CConstaterende datMeierijstad
Koppel je AI →
Document · PDF

BIJlage 3 Toelichting Pater Visserslaan 15 (inclusief bijlagen)

Raadsvergadering 29 september 2022, gemeente MeierijstadBij agendapunt: Gewijzigde vaststelling bestemmingsplan 'Ontwikkelplan sanering varkenshouderij'21.531 woorden

Open het PDF bij de gemeente ↗Naar de vergadering →

Tekst van het document

Uit het bestand gehaald, zonder opmaak, tabellen en afbeeldingen · deel 1 van 3

Ruimtelijke onderbouwing Pater Visserslaan 15 Veghel

20-7-2022

Colofon Rapport: Ruimtelijke onderbouwing Pater Visserslaan 15 Veghel Rapportnummer: 1528BS01 Status: Definitief Datum: 20-7-2022 Opdrachtgever Maatschap Asseldonk-Teurlinx Pater Visserslaan 15 5464 RB Veghel Opdrachtnemer Geling Advies Postbus 12 5845 ZG Sint Anthonis www.gsadviesgroep.nl Projectleiding G.T.A.M. van den Eijnde Adviseur +31 (0) 493-597500 gvandeneijnde@gelingadvies.nl

© JULI 2022

GELING ADVIES

ALLE RECHTEN VOORBEHOUDEN. NIETS UIT DEZE UITGAVE MAG WORDEN VERVEELVOUDIGD DOOR MIDDEL VAN DRUK, FOTOKOPIE, MICROFILM, GELUIDSBAND, ELEKTRONISCH OF OP WELKE ANDERE WIJZE DAN OOK, EN EVENMIN IN EEN GEAUTOMATISEERD GEGEVENSBESTAND WORDEN OPGESLAGEN, ZONDER VOORAFGAANDE SCHRIFTELIJKE TOESTEMMING VAN GELING ADVIES. AAN DE INHOUD VAN DIT RAPPORT KUNNEN GEEN RECHTEN WORDEN ONTLEEND. GELING ADVIES VERWERPT ELKE AANSPRAKELIJKHEID VOOR EEN ANDER GEBRUIK VAN DEZE TEKST DAN VOOR DE SITUATIE WAARVOOR DEZE WORDT UITGEBRACHT. DE INFORMATIE IN DEZE TEKST IS ONDER VOORBEHOUD EN KAN VERANDERD WORDEN ZONDER VOORAFGAANDE KENNISGEVING.

2

INHOUDSOPGAVE

1 INLEIDING 1.1 Aanleiding 1.2 Ligging en begrenzing van het plangebied 1.3 Vigerend bestemmingsplan

4 4 5 5

2 PLANBESCHRIJVING 2.1 huidige situatie 2.2 Voorgenomen ontwikkeling

6 6 6

3 BELEIDSTOETS 3.1 Rijksbeleid 3.2 Provinciaal beleid 3.3 Gemeentelijk beleid

9 9 12 19

4 MILIEUHYGIENISCHE EN PLANOLOGISCHE VERANTWOORDING 4.1 Mer-beoordeling 4.2 Archeologie en cultuurhistorie 4.3 Wet natuurbescherming 4.4 Waterparagraaf 4.5 Bodem 4.6 (Ondergrondse) infrastructuur 4.7 Bedrijven en milieuzonering 4.8 Geurhinder 4.9 Akoestiek 4.10 Luchtkwaliteit 4.11 Externe veiligheid 4.12 Verkeer en parkeren 4.13 Volksgezondheid 4.14 Hoogspanningslijnen 4.15 Spuitzones gewasbescherming

28 28 28 30 32 34 35 35 38 39 40 41 46 48 49 49

5 JURIDISCHE PLANOPZET 5.1 Opzet van de regels 5.2 Bestemmingen

50 50 51

6 ECONOMISCHE UITVOERBAARHEID

52

7 MAATSCHAPPELIJKE UITVOERBAARHEID 7.1 Overleg 7.2 Omgevingsdialoog

53 53 55

8 CONCLUSIE

56 3

1 1.1

INLEIDING

AANLEIDING Op de locatie is momenteel sprake van een varkenshouderij. Initiatiefnemer heeft besloten deel te nemen aan de subsidieregeling sanering varkenshouderijen. Een van de voorwaarden verbonden aan de saneringsregeling is dat op de locatie geen intensieve veehouderij gevestigd mag zijn of worden. Hiermee is een herbestemming van de locatie noodzakelijk. De initiatiefnemer heeft daarom de wens om zijn locatie te herbestemmen naar een woonbestemming. Hierbij wil hij graag enkele gebouwen hergebruiken om hobbydieren te kunnen blijven houden en voor statische opslag als aanvullende inkomstenbron. Daarnaast wenst hij een kleine berging achter de woning te realiseren voor bijvoorbeeld fietsen, materiaal voor het onderhoud van zijn huisperceel en andere privézaken. Ter plaatse geldt het bestemmingsplan ‘Buitengebied’. Binnen het bestemmingsplan is geen mogelijkheid opgenomen de bestemming op deze manier te wijzigen. Hierdoor is een herziening van het bestemmingsplan noodzakelijk. Het college van burgemeester en wethouders heeft bij vergadering van 13 oktober 2020 besloten dat het plan voor Pater Visserslaan 15 te Veghel met behoud van het gebouw ten behoeve van statische opslag en het hobbymatig houden van dieren en de toevoeging van een bijgebouw bij de woning, in principe ruimtelijk voorstelbaar is.

4

1.2

LIGGING EN BEGRENZING VAN HET PLANGEBIED Het plangebied omvat de percelen aan Pater Visserslaan 15 te Veghel. De locatie is kadastraal bekend onder Veghel, sectie L, nummer 571. Het plangebied ligt in het buitengebied van de gemeente Meierijstad, ten noorden van de kern Mariaheide. Onderstaand is de locatie weergegeven met de begrenzing van het plangebied. Figuur 1 Bovenaanzicht planlocatie met begrenzing plangebied

1.3

VIGEREND BESTEMMINGSPLAN Onderhavige locatie is gelegen binnen het bestemmingsplan ‘Buitengebied’ door de gemeente vastgesteld op 22 oktober 2015. De bestemming van het perceel is ‘Agrarisch’ met de functieaanduiding ‘intensieve veehouderij’ en een vastgesteld bouwvlak. Daarnaast geldt de dubbelbestemming ‘Waarde – Archeologie 3 en 4) en heeft de locatie diverse gebiedsaanduidingen; ‘dagrecreatie’, ‘reconstructiewetzone – verwevingsgebied 1’ en ‘vrijwaringszone - radar’. Ook is op de locatie het bestemmingsplan ‘Paraplubestemmingsplan parkeren’ van toepassing, welke door de gemeente is vastgesteld op 31-01-2019. Tot slot geldt tevens het bestemmingsplan ‘Harmonisatie van diverse regelingen – laaghangend fruit’, welke is vastgesteld door de gemeente op 2701-2021.

5

2 2.1

PLANBESCHRIJVING

HUIDIGE SITUATIE Initiatiefnemer exploiteert aan de Pater Visserslaan 15 een varkens- en rundveebedrijf. Op onderhavige locatie is momenteel een bedrijfswoning aanwezig, twee varkensstallen en een loods/rundveestal. De grootte van het bouwvlak bedraagt circa 8687 m2. De bedrijfsgebouwen hebben een gezamenlijk oppervlak van 1.761 m2. Onderstaand is een huidig bovenaanzicht van de locatie weergegeven. De nokhoogte van gebouw 4 is 4,9 meter en de goothoogte is 3 meter. Figuur 2 Huidige situatie

2.2

VOORGENOMEN ONTWIKKELING In de beoogde situatie zullen alle varkensstallen gesloopt worden. Dit betreft 1.411 m2. De bedrijfswoning blijft behouden en wordt in gebruik genomen als particuliere woning. Bij de woning wordt een kleine berging opgericht 6

voor bijvoorbeeld fietsen, materiaal voor het onderhoud van zijn huisperceel en andere privézaken. De grootte van het gebouw bedraagt 60 m2. De inrit bij de woning blijft behouden en wordt verbreed zodat de nieuwe berging te bereiken is. Hier kan tevens worden geparkeerd. Gebouw 4, de loods/rundveestal, blijft behouden. Dit gebouw heeft een omvang van 350 m2. Het gebruik wijzigt gedeeltelijk naar het gebruik ten behoeve van een kleinschalige bedrijfsactiviteit in de vorm van statische opslag, zoals caravans. De ruimte hiervoor betreft 260 m2. Het andere gedeelte zal gebruikt worden voor de huisvesting van dieren welke als hobby worden gehouden. Om de loods bereikbaar te houden zal de inrit aan de voorzijde van de loods behouden blijven. Het verkeer behorend bij de activiteiten in de loods betreedt het terrein over deze inrit en verlaat ook het terrein via deze weg. Dit verkeer parkeert ook aan deze zijde van het perceel. De huidige 2e inrit wordt verwijderd. De ontstane ruimte op het terrein door de sloop van de bebouwing krijgt een nieuwe invulling. De huisweide voor de hobbydieren wordt verder doorgetrokken naar de achterzijde van het perceel. Tussen de nieuw te realiseren berging bij de woning en de te behouden loods wordt een voetpad aangelegd. De ruimte achter de woning blijft in gebruik als tuin.

