de belangrijkste milieueffecten van de herontwikkeling beschreven. Het is gebruikelijk de milieueffecten van de nieuw aangevraagde situatie te vergelijken met de referentiesituatie. De referentiesituatie bestaat uit de huidige situatie inclusief de effecten van ontwikkelingen in de omgeving waarvan de realisatie zeker is (autonome ontwikkelingen). In de directe omgeving van het projectgebied zijn geen relevante ontwikkelingen voorzien die van invloed zijn op deze effectbeoordeling. De effectbeoordeling in dit hoofdstuk is gebaseerd op de informatie zoals opgenomen in de toelichting bij de motivering van de buitenplanse omgevingsplanactiviteit en de onderliggende onderzoeken. In deze aanmeldnotitie wordt daarom slechts beknopt ingegaan op de diverse omgevingsaspecten.
3.1
Algemeen
3.1.1 Ontmanteling van een bedrijfsmatige locatie Het projectgebied is al jaren in gebruik voor het busbedrijf met een stalling en onderhoudsplaats voor de eigen voertuigen. Sinds kort vinden er geen bedrijfsmatige activiteiten meer plaats binnen het projectgebied. Door sloop van de bebouwing en sanering van de bedrijfslocatie wordt de situatie ter plaatse milieu hygiënisch verbeterd en ontstaat er met de ontwikkeling van de nieuwe woonbuurt een verbeterd woon – en leefklimaat ter plaatse. 3.1.2 Verkeer en parkeren Het parkeren wordt volledig binnen het projectgebied opgelost. Iedere woning heeft op eigen terrein voldoende ruimte om te voorzien in de fietsparkeerbehoefte zoals bepaald met behulp van de Nota Parkeernormen Meierijstad 2018. Autoparkeren vindt grotendeels plaats in een parkeerkoffer in het noordwestelijke deel van het projectgebied. Deze parkeerplaatsen worden halfverhard uitgevoerd, waardoor hemelwater beter kan infiltreren en hittestress wordt tegengegaan. De toegangsweg tot die parkeerkoffer komt ter hoogte van de tegenovergelegen straat Tartwijck, wat ten goede komt aan de verkeersveiligheid. Het overige deel van het autoparkeren wordt opgelost door middel van haaksparkeren aan de Grote Doelenlaan, zoals ook verderop in de straat het geval is.
Het aantal motorvoertuigbewegingen waarin het project voorziet is relatief beperkt en gezien het profiel en de capaciteit van de ontsluitingsweg Grote Doelenlaan zijn geen problemen te verwachten. Bovendien neemt het aandeel zwaar verkeer af ten opzichte van de bestaande situatie, wat een positief effect heeft op de omgeving. Gebruik van fiets en te voet wordt gestimuleerd door onder andere de aanleg van langzaamverkeerroutes door het gebied. Voorzieningen liggen bovendien op korte afstand van het projectgebied.
3.2
Milieuhygiënische situatie
3.2.1 Geluid Het project maakt geen nieuwe geluidbron mogelijk, maar wel nieuwe geluidgevoelige objecten (woningen). Omdat het projectgebied is gelegen binnen het aandachtsgebied van diverse lokale wegen, is met akoestisch onderzoek de gecumuleerde geluidbelasting ter plaatse onderzocht. Daaruit blijkt dat de geluidsbelasting op de nieuw te bouwen woningen ten hoogste 50 dB Lden bedraagt. Daarmee wordt voldaan aan de wettelijke standaardwaarde voor geluid van gemeentewegen. Geluid van gezoneerde industrieterreinen, railverkeer of wegverkeer op rijkswegen, provinciale wegen of waterschapswegen is niet aan de orde. Ter plaatse van de nieuwe woningen kan dan ook een goed woon- en leefklimaat worden gegarandeerd. 3.2.2 Geur Het project maakt geen nieuwe geurbron mogelijk, maar wel nieuwe geurgevoelige objecten (woningen). Geur van veehouderijen of industriële inrichtingen is niet aan de orde aangezien deze zich niet in de omgeving van het projectgebied bevinden. Wel is er naast het projectgebied een horecagelegenheid aanwezig. Het gaat om een restaurant aan de Schijndelseweg 2. De algemene instructieregel voor geur in het omgevingsplan is dat de geur van een activiteit op een
10/14
geurgevoelig gebouw aanvaardbaar moet zijn. Als een geurgevoelig gebouw (of een gedeelte van het gebouw) zich binnen 25 meter bevindt van de horecavestiging, moet gekeken worden naar het hoogste punt van het gebouw. De beoogde woningen bevinden zich op circa 30 meter en zijn hiermee op een grotere afstand dan 25 meter van het horecabedrijf gelegen. Het aspect geur vormt dan ook belemmering voor dit project. 3.2.3 Luchtkwaliteit Het project voorziet in gebouwen met een woonfunctie en nevengebruiksfuncties daarvan. Gelet op het bepaalde in artikel 5.54 van het Besluit kwaliteit leefomgeving is het project dusdanig kleinschalig van aard en omvang dat deze ‘Niet in betekenende mate bijdraagt’ aan de luchtkwaliteit. Daarmee heeft het project geen significant negatieve milieueffecten. Uit zowel gegevens uit de CIMLK viewer als de kaarten ‘Fijn stof’ en ‘Stikstofdioxide’ van de Atlas Leefomgeving blijkt dat de achtergrondconcentratie fijn stof (PM10 en PM2,5) en stikstof (NO2) dusdanig is dat de luchtkwaliteit geschikt is voor de woonfunctie. 3.2.4 Omgevingsveiligheid Het project maakt geen nieuwe risicobron mogelijk, maar wel nieuwe kwetsbare objecten (woningen). In de omgeving van het projectgebied komen geen relevante buisleidingen, (spoor- of vaar-)wegen voor die van invloed zijn vanwege omgevingsveiligheid. Aan de Schijndelseweg 19 is een benzineservicestation met LPG aanwezig.
Het projectgebied ligt niet binnen de plaatsgebonden risicocontour van het vulpunt, opslagreservoir of afleverzuil. De ontwikkeling is niet in de brandaandachtsgebieden van het benzineservicestation gelegen. Vanwege de doorzet van LPG heeft het benzineservicestation een explosieaandachtsgebied van 150 meter. Het projectgebied bevindt zich niet binnen dat explosieaandachtsgebied. Er zijn dan ook geen externe veiligheidsrisico’s voor dit project. 3.2.5 Bodem Uit het uitgevoerde bodemonderzoek blijkt dat er geen beperkingen zijn ten aanzien van het beoogde gebruik van de locatie. Het project maakt geen activiteiten mogelijk die een risico vormen voor de bodemkwaliteit.
