CConstaterende datMeierijstad
Koppel je AI →
Document · PDF

Bijlage 3: Overzicht van wijzigingen

Raadsvergadering 20 februari 2025, gemeente MeierijstadBij agendapunt: Vaststelling Integrale Verordening Sociaal Domein Meierijstad 202512.654 woorden

Open het PDF bij de gemeente ↗Naar de vergadering →

Tekst van het document

Uit het bestand gehaald, zonder opmaak, tabellen en afbeeldingen · deel 1 van 2

Bijlage 3 Was-wordt-lijst Integrale verordening sociaal domein 2025 In deze bijlage is de was-wordt lijst weergegeven. Hieronder staan de hoofdstukken waarin een wijziging heeft plaatsgevonden.

Hoofdstuk 2: de hulpvraag ............................................................................................................................................................................................................2 Hoofdstuk 3: Werk en participatie .................................................................................................................................................................................................4 Hoofdstuk 4: Gezond en veilig opgroeien ...................................................................................................................................................................................11 Hoofdstuk 5: wonen in een veilige en gezonde omgeving .........................................................................................................................................................18 Hoofdstuk 6: Vervoer naar school ..............................................................................................................................................................................................22 Hoofdstuk 7: Inkomen en schulden ............................................................................................................................................................................................27 Hoofstuk 8: De vorm van ondersteuning

....................................................................................................................................................................................32 Hoofstuk 9: afspraken tussen inwoner en gemeente .................................................................................................................................................................40

1

Hoofdstuk 2: de hulpvraag Artikel Artikel 2.1.1 Hulpvraag melden

Was Inwoners die hulp nodig hebben, kunnen zich melden bij de door de gemeente ingerichte Toegang. Deze Toegang is te vinden in 3 gebieden: Veghel, Schijndel en Sint-Oedenrode. Voor Jeugd geldt dat inwoners zich kunnen melden bij het Centrum voor Jeugd en Gezin in de gemeente. De inwoner kan deze melding op verschillende manieren doen: • schriftelijk, met een brief • mondeling, persoonlijk • telefonisch • digitaal (via de website) of een e-mail

Wordt Inwoners die hulp nodig hebben, kunnen zich melden bij de door de gemeente ingerichte Toegang. Deze Toegang is te vinden in 3 gebieden: Veghel, Schijndel en Sint-Oedenrode. Voor Jeugd geldt dat inwoners zich ook kunnen melden bij het Centrum voor Jeugd en Gezin in de gemeente. De inwoner kan deze melding op verschillende manieren doen: • schriftelijk, met een brief • mondeling, persoonlijk • telefonisch • digitaal (via de website) of een e-mail

Argumentatie Voor jeugd kunnen inwoners zich zowel melden bij Toegang als bij het Centrum voor Jeugd en Gezin

Artikel 2.2.1 Doel en inhoud gesprek

1. Het doel van het gesprek is om een goed beeld te krijgen van de hulpvraag, van het resultaat dat de inwoner wil bereiken en van zijn persoonlijke situatie. 2. In het gesprek onderzoekt een medewerker van de Toegang a. de behoefte van de inwoner: wat is er nodig? b. de (on)mogelijkheden van de inwoner. c. de persoonlijke situatie van de inwoner: hoe ziet die eruit en wat betekent dit voor het gewenste resultaat? d. wat heeft de inwoner nodig aan ondersteuning en in welke omvang? e. in hoeverre de ondersteuning geleverd kan worden via de eigen kracht,

1. Het doel van het gesprek is om een goed beeld te krijgen van de hulpvraag, van het resultaat dat de inwoner wil bereiken en van zijn persoonlijke situatie. 2. In het gesprek onderzoekt een medewerker van de Toegang a. de behoefte van de inwoner: wat is er nodig? b. de (on)mogelijkheden van de inwoner. c. de persoonlijke situatie van de inwoner: hoe ziet die eruit en wat betekent dit voor het gewenste resultaat? d. wat heeft de inwoner nodig aan ondersteuning en in welke omvang? e. in hoeverre de ondersteuning geleverd kan worden via de eigen kracht,

Met het tussenvoegen van lid 3 wordt gehoor gegeven aan jurisprudentie van de CRvB waarin is bepaald dat de voorwaarden van onderzoek naar eigen kracht in relatie tot gebruikelijke hulp moeten worden opgenomen in de verordening.

2

gebruikelijke hulp, mantelzorg, hulp uit het sociale netwerk en algemene en/of voorliggende voorzieningen. Het college stelt nadere regels vast over algemene voorzieningen en gebruikelijke hulp. f. of er contact nodig is met anderen over de persoonlijke situatie van de inwoner; hierover wordt de inwoner dan altijd geïnformeerd. g. of een extern onafhankelijke adviseur ingeschakeld wordt voor het onderzoek; hierover wordt de inwoner dan altijd geïnformeerd. 3. De medewerker informeert de inwoner over de mogelijkheden die de gemeente biedt om de persoonlijke situatie van de inwoner te verbeteren. 4. Bij dit gesprek kan ook iemand aanwezig zijn om de inwoner te ondersteunen, zoals een familielid, vriend of bekende of (gratis) onafhankelijk deskundige (cliëntondersteuner).

gebruikelijke hulp, mantelzorg, hulp uit het sociale netwerk en algemene en/of voorliggende voorzieningen. Het college stelt nadere regels vast over algemene voorzieningen f. of er contact nodig is met anderen over de persoonlijke situatie van de inwoner; hierover wordt de inwoner dan altijd geïnformeerd. g. of een extern onafhankelijke adviseur ingeschakeld wordt voor het onderzoek; hierover wordt de inwoner dan altijd geïnformeerd. 3. Huisgenoten van de inwoner zijn verplicht, als hen daarom gevraagd wordt, medewerking te verlenen aan het onderzoek naar aanwezigheid van gebruikelijke hulp die hiervoor redelijkerwijs nodig is. 4. De medewerker informeert de inwoner over de mogelijkheden die de gemeente biedt om de persoonlijke situatie van de inwoner te verbeteren. 5. Bij dit gesprek kan ook iemand aanwezig zijn om de inwoner te ondersteunen, zoals een familielid, vriend of bekende of (gratis) onafhankelijk deskundige (cliëntondersteuner).

3

Hoofdstuk 3: Werk en participatie Artikel

Was

Wordt

Argumentatie

Artikel 3.4.1 Specifieke voorwaarden noodzakelijke intermediaire activiteit bij motorische handicap

Het college kan een voorziening in de vorm van een intermediaire activiteit toekennen die gericht is op de vervanging of ondersteuning van een door ziekte of gebrek geheel of gedeeltelijk ontbrekende visuele of motorische lichaamsfunctie.

Het college kan een voorziening in de vorm van een intermediaire activiteit toekennen die gericht is op de vervanging of ondersteuning van een door ziekte of gebrek geheel of gedeeltelijk ontbrekende motorische lichaamsfunctie.

De werkvoorziening voor visueel beperkten zijn per per 1 januari 2024 overgedragen naar het UWV (zie art. 10h Participatiewet).

Paragraaf 3.6 Meedoen in de samenleving met een beperking of een psychisch of psychosociaal probleem

Een inwoner die vanwege een beperking of een psychisch/psychosociaal probleem hulp nodig heeft om mee te doen in de samenleving (participatie), kan op aanvraag ondersteuning-opmaat krijgen. Hij moet wel voldoen aan de voorwaarden van artikel 2.3.2 (voorwaarde voor ondersteuning) van deze verordening. De gemeente kijkt altijd of de inwoner mogelijkheden heeft om het gewenste resultaat op eigen kracht te bereiken. En of het resultaat bereikt kan worden met gebruikelijke hulp van huisgenoten, met hulp vanuit het sociale netwerk, algemene voorzieningen of met behulp van andere voorzieningen of organisaties.

Een inwoner die vanwege een beperking of een psychisch/psychosociaal probleem hulp nodig heeft om mee te doen in de samenleving (participatie), kan op aanvraag ondersteuningop-maat krijgen. Hij moet wel voldoen aan de voorwaarden van artikel 2.3.2 (voorwaarde voor ondersteuning) van deze verordening. De gemeente kijkt altijd of de inwoner mogelijkheden heeft om het gewenste resultaat op eigen kracht te bereiken. En of het resultaat bereikt kan worden met gebruikelijke hulp van huisgenoten, met hulp vanuit het sociale netwerk, algemene voorzieningen of met behulp van andere voorzieningen of organisaties.

