Bijlage 3 - Woonzorganalyse gemeente Meierijstad - versie 2.0
Tekst van het document
Woonzorganalyse Gemeente Meierijstad
Gemeente Meierijstad 29 juli 2024 Definitief
DATUM
29 juli 2024
TITEL
Woonzorganalyse
OPDRACHTGEVER
Gemeente Meierijstad
AUTEUR(S)
Tara Koster Martin Bleijenburg
PROJECTNUMMER
1948.106/G
STATUS
Definitief
Tivolilaan 205 6824 BV Arnhem Postbus 1174 6801 BD Arnhem www.companen.nl info@companen.nl 026 351 25 32 KvK-nummer: 09035291 BTW-nummer: NL001826517B01
Inhoud 1 1.1 1.2 1.3 1.4
Inleiding Onderzoeksvragen Verantwoording Doelgroepen Leeswijzer
4 4 4 5 5
2
Ouderen
6
3
Mensen met een lichamelijke beperking
12
4
Mensen met een verstandelijke beperking
15
5
Mensen met psychiatrische problematiek
18
6
Jeugdzorg met verblijf
21
7
Dak- en thuislozen
23
Bijlage 1: Aanbodoverzicht
25
Bijlage 2: De Doorzonscan
28
Bijlage 3: Afkortingen en begrippen
29
Bijlage 4: Woonstijlen
30
Bijlage 5: Factsheets
40
1 Inleiding Het is goed wonen in de gemeente Meierijstad. Maar door onder andere de krapte op de woningmarkt en uitdagingen in de zorgsector staat dit steeds meer onder druk. Steeds meer mensen hebben moeite om een goede betaalbare woning te vinden. Tegelijkertijd verandert de woonvraag. Het aantal “oudere” ouderenhuishoudens (85+ jaar) verdubbelt van 1.400 in 2023 naar 3.200 in 2040. Deze ouderen zullen steeds langer zelfstandig wonen. Naast ouderen moeten ook andere mensen (weer) zelfstandig wonen en hun weg vinden op de woningmarkt. Denk bijvoorbeeld aan mensen met psychosociale problematiek (GGZ) of een beperking (verstandelijk of lichamelijk). Om mensen met een zorg- of ondersteuningsvraag een fijn thuis te bieden is samenwerking tussen de gemeente, zorg- en welzijnsaanbieders, corporaties, KBO’s, stichtingen, beleggers en projectontwikkelaars (met innovatieve producten/domotica) nodig: zij moeten er immers samen voor zorgen dat de woonomgeving en de sociale en zorginfrastructuur zodanig op elkaar worden afgestemd dat mensen met een zorgvraag prettig kunnen wonen en leven. Gemeenten zijn vanaf 2026 verplicht een woonzorgvisie op te stellen waarin ze aangeven hoe ze invulling willen geven aan de vraag naar woonruimte vanuit ouderen en verschillende ‘aandachtsgroepen’, en aan de zorg en ondersteuning die daarvoor nodig is.
Dit onderzoek heeft als doel om de opgave voor ouderen en aandachtsgroepen inzichtelijk te maken. De resultaten dienen als onderlegger voor de lokale woonzorgvisie die de gemeente Meierijstad aan het opstellen is.
1948.106/G | Woonzorganalyse
1.1 Onderzoeksvragen Dit onderzoek heeft als hoofddoel om inzicht te krijgen in de huidige en toekomstige vraag naar en het aanbod aan passende woningen en woonvormen voor mensen met een (toekomstige) zorg- of ondersteuningsvraag in de gemeente Meierijstad. De onderzoeksvragen zijn: • Wat is de verwachte ontwikkeling van de vraag naar verschillende vormen van wonen met zorg in de gemeente, rekening houdend met demografische ontwikkelingen in de gemeente Meierijstad en (maatschappelijke) trends? • Wat is het huidige aanbod aan woningen en woonvormen voor de verschillende doelgroepen? • Wat is de behoefte aan voorzieningen en hoe is het voorzieningenaanbod over de gemeente verdeeld? • Welke mogelijke kwantitatieve en kwalitatieve knelpunten zijn er in de match tussen vraag en aanbod aan passende woningen, woonzorgvormen, voorzieningen, zorg- en welzijnsinfrastructuur, nu en op langere termijn (2025, 2030, 2035, 2040) en welke aanvullende maatregelen zijn nodig om hierin te voorzien? • Met het zicht op de huisvestingsopgave ligt er een basis voor het opstellen van de woonzorgvisie en een afwegingskader voor huisvestingsinitiatieven.
1.2 Verantwoording Bij het inschatten van de toekomstige behoefte hebben wij gebruik gemaakt van de Woonzorgweter van Companen. Met dit model maken wij prognoses van de toekomstige vraag naar woonvormen voor mensen met een zorgvraag
4
op basis van gegevens over het huidig zorggebruik en demografische ontwikkelingen. Om de invloed van (lokale) trends en ontwikkelingen ook mee te kunnen nemen in de prognoses hebben wij twee stakeholdersbijeenkomsten gehouden met vertegenwoordigers van de gemeente, zorgaanbieders, corporaties, welzijnspartijen en Adviesraad Sociaal Domein. In deze bijeenkomsten zijn trends en ontwikkelingen besproken die volgens deze partijen van invloed zullen zijn op de vraag naar woonvormen. Het gaat dan om de gevolgen van nieuw beleid, maar bijvoorbeeld ook om technologische ontwikkelingen en de ontwikkeling van nieuwe woonconcepten. De opbrengst van deze bijeenkomsten is gebruikt om aannames te bepalen die zijn meegenomen in de modelmatige berekeningen. Op deze manier zijn prognoses opgesteld die zoveel mogelijk aansluiten bij de praktijk in de gemeente Meierijstad.
1.3 Doelgroepen In het onderzoek worden de volgende doelgroepen onderscheiden: • Ouderen (65+) • Mensen met een lichamelijke beperking (LG) • Mensen met een verstandelijke beperking (VG) • Mensen met psychiatrische problematiek (Beschermd Wonen) • Jeugdzorg met verblijf • Dak- en thuislozen
zorgvraag hebben. Het zijn wel groepen die in andere beleidsstukken worden meegenomen en een plek moeten krijgen in de woonzorgvisie.
1.4 Leeswijzer In deze notitie zijn de resultaten weergegeven op fact sheets. Deze fact sheets staan achteraan in bijlage 5. Daarnaast behandelen we steeds per doelgroep hoe de resultaten tot stand zijn gekomen en welke aannames zijn gebruikt (hoofdstuk 2 tot en met 7). In de bijlage is een overzicht van het huidige aanbod aan woon(zorg)plekken voor de verschillende doelgroepen opgenomen (bijlage 1), uitleg over de geschiktheidsanalyse (bijlage 2), een overzicht van gebruikte afkortingen en definities in dit onderzoek (bijlage 3) en een toelichting op de woonstijlen (bijlage 4). Als aanvulling op dit rapport is een interactieve kaart ontwikkeld waarop relevante voorzieningen en woonzorglocaties te zien zijn, evenals het aandeel 65-plussers (in een (niet-)geschikte woning) op kernniveau. Deze kaart is te vinden via de volgende link: https://www.companen.nl/arcgis/woonzorganalysemeierijstad
We behandelen steeds per doelgroep hoe de resultaten tot stand zijn gekomen. We nemen niet alle aandachtsgroepen1 mee in dit onderzoek, zoals studenten, arbeidsmigranten of statushouders, omdat zij doorgaans geen
1
Deze term komt uit het landelijk Programma Een thuis voor iedereen en duidt op groepen die het extra moeilijk hebben op de woningmarkt.
1948.106/G | Woonzorganalyse
5
•
2 Ouderen Lang niet alle ouderen (65-plussers) hebben een zorgvraag, en lang niet alle ouderen hebben behoefte aan een specifiek soort woning vanwege die zorgvraag. Verreweg de meeste ouderen wonen zelfstandig en zijn vitaal. Ook van de ouderen met een zorgvraag woont een groot deel zelfstandig, al dan niet met ondersteuning vanuit de wijkverpleging en het eigen sociaal netwerk.
•
•
Zorgvraag in beeld Het vitaliteitstredenmodel van Companen geeft nader inzicht in de woonbehoefte van ouderen, op basis van de zorgvraag van betrokkenen. Het model bevat vier treden. In de eerste trede zitten de meest vitale ouderen, die niet of nauwelijks gebruik maken van zorg; in de vierde trede vallen ouderen met een zware zorgvraag. In het model worden ouderen (65-plus) ingedeeld op basis van de ‘zwaarste’ zorgvorm die zij het afgelopen jaar ontvingen. Als voorbeeld: ouderen die zowel huishoudelijke hulp vanuit de Wmo krijgen als wijkverpleging vanuit de Zvw, tellen we mee in vitaliteitstrede 3.
