Bijlage 3: Bijlageboek Pater Vervoortstraat ong.
Tekst van het document
Bestemmingsplan
Buitengebied Veghel, herziening Pater Vervoortstraat ong. Bijlagenboek
Bezoekadres Stadhuisplein 1 5461 KN Veghel Postadres Postbus 10.001 5460 DA Veghel T: 14 0413 E: info@meierijstad.nl W: www.meierijstad.nl IBANnr: NL31 RABO 0171 5811 48
Bijlagenboek Betreffende
Buitengebied Veghel, herziening Pater Vervoortstraat ong.
Planstatus
ontwerp
Projectnummer
NL.IMRO.1948.BGV000BP0072019P-ON01
Datum
Mei 2020
Inhoudsopgave Bijlagen bij toelichting
5
Bijlage 1
Landschappelijk inpassingsplan
6
Bijlage 2
Archeologisch onderzoek en Selectieadvies
8
Bijlage 3
Quickscan Flora en Fauna
54
Bijlage 4
Bodemonderzoek
69
Bijlage 5
Vooroverleg Provincie Noord-Brabant
112
Bijlage 6
Advies Brandweer
114
Bijlage 7
Strategie aankoop bouwtitel
117
NL.IMRO.1948.BGV000BP0072019P-ON01
Pagina: 3 van 118
Datum:03-02-2020
Bijlagen bij toelichting
NL.IMRO.1948.BGV000BP0072019P-ON01
Pagina: 5 van 118
Datum:03-02-2020
Bijlage 1 Landschappelijk inpassingsplan
NL.IMRO.1948.BGV000BP0072019P-ON01
Pagina: 6 van 118
Datum:03-02-2020
Incidenteel verspreide bomenrij langs kavelgrens (minimale maat 2e grootte)
Bestaande groenstructuur
Achtergrens erf vormt overgang naar een meer landschappelijk ingericht achterperceel met bloemen kruidenrijk grasland
8m brede zone vrijhouden zodat doorzicht naar achterliggend landschap mogelijk blijft
Infiltratie greppel langs voorerf ca. 1.5 x 58m
bijgebouw (indicatief ) afstand tot perceelsgrens 3m
hoge scheerhaag langs kavelgrens (beukenhaag)
Pater V brede lage scheerhaag ervo ortststraatzijde langs raat (beukenhaag)
REFERENTIES ARCHITECTUUR
inrit (indicatief )
Pate r Ve rvo
orts eventueel aanplant leibomen (4 stuks) traa t combineren met lage haag op 0,5m uit perceelgrens
RECHTER-ZIJGEVEL WOONHUIS
VOORGEVEL WOONHUIS
t raa
n r va e t es
de
st Ven
VOORGEVEL BIJGEBOUW
RECHTER-ZIJGEVEL BIJGEBOUW
ACHTERGEVEL
Me
Landschappelijke inpassing Pater Vervoortstraat Gemeente Meierijstad
Boxtel
Datum:
Schaal:
Bosscheweg 107
oktober 2019
1 : 500
Getekend:
Formaat:
SvdS
A3
Tekeningnr.:
Projectnr.:
--/----
P01909
5282 WV Boxtel +31 (0)411 850 400 www.bro.nl info@bro.nl
N
Bijlage 2 Archeologisch onderzoek en Selectieadvies
NL.IMRO.1948.BGV000BP0072019P-ON01
Pagina: 8 van 118
Datum:03-02-2020
Zijtaart, Pater Vervoortstraat ong. (Gemeente Meierijstad) Een bureauonderzoek en inventariserend veldonderzoek (BO en IVO-O)
M. Soldaat & G. Aalbersberg
Rapport 274
Zijtaart, Pater Vervoortstraat ong. (Gemeente Meierijstad) Een bureauonderzoek en inventariserend veldonderzoek (BO en IVO-O)
M. Soldaat & G. Aalbersberg
Rapport 274
Colofon Zijtaart, Pater Vervoortstraat ong. (Gemeente Meierijstad) Een bureauonderzoek en inventariserend veldonderzoek (IVO-O)
Een onderzoek in opdracht van BRO
Salisbury Archeologisch Rapport 274
M. Soldaat & G. Aalbersberg
Beheer en plaats van documentatie Salisbury Archeologie b.v.
Versie 3.2, 3 februari 2020 (definitief)
Autorisatie — A.M. Bakker (Senior KNA-prospector)
Status bevoegd gezag: goedgekeurd op 30-01-2020 door archeologische monumentenzorg Gemeente Meijerijstad
SalisburyArcheologie bv Vestiging Noord-Nederland Vaart z.z. 7a 9401 GE Assen 085-3031540 www.salisburybv.nl info@salisburybv.nl
ISSN 2468-4538
Inhoud Locatie en administratieve gegevens
7
Samenvatting resultaten
8
1
Aanleiding voor het onderzoek
10
1.1 1.2 1.3 1.4 1.5
Onderzoekskader Huidige en toekomstige situatie op de onderzoekslocatie Begrenzing onderzoeks- en plangebied Doel van het onderzoek Onderzoeksvragen Bureauonderzoek
10 12 13 13 13 15
2.1 2.2 2.3 2.4 2.5 2.6 2.7 2.8
Gebruikte bronnen Aardwetenschappelijke gegevens Bodemkaart Bekende archeologische waarden Archeologie Historische waarden / bouwhistorisch onderzoek Bekende verstoringen Gespecificeerd archeologisch verwachtingsmodel en advies Resultaten veldonderzoek
15 15 19 20 22 26 26 26 28
3.1 3.2
Beschrijving onderzoeksmethode Beschrijving onderzoeksresultaten Conclusie en aanbevelingen
28 28 30
4.1 Conclusies 4.2 Beantwoording onderzoeksvragen 4.3 Selectieadvies Literatuur
30 30 31 33
Lijst van afbeeldingen
33
Lijst van tabellen
34
Lijst van bijlagen
34
Bijlage 1
35
2
3
4
Boorbeschrijvingen
Locatie en administratieve gegevens Projectnaam
Pater Vervoortstraat ong.
Projectcode
20192526
RO-kader
Bestemmingsplanwijziging
Type onderzoek
Bureauonderzoek en inventariserend veldonderzoek (BO en IVO-O)
OM-nummer
4717095100
Projectleider
G. Aalbersberg Senior KNA Prospector
Contact
T: 085-3031540 M: 06-28500730 E: gerard.aalbersberg@salisburybv.nl
Opdrachtgever
BRO
Contact
T. van Sittert Bosscheweg 107 5282 WV Boxtel T: +31 (0)411 850 400 E: tom.van.sittert@bro.nl
Bevoegde overheid
Gemeente Meierijstad Stadhuisplein 1 5461 KN Veghel T: 14 0413
Plaats
Zijtaart
Gemeente
Meierijstad
Provincie
Noord-Brabant
Kaartblad
45G
Kadastrale gegevens
Veghel, VHLOO – P - 71
Centrumcoördinaten
X: 165802.4, Y: 400638.6
Oppervlakte
Circa 3620 m2
NAP-hoogte maaiveld
Circa 10,8 m +NAP
Uitvoering onderzoek
juni 2019
Beheer en locatie documentatie
Salisbury Archeologie b.v. en e-depot
7
Samenvatting resultaten Vraagstelling
Wat is de bodemopbouw en zijn er aanwijzingen voor bodemverstoringen? Zijn er aanwijzingen voor de aanwezigheid van archeologische resten? Welke consequenties zal voortgaande planuitvoering op de archeologische resten kunnen hebben? Wat zijn de aanbevelingen? Is nader onderzoek noodzakelijk? En zo ja, waaruit kan dit bestaan?
Plangebied
zie afb. 1
Geologie
Het plangebied maakt deel uit van het geologische gebied ‘de Grote Slenk’. Ten noorden van het plangebied stroomt de Aa, een afwateringsstroom van de Peelhorst. Op de geomorfologische kaart van Nederland staan in het plangebied twee eenheden aangegeven. Het noordelijke deel van het plangebied ligt in een zone met ‘dekzandruggen, al dan niet met oud bouwlanddek’. Het zuidelijke deel van het plangebied bevindt zich in een ‘vlakte van ten dele verspoelde dekzanden’.