3.3
Natuur
3.3.1 Beschermde natuurgebieden Het projectgebied ligt niet binnen een natuurgebied dat is aangewezen als Natura 2000-gebied. De dichtstbijzijnde natuur die onderdeel uitmaakt van het Natura 2000-netwerk is het gebied “Kampina & Oisterwijkse Vennen” dat op ruim 11 km ten westen van het projectgebied is gelegen. De Dommel, op ongeveer 350 meter ten zuidoosten van het projectgebied, is het dichtstbijzijnde stukje Natuur Netwerk Nederland (in de TAM-omgevingsverordening Noord-Brabant begrensd als zijnde Natuurnetwerk Brabant). Verder is het projectgebied niet gelegen binnen of in de nabijheid van een belangrijk weidevogelgebied. Directe negatieve effecten zoals areaalverlies, versnippering, verandering van de waterhuishouding en verstoring van dit project op bovengenoemde beschermde natuurgebieden zijn, vooral gelet op aard en omvang van het plan in combinatie met de afstand van het projectgebied tot aan deze natuurgebieden, dan ook niet te verwachten. Indirecte negatieve effecten zoals stikstofdepositie zijn echter niet op voorhand uit te sluiten, omdat verstoring van natuurgebieden door stikstof nog op een grote afstand van een bepaalde ontwikkeling kan plaatsvinden. Om die reden is voor dit project een stikstofberekening uitgevoerd. Daaruit blijkt dat geen sprake is van rekenresultaten die hoger zijn dan 0,00 mol N/ha/jr voor de realisatie- en gebruiksfase van de ontwikkeling.
3.3.2 Houtopstanden Dit project gaat niet gepaard met het vellen van houtopstanden buiten de bebouwingscontour. Binnen het projectgebied zullen geen bomen worden gekapt.
11/14
3.3.3 Soortenbescherming Bij dit project kunnen verblijfsplaatsen van (beschermde) soorten verloren gaan, met name omdat bestaande bedrijfsgebouwen worden gesloopt. Daarom heeft een quickscan natuurwaarden (ecologie) plaatsgevonden. Daaruit volgt dat door middel van aanvullend onderzoek meer duidelijkheid moet worden verkregen omtrent de aan- of afwezigheid van beschermde functies ten aanzien van vleermuizen (gewone dwergvleermuis, ruige dwergvleermuis, meervleermuis en laatvlieger) en de teunisbloempijlstaart (vlinder). Dit onderzoek zal worden uitgevoerd in de daarvoor meest geschikte onderzoeksperiode. Als voorschrift bij de vergunning wordt opgenomen dat dit onderzoek moet hebben plaatsgevonden voordat gebouwen mogen worden gesloopt en nieuwbouw kan plaatsvinden. Als uit onderzoek blijkt dat deze soorten aanwezig zijn, dan is tevens een omgevingsvergunning voor een flora- en fauna-activiteit nodig om deze soorten te mogen verstoren. Dat kan alleen als tijdig mitigerende maatregelen worden genomen. Indien nodig zal hiervoor worden gezorgd.
3.4
Cultuurhistorie en archeologie
3.4.1 Cultuurhistorie Uit de Cultuurhistorische waardenkaart van provincie Noord-Brabant blijkt dat er binnen het projectgebied geen cultuurhistorisch waardevolle objecten voorkomen. Het enige relevante cultuurhistorische waardevolle object in de omgeving van het projectgebied is de straat Grote Doelenlaan. Dit is een historisch geografische lijn van redelijk hoge waarde. Met dit cultuurhistorische element wordt rekening gehouden door de woningen aan de Grote Doelenlaan op deze straat te oriënteren. De nieuwe bouwmassa’s van die woningen komen, in navolging van de bestaande bebouwing in deze straat, evenwijdig aan de Grote Doelenlaan en ook de nok loopt hoofdzakelijk evenwijdig met de Grote Doelenlaan. Het project heeft geen negatieve uitstraling op nabijgelegen gemeentelijke monumenten (Schijndelseweg 6 en 13) of beeldbepalend panden (Schijndelseweg 2). 3.4.2 Archeologie Voor dit project is een archeologisch onderzoek uitgevoerd om mogelijk in de bodem aanwezige archeologische waarden vast te stellen. Op grond van de resultaten van het bureauonderzoek en veldonderzoek kan de archeologische verwachting op het treffen van archeologische waarden naar beneden worden bijgesteld en wordt geadviseerd het projectgebied vrij te geven. Het project tast geen bijzondere archeologische waarden aan.
Bij het aantreffen van toevalsvondsten tijdens graafwerkzaamheden gelden te allen tijde de bepalingen uit de wet.
3.5
Water
Met behulp van een onderzoeksrapport watertoets zijn de effecten van dit project op het watersysteem in beeld gebracht. Het verhard oppervlak neemt ten opzichte van de huidige situatie toe met ongeveer 1.175 m² (tot in totaal 3.440 m²). Conform het beleid van de gemeente Meierijstad en waterschap De Dommel is ten aanzien van de ontwikkeling en het toekomstig verhard oppervlak een compenserende berging benodigd van ongeveer 71 m³ (1.175 m² x 60 mm). In het projectgebied wordt voorzien in een hemelwaterbergingsmaatregelen met voldoende capaciteit. Afvalwater wordt op het bestaande rioolsysteem aangesloten en afgevoerd. Het project heeft gezien de aard en omvang, waarbij slechts beperkt de diepte wordt ingegaan, geen gevolgen voor grondwaterstromen en de kwaliteit van het grondwater.
12/14
3.6
Overig
3.6.1 Gezondheid Bij de afweging van de gezondheidsgevolgen kunnen ook gezondheidsbevorderende aspecten een rol spelen zoals bijvoorbeeld een groene leefomgeving, ruimte voor beweging, beschikbaarheid en toegankelijkheid van voorzieningen en sociale cohesie. Het project voorziet in woningen voor verschillende doelgroepen op relatief korte afstand van de nodige voorzieningen, zoals een supermarkt (750 meter) en het centrum van Sint-Oedenrode (1 km, met sportvoorzieningen, gezondheidscentrum, horeca, detailhandel en supermarkt). De ligging kort bij deze voorzieningen nodigt uit om met de fiets (of te voet) van deze voorzieningen gebruik te maken en zodoende te bewegen. Door in het projectgebied een langzaamverkeersverbinding te maken wordt het projectgebied doorwaadbaar. Het is mogelijk door het gebied te verplaatsen op weg naar voorzieningen, bij het maken van een ommetje of het uitlaten van de hond. Hierdoor is het projectgebied geen solitair gebied, maar wordt het onderdeel van de woonomgeving. De langzaamverkeerverbinding nodigt uit om te bewegen en te ontmoeten. Groen draagt bij aan de (mentale) gezondheid, onder andere omdat het hittestress vermindert en uitnodigt te bewegen. Gelet op het voorgaande is bij de voorgenomen ontwikkeling voldoende rekening gehouden met het aspect gezondheid en vormt dit aspect geen belemmering voor de ontwikkeling.
