Bijlage 3. Overzicht van wijzigingen (was-wordt lijst)
Tekst van het document
Was – Wordt lijst behorend bij Verordening sociaal domein Meierijstad Algemeen In deze was-wordt lijst zijn de wijzigingen opgenomen die in de nieuwe (integrale) “Verordening sociaal domein Meierijstad” zijn verwerkt. Niet alle wijzigingen zijn in de was-wordt lijst opgenomen. Eenvoudige verschrijvingen zoals twee punten achter een zin of een dubbel geplaatst haakje zijn gecorrigeerd zonder deze op te nemen in de was-wordt lijst. Dit geldt ook voor taalfouten, inconsequent gebruik van afkortingen (zoals PGB en Pgb) en voor verkeerde of onnodige nummering. Dit zijn immers geen inhoudelijke wijzigingen, maar alleen grammaticale of taal-technische aanpassingen.
Hoofdstuk 1 – Inleiding Artikel 1.3
Was (Huidige tekst van artikel) Het is de taak van de gemeente om haar inwoners daarbij te helpen. De wetgever heeft wetten gemaakt om dit te bereiken. Het gaat om de: • Participatiewet (PW), de Wet inkomensvoorziening oudere en gedeeltelijk arbeidsongeschikte werkloze werknemers (IOAW) en de Wet inkomensvoorziening oudere en gedeeltelijk arbeidsongeschikte gewezen zelfstandigen (IOAZ); • Wet maatschappelijke ondersteuning 2015 (Wmo 2015); • Wet gemeentelijke schuldhulpverlening (Wgs) • Jeugdwet; • Wet op het primair onderwijs, de Wet op de expertisecentra en de Wet op het voortgezet onderwijs; • Wet publieke gezondheid (Wpg)
Wordt (Nieuwe tekst van artikel) Het is de taak van de gemeente om haar inwoners daarbij te helpen. De wetgever heeft wetten gemaakt om dit te bereiken. Het gaat om de: • Participatiewet (PW), de Wet inkomensvoorziening oudere en gedeeltelijk arbeidsongeschikte werkloze werknemers (IOAW) en de Wet inkomensvoorziening oudere en gedeeltelijk arbeidsongeschikte gewezen zelfstandigen (IOAZ); • Wet maatschappelijke ondersteuning 2015 (Wmo 2015); • Wet gemeentelijke schuldhulpverlening (Wgs) • Jeugdwet; • Wet op het primair onderwijs, de Wet op de expertisecentra en de Wet op het voortgezet onderwijs;
Argumentatie In de opsomming van de wetten wordt ‘Gemeentewet’ toegevoegd. Dit omdat de Meedoenregeling (Paragraaf 7.5) zijn grondslag vindt in artikel 149 van de Gemeentewet.
De gemeente hoeft niet te ondersteunen als de inwoner geholpen kan worden op grond van een andere wet dan hierboven benoemd. Bijvoorbeeld als zorg valt onder de Zorgverzekeringswet (Zvw) of de Wet langdurige zorg (Wlz). De regels in deze verordening vullen de wettelijke regels aan. Het zijn regels op hoofdlijnen die de gemeenteraad heeft vastgesteld. Soms zijn nog extra regels nodig, waarin bepaalde zaken worden uitgewerkt. Het college is bevoegd daarvoor nadere regels of beleidsregels vast te stellen. Ook dat is in deze verordening geregeld.
1.6
Als in deze verordening het woord ‘inwoner’ staat, dan vallen daar ook ouders, jongeren, studenten en werknemers onder. Waar ‘hij’ staat kan ook ‘zij’ gelezen worden. Als in deze verordening het woord ‘ouders’ staat dan vallen daar onder: pleegouders/ouders en/of hun vertegenwoordigers die in de zin van Algemene wet bestuursrecht (Awb) als belanghebbenden aangemerkt kunnen worden. Alle bedragen in deze verordening zijn inclusief btw. Op genoemde bedragen kunnen in de toekomst aanpassingen van toepassing zijn op grond van bijvoorbeeld indexering of als gevolg van aanbestedingstrajecten.
• •
Wet publieke gezondheid (Wpg); Gemeentewet.
De gemeente hoeft niet te ondersteunen als de inwoner geholpen kan worden op grond van een andere wet dan hierboven benoemd. Bijvoorbeeld als zorg valt onder de Zorgverzekeringswet (Zvw) of de Wet langdurige zorg (Wlz). De regels in deze verordening vullen de wettelijke regels aan. Het zijn regels op hoofdlijnen die de gemeenteraad heeft vastgesteld. Soms zijn nog extra regels nodig, waarin bepaalde zaken worden uitgewerkt. Het college is bevoegd daarvoor nadere regels of beleidsregels vast te stellen. Ook dat is in deze verordening geregeld. Als in deze verordening het woord ‘inwoner’ staat, dan vallen daar ook ouders, jongeren, studenten en werknemers onder. Waar ‘hij’ staat kan ook ‘zij’, ‘hen’ of ‘die’ gelezen worden. Als in deze verordening het woord ‘ouders’ staat dan vallen daar onder: pleegouders/ouders en/of hun vertegenwoordigers die in de zin van Algemene wet bestuursrecht (Awb) als belanghebbenden aangemerkt kunnen worden. Alle bedragen in deze verordening zijn inclusief btw. Op genoemde bedragen kunnen in de toekomst aanpassingen van toepassing zijn op grond van bijvoorbeeld indexering of als gevolg van aanbestedingstrajecten.
De zin “Waar ‘hij’ staat kan ook ‘zij’ gelezen worden.” is in verband met inclusie uitgebreid met ‘hen’ en ‘die’.
Hoofdstuk 2 – De Hulpvraag Artikel 2.4.1 lid 2
Was (Huidige tekst van artikel) Geeft de gemeente de ondersteuning in natura, dan staat in het besluit in ieder geval: a. wat de ondersteuning inhoudt en waarvoor de ondersteuning bedoeld is; b. wanneer de ondersteuning ingaat en hoe lang de ondersteuning duurt; en c. welke voorwaarden en verplichtingen er voor de ondersteuning gelden.
Wordt (Nieuwe tekst van artikel) Geeft de gemeente de ondersteuning in natura, dan staat in het besluit in ieder geval: a. wat de ondersteuning inhoudt en waarvoor de ondersteuning bedoeld is; b. wanneer de ondersteuning ingaat en hoe lang de ondersteuning duurt; en c. welke voorwaarden en verplichtingen er voor de ondersteuning gelden.
Argumentatie De ‘en’ aan het eind van sub b voegt gelet op passage ‘in ieder geval’ in de eerste zin niets toe. Daarom verwijderd.
Hoofdstuk 3 – Werk en Participatie Artikel 3.1.1.
Was (Huidige tekst van artikel) De gemeente ondersteunt de volgende groepen inwoners op weg naar werk en participatie: 1. Inwoners met een gemeentelijke uitkering die niet op eigen kracht en met de hulp van het sociale netwerk, uitzendbureaus en andere organisaties de weg naar werk kunnen vinden; 2. Inwoners die geen ondersteuning kunnen krijgen van andere instanties, zoals UWV, SVB of werkgevers. Per hulpvraag beoordeelt de gemeente of er ondersteuning kan worden gegeven; 3. Jongeren tot 27 jaar die geen werk en geen havo-diploma, vwo-diploma of mbo-diploma vanaf niveau 2 hebben (startkwalificatie). De gemeente helpt hen een passende opleiding, traject of passend werk te vinden of leidt hen naar hulpverlening of zorg.
Wordt (Nieuwe tekst van artikel) De gemeente ondersteunt de volgende groepen inwoners op weg naar werk en maatschappelijke participatie: 1. Inwoners met een gemeentelijke uitkering die niet op eigen kracht en met de hulp van het sociale netwerk, uitzendbureaus en andere organisaties de weg naar werk kunnen vinden; 2. Inwoners die geen ondersteuning kunnen krijgen van andere instanties, zoals UWV, SVB of werkgevers. Per hulpvraag beoordeelt de gemeente of er ondersteuning kan worden gegeven; 3. Jongeren tot 27 jaar die geen werk en geen havo-diploma, vwo-diploma of mbo-diploma vanaf niveau 2 hebben (startkwalificatie). De gemeente helpt hen een passende opleiding, traject of passend werk duurzame arbeid te vinden of leidt hen naar hulpverlening of zorg.
Argumentatie
3.2.1. lid 1
De gemeente biedt een inwoner een beschutte werkplek aan als door het UWV is vastgesteld dat deze inwoner alleen kan werken als het werk en de werkplek zijn aangepast aan de mogelijkheden van die inwoner. Daarbij gelden de voorwaarden in de Participatiewet zijn genoemd.