1948.106/G | Woonzorganalyse
•
Toelichting Vitaliteitstredenmodel De meest vitale ouderen zitten in vitaliteitstrede 1. Zij hebben geen zorgindicatie, maar maken hooguit gebruik van eerstelijns huisartsenzorg of zorg van de specialist (vanwege een acute zorgvraag, chronische ziekte of specialistische geestelijke gezondheidszorg). Als ouderen gebruikmaken van Wmo-ondersteuning, dan vallen ze in vitaliteitstrede 2. Het gaat hier ook om relatief vitale ouderen. De ondersteuning die zij krijgen bestaat uit hulpmiddelen, voorzieningen, huishoudelijke hulp of andere ondersteuning waarvoor een eigen bijdrage verschuldigd is. In vitaliteitstrede 3 vallen ouderen die wijkverpleging ontvangen vanuit de Zvw. Een deel van deze mensen ontvangt ook ondersteuning vanuit de Wmo. In vitaliteitstrede 4 vallen ouderen die een Wlz-indicatie hebben. Ouderen met een Wlz-indicatie kunnen terecht in een verpleeghuis, maar zij kiezen er tegenwoordig vaker voor om zelfstandig te blijven wonen met intensieve zorg (vanuit een Volledig Pakket Thuis). Op die manier kunnen zij zo lang mogelijk zelf regie houden over hun woon(zorg)situatie.
• Figuur 2.1: Vitaliteitstredenmodel
6
De indeling in treden geeft inzicht in de zorgvraag en vitaliteit van ouderen, en is daarmee een goede voorspeller van de woonvraag. Uit woonwensenonderzoeken blijkt dat ouderen naarmate ze minder vitaal worden, vaker een voorkeur hebben voor een geclusterd woonconcept voor ouderen. Dit is ook terug te zien in het feitelijk woongedrag van ouderen. Dat betekent niet dat in geclusterde woonvormen alleen ouderen met een (zware) zorgvraag wonen: er zijn ook ouderen die al voordat ze een zorgvraag ontwikkelen, graag willen verhuizen naar geclusterd wonen: niet vanwege hun actuele zorgvraag, maar uit voorzorg, of vanwege een behoefte aan sociaal contact of comfort. In vitaliteitstrede 4 woont een aanzienlijk deel van de ouderen in een woonconcept waar intensieve zorg geboden wordt (zoals een verpleeghuis); ook voor deze groep geldt echter dat een deel nog in een reguliere woning woont. In de toekomst zal een groter deel van de ouderen met een intensieve zorgvraag buiten een verpleeghuis of woonzorgcentrum wonen, door de landelijke ontwikkeling dat er geen verpleeghuisplekken bij komen. Het volgende figuur laat zien wat de huidige en toekomstige verdeling is van ouderen in de gemeente Meierijstad naar de verschillende vitaliteitstreden, uitgaande van het huidige zorggebruik per leeftijdscategorie en de demografische prognose.
1948.106/G | Woonzorganalyse
Figuur 2.2: Prognose vitaliteit ouderen in Meierijstad, naar vitaliteitstrede (in personen)
700 400 2.700 1.300
800 480 3.030 1.560
890 570 3.280 1.770
580 300 2.220 970
620 320 2.360 1.060
14.170
14.930
16.700
18.000
18.280
2023
2025
2030
2035
2040
Vitaliteitstrede 1
Vitaliteitstrede 2
Vitaliteitstrede 3
Vitaliteitstrede 4 - SOM
Vitaliteitstrede 4 - PG
Vraag naar woonvormen De informatie over de verdeling van ouderen naar de verschillende vitaliteitstreden combineren we met informatie over de feitelijke woonsituatie (op basis van CBS microdata en informatie zorgkantoren) en woonwensen per vitaliteitstrede (WoON2021). • Van de ouderen zonder zorgindicatie (vitaliteitstrede 1), een wmo-indicatie (vitaliteitstrede 2) of zvw-indicatie (vitaliteitstrede 3) weten we op basis van CBS-microdata hoe zij feitelijk wonen in de gemeente: in een reguliere woning of geclusterde woning. • Voor de ouderen met een Wlz-indicatie (vitaliteitstrede 4) is hun woonsituatie niet uit CBS-microdata te halen. Daarom doen we aannames op basis van informatie van de aanwezigen tijdens de stakeholdersbijeenkomst in combinatie met wat wij elders horen in de provincie Noord-Brabant.
7
Woonvormen ouderen • Reguliere woningen zijn niet-geclusterde woningen die niet gelabeld of bestemd zijn voor een bepaalde doelgroep. Het gaat hierbij om zowel grondgebonden gezinswoningen als om appartementen of studio’s. • Geclusterd wonen is een woonvorm voor ouderen met of zonder zorg die zelfstandig willen wonen, maar wel met een zekere mate van beschutting en de mogelijkheid voor laagdrempelig contact met buren. De woningen zijn levensloopgeschikt en er is een mogelijkheid voor ontmoeten inpandig of in de directe woonomgeving. Eventuele zorg aan bewoners wordt betaald vanuit de Zvw, Wmo of Wlz (vanuit een VPT of MPT). Intramurale voorzieningen vallen niet in deze categorie. Een Wlz-zorgindicatie is geen voorwaarde om hier te komen wonen. Onder geclusterde woonvormen valt een uiteenlopend palet aan woonvormen: van klassieke seniorencomplexen en aanleunwoningen tot hofjes. • Woonzorgcentrum is een woonvorm die alleen toegankelijk is voor ouderen met een Wlz-zorgvraag (eventueel plus partner). De Wlz-zorg kan intramuraal of extramuraal (vanuit een VPT of MPT) gefinancierd worden. Er zijn verschillende verschijningsvormen: binnen deze categorie vallen zowel verpleeghuizen en grootschalige woonzorgcentra als kleinschalige woonvormen, bijvoorbeeld voor mensen met dementie. Voor de vertaling van de woonvraag per vitaliteitstrede in de huidige situatie, zie tabel 2.1.
In de demografische doorrekening (ook wel basisprognose) maken we een doorrekening van de vraag naar woonzorgcentrumplekken, geclusterd en regulier wonen waarbij we de huidige situatie (tabel 2.1) demografisch doorrekenen. Dit is een beleidsvrije prognose.
1948.106/G | Woonzorganalyse
Tabel 2.1: Vertaling woonvraag per vitaliteitstrede (situatie 2022) Woonvormen voor Trede 4 65-plussers in 2020 Trede 1 Trede 2 Trede 3 SOM Regulier wonen 89% 74% 71% 9% Geclusterd wonen 11% 26% 29% 11% Woonzorgcentrum 0% 0% 0% 80%
Trede 4 PG 9% 11% 80%
Met de basisprognose als vertrekpunt zijn we in gesprek gegaan met stakeholders. In de bijeenkomst hebben we trends en ontwikkelingen besproken die van invloed kunnen zijn op de toekomstige vraag naar wonen met zorg voor ouderen. Op basis van de bespreking hebben we een trendvariant van de behoefteprognose uitgewerkt waarin we rekening hebben gehouden met de volgende punten die uit het gesprek naar voren kwamen: • Een groter deel van de mensen met een Wlz-indicatie zal buiten een woonzorgcentrum wonen. Dat sluit aan bij de wens van veel ouderen om eigen regie te houden, maar is ook een gevolg van gebrek aan personeel. • We voorzien geen stijging in het aanbod van het aantal intramurale plekken in woonzorgcentra. De stijging van het aantal ouderen met een Wlzindicatie (vitaliteitstrede 4) zal vooral opgevangen moeten worden in zowel woonzorgcentrum extramuraal (VPT/MPT) als in geclusterde woonvormen. Eenzaamheid onder ouderen is een groot probleem. Met het clusteren van woningen kan eenzaamheid bij ouderen worden tegengaan. Daarnaast kan de zorg efficiënter worden geleverd in geclusterde woonvormen. Geclusterd wonen brengt schaalvoordelen met zich mee, doordat thuiszorgorganisaties meer naar één plek kunnen rijden waar meerdere zorgvragers wonen.
De zorgaanbieders noemden een aantal randvoorwaarden om zorg aan huis (via een vpt) te leveren: – Geclusterd concept met minstens 10 vpt cliënten. – Geclusterd concept ligt maximaal een kilometer van een zorgsteunpunt van waaruit de zorg wordt geleverd.
8
– Er moeten voorzieningen in de buurt zijn (zoals ontmoeten, welzijn, supermarkt, etc.). • We verwachten dat ouderen met een psychogeriatrische zorgvraag (PG) relatief vaker een beroep zullen doen op een woonzorgcentrum dan ouderen met een somatische zorgvraag (SOM). • We verwachten dat richting de toekomst relatief meer mensen in vitaliteitstrede 1 tot en met 3 zullen verhuizen naar een geclusterde woonvorm, uit voorzorg (voorsorteren) of vanwege een behoefte aan sociaal contact of comfort. De nieuwe generatie ouderen is – of wordt – zich meer bewust van de noodzaak om tijdig te anticiperen op hun toekomstige zorgvraag en zal daardoor eerder deze stap zetten. Mits er uiteraard voldoende aantrekkelijk, en divers aanbod van geclusterde woningen is. Tabel 2.2 toont de aannames die we hebben gehanteerd voor het jaar 2040 in de trendprognose. In de trendprognose maken we een prognose van de vraag naar woonzorgcentrumplekken, geclusterd en regulier wonen waarbij we niet alleen de demografische ontwikkeling meenemen. We houden ook rekening met een geleidelijke verschuiving van de woonvraag per vitaliteitstrede richting de situatie zoals die in onderstaande tabel is weergegeven.
