Bijlage 4.2 - Historisch vooronderzoek Ontplofbare Oorlogsresten
Tekst van het document
Historisch vooronderzoek OO Schijndel Rooiseweg
Kennis- en adviescentrum
Detectie
Historisch
Benaderen en
vooronderzoek
veiligstellen
Risicoanalyse
Offshore
Vliegtuigberging
Archeologie
Sanering
Pagina 2 van 128
Voorwoord Achtergebleven Ontplofbare Oorlogsresten (OO) op uw projectlocatie, wat zijn de risico’s, waar liggen de verantwoordelijkheden? In de bodem waarop wij werken, wonen en recreëren is nog een aanzienlijke hoeveelheid OO uit de Eerste en Tweede Wereldoorlog aanwezig. De aanwezigheid van deze oorlogsresten kan gevaar opleveren voor mens, dier en omgeving bij de ontwikkeling van infrastructurele werken en bouwprojecten. Ons team van gepassioneerde medewerkers kan voor u bepalen of een plangebied verdacht is op de aanwezigheid van oorlogstuig en zo ja, welke OO nog in de bodem aanwezig kunnen zijn. Om het uiteindelijke onderzoeksgebied te definiëren bepalen wij zorgvuldig zowel de horizontale als de verticale afbakening van het verdachte gebied. Onze toegevoegde waarde dient maar één doel: het beheersbaar maken van de risico’s die optreden, mocht een OO alsnog tot uitwerking komen. Wij nemen adequate maatregelen om deze risico’s aanvaardbaar te maken, zodat het restrisico zo laag is als redelijkerwijs mogelijk. Redelijkerwijs impliceert dat, dat het al dan niet nemen van de mogelijke beheersmaatregelen wordt bepaald door kosten van de maatregelen tegenover de voordelen van de te behalen risicovermindering.
Het vermogen te innoveren, technieken en equipment te ontwikkelen brengt ons dagelijks op een hoger niveau, waardoor u als klant verzekerd bent van de economisch meest voordelige uitvoeringswijze. Onze aanpak is succesvol gebleken, we passen deze dagelijks toe met een team van ruim 30 specialisten die zowel de land- als de waterbodem onderzoeken. Ons werkgebied is voornamelijk Nederland, België, Duitsland, de Noord- en de Oostzee. Met de nieuwste en meest geavanceerde technologieën en veel kennis van geofysica onderzoeken we nauwkeurig en doelmatig uw plangebied om uiteindelijk een certificaat af te geven zodat u veilig de geplande werkzaamheden kunt uitvoeren. Uw veiligheid is onze zorg, natuurlijk…
DEN OUDEN BODAC B.V. The UXO Clearance Company
www.bodac.nl Historisch vooronderzoek OO - Schijndel Rooiseweg
Pagina 3 van 128
Projectinformatie Datum:
12-08-2025
Versie:
1
Documentnummer:
250812_H25040_VOB_01
Opdrachtgever:
By Brekel Vastgoed B.V.
Voor akkoord
Den Ouden Bodac B.V.
Naam
Dhr. D. (Daan) van Alphen
Den Ouden Bodac B.V.
Dhr. M. (Max) Berghege
Den Ouden Bodac B.V.
Dhr. M. (Marc) van Oers
Opdrachtgever
Dhr. J. (Joep) Burgerhof
Functie
Datum
Historicus
12-08-2025
Historicus
12-08-2025
Operationeel Manager
Projectleider
Handtekening
12-08-2025
12-08-2025
Distributielijst By Brekel Vastgoed B.V. Den Ouden Bodac B.V.
Alle rechten voorbehouden. Niets uit deze rapportage mag worden verveelvoudigd, opgeslagen in een geautomatiseerd gegevensbestand, of openbaar gemaakt, in enige vorm of op enige wijze, hetzij elektronisch, mechanisch, door fotokopieën, opnamen of enige andere manier, zonder voorafgaand schriftelijke toestemming van de auteur. (Artikel 16 Auteurswet 1912). Het is de opdrachtgever toegestaan voor intern gebruik kopieën te maken zonder voorafgaande toestemming van de auteur.
www.bodac.nl Historisch vooronderzoek OO - Schijndel Rooiseweg
Pagina 4 van 128
Inhoudsopgave 1
Samenvatting
6
2
Inleiding
7
2.1
Historisch vooronderzoek OO in het Certificatieschema
7
2.2
Doelstelling
8
2.3
Onderzoeksmethode
8
2.4
Kwalificatie onderzoeksteam
9
3
Projectscope 3.1
4
Onderzoeksgebied
10
Onderzoek conflictperiode
12
4.1
Eerder uitgevoerd onderzoek
12
4.2
Stafkaart Kadaster
14
4.3
Literatuur
16
4.4
Nationale archieven
16
4.4.1
Gemeentelijk en provinciaal archief
16
4.4.2
Nationaal Archief (NA) te Den Haag
16
4.4.3
Nederlands Instituut voor Militaire Historie (NIMH)
17
4.4.4
Nederlands Instituut voor Oorlogsdocumentatie en Genocidestudies (NIOD)
17
4.4.5
Semi-Statisch Informatiebeheer (SIB) Ministerie van Defensie te Rijswijk
18
4.4.6
Archief Explosieven Opruimingsdienst Defensie (EODD)
18
4.5
Internationale archieven
21
4.5.1
Bundesarchiv-Militärarchiv (BAMA) te Freiburg im Breisgau
4.5.2
The National Archives (TNA) te Londen
21
4.5.3
The National Archives and Records Administration (NARA) te Washington D.C.
24
4.5.4
Library and Archives Canada (LAC) te Ottawa
24
21
4.6
Luchtfotoanalyse
24
4.6.1
Methodiek
26
Selectie beeldmateriaal
27
4.6.2 4.7
Conclusie onderzoek conflictperiode
4.7.1
5
6
10
27
Beeldmateriaal
30
Conclusie en advies
34
5.1
Aan te treffen Ontplofbare Oorlogsresten
5.2
Horizontale afbakening
35
5.3
Verticale afbakening
36
5.4
Advies en vervolgstappen
37
Leemten in kennis
34
39
Bijlage 1. Inventarisatiekaart en OO-Bodembelastingkaart
40
Bijlage 2. Indicatietabel onderzoek conflictperiode en luchtfotoanalyse
43
Bijlage 3. Certificering
91
Bijlage 4. Uitgangspunten afbakening
92
www.bodac.nl Historisch vooronderzoek OO - Schijndel Rooiseweg
Pagina 5 van 128
Bijlage 5. Toelichting verplichte en aanvullende bronnen
100
Bijlage 6. Overzicht geraadpleegd bronnenmateriaal
103
Bijlage 7. Protocol Toevalstreffer OO
122
Bijlage 8. Processchema onderzoek Ontplofbare Oorlogsresten
123
Bijlage 9. Hoofdgroepen van Ontplofbare Oorlogsresten
124
www.bodac.nl Historisch vooronderzoek OO - Schijndel Rooiseweg
Pagina 6 van 128
1
Samenvatting
In opdracht van By Brekel Vastgoed B.V. heeft Den Ouden Bodac B.V. een historisch vooronderzoek naar de mogelijke aanwezigheid van Ontplofbare Oorlogsresten (OO) uitgevoerd ter plaatse van Schijndel Rooiseweg met kenmerk H25040. Naar aanleiding van de geplande bodemroeringen voor woningbouw is een aanvraag gedaan voor deze bureaustudie. Is het onderzoeksgebied of zijn delen hiervan betrokken geweest bij oorlogshandelingen en is er daardoor een verhoogd risico op het aantreffen van OO? Op basis van het geraadpleegde bronnenmateriaal zijn er feitelijke indicaties gevonden voor de aanwezigheid van ontplofbare oorlogsresten binnen het onderzoeksgebied. Daarin zijn de volgende distincties aan te brengen: ✓
Het onderzoeksgebied is geheel verdacht op infanteriemunitie, als gevolg van grondgevechten. (Kleinkalibermunitie, hand- en geweergranaten, munitie voor granaatwerpers en raketten.) Vanaf het begin van Operatie Market Garden op 17 september tot en met de bevrijding van Schijndel op 23 oktober 1944 was het onderzoeksgebied meermaals het terrein van grondgevechten, waarbij Duitse, Amerikaanse en Britse eenheden aantoonbaar betrokken waren.
✓
Het onderzoeksgebied is geheel verdacht op verschoten geschutmunitie. (20 mm t/m 5.5 inch.) Een combinatie van geschreven bronnen, eerdere EODD-meldingen en luchtfotoanalyse schetst het volgende
beeld:
meerdere
geallieerde
artillerie-eenheden
schoten
in
of
rondom
het
onderzoeksgebied in het hierboven genoemde tijdvak. Verder werd – de omgeving van – het onderzoeksgebied beschoten door zowel Duitse als geallieerde mortieren. ✓
Het onderzoeksgebied is deels verdacht op gedumpte munitie. Aan de hand van luchtfotoanalyse is vastgesteld dat er minimaal tussen 17 en 19 september 1944 Duitse dekkingsgaten binnen het onderzoeksgebied zaten. Deze zijn ingetekend en worden, in combinatie met een eerdere dumpvondst aan de overkant van de Rooiseweg, verdacht verklaard op gedumpte Duitse infanteriemunitie.