De gemeente biedt een inwoner een beschutte werkplek aan als deze behoort tot de doelgroep van beschut werk. Dit gebeurt op basis van een door het UWV afgegeven advies waaruit blijkt dat deze inwoner alleen kan werken als het werk en de werkplek zijn aangepast aan de mogelijkheden van die inwoner. Daarbij gelden de voorwaarden die in de Participatiewet zijn genoemd.
Het UWV geeft een indicatie af over beschut werk. Op basis van die indicatie geeft de gemeente de beschikking beschut werk af. Daarna wordt er vervolgens een beschutte werkplek aangeboden door de gemeente.
Met het oog op de aankomende wetswijziging Participatiewet in Balans wordt de term ‘maatschappelijke participatie’ ingevoerd. In onderdeel 2 is de SVB verwijderd, omdat zij niet verantwoordelijk zijn voor de reintegratie van deze inwoners. Bij onderdeel 3 is ‘passend werk’ gewijzigd in ‘duurzame arbeid’. Dit past beter bij de geest van de wet met de komst van de Participatiewet in balans per 2026.
3.2.1, lid 5, sub b
Sociale activering;
Maatschappelijke participatie;
3.2.2, lid 2, sub a.
De inwoner behoort tot de doelgroep van de Participatiewet en is minimaal achttien jaar oud, tenzij de inwoner VSO/PRO onderwijs heeft gevolgd; de inwoner kan zonder deze vorm van ondersteuning niet aan het arbeidsproces deelnemen;
De inwoner behoort tot de doelgroep van de Participatiewet en: i. is minimaal 18 jaar of tenzij; ii. heeft VSO/PRO onderwijs gevolgd. De inwoner kan zonder deze vorm van ondersteuning niet aan het arbeidsproces deelnemen;
Met de komst van de Participatiewet met de balans per 2026 komt de term ‘sociale activering’ en ‘tegenprestatie’ (zie artikel 3.5) te vervallen. Hiervoor in de plaats komt er een nieuwe term, zijnde ‘maatschappelijke participatie’. De tegenprestatie wordt gekenmerkt door de aanname dat een inwoner zich ervan bewust is dat er iets tegenover de uitkering levensonderhoud staat. Bij maatschappelijke participatie wordt er meer gehandeld vanuit vertrouwen en de menselijke maat, zoals bedoeld is met de Participatiewet in balans. Maatschappelijke participatie is daarmee tweeledig: een eerste stap richting arbeidsinschakeling voordat betaalde arbeid mogelijk is en het hebben van activiteiten om vereenzaming te voorkomen. Andere bewoording in verband met dubbele betekenis. De huidige tekst was voor verschillende uitleg vatbaar.
3.2.2.1 (opschrift)
3.2.2.1 Hulp op de werkplek van een jobcoach of interne werkgebeleider.
3.2.2.1 3.2.3. Hulp op de werkplek van een jobcoach of interne werkbegeleider.
Gewijzigd artikelnummer in verband met doornummeren.
3.2.2.1, lid 7
De gemeente stemt met de werkgever en werknemer de wijze waarop de ondersteuning wordt geboden, de intensiteit in duur en aantal uren af en legt dit vast in een beschikking aan de werkgever. 3.2.4 3.2.5 Proefplaats
De beschikking wordt niet per definitie alleen aan de werkgever verzonden.
3.2.4 (opschrift)
De gemeente stemt met de werkgever en werknemer de wijze waarop de ondersteuning wordt geboden, de intensiteit in duur en aantal uren af en legt dit vast in een beschikking aan de werkgever. 3.2.4 Proefplaats
3.2.5 (opschrift)
3.2.5 werkstage
3.2.5 3.2.6 Werkstage
3.2.6 (opschrift)
3.2.6 scholing
3.2.6 3.2.7 Scholing
3.2.7 (opschrift)
3.2.7 indienstnemingssubsidie
3.2.7 3.2.8 Indienstnemingssubsidie
3.2.7, lid 1 (oud)
De gemeente kan een werkgever die een inwoner in dienst neemt een subsidie geven.
De gemeente kan een werkgever die een inwoner, die behoort tot de doelgroep, in dienst neemt een subsidie geven. Er is geen recht op indienstnemingssubsidie wanneer er sprake is van recht op loonkostensubsidie.
3.2.8 (opschrift)
3.2.8 Sociale activering
3.2.8 3.2.9 Sociale activering Maatschappelijke participatie
Gewijzigd artikelnummer in verband met doornummeren. Gewijzigd artikelnummer in verband met doornummeren. Gewijzigd artikelnummer in verband met doornummeren. Gewijzigd artikelnummer in verband met doornummeren. Hiermee wordt de doelgroep ‘inwoner’ beperkt en is er geen sprake van opstapelende subsidies. Hiermee kan er geen sprake zijn van een indienstnemingssubsidie voor de reguliere werknemer. Gewijzigd artikelnummer in verband met doornummeren. Met de komst van de Participatiewet in balans per 2026 komt de term ‘sociale activering’ te vervallen. Hiervoor in de plaats komt er een nieuwe term, zijnde ‘maatschappelijke participatie’.
3.2.8, lid 1 (oud)
De gemeente kan een inwoner, die weinig kans heeft op werk, zinvolle activiteiten aanbieden die hem dichter bij werk brengen. Dit heet sociale activering. Vrijwilligerswerk is hier een voorbeeld van.
De gemeente kan een inwoner, die weinig kans heeft op werk, zinvolle activiteiten aanbieden die hem dichter bij werk brengen. Dit heet sociale activering maatschappelijke participatie. Vrijwilligerswerk is hier een voorbeeld van.
3.2.8, lid 2 (oud)
Het doel van sociale activering is om inwoners te helpen weer grip op hun leven te krijgen, sociale contacten op te bouwen en moeilijkheden op weg naar werk te overwinnen.
Het doel van sociale activering maatschappelijke participatie is om inwoners te helpen weer grip op hun leven te krijgen, sociale contacten op te bouwen en moeilijkheden op weg naar werk te overwinnen.
3.2.9 (opschrift)
3.2.9 Ondersteuning bij beheersing Nederlandse taal (PW, IOAW, IOAZ)
3.2.9 3.2.10 Ondersteuning bij beheersing Nederlandse taal (PW, IOAW, IOAZ)
3.2.10 (opschrift)
3.2.10 Kinderopvang (PW, IOAW, IOAZ, Wet kinderopvang)
3.2.10 3.2.11 Kinderopvang (PW, IOAW, IOAZ, Wet kinderopvang)
3.4.1 (opschrift)
Specifieke voorwaarden noodzakelijk intermediaire activiteit bij visuele of motorische handicap
Specifieke voorwaarden noodzakelijke intermediaire activiteit bij visuele of motorische handicap.
Met de komst van de Participatiewet met de balans per 2026 komt de term ‘sociale activering’ te vervallen. Hiervoor in de plaats komt er een nieuwe term, zijnde ‘maatschappelijke participatie’. Vrijwilligerswerk is verwijderd, omdat dit niet onder maatschappelijke participatie valt. Met de komst van de Participatiewet met de balans komt de term ‘sociale activering’ te vervallen. Hiervoor in de plaats komt er een nieuwe term, zijnde ‘maatschappelijke participatie’. Gewijzigd artikelnummer in verband met doornummeren. De Wet taaleis is onderdeel van de PW, maar niet van IOAW en IOAZ. Gewijzigd artikelnummer in verband met doornummeren. IOAW en IOAZ zijn verwijderd omdat deze geen rol in de kinderopvang hebben. Het UWV is verantwoordelijk voor voorzieningen voor inwoners met een visuele handicap (zie artikel 10h van de PW).