Tabel 2.2: Vertaling woonvraag per vitaliteitstrede in trendprognose (situatie 2040) Woonvormen voor Trede 4 - Trede 4 65-plussers in 2020 Trede 1 Trede 2 Trede 3 SOM PG Regulier wonen 83% 69% 64% 9% 9% Geclusterd wonen 17% 31% 36% 29% 21% Woonzorgcentrum 0% 0% 0% 62% 70%
Vraag naar woonconcepten binnen geclusterd wonen De woonwensen van ouderen zijn divers. De woonvorm ‘geclusterd wonen’ is een verzamelnaam voor diverse woningtypes en woonconcepten die
1948.106/G | Woonzorganalyse
beschutting, comfort en ontmoeting bieden. Verschillende groepen ouderen zoeken daarbij verschillende typen geclusterde woonvormen. Welke keuzes groepen ouderen hierin maken is onder meer afhankelijk van hun waardenprofiel en financiële mogelijkheden, die wij samenbrengen in zogeheten ‘woonstijlen’. We onderscheiden 12 ‘woonstijlgroepen’ onder (toekomstige) ouderen, die verschillen qua woonvoorkeuren. De indeling in woonstijlen is gebaseerd op analyses van woongedrag en woonwensen van ouderen, zoals die naar voren komen in CBS-microdata, het WoON en sociologisch onderzoek naar generaties en waardepatronen. Deze inzichten zijn gekoppeld aan achtergrondkenmerken van ouderen, zoals het inkomen, leeftijd, huishoudenssamenstelling, stedelijkheid, opleiding en vermogen. In welke woonstijl iemand is ingedeeld, is onder meer afhankelijk van het geboortejaar (generatie) en de financiële positie. Tabel 2.3: Indeling voor woonstijlen naar generatie (geboortejaar) en financiële positie
Stille Generatie (1940 e.o.) Protestgeneratie (1940 - 1955) Generatie X (1955 - 1970) Pragmatische generatie (1970 - 1985)
Lagere financiële positie Kwetsbare Ouderen Traditionele buurtbewoners Actieve buurtbewoners
Middel financiële positie Oudere comfortzoekers Vitale comfortzoekers Moderne hofjesbewoners
Hoge financiële positie Welgestelde cultuurminnaars Welgestelde levensgenieters Ondernemende levensgenieters
Laag
Middel
Hoog
Wij maken een inschatting van de keuze die mensen gaan maken op het moment dat zij verhuizen naar een geclusterde woonvorm voor ouderen. Dit leidt tot een ‘woonmix’ per woonstijl. In de woonmix maken wij primair het onderscheid tussen de voorkeur voor appartementen (afkorting app: weinig onderhoud, overzichtelijk en gezamenlijke voorzieningen) en grondgebonden
9
woningen (afkorting ggb: groter woonoppervlak, buitenruimte en meer zelfstandigheid). Secundair geven we aan welke woonconcepten goed passen bij de waarden en de financiële positie van de woonstijlen. De ideale woonmix van de totale groep ouderen zal van jaar op jaar veranderen, omdat generaties elkaar opvolgen en de verhouding tussen de woonstijlen dus ook verandert. We zien dat de ‘stille generatie’ geleidelijk aan uit beeld verdwijnt en Generatie X zijn opwachting maakt. Vanaf 2040 zien we dat een nieuwe generatie in beeld komt: de ‘Pragmatische generatie’. Op basis van de woonwensen per woonstijl en de prognose van woonstijlen is het mogelijk om een prognose op te stellen van gewenste woningtypes en woonconcepten binnen het geclusterd wonen. In de factsheets wordt weergegeven hoe de behoefte aan diverse woonconcepten binnen het geclusterd wonen zich door de tijd naar verwachting zal ontwikkelen.
Uitsplitsing naar marktsegment binnen geclusterd wonen Op basis van het WoON2021 en CBS-Microdata is achterhaald waar de groep 65-plussers nu wonen en hoe zij graag willen wonen. Dat maakt het mogelijk om de prognose voor geclusterd wonen voor ouderen verder uit te splitsen naar marktsegment. In de factsheets wordt weergegeven wat de huidige en toekomstige behoefte aan sociale huur, vrije sector huur en koop binnen het geclusterd wonen is.
Uitsplitsing naar kernen De behoefteprognose is ook op een lager schaalniveau doorgerekend. Hierin is rekening gehouden met de wisselende bevolkingsopbouw binnen de kernen in Meierijstad. Uitgangspunt van de berekening is de veronderstelling dat de meeste ouderen het liefst in de eigen kern willen blijven wonen als zij verhuizen naar een geclusterde woonvorm of woonzorgcentrum. In veel kernen is het
1948.106/G | Woonzorganalyse
bevolkingsaantal – en daarmee het aantal ouderen – te laag om een betrouwbare behoefteprognose aan woonvormen voor ouderen op te stellen op kernniveau. Daarom zijn de kernen samengevoegd in vier clusters: Erp (+ Keldonk en Boerdonk), Schijndel (+ Wijbosch), Sint-Oedenrode (+ Olland, Boskant en Nijnsel) en Veghel (+ Mariaheide, Eerde en Zijtaart).
De huisvestingsopgave: match vraag en aanbod Met behulp van CBS-microdata, een aanbodinventarisatie onder zorgaanbieders en corporaties door Companen (2020) en een overzicht aan woonzorgaanbod door de gemeente Meierijstad (2023), is het aanbod aan woonvormen voor ouderen in beeld gebracht. Tabel 2.4: Aanbod aan woonvormen voor ouderen
Woonzorgcentrum 337 184 35 23 31 20
Geclusterd wonen Vrije Sociale sector huur huur Koop 310 77
BrabantZorg Stichting Laverhof Amaliazorg Stepping Stones Residentie De Meierij Dagelijks Leven Woonmeij 560 Area Wonen 636 BrabantWonen 23 Woonzorg Nederland 124 Schatting op basis van 180 250 microdata Totaal 630 1.730 180 250 Bron: Aanbodinventarisatie Companen (2020), aanbodinventarisatie gemeente (2023) en CBS-Microdata.
10
De gemeente Meierijstad beschikt momenteel over 1.730 sociale huurwoningen in geclusterde woonvormen voor ouderen. Het gaat hier om woningen in complexen die hoofdzakelijk door ouderen worden bewoond én toegankelijk zijn zonder Wlz-indicatie. Verder zien we 630 plaatsen voor woonzorgcentrum. Deze plekken worden bewoond door mensen met somatische of psychogeriatrische klachten. De praktijk leert dat een (groot) deel van deze plekken wisselend inzetbaar is: hetzij voor mensen met somatische of psychogeriatrische problematiek. De tabel toont het aanbod aan woonvormen voor ouderen zoals dat in de inventarisatie naar voren is gekomen. Het aanbod in de vrije sector huur en koopsector komt vanuit CBS-Microdata; mogelijk hebben we niet al het aanbod in deze sectoren compleet in beeld. In de fact sheets vergelijken we de vraagprognose met het aanbod aan geclusterd wonen en woonzorgcentrum.
1948.106/G | Woonzorganalyse
11
3 Mensen met een lichamelijke beperking Tussen de (somatische) ouderenzorg en de zorg voor mensen met een lichamelijke beperking bestaat enige overlap. Mensen met een (al dan niet aangeboren) lichamelijke beperking hebben net als ouderen vaak behoefte aan een aangepaste woning en soms ook aan (intensieve) zorg. We brengen de langdurige zorgvragers met een lichamelijke beperking in beeld, en we gaan in op de vraag naar toegankelijke woningen vanuit deze groep en de groep ouderen.
Vraag naar woonplekken voor mensen met een lichamelijke beperking (LG Wlz-indicatie) Om een inschatting te maken van de omvang van de groep met een Wlzindicatie vanwege een lichamelijke beperking is gebruik gemaakt van de CIZdatabank. In januari 2023 hadden in Meierijstad 130 mensen een LG-indicatie. Dit zijn met name mensen tussen de 18 en 65 jaar. Op basis van de demografische ontwikkeling verwachten we dat de vraag naar woonplekken voor deze groep de komende jaren stabiel blijft.
lichamelijke beperking kijken, hebben we zo’n 60 woonplekken (SWZ zorg) in beeld. Volgens het aanbod dat wij in beeld hebben zou er dus een tekort aan aanbod zijn. Het zou goed kunnen dat de mensen met een Wlz-indicatie vanwege een lichamelijke beperking deze krijgen in een reguliere, aangepaste woning.
