Bijlage 3: Bijlageboek Pater Vervoortstraat ong.
Tekst van het document
De verstoringsdiepte van de ingrepen was ten tijde van het schrijven van de eerste conceptversie (augustus 2019) van dit rapport nog niet bekend. In de tweede conceptversie (oktober 2019) wordt uitgegaan van het volgende : Buiten de twee aangegeven bouwvlakken zal niet worden gegraven. Er geldt een horizontale marge voor het ontgraven van 0,75-1 m rondom de bouwvlakken. Bij de fundering van deze gebouwen zal geen gebruik worden gemaakt van funderingspalen. Alvorens de fundering aan te leggen, zal het terrein onder en rondom de twee gebouwen worden opgehoogd. De dikte van de ophogingslaag zal 40-50 cm bedragen. Vervolgens zal er een fundering worden gelegd op 0,7 m diepte, met een max. ontgraving van 80 cm. Dit betekent dat de max. diepte van ontgraving 0,4 m onder huidig maaiveld zal zijn. Behalve de ontgraving ten behoeve van de fundering zal er ook een sleuf voor de riolering aangelegd worden. Deze zal niet dieper dan 0,15 m onder huidig maaiveld worden aangelegd. Er worden geen sleuven voor kabels en leidingen gegraven . 2 Archeologisch onderzoek Salisbury heeft het onderzoek in de periode juni - augustus 2019 uitgevoerd en het volgende rapport opgesteld : Soldaat, M., en G. Aalbersberg, 2019 : Zijtaart, Pater Vervoortstraat ong.
(Gemeente Meierijstad) Een bureauonderzoek en inventariserend veldonderzoek (BO en IVO-O) - Salisbury Archeologisch Rapport 274 - versie 3.1, 23 oktober 2019 (concept). Eerder was de eerste conceptversie (versie 1.1, 22 augustus 2019 ) van dit rapport beoordeeld, daarbij waren enkele op- en aanmerkingen gemaakt die in deze versie van het rapport in voldoende mate verwerkt zijn. Met name delen van het advies en de daaruit voortvloeiende aanbevelingen zijn daarbij aanzienlijk gewijzigd. 2.1 Onderzoeksmethode Het onderzoek heeft bestaan uit een bureauonderzoek en een inventariserend veldonderzoek door middel van boringen, verkennende fase. De onderzoeken zijn uitgevoerd in overeenstemming met de eisen van de Kwaliteitsnorm Nederlandse Archeologie KNA 4.1. Voor het bureau- en inventariserend onderzoek waren 5 onderzoeksvragen opgesteld. Doel van het bureauonderzoek is het verkrijgen van inzicht in bekende en te verwachten archeologische waarden in en in de omgeving (onderzoeksgebied) van het plangebied. Op basis van deze informatie wordt een archeologisch verwachtingsmodel opgesteld. Hierin wordt beschreven of er archeologische resten aanwezig (kunnen) zijn in het plangebied, wat de potentiële aard en omvang
Gemeente Meierijstad, versie 30 januari 2020
2 van 4
Selectieadvies AMZ - Zijtaart, Pater Vervoortstraat ong., gemeente Meierijstad - BO + IVO-B - Salisbury
van de voorgenomen werkzaamheden zijn en of deze een bedreiging vormen voor het bodemarchief. Indien dit het geval is, wordt geadviseerd op welke wijze hiermee in het vervolgtraject van de plannen rekening dient te worden gehouden. Doel van het veldonderzoek is het toetsen van de gespecificeerde verwachting. Bij het verkennend booronderzoek zijn met behulp van een Edelman-boor (7 cm) in totaal 6 boringen tot 25 cm in de C-horizont van de pleistocene ondergrond gezet; er is tot max. 2,05 m -mv geboord. De boringen zijn lithologisch conform NEN 5104 en ASB beschreven. 2.2 Resultaten/conclusie onderzoek (verkort) Het plangebied ligt aan de Z.-zijde van een dekzandrug die ten Z. van het plangebied overgaat in een vlakte van verspoelde dekzanden. Op basis van het bureauonderzoek is geconcludeerd dat in het plangebied archeologische resten aanwezig kunnen zijn in een eventueel aanwezig esdek en de daaronder gelegen pleistocene afzettingen. Wanneer vondsten in een esdek aanwezig zijn, gaat het om opgeploegde vondsten uit onderliggende lagen. Resten uit het Paleolithicum t/m de Middeleeuwen kunnen in de top van de pleistocene afzettingen aangetroffen worden. Daarbij worden resten die verband houden met bewoning uit de perioden Paleolithicum - Mesolithicum in deze omgeving voornamelijk op de hoger gelegen landschapsdelen verwacht.
Echter, ook in de lagere delen van het landschap was menselijke activiteit mogelijk. De resten kunnen bestaan uit vuursteenvindplaatsen of kleine nederzettingsterreinen, extractiekampen. Uit het Neolithicum, de Bronstijd, IJzertijd en Romeinse Tijd zijn archeologische resten aangetroffen in de omgeving van het plangebied. Ook deze resten bevinden zich op de dekzandruggen langs de Aa. Archeologische resten uit deze perioden kunnen bestaan uit nederzettingsresten, (crematie)graven, (kring)greppels, (paal- en haard)kuilen, waterputten en sporen van landbewerking e.d. Vanaf de Middeleeuwen werden de minder vruchtbare zandgronden geschikt gemaakt voor landbouw met behulp van plaggenbemesting. De kans dat een plaggendek in de ondergrond aanwezig is, wordt groot geacht. Voor het plangebied geldt een hoge verwachting voor het aantreffen van resten uit de Late Middeleeuwen en Nieuwe Tijd. Resten uit deze periode zullen waarschijnlijk verband houden met agrarische activiteiten, zoals boerderijplaatsen met greppels en sporen van landbewerking. Het booronderzoek heeft uitgewezen dat in het plangebied een esdek op een grotendeels intacte top van pleistoceen dekzand aanwezig is. In alle 6 de boringen is een esdek aangetroffen. Ook is in 4 boringen (delen van) een podzolprofiel aangetroffen onder het esdek. Er zijn geen archeologische indicatoren aangetroffen.
In één van de boringen is onder het esdek een laag aangeboord die mogelijk geïnterpreteerd kan worden als akkerlaag of archeologisch spoor. Ook is gebleken dat het archeologische niveau, de top van het dekzand, grotendeels intact in het plangebied aanwezig is. Daarmee blijft de hoge verwachting die in het bureauonderzoek is opgesteld, in stand. 2.3 Advies Salisbury Op basis van het uitgevoerde onderzoek adviseert Salisbury vervolgonderzoek in de vorm van proefsleuven (IVO-P) met eventuele doorstart naar een opgraving (DO) uit te voeren binnen de twee bouwvlakken (zie afb. 15 van het rapport). Buiten de bouwvlakken zal niet gegraven worden, dit betekent dat eventuele archeologische resten daarbuiten niet bedreigd worden door de geplande ingrepen. Binnen de bouwvlakken - met een horizontale marge voor het ontgraven van 0,75-1 m rondom de bouwvlakken - zal voorafgaand aan de graafwerkzaamheden de grond 40-50 cm worden opgehoogd. Vervolgens zal ontgraving plaatsvinden met een max. diepte van 80 cm. Dit betekent dat de max. diepte van ontgraving 0,4 m onder huidig maaiveld zal zijn. Aangezien de top van het dekzand op 0,55-0,75 m -mv is aangetroffen, kunnen deze ingrepen de relevante archeologische niveaus en eventueel daarin aanwezige archeologische resten verstoren; men dient daarbij immers nog een buffer van 20-30 cm in acht te nemen.
Behalve ontgraving voor de fundering, zal er ook een sleuf voor de riolering aangelegd worden. Deze zal niet dieper dan 0,15 m onder huidig maaiveld worden aangelegd. Dit vormt geen bedreiging voor eventuele archeologische resten. De algemene doelstelling van het proefsleuvenonderzoek is het achterhalen of er daadwerkelijk een archeologische vindplaats voorkomt. Als dit het geval is dienen de aard en de begrenzing ervan nader gespecificeerd te worden. Uiteindelijk dient dit te resulteren in een waardering van de vindplaats mocht deze aanwezig zijn. Gezien de geringe omvang van de te onderzoeken locatie (ca. 320 m2), is het raadzaam bij het aantreffen van een vindplaats in overleg met de opdrachtgever en het bevoegd gezag direct door te starten naar een opgraving.