Door het toevoegen van de factoren (a t/m f) waarmee rekening wordt gehouden bij onderzoek naar eigen kracht in relatie tot gebruikelijke hulp wordt gehoor gegeven aan jurisprudentie van de CRvB en art. 2.1.3 lid 2 Wmo2015.

Ook moet de ondersteuning een passende en duurzame bijdrage leveren voor de inwoner, zodat hij in staat is om mee te doen in de samenleving en zo lang mogelijk in de eigen leefomgeving kunnen blijven wonen. Hieronder staan de vormen van ondersteuning die de gemeente in ieder geval kan geven:

Bij het onderzoeken of sprake is van gebruikelijke hulp door huisgenoten wordt rekening gehouden met de volgende factoren: a. de samenstelling van de leefeenheid van de inwoner en diens huisgenoot of huisgenoten;

4

• Groepsbegeleiding • Individuele begeleiding • Vervoer op Maat • Hulpmiddelen voor vervoer

b. de aard van de relatie tussen de inwoner en diens huisgenoten; c. de inhoudelijke aard, de omvang en de complexiteit van de ondersteuningsbehoefte van de inwoner; d. de beschikbaarheid en de praktische, lichamelijke en geestelijke mogelijkheden van de huisgenoot of de huisgenoten voor het ondersteunen van de inwoner bij diens zelfredzaamheid en participatie dan wel het zich handhaven in de samenleving; e. de mate waarin en de wijze waarop de inwoner voorafgaand aan de melding is ondersteund door diens huisgenoot of huisgenoten op het terrein van zelfredzaamheid en participatie dan wel het zich handhaven in de samenleving; f. overige relevante omstandigheden van de huisgenoot of huisgenoten van de inwoner die redelijkerwijs van invloed kunnen zijn op de mogelijkheid om de cliënt hulp te bieden op het terrein van zelfredzaamheid en participatie dan wel het zich handhaven in de samenleving. Ook moet de ondersteuning-op-maat een passende en duurzame bijdrage leveren voor de inwoner, zodat hij in staat is om mee te doen in de samenleving en zo lang mogelijk in de eigen leefomgeving kunnen blijven wonen. Hieronder staan de vormen van ondersteuning die de gemeente in ieder geval kan geven: 5

• Groepsbegeleiding • Individuele begeleiding • Vervoer op Maat • Hulpmiddelen voor vervoer Artikel 3.6.4 Vervoer op Maat

1. De gemeente zorgt ervoor dat een inwoner die zich vanwege een beperking onvoldoende kan verplaatsen ondersteuning-op-maat kan krijgen. De ondersteuning-op-maat houdt in dat een inwoner geholpen wordt met vervoer dicht bij huis zodat hij zelfstandig kan blijven en mee kan doen met sociale, recreatieve, maatschappelijke en religieuze activiteiten. Bij het vervoer op maat gaat het om: a. het zich verplaatsen rondom de woning; b. het zich verplaatsen over een langere afstand dicht bij huis; of c. het vervoer naar de plek waar de inwoner deelneemt aan een activiteit (van de gemeente) om de dag in te vullen. Uitgesloten zijn activiteiten zoals benoemd in artikel 3.6.4.2 lid f en lid g. 2. De gemeente kent de volgende mogelijkheden voor Vervoer op Maat: Het collectief maatwerkvervoer: het aanbieden van de mogelijkheid om te reizen met het collectief maatwerkvervoer. De inwoner komt alleen in aanmerking voor collectief maatwerkvervoer als men geen gebruik kan maken van het openbaar vervoer, men het openbaar vervoer niet kan bereiken of als lokale andere vervoersmogelijkheden niet

1.De gemeente zorgt ervoor dat een inwoner die zich vanwege een beperking onvoldoende kan verplaatsen ondersteuning-op-maat kan krijgen. De ondersteuning-op-maat houdt in dat een inwoner geholpen wordt met vervoer dicht bij huis zodat hij zelfstandig kan blijven en mee kan doen met sociale, recreatieve, maatschappelijke en religieuze activiteiten. Bij het vervoer op maat gaat het om: a. het zich verplaatsen rondom de woning; b. het zich verplaatsen over een langere afstand dicht bij huis; of c. het vervoer naar de plek waar de inwoner deelneemt aan een activiteit (van de gemeente) om de dag in te vullen. Uitgesloten zijn activiteiten zoals benoemd in artikel 3.6.4.2 lid f en lid g. 2. De gemeente kent de volgende mogelijkheden voor Vervoer op Maat: Het collectief maatwerkvervoer: het aanbieden van de mogelijkheid om te reizen met het collectief maatwerkvervoer. De inwoner komt alleen in aanmerking voor collectief maatwerkvervoer als men geen gebruik kan maken van het openbaar vervoer, men het openbaar vervoer niet kan

Maximaal aantal te reizen km’s met collectief vervoer is aangepast naar 3000 per jaar. Hiermee wordt aangesloten bij het regionale contract wat is afgesloten voor Regiotaxi. Dit contract kent ook een max. van 3000 reis km’s per jaar. Concrete verwijzing naar Nadere regels 2022 is weggehaald. De tekst van het artikel waar verwezen wordt naar de mogelijkheid voor de gemeente om nadere regels te stellen, impliceert deze verwijzing. Deze verwijzing concreet laten staan, betekent dat de verordening elk jaar zou moeten worden aangepast voor een verwijzing naar nieuwe nadere regels. Lid 4 over aanpassing van eigen auto is aangepast. Hierdoor is concreter inzichtelijk geworden onder welke voorwaarden welke

6

mogelijk zijn. Voor collectief vervoer geldt het volgende: a. Er is een kilometergrens van 2000 kilometer per jaar. Daarboven wordt niet meer vergoed; b. Als een inwoner later in het jaar gebruik gaat maken van het collectief vervoer, wordt het aantal kilometers berekend voor de resterende dagen van het kalenderjaar (2000/ 365 x resterende aantal dagen tot en met 31 december); c. De gestelde kilometergrenzen gelden voor ritten binnen de vervoersregio en de vastgestelde puntbestemmingen. Het college kan daarvoor nadere regels vaststellen (zie nadere regels Maatschappelijke ondersteuning 2022 e.v.); d. De gemeente kan gemotiveerd afwijken van het maximale aantal kilometers (zie Nadere regels Maatschappelijke ondersteuning 2022 e.v.); e. Voor het reizen met het collectief vervoer geldt een reizigersbijdrage. Het college kan daarvoor nadere regels vaststellen (zie nadere regels Maatschappelijke ondersteuning 2022 ev.); f. Het vervoer is niet bedoeld voor woonwerkverkeer en vervoer naar geïndiceerde dagbesteding; g. Het vervoer is niet bedoeld voor ziekenvervoer dat vergoed wordt vanuit de zorgverzekering;

bereiken of als lokale andere vervoersmogelijkheden niet mogelijk zijn. Voor collectief maatwerkvervoer geldt het volgende: a. Er is een kilometergrens van 3000 kilometer per jaar. Daarboven wordt niet meer vergoed; b. Als een inwoner later in het jaar gebruik gaat maken van het collectief vervoer, wordt het aantal kilometers berekend voor de resterende dagen van het kalenderjaar ( 3000 / 365 x resterende aantal dagen tot en met 31 december); c. De gestelde kilometergrenzen gelden voor ritten binnen de vervoersregio en de vastgestelde puntbestemmingen. Het college kan daarvoor nadere regels vaststellen d. De gemeente kan gemotiveerd afwijken van het maximale aantal kilometers e. Voor het reizen met het collectief vervoer geldt een reizigersbijdrage. Het college kan daarvoor nadere regels vaststellen f. Het vervoer is niet bedoeld voor woonwerkverkeer en vervoer naar geïndiceerde dagbesteding; g. Het vervoer is niet bedoeld voor ziekenvervoer dat vergoed wordt vanuit de zorgverzekering; h. Het vervoer is alleen bedoeld voor vervoer voor sociale doeleinden als de inwoner ook WLZ-indicatie heeft.

aanpassingen mogelijk zijn op grond van de Wmo.