De noordkant van het plangebied en de overige delen van perceel 571 zullen worden benut als grasland. Op navolgende situatietekening is de beoogde situatie weergegeven. De tekening is tevens toegevoegd als bijlage. In de tekening wordt aangegeven welke gebouwen gesloopt worden en welke behouden blijven. Daarnaast is ook aangegeven hoe de grond benut wordt. In dit geval worden twee weides gerealiseerd, de overige grond wordt gebruikt als grasland. Figuur 3 Beoogde situatie

7

De locatie wordt landschappelijk ingepast conform bijgevoegd landschappelijk inpassingsplan. Op navolgend figuur wordt de landschappelijke inpassing van de locatie weergegeven. Hier is te zien dat er een beukenhaag, knotwilgen, struweel, en een notenboom wordt geplant. Beukenhagen/hekwerk rond de geitenweide aan de straatzijde worden op het eigen terrein aangeplant/opgericht. Figuur 4 Landschappelijke inpassing

8

3

BELEIDSTOETS

3.1

RIJKSBELEID

3.1.1

Structuurvisie Infrastructuur en Ruimte Op 13 maart 2012 heeft de minister van Infrastructuur en Ruimte de Structuurvisie Infrastructuur en Ruimte (SVIR) vastgesteld. De visie stelt het (integrale) kader voor het ruimtelijk- en mobiliteitsbeleid op rijksniveau in Nederland. In de Structuurvisie Infrastructuur en Ruimte schetst het kabinet hoe Nederland er in 2040 uit moet zien: concurrerend, bereikbaar, leefbaar en veilig. In de SVIR zijn tot 2028 drie Rijksdoelen geformuleerd: 1. Het vergroten van de concurrentiekracht van Nederland door het versterken van de ruimtelijk-economische structuur van Nederland. (concurrerend) 2. Het verbeteren en ruimtelijk zekerstellen van de bereikbaarheid waarbij de gebruiker voorop staat. (bereikbaar) 3. Het waarborgen van een leefbare en veilige omgeving waarin unieke cultuurhistorische waarden behouden zijn. (leefbaar en veilig) De SVIR vervangt onder meer de volgende nota’s: 4. 5. 6. 7. 8.

de Nota Ruimte; de Structuurvisie Randstad 2040; de Nota Mobiliteit; de MobiliteitsAanpak; de Structuurvisie voor de Snelwegomgeving.

Verder vervallen met de SVIR de ruimtelijke doelen en uitspraken uit de Agenda Landschap, Agenda Vitaal Platteland en Pieken in de Delta. Oplossingsrichtingen Verstedelijkings- en landschapsbeleid wordt overgelaten aan gemeenten en provincies. Gemeenten krijgen ruimte voor kleinschalige natuurlijke groei 9

geënt op het bouwen van huizen die aansluiten bij de woonwensen van mensen. Bij het beheren en ontwikkelen van natuur krijgen boeren en particulieren in het landelijk gebied een grotere rol. Bij gebiedsontwikkelingen moet de daadwerkelijke vraag van bewoners, bedrijven en organisaties leidend worden. Om zorgvuldig ruimtegebruik te bevorderen wordt een ladder voor duurzame verstedelijking geïntroduceerd: eerst kijken of er vraag is naar een bepaalde nieuwe ontwikkeling, vervolgens kijken of het bestaande stedelijk gebied of bestaande bebouwing kan worden hergebruikt en, mocht nieuwbouw echt nodig zijn, altijd zorgen voor een optimale (multimodale) bereikbaarheid. Bij het verbeteren van de bereikbaarheid wordt sterk gelet op het samenspel tussen alle modaliteiten (weg, spoor, water) in samenhang met ruimtelijke ontwikkeling. Er moet innovatief worden omgegaan met de benutting van de infrastructuur. Het Rijk kiest voor een selectieve inzet van rijksbeleid op dertien nationale belangen. Voor die belangen is het Rijk verantwoordelijk en wil het resultaat boeken. Buiten deze dertien belangen hebben decentrale overheden beleidsvrijheid. De 13 nationale belangen zijn: Vergroten van de concurrentiekracht van Nederland 1.

Een excellente ruimtelijk-economische structuur van Nederland door een aantrekkelijk vestigingsklimaat in en goede internationale bereikbaarheid van de stedelijke regio’s met een concentratie van topsectoren. 2. Ruimte voor het hoofdnetwerk voor (duurzame) energievoorziening en de energietransitie. 3. Ruimte voor het hoofdnetwerk voor vervoer van (gevaarlijke) stoffen via buisleidingen. 4. Efficiënt gebruik van de ondergrond. Verbeteren en ruimtelijk zekerstellen van de bereikbaarheid. 5. Een robuust hoofdnet van wegen, spoorwegen en vaarwegen rondom en tussen de belangrijkste stedelijke regio’s inclusief de achterlandverbindingen. 6. Betere benutting van de capaciteit van het bestaande mobiliteitssysteem. 7. Het in stand houden van het hoofdnet van wegen, spoorwegen en vaarwegen om het functioneren van het mobiliteitssysteem te waarborgen.

10

Waarborgen kwaliteit leefomgeving 8. Verbeteren van de milieukwaliteit (lucht, bodem, water) en bescherming tegen geluidsoverlast en externe veiligheidsrisico’s. 9. Ruimte voor waterveiligheid, een duurzame zoetwatervoorziening en kaders voor klimaatbestendige stedelijke (her)ontwikkeling. 10. Ruimte voor behoud en versterking van (inter)nationale unieke cultuurhistorische en natuurlijke kwaliteiten. 11. Ruimte voor een nationaal netwerk van natuur voor het overleven en ontwikkelen van flora- en faunasoorten. 12. Ruimte voor militaire terreinen en activiteiten. Overkoepelend 13. Zorgvuldige afweging en transparante besluitvorming bij alle ruimtelijke en infrastructurele besluiten. Conclusie plangebied Het plan bevindt zich niet in de nationale hoofdstructuur en omvat geen ontwikkelingen van nationaal belang. 3.1.2.

Ladder voor duurzame verstedelijking Op 1 oktober 2012 is het Besluit ruimtelijke ordening (Bro) gewijzigd, en is ‘de ladder voor duurzame verstedelijking’ daaraan toegevoegd. De ladder ondersteunt gemeenten en provincies in vraaggerichte programmering van hun grondgebied, het voorkomen van over programmering en de keuzes die daaruit volgen (Bro, artikel 3.1.d). Doel van de ladder voor duurzame verstedelijking is een goede ruimtelijke ordening in de vorm van een optimale benutting van ruimte in stedelijke gebieden. Tot 1 juli 2017 dienden overheden nieuwe stedelijke ontwikkeling te motiveren met drie voorgeschreven, opeenvolgende trappen (de treden van de ladder). Omdat de ladder als te ingewikkeld werd ervaren en voor veel onderzoekslasten zorgde, is de regeling per 1 juli 2017 gewijzigd. In de nieuwe regeling is de tekst teruggebracht tot de essentie: de drie treden worden losgelaten en vervangen door de volgende tekst (artikel 3.1.6 lid 2 Besluit ruimtelijke ordening): “De toelichting bij een bestemmingsplan dat een nieuwe stedelijke ontwikkeling mogelijk maakt, bevat een beschrijving van de behoefte aan die ontwikkeling, en, indien het bestemmingsplan die ontwikkeling mogelijk maakt buiten het bestaand stedelijk gebied, een motivering waarom niet binnen het bestaand stedelijk gebied in die behoefte kan worden voorzien”.