/Geomorfologie
Bekende archeologische waarden
Het gebied de Grote Slenk is vanwege de afwisselende hoge en droge opgestoven dekzandruggen en de aanwezigheid van waterlopen al vanaf het Paleolithicum een aantrekkelijke plaats voor bewoning. De oudste aanwijzingen voor menselijke activiteit uit de gemeente Meierijstad betreffen dan ook vuursteenvindplaatsen uit het Paleolithicum. Ook in de hierop volgende periodes blijven de dekzandruggen langs het water de favoriete plaats voor bewoning. In de Brons- en IJzertijd is er sprake van permanente bewoning van het gebied. Uit de Romeinse tijd zijn zowel bewoningssporen als vondsten aangetroffen in de regio. Deze duiden voornamelijk op inheemsromeinse bewoning in dit gebied. In de Vroege Middeleeuwen lijkt de bevolkingsdichtheid in het gebied af te nemen. Als in de Late Middeleeuwen de bevolking toeneemt breiden de landbouwgronden rondom de gehuchten zich uit. Hierdoor verschijnen er steeds meer sporen van menselijke activiteit richting de periferie van de dekzandruggen.
Historische waarden
In de loop van de 14e eeuw ontstonden de eerste hoeves in de regio en werden er esdekken aangelegd op de landbouwgronden. Ook het plangebied is in ieder geval in de Nieuwe tijd in gebruik geweest als landbouwgrond. Hoe ver dit gebruik teruggaat is niet bekend. Op basis van de historische kaarten worden er geen resten van historische bebouwing binnen het plangebied verwacht.
Verwachting
Op basis van het bureauonderzoek geldt een hoge archeologische verwachting voor het plangebied. De verwachting is per periode verder gespecificeerd. Archeologische resten die verband houden met bewoning uit de perioden Paleolithicum – Mesolithicum worden in deze omgeving voornamelijk op de hoger gelegen delen verwacht. Echter, ook in de lagere delen van het landschap was menselijke activiteit mogelijk. Gezien de ligging van het plangebied in de randzonde van het dekzandruggengebied geldt er een hoge verwachting voor het aantreffen van archeologische resten uit deze perioden. Het archeologisch relevante niveau voor deze periode is de (intacte) top van de pleistocene afzettingen, dat zich direct onder de bouwvoor, of onder een eventueel aanwezig esdek kan bevinden. Zowel uit het Neolithicum, de Bronstijd, de IJzertijd en Romeinse Tijd zijn archeologische resten aangetroffen in de omgeving van het plangebied. Ook deze resten bevinden zich op de dekzandruggen langs de Aa. Voor het aantreffen van archeologische resten uit deze perioden binnen het plangebied geldt daarom een hoge verwachting. Vanaf de Middeleeuwen werden de minder vruchtbare zandgronden geschikt gemaakt voor landbouw met behulp van plaggenbemesting. Uit het historisch onderzoek blijkt het plangebied in ieder 8
geval in de Nieuwe tijd in gebruik te zijn geweest als ‘bouwgrond’ (landbouwgrond). Het is niet duidelijk wanneer deze vorm van gebruik van het plangebied is begonnen. De kans dat een plaggendek in de ondergrond aanwezig is wordt groot geacht. Voor het plangebied geldt derhalve een hoge verwachting voor het aantreffen van archeologische resten uit de Late Middeleeuwen t/m Nieuwe tijd. Vondsten uit deze periode kunnen zich in het eventueel aanwezig esdek bevinden, en in het eronder gelegen zandpakket kunnen sporen aangetroffen worden. Archeologische resten uit deze periode zullen waarschijnlijk verband houden met agrarische activiteiten, zoals boerderijplaatsen met greppels en sporen van landbewerking. Methode veldonderzoek
Er is een verkennend booronderzoek uitgevoerd in het plangebied, waarbij 6 boringen regelmatig verspreid over het plangebied zijn geplaatst. De boringen zijn gezet met een edelmanboor (7 cm Ø) tot 25 cm in de C-horizont van de pleistocene ondergrond. De posities van de boringen zijn ingemeten met behulp van een meetlint ten opzichte van de perceelgrenzen. Het opgeboorde materiaal is met de hand onderzocht op de aanwezigheid van archeologische indicatoren zoals baksteenpuin, houtskool en aardewerk. De boringen zijn beschreven conform de NEN 5104 en de Archeologische Standaard Boorbeschrijvingsmethode (ASB).
Resultaten veldonderzoek
Het verkennend booronderzoek heeft uitgewezen dat in het plangebied een esdek op een grotendeels intacte top van pleistoceen dekzand aanwezig is. In vier van de boringen is een (deels intact) podzolprofiel aangetroffen onder het esdek. Bij het booronderzoek zijn geen archeologische indicatoren aangetroffen. In een van de boringen is onder het esdek een laag aangeboord die mogelijk geïnterpreteerd kan worden als akkerlaag of archeologisch spoor. Het archeologisch relevante niveau, de top van het dekzand, blijkt grotendeels intact in het plangebied aanwezig te zijn. Daarmee blijft de hoge archeologische verwachting die in het bureauonderzoek is opgesteld in stand.
Selectieadvies en aanbevelingen
Op basis van de resultaten van het hier gerapporteerde onderzoek adviseert Salisbury Archeologie een vervolgonderzoek in de vorm van proefsleuven (IVO-P) met eventuele doorstart naar een definitieve opgraving (DO) uit te voeren binnen de twee bouwvlakken. De algemene doelstelling van het proefsleuvenonderzoek is het achterhalen of er daadwerkelijk een archeologische vindplaats voorkomt. Als dit het geval is dienen de aard en de begrenzing ervan nader gespecificeerd te worden. Uiteindelijk dient dit te resulteren in een waardering van de vindplaats mocht deze aanwezig zijn. Gezien de geringe omvang van de te onderzoeken locatie (ca. 320 m2) is het raadzaam bij het aantreffen van een vindplaats in overleg met de opdrachtgever en het bevoegd gezag direct door te starten naar een definitieve opgraving (DO). Aangezien er buiten de twee bouwvlakken geen graafwerkzaamheden zullen gaan plaatsvinden adviseert Salisbury Archeologie om in dit deel van het plangebied geen vervolgonderzoek uit te voeren. Eventuele archeologische resten kunnen zodoende in situ bewaard blijven. De dubbelbestemming “Waarde - Archeologie 2” blijft daarmee voor dit deel van het plangebied van kracht. Met betrekking tot de bevindingen en aanbevelingen uit dit onderzoek dient contact opgenomen te worden met het bevoegd gezag, in dit geval de gemeente Meierijstad.
9
1 Aanleiding voor het onderzoek 1.1
Onderzoekskader
In opdracht van BRO heeft Salisbury Archeologie b.v. een bureauonderzoek en inventariserend veldonderzoek in de vorm van verkennende boringen uitgevoerd met betrekking tot een bestemmingsplanwijziging voor plangebied Pater Vervoortstraat (ongenummerd; afb. 1). Het plangebied ligt aan de noordzijde van de Pater Vervoortstraat en beslaat het perceel tussen de huisnummers 12 en 18 (zie verder hieronder). Op de archeologische verwachtingskaart van de gemeente Veghel (uit 2009, een verwachtingskaart voor de nieuwe gemeente Meierijstad is in de maak), ligt het plangebied in een zone met een hoge archeologische verwachting (afb. 2). Aan deze kaart is geen gemeentelijk beleid gekoppeld. Het beleid van de gemeente is echter wel vastgelegd in het voor het plangebied geldende bestemmingsplan.1 Op het plangebied rust in het vigerende bestemmingsplan een dubbelbestemming “Waarde - Archeologie 2”. Dit staat gelijk aan een terrein met een hoge archeologische verwachting. Op gronden met deze dubbelbestemming mogen geen bouwwerken worden gebouwd, met uitzondering van: -
Ver-/nieuwbouw van bestaande werken, waarbij de bestaande oppervlakte van het bouwwerk niet wordt vergroot of veranderd en niet dieper dan de bestaande fundering wordt gebouwd;
-
De bouw van een bouwwerk tot maximaal 100 m2 of de uitbreiding van een bestaand bouwwerk tot maximaal 100 m2;
-
De bouw van een bouwwerk, waarbij geen grondwerkzaamheden worden uitgevoerd dieper dan 0,3 meter ten opzichte van het maaiveld.