Vanuit het oogpunt gezondheid is het aanvaardbaar de betreffende functies waaronder wonen aan de projectlocatie toe te delen. 3.6.2 Duurzaamheid De nieuwe woningen zullen voldoen aan de hedendaagse duurzaamheidseisen en worden voorzien van zonnepanelen. De parkeerplaatsen worden halfverhard uitgevoerd en naast de benodigde verharding wordt de publieke ruimte zoveel mogelijk groen ingericht. De groenzone aan de oostzijde van het projectgebied wordt groen ingericht, teneinde de biodiversiteit te stimuleren en waterberging. Ten slotte wordt, naast de beeldbepalende baksteen in het straatbeeld, voor het gevelmateriaal van de achterliggende woonblokken hout toegepast, ter stimulering van natuurlijke materialen. 3.6.3 Aanlegwerkzaamheden Voor de sloop- en aanlegwerkzaamheden van de beoogde ontwikkelingen kunnen tijdens de werkzaamheden milieueffecten optreden. Daarbij gaat het met name om geluidhinder, trillingen en verkeer gerelateerde effecten. Zo nodig worden maatregelen getroffen om overlast voor de directe omgeving zoveel mogelijk te beperken. Gezien de tijdelijkheid van de werkzaamheden en de locatie, aard en omvang van het plan kunnen belangrijke negatieve milieueffecten uitgesloten. worden.
13/14
4. CONCLUSIE Uit de informatie in deze aanmeldnotitie blijkt dat het projectgebied niet is gelegen in kwetsbaar gebied en/of gebied met een beschermde status. Gelet op de kenmerken van het project, de plaats van het project en de kenmerken van de potentiele effecten zullen geen belangrijke negatieve milieugevolgen optreden. Het doorlopen van een volledige mer-procedure is niet noodzakelijk.
14/14
RAPPORTAGE Quickscan natuurwaarden Grote Doelenlaan Sint-Oedenrode
Rapport quickscan natuurwaarden Grote Doelenlaan, Sint-Oedenrode Opdrachtgever
Rho Adviseurs voor leefruimte Torenallee 20 5617 BC Eindhoven
Rapportnummer
23081.003
Versienummer
D1
Status
Definitief
Datum
13 februari 2024
Opsteller1
Mevrouw M.M.H. Arts, BSc
Kwaliteitscontrole
De heer ing. R.M. Sanders
1
VRIJGAVE In onze rapportages en offertes wordt niet gewerkt met handtekeningen en/of parafen. Middels ons kwaliteitssysteem worden offertes en rapporten aantoonbaar vrijgegeven.
KWALITEITSZORG Econsultancy is lid van het Netwerk Groene Bureaus (NGB). Het NGB is een vereniging van ecologische advies- en onderzoeksbureaus die werkt aan de kwaliteit van advisering gericht op natuur, landschap, water, milieu en ruimte en die de belangen behartigt van groene adviesbureaus. Het Netwerk hanteert een gedragscode die opdrachtgevers en andere belanghebbenden een basis biedt om de leden aan te spreken op de kwaliteit van hun werk. CERTIFICERING Econsultancy werkt volgens een dynamisch kwaliteits- en milieusysteem, zoals beschreven in het kwaliteits- en milieuhand-boek. Ons kwaliteits- en milieusysteem is gecertificeerd volgens de eisen in de NENEN-ISO 9001 en NEN-EN-ISO 14001. Daarnaast staat veilig werken bij Econsultancy voorop en zijn we gecertificeerd voor VCA*. BETROUWBAARHEID Dit onderzoek is op zorgvuldige wijze uitgevoerd conform de toepasselijke en van kracht zijnde regelgeving ten aanzien van natuurwetgeving. Het onderzoek betreft een momentopname en geeft een inschatting van de geschiktheid van de onderzoekslocatie voor beschermde soorten en het al dan niet voorkomen van soorten. De gebruikte informatie omtrent verspreiding van soorten is deels afkomstig uit de NDFF en mag niet zonder toestemming worden verstrekt aan derden of op enige andere wijze openbaar gemaakt worden.
Econsultancy accepteert op voorhand geen aansprakelijkheid ten aanzien van mogelijke beslissingen die de opdrachtgever naar aanleiding van het door Econsultancy uitgevoerde onderzoek neemt. Al onze rapportages worden opgesteld conform de ‘Handreiking omgaan met AVG in bodemonderzoeken’ opgesteld door de VKB (29 juni 2022). Hiermee voldoet de rapportage aan de eisen die de wet en NEN normen ons stellen en wordt tevens voldaan aan de AVG. GELDIGHEID ONDERZOEK In het algemeen kan gesteld worden dat een quickscan geldig is voor een periode van 2 tot 3 jaar, tenzij in deze periode de ecologische omstandigheden wezenlijk zijn veranderd en/of de Omgevingswet, dan wel inzichten hieromtrent zijn gewijzigd. Bij uitstel van de uitvoering van een project met meer dan 3 jaar verdient het de aanbeveling de resultaten van de quickscan opnieuw te toetsen. Niets uit deze uitgave mag worden verveelvoudigd, opgeslagen in een geautomatiseerd gegevensbestand, of openbaar gemaakt, in enige vorm of op enige wijze, hetzij elektronisch, mechanisch, door fotokopieën, opnamen, of enige andere manier, zonder voorafgaande schriftelijke toestemming van de rechthebbende.