Gemeente Meierijstad, versie 30 januari 2020
3 van 4
Selectieadvies AMZ - Zijtaart, Pater Vervoortstraat ong., gemeente Meierijstad - BO + IVO-B - Salisbury
Aangezien er buiten de twee bouwvlakken geen graafwerkzaamheden zullen gaan plaatsvinden, adviseert Salisbury om in dit deel van het plangebied geen vervolgonderzoek uit te voeren. Eventuele archeologische resten kunnen zodoende in situ bewaard blijven. De dubbelbestemming “Waarde - Archeologie 2 ” blijft daarmee voor dit deel van het plangebied van kracht. 3 Beoordeling rapport namens/door de Gemeente Meierijstad Het rapport voldoet aan de huidige wet- en regelgeving. Het is goed en volledig opgesteld en bevat nu voldoende informatie bevatten om tot een selectieadvies/-besluit te komen. 3.1 Selectieadvies Gemeente Meierijstad Op grond van bovenstaande beoordeling kan de gemeente instemmen met de inhoud en strekking van het door Salisbury opgestelde rapport. De gemeente neemt ook het advies over om binnen de lopende AMZ-cyclus eerst nog een proefsleuvenonderzoek noodzakelijk te achten. Hierbij is er tevens de mogelijkheid tot een doorstart naar een opgraving als er behoudenswaardige waarden en resten worden aangetroffen. Daartoe dient er eerst een Programma van Eisen (PvE) te worden opgesteld; dit PvE moet vooraf door de bevoegde overheid worden goedgekeurd. Verder wordt door de gemeente ook het advies tot opname/handhaving van de dubbelbestemming “Waarde - Archeologie 2 ” in het nieuwe bestemmingsplan overgenomen. Salisbury kan het concept van het rapport nu definitief maken.
Het definitieve rapport wordt nog één keer formeel aan de gemeente toegestuurd, die definitieve versie wordt dan vastgesteld .
OPMERKING GEMEENTE MEIERIJSTAD In het overlegde stuk wordt gesproken over het ophogen van het terrein en wordt gesuggereerd dat hierdoor t.b.v. de aanleg van de fundering minder behoeft te worden ontgraven. Dit is echter niet vanzelfsprekend omdat het daadwerkelijke ontgravingsnivo wordt bepaald door de diepte waarop zich een voldoende draagkrachtige grondlaag bevindt, deze diepte wordt bepaald door de constructeur op basis van een sonderingsonderzoek en valt in de Brabantse zandgronden veelal samen met het archeologische niveau.
Gemeente Meierijstad, versie 30 januari 2020
4 van 4
Bijlage 3 Quickscan Flora en Fauna
NL.IMRO.1948.BGV000BP0072019P-ON01
Pagina: 54 van 118
Datum:03-02-2020
Notitie
: Quickscan flora en fauna ‘Ruimte-voorRuimtewoning Pater Vervoortstraat’ te Zijtaart
Datum Opdrachtgever Projectnummer Opgesteld door Interne controle:
: 13 juni 2019 : De heer J. van Geffen : P01909 : ir. N. L. Luijken : ir. M.J.I.C. van de Schoot
Voor alle ruimtelijke ontwikkelingen geldt dat deze in overeenstemming met de nationale natuurwetgeving en het provinciale natuurbeleid moeten worden uitgevoerd. In het kader van een bestemmingsplanwijziging ten behoeve van de realisatie van een Ruimte-voor-Ruimtewoning aan de Pater Vervoortstraat te Zijtaart, is door middel van een verkennend flora- en faunaonderzoek (quickscan) een beoordeling gemaakt van de mogelijke effecten die het plan kan hebben op beschermde natuurwaarden. Hierdoor wordt duidelijk of het plan in overeenstemming is met de natuurwetgeving. De bescherming van de natuur is per 1 januari 2017 in Nederland vastgelegd in de Wet natuurbescherming (Wnb). Deze wet vormt voor wat betreft soortenbescherming en gebiedsbescherming een uitwerking van de Europese Vogelrichtlijn en Habitatrichtlijn. Omtrent houtopstanden is de voormalige nationale Boswet eveneens in de Wet natuurbescherming opgenomen. Daarnaast vindt beleidsmatige gebiedsbescherming plaats door middel van het Natuurnetwerk Nederland (NNN), de voormalige Ecologische Hoofdstructuur (EHS). Werkwijze quickscan flora en fauna In de quickscan zijn de gevolgen van de ruimtelijke ingreep afgezet tegen potentieel aanwezige natuurwaarden die vanuit de Wet natuurbescherming en provinciaal beleid zijn beschermd.
Deze werkwijze vloeit voort uit de brochure ‘Soortenbescherming bij ruimtelijke ingrepen’ van het Ministerie van Economische Zaken van december 2016. Om een beeld te krijgen van de natuurwaarden is op 6 juni 2019 tussen 12:00 tot 13:00 uur door een ecoloog van BRO1 een verkennend veldbezoek gebracht aan het plangebied en de directe omgeving hiervan. Het was circa 15°C, zwaar bewolkt, zonder neerslag, met een zuidwestenwind van 3 Bft. Tijdens het veldbezoek is gelet op de potentiele aanwezigheid van beschermde soorten op basis van 1
BRO is lid van het Netwerk Groene Bureaus (NGB). Het NGB is de brancheorganisatie voor groene adviesbureaus en heeft als doel kwaliteitsbevordering en belangenbehartiging. Onze werkzaamheden voeren wij dan ook uit volgens de door het NGB vastgestelde gedragscode (versie juni 2008, aangevuld in februari 2010). De medewerkers binnen de discipline ecologie voldoen aan de door het Ministerie van EZ genoemde voorwaarden voor ter zake deskundigen op het gebied van ecologisch onderzoek.
1
het aanwezige habitat en nest-/verblijfsmogelijkheden. Daarnaast is aan de hand van verspreidingsatlassen, soortgerichte literatuur, NDFF-gegevens en op basis van ‘expert judgement’ nagegaan welke beschermde planten- en diersoorten er voor kunnen komen binnen en nabij het plangebied en zijn omtrent gebiedsbescherming gegevens van de provincie Noord-Brabant geraadpleegd. Aan de hand van het verkennende onderzoek is vervolgens beoordeeld welke beschermde soorten daadwerkelijk voor (kunnen) komen binnen het plangebied en is er vervolgens een inschatting gemaakt van de effecten van de ruimtelijke ontwikkeling op beschermde natuurwaarden. Planbeschrijving Het plangebied is gelegen in het noordoosten van Zijtaart aan de Pater Vervoortstraat en ten zuidwesten van de Zuid-Willemsvaart. In figuur 1 is de topografische ligging van het plangebied weergegeven.
Figuur 1. Topografische kaart ligging van het plangebied (1:25.000)
Huidige situatie Het plangebied bestaat momenteel uit een akker. In figuur 2 is een luchtfoto van het plangebied en de directe omgeving weergegeven. De figuren 4 t/m 7 geven een impressie van het plangebied, middels foto’s die zijn genomen tijdens het verkennende veldbezoek. Toekomstige situatie De initiatiefnemer is voornemens één vrijstaande woning met bijgebouw en parkeervoorziening te realiseren. Het noordelijke deel wordt met bomen en kruidenrijk landschap ingepast in het landschap. Langs de straat wordt de bestaande bomenstructuur doorgetrokken. Figuur 3 geeft een beeld van de toekomstige situatie.
2
Figuur 2. Luchtfoto van het plangebied en de directe omgeving
Figuur 3. Toekomstig te realiseren woning met bijgebouw
3
Figuur 4. Plangebied vanaf Pater Vervoortstraat naar noorden
Figuur 5. Plangebied naar zuiden
Figuur 6. Perceelgrens aan noordkant van het plangebied
Figuur 7. Plangebied vanaf noordwesten met aangrenzende bosrand
4
Toetsing gebiedsbescherming Wettelijke gebiedsbescherming De Wet natuurbescherming, heeft voor wat betreft gebiedsbescherming, betrekking op de Europees beschermde Natura 2000-gebieden. De Vogelrichtlijn- en Habitatrichtlijngebieden worden in Nederland gecombineerd als Natura 2000-gebieden aangewezen. Als er naar aanleiding van projecten, plannen en activiteiten mogelijkerwijs significante effecten optreden, dienen deze vooraf in kaart gebracht en beoordeeld te worden. Projecten, plannen en activiteiten die mogelijk een negatief effect hebben op de beschermde natuur in een Natura 2000-gebied zijn vergunningsplichtig. Het plangebied is niet gelegen binnen de grenzen van een gebied dat aangewezen is als Natura 2000-gebied. Het meest nabijgelegen Natura 2000-gebied, “Kampina en Oisterwijkse Vennen”, bevindt zich op circa 17 kilometer afstand ten zuidwesten van het projectgebied. Indien er sprake zou zijn van een effect, betreft dit een extern effect als gevolg van storingsfactoren als toename van geluid, licht of depositie van stikstof. Mede gezien de afstand tot het plangebied zijn externe effecten als licht en geluid uitgesloten. Daar de voorgenomen ontwikkeling de realisatie van een vrijstaande woning met bijgebouw en parkeervoorziening betreft, waar momenteel een regelmatig bemeste akker aanwezig is, is een toename aan stikstofuitstoot uitgesloten.