Alle bovenstaande categorieën kunnen worden verwacht tot een diepte van 1.50 m1 minus maaiveld. Derhalve is het hele onderzoeksgebied aangeduid als ‘verdacht’. Zie hiervoor de OO-Bodembelastingkaart in Bijlage 1.
www.bodac.nl Historisch vooronderzoek OO - Schijndel Rooiseweg
Pagina 7 van 128
2
Inleiding
In de Tweede Wereldoorlog alleen al is naar schatting twaalfduizend ton aan explosieve stof door vliegtuigen afgeworpen. Ervaringscijfers geven aan dat ongeveer tien tot vijftien procent van deze afgeworpen Ontplofbare Oorlogsresten om diverse redenen niet zijn gesprongen. Daarnaast zijn grote hoeveelheden munitie door grondgeschut en handvuurwapens verschoten, waarvan eveneens een deel niet of slechts gedeeltelijk is gedetoneerd. Vooral op locaties waar destijds zwaar gevochten is, komen nog veel van deze ‘blindgangers’ in de bodem voor. Den Ouden Bodac B.V. maakt gebruik van academisch geschoolde medewerkers en moderne opsporingsmethoden om de OO te vinden en te verwijderen. Zo zorgen wij ervoor dat een veilig te bewerken (bouw)terrein overgedragen kan worden aan onze opdrachtgever.
2.1
Historisch vooronderzoek OO in het Certificatieschema
Naar aanleiding van de oorlogshandelingen, ten tijde van de Eerste en Tweede Wereldoorlog, bestaat er een mogelijkheid tot het spontaan aantreffen of toucheren van OO tijdens het uitvoeren van werkzaamheden in de (water)bodem. Hierdoor ontstaat een verhoogd veiligheidsrisico door het mogelijk ongewenst tot (uit)werking treden van dit militair wapentuig. Dergelijke ongecontroleerde uitwerkingsgevolgen kunnen dodelijk letsel en zware schade aan materiaal en omgeving tot gevolg hebben. Daarnaast kunnen spontane vondsten van OO resulteren in stagnatie en meerwerkkosten van de uitvoeringswerkzaamheden. Om bovenstaande situaties te voorkomen dient een werkgever de risico’s van de werkzaamheden vooraf te inventariseren en te evalueren. Deze zogenoemde risico-inventarisatie en evaluatie (RI&E) is zeker voor bouw gerelateerde activiteiten (werkzaamheden in of op de (water)bodem) noodzakelijk.1 Tijdens het ontwerpen van het werk moeten de risico’s in beeld worden gebracht (V&G voorbereidingsfase), waaronder mogelijke OO in de bodem. Door de privatisering van het opsporen van OO, ontstond de behoefte aan normalisatie en regelgeving gericht op kwaliteit en veiligheid. Dit resulteerde in de certificatieplicht in het Arbobesluit.
Deze plicht resulteerde allereerst in het Beoordelingsrichtlijn van het Procescertificaat Opsporen Conventionele Explosieven (BRL-OCE) en vervolgens in het Werkveld Specifiek Certificatie Schema voor het systeemcertificaat Opsporen Conventionele Explosieven (WSCS-OCE).2 De aspecten vooronderzoek en risicoanalyse maakten deel uit van deze laatstgenoemde wet- en regelgeving. Hierin werden al een aantal eisen gesteld aan het onderdeel Historisch vooronderzoek. Vanwege de aangekondigde wetswijziging trachtte de Stichting Certificering Vuurwerk en Explosieven, in samenwerking met de VEO en andere belanghebbende partijen, vanaf 2015 de kwaliteitsborging van certificering te benadrukken. In deze wetswijzigingen werden het vooronderzoek en de risicoanalyse niet langer als noodzakelijk geacht om onder een wettelijke certificering te vallen. Naast het wettelijk WSCS-OCE, werd het besluit genomen een privaat schema te ontwikkelen waarin de werkzaamheden van Vooronderzoek CE en Risicoanalyse CE zijn opgenomen. Het behandelvoorstel en eindconcept werden in 2017 voorgelegd aan het CCvD-OCE.3 Vanwege de wijzigingen in het Arbobesluit op 28 november 2019 (waarin de term ‘Conventionele Explosieven’ is vervangen door de term ‘Ontplofbare Oorlogsresten’) besloten de belanghebbende partijen om een vernieuwd certificatieschema aan het CCvD voor te leggen.
Dit resulteerde in het ‘Certificatieschema Vooronderzoek en Risicoanalyse Ontplofbare Oorlogsresten’. 4 Deze vrijwillige certificering valt dus niet binnen een wettelijk kader en derhalve zal de inhoud en methode van een Historisch vooronderzoek OO enigszins kunnen variëren. Per 1 januari 2021 is het nieuwe, wettelijk verplichte 1 2 3 4
Zie voor meer informatie: www.explosievenopsporing.nl Tot 31 december 2020 was het WSCS-OCE opgenomen in Bijlage XII van de Arbeidsomstandigheden met oude eisen van de certificering. SCVE, ‘7SCVE-SEC.11124.V’ (29 mei 2017). VOMES, ‘Certificatieschema Vooronderzoek en Risicoanalyse ontplofbare oorlogsresten’ (8 februari 2021).
www.bodac.nl Historisch vooronderzoek OO - Schijndel Rooiseweg
Pagina 8 van 128
Certificatieschema Opsporen Ontplofbare Oorlogsresten (opsporing) in werking getreden. Daarbij is (gelijktijdig) het vrijwillige Certificatieschema Vooronderzoek en Risicoanalyse Ontplofbare Oorlogsresten in werking getreden.5 Den Ouden Bodac B.V. zal dit Historisch vooronderzoek OO dan ook uitvoeren conform de meest recente versie van het certificatieschema.
2.2
Doelstelling
Den Ouden Bodac B.V. werkt voorliggende rapportage uit conform het Certificatieschema Vooronderzoek en Risicoanalyse Ontplofbare Oorlogsresten (CS-VROO). Dit schema beschrijft de doelstelling van een Historisch vooronderzoek OO en een Risicoanalyse OO. Het voorliggende onderzoek heeft als doel om te beoordelen of er in het onderzoeksgebied sprake is van een verhoogde kans op het aantreffen van OO, en zo ja, om het verdachte gebied af te bakenen. Dit volgens het certificatieschema genoemde ‘onderzoek conflictperiode’ bestaat uit het inventariseren, analyseren en beoordelen van bronmateriaal. De gevonden geografisch herleidbare indicaties en contra-indicaties worden vervolgens getoetst op relevantie. Op basis hiervan zal gemotiveerd worden vastgesteld of er mogelijk sprake is van een op OO verdacht gebied, en zo ja, dan zal de (sub)soort, hoeveelheid en verschijningsvorm van de vermoedelijke munitieartikelen beschreven worden.6
2.3
Onderzoeksmethode
Leidraad voor het vaststellen van de onderzoeksmethode is het CS-VROO. Verder is voorliggend document opgesteld conform het DO BMS, P01500 documentbeheer en ISO9001 kwaliteitssysteem. Voor het opstellen van een conclusie is het bronmateriaal essentieel. De organisatie verzamelt indicaties en contra-indicaties aan de hand van literatuur- en archiefonderzoek en een luchtfotoanalyse. De onderzoeksmethode met betrekking tot de luchtfotoanalyse wordt in Paragraaf 4.6 uiteengezet. Inzake het bronmateriaal zullen verscheidene uitgangspunten worden geëvalueerd. Een toelichting op verplichte en aanvullende bronnen, beschreven in het CS-VROO, staat in Bijlage 5 van deze rapportage. Naar aanleiding van het CS-VROO zal beoordeeld worden of bepaalde oorlogshandelingen een relevante indicatie vormen voor de mogelijke aanwezigheid van Ontplofbare Oorlogsresten. Hier mag echter gemotiveerd van worden afgeweken. De gevonden indicaties en contra-indicaties uit voornoemd bronmateriaal dienen een locatieverwijzing te hebben, aangezien deze essentieel is om te bepalen of de informatie relevant is voor de aanwezigheid van oorlogstuig in het onderzoeksgebied. Bij gebruikmaking van indicaties of contra-indicaties uit geschreven bronnen, behoren de verwijzingen ongewijzigd in de rapportage over te worden genomen.