3.5
Paragraaf 3.5 Tegenprestatie (PW, IOAW, IOAZ)
Artikel 3.5.1 Doel van de tegenprestatie 1. De gemeente legt een inwoner met een gemeentelijke uitkering een tegenprestatie op als deze dit een passende manier vindt voor de inwoner om iets terug te doen voor de samenleving. 2. De gemeente legt geen tegenprestatie op als: a. er een grote kans is op betaalde arbeid. De reden hiervoor is dat de focus gericht moet zijn en blijven op betaalde werk. b. als de inwoner mantelzorg of vrijwilligerswerk verleent en dit niet te combineren is met de tegenprestatie. Artikel 3.5.2 Voorwaarden tegenprestatie 1. Bij het opleggen van een tegenprestatie houdt de gemeente rekening met alle persoonlijke omstandigheden van de inwoner, zoals de gezinssituatie, de duur van de werkloosheid, eventuele beperkingen en vrijwilligerswerk. 2. Bij het opleggen van een tegenprestatie houdt de gemeente rekening met de interesses en capaciteiten van de inwoner. Artikel 3.5.3 Inhoud van de tegenprestatie 1. De duur van de tegenprestatie wordt bepaald op basis van de individuele omstandigheden van belanghebbende met een maximale duur van 12 maanden. Hierin spelen de volgende factoren een rol: • de persoonlijke wensen en kwaliteiten van
Paragraaf 3.5 <<vervallen>>
De tegenprestatie komt met de Participatiewet in balans per 2026 te vervallen. De tegenprestatie wordt gekenmerkt door de aanname dat een inwoner zich ervan bewust is dat er iets tegenover de uitkering levensonderhoud staat. Bij maatschappelijke participatie wordt er meer gehandeld vanuit vertrouwen en de menselijke maat, zoals bedoeld is met de Participatiewet in balans. Maatschappelijke participatie is daarmee tweeledig: een eerste stap richting arbeidsinschakeling voordat betaalde arbeid mogelijk is en het hebben van activiteiten om vereenzaming te voorkomen. De termen ‘sociale activering’ en ‘tegenprestatie’ komen hiermee te vervallen.
de inwoner; • de persoonlijke situatie en individuele omstandigheden van de inwoner; • het arbeidsvermogen van de inwoner. 2. De omvang van de tegenprestatie wordt bepaald op basis van de individuele omstandigheden van de inwoner met een maximum van 30 uur per week.
3.6.4, lid 1 sub c
het vervoer naar de plek waar de inwoner deelneemt aan een activiteit (van de gemeente) om de dag in te vullen. Uitgesloten zijn activiteiten zoals benoemd in artikel 3.6.4.2 lid f en lid g.
3.6.4, lid 2 sub c, d en e
c. De gestelde kilometergrenzen gelden voor ritten binnen de vervoersregio en de vastgestelde puntbestemmingen. Het college kan daarvoor nadere regels vaststellen (zie Nadere regels Wet Maatschappelijke Ondersteuning Meierijstad 2025); d. De gemeente kan gemotiveerd afwijken van het maximale aantal kilometers (zie Nadere regels Wet Maatschappelijke Ondersteuning Meierijstad 2025); e. Voor het reizen met het collectief vervoer geldt een reizigersbijdrage. Het college kan daarvoor nadere regels vaststellen (zie Nadere regels Wet Maatschappelijke Ondersteuning Meierijstad 2025);
het vervoer naar de plek waar de inwoner deelneemt aan een activiteit (van de gemeente) om de dag in te vullen. Uitgesloten zijn activiteiten zoals benoemd in artikel 3.6.4 lid 2 sub lid f en lid g. c. De gestelde kilometergrenzen gelden voor ritten binnen de vervoersregio en de vastgestelde puntbestemmingen. Het college kan daarvoor nadere regels vaststellen (zie Nadere regels Wet Maatschappelijke Ondersteuning Meierijstad 2025); d. De gemeente kan gemotiveerd afwijken van het maximale aantal kilometers (zie Nadere regels Wet Maatschappelijke Ondersteuning Meierijstad 2025); e. Voor het reizen met het collectief vervoer geldt een reizigersbijdrage. Het college kan daarvoor nadere regels vaststellen (zie Nadere regels Wet Maatschappelijke Ondersteuning Meierijstad 2025);
Correctie juridische formulering artikelverwijzing.
De verwijzing naar de Nadere regels Wmo 2025 is uit deze artikelen verwijderd. Deze verwijzing heeft juridisch geen meerwaarde en zorgt ervoor dat de tekst van de verordening op dit punt steeds actueel gehouden zou moeten worden. De vermelding van het feit dat de gemeente nadere regels kan stellen is voldoende. Deze vermelding zorgt ervoor dat het college de nadere regels mag vaststellen en impliceert al een verwijzing naar de dan geldende nadere regels.
Hoofdstuk 4 – Gezond en veilig opgroeien Artikel 4.2 lid 1
4.2 lid 11
Was (Huidige tekst van artikel) 1. Jeugdigen of ouders komen pas in aanmerking voor een individuele voorziening als zij zelf geen oplossing kunnen vinden voor de hulpvraag binnen hun eigen mogelijkheden en probleemoplossend vermogen (eigen kracht). Hieronder wordt in ieder geval verstaan: • gebruikelijke hulp van ouders en/of andere verzorgers of opvoeders • bovengebruikelijke hulp van ouders voor zover zij beschikbaar en in staat zijn de noodzakelijke hulp te bieden, dit geen (dreigende) overbelasting oplevert en door het bieden van de bovengebruikelijke hulp geen financiële problemen in het gezin ontstaan • de ondersteuning vanuit het sociale netwerk • het aanspreken van een aanvullende zorgverzekering die 11. Vanuit het oogpunt van medicaliseren/normaliseren en benutten van eigen kracht, vinden we dat het vervoer van een jeugdige naar een jeugdhulpvoorziening in de basis de verantwoordelijkheid is van ouders/verzorgers/netwerk als onderdeel van gebruikelijke hulp. Het gaat hierbij nadrukkelijk om vervoer van de jeugdige en niet om vervoer van
Wordt (Nieuwe tekst van artikel) 1. Jeugdigen of ouders komen pas in aanmerking voor een individuele voorziening als zij zelf geen oplossing kunnen vinden voor de hulpvraag binnen hun eigen mogelijkheden en probleemoplossend vermogen (eigen kracht). Hieronder wordt in ieder geval verstaan: • gebruikelijke hulp van ouders en/of andere verzorgers of opvoeders • bovengebruikelijke hulp van ouders voor zover zij beschikbaar en in staat zijn de noodzakelijke hulp te bieden, dit geen (dreigende) overbelasting oplevert en door het bieden van de bovengebruikelijke hulp geen financiële problemen in het gezin ontstaan • de ondersteuning vanuit het sociale netwerk • het aanspreken van een aanvullende zorgverzekering die is afgesloten 11. Vanuit het oogpunt van medicaliseren/normaliseren en benutten van eigen kracht, vinden we dat het vervoer van een jeugdige naar een jeugdhulpvoorziening in de basis de verantwoordelijkheid is van ouders/verzorgers/netwerk als onderdeel van gebruikelijke hulp. Het gaat hierbij nadrukkelijk om vervoer van de jeugdige en niet om vervoer
Argumentatie Abusievelijk was een stuk tekst weggevallen bij de vorige verordening. Dat wordt nu gecorrigeerd.
In de huidige verordening wordt bij de reiskostenvergoeding een bedrag van € 0,19 genoemd. Dit bedrag is gebaseerd op de onbelaste kilometervergoeding die de fiscus hanteert. De reiskostenvergoeding is in de uitvoering steeds verhoogd en
ouders of verzorgers naar een jeugdhulplocatie zonder de jeugdige. Hierbij wordt twee keer rijden (heen en terug) per week als gebruikelijke hulp beschouwd. Indien uit onderzoek blijkt dat ouders/verzorgers/netwerk niet in staat zijn zelf het vervoer te organiseren, kan men in aanmerking komen voor een vervoersvoorziening op grond van de jeugdwet. Daar waar vervoer onderdeel uitmaakt van de jeugdhulpvoorziening, is dit opgenomen in het Productenboek Inkoop Gespecialiseerde Jeugdhulp Regio Noordoost Brabant van het betreffende jaar. Vervoer kan ingezet worden in de vorm van taxivervoer, Pgb of een vergoeding. De vergoeding bedraagt € 0,19 per kilometer.
van ouders of verzorgers naar een jeugdhulplocatie zonder de jeugdige. Hierbij wordt twee keer rijden (heen en terug) per week als gebruikelijke hulp beschouwd. Indien uit onderzoek blijkt dat ouders/verzorgers/netwerk niet in staat zijn zelf het vervoer te organiseren, kan men in aanmerking komen voor een vervoersvoorziening op grond van de jeugdwet. Daar waar vervoer onderdeel uitmaakt van de jeugdhulpvoorziening, is dit opgenomen in het Productenboek Inkoop Gespecialiseerde Jeugdhulp Regio Noordoost Brabant van het betreffende jaar. Vervoer kan ingezet worden in de vorm van taxivervoer, Pgb of een vergoeding. De vergoeding is gelijk aan de onbelaste kilometervergoeding die de Belastingdienst hanteert (voor 2025: € 0,23).
zoals bedoeld gelijk gebleven aan de onbelaste kilometervergoeding die de fiscus hanteert. Door aanpassen van lid 11 van dit artikel in de verordening wordt deze uitvoeringspraktijk verankerd in de verordening en wordt voorkomen dat steeds opnieuw de verordening aangepast moet worden als de fiscale onbelaste kilometervergoeding wordt verhoogd in belastingwetgeving.