Een effect op de instandhoudingsdoelstellingen van een natura 2000-gebied is daarmee uitgesloten. Gebiedsbescherming vanuit provinciaal beleid Conform artikel 1.12 van de Wet natuurbescherming dragen Gedeputeerde Staten in hun provincie zorg voor de totstandkoming en instandhouding van een samenhangend landelijk ecologisch netwerk, genaamd ‘Natuurnetwerk Nederland’. Zij wijzen daartoe in hun provincie gebieden aan die tot dit netwerk behoren. Het Natuurnetwerk Nederland (NNN, voorheen Ecologische Hoofdstructuur (EHS)) is een samenhangend netwerk van bestaande en te ontwikkelen natuurgebieden. De planologische begrenzing en beschermingsregimes van het Natuurnetwerk loopt via het traject van de provinciale ruimtelijke structuurvisies en verordeningen. Binnen de provincie Noord-Brabant bestaat het NNN uit het Natuurnetwerk Brabant (NNB) en Ecologische Verbindingszones (EVZ). Daarnaast wordt ook de groenblauwe mantel beleidsmatig beschermd. Het netwerk wordt gevormd door kerngebieden, natuurontwikkelingsgebieden en ecologische verbindingszones met als doel natuurgebieden beter met elkaar en met het omringende agrarisch gebied te verbinden. Activiteiten in deze gebieden zijn alleen toegestaan als ze geen negatieve effecten hebben op de wezenlijke kenmerken of waarden of als deze kunnen worden tegengegaan met mitigerende maatregelen.
Het plangebied is niet gelegen binnen het NNB (zie figuur 8). Het dichtstbijzijnde onderdeel van het NNB ligt ongeveer 300 meter ten noordwesten van het plangebied. Gezien de aard van de voorgenomen plannen zullen de omgevingscondities redelijkerwijs gelijk blijven, waardoor de wezenlijke kenmerken en waarden van het NNB niet worden aangetast. Vervolgonderzoek in het kader van het NNB wordt dan ook niet noodzakelijk geacht.
5
Figuur 8. Ligging NNB (groen) ten opzichte van perceel plangebied (rood omlijnd)
Toetsing beschermde houtopstanden De bescherming van houtopstanden, conform de Wet natuurbescherming, heeft betrekking op alle zelfstandige eenheden van bomen, boomvormers of struiken van een oppervlakte van minimaal tien are of een rijbeplanting die meer dan twintig bomen omvat, gelegen buiten de bebouwde kom. Wanneer houtopstanden worden geveld, niet vallende onder artikel 4.1 van de Wet natuurbescherming, geldt een meldingsplicht bij Gedeputeerde Staten van desbetreffende provincie (artikel 4.2 Wnb). Indien er geen bezwaar is om de houtopstanden te kappen, verplicht artikel 4.2 van de Wet natuurbescherming om binnen 3 jaar na het vellen of tenietgaan van de houtopstand op dezelfde grond houtopstanden opnieuw aan te planten. Er geldt een algehele vrijstelling van de herplantplicht voor houtopstanden die gekapt worden in het kader van natuurbeheer en natuurbehoud. Aangezien zich binnen het plangebied geen (onderdelen van) houtopstanden bevinden, is toetsing aan het onderdeel houtopstanden conform de Wet natuurbescherming bij dit plan niet aan de orde.
6
Toetsing soortenbescherming De Wet natuurbescherming heeft, voor wat betreft soortenbescherming, betrekking op alle in Nederland in het wild voorkomende zoogdieren, (trek)vogels, reptielen en amfibieën, een aantal vissen, libellen en vlinders, enkele bijzondere en min of meer zeldzame ongewervelde dierensoorten en een aantal vaatplanten. De beschermde soorten zijn ingedeeld in drie categorieën: Vogels (artikel 3.1 Wet natuurbescherming) Europees beschermde soorten (artikel 3.5 Wet natuurbescherming) Nationaal beschermde soorten (artikel 3.10 Wet natuurbescherming) Beschermde soorten vanuit nationaal oogpunt betreffen soorten uit ‘bijlage A en B’ van de Wet natuurbescherming. Beschermde soorten vanuit Europees oogpunt betreffen soorten uit Bijlage IV van de Habitatrichtlijn, de soorten uit Bijlage 1 en 2 Verdrag van Bern, en Bijlage 1 verdrag van Bonn, en alle in Europa inheemse vogels (Vogelrichtlijn). De drie beschermingsregimes kennen elk hun eigen verbodsbepalingen. De verbodsbepalingen voor vogels en overige Europese soorten (categorie 1 en 2) zijn letterlijk overgenomen uit respectievelijk de Vogelrichtlijn en de Habitatrichtlijn. Voor de andere, ‘nationaal’ beschermde soorten (categorie 3) gelden verbodsbepalingen die geïnspireerd zijn op de Habitatrichtlijn, maar in sommige opzichten minder streng zijn. In tabel 1 zijn de verbodsbepalingen per regime weergegeven.
Tabel 1. Verbodsbepalingen per categorie beschermde soorten Vogels (artikel 3.1 Wnb)
Europees beschermde soorten
Nationaal beschermde soorten
(artikel 3.5 Wnb)
(artikel 3.10 Wnb)
Art 3.1 lid 1
Art 3.5 lid 1
Art 3.10 lid 1a
Het is verboden in het wild levende vogels opzettelijk te doden of te vangen
Het is verboden soorten in hun natuurlijke verspreidingsgebied opzettelijk te doden of te vangen
Het is verboden soorten opzettelijk te doden of te vangen
Art 3.1 lid 2
Art 3.5 lid 4
Art 3.10 lid 1b
Het is verboden opzettelijk nesten, rustplaatsen en eieren van vogels te vernielen of te beschadigen, of nesten van vogels weg te nemen
Het is verboden de voortplantingsplaatsen of rustplaatsen van dieren te beschadigen of te vernielen
Het is verboden de vaste voortplantingsplaatsen of rustplaatsen van dieren opzettelijk te beschadigen of te vernielen
Art 3.1 lid 3
Art. 3.5 lid 3
-
Het is verboden eieren te rapen en deze onder zich te hebben
Het is verboden eieren van dieren in de natuur opzettelijk te vernielen of te rapen
Art 3.1 lid 4 en lid 5
Art 3.5 lid 2
Het is verboden vogels opzettelijk te storen, tenzij de storing niet van wezenlijke invloed is op de staat van instandhouding van de desbetreffende vogelsoort
Het is verboden dieren opzettelijk te verstoren
-
Art 3.5 lid 5
Art 3.10 lid 1c
Het is verboden plantensoorten in hun natuurlijke verspreidingsgebied opzettelijk te plukken en te verzamelen, af te snijden, te ontwortelen of te vernielen
Het is verboden plantensoorten in hun natuurlijke verspreidingsgebied opzettelijk te plukken en te verzamelen, af te snijden, te ontwortelen of te vernielen
-
7
De Wet natuurbescherming regelt dat de provincie bevoegd gezag is en de lijst met te beschermen soorten kan afstemmen op de situatie in de provincie. De soortbescherming kan hierdoor per provincie verschillen. In het algemeen gelden voor alle drie de categorieën de zogenoemde verbodsregels. Een ontheffing hierop wordt voor de Nationaal beschermde soorten (art. 3.10 Wnb) met een lichte toets verleend. Voor de vogels en Europees beschermde soorten geldt een zware toetsing. Het verschil binnen provincies zit vooral in het aantal nationaal beschermde soorten met een vrijstelling bij onder meer ruimtelijke ontwikkelingen. Zo zijn, in tegenstelling tot een aantal andere provincies, de kleine marterachtigen (wezel, hermelijn en bunzing) binnen de provincie Noord-Brabant niet vrijgesteld. Voor alle soorten, dus ook voor de soorten die niet onder de aangewezen bescherming vallen, of die zijn vrijgesteld van de ontheffingsplicht, geldt de zogenaamde ‘algemene zorgplicht’ (art. 1.11 Wnb). Deze zorgplicht houdt in dat de initiatiefnemer passende maatregelen neemt om schade aan aanwezige soorten te voorkomen of zoveel mogelijk te beperken. Hierbij gaat het bijvoorbeeld om het niet verontrusten of verstoren in de kwetsbare perioden zoals de winterslaap, de voortplantingstijd en de periode van afhankelijkheid van de jongen.