Deze locaties moeten vervolgens vertaald worden naar een plaatsbepaling in de huidige topografie. Indien er onduidelijkheid is over de locatie van indicaties of contra-indicaties zal dit eveneens gedocumenteerd worden. Vervolgens zullen alle relevante indicaties beoordeeld worden op betrouwbaarheid. Gecontroleerd wordt of de informatie van desbetreffende indicatie uit een primaire of secundaire bron komt, of de informatiebron op zichzelf betrouwbaar is met betrekking tot de beschreven feiten en of de gevonden informatie overeenkomt met dezelfde OO-gerelateerde indicaties uit andere bronnen. Op basis van het onderzoek zal een conclusie worden getrokken of er binnen een onderzoeksgebied wel of geen verhoogde kans is op de aanwezigheid van Ontplofbare Oorlogsresten. Bij het vaststellen van de conclusie ‘verdacht’ of ‘onverdacht’ worden enkele uitgangspunten gehanteerd. Een verhoogde kans op OO wordt geconstateerd wanneer er specifieke meldingen zijn van de aanwezigheid van munitieartikelen of wanneer Den Ouden Bodac B.V. een beredeneerde inschatting maakt over de aanwezigheid van oorlogshandelingen. Aan voorgenoemde constateringen wordt de conclusie ‘verdacht’ gekoppeld.
Benoeming van hoofdsoort, subsoort, kaliber/gewichtsklasse, nationaliteit, verschijningsvorm, ‘Certificatie Opsporen Ontplofbare Oorlogsresten’, < https://www.vomes.nl/certificatie/certificatie-vooronderzoek-en-risicoanalyse-oo/> [geraadpleegd op 30 januari 2021]. 5
De gevonden indicaties zullen beoordeeld worden op de aannemelijkheid van de aanwezigheid van OO. Enkel door detectie kan de daadwerkelijke aanwezigheid van munitieartikelen vastgesteld worden. 6
www.bodac.nl Historisch vooronderzoek OO - Schijndel Rooiseweg
Pagina 9 van 128
ontstekingsinrichtingen en aantal (afwerpmunitie) van de mogelijke OO is noodzakelijk. Daarnaast hanteert de bureaustudie een horizontale en verticale afbakening bij een verdacht verklaarde locatie. Deze afbakeningen worden vastgesteld op basis van de ‘nadere bepalingen voor het beoordelen van bronnenmateriaal en afbakening van verdacht gebied’, behorende bij het CS-VROO. Deze nadere bepalingen, bekend onder kenmerk CS-VROO-02, stellen geen eisen aan de certificaathouder aangezien gemotiveerd van deze nadere bepalingen mag worden afgeweken. De horizontale afbakening wordt in het systeem ArcGIS Pro verwerkt, waarbij Den Ouden Bodac B.V. gebruik maakt van het Rijksdriehoeksstelsel (RD) als coördinatensysteem. In de rapportage dient bij het bepalen van de verticale afbakening rekening te worden gehouden met hoofdsoort, gewicht en kaliber. Daarnaast zal, voor het berekenen van de indringingsdiepte bij afgeworpen munitie, gebruik worden gemaakt van het Ontwerp Voorschrift Bepaling Indringingsdiepte Conventionele Explosieven.7
2.4 Kwalificatie onderzoeksteam Het Historisch vooronderzoek OO en alle ArcGIS Pro werkzaamheden zijn uitgevoerd door historici dhr. D. (Daan) van Alphen (MA) en dhr. M. (Max) Berghege (Dr.). Deze rapportage is in samenspraak en onder verantwoording van dhr. M. (Marc) van Oers, Operationeel Manager van Den Ouden Bodac B.V., voltooid. Expertises conform deskundigheidseisen CS-VROO
Naam
Dhr. D.
Dhr. R.
Dhr. S.
Dhr. T.
Dhr. M.
Dhr. M.
Dhr. D.
(Daan)
(Rick) Klein
(Sander)
(Tim) van
(Max)
(Marc) van
(Dennis)
van
Gunnewiek
Begemann
der Pas
Berghege
Oers
Naumann
Alphen
(MA)
(BA)
(BA)
(Dr.)
Historicus
Historicus
Historicus
Historicus
Operationeel
Senior
Manager
Deskundige
(MA)
Historicus
Functie
OOO
Expertises Historisch
✓
✓
✓
✓
✓
-
-
-
-
-
-
-
-
Civiele techniek
-
-
-
-
-
✓
-
Risicoanalyse
✓
✓
-
-
-
-
Luchtfoto-
✓
✓
✓
-
-
-
-
✓
✓
✓
-
-
-
-
onderzoek Deskundigheid ontplofbare oorlogsresten
-
✓
interpretatie Geografische Informatiesystemen Tabel 1: Expertises Vooronderzoek en Risicoanalyse. 7
Deltares, ‘Ontwerp Voorschrift Bepaling Indringingsdiepte Conventionele Explosieven’, 1210497-000, 2015.
www.bodac.nl Historisch vooronderzoek OO - Schijndel Rooiseweg
Pagina 10 van 128
3
Projectscope
Ter plaatse van Schijndel zijn grondroerende werkzaamheden gepland, namelijk door By Brekel Vastgoed B.V. in het kader van nieuw te bouwen woningen. Om inzicht te krijgen in de mogelijke risico’s heeft By Brekel Vastgoed B.V. aan Den Ouden Bodac B.V. opdracht verleend tot het uitvoeren van een Historisch Vooronderzoek OO naar de mogelijke aanwezigheid van Ontplofbare Oorlogsresten (OO). Zoals gecommuniceerd met de opdrachtgever, middels de door Den Ouden Bodac B.V. opgestelde offerte, zal deze bureaustudie het kenmerk ‘H25040’ betiteld als ‘Schijndel Rooiseweg’ krijgen.8
3.1
Onderzoeksgebied
Teneinde een gefundeerde uitspraak te kunnen doen omtrent de mogelijke aanwezigheid van Ontplofbare Oorlogsresten in het onderzoeksgebied is door Den Ouden Bodac B.V. een buffer geformuleerd met een straal van 150.00 m1. Binnen deze straal worden alle voor het onderzoek relevante gebeurtenissen meegenomen in deze bureaustudie. Het onderzoeksgebied valt onder de gemeente Meierijstad in de provincie Noord-Brabant. Het perceel bevindt zich op de Rooiseweg 8 te Schijndel en zit met de inrit op Het Hooghekke. Het huidige perceel bestaat uit een bedrijfsterrein en een stuk agrarische grond. Voor deze rapportage zal de gemeente Meierijstad relevant zijn. Middels kaartmateriaal is het onderzoeksgebied met buffer op de navolgende pagina in kaart gebracht (250709_H25040_OG_01).
Emailcorrespondentie tussen Dhr. J. Burgerhof (By Brekel Vastgoed B.V.) en dhr. D. van Alphen (Den Ouden Bodac B.V.) conform offerte met kenmerk 250718_C25267_OB_01 verzonden op [18 juni 2025]. 8
www.bodac.nl Historisch vooronderzoek OO - Schijndel Rooiseweg
Pagina 12 van 128
4
Onderzoek conflictperiode
Het onderzoek conflictperiode zal op basis van primaire en secundaire bronnen vaststellen of het onderzoeksgebied mogelijk betrokken is geweest bij oorlogshandelingen. Alvorens deze bronnen geraadpleegd kunnen worden, zal een inventarisatie plaats moeten vinden van de eerder uitgevoerde vooronderzoeken ter plaatse van het onderzoeksgebied.
4.1
Eerder uitgevoerd onderzoek
Conform het CS-VROO dient bij aanvang van het onderzoek te worden nagegaan of er in het verleden onderzoek is uitgevoerd naar de aanwezigheid van OO, en zo ja, te worden gerapporteerd op welke wijze(n) deze informatie wordt betrokken bij het onderzoek. Voor dit vooronderzoek is navraag gedaan bij de VEO Bommenkaart. Geen rapportages van derden hebben betrekking op het onderzoeksgebied: Verder heeft Den Ouden Bodac B.V. het eigen bedrijfsarchief geraadpleegd. Hierin zijn meerdere soorten onderzoek, zoals historische vooronderzoeken, risicoanalyses en opsporingsopdrachten ondergebracht. Bij opsporingsopdrachten zijn mogelijk OO aangetroffen. Deze vondsten zijn niet altijd terug te vinden in de raadpleegbare archieven van de EODD. Derhalve zullen mogelijke vondsten van OO uit eerdere opsporingsopdrachten meegenomen worden in het verdere verloop van het onderzoek. Net als de gegevens van ruimingen door de EODD, kunnen deze vondsten inzicht geven in de mogelijk nog te verwachten OO in het onderzoeksgebied. De mogelijk relevante vondsten met bijbehorende nummers zijn derhalve terug te vinden in het kaartmateriaal van de EODD in paragraaf 4.4.6 Archief Explosieven Opruimingsdienst Defensie. Onderstaande opdrachten zijn door Den Ouden Bodac B.V. ter plaatse, of in de omgeving van, het huidige werkgebied uitgevoerd: Rapportages Den Ouden Bodac B.V. ✓
Den Ouden Bodac B.V., “Opsporing OOO Schijndel Heiweg Bremweg”, Projectcode 230024 (Schijndel 2023). Er is geen overlap met het onderzoeksgebied en de bufferzone; wel geeft het een inzicht in de omgeving. De opsporing vond plaats na een eerder uitgevoerd historisch vooronderzoek. Bij dit opsporingsonderzoek werden 2 brisantgranaten van 3 inch mortieren gevonden, evenwel veel restanten van dit type geschutgranaat. Verder werden restanten gevonden van een 4.2 inch brisantgranaat, een 25 ponder brisantgranaat en kleinkalibermunitie.