Hoofdstuk 5 – Wonen in een veilige en gezonde omgeving (Wmo) Artikel 5.2.1, lid 2 en 3
Was (Huidige tekst van artikel) 2. Als de woning niet of alleen tegen zeer hoge kosten aangepast kan worden, verwacht de gemeente dat de inwoner verhuist naar een geschikte(re) woning. De gemeente kan de aanvraag om aanpassing van de woning dan afwijzen. Zeer hoge kosten zijn kosten van meer dan € 18.000 in de periode van de komende 5 jaar. Bij de eerste melding wordt in het onderzoek door de gemeente gekeken of door de gezondheidssituatie van de inwoner of de situatie van de woning in een periode van 5 jaar nog meerdere aanpassingen verwacht worden die het bedrag van € 18.000 gaan overschrijden. 3. De inwoner komt bij een afwijzing van een aanvraag om een woningaanpassing zoals genoemd in het tweede lid in aanmerking voor een vergoeding voor de verhuizing en de inrichting van de nieuwe woning. Deze vergoeding bedraagt € 2.948,11 (prijspeil 2024) en wordt jaarlijks geïndexeerd op basis van consumentenprijzenindex van het CBS. De verhuiskostenvergoeding kan pas worden toegekend als uit onderzoek blijkt dat dit ook de juiste voorziening is. Het onderzoek betreft de beperkingen van de aanvrager, de beschikbaarheid van aangepaste of eenvoudig aan te passen woningen, en alle andere relevante feiten en omstandigheden. Het college kan nadere regels stellen voor het onderzoek en de belangenafweging die gemaakt moet worden.
Wordt (Nieuwe tekst van artikel) 2. Als de woning niet of alleen tegen zeer hoge kosten aangepast kan worden, verwacht de gemeente dat de inwoner verhuist naar een geschikte(re) woning. De gemeente kan de aanvraag om aanpassing van de woning dan afwijzen. Als na de eerste melding blijkt dat de woning niet of alleen tegen zeer hoge kosten aangepast kan worden, onderzoekt de gemeente of verhuizen naar een geschikte(re) woning een meer passende oplossing is voor de inwoner. Zeer hoge kosten zijn te verwachte kosten van meer dan € 18.000 in de periode van de komende 5 jaar. Bij de eerste melding wordt in het onderzoek door de gemeente gekeken of door de gezondheidssituatie van de inwoner of de situatie van de woning in een periode van 5 jaar nog meerdere aanpassingen verwacht worden die het bedrag van € 18.000 gaan overschrijden. In dit onderzoek wordt gekeken naar o.a. de beperkingen van de inwoner en de beschikbaarheid van aangepaste of eenvoudig aan te passen woningen. Daarnaast wordt rekening gehouden met andere relevante feiten en omstandigheden. Het college kan nadere regels stellen voor het onderzoek en de belangenafweging die gemaakt moet worden. Als wordt geconcludeerd dat verhuizen naar een geschikte(re) woning de meest passende oplossing is voor de inwoner, dan kan de gemeente de aanvraag om aanpassing van de woning afwijzen.
Argumentatie Lid 2: Hier is geen sprake van een inhoudelijke wijziging, maar van een tekstuele aanpassing. Door de formulering van deze twee leden aan te passen, wordt duidelijker dat geen sprake is van een verhuisplicht bij hoge kosten (meer dan € 18.000,- in de komende 5 jaar) voor een woningaanpassing. Er is in dat geval wel sprake van een onderzoek naar het mogelijk meer passend zijn van verhuizen tov aanpassen van de woning. Als uit dit onderzoek blijkt dat aanpassen van de woning ondanks de hoge kosten passender is dan verhuizen naar een geschikte(re) woning, dan wordt de woningaanpassing volledig vergoed op grond van de Wmo. Als uit het onderzoek blijkt dat verhuizen een meer passende oplossing is, kan de aanvraag om aanpassing van de woning worden afgewezen. Als dat gebeurt, geldt lid 3 mbt verhuiskostenvergoeding. Lid 3: Het bedrag van de verhuiskostenvergoeding wordt jaarlijks geïndexeerd. Om
5.2.2 sub b
De gemeente geeft geen ondersteuning-op-maat in de volgende situaties: (…) b. De inwoner verblijft in een hotel of pension, een tweede woning, een trekker woonwagen, een klooster, een vakantie woning, een recreatiewoning, een ADL-clusterwoning of een gehuurde woonruimte waarvoor de inwoner geen huurtoeslag kan krijgen;
3. De inwoner komt bij een afwijzing van een aanvraag om een woningaanpassing zoals genoemd in het tweede lid in aanmerking voor een vergoeding voor de verhuizing en de inrichting van de nieuwe woning. Deze vergoeding bedraagt € 2.948,11 (prijspeil 2024) en wordt jaarlijks geïndexeerd op basis van consumentenprijzenindex van het CBS. De hoogte van deze vergoeding is vastgelegd in de Nadere regels Wet maatschappelijke ondersteuning Meierijstad en wordt jaarlijks geïndexeerd op basis van de consumentenprijzenindex van het CBS. De verhuiskostenvergoeding kan pas worden toegekend als uit onderzoek blijkt dat dit ook de juiste voorziening is. Het onderzoek betreft de beperkingen van de aanvrager, de beschikbaarheid van aangepaste of eenvoudig aan te passen woningen, en alle andere relevante feiten en omstandigheden. Het college kan nadere regels stellen voor het onderzoek en de belangenafweging die gemaakt moet worden. De gemeente geeft geen ondersteuning-opmaat in de volgende situaties: (…) b. De inwoner verblijft in een hotel of pension, een tweede woning, een trekker woonwagen, een klooster, een vakantie woning, een recreatiewoning, een ADL-clusterwoning of een gehuurde woonruimte waarvoor de inwoner geen huurtoeslag kan krijgen Er is sprake van
jaarlijks wijzigen van de verordening te voorkomen, wordt in dit artikel geen bedrag meer genoemd. Er wordt voortaan verwezen naar de Nadere regels Wmo2015 waarin jaarlijks het exacte bedrag is vastgelegd.
De opsomming in sub b is vervangen door de termen nietzelfstandige woonruimte, tweede woning en recreatiewoning. Hierdoor is de tekst nu algemener en dekkend voor alle situaties die hier bedoeld worden. De vervangen opsomming in het oude sub b is
5.3.1, lid 8
8. Als er in het huishouden van de inwoner minderjarige kinderen zijn, dan kan de ondersteuning-op-maat ook bestaan uit het overnemen van de gebruikelijke hulp voor deze kinderen. Deze ondersteuning is vooral bedoeld om de periode tot er andere hulp is te overbruggen.
5.4.1 lid 7
5.4.2, lid 1
1. Een inwoner kan op aanvraag in aanmerking komen voor beschermd wonen als: a. de inwoner een geldende psychiatrische diagnose heeft van een arts (BIG-geregistreerde artikel 14-functionaris);of b. het nodig is om de inwoner of directe omgeving te beschermen als gevolg van deze gediagnosticeerde psychiatrische aandoening; en c. de regio Meierij en Bommelerwaard de regio is waarbinnen de opvang van de inwoner het meest kansrijk is.
een niet-zelfstandige woonruimte, een tweede woning of een recreatiewoning;
niet limitatief en dit geeft ruimte voor onduidelijkheid.
8. Als er in het huishouden van de inwoner minderjarige kinderen zijn, dan kan de ondersteuning-op-maat ook bestaan uit het overnemen van de gebruikelijke hulp voor deze kinderen. Deze ondersteuning is vooral bedoeld om de periode tot er andere hulp is te overbruggen.
De laatste zin van lid 8 is verwijderd. De voorwaardelijke en beperkte inzet van deze ondersteuning die hierin werd verwoord, past niet binnen het uitgangspunt van de Wmo dat bestaande beperkingen in zelfredzaamheid en participatie, die niet op een andere maner door de inwoner opgelost kunnen worden, gecompenseerd dienen te worden vanuit Wmo. Lid 7 is toegevoegd. Daarin wordt de centrumregeling en mandaatbesluit benoemd.
7. De centrumgemeente ’s-Hertogenbosch voert de afspraken voor Beschermd wonen, in mandaat, uit voor de zeven gemeenten: Boxtel, Maasdriel, Meierijstad, Sint-Michielsgestel, ’sHertogenbosch, Vught en Zaltbommel. 1. Een inwoner kan op aanvraag in aanmerking komen voor beschermd wonen als: a. de inwoner een geldende psychiatrische diagnose heeft van een arts (BIG-geregistreerde artikel 14-functionaris);of b. het nodig is om de inwoner of directe omgeving te beschermen als gevolg van deze gediagnosticeerde psychiatrische aandoening; en c. de regio Meierij en Bommelerwaard de regio is waarbinnen de opvang van de inwoner het meest kansrijk is.