Als er sprake is van een wijzigings- of uitwerkingsplan, geldt het volgende (artikel 3.1.6 lid 3 Besluit ruimtelijke ordening): 11

“Indien in een bestemmingsplan een wijzigings- of uitwerkingsbevoegdheid is opgenomen, dan kan in dat bestemmingsplan worden bepaald dat de beschrijving van de behoefte aan een nieuwe stedelijke ontwikkeling en de motivering daarvan (als bedoeld in artikel 3.1.6. lid 2 Bro) wordt opgenomen in de toelichting bij het wijzigings- of het uitwerkingsplan als bedoeld in dat artikel”. Voordat de ladder duurzame verstedelijking wordt doorlopen, zal beoordeeld worden of er sprake is van een stedelijke ontwikkeling zoals bedoeld in artikel 3.1.6 lid 2 van het Besluit ruimtelijke ordening. Op de locatie wordt een bestaande bedrijfswoning in gebruik genomen als particuliere woning. Uit jurisprudentie blijkt dat ontwikkelingen waar minder dan 12 woningen ontwikkeld worden niet aangemerkt worden als stedelijke ontwikkeling (zie onder andere uitspraak 201501297/1/R4 (11 woningen geen stedelijke ontwikkeling) en 201407135/1/R1 (twaalf woningen wel stedelijke ontwikkeling)). Het behoud van één woning betreft daardoor geen stedelijke ontwikkeling. Tevens wordt een kleinschalige bedrijfsactiviteit in de vorm van statische opslag gerealiseerd in een bijgebouw bij de woning. Gelet op de aard van de ontwikkeling betreft het hier tevens geen stedelijke ontwikkeling. Om deze reden is de ladder voor duurzame verstedelijking verder niet van toepassing op dit plan.

Wel is altijd een motivering nodig dat sprake is van een goede ruimtelijke ordening. Dit wordt in de ruimtelijke onderbouwing verder aangetoond.

3.2

PROVINCIAAL BELEID

3.2.1

Brabantse Omgevingsvisie: De kwaliteit van Brabant, visie op de Brabantse leefomgeving Op 14 december 2018 hebben Provinciale Staten de Omgevingsvisie ‘De kwaliteit van Brabant’ vastgesteld. De Omgevingsvisie bevat de hoofdlijnen van het provinciale beleid voor de fysieke leefomgeving. De visie beschrijft de strategische hoofdopgaven voor de lange termijn over klimaatverandering, energietransitie, verstedelijking en bereikbaarheid, concurrerende duurzame economie en de basis op orde. Voor deze opgaven wordt aangegeven wat de ambities op lange termijn zijn: wat is er nodig om Brabant in 2050 een gezonde, veilige en prettige leefomgeving te laten zijn? Ook is een concreet tussendoel geformuleerd voor het jaar 2030, om zo te kijken wat in dat jaar minimaal bereikt moet zijn om het lange termijndoel te kunnen halen.

12

De Omgevingsvisie geeft ook aan op welke nieuwe manieren de provincie met betrokkenen wil samenwerken aan omgevingsvraagstukken en welke waarden daarbij centraal staan. Na de inwerkingtreding van de Omgevingswet zal de Omgevingsvisie de provinciale plannen, zoals de structuurvisie, het verkeers- en vervoersplan, het milieu- en waterplan en de natuurvisie vervangen. De basisopgave van de Brabantse Omgevingsvisie is werken aan veiligheid, gezondheid en omgevingskwaliteit. Deze basisopgave is veelomvattend en gaat over milieuaspecten, als een schone bodem, schoon water (ondergrond) en schone lucht. Maar ook om landschappelijke en cultuurhistorische aantrekkelijkheid, een goede woonen werkomgeving met een aantrekkelijk aanbod aan voorzieningen, stilte en een natuurrijke omgeving, waarin biodiversiteit en recreatie hand in hand gaan. Om deze basisopgave te verwezenlijken zijn er vier hoofdopgaven gesteld: Werken aan de Brabantse energietransitie Door de grote invloed van klimaatverandering nu, en in de toekomst werkt de provincie aan een energietransitie met als einddoel om in 2050 100% duurzame energie op te wekken. Door aan te sluiten bij de Nationale Energieagenda wordt het landelijk beleid gevolgd. Vervolgens wordt een heldere koers opgesteld met regio en gemeentes. Participatie zal een essentieel onderdeel vormen voor verdere planvorming.

Werken aan een ‘klimaatproof’ Brabant Door de alsmaar groter wordende impact van klimaatverandering op ons dagelijks leven dient Brabant hier maatregelen voor te nemen. Er zal een klimaatbestendige en waterrobuuste inrichting worden ontwikkeld. Dit houdt in dat het beeklandschap wordt aangepast om wateroverlast te voorkomen. Om schade aan de landbouwsector te voorkomen wordt innovatie van deze sector, om in te spelen op klimaatverandering, gestimuleerd. Het einddoel is dat Brabant in 2050 klimaatbestendig en waterrobuust is ingericht. Werken aan de slimme netwerkstad Duurzame verstedelijking draagt bij aan de ontwikkeling van steden die voorbereid zijn op de toekomst. Steden worden beter met elkaar verbonden. Mensen moeten zich makkelijker kunnen verplaatsen. Ook wordt de bereikbaarheid van nabije voorzieningen gestimuleerd. Hierdoor wordt het aantal verkeersbewegingen met de auto teruggedrongen en wordt deze van de fiets bijvoorbeeld gestimuleerd. Ondertussen wordt de mobiliteit gestimuleerd door het openbaar vervoer toekomstbestendig te maken, wordt inno-

13

vatie van zelfrijdende auto’s gestimuleerd en wordt de mobiliteit van bedrijven vergroot. Met als doel: dat in 2050 het stedelijk netwerk van Brabant als één samenhangend duurzaam en concurrerend netwerk van steden en dorpen functioneert, als onderdeel van de Noordwest- Europese metropool. Werken aan een concurrerende, duurzame economie Een concurrerende, duurzame economie bestaat uit verschillende onderdelen. Het stimuleren van een circulaire economie zorgt voor een toekomstbestendige economie. Innovatie wordt hierdoor gestimuleerd en de productencyclus wordt efficiënter. Hiernaast is een verdergaande digitalisering een ontwikkeling die moet worden gestimuleerd en waaruit vele voordelen kunnen worden gehaald. Het kan bijdragen aan de aantrekkelijkheid van bedrijven in de provincie waarmee het vestigingsklimaat wordt gestimuleerd. Met al deze ontwikkelingen dient echter de sociale impact altijd in ogenschouw te worden genomen. Door het benadrukken van de sociale impact van al deze veranderingen worden de inwoners van Brabant betrokken en zullen zij uiteindelijk het meest profijt van de ontwikkelingen hebben. Met als einddoel: in 2050 is Brabant de top kennis- en innovatieregio in Europa. Conclusie plangebied Het initiatief sluit aan op verschillende waarden binnen de gestelde basisopgave in de omgevingsvisie.

Bij de ontwikkeling wordt aansluiting gezocht op de ruimtelijke- en functionele kwaliteit van de omgeving. Zo is de nieuwe functie passend in de omgeving en wordt in hoofdzaak gebruik gemaakt van bestaande bebouwing. Daarnaast wordt de locatie landschappelijk ingepast. 3.2.2

Interim omgevingsverordening Noord-Brabant In oktober 2019 is de Interim omgevingsverordening Noord-Brabant vastgesteld. De Interim omgevingsverordening Noord-Brabant bevat alle provinciale regels voor de fysieke leefomgeving. De verordening zorgt voor kaderstellende doorvertaling van de omgevingsvisie en het bestaande provinciaal beleid. De Interim omgevingsverordening Noord-Brabant is een eerste stap in de implementatie van de Omgevingswet op provinciaal niveau. Voordat de Omgevingswet in werking treedt, wordt de definitieve omgevingsverordening vastgesteld. Net zoals de Omgevingswet een groot aantal wetten vervangt, vervangt de Brabantse omgevingsverordening een aantal provinciale verordeningen. De Interim omgevingsverordening Noord-Brabant vervangt de Provinciale milieuverordening, Verordening natuurbescherming, Verordening Ontgrondingen, Verordening ruimte, Verordening water en de Verordening wegen. In de Interim omgevingsverordening Noord-Brabant staan regels voor:

14

- Burgers en bedrijven: dit zijn rechtstreeks werkende regels voor activiteiten. Deze regels bevatten de voorwaarden om zo’n activiteit te mogen verrichten. Deze regels geven ook aan of de start van een activiteit vooraf moet worden gegaan door een melding. - Bestuursorganen van de overheid: dit zijn zogenaamde instructieregels. Met deze regels kan de provincie een opdracht geven aan gemeenten over onderwerpen die zij in het bestemmingsplan moeten opnemen of aan het waterschap over de manier waarop ze hun taken uitvoeren. De planlocatie is gelegen in het Landelijk gebied en specifiek het Gemengd landelijk gebied. Onderstaand is de locatie weergegeven binnen de Interim Omgevingsverordening. Figuur 5 Uitsnede Interim Omgevingsverordening Noord-Brabant