INHOUDSOPGAVE 1
INLEIDING .................................................................................................................................................. 1
2
GEBIEDSBESCHRIJVING .............................................................................................................................. 2 2.1 2.2
Huidig gebruik onderzoekslocatie en omgeving ............................................................................ 2 Toekomstig gebruik van de onderzoekslocatie en voorgenomen ingrepen .................................. 4
3
ONDERZOEKSMETHODIEK ......................................................................................................................... 6
4
AANGETROFFEN EN TE VERWACHTEN BESCHERMDE SOORTEN .............................................................. 7 4.1 4.2 4.3 4.4 4.5 4.6 4.7 4.8 4.9
5
TOETSING AAN SOORTENBESCHERMING ................................................................................................ 15 5.1 5.2 5.3 5.4
6
Vogels ............................................................................................................................................. 7 Vleermuizen ................................................................................................................................... 9 Overige zoogdieren ...................................................................................................................... 10 Reptielen ...................................................................................................................................... 12 Amfibieën ..................................................................................................................................... 12 Vissen ........................................................................................................................................... 13 Ongewervelden ............................................................................................................................ 13 Planten ......................................................................................................................................... 13 Specifieke zorgplicht .................................................................................................................... 14
Algemene broedvogels................................................................................................................. 15 Vleermuizen ................................................................................................................................. 15 Algemene grondgebonden zoogdieren en amfibieën .................................................................. 16 Specifieke zorgplicht .................................................................................................................... 17
TOETSING AAN GEBIEDSBESCHERMING .................................................................................................. 18 6.1 6.2
Natura 2000 ................................................................................................................................. 18 Natuurnetwerk Nederland ........................................................................................................... 19
7
HOUTOPSTANDEN ................................................................................................................................... 20
8
SAMENVATTING EN CONCLUSIES ............................................................................................................ 21
Bijlage 1 Bijlage 2 Bijlage 3
Natuurwetgeving en doelen Natura 2000 Natuurwetgeving en doelen Natuurnetwerk Nederland Omgevingswet
23081.003
1
INLEIDING
Econsultancy heeft van Rho Adviseurs voor leefruimte opdracht gekregen voor het uitvoeren van een quickscan natuurwaarden aan de Grote Doelenlaan te Sint-Oedenrode. De quickscan natuurwaarden is uitgevoerd in het kader van een bestemmingsplanwijziging, sloop en nieuwbouw en heeft als doel in te schatten of er op de onderzoekslocatie planten- en diersoorten aanwezig of te verwachten zijn die volgens de natuurbescherming onder de Omgevingswet een beschermde status hebben en die mogelijk negatieve invloed kunnen ondervinden door de voorgenomen ingreep. Tevens is beoordeeld of de voorgenomen ingreep invloed kan hebben op Natura 2000-gebieden en/of houtopstanden die middels de Omgevingswet zijn beschermd en/of op gebieden die deel uitmaken van het Natuurnetwerk Nederland. Econsultancy is lid van de branchevereniging Netwerk Groene Bureaus en werkt volgens de door het Netwerk opgestelde gedragscode en protocollen. In dat kader verklaart Econsultancy ten behoeve van de onderzoekslocatie niet eerder betrokken te zijn geweest bij ecologische advisering of ecologisch onderzoek.
23081.003 versie D1
1 / 23
2
GEBIEDSBESCHRIJVING
2.1 Huidig gebruik onderzoekslocatie en omgeving De onderzoekslocatie (± 5.500 m²) ligt aan de Grote Doelenlaan te Sint-Oedenrode en omvat de percelen kadastraal bekend als gemeente Sint Oedenrode, sectie I, nummers 4645, 5668, 6415, en 6416. Volgens de topografische kaart van Nederland zijn de coördinaten van het midden van de onderzoekslocatie X = 160.368, Y = 398.070. In figuur 2.1 is de onderzoekslocatie weergegeven.
Figuur 2.1 Topografische ligging van de onderzoekslocatie (rood omlijnd bij gele pijl).
De onderzoekslocatie betreft een bedrijfshal (Grote Doelenlaan 14 en 16) met bijbehorende bedrijfswoning (Grote Doelenlaan 18 en 18a). De voorzijde van de bedrijfshal bestaat uit een klinkerverharding. Aan de oost-, noord- en westzijde van de bedrijfshal ligt (ruig) grasland. Op het grasland staat een vervallen stalletje en een vervallen schuurtje. De noord- en oostzijde van de onderzoekslocatie wordt begrensd door sloten (Bwatergangen) welke gehandhaafd blijven. Rondom de onderzoekslocatie liggen rijwoningen, twee-onder-eenkapwoningen, vrijstaande woningen, tuinen en weilanden. Ten zuidoosten ligt autosnelweg A50 en het Vresselse Bos. In figuur 2.2 is een luchtfoto van de onderzoekslocatie en de directe omgeving weergegeven. Figuur 2.2 t/m 2.14 geven een impressie van de onderzoekslocatie, middels foto’s die zijn genomen tijdens het veldbezoek.
23081.003 versie D1
2 / 23
Figuur 2.2 Luchtfoto onderzoekslocatie (wit omlijnd) en directe omgeving.
Figuur 2.3 Bedrijfswoning zuidzijde onderzoekslocatie.
Figuur 2.4 Zuidzijde onderzoekslocatie.
Figuur 2.5 Zuidzijde onderzoekslocatie.
Figuur 2.6 Oostzijde onderzoekslocatie
Figuur 2.7 Zuidoostzijde van de bedrijfshal op de onderzoekslocatie.
Figuur 2.8 Oostzijde onderzoekslocatie.
23081.003 versie D1
3 / 23
Figuur 2.9 Oost- en noordzijde onderzoekslocatie.
Figuur 2.10 Noord- en westzijde onderzoekslocatie.
Figuur 2.11 Westzijde onderzoekslocatie.
Figuur 2.12 Ruigte westzijde onderzoekslocatie.
Figuur 2.13 Vervallen schuurtje westzijde onderzoekslocatie.
Figuur 2.14 Vervallen stalletje noordwestzijde onderzoekslocatie.
Figuur 2.15 Bedrijfswoning onderzoekslocatie.
Figuur 2.16 Indruk binnenkant bedrijfshal.
Figuur 2.17 Indruk binnenkant bedrijfshal.
2.2 Toekomstig gebruik van de onderzoekslocatie en voorgenomen ingrepen De initiatiefnemer is voornemens de bedrijfshal op de onderzoekslocatie te slopen en op diezelfde locatie circa 20 grondgebonden woningen te ontwikkelen. Tevens wordt het parkeerterrein volledig op het maaiveld geplaatst. Dit wordt in overleg met de gemeente uitgevoerd. De bestaande bedrijfswoning zal geheel behouden blijven als woning (bestemmingsplanwijziging). In figuur 2.18 is het voorlopige schetsontwerp van de toekomstige situatie weergegeven.
23081.003 versie D1
4 / 23
Figuur 2.18 Voorlopig schetsontwerp van de toekomstige situatie (bron: Rho Adviseurs, 16 januari 2024).
23081.003 versie D1
5 / 23
3
ONDERZOEKSMETHODIEK
Het onderzoek is uitgevoerd middels het verrichten van een bureauonderzoek en een veldbezoek. Op deze wijze is inzicht verkregen in de aanwezigheid van geschikt habitat en de daarbij te verwachten beschermde en/of bedreigde soorten, gesitueerd op of nabij de onderzoekslocatie. Het veldbezoek is afgelegd op 25 januari 2024. Tijdens dit veldbezoek is de gehele onderzoekslocatie, alsmede de directe omgeving beoordeeld. Gedurende het veldbezoek is gelet op de mogelijke aanwezigheid van beschermde en bedreigde soorten op basis van het aanwezige habitat. Verder is aan de hand van verspreidingsatlassen, andere standaardwerken en op basis van “expert judgement” nagegaan welke bijzondere planten- en diersoorten er voor kunnen komen op de onderzoekslocatie en zijn omtrent gebiedsbescherming gegevens van de provincie Noord-Brabant opgevraagd. Actuele verspreidingsgegevens van flora en fauna zijn uit de Nationale Databank Flora en Fauna (NDFF) opgevraagd. De quickscan natuurwaarden is een toets van de ecologische potenties van de onderzoekslocatie en betreft geen volwaardig soort(en) specifiek onderzoek. Er zijn in het onderhavige onderzoek geen inventarisaties uitgevoerd van soorten en soortgroepen. Een ecologische inventarisatie beslaat meerdere veldbezoeken gedurende de voor de soortgroep meest gunstige periode van het jaar.