De toevoeging ‘op aanvraag’ is weggehaald in de inleidende zin van lid 1. Deze toevoeging heeft juridisch geen meerwaarde. In art. 5.1.1 lid 1 is al het algemene uitgangspunt vastgelegd dat ondersteuningop-maat, waar ook BW onder valt, ingezet kan worden op aanvraag van de inwoner. Dit art. 5.1.1 geldt voor het volledige hoofdstuk 5 van de verordening.
5.5.1 lid 2
Onder maatschappelijke opvang worden de voorzieningen dag- en nachtopvang, opvang met intensieve zelfstandigheidstraining, jongerenopvang, kleinschalige opvang en woonwerktrajecten verstaan.
Onder maatschappelijke opvang worden de voorzieningen dag- en nachtopvang, opvang met intensieve zelfstandigheidstraining, jongerenopvang, kleinschalige opvang, vrouwenopvang en woon-werktrajecten verstaan. De centrumgemeente ’s-Hertogenbosch voert deze opvang, in mandaat, uit voor de zeven gemeenten: Boxtel, Maasdriel, Meierijstad, SintMichielsgestel, ’s-Hertogenbosch, Vught en Zaltbommel. De kleinschalige opvang (inclusief intake) in Meierijstad is een lokale verantwoordelijkheid. De gemeente voert deze zelf uit in afstemming met de gemeente ’s-Hertogenbosch.
Vrouwenopvang was abusievelijk niet opgenomen.
5.5.1 lid 3
De centrumgemeente ’s-Hertogenbosch voert deze opvang uit voor de zeven gemeenten Boxtel, Maasdriel, Meierijstad, Sint-Michielsgestel, ’sHertogenbosch, Vught en Zaltbommel.
5.5.1 lid 4
De kleinschalige opvang in Meierijstad is een lokale verantwoordelijkheid. De gemeente voert deze zelf uit in afstemming met de gemeente ’sHertogenbosch.
5.5.2 lid 1
1. Een inwoner kan in aanmerking komen voor opvang als: a. hij feitelijk of residentieel dakloos is en tijdelijk onderdak nodig heeft; en b. hij beperkt zelfredzaam is waardoor hij zich niet op eigen kracht kan handhaven in de maatschappij; en c. hij niet beschikt over alternatieven die de situatie van feitelijke of residentiële dakloosheid op kunnen heffen.
1. Een inwoner kan in aanmerking komen voor opvang als: a. hij feitelijk of residentieel dakloos dakof thuisloos is en tijdelijk onderdak nodig heeft; en b. hij beperkt zelfredzaam is waardoor hij zich niet op eigen kracht kan handhaven in de maatschappij; en c. hij niet beschikt over alternatieven die de situatie van feitelijke of residentiële dakloosheid dak- of thuisloosheid op kunnen heffen.
Regionaal spreken we van daken thuisloze inwoners. In 2023 is een Ethos-telling uitgevoerd, waarbij het aantal dak- en thuisloze inwoners in de regio zijn geteld. De term residentieel dakloos sluit niet meer aan bij de huidige tijd.
5.7.4 onder c, f, g en h
1. De gemeente stelt de volgende voorwaarden voor het plaatsen van een mantelzorgwoning: a. De inwoner is zelf verantwoordelijk voor het realiseren van de mantelzorgwoning;
1. De gemeente stelt de volgende voorwaarden voor het plaatsen van een mantelzorgwoning: a. De inwoner is zelf verantwoordelijk voor het realiseren van de mantelzorgwoning;
Sub c van lid 11 is aangevuld. De hierin omschreven voorwaarde was te krap geformuleerd.
Het mandaatbesluit wordt benoemd.
Verduidelijkt dat ook de intake door Meierijstad plaatsvindt.
b. De mantelzorgwoning wordt uit eigen middelen betaald; c. De mantelzorgwoning kan vergunningsvrij geplaatst worden op het achtererfgebied; d. De mantelzorgwoning kan betrokken worden door de mantelzorger of de mantelzorgontvanger; e. Het gaat om huisvesting in of bij een woning van maximaal één huishouden van maximaal twee personen, waarvan ten minste één persoon mantelzorg verleent aan of ontvangt van een bewoner van de woning; f. Voor het realiseren van een mantelzorgwoning is een (pré)mantelzorgverklaring nodig waarin de mantelzorgbehoefte van de inwoner wordt aangetoond; g. De (pré)mantelzorgverklaring kan worden afgegeven door de huisarts, de wijkverpleegkundige of een door de gemeente aangewezen sociaal-medisch adviseur; h. De inwoner betaalt de kosten van de (pré)mantelzorgverklaring.
5.7.2 lid 3
3. De mantelzorgwaardering moet worden aan gevraagd voor 31 december van het betreffende jaar.
b. De mantelzorgwoning wordt uit eigen middelen betaald; c. De mantelzorgwoning kan vergunningsvrij gerealiseerd worden binnen de bestaande (hoofd)bebouwing of geplaatst worden binnen het bouwvlak op het achtererfgebied; d. De mantelzorgwoning kan betrokken worden door de mantelzorger of de mantelzorgontvanger; e. Het gaat om huisvesting in of bij een woning van maximaal één huishouden van maximaal twee personen, waarvan ten minste één persoon mantelzorg verleent aan of ontvangt van een bewoner van de woning; f. Voor het realiseren van een (pré)mantelzorgwoning is een mantelzorgverklaring nodig waarin de mantelzorgbehoefte van de inwoner wordt aangetoond; g. De (pré)mantelzorgverklaring kan worden afgegeven door de huisarts, de wijkverpleegkundige of een door de gemeente aangewezen sociaal-medisch adviseur; h. De inwoner betaalt de kosten van de (pré)mantelzorgverklaring. 3. De mantelzorgwaardering moet worden aan gevraagd vóór 31 december 30 november van het betreffende jaar. Na toekenning wordt deze in december van hetzelfde kalenderjaar uitbetaald.
Met de inwerkingtreding van de beleidsregel Mantelwonen Meierijstad 2024 is de regeling rondom pré-mantelzorg komen te vervallen. Dit omdat de regeling voor mantelwonen ruimer is. Daarnaast is de aanduiding ‘1’ vooraan het artikel verwijderd omdat er niet meerdere leden zijn.
Voorheen verliep de aanvraag van de mantelzorgwaardering via de website van gemeente Meierijstad, maar voortaan kan
deze aangevraagd worden via de website van Sociaal Werk Meierijstad. Om uitbetaling in december van het betreffende jaar te kunnen garanderen, is het nodig dat de aanvraag voor mantelzorgwaardering uiterlijk 30 november wordt gedaan. Dit ivm afhandeltermijn van de aanvraag. 5.7.6 (opschrift)
5.7.6
Hoofdstuk 6 – Vervoer naar school Geen wijzigingen.
5.7.6 Mantelwonen
Abusievelijk was een omschrijving van het artikel weggevallen.
Hoofdstuk 7 – Inkomen en schulden Artikel Paragraaf 7.1 (aanhef)
Was (Huidige tekst van artikel) (PW, Gemeentewet)
Wordt (Nieuwe tekst van artikel) (PW, Wgs, Gemeentewet)
Paragraaf 7.1 lid 7
De gemeente zorgt ervoor dat voorzieningen die per maand of per jaar worden verstrekt na afloop van die periode op een eenvoudige manier of zo mogelijk automatisch opnieuw aangevraagd kunnen worden.
De gemeente zorgt ervoor dat voorzieningen die per maand of per jaar worden verstrekt na afloop van die periode op een eenvoudige manier of zo mogelijk automatisch opnieuw aangevraagd of toegekend kunnen worden.