7

h. Het vervoer is alleen bedoeld voor vervoer voor sociale doeleinden als de inwoner ook WLZ-indicatie heeft. 3. Een individuele (rolstoel)taxi-vergoeding: hiermee kan de inwoner de werkelijke kosten tot maximaal 2000 kilometer per jaar declareren. 4. Het geschikt maken van de eigen auto door een autoaanpassing: hiervoor wordt maximaal één keer per 7 jaar een reële vergoeding verstrekt. Een autoaanpassing is alleen mogelijk als dit de meest goedkope en passende oplossing is. 5. Om Vervoer op Maat beschikbaar en betaalbaar te houden, kijkt de gemeente eerst of een vervoersprobleem opgelost kan worden met een lokale vervoersvoorziening, daarna naar collectief maatwerkvervoer, daarna naar een individuele (rolstoel)taxi-vergoeding en als laatste naar het geschikt maken van de eigen auto. De goedkoopst mogelijke passende voorziening wordt toegekend.

3. Een individuele (rolstoel)taxi-vergoeding: hiermee kan de inwoner de werkelijke kosten tot maximaal 3000 kilometer per jaar declareren. 4. Het geschikt maken van de eigen auto door een autoaanpassing: een autoaanpassing is alleen mogelijk als dit de meest goedkope en passende oplossing is. Voor een autoaanpassing geldt het volgende: a) Een aanpassing wordt alleen vergoed als de auto(bus) in goede staat verkeert en in beginsel niet ouder dan vijf jaar is of naar verwachting nog zeven jaar mee kan. b) De aanpassingen kunnen betrekking hebben op: • bediening en besturing; • in en uit de auto(bus) komen; • inrijden van een rolstoel; • vergrendeling van een rolstoel. c) Aanpassingen aan de auto(bus) moeten functioneel noodzakelijk zijn voor mensen met een beperking en niet algemeen gebruikelijk of standaard ingebouwd zijn, zoals rem- of stuurbekrachtiging, airconditioning, airbags, etc.. 5. Om Vervoer op Maat beschikbaar en betaalbaar te houden, kijkt de gemeente eerst of een vervoersprobleem opgelost kan worden met een lokale vervoersvoorziening, daarna naar collectief maatwerkvervoer, daarna naar een individuele (rolstoel)taxivergoeding en als laatste naar het geschikt maken van de eigen auto. De goedkoopst mogelijke passende voorziening wordt toegekend. 8

Artikel 3.6.5 Hulpmiddelen voor vervoer

1. De gemeente zorgt ervoor dat een inwoner die zich vanwege een beperking niet kan verplaatsen in en om de woning, ondersteuning-op-maat kan krijgen. Die ondersteuning kan bestaan uit het aanbieden van een rolstoel of ander hulpmiddel voor vervoer om zich te verplaatsen in en om de woning. 2. Hiervoor kent de gemeente de volgende ondersteuning: a. Voor dagelijks zittend gebruik wordt een hiervoor geschikte rolstoel toegekend. b. Voor verplaatsen dichtbij huis wordt een hulpmiddel voor vervoer toegekend. c. Voor sportieve activiteiten wordt een vergoeding voor het kopen en onderhouden van een sportrolstoel toegekend. Deze vergoeding wordt één keer per 3 jaar verstrekt. d. De gemeente kan gemotiveerd afwijken van de termijn genoemd bij c.

1. De gemeente zorgt ervoor dat een inwoner die zich vanwege een beperking niet kan verplaatsen in en om de woning, ondersteuning-op-maat kan krijgen. Die ondersteuning kan bestaan uit het aanbieden van een rolstoel of ander hulpmiddel voor vervoer om zich te verplaatsen in en om de woning. 2. Hiervoor kent de gemeente de volgende ondersteuning: a. Voor dagelijks zittend gebruik wordt een hiervoor geschikte rolstoel toegekend. b. Voor verplaatsen dichtbij huis wordt een hulpmiddel voor vervoer toegekend.

Artikel 3.6.6 Sportvoorzieningen

n.v.t. Dit artikel is nieuw toegevoegd

1. De gemeente kan een pgb voor een sportvoorziening verstrekken als blijkt dat de voorziening noodzakelijk is voor deelname aan het maatschappelijk verkeer.

Sub c en d van lid 2 zijn verwijderd en er is een apart artikel (3.6.7) in de verordening opgenomen rondom sportvoorzieningen. Hiervoor wordt niet langer een financiële tegemoetkoming verstrekt, maar noodzakelijke sportvoorzieningen worden volledig vergoed. Hiermee wordt uitvoering gegeven aan de gedachte dat sporten en de noodzakelijke aanpassingen hiervoor in het kader van participatie binnen de reikwijdte van de Wmo vallen. Voorheen werd uitgegaan van de gedachte dat sporten zuiver recreatief was en daardoor niet binnen de reikwijdte van de Wmo valt. Dit uitgangspunt is echter al geruime tijd achterhaald blijkt uit jurisprudentie van de CRvB. De regeling is daarnaast niet langer beperkt tot sportrolstoelen, maar ziet nu ook op alle andere noodzakelijke sportvoorzieningen. Zie argumentatie hierboven voor toevoeging van de artikel.

9

2. Voor de looptijd van het pgb wordt aansluiting gezocht bij de afschrijvingstermijn die gangbaar is voor de voorziening.

10

Hoofdstuk 4: Gezond en veilig opgroeien Artikel Artikel 4.2 Vrij toegankelijke voorzieningen

Was Artikel 4.2 Vrij toegankelijke voorzieningen 1. De gemeente zorgt ervoor dat kinderen en jongeren zoveel mogelijk gezond, kansrijk en veilig kunnen opgroeien. Om dat te bereiken, ondersteunt de gemeente jongeren en hun ouders in ieder geval met de onderstaande vrij toegankelijke voorzieningen: a. het versterken van de opvoed- en opgroeiomgeving, waarin gezinnen, wijken of kernen, scholen en kinderopvang samenwerken en elkaar aanvullen; b. ondersteuning bij het opvoeden en opgroeien in de vorm van informatie, persoonlijk advies en specifieke cursussen of trainingen; c. jeugdgezondheidszorg (GGD); d. het jongerenwerk en jongerencentra; e. generalistische basiszorg van het Centrum voor Jeugd en Gezin (CJG); f. een vertrouwenspersoon en onafhankelijke cliëntondersteuning; g. voorzieningen voor spoedeisende situaties. 2. De gemeente zorgt ervoor dat signalen over zorgen bij opgroei- en opvoedingsproblemen zo vroeg mogelijk worden opgevangen door bovengenoemde instanties en dat daar ook zo vroeg mogelijk ondersteuning wordt geboden. 3. De Rijksoverheid biedt het Advies- en meldpunt huiselijk geweld en

Wordt Artikel 4.2 Eigen kracht 1. Jeugdigen of ouders komen pas in aanmerking voor een individuele voorziening als zij zelf geen oplossing kunnen vinden voor de hulpvraag binnen hun eigen mogelijkheden en probleemoplossend vermogen (eigen kracht). Hieronder wordt in ieder geval verstaan: • gebruikelijke hulp van ouders en/of andere verzorgers of opvoeders • bovengebruikelijke hulp van ouders voor zover zij beschikbaar en in staat zijn de noodzakelijke hulp te bieden, dit geen (dreigende) overbelasting oplevert en door het bieden van de bovengebruikelijke hulp geen financiële problemen in het gezin ontstaan • de ondersteuning vanuit het sociale netwerk • het aanspreken van een aanvullende zorgverzekering die is afgesloten

Argumentatie Het opnemen van een bepaling “eigen kracht” in de verordening is verplicht. Er moet een duidelijke omschrijving worden gegeven van wat er verstaan wordt onder eigen kracht. Daarvoor hebben we een voorbeeldbepaling van Wolters Kluwers gebruikt. De omschrijving van eigen kracht zal uit de nadere regels gehaald worden.