De zorgplicht geldt altijd en voor alle planten en dieren, of ze beschermd zijn of niet, en in het geval dat ze beschermd zijn ook als er een ontheffing of vrijstelling is verleend. Komen soorten van de hierboven genoemde beschermingsregimes voor, dan is de eerste vraag of de voorgenomen activiteit effecten heeft op de beschermde soorten. Treden er effecten op, dan dient er gekeken te worden of er (provinciale) vrijstelling verleend kan worden (al dan niet door te werken volgens een goedgekeurde gedragscode), of dat er een alternatieve oplossing mogelijk is waardoor er geen negatief effect kan plaatsvinden. Indien dit niet mogelijk is, zal ontheffing aangevraagd moeten worden op basis van een geldig wettelijk belang, waarbij de gunstige staat van instandhouding van beschermde soorten niet in het geding komt. De ontheffing kan dan onder voorwaarden worden verleend. Vogels Op de ‘Aangepaste lijst jaarrond beschermde vogelnesten’ van het Ministerie van LNV (augustus 2009) wordt onderscheid gemaakt in verschillende categorieën vogelnesten. Van de meeste vogelsoorten zijn de nesten uitsluitend beschermd wanneer deze tijdens de broed- en nestperiode in gebruik zijn. Het gaat om soorten die jaarlijks nieuwe nesten maken.
Van een aantal soorten roofvogels en uilen, koloniebroeders en gebouw bewonende vogelsoorten (‘categorie 1-4 soorten’) zijn de nesten en de functionele leefomgeving jaarrond beschermend. Ten slotte is er een categorie nesten van vogelsoorten die weliswaar vaak terugkeren naar de plaats waar zij het jaar daarvoor hebben gebroed, maar die over voldoende flexibiliteit beschikken om, als die broedplaats verloren is gegaan, zich elders te vestigen (‘categorie 5-soorten’). Op het terrein is geen bebouwing aanwezig. Hierdoor kunnen broedlocaties van soorten als kerkuil, huismus en gierzwaluw worden uitgesloten. In de opgaande beplanting rond het plangebied zijn tevens geen jaarrond beschermde nesten van vogels als buizerd, sperwer en ransuil waargenomen. Binnen het plangebied zijn eveneens geen broedende vogels van een soort zonder jaarrond be-
8
schermd nest te verwachten. Het plangebied is beperkt geschikt als potentieel leefgebied voor roofvogels, Het grootste gedeelte van het plangebied blijft als potentieel leefgebied behouden in de toekomstige situatie, en krijgt door de landschappelijke inpassing een verhoogde kwalitatieve waarde voor potentieel aanwezige soorten. Toetsing Bij uitvoering van de plannen gaan geen nestlocaties van soorten met of zonder een jaarrond beschermde status verloren. De voorgenomen plannen zullen geen afname van essentieel broedhabitat veroorzaken van een vogelsoort, inbreuk op de gunstige staat van instandhouding van lokale populaties is dan ook uitgesloten. Vleermuizen Volgens verspreidingsgegevens van de Zoogdiervereniging is het plangebied gelegen in een deel van Nederland waar de volgende vleermuissoorten kunnen voorkomen: gewone dwergvleermuis, ruige dwergvleermuis, laatvlieger, rosse vleermuis, watervleermuis, bosvleermuis en gewone grootoorvleermuis. Het plangebied bevat geen bebouwing of bomen en daarmee dus geen geschikte rust- en verblijfplaatsen voor een vleermuizensoort. Er is geen sprake van potentieel (essentieel) foerageergebied en/of vliegroutes, gezien het ontbreken van aspecten als grote hoeveelheden opgaand groen, oppervlaktewater en lijnvormige landschapselementen. Toetsing Het plangebied bevat geen potentiele verblijfplaatsen.
Bij uitvoering van de voorgenomen ontwikkeling zal er geen sprake zijn van (potentiële) overtreding met betrekking tot vaste rust- of verblijfplaatsen, vliegroutes of foerageerhabitat voor vleermuizen. Grondgebonden zoogdieren Het plangebied vormt geschikt habitat voor grondgebonden zoogdieren. Soorten als haas, egel en veldmuis kunnen in het plangebied worden waargenomen. Door de aanwezigheid van voldoende alternatief foerageergebied, zoals de omliggende percelen, en het behouden van een groot gedeelte van het foerageergebied in de vorm van de toekomstige tuin, betreft de ontwikkeling geen afname van essentieel foerageergebied voor deze soorten. Daarbij geldt voor al deze soorten een provinciale vrijstelling bij ruimtelijke ontwikkeling. In het kader van de zorgplicht is het echter wel noodzakelijk om tijdens de werkzaamheden voldoende zorg te dragen voor (incidenteel) aanwezige individuen, met name een relatief trage soort als de egel die onder dichte beplanting verscholen kan zitten. Dit houdt in dat al het redelijkerwijs mogelijke gedaan dient te worden om het doden van individuen te voorkomen. Dieren moeten de gelegenheid krijgen om het werkgebied zelfstandig en veilig te kunnen verlaten. Indien noodzakelijk dienen soorten zorgvuldig te worden verplaatst naar buiten het werkgebied.
Volgens de verspreidingsgegevens komen in de omgeving van het plangebied ook de niet vrijgestelde soorten wezel, bunzing, hermelijn, steenmarter, eekhoorn en das voor. Gezien het een intensief be-
9
werkte akker van beperkte omvang betreft, biedt dit geen essentieel habitat voor de betreffende marterachtigen. Daarnaast wordt voor wezel, hermelijn en bunzing vervolgonderzoek bij voorbaat niet noodzakelijk geacht, aangezien het plangebied kleiner dan 1 hectare betreft en bij de werkzaamheden geen leefgebied in potentie doorsneden wordt (Bouwens, 2017). Er zijn daarnaast geen holen of nesten in de grond aangetroffen die zouden kunnen dienen als schuil- of nestplaats voor deze soorten. Binnen het plangebied zijn tevens geen nesten of sporen van de eekhoorn aangetroffen dan wel burchten, loop- of eetsporen, latrines of wissels die duiden op de aanwezigheid en/of het gebruik van het plangebied door de das. De aanwezigheid van andere strenger beschermde grondgebonden zoogdiersoorten zijn op basis van de verspreidingsgegevens en/of het ontbreken van geschikt habitat eveneens redelijkerwijs uitgesloten Toetsing Met de ontwikkeling binnen het plangebied gaan geen verblijfplaatsen van niet-vrijgestelde soorten verloren. Ook gaat er geen (essentieel) leefgebied van een grondgebonden zoogdiersoort verloren. Inbreuk op de gunstige staat van instandhouding van lokale populaties van soorten en overtreding van de Wnb is niet aan de orde. In het kader van de zorgplicht is het echter wel noodzakelijk om voldoende zorg te dragen voor (incidenteel) aanwezige individuen.
Reptielen Volgens verspreidingsgegevens van RAVON zijn in de omgeving van het plangebied waarnemingen bekend van de levendbarende hagedis. De waarnemingen hebben betrekking op de natuurgebieden in de omgeving. Het plangebied zelf en de directe omgeving biedt geen geschikt habitat voor deze soorten. Het voorkomen ervan binnen het plangebied is daarmee dan ook uitgesloten. Toetsing Negatieve effecten en overtredingen ten aanzien van reptielen zijn op voorhand uitgesloten. Amfibieën In de omgeving van het plangebied zijn algemene soorten bekend als bruine kikker, gewone pad, bastaardkikker en kleine watersalamander. Volgens de verspreidingsgegevens zijn in de omgeving van het plangebied ook de niet vrijgestelde heikikker, poelkikker, knoflookpad, kamsalamander en Alpenwatersalamander bekend. De sloten langs de akker bevatten geen water en blijven daarnaast behouden. Daarnaast is er geen geschikt landhabitat aanwezig, waardoor de aanwezigheid van de meeste van deze soorten binnen het plangebied redelijkerwijs is uitgesloten. Met betrekking tot een incidenteel passerend individu van een algemene (vrijgestelde) soort is enkel de zorgplicht van toepassing. Toetsing De voorgenomen plannen zullen geen afname van geschikt essentieel habitat van een amfibieënsoort veroorzaken, inbreuk op de gunstige staat van instandhouding van populaties en overtreding van de Wnb is dan ook uitgesloten.