✓
Den Ouden Bodac B.V., “Historisch Vooronderzoek OO Schijndel Grote Braak”, Projectcode 1052 (Schijndel 2021). Er is geen overlap met het onderzoeksgebied en de bufferzone; wel geeft het een inzicht in de omgeving. Bij dit historisch vooronderzoek werd het onderzoeksgebied verdacht verklaard op ontplofbare oorlogsresten, te weten 25 ponder geschutgranaten (Brits) en 8 cm mortiergranaten (Duits).
Het kaartmateriaal op de navolgende pagina schetst een beeld van de eerder uitgevoerde onderzoeken in verhouding tot het huidige onderzoeksgebied (250709_H25040_EUO_01).
www.bodac.nl Historisch vooronderzoek OO - Schijndel Rooiseweg
Pagina 14 van 128
4.2 Stafkaart Kadaster Ten behoeve van het bronnenonderzoek is kennis van de toenmalige topografie ten tijde van mogelijke oorlogshandelingen noodzakelijk. Met behulp van topografische kaarten van het Kadaster en ArcGIS Pro kan de oude situatie geprojecteerd worden op de huidige locatie.9 Hiermee kunnen – uit het huidige kaartmateriaal - verdwenen toponiemen worden achterhaald en gebruikt in het brononderzoek. Op het historische kaartmateriaal staan diverse toponiemen beschreven, zoals: ✓
Berg;
✓ ✓
Plein; Station Schijndel;
✓
Theuwes Hoek.
Ten tijde van de Tweede Wereldoorlog viel het onderzoeksgebied onder de gemeente Schijndel. Derhalve dienen de archieven van deze gemeente geraadpleegd te worden, alsmede het provinciale archief van Noord-Brabant. Onderstaande afbeelding geeft de topografische stafkaart weer die werd gebruikt tijdens de Tweede Wereldoorlog (250709_H25040_HIS_01).
9
Stafkaart Boxtel, Holland 1:25.000, G.S.G.S. 4427 (AMS 1), First Edition 1943, sheet 18 N.E.
www.bodac.nl Historisch vooronderzoek OO - Schijndel Rooiseweg
Pagina 16 van 128
4.3 Literatuur Voor het onderzoek is relevante literatuur geraadpleegd. Het betreft zowel standaardwerken als eventuele specifieke lokale en regionale schriftuur. In deze literatuur kunnen indicaties worden gevonden die herleidbaar zijn tot het onderzoeksgebied. In het chronologisch overzicht in Bijlage 2 zal de relevantie en herleidbaarheid verder onderzocht worden. De lijst met geraadpleegde literatuur, websites en alle andere geraadpleegde bronnen is te vinden in Bijlage 6.
4.4 Nationale archieven Ten behoeve van het onderzoek zijn nationale en internationale archieven onderzocht. In de archieven is voornamelijk aandacht besteed aan documenten van de luchtbeschermingsdienst, de stukken over aangetroffen/geruimde OO, oorlogsschaderapporten, oorlogsdagboeken, gevechtsverslagen van verschillende legeronderdelen en eventuele naoorlogse werkzaamheden. Waar aanwezig zijn relevante indicaties in het onderzoek meegenomen. Een overzicht van de geraadpleegde archiefstukken bevindt zich in Bijlage 6. 4.4.1
Gemeentelijk en provinciaal archief
In het gemeentearchief Brabants Historisch Informatiecentrum (BHIC) te ‘s-Hertogenbosch zijn archiefstukken geraadpleegd uit de toegangen 1589 Documentatie Schijndel, 5135 Gemeentebestuur Schijndel, 1930-1960, 5183 Gemeentebestuur Schijndel, 1960-1990 en 7770 Collectie Veghel, 1801-1996. In het BHIC zijn daarnaast provinciale documenten ingezien. Er zijn diverse dossiers geanalyseerd uit het archief van het provinciaal Militair Gezag, zijnde 127 Militair Gezag in Brabant. Het Militair Gezag (MG) was het dagelijks bestuur van de in 1944 en 1945 bevrijde delen van Nederland namens de Nederlandse regering in Londen tot aan de overdracht van deze gebieden aan voorgenoemde regering. Het MG moest het door zuiveringen, collaboratie en oorlogshandelingen ontstane vacuüm in het burgerlijke gezagsapparaat opvullen. Het orgaan hield zich bezig met herstel van het land en handhaving van de veiligheid. Onderwerpen als de luchtbeschermingsdienst, het herstellen van oorlogsschade en de explosievenopruiming vielen hier tevens onder. Deze onderwerpen kunnen relevant zijn voor het onderzoek. Tenslotte zijn relevante stukken geraadpleegd van de Commissaris van de Koningin in de provincie NoordBrabant, zijnde 1085 Commissaris van de Koningin CdK in Noord-Brabant, 1920-1969. 4.4.2
Nationaal Archief (NA) te Den Haag
2.04.53.15 Ministerie van Buitenlandse Zaken: Inspectie Bescherming Bevolking tegen Luchtaanvallen, 19371946 / In het Nationaal Archief zijn documenten van het archief 2.04.53.15 Ministerie van Buitenlandse Zaken: Inspectie Bescherming Bevolking tegen Luchtaanvallen, 1937-1946 geraadpleegd. In 1936 trad de Wet tot Bescherming van de Bevolking tegen Luchtaanvallen in werking. Dat leidde tot de oprichting van de Inspectie Bescherming Bevolking tegen Luchtaanvallen, die tot taak had de gemeentelijke activiteiten op dit terrein te begeleiden en te controleren. In 1942 verving de Duitse bezetter de Wet tot Bescherming van de Bevolking tegen Luchtaanvallen door de Luchtbeschermingsverordening. Dit bracht de luchtbescherming sterker onder controle van de bezetter. Tot de onderwerpen die aan de orde komen behoren rapportages over luchtactiviteiten en informatie over de organisatie van de luchtbeschermingsdienst. 2.04.110 Korps Hulpverleningsdienst van het Ministerie van Binnenlandse Zaken en Koninkrijkrelaties, 19451974 / Naast bovengenoemd archief zijn documenten van de Korps Hulpverleningsdienst bestudeerd, te weten 2.04.110 Korps Hulpverleningsdienst van het Ministerie van Binnenlandse Zaken en Koninkrijkrelaties, 1945-1974.
Op 21 juli 1947 werd de Mijn- en Munitieopruimingsdienst (MMOD) enkel belast met ruimingen van militaire objecten, voorheen functioneerde dit orgaan tevens in de civiele sector. De Korps Hulpverleningsdienst was vanaf bovenstaande datum als aanspreekpunt en verantwoordelijke organisatie aangewezen voor het ruimen van explosieven in de civiele sector. Vanaf 1 januari 1948 werd deze
www.bodac.nl Historisch vooronderzoek OO - Schijndel Rooiseweg
Pagina 17 van 128
organisatie eveneens verantwoordelijk voor militaire objecten.10 Rond 1971 werden taken, zoals het ruimen van geïmproviseerde explosieven, overgedragen aan de Explosieve Opruimingsdienst (EODD). Met het raadplegen van dit archief tracht Den Ouden Bodac B.V. inzicht te krijgen in mogelijke ruimingen tussen 1946 en 1971. Specifieke informatie uit de periode waarin de Korps Hulpverleningsdienst actief was, is vermoedelijk wel gedocumenteerd, maar vervolgens vernietigd of niet zodanig gearchiveerd dat deze informatie nog vindbaar is. In het archief zijn derhalve alleen krantenberichten over de werkzaamheden van het Korps geraadpleegd. 2.13.25 Archief van het Militair Gezag, (1939) 1943-1946 (1956) / Tevens is het archief 2.13.25 Archief van het Militair Gezag, (1939) 1943-1946 (1956) ingezien. Relevante indicaties over de luchtbeschermingsdienst van de vijftien secties van Nederland kunnen aanwezig zijn in deze documentatie. 2.13.71 Archieven van het Ministerie van Defensie te Londen 1940-1941 – Ministerie van Oorlog te Londen [1941-1945]; Departement van Oorlog: Bureau Londen [1945-1947], (1933) 1940-1947 (1974) / Ook documenten uit het archief 2.13.71 Archieven van het Ministerie van Defensie te Londen 1940-1941 – Ministerie van Oorlog te Londen [1941-1945]; Departement van Oorlog: Bureau Londen [1945-1947], (1933) 1940-1947 (1974) zijn gecontroleerd op relevante indicaties.