Vraag naar ‘geschikte’ woningen onder ouderen en LG-doelgroep Mensen met een mobiliteitsbeperking hebben behoefte aan een ‘toegankelijke’ of ‘geschikte’ woning. Om de vraag naar geschikte woningen te bepalen, maken we gebruik van onze ervaringen uit het werkveld, woonwensenonderzoeken onder ouderen en cijfers van onderzoeksbureau ABF Research. Er zijn circa 2.920 huishoudens met een ADL-beperking2 in Meierijstad. Richting de toekomst spiegelen wij de behoefte aan geschikte woningen aan de ontwikkeling van de groep ouderen in vitaliteitstrede 2 tot en met 4. Zo houden we rekening met de effecten van de vergrijzing op de vraag naar geschikte woningen.
De vraag vanuit de groep mensen met een lichamelijke beperking kan worden opgevangen door middel van woonvormen die speciaal bedoeld zijn voor deze groep. Wanneer we naar het aanbod aan plekken voor mensen met een
Een deel van de mensen met een mobiliteitsbeperking maakt gebruik van een rolstoel; een veel groter deel heeft een lichtere beperking en kan ook uit de voeten met een rollator of stok. Dit verschil heeft ook consequenties voor het type woning dat zij nodig hebben. We splitsen de totale vraag naar toegankelijke woningen uit in ‘rolstoelgeschikte’ woningen, ‘rolstoeltoegankelijke’ woningen en ‘rollatorgeschikte’ woningen 3. In de praktijk blijkt namelijk dat een deel van de mensen die gebruik maakt van een rolstoel de rolstoel alleen buitenshuis gebruikt; zij kunnen daarom toe met een ‘rolstoeltoegankelijke’ woning.
2
3
Aanbod aan woonplekken voor mensen met een lichamelijke beperking (LG Wlz-indicatie)
Beperkingen bij Algemene Dagelijkse Levensverrichtingen zoals traplopen, zich wassen of aankleden. Bron: CBS-Microdata Gezondheidsenquête 55-plus en aanname 55-min.
1948.106/G | Woonzorganalyse
Voor definities zie bijlage 3.
12
Bij het bepalen van de vraag naar geschikte woningen maken wij onderscheid tussen mensen met een mobiliteitsbeperking die een kruk, stok of rollator gebruiken: wij gaan ervan uit dat zij behoefte hebben aan een woning die geschikt is voor een rollator. Mensen die gebruik maken van een rolstoel hebben aanvullende eisen ten aanzien van toegankelijkheid in de woning, om zich vrij te kunnen bewegen door het huis. Een deel heeft behoefte aan een rolstoeltoegankelijke woning, een deel aan een rolstoelgeschikte woning. Er is geen betrouwbaar landelijk onderzoek dat aangeeft welk deel van de mensen met een mobiliteitsbeperking gebruikmaakt van een rolstoel. Uit onderzoek dat Companen in 2022 heeft uitgevoerd onder 55-plussers in de provincie Flevoland is wel een beeld af te leiden. In een enquête is gevraagd of iemand in het huishouden gebruik maakt van een hulpmiddel waaronder een rollator of rolstoel. Daarop hebben we doorgevraagd of de rolstoel binnenshuis, buitenshuis of binnen- én buitenshuis wordt gebruikt. Het volgende beeld komt naar voren:
Een deel van de mensen die behoefte heeft aan een ‘geschikte’ woning, wil in een geclusterde woning wonen. Een ander deel geeft er de voorkeur aan om te verhuizen naar een geschikte reguliere woning, of om de bestaande reguliere woning dusdanig aan te passen dat deze geschikt wordt. In praktijk zijn er altijd meer ‘geschikte’ woningen nodig dan er mensen zijn met een mobiliteitsbeperking, om de eenvoudige reden dat een deel van de woningen die levensloopgeschikt zijn, bewoond worden door mensen zonder mobiliteitsbeperking. Om een inschatting te kunnen maken van het aantal reguliere woningen dat ‘geschikt’ moet zijn om te voorzien in de toekomstige vraag, hebben we gekeken naar het aantal mensen dat in vitaliteitstrede 2, 3 en 4 valt en in een reguliere woning woont. De behoefte aan geschikte woningen in de reguliere woningvoorraad is weergegeven op de fact sheets en gaat uit van de basisprognose. In de trendprognose is de aanname gedaan dat een groter deel van de ouderen (preventief) verhuist naar een geclusterde woning. In dat geval zijn logischerwijs minder geschikte reguliere woningen nodig.
Geschikt woningaanbod Tabel 3.1: Aandeel mensen met een mobiliteitsbeperking naar benodigd woningtype Geschiktheidstype Aandeel mensen met een mobiliteitsbeperking Rolstoelgeschikt 5% Rolstoeltoegankelijk 11% Rollatorgeschikt 84%
Door de gegevens over het gebruik van hulpmiddelen te combineren met de prognose van het totaal aantal huishoudens met een mobiliteitsbeperking, kunnen wij een inschatting maken van de behoefte aan rolstoelgeschikte-, rolstoeltoegankelijke- en rollatorgeschikte woningen. Dit figuur is opgenomen in de fact sheets.
1948.106/G | Woonzorganalyse
In de analyse van de geschiktheid van de woningvoorraad zijn wij uitgegaan van de volgende meetgraad voor ‘geschiktheid’: alle primaire voorzieningen (slaapkamer, woonkamer, toilet, badkamer en keuken) liggen gelijkvloers of zijn zonder traplopen bereikbaar. De woning is geschikt voor bewoners met geringe beperkingen bij het lopen, die eventueel een wandelstok of kruk(ken) gebruiken. Alle appartementen of (galerij)flats gelden als ‘geschikt’, zolang deze over een lift beschikken. In de analyse wordt geen rekening gehouden met de ‘buitenkant’ van de woningen. Als woningen geschikt zijn, moeten die ook extern toegankelijk zijn. Dit betekent geen opstapjes en drempels naar de voordeur en bij appartementen moeten de deuren van het complex elektrisch bediend kunnen worden.
13
Eengezinswoningen wijzen wij als ‘potentieel geschikt’ aan als zij voldoen aan één van deze kenmerken: • eengezinswoning, gebouwd na 1998; • inhoud bij koopwoning is groter dan 350 m3 en gebouwd na 1965; • inhoud bij huurwoning is groter dan 300 m3 en gebouwd na 1980; • geschakelde woning. Een verdere toelichting op de werkwijze is terug te vinden in bijlage 2. De factsheets bevatten drie figuren over het aanbod aan geschikte woningen: • Inzicht in het aantal geschikte woningen, potentieel geschikte woningen en niet-geschikte woningen. • Uitsplitsing naar leeftijdsklasse, omdat niet iedere geschikte woning wordt bewoond door een oudere met een mobiliteitsbeperking. • Uitsplitsing naar eigendomssituatie: sociale huur, vrije sector huur en koopwoning.
1948.106/G | Woonzorganalyse
14
4 Mensen met een verstandelijke beperking De groep mensen met een (licht) verstandelijke beperking kent een diverse samenstelling. Zij kunnen onder andere behoefte hebben aan verpleging of verzorging, huishoudelijke hulp of begeleiding bij gedragsproblematiek. Een groot deel van de mensen woont in een instelling; dit kan ook kleinschalig in de wijk zijn. Een klein aandeel woont zelfstandig(er) in de wijk met ambulante begeleiding.
Vraag naar woonplekken voor mensen met een verstandelijke beperking (VG Wlz-indicatie) Om een inschatting te maken van de omvang van de groep met een Wlzindicatie vanwege een verstandelijke beperking, is gebruik gemaakt van de CIZdatabank. In januari 2023 hadden in Meierijstad 450 mensen een VG-indicatie. In combinatie met de bevolkingsprognose is een basisprognose opgesteld van de verwachte omvang van de groep mensen met een Wlz-indicatie vanwege een verstandelijke beperking voor de periode tot en met 2040. Hierbij hebben wij rekening gehouden met een stijging van het zorggebruik van 2% per jaar, rekening houdend met het ouder worden van de doelgroep – een landelijke trend die sinds 2017 zichtbaar is. De woonvraag is uitgesplitst naar twee woonvormen: intramuraal en scheiden wonen en zorg. De mate waarin cliënten wonen op basis van scheiden wonen en zorg stellen wij afhankelijk van het type VG-indicatie. De aannames (tabel 4.1) zijn gebaseerd op wat zorgaanbieders tijdens de stakeholdersbijeenkomst en in andere gemeenten ons hebben verteld.