In het kader van de algemene zorgplicht is het wel noodzakelijk om voldoende zorg te dragen voor eventueel passerende individuen.
10
Vissen Vanwege het ontbreken van oppervlaktewater binnen het plangebied kan deze soortgroep buiten beschouwing worden gelaten. Toetsing Negatieve effecten en overtredingen ten aanzien van beschermde vissen zijn op voorhand uitgesloten. Ongewervelde diersoorten In de ruime omgeving van het plangebied zijn waarnemingen bekend van speerwaterjuffer, gevlekte witsnuitlibel en teunisbloempijlstaart. Al deze soorten stellen echter zeer specifieke eisen aan hun habitat, die in het plangebied niet aanwezig zijn. Aanwezigheid van de overige beschermde libellen en vlinders is vanwege de verspreiding en/of aanwezig habitat uitgesloten. Aantasting van (deel)populaties van een beschermde libellen- of vlindersoort is met zekerheid niet aan de orde. De aanwezigheid van de overige beschermde ongewervelde soorten, zoals vliegend hert, Europese rivierkreeft en platte schijfhoren, is eveneens uitgesloten. Binnen het plangebied en in de omgeving is hiervoor geen geschikt habitat aanwezig. Toetsing Negatieve effecten en overtredingen ten aanzien van beschermde ongewervelde soorten zijn op voorhand uitgesloten. Vaatplanten In de directe omgeving van het plangebied zijn beschermde soorten bekend als ruw parelzaad en kruipend moerasscherm. Deze soorten stellen echter zeer specifieke eisen aan hun standplaatsen.
Gezien het aanwezige biotoop binnen het plangebied is de aanwezigheid van dergelijk beschermde vaatplanten redelijkerwijs uitgesloten Toetsing Negatieve effecten en overtredingen ten aanzien van beschermde vaatplanten zijn op voorhand uitgesloten.
11
Conclusie Op basis van deze quickscan wordt vervolgonderzoek naar het voorkomen van verschillende soortgroepen of effecten op beschermde gebieden niet noodzakelijk geacht. Evenmin is er sprake van een noodzaak tot het indienen van een ontheffingsaanvraag voor overtreding van verbodsbepalingen in de Wet natuurbescherming ten aanzien van soorten dan wel een vergunningsaanvraag in het kader van gebiedsbescherming. Het onderdeel houtopstanden is bij dit plan niet aan de orde. Gelet op de potentiele ecologische waarden kan het voorgenomen plan in overeenstemming met de nationale natuurwetgeving en het provinciale natuurbeleid worden uitgevoerd, mits voorafgaand en tijdens het uitvoeren van de werkzaamheden het bepaalde in de Wet natuurbescherming, onderdeel soorten, in acht te worden genomen. Ten behoeve van (incidenteel) aanwezige algemene soorten dient de zorgplicht in acht te worden genomen. Op basis van onderhavige quickscan wordt vervolgonderzoek naar effecten op beschermde gebieden (Natura 2000/NNB) niet noodzakelijk geacht. Evenmin is er sprake van een noodzaak tot het indienen van een ontheffingsaanvraag ten aanzien van houtopstanden dan wel een vergunningsaanvraag in het kader van gebiedsbescherming.
12
Samenvatting In onderstaande tabel is samengevat of de voorgenomen ontwikkeling negatieve effecten kan hebben op beschermde soorten en/of gebieden, en wat de eventuele vervolgstappen zijn, zoals soortgericht nader onderzoek of vergunningstrajecten. In de tabel is tevens weergegeven of maatregelen noodzakelijk zijn om overtreding van de Wet natuurbescherming voor bepaalde soortgroepen te voorkomen. Tabel 2. Overzicht (potentiele) aanwezigheid beschermde soorten/gebieden en te nemen vervolgstappen Potentieel
Sprake van
Vervolgtraject / maatre-
Bijzonderheden / opmerkin-
aanwezig
overtreding
gelen
gen
Nee
Nee
-
-
Nee
Nee
-
-
Nee
Nee
-
-
Nee
Nee
-
-
Nee
Nee
-
-
Grondgebonden zoogdieren
Ja
Te voorkomen
Zorgplicht
Reptielen
Nee
Nee
-
Amfibieën
Ja
Te voorkomen
Zorgplicht
Vissen
Nee
Nee
-
-
Ongewervelden
Nee
Nee
-
-
Vaatplanten
Nee
Nee
-
-
Afstand tot
Sprake van
gebied
aantasting
Natura 2000
ca. 17 km
Nee
-
Natuurnetwerk Nederland
ca. 300 m
Nee
-
Houtopstanden
-
Nee
-
Soortgroep Algemeen Broedvogels
Jaarrond beschermd Verblijfplaatsen
Vleermuizen
Foerageerhabitat Vliegroutes
Gebiedsbescherming
Vervolgtraject
Heeft betrekking op een soort als de egel Heeft betrekking op een soort als de gewone pad
Bijzonderheden / opmerkingen Geen externe verstorende factoren Wezenlijke ecologische waarde en kenmerken blijven gelijk Niet van toepassing
13
Geraadpleegde bronnen Algemene Literatuur
Creemers, R.C.M. & J.J.C.W. van Delft (RAVON) (red.) 2009. De amfibieën en reptielen van Nederland. Nederlandse
Dietz C., O. von Helversen & D. Nill 2011. Vleermuizen. Alle soorten van Europa en Noordwest-Afrika. De Fontein/Ti-
Limpens, H., J. Regelink & R. Koelman 2010. Vleermuizen en planologie. Zoogdiervereniging, Nijmegen.
Ministerie van Economische Zaken 2016. Soortenbescherming bij ruimtelijke ingrepen. Lees hier wat de Wet natuur-
Fauna 9. Nationaal Natuurhistorisch Museum Naturalis, Leiden / European Invertebrate Survey - Nederland, Leiden. rion Uitgevers, Utrecht.
bescherming daarover regelt. Versie 1.3, december 2016. Ministerie van Economische Zaken, Den Haag.
SOVON Vogelonderzoek Nederland 2002. Atlas van de Nederlandse broedvogels 1998-2000. Nederlandse fauna 5. Nationaal Natuurhistorisch Museum Naturalis, KNNV Uitgeverij & European Invertebrate Survey-Nederland, Leiden.