2. Gebruikelijke hulp is hulp die naar algemeen aanvaarde opvattingen in redelijkheid mag worden verwacht van ouders en/of andere verzorgers of opvoeders. Zij zijn namelijk verplicht de tot hun gezin behorende minderjarige jeugdigen te verzorgen, op te voeden, te begeleiden en toezicht op hen te houden. Dit geldt ook als de jeugdige een ziekte, 11

kindermishandeling Veilig Thuis. Dit adviesen meldpunt biedt 24 uur per dag, 7 dagen per week advies en ondersteuning aan iedereen die direct of indirect is betrokken bij huiselijk geweld en kindermishandeling. 4. Het college kan nadere regels vaststellen over de aan de vrij toegankelijke en individuele voorzieningen verbonden voorwaarden.

aandoening, beperking of andere problematiek heeft. Bij uitval van 1 van de ouders neemt de andere ouder de gebruikelijke hulp over. Dit geldt ook bij gescheiden ouders. Er wordt dan ook rekening gehouden met de gebruikelijke hulp van de ouder waar de jeugdige niet woont. 3. Om vast te stellen of sprake is van gebruikelijke hulp beoordeelt het college of de benodigde hulp uitgaat boven de hulp die een jeugdige van dezelfde leeftijd zonder ziekte, aandoening, beperking of andere problematiek nodig heeft. Het college houdt hierbij rekening met de volgende factoren: a. de leeftijd van de jeugdige b. de mate van zorg bij activiteiten en handelingen, de mate van toezicht en de mate van begeleiding/stimulans die een jeugdige van die leeftijd nodig heeft c. de aard en de duur van de hulp en de benodigde ondersteuningsintensiteit van de jeugdige d. de mate van planbaarheid van de hulp e. de behoeften en mogelijkheden van de jeugdige| 4. Als er sprake is van gebruikelijke hulp verstrekt het college geen individuele voorziening tot jeugdhulp. Hierop kan (tijdelijk) een uitzondering worden gemaakt als de ouders door (dreigende) overbelasting de gebruikelijke hulp niet kunnen bieden. Er moet dan wel een verband zijn tussen de (dreigende)

12

overbelasting en de hulp aan de jeugdige. 5. Gaat het om hulp die de gebruikelijke hulp overstijgt, zijn de ouders in eerste instantie nog steeds verantwoordelijk voor het bieden van deze bovengebruikelijke hulp. Het college beoordeelt dan of van ouders verwacht mag worden dat ze deze hulp bieden, zoals in lid 1 staat weergegeven. Het college maakt hierbij onderscheid tussen kortdurende en langdurende situaties: - Kortdurend: er is uitzicht op herstel van het (gezondheids)probleem en de daarmee samenhangende zelfredzaamheid van de jeugdige. Het gaat hierbij over een aaneengesloten éénmalige periode van maximaal drie maanden in één kalenderjaar. - Langdurend: het gaat om chronische situaties waarbij naar verwachting de jeugdhulp langer dan drie maanden nodig is of voor meerdere periodes van drie maanden in één kalenderjaar. Het college verwacht van ouders dat zij in kortdurende situaties de bovengebruikelijke hulp bieden, tenzij dit gelet op de aard van de hulp niet kan worden verwacht of de ouders door (dreigende) overbelasting de hulp niet kunnen bieden. Er moet dan wel een verband zijn tussen de (dreigende) overbelasting en de hulp aan de jeugdige. 6. Bij de beoordeling in langdurige situaties houdt het college rekening met de volgende factoren:

13

a. de aard en de duur van de hulp en de benodigde ondersteuningsintensiteit van de jeugdige b. de mate van planbaarheid van de hulp c. het lichamelijk en geestelijk welzijn van de ouders d. de manier van omgaan van ouders met de problemen van de jeugdige e. vaardigheden van de ouders om zelf hulp te bieden (bijvoorbeeld een verpleegachtergrond) f. of er sprake is van problematiek bij de ouders, zoals relationele problemen of schulden g. welke verplichtingen de ouders hebben, bijvoorbeeld voor werk en sociale verplichtingen h. het belang van ouders om een inkomen uit arbeid te krijgen en het eventueel ontstaan van financiële problemen i. de woonsituatie j. de samenstelling van het gezin en de relatie tussen de gezinsleden (bijvoorbeeld of er sprake is van een wettelijke stiefouder of niet) k. is er een sociaal netwerk en zo ja, wat zijn de mogelijkheden en de bereidheid van het sociaal netwerk om de jeugdige of zijn ouders te ondersteunen l. overige individuele omstandigheden die door jeugdige en ouders worden ingebracht 7. Als bovengenoemde factoren niet leiden tot problemen bij het kunnen verlenen van de hulp door de ouders, bij de beschikbaarheid van de ouders voor het verlenen van de hulp, bij de belasting van de ouders en bij de financiële situatie van de ouders wordt 14

van hen verwacht dat zij de bovengebruikelijke hulp (eventueel deels) verlenen. Het college verstrekt dan geen individuele voorziening tot jeugdhulp. 8. Bij (dreigende) overbelasting geldt nog het volgende: - Er moet een verband zijn tussen de overbelasting en de zorg aan de jeugdige. - Als de overbelasting ziet op spanningen door het werk (bijvoorbeeld door te veel uren werken of stress) of door andere factoren buiten de zorg van de jeugdige om, moet de ouder eerst een oplossing zoeken in de oorzaak van die spanningen. - Bij een aanvraag voor een individuele voorziening tot jeugdhulp bekijkt het college wat wordt gedaan om die spanningen te verminderen. - Als de (dreigende) overbelasting kan worden verminderd door het herinrichten van het werk of andere sociale/maatschappelijke activiteiten wordt dit eerst van de ouder verwacht. - Het verlenen van hulp aan je kind gaat voor op sociale/maatschappelijke activiteiten. - Een pgb voor het verlenen van hulp aan een jeugdige door een ouder wordt beëindigd als er sprake is van (dreigende) overbelasting. Een andere zorgverlener moet het verlenen van hulp overnemen om de overbelasting te stoppen. 9. Als ouders een beroep kunnen doen op het sociale netwerk voor het bieden van 15

ondersteuning bij de benodigde hulp aan de jeugdige wordt van hen verwacht dat ze hier gebruik van maken. De ondersteuning die het sociale netwerk biedt, valt onder de eigen kracht. Het college verstrekt hiervoor geen individuele voorziening tot jeugdhulp. 10. Als de jeugdige en/of de ouders een aanvullende zorgverzekering hebben die de benodigde hulp (deels) vergoedt, wordt van ouders verwacht dat zij deze aanspreken. Het college verstrekt dan geen individuele voorziening tot jeugdhulp of alleen een aanvullende voorziening voor het gedeelte dat niet wordt vergoed. 11. Vanuit het oogpunt van medicaliseren/normaliseren en benutten van eigen kracht, vinden we dat het vervoer van een jeugdige naar een jeugdhulpvoorziening in de basis de verantwoordelijkheid is van ouders/verzorgers/netwerk als onderdeel van gebruikelijke hulp. Het gaat hierbij nadrukkelijk om vervoer van de jeugdige en niet om vervoer van ouders of verzorgers naar een jeugdhulplocatie zonder de jeugdige. Hierbij wordt twee keer rijden (heen en terug) per week als gebruikelijke hulp beschouwd. Indien uit onderzoek blijkt dat ouders/verzorgers/netwerk niet in staat zijn zelf het vervoer te organiseren, kan men in aanmerking komen voor een vervoersvoorziening op grond van de jeugdwet.

Daar waar vervoer onderdeel uitmaakt van de jeugdhulpvoorziening, is dit opgenomen in het Productenboek Inkoop Gespecialiseerde Jeugdhulp Regio Noordoost Brabant van het betreffende jaar. 16

Vervoer kan ingezet worden in de vorm van taxivervoer, PGB of een vergoeding. De vergoeding bedraagt € 0,19 per kilometer. 12. Dit artikel is van kracht op alle nieuwe aanvragen en verlengingen.

Artikel 4.2 Vrij toegankelijke voorzieningen

Artikel 4.2 Vrij toegankelijke voorzieningen

Artikel 4.3 Vrij toegankelijke voorzieningen

Enkel nummering is aangepast

Artikel 4.3 Individuele voorzieningen (ondersteuning-opmaat)

Artikel 4.3 Individuele voorzieningen (ondersteuning-op-maat)

Artikel 4.4 Individuele voorzieningen (ondersteuning-op-maat)

Enkel nummering is aangepast

Artikel 4.4 Overgang van 18- naar 18+

Artikel 4.4 Overgang van 18- naar 18+

Artikel 4.5 Overgang van 18- naar 18+

Enkel nummering is aangepast

17

Hoofdstuk 5: wonen in een veilige en gezonde omgeving Artikel Artikel 5.2.1 Geschikte woning: aanpassen of verhuizen