Op 14 mei 1940 werd de zetel van de Nederlandse regering formeel in Londen gevestigd. Hiermee werd ook het Ministerie van Defensie (later Ministerie van Oorlog) in Londen ondergebracht. Het ministerie hield zich bezig met luchtvaart, militaire operaties en inlichtingen uit Nederland. Informatie met betrekking tot deze taken kunnen relevant zijn voor deze bureaustudie. 2.13.210 Archief van de Commissie van Proefneming met hierin opgenomen afgedwaalde archiefbescheiden van onderdelen van de Artillerie- Inrichtingen en Artillerie onderdelen, (1814) 1867-1942 / Tot slot is het archief 2.13.210 Archief van de Commissie van Proefneming met hierin opgenomen afgedwaalde archiefbescheiden van onderdelen van de Artillerie- Inrichtingen en Artillerie onderdelen, (1814) 1867-1942 geraadpleegd. De voornaamste taken van de Commissie van Proefneming waren het plannen, uitvoeren en verslag uitbrengen van de resultaten van fabricage, ontwikkelingsproeven van munitie en wapens. Daarnaast ontwikkelde en verbeterde de Commissie de beproevingmethoden en procedures van wapens en munitie. In 1939 werd de Commissie in verband met het opheffen van de Normaal Schietschool uitgebreid. Deze werd vervolgens opgeheven met ingang van 15 juli 1940. 4.4.3
Nederlands Instituut voor Militaire Historie (NIMH)
In het Nederlands Instituut voor Militaire Historie te Den Haag is allereerst het zogenoemde bunkerarchief geraadpleegd, te weten 575 Bureau Inlichtingen/Duitse verdedigingswerken. Dit archief vermeld Duitse verdedigingswerken op nationaal niveau. Ten tijde van de bezetting, rond de meidagen in 1940, is het onderzoeksgebied betrokken geweest bij oorlogshandelingen. Derhalve is het archief 409 Gevechtsverslagen en rapporten mei 1940 bestudeerd. De collectie Gevechtsverslagen bestaat uit bulletins en rapporten die werden ingeleverd door officieren, onderofficieren en manschappen bij de Krijgsgeschiedkundige Sectie van het Hoofdkwartier van de Generale Staf. Dit gebeurde reeds vanaf de zomer vanaf 1940 en liep door tot enkele jaren na de bezetting. 4.4.4
Nederlands Instituut voor Oorlogsdocumentatie en Genocidestudies (NIOD)
In het Nederlands Instituut voor Oorlog-, Holocaust- en Genocidestudies te Amsterdam zijn meerdere archieven bestudeerd, zoals 077 Generalkommissariat für das Sicherheitswesen (Höhere SS- und Polizeiführer Nord-West). Toen Rijkscommissaris Arthur Seyss-Inquart zich in mei 1940 in Nederland vestigde liet hij zich bijstaan door vier Generalkommissare met bijbehorend apparaat voor belangrijke onderdelen van het bestuur. De Generalkommissar für das Sicherheitswesen was leider van de SSorganisatie in Nederland. Het archief betreft documentatie van deze organisatie. Daarnaast is het archief 216k Departement van Justitie geraadpleegd. Behalve documenten, afkomstig van de afdeling 10
J. van Woensel, Vrij van Explosieven. De geschiedenis van het EOCKL en zijn voorgangers, 1944-2004 (Meppel 2004), 90.
www.bodac.nl Historisch vooronderzoek OO - Schijndel Rooiseweg
Pagina 18 van 128
Luchtbescherming, bevinden zich hier rapporten en correspondentie van de afdelingen Politie, Marechaussee e.d. 4.4.5
Semi-Statisch Informatiebeheer (SIB) Ministerie van Defensie te Rijswijk
In de eerste jaren na de Tweede Wereldoorlog was de Mijn- en Munitie Opruimings Dienst (MMOD) verantwoordelijk voor het opruimen van mijnen en achtergelaten munitie in Nederland. Het archief van het MMOD bevindt zich bij het Semi-Statisch Informatiebeheer van het Ministerie van Defensie in Rijswijk. Het archief bestaat uit meldingen, kaarten, plattegronden en ruimingsrapporten van Nederlandse gemeenten. In sommige gevallen is deze informatie omtrent munitieruimingen in de naoorlogse jaren 1945-1947 eveneens aanwezig in de betreffende gemeentearchieven. Voor het huidige onderzoek is gezocht op vermeldingen van de voormalige gemeente Schijndel. 4.4.6
Archief Explosieven Opruimingsdienst Defensie (EODD)
Ten behoeve van het onderzoek conflictperiode en na-conflictperiode is het archief van de Explosieven Opruimingsdienst Defensie (EODD) te Soesterberg bestudeerd. In 1971 heeft de EODD de taak voor het ruimen van aangetroffen OO van de Hulpverleningsdienst van het Ministerie van Binnenlandse Zaken overgenomen. Pas vanaf dit jaar zijn alle meldingen van aangetroffen en geruimde explosieven bijgehouden. Tot 1990 werden deze ruimingen ‘Melding Opdracht Ruimrapportage Afdoening (MORA’s) genoemd. Tegenwoordig worden de ruimingen omschreven als ‘Werkopdrachten’ (WO’s) of ‘Uitvoeringsopdrachten’ (UO’s). Een nadeel van deze bron is de onvolledigheid van meldingen of ruimingen tussen 1940-1944 en 1947/1948-1971 bij de EODD of het SIB. Over de periode 2010-2025 zijn de meldingen digitaal raadpleegbaar bij de EODD. Voor deze bureaustudie is gezocht op vermeldingen van de plaats Schijndel en de voormalige gemeente Schijndel. MORA’s (Melding, Opdracht, Ruimrapportage en Afdoening) en UO’s (Uitvoeringsopdrachten) / Den Ouden Bodac B.V. heeft een overzicht van de EODD ontvangen van de MORA’s/UO’s binnen en nabij het werkgebied. Ten behoeve van voorliggend onderzoek wordt een buffer van 500.00 m1 rondom het werkgebied gehanteerd, waarbinnen alle MORA’s en UO’s worden ingetekend.
Deze meldingen ondersteunen het onderzoek doordat ze een nauwkeuriger beeld geven van de oorlogshandelingen (beschietingen, grondgevechten en bombardementen) die hebben plaatsgevonden. Zowel in de database als in de ruimrapporten zijn de locatieomschrijvingen dikwijls summier beschreven. Dit betekent dat de betreffende locaties meestal slechts indicatief kunnen worden ingetekend op de Inventarisatiekaart in Bijlage 1. Om het verschil in nauwkeurigheid enigszins aan te geven maakt Den Ouden Bodac B.V. onderscheid tussen munitieruimingen op adresniveau en op straat(naam)niveau. Hierbij dient opgemerkt te worden dat ook een munitieruiming op adresniveau als indicatief moet worden beschouwd, omdat de exacte locatie meestal niet herleidbaar is uit de rapporten. Om de gevonden plaatsaanduidingen te lokaliseren is gebruik gemaakt van Google Maps en ArcGIS Pro. In Bijlage 6 Overzicht geraadpleegd bronnenmateriaal is een tabel opgenomen met daarin de geraadpleegde MORA’s welke relevant zijn voor het onderzoeksgebied. Deze ruimingen zijn in het kaartmateriaal op de navolgende pagina inzichtelijk gemaakt (250709_H25040_EODD_01). Binnen het onderzoeksgebied en bufferzone zijn meerdere EODD-meldingen en daaropvolgende ruimingen geweest. Eén melding kwam van het adres zelf, Rooiseweg 8, en betrof een lege rookgranaat van 25 pounder.
Daar deze van Britse makelij is, is deze vermoedelijk afgeschoten tijdens Operatie Colin op 23 oktober 1944. In de bufferzone zijn daarnaast meerdere vondsten gedaan. Ten eerste, een 5.5 inch brisantgranaat met schokbuis 117. Deze komt waarschijnlijk van een Brits medium regiment, afgeschoten tijdens de granaatweken en/of Operatie Colin. Ten tweede, een brisantgranaatpatroon van 20 mm. Dit kan van geallieerd boordgeschut komen of van een antitankwapen. Allebei is aannemelijk, gezien de aanwezigheid van grondtroepen in/rondom het onderzoeksgebied en de acties van de 2nd Tactical Air Force erboven. Ten derde, twee brisantgranaten 81 mm mortier met schokbuis. Deze zijn Amerikaans,
www.bodac.nl Historisch vooronderzoek OO - Schijndel Rooiseweg
Pagina 19 van 128
vermoedelijk afgeschoten op 18 september of 22 september 1944, toen paratroopers gevechtshandelingen uitvoerden bij het onderzoeksgebied, maar door de aanwezigheid van de schokbuis is niet te zeggen of het in verschoten of niet-verschoten toestand werd aangetroffen bij de ruiming. Ten vierde, een op 2.36 inch raket gelijkend voorwerp, wat in dat geval zou duiden op een Amerikaanse bazooka, vermoedelijk eveneens afgeschoten tijdens de zojuist genoemde septemberdagen van Market Garden. Tot slot, een brisantgranaat van 8 cm mortier type Wurfgranate Zünder (Bounding) zonder ontsteking. Het verschietingsmoment is lastiger te bepalen van deze geschutgranaat, met een paar kanshebbers tussen eind september tot aan 23 oktober 1944. Net buiten de bufferzone, op minder dan honderd meter, zijn er twee EODD-meldingen die inzage bieden in de gevechtshandelingen rond het oorlogsgebied. Allereerst, een staartstuk van een verschoten 3 inch mortiergranaat. Deze is waarschijnlijk door Britse infanterie-eenheden afgeschoten ergens in de oktoberweken van 1944. Zo beschrijft de commandant van de 1/5 Welch Regiment van de 53rd Welsh Division, in de war diaries uitvoerig het bestoken van Duitse posities met 3 inch mortieren als tactiek. Deze eenheid zat wekenlang aan de frontlinie in de buurt van het onderzoeksgebied. Ten tweede een verschoten brisantpantsergranaat van 75 mm.