Indien de voorgenomen plannen deze door de gemeente vastgestelde grenzen overschrijden, dient een archeologisch onderzoek plaats te vinden. De opdrachtgever is voornemens in het plangebied nieuwbouw te realiseren met een totale oppervlakte van 215 m2. Daarmee overschrijden de plannen de vrijstellingsgrens, en is een archeologisch onderzoek noodzakelijk. Het onderzoek is uitgevoerd conform de Kwaliteitsnorm Nederlandse Archeologie (KNA versie 4.1) en het archeologiebeleid van de gemeente Meierijstad. Het onderzoek is uitgevoerd in juni 2019.
1
NL.IMRO.0860.BU01aa000000BP2013-VG02
10
Afb. 1. Ligging plangebied en globale begrenzing onderzoeksgebied (bron: http://opentopo.nl)
11
Afb. 2. Uitsnede van de gemeentelijke archeologische verwachtingskaart, gemeente Veghel (bron: Boshoven & Beusink, 2009).
1.2
Huidige en toekomstige situatie op de onderzoekslocatie
Op dit moment is het plangebied in gebruik als landbouwgrond. De opdrachtgever is voornemens in het gebied een nieuwbouwwoning met bijgebouw te realiseren met een oppervlakte van respectievelijk 115 en 100 m 2 (afb. 3). Buiten de twee aangegeven bouwvlakken zal niet worden gegraven. Er geldt een horizontale marge voor het ontgraven van 0,75 – 1 m rondom de bouwvlakken. Bij de fundering van deze gebouwen zal geen gebruik worden gemaakt van funderingspalen. Alvorens de fundering aan te leggen zal het terrein onder en rondom de twee gebouwen worden opgehoogd. De dikte van de ophogingslaag zal 40 – 50 cm bedragen. Vervolgens zal er een fundering worden gelegd op 0,7 m diepte, met een maximale ontgraving van 80 cm. Dit betekent dat de maximale diepte van ontgraving 0,4 m onder het huidige maaiveld zal zijn. Behalve de ontgraving ten behoeve van de fundering zal er ook een sleuf voor de riolering aangelegd worden. Deze zal niet dieper dan 0,15 m onder het huidige maaiveld worden aangelegd. Er worden geen sleuven voor kabels en leidingen gegraven.
12
Afb. 3. Huidige (links) en toekomstige (rechts) situatie (bron: aangeleverd door opdrachtgever)
1.3
Begrenzing onderzoeks- en plangebied
In dit rapport wordt een onderscheid gemaakt tussen het plangebied en het onderzoeksgebied. Met het plangebied wordt het gebied bedoeld waarop de plannen van de opdrachtgever betrekking hebben. Binnen dit gebied kunnen eventueel aanwezige archeologische resten worden verstoord door de voorgenomen ingrepen. Het onderzoeksgebied omvat het gebied waarover informatie is verzameld om een goed beeld te verkrijgen van de eventueel aanwezige archeologische waarden. Het onderzoeksgebied is veelal groter dan het plangebied en verschilt al naar gelang het te onderzoeken aspect. Het plangebied beslaat het volledige perceel VHLOO – P – 71, met een oppervlakte van ca. 3620 m2. Het onderzoeksgebied omvat het gebied waarover informatie is verzameld om een goed beeld te verkrijgen van de eventueel aanwezige archeologische waarden. Het onderzoeksgebied beslaat een gebied met een straal van circa 500 m rond het plangebied. Op basis hiervan kan een goed beeld worden geschetst van de landschappelijke en archeologische context waarin het plangebied zich bevindt.
1.4
Doel van het onderzoek
Het doel van het bureauonderzoek is het verkrijgen van inzicht in bekende en te verwachten archeologische waarden in en in de omgeving (onderzoeksgebied) van het plangebied. Op basis van de verkregen informatie wordt een archeologisch verwachtingsmodel voor het plangebied opgesteld. Hierin wordt beschreven of er archeologische resten aanwezig (kunnen) zijn in het plangebied, wat de potentiële aard en omvang van de voorgenomen werkzaamheden zijn en of deze een bedreiging vormen voor het bodemarchief. Indien dit het geval is, wordt geadviseerd op welke wijze hiermee in het vervolgtraject van de plannen rekening dient te worden gehouden. Het doel van het inventariserend veldonderzoek is het toetsen van de gespecificeerde verwachting.
1.5
Onderzoeksvragen
Voor het bureau- en inventariserend onderzoek zijn de volgende onderzoeksvragen opgesteld: ▪
Wat is de bodemopbouw en zijn er aanwijzingen voor bodemverstoringen? 13
▪
Zijn er aanwijzingen voor de aanwezigheid van archeologische resten?
▪
Welke consequenties zal voortgaande planuitvoering hebben op (eventueel) aanwezige archeologische resten?
▪
In welke mate stemmen de resultaten van het booronderzoek overeen met de verwachtingen uit het bureauonderzoek?
▪
Wat zijn de aanbevelingen? Is nader onderzoek noodzakelijk? En zo ja, waaruit kan dit bestaan?
14
2 Bureauonderzoek 2.1
Gebruikte bronnen
Voor het bureauonderzoek zijn de volgende bronnen geraadpleegd: Actueel hoogtebestand Nederland (AHN, http://www.ahn.nl) De bodemkaart van Nederland (https://zoeken.cultuureelerfgoed.nl) De geomorfologische kaart van Nederland (https://zoeken.cultureelerfgoed.nl) De archeologische monumentenkaart (AMK: https://zoeken.cultureelerfgoed.nl) Provinciaal en/of landelijk beleid Gemeentelijk beleid Bonneblad 1900 (https://zoeken.cultureelerfgoed.nl) Historisch kaartmateriaal (http://www.topotijdreis.nl) Google Earth (https://www.google.nl/intl/nl/earth/) Ondergrondgegevens (https://www.dinoloket.nl/ondergrondgegevens) Verstoringen (http://www.bodemloket.nl) Kadastrale Minuut (http://zoeken.cultureelerfgoed.nl) Kadastrale gegevens (https://www.kadaster.nl)
▪ ▪ ▪ ▪ ▪ ▪ ▪ ▪ ▪ ▪ ▪ ▪ ▪
2.2
Aardwetenschappelijke gegevens
Het plangebied maakt deel uit van het geologische gebied ‘de Grote Slenk’. Het ontstaan van deze regio is voor een groot deel bepaald door tektonische werking. Door grootschalige breuken in het gesteente in de ondergrond kunnen afschuivingen van delen van de aardkorst ontstaan. Daarbij ontstaat een hoger gelegen deel, een horst, en een afgeschoven lager deel, een slenk. Aan het einde van het Eoceen, ca. 40 miljoen jaar geleden, ontstond een dergelijke breuk in Zuid-Nederland. Hierbij ontstond de Peelhorst, gelegen ten oosten van het plangebied, en de daarvan afgeschoven Grote Slenk. De scheiding tussen deze twee, de Peelrandbreuk, bevindt zich ter hoogte van de gemeentegrens met de gemeente Uden. Vanaf het Midden-Pleistoceen, ca. 700.000 jaar geleden, stroomde de Maas met een vlechtend patroon over een uitgestrekt gebied door zowel de Peelhorstregio als de Grote Slenk. Hierbij is een pakket van zandige en grindige afzettingen in de ondergrond terecht gekomen (Formatie van Beegden). De afzetting van deze sedimenten in de regio liep door tot aan de laatste ijstijd, het Weichselien. Tijdens het Weichselien heerste er een droog en koud klimaat waardoor de beddingen van de Maas droog kwamen te liggen. Er was daarnaast ook weinig tot geen vegetatie mogelijk waardoor de zanden uit de droogliggende rivierbeddingen opstoven en op andere plaatsen weer werden afgezet.
Hierdoor ontstond een glooiend landschap van dekzandvlaktes, -ruggen en -koppen (Formatie van Boxtel). In het hierop volgende Holoceen steeg de temperatuur weer en door de stijgende zeewater- en grondwaterspiegels ontstonden in de lagere delen van dit landschap veenmoerassen. Uiteindelijk is zo een dik veenpakket ontstaan dat grote delen van het land bedekte. Vanaf de Vroege Middeleeuwen werden deze veengebieden ontgonnen. De vorming van het landschap in de Grote Slenk is in het Holoceen voor en groot deel bepaald door het afstromende water van de Peelhorst. In de ondergrond van de Peelhorst is onder de zandige rivierafzettingen een slecht waterdoorlatend pakket van klei- en glauconiethouden zand aanwezig. Dit heeft tot gevolg dat neerslagwater van de hoger gelegen horst richting de slenk afstroomt. Voor een groot deel wordt deze waterstroom afgevoerd door de Aa, de afwateringsbeek van de midden-Brabantse dekzandrug. Langs de waterloop van de Aa zijn door de eeuwen heen beekdalbodems ontstaan. Ook zijn er beekoverstromingsvlaktes ontstaan en zijn in sommige delen van het landschap gronden met ten dele verspoelde dekzanden ontstaan. 2 Op de geomorfologische kaart van Nederland staan in het plangebied twee eenheden aangegeven (afb. 4). Het noordelijke deel van het plangebied ligt in een zone met ‘dekzandruggen, al dan niet met oud bouwlanddek’ (code 3L5).