Was 1. De gemeente zorgt ervoor dat de inwoner ondersteuning-op-maat kan krijgt als het normale gebruik van zijn woning door een beperking niet mogelijk is. De ondersteuningop-maat houdt in dat de woning bereikbaar, toegankelijk en bruikbaar wordt gemaakt. 2. Als de woning niet of alleen tegen zeer hoge kosten aangepast kan worden, verwacht de gemeente dat de inwoner verhuist naar een geschikte(re) woning. De gemeente kan de aanvraag om aanpassing van de woning dan afwijzen. Zeer hoge kosten zijn kosten van meer dan € 10.000 in de periode van de komende 5 jaar. Bij de eerste melding wordt in het onderzoek door de gemeente gekeken of door de gezondheidssituatie van de inwoner of de situatie van de woning in een periode van 5 jaar nog meerdere aanpassingen verwacht worden die het bedrag van € 10.000 gaan overschrijden. 3. De inwoner komt bij een afwijzing van een aanvraag om een woningaanpassing zoals genoemd in het tweede lid in aanmerking voor een vergoeding voor de verhuizing en de inrichting van de nieuwe woning. Deze vergoeding bedraagt € 2.650 (prijspeil 2022) en wordt jaarlijks geïndexeerd op basis van consumentenprijzenindex van het CBS. De

Wordt 1. De gemeente zorgt ervoor dat de inwoner ondersteuning-op-maat kan krijgt als het normale gebruik van zijn woning door een beperking niet mogelijk is. De ondersteuning-op-maat houdt in dat de woning bereikbaar, toegankelijk en bruikbaar wordt gemaakt. 2. Als de woning niet of alleen tegen zeer hoge kosten aangepast kan worden, verwacht de gemeente dat de inwoner verhuist naar een geschikte(re) woning. De gemeente kan de aanvraag om aanpassing van de woning dan afwijzen. Zeer hoge kosten zijn kosten van meer dan € 18.000 in de periode van de komende 5 jaar. Bij de eerste melding wordt in het onderzoek door de gemeente gekeken of door de gezondheidssituatie van de inwoner of de situatie van de woning in een periode van 5 jaar nog meerdere aanpassingen verwacht worden die het bedrag van € 18.000 gaan overschrijden. 3. De inwoner komt bij een afwijzing van een aanvraag om een woningaanpassing zoals genoemd in het tweede lid in aanmerking voor een vergoeding voor de verhuizing en de inrichting van de nieuwe woning. Deze vergoeding bedraagt € 2.948,11 (prijspeil

Argumentatie Het bedrag van verhuiskostenvergoeding in lid 3 is geactualiseerd naar het prijspeil van 2024. Het indexeringscijfer voor 2025 is bij het maken van deze verordening nog niet bekend.

18

Artikel 5.3.1 Hulp bij Huishouden

1.

2.

3.

4.

verhuiskostenvergoeding kan pas worden toegekend als uit onderzoek blijkt dat dit ook de juiste voorziening is. Het onderzoek betreft de beperkingen van de aanvrager, de beschikbaarheid van aangepaste of eenvoudig aan te passen woningen, en alle andere relevante feiten en omstandigheden. Het college kan nadere regels stellen voor het onderzoek en de belangenafweging die gemaakt moet worden.

2024) en wordt jaarlijks geïndexeerd op basis van consumentenprijzenindex van het CBS. De verhuiskostenvergoeding kan pas worden toegekend als uit onderzoek blijkt dat dit ook de juiste voorziening is. Het onderzoek betreft de beperkingen van de aanvrager, de beschikbaarheid van aangepaste of eenvoudig aan te passen woningen, en alle andere relevante feiten en omstandigheden. Het college kan nadere regels stellen voor het onderzoek en de belangenafweging die gemaakt moet worden.

De gemeente zorgt ervoor dat de inwoner ondersteuning-op-maat kan krijgen als hij zijn woning niet schoon en leefbaar kan houden als gevolg van een beperking. De ondersteuning-op-maat houdt in dat de inwoner de volgende voorziening kan krijgen: a. Algemene voorziening Hulp bij Huishouden (HbH) b. Maatwerkvoorziening Hulp bij Huishouden Bij de algemene voorziening Hulp bij Huishouden ligt de regie bij de inwoner zelf. De inwoner maakt met de aanbieder zelf afspraken over wat en wanneer er wordt schoongemaakt. De maatwerkvoorziening HbH bestaat uit: a. Ondersteuning bij een schoon huis. Deze ondersteuning bestaat uit

1.De gemeente zorgt ervoor dat de inwoner ondersteuning-op-maat kan krijgen als hij zijn woning niet schoon en leefbaar kan houden als gevolg van een beperking. 2.De ondersteuning-op-maat houdt in dat de inwoner de volgende voorziening kan krijgen: a) Algemene voorziening Hulp bij Huishouden (HbH) b) Maatwerkvoorziening Hulp bij Huishouden 3.Bij de algemene voorziening Hulp bij Huishouden ligt de regie bij de inwoner zelf. De inwoner maakt met de aanbieder zelf afspraken over wat en wanneer er wordt schoongemaakt. De algemene voorziening Hulp bij huishouden kent een maximale inzet van ondersteuning van 52 uur per kalenderjaar. 4.De maatwerkvoorziening HbH bestaat uit:

Voor de algemene voorziening is aan lid 3 toegevoegd wat hiervan de maximale inzet per jaar is. Hiermee wordt voldaan aan de voorwaarde binnen de Wmo2015 dat zaken die essentieel zijn voor de inzet van ondersteuning in de verordening zijn opgenomen.

In lid 5 is verwijzing naar het HHM rapport van 2019 verwijderd. Uitgangspunt voor urenbepaling is de professionaliteit van de aanbieder. Deze stelt samen met de inwoner een ondersteuningsplan op waarin is 19

5.

6.

7.

8

schoonmaakhulp. Deze hulp maakt alleen schoon, waarbij vooral het zware schoonmaakwerk wordt gedaan en/of b. Regie op het huishouden. Deze ondersteuning bestaat uit schoonmaakhulp, maar er wordt ook aandacht besteed aan het aanbrengen van structuur in de huishouding waarbij uiteindelijk de regie ook weer bij de inwoner komt en/of het aanleren van schoonmaakvaardigheden. Voor de maatwerkvoorziening HbH stelt de gemeente in overleg met de inwoner en de door hem gekozen zorgaanbieder vast hoeveel uur nodig zijn om de woning schoon en leefbaar te houden. Uitgangspunt is daarbij het HHM rapport van 2019 dat objectieve criteria bevat voor een schone en leefbare woning en waarin concrete normen zijn opgenomen. De gemeente kan ook besluiten om een collectieve voorziening hulp bij huishouden toe te kennen als er sprake is van meerdere inwoners die woon- en gebruiksruimtes delen. Hulp bij huishouden wordt alleen ingezet als de inwoner geen mogelijkheden heeft om het gewenst resultaat op eigen kracht te bereiken en hij dit resultaat ook niet kan bereiken met gebruikelijke hulp van huisgenoten. Als er in het huishouden van de inwoner minderjarige kinderen zijn, dan kan de ondersteuning-op-maat ook bestaan uit het

a. Ondersteuning bij een schoon huis. Deze ondersteuning bestaat uit schoonmaakhulp. Deze hulp maakt alleen schoon, waarbij vooral het zware schoonmaakwerk wordt gedaan en/of b.Regie op het huishouden. Deze ondersteuning bestaat uit schoonmaakhulp, maar er wordt ook aandacht besteed aan het aanbrengen van structuur in de huishouding waarbij uiteindelijk de regie ook weer bij de inwoner komt en/of het aanleren van schoonmaakvaardigheden. 5.Voor de maatwerkvoorziening HbH stelt de gemeente in overleg met de inwoner en de door hem gekozen zorgaanbieder vast hoeveel uur nodig zijn om de woning schoon en leefbaar te houden. 6.De gemeente kan ook besluiten om een collectieve voorziening hulp bij huishouden toe te kennen als er sprake is van meerdere inwoners die woon- en gebruiksruimtes delen. 7. Hulp bij huishouden wordt alleen ingezet als de inwoner geen mogelijkheden heeft om het gewenst resultaat op eigen kracht te bereiken en hij dit resultaat ook niet kan bereiken met gebruikelijke hulp van huisgenoten. 8 Als er in het huishouden van de inwoner minderjarige kinderen zijn, dan kan de ondersteuning-op-maat ook bestaan uit het overnemen van de gebruikelijke hulp voor

vastgelegd hoeveel uur per week HbH zoodzakelijk is. Het HHM rapport wordt wel als uitgangspunt gebruikt in situaties waarin aanbieder, inwoner en gemeente van mening verschillen over de bepaling van de noodzakelijke uren.

20

overnemen van de gebruikelijke hulp voor deze kinderen. Deze ondersteuning is vooral bedoeld om de periode tot er andere hulp is te overbruggen. Artikel 5.7.6 Premantelzorgverklaring

deze kinderen. Deze ondersteuning is vooral bedoeld om de periode tot er andere hulp is te overbruggen.