Voor de ontwikkeling geldt dat de regels onder paragraaf 3.1.2 “Basisprincipes voor een evenwichtige toedeling van functies” relevant zijn. Navolgend wordt aan deze paragraaf getoetst. Toetsing ontwikkeling en plangebied De ontwikkeling vormt een verrijking voor de omgevingskwaliteit. De intensieve varkenshouderij wordt beëindigd waardoor geur, ammoniak en fijn stof emissies fors worden verminderd. Hierdoor vindt een grote afname plaats van hinder voor de omgeving. Tevens brengt de ontwikkeling een forse ontstening met zich mee. 1.411 m2 aan bebouwing wordt gesloopt en een gedeelte van de verharding wordt verwijderd. Daarnaast wordt de locatie op een zorgvuldige manier landschappelijk ingepast, waarmee wordt geïnves-

15

teerd in kwaliteitsverbetering van het landschap. Bij de ontwikkeling is tevens sprake van zorgvuldig ruimtegebruik. Het leidend principe bij zorgvuldig ruimtegebruik is het optimaal benutten van de bestaande bebouwde omgeving. Dit draagt bij aan het behoud van de openheid en kwaliteit van het buitengebied en aan hergebruik van leegkomende of bebouwingslocaties in zowel stedelijk als landelijk gebied. Hieraan wordt uiting gegeven bij de ontwikkeling. Enkel de voor de ontwikkeling noodzakelijke bebouwing blijft behouden. Daarnaast is in het kader van zorgvuldig ruimtegebruik van belang dat onnodig nieuw ruimtebeslag in het landelijk gebied voorkomen wordt. Door gebruik te maken van bestaande bebouwing wordt voor de nieuwe bedrijfsfunctie geen beslag gelegd op nieuwe ruimte in het buitengebied. Dit is tevens een duurzame oplossing gelet op het hergebruik van dit nog in goede staat verkerende gebouw. Het behouden van het bedrijfsgebouw op de bestaande locatie is vanuit financieel, ruimtelijk en milieukundig oogpunt wenselijk. Het gebouw kan niet op een fatsoenlijke manier worden verplaatst. Dit zou ten koste gaan van de bouwkundige staat van het gebouw, maar is financieel gezien ook te kostbaar. Het behouden van het gebouw op de huidige locatie vormt daarnaast ruimtelijk gezien geen belemmering voor de omgeving.

De locatie wordt in totaliteit ingepast, waarbij oog is voor zichtlijnen vanuit de Pater Visserslaan op het achter het perceel gelegen landschap. De ontwikkeling betreft het in gebruik houden van een bestaande bedrijfswoning als particuliere woning, met daarbij een kleinschalig bedrijf in de vorm van statische opslag. Hierdoor zijn de regels uit Afdeling 3.6 Vitaal platteland relevant. Uit de regels blijkt dat in principe alleen bestaande burgerwoningen en bedrijfswoningen zijn toegestaan. Hier kan echter op af worden geweken door middel van artikel 3.69. Tevens kan een niet-agrarische functie op de locatie worden gevestigd, door middel van artikel 3.73. Onderstaand zijn beide artikelen weergegeven. Artikel 3.69 Afwijkende regels (burger)woningen In afwijking van artikel 3.68 Wonen in Landelijk gebied kan een bestemmingsplan voorzien in: a.

de bouw van een woning ter vervanging van een bestaande woning binnen het bouwperceel, als is verzekerd dat: 1. de bestaande woning feitelijk wordt opgeheven; 2. overtollige bebouwing wordt gesloopt.

b. de vestiging van of de splitsing in meerdere woonfuncties in cultuurhistorisch waardevolle bebouwing als dat bijdraagt aan het behoud of herstel van deze bebouwing.

16

c.

in het gebruik van een voormalige bedrijfswoning als burgerwoning, als is verzekerd dat: 1. er geen splitsing in meerdere woonfuncties plaatsvindt; 2. overtollige bebouwing wordt gesloopt.

Artikel 3.73 Vestiging niet-agrarische functie in Landelijk gebied Lid 1. Een bestemmingsplan van toepassing op Landelijk gebied kan voorzien in de vestiging van een niet-agrarische functie op een bestaand bouwperceel als aan de volgende voorwaarden is voldaan: a.

de vestiging past binnen de ontwikkelingsrichting van het gebied waarbij de volgende aspecten zijn betrokken: 1. een gebiedsgerichte benadering welke activiteiten en functies passen in de omgeving; 2. welke effecten de mogelijke ontwikkeling heeft op andere aspecten, waaronder mobiliteit, agrarische ontwikkeling, leefbaarheid en leegstand elders; 3. hoe de vestiging bijdraagt aan het versterken van de omgevingskwaliteit, waaronder een bijdrage aan de sloop van overtollig en leegstaand vastgoed in het Landelijk gebied.

b. er vindt geen splitsing plaats van het bouwperceel; c.

overtollige bebouwing wordt gesloopt;

d. de vestiging heeft geen betrekking op: 1. een kantoor met baliefunctie; 2. lawaaisport; 3. mestbewerking. Lid 2. Het bestemmingsplan dat de vestiging mogelijk maakt, borgt dat de functie, ook op langere termijn, past binnen de ontwikkelingsrichting en stelt daartoe regels: a.

over een bij de omgeving passende omvang en publieksaantrekkende werking;

b. welke specifieke gebruiksactiviteit is toegestaan; c.

dat opslag en stalling plaatsvindt in gebouwen;

d. dat de ontwikkeling verplaatst naar een passende locatie als deze niet langer past binnen de maximaal toegestane omvang.

17

Lid 3. Als een binnen de omgeving passende omvang geldt voor: a.

bedrijvigheid, dat deze kleinschalig is en past binnen een gemengde omgeving waardoor het niet doelmatig is om deze te vestigen op een bedrijventerrein;

b. een detailhandelsvoorziening, een omvang van het verkoopvloeroppervlak van ten hoogste 200 m²; c.

een voorziening ten dienste van vrije-tijd en zorg, een omvang van de bebouwing van ten hoogste 1 hectare.

Toetsing ontwikkeling en plangebied Hierna wordt voor het initiatief getoetst of aan beide artikelen wordt voldaan. Artikel 3.69 Ad Lid a N.v.t. Ad Lid b N.v.t. Ad Lid c.1 Er is geen sprake van splitsing in meerdere woonfuncties. De woning blijft in gebruik als één enkele woonfunctie. Ad Lid c.2 Alle overtollige bebouwing op de locatie wordt gesloopt. In de beoogde situatie zullen alle varkensstallen gesloopt worden. Dit betreft 1.411 m2. De bedrijfswoning blijft behouden en wordt in gebruik genomen als particuliere woning. Daarnaast blijft alleen de loods/rundveestal behouden. Het gebruik wijzigt gedeeltelijk naar het gebruik ten behoeve van een kleinschalige bedrijfsactiviteit in de vorm van statische opslag, zoals caravans. Het andere gedeelte zal gebruikt worden voor de huisvesting van dieren welke als hobby worden gehouden. Artikel 3.73 Ad Lid 1.a De vestiging van de niet-agrarische functie sluit aan op de ontwikkelingsrichting voor het gebied. Door de gemeente wordt het mogelijk geacht nietagrarische bedrijvigheid te realiseren bij hergebruik van vrijkomende agrarische bebouwing. Hierbij geldt wel dat het oppervlak aan bedrijfsbebouwing

18

in ieder geval niet mag worden vergroot en dat overtollige agrarische bedrijfsbebouwing dient te worden gesloopt. Zoals hiervoor toegelicht, is hier sprake van. Daarnaast moet het perceel landschappelijk worden ingepast. Ook hier wordt aan voldaan. Als bijlage is het landschappelijk inpassingsplan toegevoegd. Ad Lid 1.b Hier is geen sprake van Ad Lid 1.c Zoals toegelicht onder Ad Lid c.2, wordt alle overtollige bebouwing gesloopt. Ad Lid 1.d Hier is geen sprake van. Ad Lid 2. Dit is verwerkt in de bestemmingsplanregels. Ad Lid 3.a Er is sprake van kleinschalige bedrijvigheid. De activiteiten hebben een beperkte omvang. 260 m2 van het gebouw zal gebruikt worden voor statische opslag. Ad Lid 3.b N.v.t. Ad Lid 3.c N.v.t. Conclusie Gezien voorgaande toelichting, past de ontwikkeling op de locatie binnen de kaders zoals gesteld in de Interim omgevingsverordening.

3.3

GEMEENTELIJK BELEID

3.3.1

Structuurvisie 2030 De voormalige gemeente Veghel heeft in de Structuurvisie 2030 de gewenste ruimtelijke ontwikkelingsrichting op hoofdlijnen weer. Het is een globale visie welke kaders stelt voor ontwikkelingen.