Het zuidelijke deel van het plangebied bevindt zich in een ‘vlakte van ten dele verspoelde dekzanden’ (code 2M9). Op het AHN is goed te zien dat ten oosten van het plangebied een verhoging in het landschap aanwezig is, de Peelhorst (afb. 5). Ook de afwateringstroom van de Peelhorst via de Aa is zichtbaar op het AHN, iets ten noorden van het plangebied. Op een iets gedetailleerder niveau is op het AHN te zien dat het plangebied zich op een lokale verhoging bevindt die zich uitstrekt over de twee aangrenzende percelen (afb. 6). Het hoogteverschil tussen de top en de bodem van deze verhoging is ongeveer 80 cm. Het is niet duidelijk of het hier om een antropogene of natuurlijke ophoging gaat. Mogelijk gaat het hier om een lokale dekzandopduiking. 2
Waagen, 2004.
15
In Dinoloket staan geen boringen in de directe omgeving van het plangebied geregistreerd. De dichtstbijzijnde boring is op ca. 1 km ten oosten van het plangebied gezet. In deze boring is vanaf het maaiveld tot op 23,3 m beneden maaiveld een pakket dekzand aangetroffen. Deze ligt op een 16 m dik pakket van zandige afzettingen van de Formatie van Beegden (rivierafzettingen van de oude Maas).
Afb. 4.
Uitsnede van de geomorfologische kaart met het plangebied en de directe omgeving (bron: https://zoeken.cultureelerfgoed.nl).
16
Afb. 5.
Het plangebied en omgeving op het Actueel Hoogtebestand van Nederland, regionaal (AHN3, ruw; bron: https://www.ahn.nl).
17
Afb. 6.
Het plangebied en omgeving op het Actueel Hoogtebestand van Nederland, lokaal (AHN3, ruw; bron: https://www.ahn.nl).
18
Afb. 7.
2.3
Uitsnede van de bodemkaart met het plangebied en directe omgeving (bron: https://zoeken.cultureelerfgoed.nl).
Bodemkaart
Het plangebied bevindt zich op een relatief hoog deel van het dekzandlandschap. In deze landschapsdelen komen van nature podzolgronden voor. Dit bodemtype ontstaat door een natuurlijk proces waarbij zwakke humuszuren worden uitgespoeld naar diepere lagen. Hierdoor ontstaan een uitspoelingslaag (E-horizont), en op een dieper niveau een inspoelingslaag (B-horizont). Volgens de Bodemkaart van Nederland ligt het plangebied hoofdzakelijk in een zone met Laarpodzolgronden van leemarm en zwak lemig fijn zand (code cHn21, afb. 7). Een kleine strook in het zuiden van het plangebied ligt in een zone met Veldpodzolgronden van leemarm en zwak lemig fijn zand (code Hn21). In beide gevallen gaat het om humuspodzolgronden van amorfe humus, zonder ijzerhuidjes. Laarpodzolgronden zijn iets dikker dan Veldpodzolgronden, resp. 0 – 30 cm dik en 30 – 50 cm dik. Laarpodzolen zijn in feite veldpodzolen met daarop een esdek van minder dan 50 cm dikte (zie par. 2.6).3 Aan de onderkant van een humeus esdek is in veel gevallen een cultuurlaag of akkerlaag aanwezig, die wordt gekenmerkt door een (licht)grijze kleur. De Laar- en Veldpodzolen zijn gevormd onder (periodiek) sterke invloed van water. Daardoor ontstond een reducerend milieu, waarin het ijzer werd opgelost en afgevoerd. 4 In het plangebied staat grotendeels grondwatertrap III aangegeven.
Dit wijst op een gemiddelde hoogste grondwaterstand van minder dan 40 cm beneden maaiveld en een gemiddelde laagste grondwaterstand van 80 tot 120 cm beneden maaiveld. In de meest zuidelijke strook van het plangebied staat grondwatertrap V aangegeven. Dit wijst op een gemiddelde hoogste grondwaterstand van minder dan 40 cm beneden maaiveld en een gemiddelde laagste grondwaterstand van meer dan 120 cm. Dit houdt in dat organische resten die dieper dan
3 4
Boshoven & Beusink, 2009. De Bakker, 1966.
19
120 cm onder maaiveld aanwezig zijn goed bewaard gebleven kunnen zijn, maar dat resten die minder diep liggen, waarschijnlijk in minder goede staat zijn door de wisselingen in waterverzadigdheid. Hier dient bij vermeld te worden dat de bodemkaart, hoewel vaak de enige vlakdekkende bron van ondergrondinformatie, een verouderde bron is. De meeste kaartbladen zijn in de jaren ’60 en ’70 van de vorige eeuw opgenomen, en de informatie is dus circa 50 jaar oud. In de tussentijd is er veel veranderd, vooral op cultuurtechnisch gebied. De intensivering van de landbouw (dieper ploegen, dieper ontwateren en draineren) in de afgelopen decennia heeft er toe geleid dat de bodemtypes op de kaart steeds minder voorkomen. Deze processen kunnen er ook voor hebben gezorgd dat het gemiddelde grondwaterpeil in het plangebied aanzienlijk lager is komen te liggen dan op de bodemkaart staat aangegeven.
2.4
Bekende archeologische waarden
Gemeentelijke beleidskaart Volgens de archeologische verwachtingskaart van de gemeente Veghel (uit 2009, aan de verwachtingskaart voor de nieuwe gemeente Meierijstad wordt nog gewerkt), ligt het plangebied in een zone met een hoge archeologische verwachting. Deze verwachting is gebaseerd op de ligging van het plangebied op een relatief hoog gedeelte van het dekzandlandschap (zie afb. 2).5 Het gemeentelijk beleid voor het plangebied is vastgelegd in het vigerende bestemmingsplan. Hierin rust op het plangebied een dubbelbestemming “Waarde - Archeologie 2”.6 Dit staat gelijk aan een terrein met een hoge archeologische verwachting. Op gronden met deze dubbelbestemming mogen geen bouwwerken worden gebouwd, met uitzondering van: -
Ver-/nieuwbouw van bestaande werken, waarbij de bestaande oppervlakte van het bouwwerk niet wordt vergroot of veranderd en niet dieper dan de bestaande fundering wordt gebouwd;
-
De bouw van een bouwwerk tot maximaal 100 m2 of de uitbreiding van een bestaand bouwwerk tot maximaal 100 m2;
-
De bouw van een bouwwerk, waarbij geen grondwerkzaamheden worden uitgevoerd dieper dan 0,3 meter ten opzichte van het maaiveld.
Indien de voorgenomen plannen deze door de gemeente vastgestelde grenzen overschrijden, dient een archeologisch onderzoek plaats te vinden.
Archeologische waarden Tijdens het bureauonderzoek zijn de AMK (archeologische monumentenkaart)-terreinen, archeologische waarnemingen en eerder uitgevoerd onderzoek (onderzoeksmeldingen) in het onderzoeksgebied geïnventariseerd (afb. 8). De AMK-terreinen, de bekende archeologische waarnemingen en de onderzoeksmeldingen zijn geraadpleegd via ARCHIS 3 (https://archis.cultureelerfgoed.nl).
Archeologische monumenten (AMK-terreinen) In het plangebied en de directe omgeving ervan zijn geen AMK-terreinen aangewezen.
5 6
Boshoven & Beusink, 2009. NL.IMRO.0860.BU01aa000000BP2013-VG02
20
Afb. 8.
Onderzoeksmeldingen en vondstlocaties (bron: ARCHIS 3).