1. De inwoner komt in aanmerking voor een premantelzorgverklaring, als:

Artikel 5.7.6 Mantelwonen

a. op basis van het ziektebeeld te voorzien is dat binnen een periode van 5 jaar een mantelzorgrelatie ontstaat, waarbij: b. de mantelzorg voor een periode langer dan 3 maanden gaat plaatsvinden; en c. minimaal 8 uur per week mantelzorg wordt geleverd. 2. In de premantelzorgverklaring neemt de adviseur een programma van eisen op voor de mantelzorgwoning. De inwoner is zelf verantwoordelijk dat de mantelzorgwoning aan deze eisen voldoet en kan daartoe geen aanspraak maken op woningaanpassingen in het kader van de Wmo.

Mantelwonen is een woonvorm die te vergelijken is met een mantelzorgwoning. De belangrijkste verschillen zijn: - Voor een mantelwoning heeft u geen medische verklaring nodig. Het gaat bij mantelwonen veel meer om sociale ondersteuning dan om medische zorg. - Voor een mantelwoning heeft u een vergunning nodig, deze geldt maximaal 15 jaar. - Een mantelwoning mag door maximaal twee huishoudens worden bewoond.

Dit artikel is gewijzigd naar een artikel over mantelwonen. Met de komst van nieuw beleid rondom mantel(zorg)wonen is de regeling rondom pré mantelzorg komen te vervallen.

Het mantelwonen-beleid vervangt het prémantelzorgbeleid omdat met een ruimere regeling wordt bereikt dat men elkaar kan ondersteunen zonder dat er direct sprake is van een medische noodzaak. Aan het realiseren van een mantelwoning zijn voorwaarden verbonden. Deze vindt u terug op onze website: www.meierijstad.nl/mantelwonen.

21

Hoofdstuk 6: Vervoer naar school Artikel Artikel 6.3.2 Beoordeling aanvraag

Was 1. Op het moment dat de ouder een aanvraag indient, onderzoekt de gemeente of het kind voor een vervoersvoorziening in aanmerking komt , en welke voorziening passend is. Een gesprek met de consulent leerlingenvervoer kan onderdeel zijn van dat onderzoek. Ook kan een externe deskundige gevraagd worden om mee te kijken naar de best passende vervoersvoorziening. 2. De gemeente onderzoekt: a. of de dichtstbijzijnde toegankelijke school verder weg ligt dan de afstandsgrens van 6 kilometer. De gemeente berekent de kortste afstand van de woning naar de dichtstbijzijnde toegankelijke school en waar plaats is. Voor het bepalen van de kortste, veilige route wordt de actuele routeplanner van de ANWB gebruikt. b. of het kind naar de dichtstbijzijnde voor hem toegankelijke school gaat. De toelaatbaarheidsverklaring of het arrangement dat het samenwerkingsverband heeft afgegeven is hierbij leidend. c. of er begeleiding nodig is bij het reizen. d. of er een eigen bijdrage betaald moet worden. Gaat het kind naar een basisschool of een speciale school voor

Wordt 1.Op het moment dat de ouder een aanvraag indient, onderzoekt de gemeente of het kind voor een vervoersvoorziening in aanmerking komt , en welke voorziening passend is. Een gesprek met de consulent leerlingenvervoer kan onderdeel zijn van dat onderzoek. Ook kan een externe deskundige gevraagd worden om mee te kijken naar de best passende vervoersvoorziening. 2.De gemeente onderzoekt: a.of de dichtstbijzijnde toegankelijke school verder weg ligt dan de afstandsgrens van 6 kilometer. De gemeente berekent de kortste afstand van de woning naar de dichtstbijzijnde toegankelijke school en waar plaats is. Voor het bepalen van de kortste, veilige route wordt de actuele routeplanner van de ANWB gebruikt. b.of het kind naar de dichtstbijzijnde voor hem toegankelijke school gaat. De toelaatbaarheidsverklaring of het arrangement dat het samenwerkingsverband heeft afgegeven is hierbij leidend. c. of er begeleiding nodig is bij het reizen.

Argumentatie Lid d en e verwijderd. Inkomensafhankelijke bijdrage wordt al jaren niet meer geind.

22

basisonderwijs en deze ligt verder weg dan 20 kilometer, dan kan een eigen bijdrage als bedoeld in artikel 6.3.6 worden opgelegd. e. hoe hoog het inkomen is van het huishouden waarin de leerling verblijft op basis van het meest recente IB60 formulier

Artikel 6.3.3. Vorm en hoogte vervoersvoorziening

3. Het kind dat naar groep 8 van de basisschool of de speciale school voor basisonderwijs of school voor voortgezet speciaal onderwijs gaat krijgt een bekostiging voor openbaar vervoer, zo nodig met begeleiding, als: a. het vervoer per fiets, ook met begeleiding, niet mogelijk is; en b. het kind zelfstandig of met begeleiding met het openbaar vervoer kan reizen

Artikel 6.3.5 Eigen vervoer

1. Als de gemeente toestemming geeft aan de ouder om het kind zelf te vervoeren met de eigen auto, dan is de vergoeding nooit hoger dan die waar het kind recht op heeft. 2. Als de ouder meerdere kinderen tegelijk met de auto vervoert verstrekt de gemeente éénmaal de kilometervergoeding voor de auto volgens cao Rijk.

3.Het kind dat naar groep 8 van de basisschool of de speciale school voor basisonderwijs of school voor voortgezet speciaal onderwijs gaat krijgt een bekostiging voor openbaar vervoer, zo nodig met begeleiding, als: a. het vervoer per fiets, ook met begeleiding, niet mogelijk is; b. De afstand van een enkele reis op basis van de kortste fietsroute volgens de ANWBRouteplanner verder is dan 10 kilometer voor het basisonderwijs en 15 kilometer voor het voortgezet onderwijs. en c. het kind zelfstandig of met begeleiding met het openbaar vervoer kan reizen. 1. Als de gemeente toestemming geeft aan de ouder om het kind zelf te vervoeren met de eigen auto, dan is de vergoeding nooit hoger dan die waar het kind recht op heeft. 2. Als het kind in aanmerking komt voor aangepast vervoer bestaat de tegemoetkoming uit een

Lid b toegevoegd. Conform gebruikelijke norm ANWB.

Lid 2 toegevoegd en lid 6 aangepast. De vergoedingen voor eigen vervoer en de fiets zijn verduidelijkt. Dit sluit nu aan bij de basisnormbedragen van de VNG voor leerlingenvervoer en de nieuwe model verordening leerlingenvervoer. Daarnaast 23

3. De ouder krijgt geen tegemoetkoming als zijn kind met een andere ouder meereist die van de gemeente een vergoeding ontvangt voor het vervoer van zijn eigen kind. 4. De gemeente kan toestemming verlenen voor een andere passende vervoersvoorziening die goedkoper is dan, of gelijk aan, de kosten van openbaar vervoer. 5. De kilometervergoeding voor het gebruik van de (brom)fiets sluit aan op cao Rijk. 6. Als de ouder op grond van een andere regeling een vervoersvergoeding ontvangt brengt de gemeente die in mindering. 7. Als de ouder een tegemoetkoming ontvangt voor leerlingenvervoer en daarnaast in aanmerking komt voor vervoer in het kader van de jeugdwet (zie hoofdstuk 4.3), wordt in samenspraak met de ouder gekeken naar een passende tegemoetkoming.

3.

4.

5.

6.

7.

8.

kilometervergoeding voor de eigen auto op basis van het belastingvrije kilometerbedrag per kilometer, zoals vastgesteld per 1 januari voorafgaand aan de start van het betreffende schooljaar. Als de ouder meerdere kinderen tegelijk met de auto vervoert verstrekt de gemeente éénmaal de kilometervergoeding voor de auto volgens cao Rijk. De ouder krijgt geen tegemoetkoming als zijn kind met een andere ouder meereist die van de gemeente een vergoeding ontvangt voor het vervoer van zijn eigen kind. De gemeente kan toestemming verlenen voor een andere passende vervoersvoorziening die goedkoper is dan, of gelijk aan, de kosten van openbaar vervoer. De kilometervergoeding voor het gebruik van de (brom)fiets word berekend op basis van 50% van de kilometervergoeding voor autogebruik, naar beneden afgerond. Als de ouder op grond van een andere regeling een vervoersvergoeding ontvangt brengt de gemeente die in mindering. Als de ouder een tegemoetkoming ontvangt voor leerlingenvervoer en

zorgt het ervoor dat ouders weten waar ze aan toe zijn en hoeven we de vergoeding gedurende het jaar op 1 januari niet aan te passen. Dit zorgt voor gelijkheid.