Algemene websites
Bij12.nl (kennisdocumenten van o.a. huismus, gierzwaluw en diverse vleermuissoorten)
Eis-nederland.nl (soortgegevens ongewervelden)
Floron.nl (soortgegevens planten)
Ravon.nl (soortgegevens amfibieën, reptielen en vissen)
Sovon.nl (soortgegevens vogels)
Synbiosys.alterra.nl/natura2000 (Natura 2000-gebieden)
Verspreidingsatlas.nl/planten (verspreidingsgegevens planten)
Vlinderstichting.nl (soortgegevens vlinders en libellen)
https://wetten.overheid.nl/BWBR0037552/2019-01-01 (wettekst Wet natuurbescherming)
Zoogdiervereniging.nl (soortgegevens zoogdieren)
Bronnen Noord-Brabant
Bouwens, S. 2017. Handreiking Kleine Marters in relatie tot Soortbescherming. Provincie Noord-Brabant
Brabant.nl (NNN en beschermde gebieden in Noord-Brabant)
Dassenwerkgroepbrabant.nl (gegevens das in Noord-Brabant)
Kaartbank.brabant.nl/viewer/app/Kaartbank (grenzen beschermde gebieden)
14
Bijlage 4 Bodemonderzoek
NL.IMRO.1948.BGV000BP0072019P-ON01
Pagina: 69 van 118
Datum:03-02-2020
Rapport verkennend bodemonderzoek Pater Vervoortstraat ong te Zijtaart
Bezoekadres Postcode en plaats Telefoon e-mail internet
Projectnaam Projectnummer Opdrachtgever Postadres
Contactpersoon Status Versie Aantal pagina’s Datum Samenstelling rapport en kwaliteitscontrole
Paraaf
Pater Vervoortstraat ong te Zijtaart B2273 dhr J. van Geffen Past. Clercxstraat 4 5465 RH Zijtaart dhr J. van Geffen Definitief 1 10 (exclusief bijlagen) 16 mei 2019 dhr. M. Gloudemans
Jekschotstraat 12 5465 PG Veghel 0413 287068 info@bodem-inzicht.nl www.bodem-inzicht.nl
Inhoud 1 INLEIDING ................................................................................................................................................................. 3
2
3
4
5
1.1
Algemeen ................................................................................................................................................................ 3
1.2
Aanleiding en doel van het onderzoek.................................................................................................................... 3
1.3
Partijdigheid ............................................................................................................................................................ 3
1.4
Opbouw van het rapport ........................................................................................................................................ 3
VOORONDERZOEK .................................................................................................................................................... 4 2.1
Beschrijving onderzoekslocatie ............................................................................................................................... 4
2.2
Voormalig en huidig gebruik ................................................................................................................................... 4
2.3
Toekomstig gebruik................................................................................................................................................. 5
2.4
Beschikbare onderzoeksgegevens .......................................................................................................................... 5
2.5
Bodem- en geohydrologische gegevens ................................................................................................................. 6
2.6
Hypothese en onderzoeksstrategie ........................................................................................................................ 6
UITGEVOERDE WERKZAAMHEDEN ............................................................................................................................ 7 3.1
Veldwerkzaamheden .............................................................................................................................................. 7
3.2
Zintuiglijke waarnemingen en veldmetingen .......................................................................................................... 7
3.3
Meetgegevens grondwater ..................................................................................................................................... 7
3.4
Chemische analyse en monsterselectie .................................................................................................................. 8
3.5
Geselecteerde grondmonsters en chemische analyses .......................................................................................... 8
3.6
Overzicht grondwatermonsters en chemische analyses ......................................................................................... 8
RESULTATEN ............................................................................................................................................................. 9 4.1
Toetsingskader ........................................................................................................................................................ 9
4.2
Toetsing analyseresultaten grond en grondwater .................................................................................................. 9
4.3
Analyseresultaten grond- en grondwatermonsters en interpretatie ...................................................................... 9
CONCLUSIES EN ADVIES .......................................................................................................................................... 10
BIJLAGEN Bijlage 1: Topografische ligging onderzoekslocatie Bijlage 2: Situatietekening met boorpunten Bijlage 3: Boorprofielbeschrijvingen Bijlage 4: Getoetste tabellen grond en grondwater Bijlage 5: Analysecertificaten Bijlage 6: veldwerkrapportage
rapport B2273 Pater Vervoortstraat ong te Zijtaart
2
1
INLEIDING
1.1
Algemeen
In opdracht van dhr J. van Geffen te Zijtaart heeft Bodeminzicht een verkennend bodemonderzoek uitgevoerd op het perceel Pater Vervoortstraat ong te Zijtaart (gemeente Meierijstad). Het onderzoek is uitgevoerd op basis van de richtlijnen zoals deze zijn opgesteld in de Nederlandse Norm (NEN) 5740. De NEN 5740+A1 (versie april 2016) beschrijft de werkwijze voor het opstellen van een onderzoeksstrategie voor verkennend bodemonderzoek naar de aanwezigheid van bodemverontreiniging. De veldwerkzaamheden zijn uitgevoerd onder certificaat BRL SIKB 2000. 1.2
Aanleiding en doel van het onderzoek
Aanleiding voor het verkennend bodemonderzoek is de voorgenomen aankoop van perceel en beoogde nieuwbouw van een woning op de onderzoekslocatie. Het doel van het onderzoek is het bepalen van de bodemkwaliteit ter plaatse van de onderzoekslocatie. Op basis van de resultaten van het vooronderzoek zijn aannames gedaan over het al dan niet aanwezig zijn van potentiële verontreinigingsbronnen en is een onderzoekshypothese opgesteld. 1.3
Partijdigheid
Bodeminzicht en partijen die een bijdrage hebben geleverd aan de totstandkoming van dit rapport hebben op geen enkele wijze een relatie met de opdrachtgever en zijn geen belanghebbenden bij de onderzochte locatie. Bodeminzicht garandeert hiermee derhalve dat een volledig onafhankelijk en onpartijdig onderzoek is uitgevoerd. 1.4
Opbouw van het rapport
In het voorliggende rapport komen de volgende aspecten aan de orde: Vooronderzoek (hoofdstuk 2) Uitgevoerde werkzaamheden (hoofdstuk 3) De resultaten van het onderzoek (hoofdstuk 4) Conclusies en aanbevelingen (hoofdstuk 5)
rapport B2273 Pater Vervoortstraat ong te Zijtaart
3
2
VOORONDERZOEK
Onderdeel van een verkennend bodemonderzoek op basis van de NEN 5740 vormt een vooronderzoek, uit te voeren conform NEN 5725 [NNI, januari 2009]. Hierbij zijn de volgende bronnen geraadpleegd: A. opdrachtgever B. Het milieu-archief van de gemeente Meierijstad, rapportagemodule en eigen archief C. Kadastrale kaarten D. Topografische kaarten (topotijdreis) E. Grondwaterkaarten F. www.bodemloket.nl G. Locatiebezoek H. Eigenaar/gebruiker onderzoekslocatie 2.1
Beschrijving onderzoekslocatie
adres onderzoekslocatie kadastrale registratie oppervlakte ligging onderzoekslocatie huidige functie en gebruik beschrijving bebouwing beschrijving maaiveld omgeving
2.2
bron A C C D G G G
bijlage 1 1 2 1 2 2 2
G
2
bron D
aanpassing strategie -
D B D B
-
Pater Vervoortstraat tussen 12 en 18 te Zijtaart Veghel P 71 3.620 m² binnen de bebouwde kom van Zijtaart akker er is geen bebouwing aanwezig het maaiveld is onverhard en vrij van puinresten. Het perceel is recentelijk ingezaaid met mais. noord: akker oost: woning en tuin nr. 18 zuid: Pater Vervoortstraat west: woning, erf en weiland nr. 12
Voormalig en huidig gebruik
voormalig gebruik locatie algemeen (sloot-)dempingen ophogingen voormalige bebouwing voormalige bodembedreigende activiteiten, opslag van (brand-)stoffen
rapport B2273 Pater Vervoortstraat ong te Zijtaart
het perceel is altijd agrarisch gebruikt nee nee nee nee
4
2.3
Toekomstig gebruik
bestemming
bodembedreigende activiteiten, opslag van bodembedreigende (brand-)stoffen 2.4
de opdrachtgever is voornemens, na aankoop, een woning te realiseren op de locatie niet aan de orde
bron A
A
aanpassing strategie de aankoop en nieuwbouw vormen de aanleiding voor het bodemonderzoek -
Beschikbare onderzoeksgegevens bron
onderzoek op locatie Pater Vervoortstraat 3 te Zijtaart, Bodeminzicht, B2213, d.d. 13 februari 2019
Pastoor Clercxstraat 34 voormalig tankstation
Pater Vervoortstraat 18 en 22
de locatie is niet eerder onderzocht. Aanleiding voor het verkennend bodemonderzoek is de voorgenomen verkoop van de woning. Voor de woning ligt een ondergrondse brandstoftank. Het doel van het onderzoek is het vaststellen of de aanwezigheid van de ondergrondse tank heeft geleid tot gehaltes aan minerale olie in de grond en het freatisch grondwater boven respectievelijk de achtergrondwaarden en de streefwaarden. In de zintuiglijk schone vaste bodem ter plaatse van de onderzijde van de tank zijn geen verhoogde gehaltes aan minerale olie gemeten boven de achtergrondwaarden. In het grondwater ter plaatse van peilbuis 1 is een gehalte aan minerale olie aangetoond boven de streefwaarde. Het verhoogd gehalte is gerelateerd aan de aanwezige ondergrondse brandstoftank maar vormt geen aanleiding voor nader onderzoek. in 1990 is onderzoek verricht bij de ondergrondse brandstoftanks van het tankstation aan de overzijde op de hoek van Past. Clercxstraat en Pater Vervoortstraat. Hierbij is een sterke verontreiniging aangetoond met minerale olie en vluchtige aromaten in grond en grondwater. Nader onderzoek en sanering van de verontreiniging wordt geadviseerd. In 1998 en 1999 is nader onderzoek verricht en is geadviseerd om de grond ter plaatse tot 3,0 m-mv te ontgraven.