Onderzoekslocaties en waarnemingen Binnen het plangebied staan geen onderzoeksmeldingen of vondstmeldingen in ARCHIS 3 geregistreerd. Binnen het onderzoeksgebied staan dertien onderzoeksmeldingen en één vondstmelding in ARCHIS 3 geregistreerd (zie afb. 8 en tabel 1 en 2). De relevante beschikbare resultaten van de onderzoeken zullen in deze paragraaf kort worden besproken. Tabel 1.
Onderzoeksmeldingen (ARCHIS 3)
zaakidentificatie
toponiem
uitvoerder
meldingsdatum
type onderzoek
4714170100
-
Econsultancy BV
13-06-2019
bureauonderzoek
2452245100
-
Arcadis
29-07-2014
bureauonderzoek
2439918100
Corsica 13a
Econsultancy BV
16-04-2014
boring
2439764100
Corsica 13a
Econsultancy BV
08-04-2014
boring
2355012100
De Reiger / Pastoor Clercxstraat Pastoor Clercxstraat Pastoor Clercxstraat Pastoor Clercxstraat
IDDS Archeologie B.V. particulier
12-01-2012
Proefputten/proefsleuven
07-12-2010
boring
particulier
26-11-2010
boring
BAAC BV
19-07-2010
boring
2309994100 2309986100 2290764100
21
2290026100 2280509100
Pastoor Clercxstraat 50 Kloostercomplex
2186760100
-
ADC ArcheoProjecten ADC ArcheoProjecten Archeopro
21-06-2010
Proefputten/proefsleuven
26-03-2010
boring
16-02-2008
boring
2183414100
-
Synthegra BV
24-01-2008
bureauonderzoek
2122697100
Aa Veghel
Oranjewoud BV
19-06-2006
bureauonderzoek
Direct ten zuiden van het plangebied, aan de overkant van de Pater Vervoortstraat, is in 2010 een booronderzoek uitgevoerd (zaakidenificatie 2280509100). Bij dit onderzoek werd in vier van de twaalf boringen een intact potentieel archeologisch niveau geconstateerd.7 Bij het hierop volgende proefsleuvenonderzoek (zaakidentificatie 2290026100) in een deel van het terrein zijn 29 sporen en, op twee fragmenten baksteen uit de Nieuwe tijd na, geen vondsten aangetroffen. De meeste van deze sporen bleken recent te zijn en een groot deel van het opgegraven oppervlak bleek verstoord te zijn. Op basis van de inhoudelijk kwaliteit van de resten (ontbreken vondstmateriaal en lage spoordichtheid) is besloten voor het plangebied de waardering “niet behoudenswaardig” te geven.8 Bij een karterend booronderzoek op ca. 450 m ten zuiden van het plangebied (zaakidentificatie 2290764100) bleek de bodem tot op 0,7 – 0,8 m beneden maaiveld te zijn verstoord. De archeologische verwachting is hier voor alle perioden bijgesteld naar laag.9 Op ca. 180 m ten zuiden van het plangebied is in 2010 een booronderzoek uitgevoerd (zaakidentificatie 2309986100). Hierbij is een deels intact veldpodzolprofiel aangetroffen.
In de humeuze top van het profiel zijn enkele vondsten aangetroffen die gedateerd zijn in de Nieuwe tijd.10 Aansluitend is hier een proefsleuvenonderzoek en archeologische begeleiding uitgevoerd (zaakidentificatie 2355012100). Tijdens dit onderzoek zijn veel verstoringen aangetroffen. In twee putten is een intact bodemprofiel aangetroffen (B- of BChorizont), en in twee putten bleek de grond te zijn verstoord tot in de C-horizont. Toch is juist in een van de twee putten met een diepere verstoring de grootste hoeveelheid archeologische sporen aangetroffen. Het betreft onder andere een structuur die als zespalige spieker is geïdentificeerd. De structuur is te dateren in de Middeleeuwen of Nieuwe tijd. In de rest van het plangebied zijn enkele losse paalkuilen en kuilen aangetroffen. 11 Tabel 2.
Archeologische vondsten (ARCHIS 3)
zaakidentificatie
materiaal
complex
datering
3018727100
Keramiek, hout/houtskool (waterput)
bewoning
Late Middeleeuwen – Nieuwe tijd
Er zijn geen vondstmeldingen bekend uit het plangebied. In de directe omgeving van het plangebied staat één vondstmelding geregistreerd in ARCHIS 3, op ca. 50 m ten oosten van het plangebied (zie tabel 2). Het betreft de waarneming van steengoed en roodbakkend geglazuurd aardewerk uit de Late Middeleeuwen – Nieuwe tijd en een plaggenput met op de bodem een houten karrewiel uit dezelfde periode. De omstandigheden waarbinnen deze waarneming zijn gedaan zijn helaas niet bekend.
2.5
Archeologie
Het gebied de Grote Slenk is vanwege de afwisselende hoge en droge opgestoven dekzandruggen en de aanwezigheid van waterlopen al vanaf het Paleolithicum een aantrekkelijke plaats voor bewoning. De oudste aanwijzingen voor menselijke activiteit uit de gemeente Meierijstad betreffen dan ook vuursteenvindplaatsen uit het Paleolithicum in de buurt van Veghel en Erp. Ook uit het daaropvolgende Meso- en Neolithicum zijn Huizer, 2010. Obdam & Huizer, 2011. 9 Bergman, 2012. 10 Horn & Berkhout, 2010. 11 Moerman, 2012. 7 8
22
vuursteenvindplaatsen in de gemeente bekend. Het gaat steeds om kleinschalige vindplaatsen die aanwijzingen bevatten voor tijdelijk gebruik. Dit past in het beeld van de nomadische jager/verzamelaars die in deze periode in Nederland actief waren. De vindplaatsen bevinden zich op de dekzandruggen langs weerszijden van de Aa. Ook in de hierop volgende periodes blijven de dekzandruggen langs het water de favoriete plaats voor bewoning. In de Brons- en IJzertijd is er sprake van permanente bewoning van het gebied. Op de hoge zandrug ten oosten van de Aa zijn artefacten aangetroffen die wijzen op langdurig gebruik van de site in de Bronstijd. Hier zijn onder andere aardewerk, kringgreppels, resten van crematiegraven en langbedgraven aangetroffen. Ook uit de IJzertijd zijn nederzettingsresten en begravingen aanwezig in Meierijstad. Uit de Romeinse Tijd zijn zowel bewoningssporen als vondsten aangetroffen in de regio. Deze duiden voornamelijk op inheems-romeinse bewoning in dit gebied. In de Vroege Middeleeuwen lijkt de bevolkingsdichtheid in het gebied af te nemen. Er is een aantal kleine gehuchten en verspreid liggende boerderijen aanwezig in deze periode. Als in de Late Middeleeuwen de bevolking toeneemt breiden de landbouwgronden rondom de gehuchten zich uit. Hierdoor verschijnen er steeds meer sporen van menselijke activiteit richting de periferie van de dekzandruggen.12
Afb. 9.
Het plangebied op een uitsnede van de kadastrale minuut 1811-1832. Veghel, Sectie E Blad 01 (bron: http://zoeken.cultureelerfgoed.nl).
12
Waagen, 2004.
23
Afb. 10.
Het plangebied op de topografische kaart uit 1900 (bron: https://www.topotijdreis.nl)
Afb. 11.
Het plangebied op een topografische kaart uit 1962 (bron: http://www.topotijdreis.nl).
24
Afb. 12.
Het plangebied op een topografische kaart uit 1990 (bron: http://www.topotijdreis.nl).
Afb. 13.
Het plangebied op een topografische kaart uit 2015 (bron: http://www.topotijdreis.nl).
25
2.6
Historische waarden / bouwhistorisch onderzoek
Vanaf ongeveer 1200 komt de regio voor in historische bronnen. Het gaat dan voornamelijk om aktes van eigendom. Delen van Veghel waren in deze tijd in bezit van het geslacht Van de Bossche. Een brief uit 1310 beschrijft het uitgeven van gronden in Veghel door hertog Jan van Brabant. In de loop van de 14e eeuw wordt het kasteel Frisselstein gebouwd in Veghel. In deze periode ontstonden ook de eerste hoeves in de regio en werden er esdekken aangelegd op de landbouwgronden. De esdekken werden opgebouwd uit plaggen die bestaan uit een mengsel van potstalmest en uitgestoken grond om zo de vruchtbaarheid van het land te bevorderen. Op de kadastrale minuut uit 1811-1832 is te zien dat het plangebied de helft van het toenmalige perceel 356 beslaat (afb. 9). In de oorspronkelijke aanwijzende tafel bij de kaart staat aangegeven dat het perceel in het bezit is van de heer Rut Christiaan Burgers uit Dorshout. Hij heeft het perceel in gebruik als ‘bouwland’. Op de topografische kaarten van Nederland vanaf 1815 is de verdere ontwikkeling van (de omgeving van) het plangebied te volgen (afb. 10 t/m 13). Hierop is te zien dat de situatie in het plangebied ongewijzigd blijft tot op heden. De omliggende percelen raken langzaamaan steeds meer bebouwd maar binnen het plangebied staat op geen van de kaarten bebouwing afgebeeld.