Dit is munitie die werd gebruikt door zowel Britse als Amerikaanse eenheden. Allebei zou kunnen: of de Amerikaanse luchtlandingseenheden tijdens Market Garden, of de Britse troepen tijdens de Schijndelse granaatweken. Het zou ook Duitse geschutmunitie kunnen zijn, maar normaliter zou het dan als 7,5 cm genoteerd worden. Naast deze EODD-meldingen, is er nog een vondst uit een ander register van belang. Deze was op de rand van het onderzoeksgebied in de maanden na de algehele Duitse capitulatie. Bij de ruiming van mijnenveld 13g op 25/26 oktober 1945, zie beschreven hier beneden, was er een aanzienlijke munitievondst: 25 granaten, 5 handgranaten, 2 pantservuisten, 14 granaatontstekers, 1 geweergranaat en 7 granaten van 2 cm. Waar deze exact zijn gevonden, wordt niet duidelijk, maar vermoedelijk aan de andere zijde van de Rooiseweg, wellicht in de bufferzone. Het is desalniettemin in lijn met het beeld dat er op minimaal één moment (17-19 september 1944) een Duitse positie in en rond het onderzoeksgebied zat. Mijnenveldregister / Naast het overzicht van de UO’s heeft Den Ouden Bodac B.V. het mijnenveldregister geraadpleegd. Ten tijde van de Tweede Wereldoorlog maakten de strijdende partijen gebruik van mijnenvelden. Het type (antitankmijn of antipersoneelsmijn) en het aantal gelegde mijnen was afhankelijk van de functie van het mijnenveld.
Mijnen werden onder andere gelegd voor de verdediging en vertraging van de opmars van troepen. In de jaren direct na 1945 zijn de Duitse en geallieerde mijnenvelden geruimd, waarbij niet altijd alle geplaatste mijnen konden worden terug gevonden. Sindsdien zijn op of nabij de locaties van voormalige mijnenvelden nog sporadisch mijnen aangetroffen. In sommige gevallen werden zelfs grote aantallen mijnen gevonden, doordat de als ‘geruimd’ aangemerkte mijnen destijds niet zijn afgevoerd of vernietigd, maar ter plaatse begraven of gedumpt. De EODD beschikt over een collectie mijnenlegrapporten en mijnenruimrapporten uit de periode 1944-1947. Den Ouden Bodac B.V. heeft navraag gedaan of er ter plaatse van het onderzoeksgebied mijnenvelden waren gedocumenteerd. Uit de door de EODD aangeleverde gegevens blijkt dat er twee mijnenvelden in het onderzoeksgebied en de bufferzone werden gemeld. Daarvan moet meteen gezegd worden dat één mijnenveld, onder de titel 44ga, een vals alarm van burgers betrof. 13g, hierboven al beschreven in verband met de munitievondst, bevatte wel mijnen. Het ging om twee Tellermine 42, en op basis van de meegeleverde schets, lagen deze aan de overkant van het onderzoeksgebied, rond het terrein van Rooiseweg 5. Het is onduidelijk of daar ook de munitievondst was, even hiervoor al besproken onder het kopje ‘MORA’s’.
Deze melding werd verder gekenmerkt door de summier beschikbare informatie betreffende het mijnenveld:, het was onbekend wanneer de mijnen waren gelegd, door welke Duitse eenheid, en hoeveel in totaal. Zie ook de bespreking van deze mijnenveld(rapporten) in Tabel 32 in Bijlage 6.
www.bodac.nl Historisch vooronderzoek OO - Schijndel Rooiseweg
Pagina 21 van 128
4.5 Internationale archieven Den Ouden Bodac B.V. beschikt over gegevens uit internationale archieven welke, conform CS-VROO, voor dit onderzoek zijn geraadpleegd. Het betreft documenten uit het Bundesarchiv-Militärarchiv (BAMA) te Freiburg im Breisgau, The National Archives (TNA) te Londen, The National Archives and Records Administration (NARA) te College Park (Washington D.C.). 4.5.1
Bundesarchiv-Militärarchiv (BAMA) te Freiburg im Breisgau
Ten behoeve van het onderzoek heeft Den Ouden Bodac B.V. onderzoek gedaan in het Militärarchiv, dat ondergebracht is in het Bundesarchiv te Freiburg am Breisgau. Dit archief beschikt over documenten van het Duitse rijk ten tijde van de Tweede Wereldoorlog. Archiefstukken van organisaties als de Waffen-SS, Kriegsmarine en Wehrmacht zijn beperkt bewaard gebleven. Door verschillende oorlogshandelingen zijn de documenten ernstig beschadigd.11 Derhalve blijven slechts enkele archieven over die van betekenis kunnen zijn voor het onderzoek. Een voorbeeld is de collectie van Lageberichte, te weten RL 2-II Generalstab der Luftwaffe/Luftwaffenführungsstab en RM-7 Seekriegsleitung der Kriegsmarine. Deze dagelijkse rapporten geven een korte beschrijving van oorlogshandelingen (voornamelijk bomafworpen) door heel Nederland voor de periode 10 mei 1940 tot 10 november 1941. 4.5.2
The National Archives (TNA) te Londen
In The National Archives te Londen zijn verschillende collecties geraadpleegd voor deze bureaustudie. Het betreft collecties aangaande de geallieerde lucht- en grondstrijdkrachten alsmede historisch kaartmateriaal. Second Tactical Air Force (2nd TAF) – Royal Air Force / Den Ouden Bodac B.V. beschikt over de zogenoemde ’Daily Logs’ van de 2nd Tactical Air Force (‘2nd TAF’) van de Britse Royal Air Force. De 2nd TAF bestond uit jagers, jachtbommenwerpers en lichte bommenwerpers, en voerde vanaf september 1944 tot en met mei 1945 luchtsteunmissies uit in het Nederlandse luchtruim. In de Daily Logs zijn de operaties van dit luchtleger samengevat. Naast de Daily Logs zijn Operation Record Books (ORB’s) geraadpleegd, waarin gevechtshandelingen op het niveau van de betrokken Groups, Wings en Squadrons worden vermeld. Fighter Command – Royal Air Force / Fighter Command was tot eind 1943 verantwoordelijk voor de luchtverdediging van de Britse eilanden, het escorteren van bombardementsvluchten alsmede voor tactische luchtsteun op de grond. In november 1943 werd Fighter Command opgedeeld in een defensieve eenheid (Air Defence of Great Britain, ADGB) en een offensieve eenheid (RAF Second Tactical Air Force). Vanaf oktober 1944 werd Air Defence of Great Britain hernoemd tot Fighter Command. Ten behoeve van voorliggend onderzoek is documentatie van Fighter Command geraadpleegd.