24

daarnaast in aanmerking komt voor vervoer in het kader van de jeugdwet (zie hoofdstuk 4.3), wordt in samenspraak met de ouder gekeken naar een passende tegemoetkoming Artikel 6.3.6 Inkomensafhankelijke bijdrage

1. Als de reisafstand naar de basisschool of het speciale school voor basisonderwijs meer dan 20 kilometer is dan geldt het volgende: a. als de gemeente zorgt voor aangepast vervoer, dan betalen ouders aan de gemeente een eigen bijdrage; b. als het kind op een andere manier wordt vervoerd, dan wordt de inkomensafhankelijke bijdrage afgetrokken van de vergoeding die ouders krijgen. 2. De hoogte van de inkomensafhankelijke bijdrage wordt per kind per schooljaar berekend en hangt af van het verzamelinkomen van de ouders in het peiljaar.

Artikel verwijderd. Nummering aangepast.

25

Inkomen vanaf

tot

€0 € 36.001 € 42.501 € 49.001 € 55.501 € 63.001 € 69.501

€ 36.000 € 42.500 € 49.000 € 55.500 € 63.000 € 69.500 En voor elke € 5.000 erbij

Eigen bijdrage per schooljaar Nihil € 150 € 645 € 1.200 € 1.760 € 2.360 € 565

3. De

gemeente kan de tegemoetkoming stopzetten als de ouder de eigen bijdrage niet (langer) betaalt. 4. De gemeente past de bedragen van de inkomensgrenzen en van de eigen bijdrage genoemd in het tweede lid, jaarlijks aan (indexering) voor het eerst met ingang van schooljaar 2022-2023. Wij volgen hierbij de wijzigingen van de Vereniging Nederlandse Gemeenten (VNG). 5. Voor ouders van kinderen die vanwege langdurige beperkingen niet zelfstandig met het openbaar vervoer kunnen reizen, geldt de regeling in dit artikel niet. Zij betalen geen inkomensafhankelijke bijdrage.

26

Hoofdstuk 7: Inkomen en schulden Artikel Artikel 7.2.1 Vangnet

Was De bijzondere bijstand is bedoeld voor inwoners die moeten rondkomen van een inkomen dat lager is dan 120% van de bijstandsnorm.

Wordt Bij de bijzondere bijstand hanteert de gemeente een inkomensgrens van 120% van de bijstandsnorm. In beleidsregels bepaalt het college hoe wordt omgegaan met inwoners met een hoger inkomen.

Paragraaf 7.3 Studietoeslag

Studenten met een beperking hebben soms extra ondersteuning nodig om een opleiding te volgen. Dat is belangrijk omdat de kans op werk met een afgeronde opleiding groter is. Met een studietoeslag krijgt de student een zetje in de rug omdat het inkomen wordt aangevuld. In deze paragraaf geeft de gemeente aan voor welke studenten de studietoeslag van artikel 36b van de Participatiewet is bedoeld, welk bedrag toegekend kan worden en hoe dat wordt uitbetaald.

Studenten met een beperking hebben soms extra ondersteuning nodig om een opleiding te volgen. Dat is belangrijk omdat de kans op werk met een afgeronde opleiding groter is. Met een studietoeslag krijgt de student een zetje in de rug omdat het inkomen wordt aangevuld. In deze paragraaf geeft de gemeente aan welk bedrag toegekend kan worden en hoe dat wordt uitbetaald.

Paragraaf 7.3 Studietoeslag

Artikel 7.2.1 Doelgroep 1. De studietoeslag is bedoeld voor de student van 18 jaar of ouder die: a. een mbo-, hbo- of wo-opleiding volgt; en b. een tegemoetkoming in de schoolkosten of studiefinanciering van het DUO krijgt of kan krijgen; en

Verwijderen

Argumentatie Tekstuele aanpassing. Zoals de tekst geformuleerd was, zou dit betekenen dat inwoners met een inkomen boven 120% van de bijstandsnorm geen recht hebben op bijzondere bijstand. Dit is niet de intentie van de verordening en wordt ook in de bestendige uitvoeringspraktijk niet zo uitgevoerd. Deze zin verwijderen omdat dit al in artikel 36b PW is bepaald.

Dit kan helemaal weg omdat dit al in artikel 36b PW (dwingend) is bepaald.

27

c.

Artikel 7.3.1 Hoogte en duur van de toeslag

Artikel 7.4.1 Doelgroep

Artikel 7.4.1 Doelgroep

als rechtstreeks gevolg van een ziekte of gebrek structureel niet in staat is naast de studie inkomsten te verwerven.

Artikel 7.2.2 Vaststellen beperking Nadat de student een aanvraag heeft ingediend, onderzoekt de gemeente of de medische beperking van de student zo groot is dat hij naast de studie structureel niet kan bijverdienen. De gemeente doet dat aan de hand van gegevens die zij van de student of van andere instanties heeft gekregen. Als die gegevens niet duidelijk genoeg zijn, vraagt de gemeente aan een onafhankelijke deskundige om een advies te geven. 1. De studietoeslag is € 300 (jaarlijkse indexering) per maand en wordt elke maand uitbetaald.

3. Een inwoner komt niet in aanmerking voor een individuele inkomenstoeslag als aan hem/haar in het jaar dat vooraf gaat aan de peildatum een maatregel is opgelegd omdat hij/zij zich niet heeft gehouden aan een arbeids- of reintegratieverplichting als bedoeld in de Participatiewet. 4. Een inwoner komt niet in aanmerking voor een individuele inkomenstoeslag als deze onderwijs volgt of in de referteperiode heeft gevolgd, omdat hij/zij daardoor perspectief heeft op verbetering van de inkomenssituatie. Het gaat dan om onderwijs dat het Rijk bekostigt.

De studietoeslag is gelijk aan het bedrag genoemd in artikel 7a sub a van het Besluit loonkostensubsidie en minimumbedragen studietoeslag Participatiewet 2021, afgerond naar boven op een eenheid van € 10,00 en wordt elke maand uitbetaald. 3. Een inwoner komt niet in aanmerking voor een individuele inkomenstoeslag als hij in het jaar dat vooraf gaat aan de peildatum een maatregel is opgelegd omdat hij zich niet heeft gehouden aan een arbeids- of reintegratieverplichting als bedoeld in de Participatiewet en/of Ioaw en/of Ioaz. 4. Een inwoner komt niet in aanmerking voor een individuele inkomenstoeslag als deze onderwijs volgt of in de referteperiode heeft gevolgd en daardoor naar het oordeel van het college perspectief heeft op verbetering van de inkomenssituatie binnen een periode van een jaar. Het gaat dan om onderwijs dat

Deze aanpassing gedaan om te voorkomen dat je ieder jaar dit in de verordening opnieuw moet indexeren.

Hem/haar naar hij is een tekstuele wijziging. Is ook van toepassing op Ioaw en/of Ioaz .

Hierbij dezelfde periode gehanteerd als bij lid 3. We kijken dan over dezelfde periode vooruit en terug als het gaat om inspanningen en kans op hoger

28

het Rijk bekostigt. 5. Het vermogen wordt vastgesteld op de peildatum.

inkomen. Dat vergroot de consistentie van het beleid Hoe het vermogen wordt vastgesteld is toegevoegd om duidelijkheid te scheppen over de wijze van beoordeling vermogen bij aanvraag IIT. Wijziging bedragen voor het nieuwe jaar.

Artikel 7.4.2 Hoogte van de toeslag

1. De inkomenstoeslag is per jaar (bedragen 2023): a. € 475 voor een alleenstaande; b. € 608 voor een alleenstaande ouder; c. € 677 voor gehuwden of samenwonenden.

1. De inkomenstoeslag is per jaar (bedragen 2024): a. € 497 voor een alleenstaande; b. € 636 voor een alleenstaande ouder; c. € 708 voor gehuwden of samenwonenden.

Artikel 7.4.2 Hoogte van de toeslag

Bij gehuwden en samenwonenden geldt dat als één van de partners geen recht heeft op inkomenstoeslag de ander het bedrag voor een alleenstaande of alleenstaande ouder krijgt.

Bij gehuwden en samenwonenden geldt dat als één van de partners op grond van artikel 13 Participatiewet geen recht heeft op de inkomenstoeslag de ander het bedrag voor een alleenstaande of alleenstaande ouder krijgt.