2.7
Bekende verstoringen
Binnen het plangebied zijn geen saneringen of ondergrondse olietanks, benzinepompinstallaties en dergelijke bekend waardoor archeologische resten mogelijk verloren zijn gegaan.
2.8
Gespecificeerd archeologisch verwachtingsmodel en advies
Het plangebied bevindt zich aan de zuidzijde van een dekzandrug die ten zuiden van het plangebied overgaat op een vlakte van verspoelde dekzanden. Mogelijk is op de dekzandafzettingen een esdek aanwezig. Op basis van het bureauonderzoek kan worden geconcludeerd dat in het plangebied archeologische resten aanwezig kunnen zijn in een eventueel aanwezig esdek en de daaronder gelegen pleistocene afzettingen. Wanneer archeologische vondsten in een esdek aanwezig zijn, gaat het om opgeploegde vondsten uit onderliggende lagen. De archeologische verwachting is op basis van dit onderzoek per periode verder gespecificeerd. Paleolithicum t/m Mesolithicum Archeologische resten die verband houden met bewoning uit de perioden Paleolithicum – Mesolithicum worden in deze omgeving voornamelijk op de hoger gelegen delen verwacht. Echter, ook in de lagere delen van het landschap was menselijke activiteit mogelijk. Gezien de ligging van het plangebied in de randzonde van het dekzandruggengebied geldt er een hoge verwachting voor het aantreffen van archeologische resten uit deze perioden. Indien deze resten aanwezig zijn kunnen ze bestaan uit vuursteenvindplaatsen of kleine nederzettingsterreinen, zogeheten extractiekampen. Deze kampen hebben een kleine omvang, van ca. 5 tot 10 m2, en zijn te herkennen aan vuursteenstrooiingen, haardplaatsen, paalsporen en afvalkuilen.
Het archeologisch relevante niveau voor deze periode is de (intacte) top van de pleistocene afzettingen, dat zich direct onder de bouwvoor, of onder een eventueel aanwezig esdek kan bevinden. Neolithicum t/m Romeinse Tijd Zowel uit het Neolithicum, de Bronstijd, de IJzertijd en Romeinse Tijd zijn archeologische resten aangetroffen in de omgeving van het plangebied. Ook deze resten bevinden zich op de dekzandruggen langs de Aa. Voor het aantreffen van archeologische resten uit deze perioden binnen het plangebied geldt daarom een hoge verwachting. Archeologische resten uit deze perioden kunnen bestaan uit nederzettingsresten, (crematie)graven, (kring)greppels, (paal- en haard)kuilen, waterputten en sporen van landbewerking en kleinschalige veehouderij. Middeleeuwen t/m Nieuwe tijd Vanaf de Middeleeuwen werden de minder vruchtbare zandgronden geschikt gemaakt voor landbouw met behulp van plaggenbemesting. Uit het historisch onderzoek blijkt het plangebied in ieder geval in de Nieuwe tijd in gebruik te zijn geweest als ‘bouwgrond’ (landbouwgrond). Het is niet duidelijk wanneer deze vorm van gebruik van het plangebied is begonnen. De kans dat een plaggendek in de ondergrond aanwezig is wordt groot geacht. Voor het plangebied geldt derhalve een hoge verwachting voor het aantreffen van archeologische resten uit de Middeleeuwen t/m Nieuwe tijd.
Vondsten uit deze periode kunnen zich in het eventueel aanwezige esdek bevinden, en in het eronder gelegen zandpakket kunnen sporen aangetroffen worden. Archeologische resten uit 26
deze periode zullen waarschijnlijk verband houden met agrarische activiteiten, zoals boerderijplaatsen met greppels en sporen van landbewerking. De archeologische verwachting dient te worden getoetst door middel van het uitvoeren van een inventariserend veldonderzoek (verkennende fase). Hierbij worden 6 boringen zo verspreid mogelijk over het plangebied gezet. Het verkennend booronderzoek wordt uitgevoerd om de intactheid van de bodemopbouw aan te tonen. Resten uit het Paleolithicum t/m de Nieuwe tijd worden in de (intacte) top van het pleistocene dekzand verwacht. Archeologische vondsten uit de Middeleeuwen – Nieuwe tijd worden in een eventueel aanwezig esdek verwacht. Gezien de nog onbekende verstoringsdiepte van de voorgenomen plannen, worden de boringen tot 25 cm in de onverstoorde C-horizont gezet.
27
3 Resultaten veldonderzoek 3.1
Beschrijving onderzoeksmethode
Conform het in het bureauonderzoek geformuleerde advies is een verkennend booronderzoek uitgevoerd in het plangebied, waarbij 6 boringen regelmatig verspreid over het plangebied zijn geplaatst (zie afb. 14). De boringen zijn gezet met een edelmanboor (7 cm Ø) tot 25 cm in de C-horizont van de pleistocene ondergrond. De posities van de boringen zijn ingemeten met behulp van een meetlint ten opzichte van de perceelgrenzen. Het opgeboorde materiaal is met de hand onderzocht op de aanwezigheid van archeologische indicatoren zoals baksteenpuin, houtskool en aardewerk. De boringen zijn beschreven conform de NEN 5104 en de Archeologische Standaard Boorbeschrijvingsmethode (ASB). De resultaten van het booronderzoek (boorbeschrijvingen en boorstaten) zijn opgenomen in bijlage 1.
Afb. 14.
3.2
Gezette boringen in het plangebied op luchtfoto (bron: https://www.google.com/intl/nl/earth/).
Beschrijving onderzoeksresultaten
De bodemopbouw in het plangebied bestaat van boven naar beneden uit een 60 – 75 cm dikke laag zeer tot matig fijn, matig siltig zand waarvan de top sterk humeus is en verploegd (bouwvoor) en deze naar beneden toe geleidelijk minder humeus wordt. Het betreft hier een plaggendek. In boring 5 ligt onder dit plaggendek een 75 cm dikke laag van licht bruingrijs, zwak siltig, zeer fijn zand met humus- en ijzeroxidevlekken. Het betreft hier vermoedelijk een akkerlaag, het zou echter ook om een archeologische spoor kunnen gaan. Onder deze laag, of 28
daar waar deze ontbreekt, ligt dekzand. De top van het dekzand ligt op 0,55 tot 0,75 m -mv (9,62 tot 10,13 m +NAP). In de boringen 1, 2, 3 en 4 is in de top van het dekzand nog een (deels) intact podzolprofiel herkend. In boring 1 betreft het alleen nog een B/C-horizont en in boring 3 en 4 een B en B/C-horizont. Alleen in boring 2 is ook nog een E-horizont waargenomen. Een E-horizont ontbreekt over het algemeen in een Laarpodzolgrond. Het kan ook betekenen dat een deel van het podzolprofiel is opgenomen in het bovenliggende plaggendek. In boring 3 is onder het podzolprofiel een laag waargenomen waarvan de interpretatie niet duidelijk te geven is. Op 1,3 m beneden maaiveld ligt hier een 50 cm dikke laag van donker oranjebruin, zwak siltig, zeer fijn en matig humeus zand. Vermoedelijk gaat het hier om een natuurlijke laag, de aard en herkomst kan echter niet geduid worden op basis van deze boring. In boring 6 is onder het plaggendek een verstoring/vergraving waargenomen tussen de 0,7 en 1,25 m -mv. Het betreft hier mogelijk een spoor ingegraven tot in de C-horizont van het dekzand. Tijdens het veldonderzoek zijn geen archeologische indicatoren aangetroffen. Het onderzoek was hier echter ook niet op gericht. Interpretatie Het aangetroffen zand in de boringen is over het algemeen zwak siltig (lemig) en fijn van samenstelling.