1948.106/G | Woonzorganalyse
Woonvormen voor mensen met een verstandelijke beperking • Intramuraal is een woonvorm waarbij de bewoner (on)zelfstandige woonruimte heeft, met een ontmoetingsruimte in of bij het pand. Betreft zowel groepswonen als het wonen in geclusterde appartementen, waarbij begeleiding 24-uur aanwezig kan zijn of 24-uur oproepbaar is. • Scheiden wonen en zorg is het wonen in de nabijheid van een woonvorm, waar de bewoner op kan terugvallen voor zorg, ondersteuning of sociaal contact. In de basisprognose maken we een doorrekening van de vraag naar intramuraal en scheiden wonen en zorg waarbij we de huidige situatie (tabel 4.1) demografisch doorrekenen. Dit is een beleidsvrije prognose. Tabel 4.1: Vertaling van zorgvraag naar woonvraag VG (situatie 2023) Aandeel scheiden Zorgzwaartepakketten Aandeel intramuraal wonen en zorg SG(LVG) 100% 0% VG3 85% 15% VG4 95% 5% VG5 100% 0% VG6 100% 0% VG7 100% 0% VG8 100% 0%
Naast de basisprognose is er een trendprognose opgesteld. Tijdens de stakeholdersbijeenkomst zijn een aantal ontwikkelingen besproken die zijn meegenomen in de trendprognose:
15
• Ontwikkeling van intramuraal wonen naar scheiden wonen en zorg De deelnemers geven aan dat er een toenemende behoefte is om zelfstandig te wonen nabij het ouderlijk huis of waar men is opgegroeid. Dit is te merken aan de toename van ouderinitiatieven. In de afgelopen jaren zijn er een aantal ouderinitiatieven geweest, maar deze komen nauwelijks daadwerkelijk van de grond. Randvoorwaarde om scheiden wonen en zorg en initiatieven in de toekomst te laten lukken, is dat de gemeente, corporaties, projectontwikkelaars en financiers (zorgkantoor en banken) helpen met het faciliteren. Dit sluit ook aan op het beleid “thuis in de wijk”. Tijdens de bijeenkomst benoemden de deelnemers dat het voor personen met een VG3-indicatie en VG4-indicatie het meest realistisch is om (in de toekomst) te wonen op basis van scheiden wonen en zorg. Daarom is in de trendprognose voor VG3 de aanname van 15% scheiden wonen en zorg in de huidige situatie aangepast naar 30% scheiden wonen en zorg in 2040; voor VG4 is de aanname van 5% scheiden wonen en zorg in de huidige situatie aangepast naar 15% in 2040. • Transformatie van intramuraal wonen Het intramuraal wonen in de gemeente betekent momenteel voornamelijk kleinschalig in een eengezinswoning in de wijk.
Dichterbij geeft tijdens de bijeenkomst aan dat het de ambitie van deze organisatie is om grootschalig aanbod in de wijk toe te voegen: denk bijvoorbeeld aan een complex voor 40 bewoners. Grootschalige locaties zijn meer haalbaar dan de kleinschalige locaties zoals Dichterbij die nu heeft.
1948.106/G | Woonzorganalyse
Tabel 4.2: Vertaling van zorgvraag naar woonvraag VG (situatie 2040 trendprognose) Aandeel scheiden Zorgzwaartepakketten Aandeel intramuraal wonen en zorg SG(LVG) 100% 0% VG3 70% 30% VG4 85% 15% VG5 100% 0% VG6 100% 0% VG7 100% 0% VG8 100% 0%
De huisvestingsopgave: match vraag en aanbod Met behulp van een aanbodinventarisatie onder zorgaanbieders door Companen (2020) en een overzicht aan woonzorgaanbod door de gemeente Meierijstad (2023), is het aanbod aan woonvormen voor mensen met een verstandelijke beperking in beeld gebracht. Het geïnventariseerde aanbod (2023) komt uit op zo’n 272 plekken. Door zowel uitbreiding als sloop in 2024 komt het uit op zo’n 303 plekken. Daarnaast is aan zorgaanbieders gevraagd of zij een wachtlijst of plannen hebben voor nieuwbouw of herbestemming. Dit levert het volgende beeld op: • Dichterbij: Er komt een nieuwe intramurale locatie, Kloosterkwartier (Veghel). Waarschijnlijk worden het vijf appartementen. Beoogde oplevering is februari 2024. • Initiatief Dichterbij en Laverhof: Er komt een nieuwe intramurale locatie, Wijhoven (Wijbosch). Hier komen 25 appartementen voor ouder wordende cliënten. Beoogde oplevering is in 2027. Bovenstaande plannen zijn niet meegenomen in het aanbod, bijvoorbeeld omdat precieze aantal plekken nog niet helemaal vaststaat.
16
Het aantal mensen met een Wlz-indicatie vanwege een verstandelijke beperking in Meierijstad ligt hoger dan het geïnventariseerde aanbod aan woonplekken. Dit kan betekenen dat het geïnventariseerde aanbod niet helemaal compleet is. Daarnaast maken wij uit gesprekken met aanbieders op dat er mensen zijn met een Wlz-indicatie die thuis bij hun ouders wonen, of zelfstandig wonen. Zij ontvangen vaak ambulante begeleiding, en maken vaak ook gebruik van dagbesteding. Welk deel van de Wlz-cliënten zelfstandig dan wel bij de ouders woont, is niet bekend bij de aanbieders. In werkelijkheid is er dus misschien geen tekort aan verblijfsplekken voor mensen met een verstandelijke beperking. Mensen met een Wlz-indicatie die nu thuis bij hun ouders wonen, kunnen in de toekomst mogelijk wel behoefte hebben aan een woonplek bij een zorgaanbieder, bijvoorbeeld omdat de ouders te oud zijn om de zorg op zich te nemen.
Mensen met een licht verstandelijke beperking (Wmo) Naast mensen met een Wlz-indicatie voor een verstandelijke beperking, zijn er ook mensen met een licht verstandelijke beperking die een Wmo-indicatie hebben voor onder andere begeleiding of huishoudelijke ondersteuning. Deze mensen wonen meestal zelfstandig in een reguliere woning of bij de ouders, maar een deel woont ook in een woonvorm bij een zorgaanbieder. In Meierijstad zijn er zo’n 135 mensen die op grond van een Wmo-indicatie met individuele begeleiding wonen in een woonvorm van een zorgaanbieder. Een deel van deze mensen heeft de behoefte om zo zelfstandig mogelijk te wonen. Op termijn zullen zij mogelijk uitstromen naar meer zelfstandig wonen (met ambulante begeleiding) en een beroep doen op scheiden wonen en zorg of de reguliere woningmarkt.
1948.106/G | Woonzorganalyse
17
5 Mensen met psychiatrische problematiek
Vraag naar woonplekken
We brengen de huisvestingsopgave in beeld voor mensen met een (ernstige) psychische kwetsbaarheid. Wij richten ons hierbij op de groep die verblijft in Beschermd Wonen (GGZ). Per definitie is Beschermd Wonen (BW) bedoeld voor mensen die niet zelfstandig kunnen wonen vanwege psychische en/of psychosociale problematiek. Beschermd Wonen wordt grotendeels gefinancierd en georganiseerd vanuit de Wmo, maar sinds 2021 ook vanuit de Wlz.
De gemeente kent drie producten binnen het Beschermd Wonen Wmo: • Intramuraal Beschermd Wonen: Intramuraal op locatie van een zorgaanbieder. Begeleiding 24 uur aanwezig. • Kleinschalig Thuis: Beschermde woonvorm van een zorgaanbieder waarbij een aantal cliënten bij elkaar in de buurt wonen: bijvoorbeeld in een woning met een gezamenlijke buitenruimte, of aparte zelfstandige woningen met een gezamenlijke ruimte. Ondersteuning op vaste momenten; 24/7 bereikbaar en binnen 2 uur beschikbaar. • Zelfstandig Thuis: Scheiden wonen en zorg. De cliënt huurt of bezit zelf een woning/kamer. Ondersteuning op vaste momenten; 24/7 bereikbaar en binnen 4 uur beschikbaar.
Beschermd Wonen Wmo Binnen de Wmo is Beschermd Wonen bedoeld voor volwassenen die vanwege psychische problematiek tijdelijk niet zelfstandig kunnen wonen zonder de directe nabijheid van toezicht en ondersteuning (16-24 uur per dag). De begeleiding van de zorginstelling is gericht op verschillende primaire leefgebieden zoals huisvesting, financiën, geestelijke en lichamelijke gezondheid en verzorging, dagbesteding, sociaal netwerk, huiselijke relaties en maatschappelijke participatie. Cijfers over de omvang van de groep met een BW Wmo indicatie hebben wij ontvangen van de gemeente.
Beschermd Wonen Wlz (GGZ-W) Vanaf 1 januari 2021 maken sommige mensen met psychische problematiek aanspraak op financiering van zorg en verblijf vanuit de Wlz, omdat zij blijvend permanent toezicht nodig hebben of 24 uur zorg in de nabijheid nodig hebben. Om een inschatting te maken van de omvang van de groep met een Wlz GGZWonen indicatie, is gebruik gemaakt van de CIZ-databank (peildatum: 1 januari 2023).