Bomber Command – Royal Air Force / Den Ouden Bodac B.V. beschikt over de verslaglegging van operaties van Bomber Bommand. Dit luchtleger voerde strategische bombardementen uit op doelwitten in het door het Derde Rijk bezette gebied. Ook in Nederland hebben diverse grootscheepse bombardementen plaatsgevonden. Ten behoeve van voorliggend onderzoek is geen documentatie van Bomber Command geraadpleegd. Coastal Command – Royal Air Force / Het Britse Coastal Command had een voornamelijk defensieve rol, en was verantwoordelijk voor de bescherming van geallieerde scheepskonvooien en kustverdediging. Deze
Bundesarchiv, ‘Militärische Unterlagen’, <https://www.bundesarchiv.de/DE/Content/Artikel/Benutzen/Hinweise-zur-Benutzung/benutzenhinweise-militaerische-unterlagen.html> [geraadpleegd op 30 januari 2021]. Het archief geeft een uitleg over de beschadigingen: ’Die 11
Überlieferungen aus der Zeit bis 1945 haben durch Kriegseinwirkungen erhebliche Verluste erlitten. Die Unterlagen der zentralen Dienststellen der Wehrmacht und der Heeresführung, der Dienststellen und der Truppen des Heeres unterhalb der Divisionsebene sowie der Luftwaffe und der Waffen-SS sind weitgehend verlorengegangen. Dagegen haben die Masse der Kriegstagebücher der Kommandobehörden des Heeres und der Divisionsstäbe bis 1943 sowie das Archivgut der Marine den Krieg überdauert. Ebenso blieb das Archivgut der wehrtechnischen Einrichtungen und Dienststellen der Wehrmacht nahezu vollständig erhalten. Der größte Teil der Akten der Preußischen Armee wurde 1945 mit dem Brand des Heeresarchivs Potsdam vernichtet.’
www.bodac.nl Historisch vooronderzoek OO - Schijndel Rooiseweg
Pagina 22 van 128
luchtmacht hield zich daarnaast bezig met het bestoken van vijandelijke doelen op zee. Ten behoeve van voorliggend onderzoek is geen documentatie van Coastal Command geraadpleegd. WO 171 War Office: Allied Expeditionary Force, North West Europe (British Element): War Diaries, Second World War / Naast archieven over Geallieerde luchtstrijdkrachten beschikt TNA over zogenoemde ’War Diaries’ van Britse, Canadese en Schotse grondstrijdkrachten die ten tijde van de bevrijding in Nederland operationeel waren. Uit de archiefstukken van de WO-collecties kunnen gegevens worden opgediept omtrent aanvalsdoelen, gevechtshandelingen en de gehanteerde of gebruikte OO. Ten behoeve van voorliggend onderzoek is documentatie uit WO 171 War Office geraadpleegd. In Bijlage 6 wordt een overzicht gegeven van de bestudeerde inventarisnummers. Stafkaart & het Nord de Guerre coördinatensysteem. Ten tijde van de Tweede Wereldoorlog maakten de Geallieerden gebruik van een specifiek coördinatensysteem genaamd ‘Nord de Guerre’. Met dit systeem werd Nederland onderverdeeld in kaartvierkanten van 1000 bij 1000 meter met elk een specifieke codering en nummering van ten minste vier cijfers. Wanneer gebruik werd gemaakt van zes cijfers dan besloeg dit een gebied van 100 bij 100 meter.
Geallieerde stafkaarten, waarin dit coördinatensysteem is opgenomen, zijn geraadpleegd om de desbetreffende relevante kaartvierkanten voor het onderzoek te achterhalen. Voor het onderzoek is de navolgende geallieerde stafkaart gebruikt: ✓
Stafkaart Boxtel, Holland 1:25.000, G.S.G.S. 4427 (AMS 1), First Edition 1943, sheet 18 N.E.
De volgende kaartvierkanten dekken het werkgebied af en zijn derhalve gebruikt tijdens het evalueren van de bronnen uit The National Archives (zichtbaar op de navolgende pagina): ✓
QE4136.
www.bodac.nl Historisch vooronderzoek OO - Schijndel Rooiseweg
Pagina 24 van 128
4.5.3
The National Archives and Records Administration (NARA) te Washington D.C.
United States (US) Army Records / De National Archives and Records Administration te Washington D.C. beheert collecties van de Amerikaanse land-, zee- en luchtstrijdkrachten in de Tweede Wereldoorlog. De verschillende archieftoegangen zijn ondergebracht in Record Groups. In de zogenoemde ‘After Action Reports’ is de dagelijkse verslaglegging van de Amerikaanse grondtroepen vastgelegd. Deze documenten zijn qua inhoud enigszins vergelijkbaar met de Britse ‘War Diaries’. Ten behoeve van voorliggend onderzoek is documentatie van Amerikaanse strijdkrachten geraadpleegd. Het betreft archiefstukken van Participation of the 101st Airborne Division in Operation Market Garden for the Period D- D-10, welk konden worden geraadpleegd via de toegang 7770 Collectie Veghel, 1801-1996 bij het BHIC. Record Group 549 – Records of Foreign Military Studies (FMS) Program and Related Records, 1941-1967/ Den Ouden Bodac B.V. beschikt over diverse manuscripten en interviews opgetekend en afgenomen bij leden van de Duitse legerleiding. Deze documenten geven een algemene indruk van de verdediging binnen en rondom het werkgebied en de Duitse troepensterkte. Ten behoeve van voorliggend onderzoek is geen documentatie uit deze toegang geraadpleegd. 4.5.4
Library and Archives Canada (LAC) te Ottawa
De Library and Archives Canada (LAC) te Ottawa beheert de collecties van de Canadese landstrijdkrachten in de Tweede Wereldoorlog. De inhoud en structuur van de dagelijkse verslaglegging, de zogenoemde ‘War Diaries’, is gelijk aan die van het Britse landleger. In het LAC zijn enkel de ‘Appendices’ van deze dagboeken beschikbaar. The National Archives (TNA) beschikt over de originele War Diaries. Ten behoeve van voorliggend onderzoek is geen documentatie uit het LAC geraadpleegd. Er waren geen Canadese strijdkrachten betrokken bij oorlogshandelingen in of nabij het werkgebied. Zodoende zijn documenten uit de Library and Archives Canada (LAC) niet relevant.
4.6 Luchtfotoanalyse Ten tijde van de Tweede Wereldoorlog maakten de geallieerden gebruik van uitgebreide luchtfotoanalyses om troepenbeweging te ontdekken, resultaten van bombardementen waar te nemen en nieuwe ‘targets’ e.d. te vinden. Het doel van de luchtfoto-interpretatie is – de in de geschreven bronnen gevonden – indicaties visueel inzichtelijk te maken, alsmede additionele informatie te vergaren. Met behulp van luchtopnamen is dikwijls vast te stellen of het onderzoeksgebied betrokken is geweest bij oorlogshandelingen. Sporen van kraters, beschadigde woningen, troepenverplaatsingen of stellingen (militaire vergraving) kunnen aanwijzingen zijn voor een mogelijk verdacht gebied. Op de volgende pagina is een kaart ingevoegd (250723_H25040_LUFO_01) met daarop de ligging van geraadpleegde luchtfoto’s ten opzichte van het onderzoeksgebied. In bijlage 6 Overzicht geraadpleegd bronnenmateriaal is meer achtergrondinformatie over de luchtfoto’s te vinden.
www.bodac.nl Historisch vooronderzoek OO - Schijndel Rooiseweg
Pagina 26 van 128
4.6.1
Methodiek
Conform het CS-VROO worden de meest geschikte luchtfoto’s geselecteerd voor de interpretatie van het onderzoeksgebied. Tijdens de selectie houdt Den Ouden Bodac B.V. rekening met: ✓
Beschikbaarheid van luchtfoto’s van het te onderzoeken gebied;
✓
Dekking;
✓
Opnamedatum in relatie tot oorlogshandelingen;
✓
Kwaliteit fotobeeld;
✓
Schaal.
Luchtfoto’s zullen, op basis van de data van de oorlogshandelingen, met data van vóór, ten tijde en ná de gevonden indicaties geraadpleegd worden. Ten behoeve van de luchtfoto-interpretatie zal Den Ouden Bodac B.V. letten op de verschillende typen luchtfoto’s, de meest bruikbare foto’s zijn de zogenoemde ‘verticals’.12 Met behulp van beeldparen kunnen verstoringen in de foto’s geanalyseerd en gedefinieerd worden. Het programma Photoshop wordt gebruikt om de foto’s bij te snijden en grijswaarden toe te passen. Door middel van het georeferentiesysteem ArcGIS Pro kunnen mogelijke indicaties op de juiste locatie gepositioneerd worden.13 Niet alleen de selectie van foto’s kan invloed hebben op de luchtfotoanalyse. Een luchtfoto blijft een momentopname van de situatie van het onderzoeksgebied ten tijde van fotograferen. Niet alleen kunnen wolken, bebouwing, schaduwwerking, groei van planten of water (bijvoorbeeld inundatie) hinderlijk zijn tijdens de luchtfoto-interpretatie. Ook herstelwerkzaamheden of camouflage kunnen een vertekend beeld geven van mogelijke oorlogshandelingen. Tijdens de luchtfotoanalyse maakt Den Ouden Bodac B.V. een classificatie van objecten welke relevant kunnen zijn voor het onderzoek. Drie termen zullen de validiteit van een object of verstoring bepalen.