19

Binnen de ‘Visie bedrijvigheid & landbouw’ is de locatie gelegen binnen het gebied ‘Ruimte voor landbouw in het buitengebied (in combinatie met andere functies)’. Figuur 6 Uitsnede Structuurvisie 2030

Toetsing plangebied Het Veghels buitengebied kenmerkt zich door het agrarische karakter. Dit is echter in verschillende gradaties te onderscheiden. In de beekdalen is sprake van agrarisch medegebruik, ter ondersteuning van de ecologische en landschappelijke functie van het gebied. Het meeste zuidelijke deel van de gemeente vormt het agrarische kerngebied. In de overige delen van het buitengebied vormt de landbouw een belangrijke drager, maar is daarnaast ook meer ruimte voor andere functies, zoals wonen, recreatie en voorzieningen. De locatie is in laatstgenoemd gebied gelegen en sluit aan op de ontwikkelingsrichting welke hiervoor is gesteld. 3.3.2.

Kansen voor kwaliteit Op 7-5-2020 heeft de gemeenteraad het afwegingskader “Kansen voor kwaliteit” vastgesteld. Dit beleid biedt een afwegingskader voor de herontwikkeling van vrijkomende (agrarische) bebouwing. Gemeente Meierijstad heeft een buitengebied dat van oorsprong hoofdzakelijk een agrarische functie heeft. In de afgelopen jaren zijn veel agrarische bedrijven gestopt en ook de komende jaren zullen naar verwachting nog veel bedrijven gaan stoppen. Dit zorgt voor steeds meer vrijkomende agrarische bebouwing. Leegstand van deze vrijkomende bebouwing kan grote gevolgen hebben voor de kwaliteit van het buitengebied, maar biedt ook kansen om het buitengebied leefbaar en vitaal te houden. Er worden veel initiatieven voor herontwikkeling ingediend, waar het beleid, zoals opgenomen in de geldende bestemmingsplannen, niet direct een antwoord op heeft. Omdat nieuwe initiatieven niet altijd 20

voorspelbaar zijn, is er behoefte aan beleid dat flexibiliteit geeft. Het afwegingskader voor vrijkomende (agrarische) bebouwing tracht hierin te voorzien. In het afwegingskader is beschreven dat elk initiatief afzonderlijk in overweging wordt genomen en kwalitatief wordt beoordeeld. Hierbij gelden drie hoofdprincipes: -

Omgeving is leidend; Kwaliteitsimpuls is vereist; Afstemming is nodig.

Omgeving is leidend Bij de beoordeling van initiatieven moet als eerste worden bekeken of een initiatief passend is in de omgeving. Dit is van meerdere factoren afhankelijk. Allereerst moet de functie passen in het buitengebied. Daarbij wordt onderscheid gemaakt in gebiedsgebonden, gebiedspassende en gebiedsstrijdige functies. Ten tweede moet de functie passen in de ontwikkelingsrichting voor een bepaald gebied (gebiedsgerichte aanpak). Daarbij wordt onderscheid gemaakt in drie gebiedstypen. Als laatste moet de aard en omvang van de functie passen in de (directe) omgeving. Daarbij wordt gekeken naar de impact. Daarnaast gelden een aantal randvoorwaarden: 1. Randvoorwaarden vanuit de (directe) omgeving. -

-

-

Milieu: Er dient voldaan worden aan de op dat moment geldende wetgeving omtrent geluid, geur, luchtkwaliteit, gezondheid, externe veiligheid, archeologie etc; De ontwikkeling mag geen belemmering opleveren voor omliggende agrarische bedrijven en voor de doorontwikkeling van agrarische bedrijven; De ontwikkeling mag geen negatieve verkeerskundige effecten hebben; De ontwikkeling mag niet leiden tot parkeeroverlast voor de omgeving;

2. Randvoorwaarden op locatieniveau -

Overtollige bebouwing moet worden gesloopt; Stedenbouwkundige uiterlijk van het perceel (gebouwen en buitenruimte) dient aan te sluiten bij de gewenste beeldkwaliteit; Er moet een (functionele) koppeling blijven tussen de woning en het nieuwe bedrijf; De milieuvergunning moet in overeenstemming met de nieuwe situatie worden gebracht; Buitenopslag van goederen en stalling buiten is in beginsel niet toegestaan; 21

-

Grootschalige (licht)reclame is in het buitengebied niet toegestaan; Het bouwvlak dient verkleind te worden met een bouwvlak op maat; Er dient sprake te zijn van zuinig (en zorgvuldig) ruimtegebruik.

3. Specifieke voorwaarden/criteria voor bepaalde functies Statische opslag Bij twijfel dient initiatiefnemer aan te tonen dat er sprake is van een concreet plan en een daadwerkelijke bedrijfsmatige activiteit. Dit om te voorkomen dat alleen op papier wordt aangegeven dat stallen gebruikt gaan worden voor statische opslag om zo minder te moeten slopen. Wonen Bij het omzetten van een agrarische bedrijfswoning naar een burgerwoning dient aangetoond te worden dat er sprake is van een goed woon- en leefklimaat. Met name geurhinder vormt hierbij regelmatig een struikelblok. Om kosten te voorkomen is het raadzaam eerst onderzoeken te laten verrichten naar de voorgrond- en achtergrondbelasting geurhinder en luchtkwaliteit. Ook fijnstof en endotoxinen leiden er steeds vaker toe dat geen medewerking verleend kan worden. Toetsing initiatief Het initiatief betreft de omschakeling naar een woonfunctie met kleinschalige bedrijfsfunctie in de vorm van statische opslag. Beide functies vallen onder de categorie gebiedspassende functies. Gebiedspassende functies zijn functies die op zich horen op een bedrijventerrein of binnen de bebouwde kom, maar die ruimtelijk verantwoord passen of in te passen zijn in (delen van) het buitengebied.

Voor wat betreft woonfuncties is beschreven dat dit in principe een gebiedspassende functie kan zijn, maar dat terughoudend moet worden omgegaan met het toevoegen van nieuwe woonfuncties in het buitengebied. In deze situatie gaat het enkel om behoud van de bestaande woning, waarmee hieraan wordt voldaan. Voor statische opslag is beschreven dat dit als een gebiedspassende functie wordt gezien omdat dit een beperkte ruimtelijke uitstraling heeft. De locatie is gelegen in het gebiedstype “Verweving van functies”. In het gebied ‘verweving van functies’ zijn in principe alle functies mogelijk. Of een functie daadwerkelijk op een specifieke locatie haalbaar is, hangt af van de impact op de (directe) omgeving. De beoordeling van de effecten van het initiatief vindt plaats op basis van de omvang, aard en uitstraling van de beoogde functie en de aard van de (directe) omgeving. De beoogde functies (woning en kleinschalig statische opslag) betreffen functies met een geringe omvang. De woning is reeds een bestaande woning. Voor de statische opslag wordt gebruik gemaakt van een bestaand gebouw. Een groot oppervlak aan bebouwing en verharding wordt daarnaast verwijderd. Ook veroorzaken de beoogde functies geen milieuhinder op nabijgelegen gevoelige functies. Hier wordt nader op ingegaan in paragraaf 4.7. Ook worden geen negatieve 22

effecten op omgevingskwaliteiten verwacht. De locatie wordt op een goede manier landschappelijk ingepast. Daarnaast hebben de functies geen nadelige effecten op de verkeerskundige situatie ter plaatse. Het aantal verkeersbewegingen neemt af, gebruik wordt gemaakt van de bestaande inritten en het parkeren vindt op eigen perceel plaats. Toetsing randvoorwaarden: 1. Er wordt voldaan aan de op dit moment geldende wetgeving omtrent geluid, geur, luchtkwaliteit, gezondheid, externe veiligheid, archeologie etc (zie paragrafen onder hoofdstuk 4). De ontwikkeling vormt geen belemmering voor omliggende agrarische bedrijven en voor de doorontwikkeling van agrarische bedrijven (zie paragraaf 4.7). De ontwikkeling heeft geen negatieve verkeerskundige effecten en leidt niet tot parkeeroverlast voor de omgeving (zie paragraaf 4.12) 2. - Alle overtollige bebouwing wordt gesloopt. 1.411 m2 aan bedrijfsbebouwing wordt gesloopt. - Het stedenbouwkundige uiterlijk van het perceel sluit aan bij de gewenste beeldkwaliteit. De woning en bedrijfsgebouw zijn bestaande gebouwen en passend in het karakter van de omgeving. Bij het ontwerp van de nieuwe berging wordt tevens rekening gehouden met de gewenste beeldkwaliteit. De locatie wordt daarnaast op een goede manier landschappelijk ingepast. - Initiatiefnemer blijft in de woning wonen en voert tevens het bedrijf. - Er is geen sprake van buitenopslag.