1948.106/G | Woonzorganalyse
In januari 2023 hadden 250 mensen een indicatie voor Beschermd Wonen in Meierijstad: 65 mensen een Wmo-indicatie en 180 mensen een Wlz (GGZ-W) indicatie.
In 2022 en 2023 is het totaal aantal mensen met een Beschermd Wonen indicatie (Wmo en Wlz) in Meierijstad hoger vergeleken met de jaren daarvoor. Tijdens de stakeholdersbijeenkomst werden een aantal mogelijke verklaringen genoemd: • Er wordt in de regio al meer ingezet op evenredige spreiding van plekken Beschermd Wonen, waardoor er in Meierijstad sprake is van een toename. • Er is een gebrek aan woonruimte voor jongeren na jeugdzorg met verblijf. Hierdoor doen meer jongeren na jeugdzorg met verblijf een beroep op Beschermd Wonen, terwijl deze vorm van vervolghuisvesting lang niet altijd passend is. Een kanttekening hierbij is dat jongeren vaak starten met een zelfstandigheidstraject/woonbegeleiding terwijl ze nog in de jeugdzorg zitten. Bij het bereiken van hun 18de levensjaar stopt de jeugdzorg, maar is de hulpvraag nog wel aanwezig en dus wordt er Beschermd Wonen ingezet
18
om het traject af te kunnen maken. Daarna stromen deze jongeren door naar zelfstandige woonruimte. Er ligt dus een overlap in de doelgroep tussen 17 en 27 jaar waarbij deze jongeren vaak overstappen van zorgproduct (van jeugdzorg naar Beschermd Wonen). Dit is mogelijk van invloed op de verwachte uitstroom: waarbij de uitstroom vanuit jeugdzorg misschien wat lager uitvalt en de uitstroom vanuit Beschermd Wonen hoger. Dat in de regio meer wordt ingezet op evenredige spreiding van plekken Beschermd Wonen, blijkt uit de notitie voorstel regionale spreiding BW voorzieningen (juni 2023). Hierin is te zien dat Meierijstad naar aantal plaatsen voor Wmo Intramuraal Beschermd Wonen en Wmo Kleinschalig Thuis (21%) in balans is met het inwonertal (21%) ten opzichte van de regio. Als het gaat om evenredige spreiding in de regio is er momenteel dus voldoende aanbod in Meierijstad. Tijdens de stakeholdersbijeenkomst gaven de aanwezigen wel aan dat er aandacht moet zijn voor de vraag of het aanbod toekomstbestendig is en aansluit bij de toekomstige behoefte. Wanneer bijvoorbeeld een verdere extramuralisering plaatsvindt en meer mensen ondersteuning ontvangen in de thuissituatie (Wmo Zelfstandig Thuis), dan zal dit op termijn leiden tot een lager aantal mensen met een Wmo Intramuraal Beschermd Wonen indicatie.
Omdat Meierijstad haar aandeel in de regio pakt als het gaat om aanbod voor Beschermd Wonen, hebben wij alleen een basisprognose opgesteld. Daarbij zijn wij uitgegaan van het aantal actieve BW-indicaties (Wmo en Wlz) op dit moment en die hebben we gekoppeld aan demografische ontwikkelingen. Deze basisprognose is te zien in de fact sheets.
ze zo zelfstandig mogelijk kunnen wonen, al dan niet met ambulante begeleiding. Om een inschatting te kunnen maken van het totale aantal mensen dat vanuit Beschermd Wonen uitstroomt, is de gemiddelde verblijfsduur nodig. Op basis van het gesprek tijdens de stakeholdersbijeenkomst zijn wij tot de volgende inschatting gekomen: BW voor de Wlz-groep is in principe niet bedoeld als tijdelijke voorziening, en daarom niet gericht op uitstroom. Het komt slechts een enkele keer voor dat iemand uitstroomt vanuit BW-Wlz richting zelfstandig wonen met ambulante begeleiding. Inschatting gemiddelde verblijfsduur (in jaren), naar product: • Wmo Beschermd Wonen Intramuraal: 2,5 • Wmo Kleinschalig Thuis: 2 • Wmo Zelfstandig Thuis: 2
Uitstroomrichting Om een inschatting te maken van het aantal mensen dat op jaarbasis een beroep zal doen op een zelfstandige woning na een verblijf in Wmo Intramuraal Beschermd Wonen en Wmo Kleinschalig Thuis, zijn aannames geformuleerd die zijn besproken tijdens de stakeholdersbijeenkomst. Mensen met een indicatie Wmo Zelfstandig Thuis wonen al in een zelfstandige woning. Na afloop van de indicatie kunnen zij in deze woning blijven wonen. Vanuit Wmo Zelfstandig Thuis wordt er dus geen extra beroep gedaan op zelfstandige woonruimte.
Uitstroom vanuit Beschermd Wonen (Wmo) Beschermd Wonen Wmo is in principe bedoeld als tijdelijke voorziening. De bedoeling is dat mensen op enig moment uitstromen naar een woonplek waar
1948.106/G | Woonzorganalyse
19
• Uitstroom vanuit Wmo Intramuraal Beschermd Wonen naar gewenste woonvorm: – Zelfstandig wonen: 40% – Geclusterd/begeleid wonen (tussenvorm) 40% – Beschermd Wonen GGZ-W (Wlz) 10% – Uitstroom onbekend 10% • Uitstroom vanuit Wmo Kleinschalig Thuis naar gewenste woonvorm: – Zelfstandig wonen 100%
De uitstroom is terug te vinden in de factsheets.
1948.106/G | Woonzorganalyse
20
6 Jeugdzorg met verblijf We gaan in op de vraag naar woonruimte voor jongvolwassenen die na een verblijf in een jeugdzorginstelling of pleeggezin kunnen uitstromen naar vervolghuisvesting.
Jeugdzorg met verblijf Om een inschatting te kunnen maken van de vraag naar plekken voor jeugdzorg met verblijf is gekeken naar de beschikkingen Jeugdzorg per 1 januari 2023. Op 1 januari 2022 is het woonplaatsbeginsel in de Jeugdwet veranderd. In de nieuwe definitie ligt de verantwoordelijkheid voor jeugdzorg met verblijf bij de gemeente waar de jeugdige onmiddellijk voorafgaande aan het verblijf zijn/haar woonadres had (woonplaatsbeginsel). Op peildatum 1 januari 2023 maakten zo’n 120 jongeren uit Meierijstad gebruik van een vorm van jeugdzorg met verblijf. Het kan echter zijn dat deze jongeren gedurende hun jeugdzorgtraject mogelijk niet allemaal wonen in de gemeente. Op basis van demografische ontwikkelingen (basisprognose) verwachten we dat de totale vraag naar jeugdzorgvoorzieningen in de komende jaren stabiel zal blijven.
Tabel 6.1: Basisprognose jongeren in vormen van jeugdzorg met verblijf Woonvorm 2023 2030 2040 Gezinsgericht 10 9 9 Pleegzorg 50 49 53 GGZ-verblijf 14 13 14 Gesloten verblijf 2 2 2 Verblijf overig * 45 43 48 Totaal 121 116 126 * Hieronder vallen meerdere producten, waaronder: verblijf basis leefgroep (licht), verblijf specialistisch leefgroep (zwaar), verblijf specialistisch behandelgroep (zwaar), verblijf specialistisch GGZ.
Uitstroom vanuit jeugdzorg met verblijf Begeleiding vanuit de jeugdwet stopt in principe na het 18e jaar, maar soms wordt deze verlengd; dit duurt maximaal 5 jaar, tot de jongere 23 jaar is. Om een inschatting te maken van het aantal jongeren dat op jaarbasis de uitstroomleeftijd van 18 jaar bereikt, richten we ons niet simpelweg op de huidige groep jongeren van 18 jaar en ouder. Een kwart van de jongeren met jeugdzorg met verblijf in Meierijstad behoort momenteel namelijk tot de 18plussers. Het is niet realistisch dat elk jaar een kwart van de totale groep in jeugdzorg met verblijf uitstroomt. In plaats daarvan nemen we de groep jongeren die de uitstroomleeftijd naderen – de 15 tot 17 jarigen – als uitgangspunt. Voor de berekening van de verwachte uitstroom nemen we het gemiddelde aantal van de 15 tot 17 jarigen (35 / 3). We schatten in dat er jaarlijks zo’n 12 jongeren uitstromen. Een deel van de jongeren die uitstromen kan direct zelfstandig gaan wonen, anderen hebben eerst behoefte aan een ‘tussenvorm’ in de vorm van geclusterd wonen met begeleiding (bijvoorbeeld in de vorm van een tiny house in de nabijheid van het gezinshuis waar de jongere eerst woonde). Er is ook een groep met een intensievere zorgvraag, die doorstroomt richting Beschermd
1948.106/G | Woonzorganalyse
21
Wonen (Wmo of Wlz). Over uitstroomrichting zijn de aannames hieronder geformuleerd. Momenteel komt ongeveer een kwart van de jongeren terecht in verlengde jeugdzorg. Wmo is echter voorliggend op verlengde jeugdzorg als het gaat om begeleiding. Daarom is het streven om verlengde jeugdzorg terug te brengen, naar zo’n 15%. De uitstroom is terug te vinden in de factsheets. Uitstroom vanuit jeugdzorg met verblijf naar gewenste woonvorm: – Zelfstandig wonen (eventueel met ambulante begeleiding) 10% – Geclusterd wonen met begeleiding/kamertraining 50% – Beschermd Wonen (Wmo/Wlz) 25% – Verlengde jeugdzorg 15%
1948.106/G | Woonzorganalyse
22
7 Dak- en thuislozen Er zijn veel verschillende leefsituaties van dak- en thuisloosheid. Bijvoorbeeld buiten slapen of in een opvang verblijven, op de bank slapen bij vrienden of kennissen, of tijdelijk verblijven in een stacaravan op een vakantiepark. Het gaat om mensen die om uiteenlopende redenen dak- of thuisloos zijn geraakt. Vaak is er sprake van een opeenstapeling van (psychische) problemen, schulden en/of verslaving. Daarnaast is er een groeiende groep 'economische daklozen': mensen die na een scheiding of faillissement de huidige woning niet meer kunnen betalen maar ook niet terecht kunnen op de huidige woningmarkt omdat de huren te hoog zijn.