Het begrip ‘bevestigd’ wordt ingezet wanneer de betrouwbaarheid grenst aan zekerheid, waarbij de waarneming met een tweede bron bevestigd kan worden. Het begrip ‘waarschijnlijk’ zal ingezet worden wanneer er een overwegende zekerheid bestaat over de validiteit van de classificatie van het object op de luchtfoto. Als er een overwegende onzekerheid bestaat over de validiteit van de classificatie van het object op de luchtfoto, dan zal de term ‘mogelijk’ gebruikt worden. Indien een object met de betrouwbaarheid ‘mogelijk’ invloed heeft op de afbakening van een verdacht gebied, streeft Den Ouden Bodac B.V. ernaar om aanvullende bronnen te raadplegen.14 De luchtfotoanalyse wordt in tabelvorm opgenomen in Bijlage 2. Dit geschied op twee manieren. Ten eerste wordt een aparte kolom in de indicatietabel onderzoek conflictperiode opgenomen, waarbij de luchtfotoanalyse wordt uitgevoerd met betrekking tot een specifieke indicatie. In dit geval wordt de luchtfoto gebruikt als ‘onderbouwende’ bron. Ten tweede worden indicaties die enkel herleidbaar zijn naar de luchtopname zelf in een aparte luchtfotoanalyse beoordeeld. Luchtfoto’s worden in dit geval als onafhankelijke bron beschouwd. Tot slot maakt Den Ouden Bodac B.V. gebruik van een bedrijfsspecifieke GIS-codering betreffende het onderzoek van bronnenmateriaal en de luchtfotoanalyse.
Met behulp van deze codering wordt getracht een koppeling te maken tussen de verschillende indicaties uit het vooronderzoek in relatie tot het kaartmateriaal. Indien relevante indicaties geografisch ingetekend kunnen worden, zal de GIS-code in Bijlage 2 beschreven worden. Er wordt bij het optekenen van de GIS-codering rekening gehouden met het verschil tussen indicaties afkomstig uit literatuur en archiefmateriaal, en indicaties afkomstig uit de luchtfotoanalyse. Wanneer indicaties afkomstig zijn vanuit literatuur of archiefmateriaal wordt de GIS-
12 13
De kwaliteit van de luchtfotoanalyse heeft onder andere te maken met de opnamehoek en opnamehoogte van de foto’s. Vanwege verschillende aspecten (kwaliteit luchtfoto, opnamehoek, brandpunt, snelheid vliegtuig en de beschikbare georeferentie
punten) treedt er tijdens de georeferentie van luchtfoto’s een afwijking van vijf tot tien meter op. In dit onderzoek wordt een tolerantie gehanteerd van tien meter. Het object met betrouwbaarheid ‘mogelijk’ zal door Den Ouden Bodac B.V. geverifieerd worden met behulp van andere luchtfoto’s met verschillende data. Daarnaast zal getracht worden om aanvullende indicaties uit het literatuur- en archiefonderzoek te vinden. 14
www.bodac.nl Historisch vooronderzoek OO - Schijndel Rooiseweg
Pagina 27 van 128
codering gekoppeld aan de letter ‘A’ (archief). Voor indicaties afkomstig uit de luchtfotoanalyse wordt de letter ‘L’ (luchtfoto) gebruikt. Wanneer indicaties in beide bronnen voorkomen worden beide letters genoteerd. In de paragraaf 4.7 Conclusie onderzoek conflictperiode is een tabel opgenomen met daarin alle indicaties die als relevant voor het onderzoeksgebied zijn beoordeeld. 4.6.2
Selectie beeldmateriaal
Voor dit onderzoek heeft Den Ouden Bodac B.V. een inventarisatie uitgevoerd van beschikbare luchtfoto’s in nationale en internationale archieven. In Nederland bestaan momenteel twee archieven die samen een vrij complete collectie beheren van relevante luchtopnamen die gemaakt zijn door zowel de Britse als de Amerikaanse luchtmacht. Een deel van deze collecties bevindt zich in de afdeling Speciale Collecties, Bibliotheek Wageningen University (WUR) te Wageningen. Het andere deel beheert het Kadaster GEOInformatie (KAD) te Zwolle. De luchtfoto’s uit beide archieven kunnen geleverd worden door de site www.dotkadata.nl. Naast de verplichte Nederlandse archieven beschikken ook internationale archieven over luchtfoto’s van Nederland. Den Ouden Bodac B.V. heeft derhalve de luchtfotocollecties van The National Collection of Aerial Photography (NCAP) te Edinburgh geraadpleegd. In Bijlage 6 wordt een overzicht gegeven van de geselecteerde en geanalyseerde luchtfoto’s. In Bijlage 2 worden de resultaten van de luchtfotoanalyse gepresenteerd in de indicatietabel en (indien van toepassing) separaat.
4.7
Conclusie onderzoek conflictperiode
Uit het onderzoek conflictperiode is gebleken dat er relevante en herleidbare indicaties zijn gevonden in de literatuur, archiefstukken en/of de luchtfotoanalyse. In Bijlage 2 is een overzicht in chronologische tabelvorm gegeven van de bevindingen uit het onderzoek. Van sommige indicaties is het niet mogelijk gebleken een exacte locatie vast te stellen. Deze zijn omwille van de historische context en/of relevantie wel opgenomen in het overzicht. Wanneer een gebeurtenis buiten de buffer van het onderzoeksgebied heeft plaatsgevonden, of als de precieze locatie niet bekend is, dan wordt dit vermeld. In het overzicht wordt tevens vermeld of een gebeurtenis als relevant of niet relevant kan worden beschouwd voor het onderzoeksgebied. Wanneer een indicatie ‘relevant’ is, wordt dit aangegeven met een semi-rode kleur. Bij een indicatie die ‘niet relevant’ wordt bevonden, zal dit aangegeven worden met een semi-groene kleur. Zodoende is visueel direct duidelijk welke indicaties een verdachte afbakening tot gevolg kunnen hebben. Middels een GIS-codering worden relevante indicaties uit de indicatietabel onderzoek conflictperiode en welke indicaties zichtbaar zijn op luchtopnamen, gekoppeld aan de inventarisatiekaart in Bijlage 1. 1. Op 17 september 1944 ving Operatie Market Garden aan, wat voor het onderzoeksgebied al snel consequenties zou hebben.
De Schijndelse Heide was een geallieerde landingsplek, maar het initiële doel was om de bruggen bij Veghel veilig te stellen en de geallieerde Corridor vrij te maken en houden. Diezelfde avond arriveerde vanuit ’s-Hertogenbosch het Duitse Ewaldbataljon voor een tegenaanval. Dit bataljon ging via de Rooiseweg richting St. Oedenrode, maar stuitte halverwege op een linie van de Amerikaanse 502nd. Daar brak men niet doorheen en het bataljon groef zich in ten zuiden van het Schijndelse spoor, waaronder, op basis van luchtfotoanalyse, binnen het onderzoeksgebied. Het kreeg daarbij versterking van een flakbrigade, welke zich, wederom gebaseerd op luchtfotoanalyse, positioneerde in de bufferzone. De volgende dag reed een zevental Amerikaanse jeeps na een navigatiefout op het Ewaldbataljon in en belandde in een hinderlaag van Duits geweer- en mortiervuur, vermoedelijk dus ook afgevuurd vanuit het onderzoeksgebied. Een reddingsoperatie van de 502nd vanuit St. Oedenrode vond (succesvol) plaats, waarbij men wellicht ook vuurde op doelwitten binnen het onderzoeksgebied. Op 22 september 1944 ontstond een nieuwe situatie rond het onderzoeksgebied. Die nacht waren het 1e en 3e bataljon van de 501st vanuit Heeswijk en Eerde Schijndel binnengekomen. Gedurende de ochtend werd het plan gemaakt om aansluiting te vinden met de 502nd, dat wederom aanviel vanuit St. Oedenrode.
www.bodac.nl Historisch vooronderzoek OO - Schijndel Rooiseweg
Pagina 28 van 128
Zodoende trok het 3e bataljon via de oostzijde van de Rooiseweg, ook door het onderzoeksgebied, in zuidelijke richting. Bij deze gevechtshandelingen sneuvelden ook soldaten, wat het mogelijk maakt dat er a) op hen werd gevuurd terwijl zij in het onderzoeksgebied waren en b) zij op Duitse troepen vuurden vanuit het onderzoeksgebied. Uiteindelijk moesten de Amerikaanse troepen zich terugtrekken naar Eerde in verband met een grote Duitse tegenaanval op Veghel. Bij elkaar genomen maakt dit het gehele onderzoeksgebied verdacht op infanteriemunitie. 2. Vanaf 25 september 1944 komen er in de war diaries van Britse artillerie-eenheden coördinaten voor die beschietingen in/rondom het onderzoeksgebied en de bufferzone noteren, wat op meerdere data zo zal zijn tot aan de aan de Britse Operatie Colin op 23 oktober. Het was ook tijdens deze dagen, rond 27 september, dat de frontlinie bevroor, exact op het onderzoeksgebied. Dit betekende niet dat de situatie statisch was. De 1/5th Welch Regiment, dat wekenlang aan de Britse grens van de frontlinie zat bij de Rooiseweg, noteerde patrouilles en gevechten rondom het onderzoeksgebied, maar eveneens waren er meldingen van Duitse infiltraties bij de Damianus-stichting, 2 kilometer ten zuiden. Het 1/5th Welch Regiment had als tactiek om de Duitse posities gedurende de dag te bestoken met 3-inch mortieren en mitrailleurvuur.