23081.003 versie D1
6 / 23
4
AANGETROFFEN EN TE VERWACHTEN BESCHERMDE SOORTEN
Het voorkomen van planten- en diersoorten in een gebied wordt mede bepaald door de aanwezigheid van geschikt leefgebied. Een soort kan in zijn leefgebied gebruik maken van verschillende plekken om te verblijven. Al deze plekken (biotopen) kunnen een bepaalde functie voor de soort vervullen. In dit hoofdstuk wordt op basis van het aanwezige habitat/verblijfsmogelijkheden samen met verspreidingsgegevens beschreven welke beschermde soorten binnen de onderzoekslocatie kunnen voorkomen. Afhankelijk van de soort wordt ingegaan op de potentiële aanwezigheid van vaste rust- of voortplantingsplaatsen, foerageergebied en verbindingsroutes. Tevens wordt beoordeeld of de voorgenomen plannen een negatief effect kunnen hebben op de mogelijk aanwezige beschermde soorten. In hoofdstuk 5 wordt beschreven welke juridische implicaties dit voor het project heeft.
4.1 Vogels Broedvogels (nesten jaarrond beschermd) Er zijn broedvogels waarvan de nesten ook beschermd zijn op het moment dat ze niet voor de voortplanting in gebruik zijn. In de omgeving van de onderzoekslocatie zijn volgens verspreidingsgegevens van de NDFF de volgende soorten waargenomen: boomvalk, buizerd, gierzwaluw, grote gele kwikstaart, havik, huismus, kerkuil, oehoe, ooievaar, ransuil, roek, slechtvalk, sperwer, steenuil en wespendief. Van deze soorten kan de slechtvalk op voorhand worden uitgesloten. Deze soort broedt enkel op hoge stenige bebouwing, zoals kantoorgebouwen, torens en fabrieksschoorstenen. Boomvalk, buizerd, havik, ransuil, roek, sperwer en wespendief De boomvalk, buizerd, havik, ransuil, roek, sperwer en wespendief zijn voor hun nesten afhankelijk van (hoge) boomopstanden waarbij sommigen van deze soorten vaak gebruik maken van grotere nesten van andere vogels. Er zijn geen nesten aangetroffen in de bomen op de onderzoekslocatie. De (hoge) bomen rondom de onderzoekslocatie konden goed worden onderzocht op de aanwezigheid van nesten, welke niet zijn aangetroffen. Daarnaast zijn er geen sporen waargenomen in de vorm van uitwerpselen, braakballen, prooiresten of veren op en rondom de onderzoekslocatie. Hierdoor kan de aanwezigheid van een vaste rust- of voortplantingsplaats van bovengenoemde soorten worden uitgesloten.
Negatieve effecten ten aanzien van bovengenoemde soorten als gevolg van de voorgenomen plannen, zijn dan ook niet aan de orde. Huismus en gierzwaluw De huismus en gierzwaluw zijn typische gebouwbewonende koloniebroeders. De gierzwaluw broedt over het algemeen binnen de bebouwde kom terwijl de huismus zowel binnen als buiten de bebouwde kom wordt aangetroffen. De huismus nestelt zich in ruimtes onder dakpannen, bij regenpijpen en in nissen of spleten in bebouwing. Incidenteel broedt de huismus in dichte struiken of hagen. Gierzwaluwen prefereren overhangende dakpannen en hebben een vrije aanvliegroute naar de nestlocatie nodig aangezien ze met hoge snelheid hun nestlocaties binnenvliegen. Tijdens het veldbezoek is vastgesteld dat de (te slopen) bedrijfshal op de onderzoekslocatie geen nestgelegenheden voor de huismus en gierzwaluw biedt. De bedrijfshal heeft namelijk geen pannendak of nissen in de muur welke geschikt zijn voor de huismus en gierzwaluw. De (te behouden) bedrijfswoning biedt wel nestgelegenheden voor de huismus en gierzwaluw vanwege de aanwezigheid van
23081.003 versie D1
7 / 23
een dakgoot welke toegang verleend tot ruimtes onder het pannendak en overhangende dakpannen. Tevens biedt de klimop op de onderzoekslocatie nestgelegenheid voor de huismus. Echter zijn tijdens het veldbezoek geen nesten aangetroffen in de klimop. Er worden geen negatieve effecten verwacht ten aanzien van de huismus en de gierzwaluw als gevolg van de voorgenomen plannen aangezien eventuele nestlocaties behouden en functioneel blijven mits buiten het broedseizoen van beide soorten gewerkt wordt (zie hoofdstuk 5). Grote gele kwikstaart Volgens verspreidingsgegevens van de NDFF ligt de dichtstbijzijnde nestlocatie van de grote gele kwikstaart op circa 590 meter afstand van de onderzoekslocatie. De grote gele kwikstaart broedt vlakbij stilstaand tot stromend water, vrijwel uitsluitend aan de oevers van beken en rivieren. Hier broedt de soort in een nis in een muur of onder een brug, bij boomwortels in oevers of in speciale nestkasten. Tevens kan de grote gele kwikstaart in bebouwing nestelen die in de nabijheid staat van water. Dergelijke geschikte elementen zijn op de onderzoekslocatie niet aanwezig. Negatieve gevolgen ten aanzien van de grote gele kwikstaart zijn daarom uitgesloten. Kerkuil en steenuil Volgens verspreidingsgegevens van de NDFF ligt de dichtstbijzijnde nestlocatie van de steenuil op circa 750 meter afstand van de onderzoekslocatie.
De dichtstbijzijnde waarneming van de kerkuil is op circa 430 meter afstand van de onderzoekslocatie. De kerkuil en steenuil hebben een voorkeur voor cultuurlandschappen met allerlei landschapselementen die voor afwisseling zorgen. De kerkuil broedt in schuren, kerktorens en veelal in speciale nestkasten. Heel incidenteel kan de kerkuil in boomholtes broeden. De steenuil broedt in natuurlijke holtes van bomen (knotwilgen of fruitbomen) of in rustige hoekjes of nissen van gebouwen, in schuren en nestkasten. Er zijn geen geschikte nestlocaties aanwezig op de onderzoekslocatie. Tevens zijn er geen sporen waargenomen in de vorm van uitwerpselen, braakballen, prooiresten of veren. Hierdoor is een nestlocatie van de kerkuil en/of steenuil op de onderzoekslocatie uit te sluiten. Incidenteel kan de onderzoekslocatie gebruikt worden als foerageergebied door in de omgeving verblijvende kerkuilen en/of steenuilen. Het is echter niet te verwachten dat de voorgenomen werkzaamheden leiden tot verstoring van essentieel foerageergebied. Dit aangezien het grasland op de onderzoekslocatie, door de ruige begroeiing in combinatie met de omringing van woningen, minimaal geschikt is als foerageergebied.