Maatschappelijke opvang Mensen die dakloos zijn of raken, kunnen een beroep doen op de Maatschappelijke Opvang. Maatschappelijke Opvang is per definitie tijdelijk: het is altijd de bedoeling dat mensen die hier verblijven, op enig moment weer zelfstandig gaan wonen. Van centrumgemeente Den Bosch hebben we informatie ontvangen over het aantal plekken Maatschappelijke Opvang in Meierijstad. Momenteel zijn er 11 plekken in de kleinschalige opvang en kleinschalige opvang voor gezinnen. Tabel 7.1: Aantal plekken Maatschappelijke Opvang Opvang Kleinschalige opvang Kleinschalige opvang gezinnen Totaal
Aantal plekken 6 5 11
Om een inschatting te kunnen maken van het totale aantal mensen dat vanuit de Maatschappelijke Opvang uitstroomt, is de gemiddelde verblijfsduur nodig. De gemiddelde verblijfsduur is echter moeilijk te schatten en varieert ook. Als er bijvoorbeeld te weinig uitstroommogelijkheden zijn, kan de gemiddelde verblijfsduur oplopen. Daarom werken we met een bandbreedte van 3 tot 6 maanden. Op basis van het huidige aanbod van 11 plekken betekent dit een uitstroom van zo’n 20 tot 45 personen. Zij doen niet allemaal een beroep op de reguliere woningmarkt, want een deel stroomt ook uit naar bijvoorbeeld een tussenvorm of een Beschermd Wonen voorziening. Als we ervan uit gaan dat ongeveer de helft wilt uitstromen naar een zelfstandige woning, komt dit neer op zo’n 10 tot 20 woningen. Naast de kleinschalige opvang (voor gezinnen) biedt Meierijstad 16 plekken begeleid wonen voor alleenstaande moeders met kinderen op grond van de Wmo. In feite werken deze plekken preventief om te voorkomen dat deze gezinnen in de kleinschalige opvang terechtkomen.
Meer dak- en thuislozen dan alleen de Maatschappelijke Opvang Uitstromers vanuit de Maatschappelijke Opvang vallen onder de urgente aandachtgroepen. Deze term komt uit het landelijk Programma Een Thuis voor iedereen4 en duidt op groepen die het extra moeilijk hebben op de woningmarkt, waaronder uitstromers uit instellingen. Echter is de groep dak- en thuislozen groter dan alleen de mensen die in de Maatschappelijke Opvang zitten. Het gaat dan bijvoorbeeld ook om bank-
4
https://www.rijksoverheid.nl/documenten/rapporten/2022/05/11/programma-een-thuis-vooriedereen
1948.106/G | Woonzorganalyse
23
hoppers of economisch daklozen. Onlangs is in twee regio’s in Noord-Brabant een groot onderzoek gedaan naar dak- en thuisloosheid. 96 organisaties in de regio Noordoost-Brabant (centrumgemeenten Den Bosch en Oss en de bijbehorende regiogemeenten) hebben op 16 mei 2023 in kaart gebracht hoeveel mensen zij op dat moment in beeld hadden die op de één of andere manier te maken hebben met dak- en thuisloosheid. Daarbij is een bredere definitie gehanteerd dan gemeenten doorgaans doen (zie groene kader hieronder), om zo niet alleen de mensen die in de maatschappelijke opvang verblijven mee te tellen, maar ook bijvoorbeeld bank- en autoslapers. ETHOS-Light definitie van dakloosheid en dreigende huisuitzetting: 1. Mensen die leven in de openbare ruimte 2. Mensen in de noodopvang 3. Mensen in een tijdelijke opvang voor dakloze mensen 4. Mensen die een instelling verlaten zonder vervolghuisvesting en mensen die langer in een instelling verblijven wegens gebrek aan passende vervolghuisvesting 5. Mensen in niet-conventionele woonruimte vanwege een gebrek aan passende huisvesting 6. Mensen die tijdelijk verblijven bij familie, vrienden of derden + Mensen met een dreigende huisuitzetting zonder passende vervolghuisvesting Uit deze ETHOS-telling blijkt dat er in Meierijstad in mei 2023 zo’n 58 volwassen dak- en thuisloze personen waren.
Daarnaast waren er 37 kinderen (< 18 jaar) indirect betrokken bij een situatie van dak- of thuisloze ouder.
1948.106/G | Woonzorganalyse
24
Bijlage 1: Aanbodoverzicht Ouderen (Zorg)aanbieder BrabantZorg BrabantZorg Brabantzorg Brabantzorg Amaliazorg Dagelijks Leven Stichting Laverhof Stichting Laverhof Stichting Laverhof Stepping Stones Residentie De Meierij Totaal
Locatie Odendael Simeonshof AAtrium De Watersteeg Van Haarenstaete Het Van Coothhuis Mgr. Bekkershuis St. Barbara Annahof Villa Rozenburg Residentie De Meierij
Plaats Sint-Oedenrode Erp Veghel Veghel Veghel Veghel Schijndel Schijndel Schijndel Schijndel Veghel
Woonzorgcentrum somatiek (SOM)
Woonzorgcentrum psychogeriatrie (PG)
Woonzorgcentrum totaal 138 35 60 104 35 20 54 96 34 23 31 630
Geclusterd wonen voor ouderen
Mensen met een lichamelijke beperking (LG Wlz-indicatie) Zorgaanbieder SWZ SWZ SWZ Swz Totaal
1948.106/G | Woonzorganalyse
Locatie De Mondriaan Professor Zijlstrastraat De Eekelhof De Rietbeemd
Plaats Veghel Veghel Schijndel Schijndel
Intramuraal wonen 10 15 24 10 59
25
Mensen met een verstandelijke beperking (VG Wlz-indicatie) Zorgaanbieder Dichterbij Dichterbij Dichterbij Dichterbij*** Dichterbij Dichterbij Dichterbij Dichterbij Dichterbij Dichterbij Dichterbij Dichterbij Dichterbij Dichterbij Dichterbij Dichterbij Dichterbij Dichterbij Dichterbij* Philadelphia Stichting Eigen Sleutel Zorgboerderij ’t Ham** Weievense hoeve** Weievense hoeve** Weievense hoeve** Weievense hoeve** Stichting TIM Totaal
Locatie Bosven (meerdere locaties) Reigerdonk (meerdere locaties) Deken van Erpstraat (meerdere locaties) Grote Doelenlaan Kolenkampenstraat 1 Meierij 44 Meierij (meerdere locaties) Merodestraat 33, 35, 37 en 39 Van Berghenstraat 9 en 11 Watermolen 12 Watermolen 18 Peellandstraat 28 Poolster 59, 61 en 87 Rootven nummers 1,2,3,4,6,7,8,9 St. Willibrordusstraat (meerdere locaties) St. Willibrordusstraat (meerdere locaties) Tolakker 8 Koolenkampenstraat 1 Corenveld (Donauring 6) Rozenkrans Kapittelhof 1 Zorgboerderij 't Ham Damianenklooster Trainingshuis C. Rossemsstraat Trainingshuis Graaf Arnulstraat Appartementen in Nijnsel en Sint-Oedenrode Stichting TIM
Plaats Veghel Veghel Sint-Oedenrode Sint-Oedenrode Veghel Sint-Oedenrode Sint-Oedenrode Sint-Oedenrode Schijndel Schijndel Schijndel Veghel Schijndel Veghel Schijndel Schijndel Schijndel Veghel Veghel Schijndel Sint-Oedenrode Veghel Sint-Oedenrode Sint-Oedenrode Sint-Oedenrode Nijnsel en Sint-Oedenrode Schijndel
Intramuraal wonen
Scheiden wonen en zorg 12
13 10 9 12 6 8 14 8 4 4 16 12 16 4 4 15 12 40 33 20 6 17 2 1 5 9 2023: 230 2024: 261
42
* Deze locatie wordt momenteel gebouwd. Het aanbod tellen we mee vanaf 2024. ** Het aanbod van deze locaties is niet geoormerkt voor één doelgroep. Het aanbod van deze locaties hebben we 50/50 verdeeld over de VG en BW doelgroep. *** Deze locatie sluit in maart 2024. Het aanbod tellen we niet meer mee vanaf 2024.