Op grond van artikel 12 Participatiewet is toegevoegd ter verduidelijking en bestendiging van huidige uitvoeringspraktijk.

Artikel 7.4.2 Hoogte van de toeslag

De bedragen worden jaarlijks per 1 januari aangepast aan de ontwikkelingen van de consumentenprijsindex volgens het Centraal Bureau voor de Statistiek en naar boven afgerond op hele euro's. 2. De bijdrage is (bedragen 2023): a. Voor schoolkosten € 228 per jaar per schoolgaand kind van 4 tot 18 jaar; b. Voor een computer/laptop € 554; c. Voor sport, cultuur en ontspanning € 308 per jaar per kind;

Verwijderen

Indexeringsbepaling voor hoofdstuk 7 wordt centraal opgenomen in 7.9.

2. De bijdrage is (bedragen 2024): a. Voor schoolkosten € 239 per jaar per schoolgaand kind van 4 tot 18 jaar; b. Voor een computer/laptop € 579; c. Voor sport, cultuur en ontspanning € 322 per jaar per kind;

Wijziging bedragen voor het nieuwe jaar.

Artikel 7.5.2 Inhoud regelingen voor kinderen

29

d. Voor zwemlessen diploma ABC € 600 per kind.

d. Voor zwemlessen diploma ABC € 627 per kind.

Artikel 7.5.2 Inhoud regelingen voor kinderen

Het college kan nadere regels stellen over de voorwaarden die gelden voor deze bijdrage. De bedragen worden jaarlijks per 1 januari aangepast aan de ontwikkelingen van de consumentenprijsindex volgens het Centraal Bureau voor de Statistiek en naar boven afgerond op hele euro's.

Het college kan nadere regels stellen over de voorwaarden die gelden voor deze bijdrage.

Indexeringsbepaling voor hoofdstuk 7 wordt centraal opgenomen in 7.9.

Artikel 7.6.2 Inhoud regeling voor volwassenen

De bijdrage is € 228 per jaar (bedrag 2023).

De bijdrage is € 239 per jaar (bedrag 2024).

Bedragen aangepast naar het nieuwe jaar.

Artikel 7.6.2 Inhoud regeling voor volwassenen

Het college kan nadere regels stellen over de voorwaarden die gelden voor deze bijdrage. De bedragen worden jaarlijks per 1 januari aangepast aan de ontwikkelingen van de consumentenprijsindex volgens het Centraal Bureau voor de Statistiek en naar boven afgerond op hele euro's. Voor inwoners met veel medische kosten heeft de gemeente de volgende voorzieningen

Het college kan nadere regels stellen over de voorwaarden die gelden voor deze bijdrage.

Indexeringsbepaling voor hoofdstuk 7 wordt centraal opgenomen in 7.9.

Voor inwoners met veel zorgkosten heeft de gemeente de volgende voorzieningen

een lagere premie voor de basisverzekering en de aanvullende verzekeringen

en lagere premie voor de aanvullende verzekeringen

Artikel verwijst naar zorgkosten, voor de consistentie wordt de tekst ook aangepast naar zorgkosten i.p.v. medische kosten. Er kan door zorgverzekeraars geen collectiviteitskorting voor basisverzekering worden gegeven (wettelijk niet meer toegestaan).

Artikel 7.7.1 Voorzieningen zorgkosten

Artikel 7.7.2 Collectieve zorgverzekering

30

Artikel 7.7.3 Bijdrage in de premie aanvullende zorgverzekering

Er kan een bijdrage in de premie voor de aanvullende zorgverzekering worden verstrekt. De bijdrage is afhankelijk van het gekozen verzekeringspakket € 10, 20 of 40 per jaar (bedragen 2023).

Er kan een bijdrage in de premie voor de aanvullende zorgverzekering worden verstrekt. De bijdrage is afhankelijk van het gekozen verzekeringspakket € 10, 20 of 40 per jaar (bedragen 2024).

Jaartal is gewijzigd omdat het voor het nieuwe jaar geldt.

Artikel 7.8.2 Schuldhulpverlening

De gemeente zorgt ervoor dat de inwoner, die ondersteuning kan krijgen bij het oplossen van schulden, die ondersteuning zo snel mogelijk krijgt. Een van de mogelijkheden die de gemeente kan aanbieden, is hulp bij het regelen van inkomsten en uitgaven (budgetbeheer). Budgetbeheer is erop gericht dat de inwoner weer evenwicht krijgt in de financiële huishouding.

De gemeente zorgt ervoor dat de inwoner, die ondersteuning kan krijgen bij het oplossen van schulden, die ondersteuning zo snel mogelijk krijgt. Hier zijn verschillende mogelijkheden voor, deze staan vermeldt in de nadere regels.

Budgetbeheer is één van de mogelijkheden. Het is niet logisch om hier maar één product uit te lichten, terwijl het gehele aanbod met toelichting in de nadere regels vermeldt staat. Daarom hier een verwijzing daarnaar.

De bedragen genoemd in artikel 7.3.2, 7.4.2 en 7.5.2 worden jaarlijks per 1 januari geïndexeerd op basis van het prijsconsumentenindex (methode Schulinck) en worden naar boven afgerond op hele euro's.

Dit is een nieuw artikel, ter vervanging van de individuele indexbepalingen in hoofdstuk 7.

Artikel 7.9 Indexering bedragen

31

Hoofstuk 8: De vorm van ondersteuning Artikel Artikel 8.1.1 Ondersteuning in natura Artikel 8.1.3 Persoonsgebonden budget (lid 9 en 10)

Was

Wordt

(Jeugdwet, Wmo, PW, IOAW, IOAZ, Wgs,)

(Jeugdwet, Wmo, PW, Wgs,)

Lid 9 van dit artikel Het pgb is bedoeld voor ondersteuning, maar kan niet aan alle kosten die daarmee te maken hebben worden besteed. Het pgb kan niet besteed worden aan: a. kosten voor bemiddeling, tussenpersonen of belangenbehartigers; b. het voeren van een pgb-administratie; c. ondersteuning bij het aanvragen en beheren van een pgb administratie; d. kosten voor een feestdagenuitkering of eenmalige uitkering aan de hulpverlener(s); e. overlijdensuitkering.

Lid 9 van dit artikel Het pgb is bedoeld voor ondersteuning, maar kan niet aan alle kosten die daarmee te maken hebben worden besteed. Het pgb kan niet besteed worden aan: a. kosten voor belangenbehartigers; b. het voeren van een pgb-administratie; c. ondersteuning bij het aanvragen en beheren van een pgb administratie; d. kosten voor een feestdagenuitkering of eenmalige uitkering aan de hulpverlener(s); e. overlijdensuitkering.

Dit lid is komen te vervallen

Argumentatie De IOAW en IOAZ kennen geen mogelijkheid om de uitkering in natura te verstrekken. Door de nieuwe formulering van lid 9 is de mogelijk geworden om pgb budget te besteden aan kosten voor bemiddeling of tussenpersonen. In de praktijk blijkt deze vorm van in contact brengen van inwoners en zorgaanbieders vooral van belang bij het vinden van voldoende hulp bij huishouden. Het maximale vastgestelde pgb uurtarief voor ondersteuning wordt door deze wijziging niet verhoogd met de kosten voor bemiddeling en/of tussenpersonen.

Lid 10 van dit artikel: De inwoner hoeft van het persoonsgebonden budget 0,75% per jaar niet te verantwoorden. Dit verantwoordingsvrije bedrag is maximaal € 200 per jaar.

Zowel voor Jeugd als voor Wmo gold voor de inwoner de mogelijkheid een deel van het toegekende pgb op te nemen zonder te verantwoorden waarvoor. In de praktijk leidde het verantwoordingsvrij opnemen 32

Lid 11 PGB en Vervoer a. Een PGB voor vervoer is bij jeugd alleen mogelijk bij bovengebruikelijke situaties.

Artikel 8.1.5 Hoogte en tarief

1. De hoogte van het PGB wordt door de gemeente vastgesteld aan de hand van een plan over de besteding van het PGB dat de inwoner heeft gemaakt (PGB-plan). In het plan staat welke ondersteuning de inwoner vanuit

De tekst is automatisch uit het bestand gehaald en kan afwijken van het origineel (kolommen, tabellen en koppen lopen door elkaar). Het officiële stuk bij de gemeente is leidend. Bron: https://api1.ibabs.eu/publicdownload.aspx?site=Meierijstad&id=4783cbc4-ec68-4b00-8ee0-40b5aca3c9e6