- Er is geen sprake van grootschalige reclame. - Het bouwvlak wordt verkleind naar een bouwvlak op maat. Het bouwvlak wordt verkleind zover dat enkel de woning met tuin en het te behouden bedrijfsgebouw hierbinnen vallen. Het bouwvlak wordt daarnaast verder verkleind door de tussenliggende huisweide een agrarische bestemming te geven. - Er is sprake van zuinig en zorgvuldig ruimtegebruik. Enkel de voor de ontwikkeling noodzakelijke bebouwing blijft behouden. Door gebruik te maken van bestaande bebouwing wordt voor de nieuwe bedrijfsfunctie geen beslag gelegd op nieuwe ruimte in het buitengebied. Dit is tevens een duurzame oplossing gelet op het hergebruik van dit nog in goede staat verkerende gebouw. Dit brengt wel met zich mee dat het bijgebouw op een grotere afstand staat van de woning dan normaal gesproken gangbaar is. Het behouden van het bedrijfsgebouw op de bestaande locatie is echter vanuit financieel, ruimtelijk en milieukundig oogpunt wenselijk. Het gebouw kan niet op een fatsoenlijke manier worden verplaatst. Dit zou ten koste gaan van de bouwkundige staat van het gebouw. Daarnaast zou het financieel gezien ook 23

te kostbaar. Het behouden van het gebouw op de huidige locatie vormt in de beoogde situatie ruimtelijk gezien geen belemmering voor de omgeving. De locatie wordt in totaliteit ingepast, waarbij rekening is gehouden met zichtlijnen vanuit de Pater Visserslaan op het achter het perceel gelegen landschap. Normaal gesproken wordt 150 m2 als standaard oppervlakte voor bijbehorende bouwwerken aangehouden. In deze situatie is dit meer, maar dit komt door de wenselijke ruimte voor de statische opslag. Extra oppervlakte voor deze functie is wel een mogelijkheid. Zo is in het bestemmingsplan ‘harmonisatie van diverse regelingen’ een mogelijkheid opgenomen voor het gebruik van bijbehorende bouwwerken voor statische opslag. In de toepassingscriteria wordt een maximum van 400 m2 genoemd. Om voor de volledigheid aan te tonen dat het initiatief ook voldoet aan de afwijkingsbevoegdheid, wordt navolgend aan de voorwaarden behorend bij deze afwijking getoetst. Voorwaarden 7.13 a.

er is geen sprake van een agrarisch of niet-agrarisch bedrijf (in dat geval is de regeling voor statische opslag bij bedrijven (artikel 8.4) van toepassing);

b. de opslag dient zich te beperken tot statische binnenopslag in bestaande gebouwen, waarbij buitenopslag niet is toegestaan; c.

de oppervlakte aan bestaande bijbehorende bouwwerken te gebruiken voor de binnenopslag van statische goederen mag niet groter zijn dan 400 m2, waarbij bijbehorende bouwwerken boven de 400 m2 worden aangemerkt als overtollige bebouwing, die als vorm van kwaliteitsverbetering moet worden verwijderd;

d. cultuurhistorisch waardevolle bebouwing is uitgezonderd van verplichte sloop; e. opslag ten behoeve van een elders gevestigd niet-agrarisch bedrijf is niet toegestaan. f.

detailhandel is niet toegestaan.

g. er is geen sprake van onevenredige milieuhygiënische belemmeringen. h. de nevenactiviteit 'statische opslag' leidt niet tot onevenredige aantasting van gebruiks- en ontwikkelingsmogelijkheden van de naastgelegen percelen. i.

de nevenactiviteit 'statische opslag' mag geen onevenredige publieksen/of verkeersaantrekkende werking tot gevolg hebben.

24

j.

de nevenactiviteit 'statische opslag' gaat gepaard met een gedegen landschappelijke inpassing middels erfbeplanting (met voor het landschap kenmerkende soorten); de kwaliteitswinst blijkt uit een door de gemeente goedgekeurd erfinrichtingsplan. Het erfinrichtingsplan maakt onderdeel uit van de aanvraag om afwijking van het bestemmingsplan;

k.

parkeren moet op het eigen terrein plaatsvinden.

Toetsing voorwaarden Ad a. Door de bestemmingswijziging wordt niet langer een agrarisch bedrijf gevoerd. Ad b. De statische opslag vindt uitsluitend binnen het gebouw plaats. Ad c. Gebruik wordt gemaakt van een bestaand gebouw. De oppervlakte voor de statische opslag betreft 260 m2 waardoor wordt voldaan aan de voorwaarde. Ad d. Het betreft geen cultuurhistorisch waardevolle bebouwing. Ad e. Hier is geen sprake van. Ad f. Hier is geen sprake van. Ad g. Hier is geen sprake van. Zie paragraaf 4.7. Ad h. Hier is geen sprake van. Zie paragraaf 4.7. Ad i. Hier is geen sprake van. Zie paragraaf 4.12. Ad j. De locatie wordt op een goede manier landschappelijk ingepast. Zie bijgevoegd landschappelijk inpassingsplan. Ad k. Het parkeren vindt op eigen terrein plaats. Zie paragraaf 4.12. Kwaliteitsimpuls is vereist Herontwikkeling van vrijkomende (agrarische) bebouwing is altijd gebonden aan een kwaliteitsimpuls. Een kwaliteitsimpuls is een handeling met als effect de verbetering van de kwaliteit. In dit geval maken we onderscheid in een basisinspanning en een aanvullende kwaliteitsprestatie. De basisinspanning bestaat uit een goede landschappelijke inpassing van het totale erf waar de ontwikkeling deel van uitmaakt. Die basisinspanning is afhankelijk van de functie in relatie tot de omgeving.

In algemene zin is voor een ontwikkeling van grotere omvang ook een grotere ofwel robuustere landschappelijke inpassing vereist. Dat kan tot uitdrukking komen in de landschapselementen, maar bijvoorbeeld ook in een aanpassing van de ontsluiting en/of in nadere eisen voor vorm, omvang en situering van gebouwen.

25

Ook compensatieverplichtingen die volgen uit specifieke wetgeving (bijvoorbeeld van effecten op de waterhuishouding of het milieu), behoren tot de basisinspanning. Naast de basisinspanning geldt er voor sommige ontwikkelingen ook een aanvullende kwaliteitsprestatie. De invulling van de aanvullende kwaliteitsprestatie is maatwerk. Met een integrale benadering van de ontwikkeling in relatie tot de omgeving kunnen kansen onderkend worden die leiden tot een versterking van de (ruimtelijke) kwaliteit. Zonder hier een uitputtende opsomming te geven kan gedacht worden aan: 1. het slopen van (overtollige) bebouwing; 2. het wegnemen van verharding; 3. het toevoegen, versterken of herstellen van landschapselementen die een bijdrage leveren aan de versterking van de landschapsstructuur of de relatie stad-land; 4. het behoud of herstel van cultuurhistorisch waardevolle bebouwing of terreinen; 5. de realisering van het Natuur Netwerk Brabant en ecologische verbindingszones; 6. een bijdrage aan recreatief medegebruik, waaronder het aanleggen van wandel-, fiets- en ruiterpaden, het openstellen van privébezit voor derden, het realiseren van natuurbelevingsplekken, het verbeteren van de dorpsranden en nieuwe vormen van recreatief medegebruik; 7. de toepassing van hoogwaardige stedenbouw/vernieuwende architectuur; 8. Extra inspanningen ten aanzien van klimaatadaptatie en/of duurzaamheid.