Er is optimaler foerageergebied in de vorm van weilanden en akkers met afwisselend bosschages in de omgeving van de onderzoekslocatie aanwezig, wat daarnaast ook nog eens dichter bij bekende nestlocaties ligt. Negatieve effecten ten aanzien van kerkuil en steenuil, als gevolg van de voorgenomen plannen, zijn dan ook uitgesloten. Oehoe De oehoe broedt met name in steile hellingen zoals rotswanden, zandgroeves en hellingbossen. De oehoe maakt geen nest, maar een kuiltje in een richel of op de grond tegen de voet van een boom of tegen een omgevallen boom. Oude roofvogelnesten of speciale nestkisten worden ook gebruikt als broedhabitat. Op de onderzoekslocatie zijn geen steile hellingen, roofvogelnesten of nestkisten waargenomen waardoor er geen geschikte nestgelegenheden voor de oehoe aanwezig zijn. Negatieve effecten ten aanzien van de oehoe kunnen op voorhand worden uitgesloten.
23081.003 versie D1
8 / 23
Ooievaar Ooievaars komen voornamelijk voor in open, natte gebieden, graslanden en agrarische gebieden. De soort bouwt grote nesten op daken, kerktorens, hoogspanningsmasten, speciaal gemaakte platforms op palen en in bomen. De grote en makkelijk te herkennen nesten zijn op of in de nabijheid van de onderzoekslocatie niet aangetroffen. Negatieve gevolgen ten aanzien van de ooievaar kunnen derhalve worden uitgesloten. Algemene broedvogels De broedvogels waarvan het nest in uitzonderlijke gevallen eveneens jaarrond is beschermd, zijn voornamelijk holenbroeders, zoals spechten en mezen, of makers van grote nesten, zoals ekster en zwarte kraai. Het gaat hierbij om algemeen voorkomende soorten, die ook in de directe omgeving voldoende broedgelegenheid hebben. Er zijn derhalve geen bijzondere ecologische omstandigheden die rechtvaardigen dat de nesten van genoemde soorten op de onderzoekslocatie een jaarrond beschermde status zouden moeten hebben. Het werken buiten het broedseizoen is voldoende om overtredingen van verbodsbepalingen uit de Omgevingswet te voorkomen (zie hoofdstuk 5). De bebouwing en beplanting op en rond de onderzoekslocatie biedt broedgelegenheid aan soorten zoals merel, roodborst, winterkoning en houtduif. De nesten van deze soorten zijn alleen beschermd op het moment dat ze als zodanig in gebruik zijn.
Het werken buiten het broedseizoen is voldoende om overtredingen van verbodsbepalingen uit de Omgevingswet te voorkomen (zie hoofdstuk 5).
4.2 Vleermuizen Volgens verspreidingsgegevens van de NDFF en het cursusdictaat ‘Vleermuizen en Planologie’ (Limpens en Regelink, 2017) is de onderzoekslocatie gelegen in een deel van Nederland waar de volgende vleermuissoorten kunnen voorkomen: baardvleermuis, bosvleermuis, franjestaart, gewone dwergvleermuis, gewone grootoorvleermuis, laatvlieger, meervleermuis, rosse vleermuis, ruige dwergvleermuis en watervleermuis. Verblijfplaatsen op de onderzoekslocatie De te slopen bedrijfshal op de onderzoekslocatie is geschikt als verblijfplaats voor gebouwbewonende vleermuizen, vanwege de aanwezigheid van open stootvoegen en andere geschikte openingen die toegang verlenen tot de spouwmuur (figuur 4.1 t/m 4.3). De te behouden bedrijfswoning is tevens geschikt voor gebouwbewonende vleermuizen. De bebouwing is geschikt als verblijfplaats voor de gewone dwergvleermuis, laatvlieger, meervleermuis en ruige dwergvleermuis. Deze soorten kunnen de bebouwing in principe gebruiken als zomerverblijf-, kraamverblijf- en paarverblijfplaats. Bij de voorgenomen plannen kunnen overtredingen van de Omgevingswet ten aanzien van gebouwbewonende vleermuizen niet op voorhand worden uitgesloten (zie hoofdstuk 5).
De aanwezige bomen op de onderzoekslocatie zijn onderzocht op holtes, spleten en/of loshangend schors, die kunnen dienen als potentiële vaste rust- of voortplantingsplaats voor boombewonende vleermuizen. Deze zijn niet aangetroffen en daarmee zijn verblijfplaatsen van boombewonende vleermuizen uit te sluiten. Overtreding van de Omgevingswet ten aanzien van boombewonende vleermuizen is niet aan de orde.
23081.003 versie D1
9 / 23
Figuur 4.1 Open stootvoegen die toegang verlenen tot de spouwmuur.
Figuur 4.2 Openingen die toegang verlenen tot de spouwmuur.
Figuur 4.3 Scheur die toegang verleend tot de spouwmuur.
Verblijfplaatsen buiten de onderzoekslocatie In de directe omgeving van de (te slopen) bedrijfshal bevinden zich diverse gebouwen (waaronder de bedrijfswoning) welke in potentie geschikt kunnen zijn voor vleermuizen. Eventuele verblijfplaatsen hierin ondervinden door de afstand tot de onderzoekslocatie en de aard van werkzaamheden geen hinder van de ingreep op de onderzoekslocatie mits er rekening wordt gehouden met additionele verlichting (zie hoofdstuk 5). De bomen in de directe omgeving van de onderzoekslocatie bevatten geen scheuren en/of holtes, waardoor verblijfplaatsen van boombewonende vleermuizen kunnen worden uitgesloten. Foerageerhabitat De onderzoekslocatie zal, gelet op het aanwezige habitat gebruikt kunnen worden door in de omgeving verblijvende vleermuizen om te foerageren. De plannen zullen echter geen aantasting van essentieel foerageerhabitat vormen. Door de voorgenomen ingreep zal het aanbod van foerageermogelijkheden niet in het geding komen. In de directe omgeving is meer geschikt foerageerhabitat voor vleermuizen aanwezig. Het betreft tuinen, bomenlanen en parken. Vliegroutes Vleermuizen maken veelal gebruik van lijnvormige (donkere) landschapselementen als houtsingels, beken en lanen om zich te verplaatsen tussen verblijfplaatsen en foerageergebieden.
Doordat dergelijke lijnvormige elementen ontbreken op de onderzoekslocatie, worden er geen potentiële vliegroutes verstoord.