Uit de evaluatie van de verrichte sanering uit 2002 blijkt dat een restverontreiniging in de bodem is achtergebleven na sanering van grondwater. Er wordt gesproken over een andere verontreinigingsbron, maar de locatie wordt niet duidelijk. Na sanering zijn de achtergebleven verontreinigingen geen belemmering voor het gebruik van het terrein. In 1996 heeft NIBAG BV Zuid een verkennend bodemonderzoek (verkennend bodemonderzoek Pater Vervoortstraat 18+22 te Zijtaart, project 61.22.0491 d.d. 6 december 1996) verricht op een locatie in het kader van de oprichting van een woning met bedrijfsgebouw (nr. 22). Uit de resultaten van het onderzoek blijkt dat in de bovengrond licht verhoogde gehaltes aan cadmium en koper zijn gemeten. In de ondergrond zijn geen verhoogde gehaltes aan onderzochte stoffen aangetoond. In het grondwater zijn licht verhoogde gehaltes aan chroom, zink en koper gemeten. De resultaten van het onderzoek vormden geen belemmering voor de geplande nieuwbouw. In 2018 heeft Bodeminzicht (rapport B2063, d.d. 16 augustus 2018) een verkennend bodemonderzoek verricht ter plaatse van een bovengrondse dieseltank aan Pater Vervoortstraat 22 in het kader van Activiteitenbesluit. Uit de resultaten van het onderzoek blijken geen verontreinigingen met minerale olie in bovengrond en grondwater. aan de zuidzijde van de Pater Vervoortstraat zijn in de periode
rapport B2273 Pater Vervoortstraat ong te Zijtaart
B B
aanpassing strategie -
B
-
B
-
B
-
B
-
5
1994 tot 2010 diverse verkennende bodemonderzoeken verricht in het kader van eigendomstransactie van het klooster en nieuwbouw van de woonwijk Rudebroeck. Uit de rapportages blijkt dat de, aanvankelijk verhoogde gehaltes aan PAK in de bovengrond en kwik in het grondwater, geen gevolgen hebben voor de herbestemming en nieuwbouw. De afstand tot de onderzoekslocatie is dermate groot dat de onderzoeken niet individueel worden weergegeven. 2.5
Bodem- en geohydrologische gegevens
deklaag eerste watervoerend pakket scheidende laag
Bodemopbouw fijn tot matig grof zand. Plaatselijk komt leem, klei en veen voor. matig tot zeer grove grindrijke zanden, met plaatselijk een kleilaag. kleihoudende afzettingen
Nuenengroep
0-25 m-mv
Formatie van Sterksel/Veghel Kedichem/Tegelen
25-80 m-mv 80-130 mmv
hydrologie diepte freatisch grondwater stromingsrichting 2.6
1,5 m-mv noord tot noordwestelijk
Hypothese en onderzoeksstrategie
(deel)-locatie gehele locatie
oppervlakte 3.620 m²
hypothese onverdacht
boringen
analyses
10 tot 0,5 m-mv 3 standaardpakket grond 2 tot 2,0 m-mv/grondwater 1 peilbuis 1 standaardpakket grondwater Op basis van het vooronderzoek is de locatie onverdacht voor aanwezigheid van asbest in de bodem. Een asbestonderzoek conform NEN5707 maakt derhalve geen deel uit van de onderzoeksstrategie. De bodem wordt visueel beoordeeld op aanwezigheid bijmenging van puin, baksteen en asbestverdachte fragmenten. Zo nodig wordt de strategie bijgesteld op basis van veldbevindingen.
rapport B2273 Pater Vervoortstraat ong te Zijtaart
6
3
UITGEVOERDE WERKZAAMHEDEN
3.1
Veldwerkzaamheden
verricht onder procescertificaat BRL SIKB 2000 conform protocol 2001 ja datum 17 april en 1 mei 2019 veldmedewerker(s) M. Gloudemans, Bodeminzicht certificaat EC-SIK-20303 afwijkingen bijzonderheden conform protocol 2002 datum veldmedewerker(s) afwijkingen bijzonderheden
ja 1 mei 2019 M. Gloudemans, Bodeminzicht certificaat EC-SIK-20303 -
conform protocol 2018 n.v.t. datum veldmedewerker(s) afwijkingen bijzonderheden • In bijlage 2 is de plaats van de meetpunten in de situatietekening opgenomen. • Voor de gedetailleerde boorprofielbeschrijvingen per boring wordt verwezen naar bijlage 3. • In bijlage 6 zijn de veldwerkrapportages opgenomen 3.2
Zintuiglijke waarnemingen en veldmetingen
boring
traject soort waargenomen bijzonderheden (m -mv) 03 0,00 - 0,50 Zand zwak wortelhoudend 04 0,00 - 0,50 Zand zwak wortelhoudend 05 0,00 - 0,50 Zand zwak wortelhoudend 06 0,00 - 0,50 Zand zwak wortelhoudend 07 0,00 - 0,50 Zand zwak wortelhoudend 08 0,00 - 0,50 Zand zwak wortelhoudend 09 0,00 - 0,50 Zand zwak wortelhoudend 10 0,00 - 0,50 Zand zwak wortelhoudend 11 0,00 - 0,50 Zand zwak wortelhoudend 12 0,00 - 0,50 Zand zwak wortelhoudend 0,70 - 1,00 Zand zwak roesthoudend 13 0,50 0,00 - 0,50 Zand zwak wortelhoudend De aangetroffen bijzonderheden worden niet als bodemvreemd beschouwd en hebben niet geleid tot aanpassing van de onderzoeksstrategie. Inspectie van het maaiveld en het beoordelen van opgeboorde grond vormden geen aanleiding voor het verrichten van asbestanalyses. 3.3
diepte boring (m -mv) 0,50 0,50 0,50 1,20 0,50 0,50 0,50 0,50 0,50 1,20
Meetgegevens grondwater
filterdiepte grondwaterstand zuurgraad (pH) EC in µS/cm troebelheid in NTU (m-mv) (m-mv) peilbuis 1 2,00 - 3,00 1,09 5,7 642 0 De gemeten waardes worden niet als afwijkend beschouwd voor de regio en geven geen indicatie voor de aanwezigheid van verontreinigingen in het grondwater.
rapport B2273 Pater Vervoortstraat ong te Zijtaart
7
3.4
Chemische analyse en monsterselectie
De chemische analyses van de grond- en grondwatermonsters geven informatie over de feitelijke aanwezigheid en concentraties van onderzochte stoffen of groepen stoffen. De chemische analyses zijn uitgevoerd volgens het door de door de Raad voor Accreditatie (RvA) geaccrediteerde laboratorium Al-West B.V. in Deventer. Het laboratorium werkt volgens de meest van toepassing zijnde normen van het Nederland Normalisatie Instituut (NNI). 3.5
Geselecteerde grondmonsters en chemische analyses
Analysemonster BG1
Traject (m -mv)
Deelmonsters
Analysepakket1
reden/motivatie
0,00 0,50
NEN 5740 Standaardpakket + Structuur en voorb. (AS3000)
bovengrond, visueel schoon
BG2
0,00 0,50
OG1
0,60 1,30
02 (0,00 - 0,50) 03 (0,00 - 0,50) 04 (0,00 - 0,50) 11 (0,00 - 0,50) 12 (0,00 - 0,50) 13 (0,00 - 0,50) 05 (0,00 - 0,50) 06 (0,00 - 0,50) 07 (0,00 - 0,50) 08 (0,00 - 0,50) 09 (0,00 - 0,50) 10 (0,00 - 0,50) 02 (0,60 - 1,10) 02 (1,10 - 1,30) 06 (0,70 - 1,20) 12 (0,70 - 1,00) 12 (1,00 - 1,20)
NEN 5740 Standaardpakket + Structuur en voorb. (AS3000)
NEN 5740 Standaardpakket + Structuur en voorb. (AS3000)
ondergrond, visueel schoon
1)Het NEN 5740 standaardpakket bodem bestaat uit de volgende parameters: droogrest, metalen (barium, cadmium, kobalt, koper, kwik, lood, molybdeen, nikkel en zink), PCB’s, PAK, minerale olie.
De analyseresultaten hebben geen aanleiding gegeven individuele monsters separaat te analyseren. 3.6
Overzicht grondwatermonsters en chemische analyses
Peilbuis 01-1-1
Filterdiepte in m-mv 2,00 - 3,00
Analysepakket NEN 5740gw standaardpakket (AS3000)
Bijzonderheden -
1)Het standaardpakket grondwater bestaat uit de volgende parameters: metalen (barium, cadmium, kobalt, koper, kwik, lood, molybdeen, nikkel en zink), vluchtige aromatische koolwaterstoffen, vluchtige gehalogeneerde koolwaterstoffen, minerale olie.