Toetsing initiatief Met het initiatief wordt een zeer goede kwaliteitsimpuls bereikt. 1.411 m2 aan bebouwing wordt gesloopt. Daarnaast wordt een gedeelte van de verharding verwijderd. Tot slot wordt de locatie op een goede manier landschappelijk ingepast conform bijgevoegd landschappelijk inpassingsplan. Afstemming is nodig De herontwikkeling van een vrijkomende agrarische bedrijfslocatie zorgt voor een verandering in de omgeving van burgers, bedrijven en andere belanghebbenden. Gemeente Meierijstad vindt het noodzakelijk dat omwonenden en andere belanghebbenden vroegtijdig worden geïnformeerd en betrokken bij de planvorming. Hierdoor kunnen wensen en ideeën vanuit de 26

omgeving zoveel mogelijk worden meegenomen. Dit is niet alleen bevorderlijk voor het draagvlak, in veel gevallen leidt het ook tot snellere procedures. Het betrekken van omwonenden en andere belanghebbenden is de verantwoordelijkheid van de initiatiefnemer. De initiatiefnemer kiest zelf voor de vorm. Dit kan uiteenlopen van gesprekken van de initiatiefnemer met omwonenden (hierna: omgevingsdialoog) of tot het organiseren van een zogenaamde omgevingstafel. Toetsing initiatief Ten behoeve van het initiatief is een zorgvuldige dialoog uitgevoerd. Het verslag van deze zorgvuldige dialoog is als bijlage bij deze onderbouwing gevoegd. Conclusie Het plan wordt aanvaardbaar geacht. Het plan brengt aanzienlijke kwaliteitswinst met zich mee door het afbreken van 1.411 m2 varkensstallen. Het beeindigen van de varkenshouderij zorgt bovendien voor een afname van emissies en vermindering van geurhinder. Resterende bebouwing wordt op een landschappelijke wijze ingepast. De toe te passen beplanting (hoogstambomen / struweel) zorgt zowel landschappelijk als ecologisch (biodiversiteit) voor een verbetering. Het gebruik voor statische opslag is beperkt qua omvang en levert geen noemenswaardige hinder op. Gebruik en inrichting van het terrein worden geborgd door het toekennen van de bestemmingen Wonen en agrarisch. De dierenweide wordt opgenomen in de bestemming ‘Agrarisch’.

De instandhouding van het landschapsplan is geborgd door het opnemen van een voorwaardelijke verplichting in de bestemmingsplanregels. Het verlenen van medewerking valt ook binnen de doelstellingen zoals geformuleerd in het beleid ‘Kansen voor kwaliteit’.

27

4

MILIEUHYGIENISCHE EN PLANOLOGISCHE VERANTWOORDING

In onderhavige hoofdstuk wordt getoetst of kan worden voldaan aan de voorwaarden uit voorgaand hoofdstuk.

4.1

MER-BEOORDELING Het realiseren van woningen valt in beginsel onder onderdeel D (stedelijk ontwikkelingsproject, categorie D.11.2 met een drempelwaarde van 2.000 woningen) van de bijlage bij het Besluit m.e.r.. In de onderhavige situatie wordt echter geen nieuwe woning toegevoegd, waardoor dit geen stedelijk ontwikkelingsproject in de zin van het Besluit m.e.r. betreft. Ook de nieuwe bedrijfsactiviteit in de vorm van statische opslag betreft geen stedelijk ontwikkelingsproject. Hier gaat het niet om uitbreiding van het bebouwingsoppervlak voor realisatie van deze functie, maar het gebruiken van een bestaand gebouw. Tevens betreft het slechts een kleinschalige neventak bij de woning. Het Besluit m.e.r. is daarom niet van toepassing en een aanmeldnotitie vormvrije m.e.r.-beoordeling is niet nodig. Het plan kan doorgang vinden.

4.2

ARCHEOLOGIE EN CULTUURHISTORIE Op grond van het Verdrag van Malta en de daaruit vloeiende Wet op de archeologische monumentenzorg (Wamz), dient bij de opstelling en de uitvoering van ruimtelijke plannen rekening te worden gehouden met bekende archeologische waarden en de te verwachten archeologische waarden. Het uitgangspunt hierbij is dat het archeologisch erfgoed moet worden beschermd op de plaats waar het wordt aangetroffen. De voormalige gemeente Veghel heeft haar archeologiebeleid verwerkt in het vigerende bestemmingsplan. Een groot gedeelte van het plangebied heeft de dubbelbestemming ‘Waarde – Archeologie 4’. Een klein gedeelte van het plangebied heeft de dubbelbestemming ‘Waarde – Archeologie 3’. In navolgende afbeelding is de scheiding van beide gebieden weergegeven. Gronden met de dubbelbestemming zijn mede bestemd voor de bescherming van archeologische waarden. Om deze reden dient op grond van de dubbelbestemming voor een aantal werken en/of werkzaamheden een rapport (onderzoek) te worden overlegd waarin is aangetoond dat ter plaatse 28

geen behoudenswaardige archeologische waarden aanwezig zijn of dat de ter plaatse aanwezige archeologische waarden niet of niet onevenredig worden geschaad. Figuur 7 Dubbelbestemmingen Waarde – Archeologie 3 en 4 ter plaatse van plangebied

Enkel binnen de dubbelbestemming ‘Waarde – Archeologie 4’ vinden ontwikkelingen plaats. Onder ‘Waarde-Archeologie – 4’ vallen de terreinen met een lage verwachting. Om deze reden geldt binnen deze dubbelbestemming een onderzoeksplicht als de verstoringsdiepte meer bedraagt dan 30 centimeter of de werkzaamheden een oppervlak omvatten groter dan 10.000 m2. De onderzoeksplicht geldt niet voor werkzaamheden welke het normale onderhoud, beheer en/of gebruik betreffen of bij (bouw)werkzaamheden waarbij de roeringen in de grond niet dieper gaan of een groter oppervlak omvatten dan voorheen. De ontwikkeling op de planlocatie omvat het slopen van enkele gebouwen (1.411 m2) en het realiseren van een kleine berging (60 m2). Bij de sloop van de bebouwing wordt in principe dieper gegaan dan 30 centimeter. Echter is dit in het verleden ook al gebeurd bij de bouw van de bebouwing. Bij het uitgraven ten behoeve van de fundering is de grond reeds geroerd. Bij de sloop van de bebouwing zal niet dieper worden gegaan in de grond dan toen. Tevens vindt de bouw van de berging plaats op de locatie waar nu nog bebouwing staat. Hierdoor kan worden verzekerd dat geen archeologische waarden zullen worden aangetast. Om deze reden is een archeologisch onderzoek ook niet noodzakelijk.

Om te voorkomen dat er in de toekomst een aantasting plaatsvindt van de archeologische waarden, worden deze waarden verankerd in het bestem-

29

mingsplan door middel van het opnieuw opnemen van de dubbelbestemmingen. Mocht de initiatiefnemer in de toekomst besluiten om elders te gaan bouwen dan zij nu voornemens is, dan heeft zij door de opname van deze dubbelbestemming alsnog de verplichting op een onderzoek naar de eventueel aanwezige archeologische waarden uit te voeren. Tevens geldt een algemene meldingsplicht (art. 5.10 van de Erfgoedwet) wanneer er zaken van belang gevonden worden. Er zijn daardoor geen belemmeringen voor de voorgenomen ontwikkeling.

4.3

WET NATUURBESCHERMING Bij ruimtelijke ontwikkelingen dient rekening te worden gehouden met eventuele ecologische waarden in of nabij het projectgebied. De voorgenomen ontwikkelingen mogen geen negatieve effecten hebben op de aanwezige beschermde soorten zoals aangewezen in de Wet natuurbescherming. Indien hiervan sprake is moet ontheffing of vrijstelling worden aangevraagd. Tevens mogen de ontwikkelingen geen negatieve effecten hebben op aangewezen gebieden zoals Natura2000-gebieden. Bescherming in het kader van de natuur wet- en regelgeving is op te delen in gebieds-en soortenbescherming.

4.3.1

Gebiedsbescherming In Nederland is gebiedsbescherming geregeld middels de Wet natuurbescherming, waarin alle gebiedsbeschermende internationale afspraken en richtlijnen zijn geïmplementeerd. Met betrekking tot gebiedsbescherming is de situering ten opzichte van Natura2000-gebieden van belang. Bij negatieve effecten kan onder andere gedacht worden aan: optische verstoring door het toevoegen van bebouwing, verlies van oppervlakte, verdroging of vernatting, vermesting en verzuring, verstoring door licht, geluid, trilling, en dergelijke. De dichtstbijzijnde Natura 2000-gebieden zijn ‘Kampina & Oisterwijkse Vennen’ en het ‘Vlijmens Ven, Moerputten & Bossche Broek’. Deze liggen respectievelijk op ca. 18,2 en 20,7 kilometer van het plangebied verwijderd. Gezien het gewenste gebruik van het plangebied en de kleinschaligheid van de ontwikkeling zijn veel significant negatieve effecten op voorhand al uit te sluiten. Omdat hobbydieren gehouden zullen worden en er beperkt sprake is van verkeersbewegingen, is het echter wel nog de vraag of de emissies welke hiervan afkomstig zijn voor een bepaald effect zorgen op de Natura 2000-gebieden. Om deze reden is een AERIUS-berekening gemaakt. Deze berekening is toegevoegd als bijlage. Uit de berekening blijkt dat geen sprake is van effecten op Natura 2000-gebieden.

Ook hiervoor is daarmee uit te sluiten dat sprake is van significant negatieve effecten.