4.3 Overige zoogdieren Alle zoogdieren in Nederland zijn beschermd. Voor sommige algemeen voorkomende soorten geldt een provinciale vrijstelling bij ruimtelijke ontwikkeling. Op deze wijze is er onderscheid te maken in streng beschermde en minder streng beschermde soorten. Streng beschermde soorten Volgens verspreidingsgegevens van de NDFF en Broekhuizen et al. (2016) ligt de onderzoekslocatie binnen het verspreidingsgebied van de volgende streng beschermde grondgebonden zoogdieren: bever, bunzing, damhert, das, eekhoorn, steenmarter, hermelijn en wezel.
23081.003 versie D1
10 / 23
Bever De bever komt voor in gebieden waar land overgaat in water, zoals in moerassen, langs beken, rivieren en meren, waarbij de aanwezigheid van goed bereikbare bomen en struiken op de oever een vereiste is. De onderzoekslocatie vormt geen geschikt habitat voor de bever. Tevens zijn tijdens het veldbezoek geen sporen, zoals vraatsporen, aangetroffen die duiden op het gebruik van de onderzoekslocatie door de bever. Een overtreding van de Omgevingswet ten aanzien van de bever kan worden uitgesloten. Bunzing, wezel en hermelijn Aangezien het op de onderzoekslocatie ontbreekt aan landschapselementen die met elkaar in verbinding staan in combinatie met de ligging in de bebouwde kom tussen woningen, is het uit te sluiten dat de onderzoekslocatie onderdeel uitmaakt van het functioneel leefgebied van kleine marterachtigen. De kleine marterachtigen zijn namelijk sterk gebonden aan landschapselementen zoals houtwallen en bosschages die dekking bieden gedurende het foerageren en migreren tussen de vaste rust- of voortplantingsplaatsen en de foerageergebieden. Gezien het ontbreken van voldoende schuilmogelijkheid en geschikte voortplantingslocaties zijn negatieve effecten voor kleine marterachtigen, als gevolg van de voorgenomen ingreep, uit te sluiten. Eekhoorn Eekhoorns bouwen bolvormige nesten van twijgen met bladeren die goed waarneembaar zijn wanneer er geen blad aan de bomen zit.
Soms gebruiken eekhoorns boomholten, oude kraaien- of eksternesten of grote nestkasten als nestplaats. De hoge bomen rondom de onderzoekslocatie konden door het ontbreken van bladerdek goed worden onderzocht op de aanwezigheid van nesten. Er zijn geen nesten van eekhoorns aangetroffen, zodat de aanwezigheid van een vaste rust- of voortplantingsplaats van de eekhoorn kan worden uitgesloten. Overtredingen van de Omgevingswet ten aanzien van de eekhoorn zijn op voorhand uit te sluiten. Steenmarter Steenmarters gebruiken hooizolders, loze ruimtes onder het dak, schuurtjes maar ook stenenstapels of takkenhopen, als verblijfplaats. Een steenmarter heeft binnen zijn territorium verscheidene verblijfplaatsen. Tijdens het veldbezoek zijn geen sporen, zoals uitwerpselen of prooiresten, aangetroffen die duiden op het gebruik van de onderzoekslocatie als vaste rust- of voortplantingsplaats door deze soort. Bij intensief gebruik van een locatie door deze soort zijn dergelijke sporen vrij eenvoudig aan te treffen. Gelet op het ontbreken ervan kan worden gesteld dat de onderzoekslocatie niet in gebruik is door de steenmarter. Een overtreding van de Omgevingswet ten aanzien van de steenmarter kan worden uitgesloten.
Overige streng beschermde soorten Het voorkomen van overige grondgebonden zoogdieren waarvoor geen vrijstelling geldt (das en damhert), kan vanwege het ontbreken van geschikt habitat en de ligging binnen de bebouwde kom redelijkerwijs worden uitgesloten. Daarmee kunnen overtredingen van de Omgevingswet op voorhand worden uitgesloten. Licht beschermde soorten De onderzoekslocatie vormt geschikt habitat voor een aantal soorten grondgebonden zoogdieren. Het gaat daarbij om algemene soorten als egel en diverse muizensoorten. Door de voorgenomen werkzaamheden bestaat de kans dat vaste rust- en voortplantingsplaatsen van deze soorten worden vergraven (zie hoofdstuk 5).
23081.003 versie D1
11 / 23
4.4 Reptielen Volgens gegevens van de NDFF en RAVON (van Delft et al. 2015) zijn binnen enkele kilometers van de onderzoekslocatie de streng beschermde hazelworm en levendbarende hagedis waargenomen. Reptielen stellen specifieke eisen aan het habitat die betrekking hebben op verschillende factoren. De hazelworm wordt voornamelijk waargenomen op bos- en heideterreinen. Het voorkeurshabitat van de levendbarende hagedis is droge heide en hoogveen. Op de onderzoekslocatie zijn deze habitattypen niet aanwezig en dus is het habitat ongeschikt voor de levendbarende hagedis en de hazelworm. Daarbij zorgt de ligging van de onderzoekslocatie ten opzichte van bekende populaties in de omgeving ervoor dat het voorkomen van de hazelworm en levendbarende hagedis op voorhand uitgesloten kan worden. De waarnemingen van de levendbarende hagedis en de hazelworm hebben betrekking op nabijgelegen natuurgebieden ‘Vresselse Bos’ en ‘De Geelders’.
4.5 Amfibieën Alle amfibieën in Nederland zijn beschermd. Voor sommige algemeen voorkomende soorten geldt een provinciale vrijstelling bij ruimtelijke ontwikkeling. Op deze wijze is er onderscheid te maken in streng beschermde en licht beschermde soorten. Streng beschermde amfibieën Volgens gegevens van de NDFF en RAVON (van Delft et al. 2015) zijn binnen enkele kilometers rondom de onderzoekslocatie de volgende streng beschermde amfibieën waargenomen: Alpenwatersalamander, boomkikker, heikikker, kamsalamander en poelkikker. Op de onderzoekslocatie zijn geen geschikte voortplantingswateren voor streng beschermde amfibieën aanwezig. De B-watergang die ten noorden en ten oosten van de onderzoekslocatie ligt, biedt geen geschikt habitat onder andere vanwege het ontbreken van een goed ontwikkelde (water)vegetatie. Vanwege de afwezigheid van geschikte voortplantingswateren in de directe omgeving en de geïsoleerde ligging in stedelijk gebied, is gebruik van het plangebied als landhabitat door streng beschermde soorten tevens uitgesloten. De waarnemingen van de streng beschermde soorten hebben betrekking onder andere op nabijgelegen natuurgebieden ‘Vresselse Bos’ en ‘Vleeschbroek’. Licht beschermde amfibieën De onderzoekslocatie vormt geschikt landhabitat voor algemene amfibieënsoorten als bastaardkikker, bruine kikker, gewone pad en kleine watersalamander.