Paragraaf 7.2
(PW)
<<vervallen>>
Bijzondere bijstand is een belangrijk hulpmiddel voor de gemeente om inwoners financieel te helpen. Hier worden de uitgangspunten beschreven waarmee de gemeente rekening houdt bij het toepassen van de regels over bijzondere bijstand uit artikel 35 van de Participatiewet. Artikel 7.2.1 Vangnet 1. De gemeente biedt bijzondere bijstand actief aan als een financieel vangnet voor inwoners die geen beroep kunnen doen op eigen mogelijkheden of op andere voorzieningen. Bijzondere bijstand is ervoor bedoeld dat: a. inwoners met een laag inkomen en zonder goede financiële buffer extra noodzakelijke uitgaven kunnen betalen; het gaat dan om uitgaven die niet uit het maandelijkse inkomen kunnen worden betaald en;
Argumentatie De tekst van paragraaf 7.1 heeft ook betrekking op de Wgs. Technische aanpassing wegens de mogelijkheid om geautomatiseerd regelingen toe te kennen zoals bijvoorbeeld de individuele inkomenstoeslag. Deze paragraaf wordt verwijderd uit de verordening welke door de gemeenteraad wordt vastgesteld. Het stellen van regels over de verlening van de bijzondere bijstand is namelijk voorbehouden aan het college. Het handhaven van deze paragraaf in de verordening kan leiden tot vernietiging van besluiten die gebaseerd zijn op deze paragraaf. In de ‘Beleidsregel inkomensondersteuning Meierijstad Participatiewet 2025’ (vastgesteld door het college op 16 juni 2025) is het beleid over bijzondere bijstand opgenomen. Daarbij zijn op inhoud geen
b. voldoende mogelijkheden hebben om mee te doen aan maatschappelijke activiteiten. 2. Bij het beoordelen van een aanvraag voor bijzondere bijstand betrekt de gemeente de kerndoelen en de doelen van het gemeentelijke armoedebeleid die hierboven zijn beschreven. De gemeente maakt zo weinig mogelijk gebruik van de bijzondere bijstand in de vorm van een lening. 3. Bij de bijzondere bijstand hanteert de gemeente een inkomensgrens van 120% van de bijstandsnorm. In beleidsregels bepaalt het college hoe wordt omgegaan met inwoners met een hoger inkomen. 4. De gemeente werkt met 1 aanvraagformulier voor meerdere regelingen. Bij een aanvraag voor één van deze regelingen wordt automatisch gekeken of de inwoner ook voor een andere regeling in aanmerking komt. Als dit zo is, wordt deze automatisch toegekend of wordt de inwoner geïnformeerd over de mogelijkheden. 5. Het college kan nadere regels stellen over de hoogte van de bijzondere bijstand en de voorwaarden die hiervoor gelden. Paragraaf 7.2 (nieuw)
-
wijzigingen aangebracht ten opzichte van de huidige tekst. De vrijgekomen paragraaf wordt gebruikt om bepalingen toe te voegen over de vaststelling van het inkomen. Daarnaast om te specificeren wat voor de individuele inkomenstoeslag en Meedoenregeling wordt verstaan onder ‘bijstandsnorm’.
Paragraaf 7.2 Inkomen en bijstandsnorm 1. Bij de bepaling van het inkomen in artikel 7.4.1 en 7.5.1 wordt aangesloten bij de wijze waarop het inkomen en bijstandsnorm
Omwille van een eenduidige uitvoeringspraktijk is bepaald dat het inkomen op dezelfde wijze wordt vastgesteld als bij
wordt vastgesteld in het kader van de bijzondere bijstand. Dit is geregeld in artikel 6, 6a en 6b de Beleidsregel inkomensondersteuning Participatiewet Meierijstad 2025. 2. Bij de bepaling van de bijstandsnorm in artikel 7.4.1 en 7.5.1 wordt uitgegaan van de bijstandsnorm die geldt volgens de Participatiewet, maar zonder toepassing te geven aan artikel 22a, 27 en 28 van de Participatiewet. 3. Als bij de beoordeling van het recht op bijzondere bijstand is vastgesteld dat een inwoner een draagkrachtloos inkomen heeft wordt die inwoner geacht te voldoen aan de voorwaarde van het hebben van een laag inkomen als bedoeld in artikel 7.4.1 en 7.5.1.
Paragraaf 7.3 (opschrift)
Studenten met een beperking hebben soms extra ondersteuning nodig om een opleiding te volgen. Dat is belangrijk omdat de kans op werk met een afgeronde opleiding groter is. Met een studietoeslag krijgt de student een zetje in de rug omdat het inkomen wordt aangevuld. In deze
Studenten met een structurele medische beperking hebben soms extra ondersteuning nodig om een opleiding te volgen. Dat is belangrijk omdat de kans op werk met een afgeronde opleiding groter is. Met een studietoeslag krijgt de student een zetje in de
aanvragen bijzondere bijstand. Dit geldt ook voor de bepaling van het begrip ‘bijstandsnorm’. Bij de bepaling van de bijstandsnorm wordt uitgegaan van de landelijke bijstandsnormen zonder toepassing te geven aan de kostendelersnorm (lid 2). Daarmee wordt ook invulling gegeven aan de wens om meer uit te gaan van het besteedbaar inkomen van de inwoner. Daarom is een schakelbepaling met de Beleidsregel inkomensondersteuning Participatiewet Meierijstad 2025 opgenomen. Met het toegevoegde lid 3 wordt geregeld dat inwoners die volgens de bijzondere bijstand een laag inkomen hebben dat ook hebben voor de beoordeling van het recht op de individuele inkomenstoeslag en de Meedoenregeling. De doelgroep van de studietoeslag is wettelijk begrensd in artikel 36b van de Participatiewet. Door de huidige formulering kan onbedoeld de indruk worden gewekt dat er
paragraaf geeft de gemeente aan voor welke studenten de studietoeslag van artikel 36b van de Participatiewet is bedoeld, welk bedrag toegekend wordt en hoe dat wordt uitbetaald.
Artikel 7.3.1
1. De studietoeslag is bedoeld voor de student van 18 jaar of ouder die: a. Een mbo-, hbo- of wo-opleiding volgt; en b. Een tegemoetkoming in de schoolkosten of studiefinanciering van DUO krijgt of kan krijgen; en c. Als rechtstreeks gevolg van een ziekte of gebrek structureel niet in staat is naast de studie inkomsten te verwerven.
Artikel 7.3.2
Nadat de student een aanvraag heeft ingediend, onderzoekt de gemeente of de medische beperking van de student zo groot is dat hij naast de studie structureel niet kan bijverdienen. De gemeente doet dat aan de hand van gegevens die zij van de student of van andere instanties heeft gekregen. Als die gegevens niet duidelijk genoeg
rug omdat het inkomen de studiefinanciering wordt aangevuld. In deze paragraaf geeft de gemeente aan voor welke studenten de studietoeslag van artikel 36b van de Participatiewet is bedoeld, welk bedrag toegekend wordt en hoe dat wordt uitbetaald.
(tegenwettelijk) ook aan studenten buiten de doelgroep een studietoeslag wordt verstrekt. Dat is ook de reden voor het verwijderen van de passage ‘voor welke (…) is bedoeld’. De term ‘inkomen’ is vervangen door ‘studiefinanciering’ om nadrukkelijker aan te geven dat de regeling alleen bedoeld is voor studenten die studiefinanciering ontvangen. Gelet op het uitgangspunt (zie artikel 1.4 onderdeel 3) dat in de verordening niet onnodige bepalingen worden opgenomen wordt dit artikel geschrapt. De doelgroep is namelijk sinds 1 april 2022 wettelijk bepaald. Voor die datum was daar nog gemeentelijke beleidsruimte.
Gelet op het uitgangspunt (zie artikel 1.4 onderdeel 3) dat in de verordening niet onnodige bepalingen worden opgenomen wordt dit artikel geschrapt. De onderzoeksplicht volgt immers direct uit artikel 36b lid 2 van de
zijn, vraagt de gemeente aan een onafhankelijk deskundige om een advies te geven.
Artikel 7.3.3
1. De studietoeslag is gelijk aan het bedrag genoemd in artikel 7a sub a van het Besluit loonkostensubsidie en minimumbedragen studietoeslag Participatiewet 2021, afgerond naar boven op een eenheid van € 10,00 en wordt elke maand uitbetaald. 2. Als de student niet meer aan de voorwaarden voldoet, wordt de studietoeslag beëindigd.
Artikel 7.3.1 Hoogte en betaling studietoeslag De studietoeslag is gelijk aan het bedrag genoemd in artikel 7a sub a van het Besluit loonkostensubsidie en minimumbedragen studietoeslag Participatiewet 2021, afgerond naar boven op een eenheid van € 10,00 en wordt elke maand uitbetaald.