30

Natuurnetwerk Nederland Het Natuurnetwerk Nederland (NNN) (voorheen: ecologische hoofdstructuur (EHS) is een samenhangend netwerk van natuurgebieden en landbouwgebieden met natuurwaarden van (inter)nationaal belang. Het doel van het NNN-beleid is het veiligstellen van ecosystemen en het realiseren van leefgebieden met goede condities voor de biodiversiteit. Voor het Natuurnetwerk Nederland geldt op basis van het Rijksbeleid (Structuurvisie Infrastructuur en Ruimte en Besluit algemene regels ruimtelijke ordening) de verplichting tot instandhouding van de wezenlijke kenmerken en waarden van het gebied. Dit betekent dat (nieuwe) plannen, projecten of handelingen niet zijn toegestaan indien zij de wezenlijke kenmerken of waarden van het gebied significant aantasten. De locatie Pater visserslaan 15 is niet in of nabij het Natuurnetwerk Nederland gelegen. De afstand tot het dichtstbijzijnde gebied bedraagt 125 meter. Hierdoor vormt de ontwikkeling geen belemmering voor het Natuurnetwerk Nederland. 4.3.2

Soortenbescherming De Wet natuurbescherming beschermt in het wild levende planten- en diersoorten. Ruimtelijke ontwikkelingen kunnen leiden tot verstoring, aantasting van broedplaatsen en vernietiging van verblijfplaatsen van beschermde soorten. De mate van bescherming hangt samen met de zeldzaamheid en kwetsbaarheid van de soort. Om uit te kunnen sluiten dat de ontwikkeling nadelige effecten kan hebben op aanwezige beschermde planten of dieren is een quickscan soortenbescherming uitgevoerd. Deze is toegevoegd als bijlage. In de quickscan is de huidige aanwezigheid van beschermde soorten planten en dieren in en om het plangebied in beeld gebracht. Daarnaast zijn de te verwachten effecten van de ingreep in het plangebied beoordeeld. Hieruit volgt onderstaande conclusie. Voor de bepaling van de effecten en voor de beantwoording van de vraag of men in strijd komt met de Wet natuurbescherming, wordt de relatie gelegd tussen het initiatief met deze wet door waar mogelijk antwoord te geven op de volgende vragen: 1. Welke wettelijk beschermde soorten komen in het plangebied voor? Welke status hebben deze soorten? 2. Welke invloed heeft de geplande ingreep in het betreffende gebied op de beschermde soorten en de staat van instandhouding? 3.

Hoe dient omgegaan te worden met eventuele negatieve effecten van het plan op wettelijk beschermde planten- en diersoorten, en welke vervolgstappen zijn nodig? Het voornemen zoals opgenomen in de inleiding en de daarbij behorende werkzaamheden, zal naar verwachting geen negatief effect hebben op staat 31

van instandhouding van beschermde soorten. Binnen het plangebied zijn geen (verblijfplaatsen van) strikt beschermde soorten aangetroffen die door de werkzaamheden worden beïnvloed. Uit de effectenbeschrijving blijkt dat er geen onevenredige directe of indirecte gevolgen zijn van de voorgenomen activiteiten op de voortplanting en instandhouding van beschermde dier- en/of plantsoorten. Lokaal zullen mogelijk algemene soorten uit het plangebied trekken op zoek naar een vervangende biotoop. Bij voorkeur worden alle stallen gesloopt buiten het broedseizoen. Voor aanvang van de werkzaamheden dient derhalve geen aanvullend onderzoek plaats te vinden. Een ontheffing met betrekking tot aantasting van beschermde soorten is niet nodig. De werkzaamheden kunnen leiden tot een beschadiging of vernietiging van mogelijke verblijfplaatsen en/of verstoring van eventueel aanwezige algemene soorten. Een algehele vrijstelling op basis van de Verordening natuurbescherming voor ruimtelijke ontwikkelingen is hierop van toepassing. De algemene zorgplicht blijft onverminderd van toepassing. Gesteld kan worden dat de beoogde ontwikkeling van de locatie geen onevenredige nadelige gevolgen zal hebben voor natuurwaarden. Het aspect natuur leidt niet tot belemmering voor het voorgenomen initiatief.

4.4

WATERPARAGRAAF Water verdient een belangrijke plek in de ruimtelijke planvorming. Vanwege dit belang moeten bij de locatiekeuze, de (her)inrichting en het beheer van nieuwe ruimtelijke functies de relevante waterhuishoudkundige aspecten worden meegenomen. Aanleiding tot het opstellen van de waterparagraaf is het doorlopen van de watertoets ten behoeve van de voorgenomen planontwikkeling op onderhavige locatie. Het doel van de waterparagraaf is een toelichting te geven op de waterhuishoudkundige aspecten van het plan en de benodigde informatie aan te leveren met betrekking tot de toekomstige berging en afvoer van hemelwater. Beleid waterschap Aa en Maas Het beleid van waterschap Aa en Maas is er op gericht om bij nieuwbouw geen vermenging te laten optreden van schoon en vuil water. Voor hemelwater hanteert zij de trits hergebruik - infiltratie - bufferen - afvoer als zijnde gewenst.

32

Beleidsuitgangspunten: -

-

-

-

-

-

Wateroverlastvrij bestemmen: bij de locatiekeuze voor een nieuwe ruimtelijke ontwikkeling dient rekening te worden gehouden met een plek die ‘hoog en droog genoeg is’; Gescheiden houden van vuil water en schoon regenwater: het streefbeeld is het afvoeren van het vuile water via de riolering en het binnen het plangebied verwerken van het schone regenwater; Doorlopen van de afwegingsstappen “hergebruik – infiltratie – buffering – afvoer”: het beleid van het waterschap is dat altijd onderzocht dient te worden hoe het meest efficiënt / volgens deze methode omgegaan kan worden met het schone hemelwater; Hydrologisch neutraal bouwen: bij nieuwe ontwikkelingen dient te worden voldaan aan het principe van hydrologisch neutraal bouwen, waarbij de nieuwe hydrologische situatie minimaal gelijk moet blijven aan de uitgangssituatie; Water als kans: water kan een meerwaarde bieden aan het plan, bijvoorbeeld door gebruik te maken van de belevingswaarde van water; Meervoudig ruimtegebruik: in de plannen moet ruimte worden vrijgemaakt voor water. Door bij de inrichting van een plangebied de ruimte voor meerdere doeleinden te gebruiken, is het verlies van ruimte aan water te beperken; Voorkomen van verontreiniging: het streven van het waterschap is om nieuwe (bronnen van) verontreiniging zoveel mogelijk te voorkomen; Waterschapsbelangen.

Om te bepalen of de waterschapbelangen worden aangetast is gebruikgemaakt van de digitale watertoets. Hieruit blijkt dat er geen waterschapbelangen worden aangetast.

Figuur 8 Uitsnede Legger Oppervlaktewater Waterschap Aa en Maas

33

Volgens de vastgestelde Legger Oppervlaktewater geldt dat aan de zuidzijde van de locatie een A-watergang is gelegen. De bebouwing ligt niet binnen de beschermingszone van deze watergang. Het is niet toegestaan om obstakels te hebben of plaatsen binnen deze beschermingszone. Met obstakels worden bijvoorbeeld hekwerken, bebouwing of beplanten bedoeld. De voorgenomen ontwikkeling heeft geen effect op de watergang. Vanwege de beëindiging van de intensieve veehouderij wordt het grootste gedeelte van de bestaande stallen gesloopt. Hierdoor neemt het aantal m2’s verhard oppervlak af. De locatie is aangesloten op de drukriolering. Dit betekent dat al het hemelwater op het terrein geïnfiltreerd moet worden. Voor de beoogde ontwikkeling is ook de digitale watertoets uitgevoerd (zie bijlage). Hieruit blijkt dat diverse waterbelangen van belang zijn. Deze hebben met name betrekking op hemelwaterafvoer en de bescherming van watergangen. De waterschapsbelangen vormen echter geen belemmering voor de voortgang van het plan. In de beschermingszone van de watergang vinden geen activiteiten plaats. Daarnaast is sprake van een grote afname van verhard oppervlak doordat een groot gedeelte van de bestaande bedrijfsbebouwing wordt gesloopt. Hierdoor neemt het infiltrerend oppervlak in het plangebied toe.

Door het waterschap wordt het hierdoor niet noodzakelijk geacht verder maatregelen te nemen ten behoeve van hemelwaterberging. Er zijn hierdoor geen waterschapsbelangen in het geding.

De tekst is automatisch uit het bestand gehaald en kan afwijken van het origineel (kolommen, tabellen en koppen lopen door elkaar). Het officiële stuk bij de gemeente is leidend. Bron: https://api1.ibabs.eu/publicdownload.aspx?site=Meierijstad&id=38b549b6-915c-4d36-b370-2c4049a36fba