De B-watergang die ten noorden en ten oosten van de onderzoekslocatie ligt, kan onderkomen bieden aan bovengenoemde soorten. Op de onderzoekslocatie kunnen deze soorten beschutting vinden tussen de ruigte en onder de takkenhopen. Door de voorgenomen werkzaamheden kunnen negatieve gevolgen ontstaan voor algemene soorten. Voor de te verwachten algemene soorten geldt een algehele vrijstelling van de Omgevingswet. Echter dient rekening gehouden te worden met de zorgplicht (zie hoofdstuk 5).
23081.003 versie D1
12 / 23
4.6 Vissen Vanwege het ontbreken van oppervlaktewater op de onderzoekslocatie kan deze soortgroep buiten beschouwing worden gelaten.
4.7 Ongewervelden Libellen Voor libellen geldt dat water nodig is voor de voortplanting. Gezien het ontbreken van oppervlaktewater op de onderzoekslocatie kan gesteld worden dat deze soortgroep niet in staat is zich in de huidige situatie te vestigen. Vlinders In de omgeving van de onderzoekslocatie zijn volgens verspreidingsgegevens van de NDFF waarnemingen bekend van grote vos, iepenpage, kleine ijsvogelvlinder en teunisbloempijlstaart. Beschermde vlinders stellen specifieke eisen aan het voortplantingshabitat. Bij het habitat is het belangrijk dat aan de eisen van alle stadia van de vlindersoort wordt voldaan. Voor de beschermde soorten in Nederland geldt dat deze veelal gebonden zijn aan specifieke waardplanten. Geschikte waardplanten voor beschermde vlindersoorten als grote vos (iep, zoete kers en sommige wilgensoorten), iepenpage (iepensoorten), kleine ijsvogelvlinder (wilde kamperfoelie, rode kamperfoelie, gecultiveerde kamerfoelie en sneeuwbes) zijn op de onderzoekslocatie niet aanwezig en/of niet te verwachten. Het is uitgesloten dat er binnen de onderzoekslocatie geschikt habitat aanwezig is voor een (deel)populatie van de grote vos, iepenpage en kleine ijsvogelvlinder. Teunisbloempijlstaart De teunisbloempijlstaart gebruikt wilgenroosje, teunisbloem, basterdwederik en kattenstaart als waardplanten.
Het betreffen algemene veelvoorkomende planten die op diverse terreinen kunnen voorkomen. De onderzoekslocatie vormt geschikt habitat voor bovengenoemde waardplanten. Doordat het veldbezoek heeft plaatsgevonden buiten het groeiseizoen kan de aanwezigheid van bovengenoemde waardplanten niet uitgesloten worden. Negatieve effecten ten aanzien van de teunisbloempijlstaart zijn derhalve niet uit te sluiten (zie hoofdstuk 5). Overige ongewervelden Overige beschermde soorten, zoals vliegend hert, Europese rivierkreeft, vermiljoenkever en platte schijfhoren, zijn op de onderzoekslocatie uit te sluiten. Er is geen geschikt habitat voor dergelijke beschermde soorten op de onderzoekslocatie aanwezig en er zijn geen waarnemingen bekend in de directe omgeving van de onderzoekslocatie.
4.8 Planten Volgens verspreidingsgegevens van de NDFF zijn binnen enkele kilometers rondom de onderzoekslocatie waarnemingen bekend van beschermde vaatplanten: kartuizer anjer, kluwenklokje en ruw parelzaad.
23081.003 versie D1
13 / 23
Alle bovengenoemde soorten komen voor op zonnige, matig voedselarme tot matig voedselrijke plaatsen met kalkrijke grond. De onderzoekslocatie bestaat uit bebouwing, verharding, aangeplant groen en een ruig grasland. Tijdens het veldbezoek zijn onder andere klimop, brandnetel, braam en veldzuring aangetroffen in het grasland op de onderzoekslocatie. Deze planten geven aan dat de bodem voedselrijk, zuur en droog is. In dergelijke vegetaties zijn geen beschermde soorten te verwachten. Beschermde plantensoorten en de daarbij horende specifieke groeiomstandigheden zijn op de onderzoekslocatie niet aanwezig.
4.9 Specifieke zorgplicht Onder de specifieke zorgplicht (artikel 11.27, Bal) vallen de in Nederland in het wild levende vogelsoorten, genoemd in bijlage I van de Vogelrichtlijn, en niet in de bijlage genoemde, geregeld in Nederland voorkomende trekvogelsoorten als bedoeld in artikel 2.4, tweede lid, van de Vogelrichtlijn. Verder vallen hieronder de soorten uit bijlagen II, IV en V van de Habitatrichtlijn en dier- en plantensoorten genoemd in bijlage IX (Bal) behorende bij artikel 11.54 van het Besluit activiteiten leefomgeving en de Rode lijsten. In onderstaande alinea’s worden de soorten/soortgroepen uit de Rode Lijst behandeld welke relevant zijn voor het planvoornemen en in de vorige paragrafen niet reeds zijn behandeld. Oranje zandoogje Het oranje zandoogje komt vooral voor in ruige, kruidenrijke plaatsen in de halfschaduw, vaak in de buurt van struiken, struweel en bos. Waardplanten van deze vlindersoort zijn diverse grassoorten. De werkzaamheden kunnen mogelijk leiden tot schade aan potentieel aanwezige individuen, met name individuen in de ontwikkelingsfase van rups of pop (zie hoofdstuk 5). Vaatplanten Volgens verspreidingsgegevens van de NDFF zijn in de afgelopen 3 jaar in totaal 43 soorten van de Rode Lijst Vaatplanten waargenomen binnen enkele kilometers rondom de onderzoekslocatie.
Aangezien de onderzoekslocatie voornamelijk bestaat uit bebouwing en verharding en het groen daarnaast bestaat uit aangeplant groen en ruig (voedselrijk en zuur) grasland, is het niet te verwachten dat de onderzoekslocatie een belangrijke functie vervuld voor Rode Lijst Vaatplanten. Overige soorten/soortgroepen Vanwege het ontbreken van geschikt habitat op de onderzoekslocatie, het ontbreken van vaste rust- en/of voortplantingsplaatsen op de onderzoekslocatie en/of op basis van de ligging van de onderzoekslocatie ten opzichte van bekende populaties in de omgeving, worden geen significante negatieve effecten verwacht als gevolg van de voorgenomen werkzaamheden op Rode Lijst soorten die in bovengenoemde paragrafen niet reeds behandeld zijn. Incidenteel kan een overige soort van de Rode Lijst gebruik maken van de onderzoekslocatie. Door te voldoen aan de algemene zorgplicht kunnen nadelige gevolgen voor incidenteel te verwachten individuen voorkomen worden (zie hoofdstuk 5).