Paragraaf 7.4 (opschrift)
(PW)
(PW)
Participatiewet. Daarnaast verplicht de Algemene wet bestuursrecht gemeenten om zorgvuldig onderzoek te doen. Met de wijziging wordt de hoogte van de studietoeslag voor jongeren van 15 tot en met 20 jaar in overeenstemming gebracht met de wettelijke staffel op basis van leeftijd. Door het huidige beleid worden jongeren van 15 tot en met 20 onevenredig bevoordeeld ten opzichte van jongeren die een bijbaantje bij hun studie hebben. Door de aanpassing conformeren wij ons meer aan de intentie van de wetgever en het beleid in de meeste andere Nederlandse gemeenten. Daarnaast wordt lid 2 geschrapt. Dit lid is gelet op de formulering van artikel 36b Participatiewet overbodig (zie ook lid 1.4 onderdeel 3 van deze verordening). Tenslotte is het artikel hernummerd naar 7.3.1 vanwege het schrappen van 7.3.1 (oud) en 7.3.2 (oud). Omwille van de juridische juistheid van de tekst is de term
Artikel 7.4.1
De individuele inkomenstoeslag van artikel 36 van de Participatiewet is bedoeld voor inwoners die al jaren moeten rondkomen van een laag inkomen en geen uitzicht hebben op verbetering van hun inkomen. Het is een extraatje dat jaarlijks kan worden aangevraagd en waarmee het inkomen wordt aangevuld. Hier is beschreven wat de gemeente onder een laag inkomen verstaat en welke aanvullende voorwaarden er gelden.
De individuele inkomenstoeslag van artikel 36 van de Participatiewet is bedoeld voor inwoners die langdurig moeten rondkomen van een laag inkomen en geen uitzicht hebben op verbetering van hun inkomen. Het is een extraatje dat jaarlijks kan worden verstrekt en waarmee het inkomen wordt aangevuld. Hier is beschreven wat de gemeente onder ‘langdurig’, ‘laag inkomen’ verstaat en wat de hoogte van de individuele inkomenstoeslag is.
1. De inkomenstoeslag is bedoeld voor de inwoner van 21 jaar of ouder, maar jonger dan de AOWleeftijd, die: a. in een ononderbroken periode van 36 maanden een inkomen heeft gehad dat lager is dan 120% van de bijstandsnorm; b. geen goede financiële buffer heeft; en c. geen uitzicht heeft op verbetering van het inkomen. 2. Een verzoek als bedoeld in artikel 36, eerste lid, van de Participatiewet, moet worden ingediend op een daartoe bestemd aanvraagformulier, onder overlegging van de benodigde bewijsstukken, of – indien dit naar het oordeel van het college doelmatiger is – in overeenstemming met een hiervoor door het college vastgestelde werkwijze. 3. Een inwoner komt niet in aanmerking voor een individuele inkomenstoeslag als aan hem/haar in het jaar dat vooraf gaat aan de peildatum
1. De inkomenstoeslag is bedoeld voor de inwoner van 21 jaar of ouder, maar jonger dan de AOW-leeftijd, die: a. in een ononderbroken periode van 36 maanden een inkomen heeft gehad dat lager is dan 120% van de bijstandsnorm; en b. geen goede financiële buffer heeft; en c. geen uitzicht heeft op verbetering van het inkomen; en d. niet eerder over dat kalenderjaar een individuele inkomenstoeslag heeft ontvangen. 2. Een aanvraag als bedoeld in artikel 36, eerste lid, van de Participatiewet, moet worden ingediend op een daartoe bestemd aanvraagformulier, onder overlegging van de benodigde bewijsstukken, of – indien dit naar het oordeel van het college doelmatiger is – in overeenstemming met
‘jaren’ gecorrigeerd naar ‘langdurig’. Dat is ook de term die in artikel 36 van de Participatiewet wordt gehanteerd. De term ‘jaren’ kan langer zijn dan de wettelijke bepaling en daarmee juridisch onjuist. Daarnaast is de formulering van de laatste zin in overeenstemming gebracht met de juridische eisen die artikel 8 lid 2 van de Participatiewet aan de verordening stelt. Lid 1:. Aan het eind van sub a was het woord ‘en’ abusievelijk niet opgenomen. Sub d is toegevoegd vanwege de bepaling in lid 6. Lid 2: In artikel 36 Participatiewet (individuele inkomenstoeslag) is de term ‘verzoek’ in 2024 gewijzigd in ‘aanvraag’. Daarom is nu ook in de verordening deze term gewijzigd. Bij de behandeling van de Participatiewet in balans (die per 1 januari 2026 in werking zal treden) is met een amendement geregeld dat de individuele inkomenstoeslag ook ambtshalve kan worden toegekend. Door de voorgestelde formulering wordt
een maatregel is opgelegd omdat hij/zij zich niet heeft gehouden aan een arbeids- of reintegratieverplichting als bedoeld in de Participatiewet en en/of Ioaw en/of Ioaz. 4. Een inwoner komt niet in aanmerking voor een individuele inkomenstoeslag als deze onderwijs volgt of in de referteperiode heeft gevolgd en daardoor naar het oordeel van het college perspectief heeft op verbetering van de inkomenssituatie binnen een periode van een jaar. Het gaat dan om onderwijs dat het Rijk bekostigt.
een hiervoor door het college vastgestelde werkwijze. De aanvraag voor de individuele inkomenstoeslag kan worden gedaan gedurende het gehele kalenderjaar, als mede het eerste kwartaal daarop volgend, waarop de aanvraag ziet. Het college kan tevens de individuele inkomenstoeslag ambtshalve verstrekken. 3. Een inwoner komt niet in aanmerking voor een individuele inkomenstoeslag als aan hem/haar in het jaar dat vooraf gaat aan de peildatum aanvraagdatum een maatregel is opgelegd omdat hij/zij zich niet heeft gehouden aan een arbeids- of re-integratieverplichting als bedoeld in de Participatiewet en en/of Ioaw en/of Ioaz. 4. Een inwoner komt niet in aanmerking voor een individuele inkomenstoeslag als deze onderwijs volgt of in de referteperiode heeft gevolgd en daardoor naar het oordeel van het college perspectief heeft op verbetering van de inkomenssituatie binnen een periode van een jaar. Het gaat dan om onderwijs dat het Rijk bekostigt. 5. Het vermogen wordt vastgesteld op de aanvraagdatum. 6. De individuele inkomenstoeslag wordt verstrekt per kalenderjaar. 7. Bij een voor 1 januari 2026 toegekende individuele inkomenstoeslag wordt voor de toepassing van dit artikel de
aangesloten bij de wettelijke term en wordt de tekst duidelijker. Met het ambtshalve toekennen kan actief het niet-gebruik worden tegengegaan. Dit is in lijn met de aanbevelingen vanuit het onderzoek Verwey-Jonker. Omdat de toeslag betrekking heeft op een kalenderjaar kan deze ook gedurende het gehele jaar worden aangevraagd. Net als bij de bijzondere bijstand wordt daarbij ook de mogelijkheid gegeven om maximaal 3 maanden met terugwerkende kracht de toeslag te verstrekken. Daarom is aanvragen nog mogelijk tijdens het eerste kwartaal van het jaar na het jaar waarover de toeslag wordt aangevraagd. Dit vergroot tevens de keuzevrijheid van de inwoner om te bepalen wanneer de aanvraag kan worden ingediend. Dit omdat de toeslag veelal gebruikt wordt om wat grotere incidentele uitgaven, zoals duurzame gebruiksgoederen, te bekostigen. Daarmee worden alle minimaregelingen op een eenduidige manier uitgevoerd.
peildatum geacht te zijn bepaald op 1 januari van dat jaar.
Lid 3: Omwille van de leesbaarheid is de vrouwelijke aanspreekvorm verwijderd. Op grond van artikel 1.6 (leeswijzer) wordt waar ‘hij’ staat ook ‘haar’, ‘hen’ of ‘die’ bedoeld. Door de verstrekking per kalenderjaar (zie lid 6) is de term ‘peildatum’ vervangen door ‘aanvraagdatum’. Lid 5: Hiermee wordt bestendige uitvoeringspraktijk verankerd in de verordening. Dit vergroot de rechtszekerheid. Lid 6: Omwille van uniformiteit in de verschillende minimaregelingen is bepaald dat de individuele inkomenstoeslag per kalenderjaar wordt verstrekt, net als de Meedoenregeling (zie artikel ….) en de schoolkostenregeling (zie artikel 15 van de Beleidsregel inkomensondersteuning Meierijstad Participatiewet 2025). Dit vergroot de eenduidigheid en verminderd administratieve lasten bij inwoners en gemeente. Lid 7 is toegevoegd om ervoor te zorgen dat de overgang van een toekenning per peildatum naar
7.4.2
1. De inkomenstoeslag is per jaar (bedragen 2024): a. € 497 voor een alleenstaande; b. € 636 voor een alleenstaande ouder; c. € 708 voor gehuwden of samenwonenden. 2. Bij gehuwden en samenwonenden geldt dat als één van de partners op grond van artikel 13 Participatiewet geen recht heeft op de inkomenstoeslag de ander het bedrag voor een alleenstaande of alleenstaande ouder krijgt.