Alle geanalyseerde grondwatermonsters zijn voorbehandeld conform AS 3000 zoals per 1 januari 2008 is voorgeschreven.
rapport B2273 Pater Vervoortstraat ong te Zijtaart
8
4
RESULTATEN
4.1
Toetsingskader
De verontreinigingssituatie van de bodem kan worden beoordeeld door toetsing van de gemeten gehaltes in grond en grondwater aan de achtergrondwaardes grond en streefwaarden grondwater en de interventiewaarden grond en grondwater. De achtergrondwaarden geven het niveau aan waarbij sprake is van een duurzame bodemkwaliteit. De interventiewaarden geven aan wanneer de functionele eigenschappen die de bodem heeft voor mens, dier en plant ernstig zijn of dreigen te worden verminderd. Om van een “geval van ernstige bodemverontreiniging” te spreken dient voor ten minste één stof de gemiddelde concentratie van minimaal 25 m³ grond of 100 m³ grondwater hoger te zijn dan de interventiewaarde. In onderhavig rapport worden de volgende termen gebruikt om de mate van verontreiniging aan te geven: -
niet verontreinigd: de concentratie aan verontreiniging is lager dan of gelijk aan de achtergrondwaarde; licht verontreinigd: de concentratie aan verontreiniging is hoger dan de achtergrondwaarde maar lager dan of gelijk aan de halve som van de achtergrond- en interventiewaarde, index ((GSSD - AW) / (I - AW)) groter dan 0,0 maar kleiner dan 0,5; matig verontreinigd: de concentratie aan verontreiniging is hoger dan de halve som van de achtergrond- en interventiewaarde maar lager dan of gelijk aan de interventiewaarde, index ((GSSD - AW) / (I - AW)) groter dan 0,5 maar kleiner dan 1,0; sterk verontreinigd: de concentratie aan verontreinigingen is hoger dan de interventiewaarde, index ((GSSD - AW) / (I - AW)) groter dan 1,0.
-
-
Uit de NEN 5740 kan het volgende worden afgeleid. Uitvoering van vervolgonderzoek is in de meeste gevallen alleen noodzakelijk wanneer de concentratie van een stof de halve som van de achtergrondwaarde en de interventiewaarde overschrijdt (index > 0,5). Deze waarde wordt ook in de Leidraad Bodembescherming gehanteerd als de concentratiegrens waarboven een nader onderzoek moet worden uitgevoerd. Bij overschrijding van de interventie-waarde wordt vaak een nader onderzoek uitgevoerd om de ernst van de verontreiniging en de saneringsurgentie te bepalen. 4.2
Toetsing analyseresultaten grond en grondwater
De analyseresultaten van de grond zijn getoetst aan de achtergrond- (A) en interventiewaarden (I) uit de circulaire streef- en interventiewaarden bodemsanering [Staatscourant 2000-39]. In de toetsingstabel zijn zowel de achtergrondwaarden (A) als de interventiewaarden (I) voor microverontreinigingen opgenomen. De achtergrond- en interventiewaarden zijn afhankelijk van het (gemeten) lutum- en organisch stofgehalte van de bodem. De analyseresultaten van het grondwater zijn getoetst aan de streef- (S) en interventiewaarden (I). De gemeten waarden van de onderzochte (meng-)monsters met overschrijdingstabellen zijn in bijlage 4 weergegeven. In bijlage 5 zijn de analysecertificaten opgenomen. 4.3
Analyseresultaten grond- en grondwatermonsters en interpretatie
(deel)locatie monster traject overschrijding achtergrond- of streefwaarde overschrijding interventiewaarde bovengrond BG1 0,00 - 0,50 BG2
0,00 - 0,50
-
-
ondergrond OG1
0,60 - 1,30
-
-
grondwater
2,00 - 3,00
Nikkel (0,18) Barium (0,14)
-
1Index
01-1-1
(GSSD - AW) / (I - AW)
Bij de interpretatie van het totaal aan onderzoeksgegevens dient, gezien de gehanteerde strategie (gebaseerd op de Nederlandse Norm NEN 5740) welke is gericht op een indicatieve beoordeling van de milieuhygiënische kwaliteit van de bodem, rekening te worden gehouden met een zeker restrisico. Een bodemonderzoek is een momentopname waarbij steekproefsgewijs boringen worden verricht en peilbuizen worden geplaatst op een veelal willekeurige, maar meest voor de hand liggende locatie. Derhalve kan nooit uitgesloten worden dat op de onderzoekslocatie verontreinigingen aanwezig zijn die bij dit onderzoek niet zijn aangetoond. Bodeminzicht kan hiervoor niet aansprakelijk worden gesteld. rapport B2273 Pater Vervoortstraat ong te Zijtaart
9
5
CONCLUSIES EN ADVIES
Resultaten In de mengmonsters van de visueel schone bovengrond van de vaste bodem (BG1 en BG2) zijn geen gehaltes aan gemeten boven de achtergrondwaarden. In het mengmonster van de visueel schone ondergrond van de vaste bodem (OG1) zijn eveneens geen gehaltes aan gemeten boven de achtergrondwaarden. In het grondwater ter plaatse van peilbuis 1 zijn gehaltes aan nikkel en barium gedetecteerd boven de streefwaarden. De verhogingen aan metalen zijn toe te schrijven aan natuurlijk verhoogde achtergrondwaardes en behoeft geen nader onderzoek. Conclusie en advies De resultaten van het onderzoek stemmen overeen met de hypothese. Ter plaatse van de onderzoekslocatie zijn geen verontreinigingen aangetoond die aanleiding vormen voor het uitvoeren van nader of aanvullend bodemonderzoek. De bodemkwaliteit ter plaatse van de onderzoekslocatie vormt, ons inziens, geen belemmering voor de beoogde aankoop van perceel en nieuwbouw van een woning. De eventueel bij werkzaamheden vrijkomende grond is op of buiten het onderzoeksterrein herbruikbaar. Indien vrijkomende grond van de locatie afgevoerd dient te worden, dient men rekening te houden met de regels van het vigerende Besluit Bodemkwaliteit.
rapport B2273 Pater Vervoortstraat ong te Zijtaart
10
Bijlage 1 Topografische ligging onderzoekslocatie
Uittreksel Kadastrale Kaart
Uw referentie: B2273
4371
4369
69
1215
1210 71
70
1213
4372
1209
3465 3351 121 6
3835 4 6
3338 8
10 12
5045
18
2686
1214
1211
3310
22
3
3313
2687
4773
8
5716 7
6
n st Ve
t r aa
de van r e 5767 est Me 8 576
4
29
5714
5762 0m
12345 25
Deze kaart is noordgericht Perceelnummer Huisnummer Vastgestelde kadastrale grens Voorlopige kadastrale grens Administratieve kadastrale grens Bebouwing Overige topografie
Geleverd op 17 april 2019
10 m
50 m
Schaal 1:1000 Kadastrale gemeente Sectie Perceel
Veghel P 71
Aan dit uittreksel kunnen geen betrouwbare maten worden ontleend. De Dienst voor het kadaster en de openbare registers behoudt zich de intellectuele eigendomsrechten voor, waaronder het auteursrecht en het databankenrecht.
Omgevingskaart
Klantreferentie: B2273
0m
125 m
Deze kaart is noordgericht. Hier bevindt zich Kadastraal object Veghel P 71 CC-BY Kadaster.
625 m
Schaal 1: 12500
Bijlage 2 Situatietekening met boorpunten
07 08
06
09
05
10
04
8
11
03
10
12
12 01 02
18
13
Pater V e
rvoorts tra
at
Situatietekening met boorlocaties Project:
P.Vervoortstraat ong. te Zijtaart Projectnummer:
8
er est Me
d van
en eV
aat st r
B2273 0m
5716
Legenda: Begrenzing onderzoekslocatie Boringen t.b.v. bovengrond Boringen t.b.v. boven- en ondergrond Boring met peilbuis Asbestgat/sleuf 25 m
Datum:
16-05-2019 klinkers
grind
tegels
beton
onverhard
asfalt
Bijlage 3 Boorbeschrijvingen
Bijlage: Boorprofielen
Boring:
01
Boring:
02
Boring:
03
Datum:
17-4-2019
Datum:
1-5-2019
Datum:
1-5-2019
GWS: Boormeester:
150 Michel Gloudemans
GWS: Boormeester:
110 Michel Gloudemans
Boormeester:
Michel Gloudemans
0
akker Zand, matig fijn, zwak siltig, zwak humeus, donker bruinbeige, Edelmanboor