Het zand is goed gesorteerd en kan daarom geïnterpreteerd worden als dekzand. Op het dekzand ligt volgens de bodemkaart een 0,3 - 0,5 m dikke bouwvoor met een donkere kleur, ontstaan door het gebruik van heideplaggen binnen het potstalsysteem, plaggendek genoemd. Deze is tijdens het veldonderzoek waargenomen. Het plaggendek is hier echter aanzienlijk dikker. In het plangebied lijkt dan ook Laarpodzolgrond te liggen. In het plangebied wordt een dekzandrug verwacht. Hier kan van nature het bodemvormende proces podzolering hebben plaatsgevonden. Een podzolbodem kenmerkt zich door een A-, E-, B-, en C-horizont. In het plangebied is een (restant van een) podzolbodem waargenomen. Op basis van het bureauonderzoek is vastgesteld dat eventuele archeologische resten in de ondergrond aanwezig kunnen zijn in een esdek en in de (intacte) top van het dekzand. In alle zes de boringen is een esdek aangetroffen. Ook is in boringen 1, 2, 3 en 4 (delen van) een podzolprofiel aangetroffen onder het esdek. Bij het booronderzoek zijn geen archeologische indicatoren aangetroffen. Wel is gebleken dat het archeologische niveau, de top van het dekzand, grotendeels intact in het plangebied aanwezig is. Daarmee blijft de hoge archeologische verwachting die in het bureauonderzoek is opgesteld in stand.
29
4 Conclusie en aanbevelingen 4.1
Conclusies
Het plangebied bevindt zich aan de zuidzijde van een dekzandrug die ten zuiden van het plangebied overgaat op een vlakte van verspoelde dekzanden. Op basis van het bureauonderzoek is geconcludeerd dat in het plangebied archeologische resten aanwezig kunnen zijn in een eventueel aanwezig esdek en de daaronder gelegen pleistocene afzettingen. Wanneer archeologische vondsten in een esdek aanwezig zijn, gaat het om opgeploegde vondsten uit onderliggende lagen. Resten uit het Paleolithicum t/m de Middeleeuwen kunnen in de top van de pleistocene afzettingen aangetroffen worden. Daarbij worden resten die verband houden met bewoning uit de perioden Paleolithicum – Mesolithicum in deze omgeving voornamelijk op de hoger gelegen landschapsdelen verwacht. Echter, ook in de lagere delen van het landschap was menselijke activiteit mogelijk. De resten kunnen bestaan uit vuursteenvindplaatsen of kleine nederzettingsterreinen, zogeheten extractiekampen. Uit het Neolithicum, de Bronstijd, de IJzertijd en Romeinse Tijd zijn archeologische resten aangetroffen in de omgeving van het plangebied. Ook deze resten bevinden zich op de dekzandruggen langs de Aa. Archeologische resten uit deze perioden kunnen bestaan uit nederzettingsresten, (crematie)graven, (kring)greppels, (paal- en haard)kuilen, waterputten en sporen van landbewerking en kleinschalige veehouderij.
Vanaf de Middeleeuwen werden de minder vruchtbare zandgronden geschikt gemaakt voor landbouw met behulp van plaggenbemesting. De kans dat een plaggendek in de ondergrond aanwezig is wordt groot geacht. Voor het plangebied geldt een hoge verwachting voor het aantreffen van archeologische resten uit de Late Middeleeuwen t/m Nieuwe tijd. Archeologische resten uit deze periode zullen waarschijnlijk verband houden met agrarische activiteiten, zoals boerderijplaatsen met greppels en sporen van landbewerking. Het verkennend booronderzoek heeft uitgewezen dat in het plangebied een esdek op een grotendeels intacte top van pleistoceen dekzand aanwezig is. In alle zes de boringen is een esdek aangetroffen. Ook is in boringen 1, 2, 3 en 4 (delen van) een podzolprofiel aangetroffen onder het esdek. Bij het booronderzoek zijn geen archeologische indicatoren aangetroffen. In een van de boringen is onder het esdek een laag aangeboord die mogelijk geïnterpreteerd kan worden als akkerlaag of archeologisch spoor. Ook is gebleken dat het archeologische niveau, de top van het dekzand, grotendeels intact in het plangebied aanwezig is. Daarmee blijft de hoge archeologische verwachting die in het bureauonderzoek is opgesteld in stand.
4.2
Beantwoording onderzoeksvragen
Wat is de bodemopbouw en zijn er aanwijzingen voor bodemverstoringen? Uitgaande van de bij het bureauonderzoek gebruikte bronnen bestaat de laagopeenvolging binnen het plangebied hoofdzakelijk uit een esdek op een dekzandrug. In het zuidelijke deel van het plangebied wordt een natuurlijke ondergrond van verspoeld dekzand verwacht. Volgens de bodemkaart komen in het plangebied Laarpodzolgronden en Veldpodzolgronden voor. Het verkennend booronderzoek bevestigt de aanwezigheid van een esdek op dekzandafzettingen. Het verspoelde dekzand is niet waargenomen. Ook is er sprake van een deels intact Laarpodzolprofiel onder het esdek. In twee van de boringen is een laag aangetroffen onder het esdek waarbij het om een akkerlaag of een spoor zou kunnen gaan. Er zijn geen grote verstoringen bekend in het plangebied. Zijn er aanwijzingen voor de aanwezigheid van archeologische resten? Er zijn geen archeologische indicatoren aangetroffen tijdens het verkennend booronderzoek. De aanwezigheid van een esdek wijst desondanks wel op een mogelijke aanwezigheid van agrarische sporen uit de Middeleeuwen t/m Nieuwe tijd binnen het plangebied. De top van het dekzand blijkt grotendeels intact in het plangebied aanwezig. Dit betekent dat resten uit het Paleolithicum t/m de Middeleeuwen nog onder het esdek aanwezig kunnen zijn.
Welke consequenties zal de uitvoering van het plan hebben op (eventueel) aanwezige archeologische resten? Op basis van het bureauonderzoek is geconcludeerd dat in het plangebied een hoge archeologische verwachting geldt voor een eventueel aanwezig esdek en de top van het eronder gelegen dekzand. Daarbij kunnen in het esdek sporen van agrarische activiteit worden aangetroffen uit de Middeleeuwen t/m de Nieuwe tijd en in de top van het dekzand kunnen zich archeologische resten bevinden uit het Paleolithicum t/m de Middeleeuwen. De top van het esdek bevindt zich direct aan het maaiveld en de top van het dekzand ligt op een diepte van 0,55 – 0,75 m 30
beneden maaiveld. Buiten de bouwvlakken zal niet gegraven worden, dit betekent dat eventuele archeologische resten buiten de bouwvlakken niet bedreigd worden door de geplande ingrepen. Binnen de bouwvlakken (met een horizontale marge voor het ontgraven van 0,75 – 1 m rondom de bouwvlakken) zal voorafgaand aan de graafwerkzaamheden de grond worden opgehoogd met 40 – 50 cm. Vervolgens zal er een ontgraving plaatsvinden met een maximale diepte van 80 cm. Dit betekent dat de maximale diepte van ontgraving 0,4 m onder het huidige maaiveld zal zijn. Aangezien de top van het dekzand op 0,55 – 0,75 m beneden maaiveld is aangetroffen, kunnen deze ingrepen de relevante archeologische niveaus en eventueel daarin aanwezige archeologische resten verstoren (men dient een buffer van 20-30 cm in acht te nemen). Behalve de ontgraving ten behoeve van de fundering zal er ook een sleuf voor de riolering aangelegd worden. Deze zal niet dieper dan 0,15 m onder het huidige maaiveld worden aangelegd. Deze ingreep vormt geen bedreiging voor eventuele archeologische resten. Er worden geen sleuven voor kabels en leidingen gegraven en er worden geen funderingspalen gebruikt. Wat zijn de aanbevelingen? Is nader onderzoek noodzakelijk? En zo ja, waaruit kan dit bestaan? Voor de aanbevelingen zie hieronder.