1. De inkomenstoeslag is per jaar (bedragen 2025): a. € 513 voor een alleenstaande; b. € 656 voor een alleenstaande ouder; c. € 730 voor gehuwden of samenwonenden. 2. Bij gehuwden en samenwonenden geldt dat als één van de partners op grond van artikel 11 of 13 Participatiewet geen recht heeft op de inkomenstoeslag de ander het bedrag voor een alleenstaande of alleenstaande ouder krijgt.
een toekenning over een kalenderjaar juridisch mogelijk is. In lid 1 zijn de bedragen voor 2025 opgenomen. Dit zijn de geïndexeerde bedragen op grond van artikel 7.9 van de verordening. In lid 2 is ook toegevoegd dat bij de aanwezigheid van partner die geen rechtmatig verblijf in Nederland heeft er toch recht kan bestaan op een inkomenstoeslag naar de norm voor een alleenstaande (ouder).
Paragraaf 7.5 en Paragraaf 7.6
Paragraaf 7.5 Regelingen meedoen voor kinderen (PW, Gemeentewet) Kinderen vormen een belangrijke én kwetsbare groep waar de gemeente zich verantwoordelijk voor voelt. De gemeente heeft maatregelen genomen om armoede onder kinderen tegen te gaan en kinderen te helpen mee te doen aan maatschappelijke activiteiten. Deze maatregelen samen vormen het kindpakket. Hier zijn de uitgangspunten benoemd die voor het kindpakket gelden.
Paragraaf 7.5 Regelingen meedoen voor kinderen Meedoenregeling (PW, Gemeentewet) Om actief deel te kunnen nemen aan de samenleving is het belangrijk dat inwoners meedoen aan maatschappelijke activiteiten. En daarmee hun maatschappelijke participatie bevorderen. Hieraan zijn meestal kosten verbonden. Kinderen vormen een belangrijke én kwetsbare groep waar de gemeente zich verantwoordelijk voor voelt. De gemeente heeft maatregelen genomen om armoede onder kinderen tegen te gaan en kinderen te helpen mee te doen aan maatschappelijke activiteiten. Deze maatregelen samen vormen het kindpakket. Hier zijn de uitgangspunten benoemd die voor het kindpakket gelden. Daarom wordt voor inwoners
Zoals eerder opgemerkt (paragraaf 7.2) is de gemeenteraad niet bevoegd om regels over bijzondere bijstand te stellen. Daarom wordt in artikel 7.5.2 de schoolkostenregeling, de laptopregeling en de zwemlesregeling verwijderd. Deze regelingen zijn inmiddels opgenomen in de per 1 augustus 2025 in werking getreden Beleidsregel inkomensondersteuning Participatiewet Meierijstad 2025. Daardoor is het ook logisch om de Regeling Meedoen voor Kinderen en de Regeling
Artikel 7.5.1 Doelgroep De regelingen voor kinderen zijn bedoeld voor gezinnen met minderjarige kinderen, die moeten rondkomen van een inkomen dat lager is dan 120% van de bijstandsnorm.
Artikel 7.5.2 Inhoud regelingen voor kinderen 1. Ouders kunnen een bijdrage krijgen voor hun kinderen voor de kosten van school, een computer, sport, cultuur, ontspanning, en voor zwemlessen diploma ABC. 2. De bijdrage is (bedragen 2024): a. Voor schoolkosten € 239 per jaar per schoolgaand kind van 4 tot 18 jaar; b. Voor een computer/laptop € 579; c. Voor sport, cultuur en ontspanning € 322 per jaar per kind; d. Voor zwemlessen diploma ABC € 627 per kind. 3. Het college kan nadere regels stellen over de voorwaarden die gelden voor deze bijdrage. Paragraaf 7.6 Regeling meedoen voor Volwassenen (PW, Gemeentewet) Om actief deel te kunnen nemen aan de samenleving is het belangrijk dat inwoners meedoen aan maatschappelijke activiteiten. Hieraan zijn meestal kosten verbonden. Artikel 7.6.1 Doelgroep De inwoner die een inkomen heeft dat lager is dan 120% van de bijstandsnorm, kan van de gemeente een bijdrage krijgen uit de Regeling meedoen voor Volwassenen.
Artikel 7.6.2 Inhoud regeling voor volwassenen
met minderjarige kinderen de Meedoenregeling verhoogd. Artikel 7.5.1 Doelgroep en aanvraag 1. De Meedoenregeling regelingen voor kinderen zijn is bedoeld voor inwoners gezinnen met minderjarige kinderen, die moeten rondkomen van met een inkomen dat lager is dan 120% van de bijstandsnorm. 2. Een aanvraag moet worden ingediend op een daartoe bestemd aanvraagformulier, onder overlegging van de benodigde bewijsstukken. De aanvraag voor de Meedoenregeling kan worden gedaan gedurende het gehele kalenderjaar, als mede het eerste kwartaal daarop volgend, waarop de aanvraag ziet. Het college kan tevens de Meedoenregeling ambtshalve verstrekken. Artikel 7.5.2 Inhoud regelingen voor kinderen 1. Ouders kunnen een bijdrage krijgen voor hun kinderen voor de kosten van school, een computer, sport, cultuur, ontspanning, en voor zwemlessen diploma ABC. Inwoners met een laag inkomen kunnen een vergoeding krijgen om te sporten en om mee te doen aan sociaal-culturele, educatieve en andere maatschappelijke activiteiten voor henzelf en hun kinderen. Ook abonnementen op kranten, tijdschriften, tv, internet of telefoon kunnen worden vergoed. De bijdrage is € 239 247 per jaar per volwassene (bedrag 2024 2025).
Meedoen voor Volwassenen te bundelen tot de Meedoenregeling. Zo wordt de regelingen in de praktijk ook uitgevoerd; als één regeling met een hoger bedrag voor inwoners met kinderen. De Meedoenregeling kent zijn grondslag in de Gemeentewet. Om het niet-gebruik van deze regeling te verkleinen en administratieve lasten te verlagen is bepaald dat de Meedoenregeling ook ambtshalve kan worden verstrekt. Daarmee wordt de bestendige uitvoeringspraktijk ook juridisch verankerd in de verordening. Tevens is het tijdvak van aanvragen verankerd en gelijkgesteld met de periode waarover de individuele inkomenstoeslag kan worden aangevraagd. Omwille van de duidelijkheid is in artikel 7.5.2 lid 1 bepaald dat de vergoeding per volwassene geldt. In het geschrapte artikel 7.6.2 was abusievelijk een lid 2 opgenomen met een tekst die
1. Inwoners met een laag inkomen kunnen een vergoeding krijgen om te sporten en om mee te doen aan sociaal-culturele, educatieve en andere maatschappelijke activiteiten voor henzelf en hun kinderen. Ook abonnementen op kranten, tijdschriften, tv, internet of telefoon kunnen worden vergoed. De bijdrage is € 239 per jaar (bedrag 2024). 2. De gemeente zorgt ervoor dat de inwoner, die ondersteuning kan krijgen bij het oplossen van schulden, die ondersteuning zo snel mogelijk krijgt. Hier zijn verschillende mogelijkheden voor, deze staan vermeldt in de nadere regels.
2. De bijdrage wordt verhoogd met € 332 per jaar per ten laste komend kind (bedrag 2025). is (bedragen 2024): a. Voor schoolkosten € 239 per jaar per schoolgaand kind van 4 tot 18 jaar; b. Voor een computer/laptop € 579; c. Voor sport, cultuur en ontspanning € 322 per jaar per kind; d. Voor zwemlessen diploma ABC € 627 per kind. 3. Het college kan nadere regels stellen over de voorwaarden die gelden voor deze bijdrage. Paragraaf 7.6 Regeling meedoen voor Volwassenen (PW, Gemeentewet) Om actief deel te kunnen nemen aan de samenleving is het belangrijk dat inwoners meedoen aan maatschappelijke activiteiten. Hieraan zijn meestal kosten verbonden. Artikel 7.6.1 Doelgroep De inwoner die een inkomen heeft dat lager is dan 120% van de bijstandsnorm, kan van de gemeente een bijdrage krijgen uit de Regeling meedoen voor Volwassenen. Artikel 7.6.2 Inhoud regeling voor volwassenen 1. Inwoners met een laag inkomen kunnen een vergoeding krijgen om te sporten en om mee te doen aan sociaal-culturele, educatieve en andere maatschappelijke activiteiten voor
identiek is aan de tekst onder paragraaf 7.8 (schuldhulpverlening). Daarom komt die tekst niet meer terug in de nieuwe tekst van de Meedoenregeling.
Paragraaf 7.7