1948.106/G | Woonzorganalyse
26
Beschermd Wonen
Bron: Notitie voorstel regionale spreiding BW voorzieningen (juni 2023).
1948.106/G | Woonzorganalyse
27
Bijlage 2: De Doorzonscan De Doorzonsscan is een beproefd meetinstrument waarmee gemeenten en woningcorporaties op een snelle manier kunnen achterhalen welk deel van de woningvoorraad al geschikt is voor mensen met een functiebeperking en welke woningen met een kleine ingreep geschikt te maken zijn. Iedere woning wordt op basis van een aantal kenmerken van de woningen (bouwjaar, oppervlakte en woningtype) ingedeeld in één van de categoriën. Hieronder staan de kenmerken waaraan woningen moeten voldoen om een specifieke kwalificatie te krijgen. Geschikte woning Alle primaire voorzieningen (slaapkamer, woonkamer, toilet, badkamer en keuken) liggen gelijkvloers of zijn zonder traplopen bereikbaar. De woning is geschikt voor bewoners met geringe beperkingen bij het lopen, die als hulpmiddelen eventueel wandelstok of kruk(ken) gebruiken. De woningen voldoen aan tenminste één van de volgende kenmerken: • woning is aangemerkt als seniorenwoning of nultredenwoning; • appartementen/(galerij)flats (als deze over een lift beschikken); • (semi)bungalows, woonboerderijen.
Niet-geschikte woning De overige woningen zijn als niet-geschikt aangemerkt; deze woningen zijn vermoedelijk ook niet (eenvoudig) geschikt te maken. De beoordeling van de woningvoorraad op geschiktheid op basis van wozgegevens is een inschatting. Bezoek aan een woning zelf moet uitwijzen of de inschatting ook juist is. Daarnaast geeft de analyse uitsluitend inzicht in de kenmerken van de woning. Het is denkbaar dat ouderen de woning niet meer geschikt vinden omdat bijvoorbeeld het onderhoud van de woning of de tuin teveel wordt, of dat men dichter bij voorzieningen wil wonen; een woning die volgens de analyse ‘geschikt’ is kan in de beleving van de bewoners dan minder geschikt zijn. Andersom kan het zo zijn dat in een woning die volgens de analyse ‘potentieel geschikt’ is inmiddels al aanpassingen zijn gedaan (zoals de installatie van een traplift, of de drempels verwijderd). Hier kom je echter alleen achter door de woning daadwerkelijk te bezoeken. Daar wordt in deze analyse geen rekening mee gehouden.
Potentieel geschikte woning Potentieel geschikte woningen zijn woningen die met relatief beperkte middelen geschikt te maken zijn. Hierbij is te denken aan het installeren van een traplift, of het verlagen of weghalen van drempels. Deze woningen voldoen aan de volgende criteria: • eengezinswoning, is gebouwd na 1998; • inhoud bij koopwoning is groter dan 350 m3 en gebouwd na 1965; • inhoud bij huurwoning is groter dan 300 m3 en gebouwd na 1980; • geschakelde woning.
1948.106/G | Woonzorganalyse
28
aan het criterium “nultredenwoning”, maar is niet per definitie ook een “rolstoelwoning” omdat er bijvoorbeeld drempels aanwezig kunnen zijn. – Rolstoeltoegankelijke woning: de woning is extern toegankelijk met een rolstoel. De woning voldoet hiermee automatisch aan het criterium 'nultredenwoning'. Een rolstoeltoegankelijke woning voldoet per definitie ook aan het label "rollatorgeschikte woning". – Rolstoelgeschikte woning: de woning is zowel intern als extern toegankelijk met een rolstoel. De woning voldoet hiermee automatisch aan het criterium “nultredenwoning”. Een rolstoelgeschikte woning voldoet per definitie ook aan de labels "rollatorgeschikte woning" en “rolstoeltoegankelijke woning”.
Bijlage 3: Afkortingen en begrippen • • •
•
BW: Beschermd Wonen (GGZ). Wonen in een accommodatie van een instelling met daarbij behorend toezicht en begeleiding. Extramuralisering: het streven om buiten de muren van een zorginstelling gelijkwaardige zorg te bieden, bijvoorbeeld in de eigen woning. Geclusterd wonen voor ouderen: Een levensloopgeschikte woning in een woonvorm met 5 of meer wooneenheden. Het gaat om zelfstandige woningen waar mensen zonder zorgindicatie mogen wonen. In de aanbodinventarisatie is een complex meegeteld in deze categorie als ten minste 50% van de bewoners in het complex 65 jaar of ouder is en/of het complex is gelabeld voor ouderen. Binnen geclusterd wonen onderscheiden we verschillende typen: – Seniorencomplex: traditioneel appartementencomplex voor senioren. – Serviceflat: appartementencomplex met hoog aantal (verplicht af te nemen) diensten m.b.t comfort en ondersteuning. – Aanleunwoning (app): Appartementencomplex dat alleen toegankelijk is voor mensen die zorg aan huis nodig hebben (Zvw- of VPT-indicatie (wlz) is vereist). – Levensloopbestendige woningen (ggb): Traditionele kleine rijwoningen die geschikt zijn voor ouderen. – Luxe levensloopbestendige appartementen: Modern appartementencomplex op privaat terrein, met uitgebreide buitenruimte rondom het complex.
– Hofjeswonen (grondgebonden/appartement): Cluster van kleine woningen/appartementen, gecentreerd rondom een gezamenlijke binnenplaats of entree. Geschikte woning: een zelfstandige woning die geschikt is (of eenvoudig geschikt te maken is) voor bewoning tot op hoge leeftijd, ook in het geval fysieke beperkingen of chronische ziekten van bewoners. – Rollatorgeschikte woning: de woning is zowel intern als extern toegankelijk met een rollator. De woning voldoet hiermee automatisch
1948.106/G | Woonzorganalyse
• •
• • • • • • • •
MPT: Modulair Pakket Thuis. Verstrekkingsvorm Zorg in Natura: een deelverstrekking die kan worden gecombineerd met het PGB. PGB: Persoonsgebonden budget: een verstrekkingsvorm in de Wet langdurige zorg en Wmo waarbij de cliënt of diens vertegenwoordiger het budget beheert. PG: Psychogeriatrie. Aandoeningen die gepaard gaan met beperkingen van de geestelijke vermogens (psycho) op hogere leeftijd (geriatrie). Respijtzorg: tijdelijk overdragen van mantelzorg, zodat mantelzorgers op adem kunnen komen. SOM: Somatiek. Zorg bij lichamelijke ziektes. VG: Verstandelijk Gehandicapt. VPT: Volledig Pakket Thuis. Verstrekkingsvorm Zorg in Natura: een totale verstrekking die thuis kan worden geleverd. Wlz: Wet langdurige zorg. Wmo: Wet maatschappelijke ondersteuning. Zvw: Zorgverzekeringswet.
29
Bijlage 4: Woonstijlen
In de volgende pagina’s geven we een profielschets van elke woonstijlgroep. De figuur hieronder toont de woonvoorkeuren van de woonstijlgroepen.
De woonwensen van ouderen zijn divers. De woonvorm ‘geclusterd wonen’ is een verzamelnaam voor diverse woningtypes en woonconcepten die beschutting, comfort en ontmoeting bieden. Verschillende groepen ouderen zoeken daarbij verschillende typen geclusterde woonvormen. Welke keuzes groepen ouderen hierin maken is onder meer afhankelijk van hun woonwensen, die wij classificeren als zogeheten ‘woonstijlen’. We onderscheiden 12 ‘woonstijlgroepen’ onder (toekomstige) ouderen, die verschillen qua woonvoorkeuren. De indeling in woonstijlen is gebaseerd op analyses van woongedrag en woonwensen van ouderen, zoals die naar voren komen in CBS-microdata, het WoON en sociologisch onderzoek naar generaties en waardepatronen. Deze inzichten zijn gekoppeld aan achtergrondkenmerken van ouderen, zoals het inkomen, leeftijd, huishoudenssamenstelling, stedelijkheid, opleiding en vermogen. De generatie waartoe iemand behoort, is (mede) bepalend voor de waardeoriëntatie, de sociaaleconomische status voor de financiële mogelijkheden die men heeft.