4.3
Selectieadvies
Op basis van de resultaten van het hier gerapporteerde onderzoek adviseert Salisbury Archeologie een vervolgonderzoek in de vorm van proefsleuven (IVO-P) met eventuele doorstart naar een definitieve opgraving (DO) uit te voeren binnen de twee bouwvlakken (zie afb. 15). De algemene doelstelling van het proefsleuvenonderzoek is het achterhalen of er daadwerkelijk een archeologische vindplaats voorkomt. Als dit het geval is dienen de aard en de begrenzing ervan nader gespecificeerd te worden. Uiteindelijk dient dit te resulteren in een waardering van de vindplaats mocht deze aanwezig zijn. Gezien de geringe omvang van de te onderzoeken locatie (ca. 320 m2) is het raadzaam bij het aantreffen van een vindplaats in overleg met de opdrachtgever en het bevoegd gezag direct door te starten naar een definitieve opgraving (DO). Aangezien er buiten de twee bouwvlakken geen graafwerkzaamheden zullen gaan plaatsvinden adviseert Salisbury Archeologie om in dit deel van het plangebied geen vervolgonderzoek uit te voeren. Eventuele archeologische resten kunnen zodoende in situ bewaard blijven. De dubbelbestemming “Waarde - Archeologie 2” blijft daarmee voor dit deel van het plangebied van kracht. Met betrekking tot de bevindingen en aanbevelingen uit dit onderzoek dient contact opgenomen te worden met het bevoegd gezag, in dit geval de gemeente Meierijstad.
31
Afb. 15.
Advies voor vervolgonderzoek.
32
Literatuur Bakker, H. de, 1966: De subgroepen van het systeem van bodemclassificatie voor Nederland. Boor en spade: verspreide bijdragen tot de kennis van de bodem van Nederland. Stichting voor Bodemkartering/Pudoc, Wageningen. Bergman, W.A., 2012: Gemeente Veghel Plangebied Pastoor Clerxstraat 78 te Zijtaart Bureauonderzoek en Inventariserend veldonderzoek (karterende fase). (BAAC Rapport V-10.0226). BAAC bv, ’s-Hertogenbosch. Bosch, J.H.A., 2008: Archeologische Standaard Boorbeschrijvingsmethode versie 1.1 Op basis van de Standaard Boor Beschrijvingsmethode versie 5.2. (Deltares-rapport | 2008-U-R0881/A.) Deltares, Utrecht. Boshoven, E.H. & A. Beusink, 2009: Gemeente Veghel. Een actualisatie van de gemeentelijk archeologische verwachtingskaart. (BAAC rapport V-08.0120). BAAC bv, ’s-Hertogenbosch. Horn, M. & M. Berkhout, 2010: Archeologisch bureauonderzoek & Inventariserend Veldonderzoek, verkennende fase Pastoor Clercxstraat, Zijtaart Gemeente Veghel. (B&G rapport 1106). Becker & Van de Graaf bv, Noordwijk. Huizer, J., 2010: Pastoor Clercxstraat 50 Een Bureauonderzoek en Inventariserend Veldonderzoek in de vorm van een verkennend booronderzoek. (ADC Rapport 2273). ADC ArcheoProjecten, Amersfoort. Moerman, S., 2012: Archeologische begeleiding en Inventariserend Veldonderzoek d.m.v.
proefsleuven Pastoor Clercxstraat, Zijtaart Locaties Edith Steinschool / De Reiger Gemeente Veghel. (IDDS Archeologie rapport 1385). IDDS Archeologie, Noordwijk. Obdam, T.J. & J. Huizer, 2011: Pastoor Clerxstraat 50, Zijtaart (Gemeente Veghel) Een Inventariserend Veldonderzoek in de vorm van proefsleuven. (ADC Rapport 2375). ADC ArcheoProjecten, Amersfoort. Vos, P.L. & S. de Vries, 2013: 2e generatie palaeogeografische kaarten van Nederland (versie 2.0). Deltares, Utrecht. Waagen, J., 2004: Veghel Buitengebied Archeologische Verwachtingskaart. (BAAC rapport 03.135). BAAC bv, ’sHertogenbosch. Geraadpleegde websites webadres
laatst bezocht op
https://archisarchief.cultureelerfgoed.nl
25-6-2019
https://www.dinoloket.nl/ondergrondgegevens
18-6-2019
https://www.dinoloket.nl/nomenclator-ondiep
18-6-2019
https://www.google.com/intl/nl/earth/
25-6-2019
https://zoeken.cultureelerfgoed.nl
18-6-2019
http://www.ahn.nl
18-6-2019
http://www.pdok.nl
18-6-2019
http://www.topotijdreis.nl
18-6-2019
Lijst van afbeeldingen Afb. 1. Afb. 2. Afb. 3.
Ligging plangebied en globale begrenzing onderzoeksgebied (bron: http://opentopo.nl) .......................... 11 Uitsnede van de gemeentelijke archeologische verwachtingskaart, gemeente Veghel (bron: Boshoven & Beusink, 2009). ................................................................................................................................................................................. 12 Huidige (links) en toekomstige (rechts) situatie (bron: aangeleverd door opdrachtgever) ............................ 13 33
Afb. 4. Afb. 5. Afb. 6. Afb. 7. Afb. 8. Afb. 9. Afb. 10. Afb. 11. Afb. 12. Afb. 13. Afb. 14. Afb. 15.
Uitsnede van de geomorfologische kaart met het plangebied en de directe omgeving (bron: https://zoeken.cultureelerfgoed.nl). ........................................................................................................................................ 16 Het plangebied en omgeving op het Actueel Hoogtebestand van Nederland, regionaal (AHN3, ruw; bron: https://www.ahn.nl). ........................................................................................................................................................... 17 Het plangebied en omgeving op het Actueel Hoogtebestand van Nederland, lokaal (AHN3, ruw; bron: https://www.ahn.nl). ....................................................................................................................................................................... 18 Uitsnede van de bodemkaart met het plangebied en directe omgeving (bron: https://zoeken.cultureelerfgoed.nl). ........................................................................................................................................ 19 Onderzoeksmeldingen en vondstlocaties (bron: ARCHIS 3). ....................................................................................... 21 Het plangebied op een uitsnede van de kadastrale minuut 1811-1832. Veghel, Sectie E Blad 01 (bron: http://zoeken.cultureelerfgoed.nl).
.......................................................................................................................................... 23 Het plangebied op de topografische kaart uit 1900 (bron: https://www.topotijdreis.nl) ................................ 24 Het plangebied op een topografische kaart uit 1962 (bron: http://www.topotijdreis.nl). ............................... 24 Het plangebied op een topografische kaart uit 1990 (bron: http://www.topotijdreis.nl). ............................... 25 Het plangebied op een topografische kaart uit 2015 (bron: http://www.topotijdreis.nl). ............................... 25 Gezette boringen in het plangebied op luchtfoto (bron: https://www.google.com/intl/nl/earth/). ........... 28 Advies voor vervolgonderzoek. ................................................................................................................................................ 32
Lijst van tabellen Tabel 1. Tabel 2.
Onderzoeksmeldingen uit ARCHIS 3 ...................................................................................................................................... 21 Archeologische vondsten (ARCHIS 3) .................................................................................................................................... 22
Lijst van bijlagen Bijlage 1. Boorbeschrijvingen………………………………………………………………………………………………………………………………… 35
34
Bijlage 1
Boorbeschrijvingen
textuur code Z… …s1 …s2 …z1
omschrijving zand licht siltig matig siltig licht zandig
vlekken code Fe1 Fe2 lgr lor gr
omschrijving enkele ijzeroxidevlekjes veel ijzeroxidevlekjes lichtgrijze vlekken lichtoranje vlekken grijze vlekken
lbr
lichtrbuine vlekken
mediaan zandfractie code omschrijving zf zeer fijn kleur code br ge gr or zw l… d…
omschrijving bruin geel grijs oranje zwart licht donker
35
planten code pr1
omschrijving enkele plantenresten
humus/grind code h1 h2 h3 hv
omschrijving licht humeus matig humeus sterk humeus met humusvlekken
bovengrens boring (mv) dikte 1 0 30 50 75 100 110 140 2 0 35 65 75 80 90 95 100 135 160 3 0 45 55 75 85 95 115 125 130 180 205 4 0 30 45 50 55 60 85 110
aard gr
lithologie zs2 zs2 zs1 zs1 zs1 zs1
mediaan zandfractie zf zf zf zf zf zf
30 20 25 25 10 30
ge ab ge ge ge
kleur dgrbr lgrbr dbr lbr lgrge lgrge
humusgehalte h3 h1, hv h3 h1, hv
35 30 10 5 10 5 5 35 15
ge ge ab ab ab ab ab ab
dgrbr br lbr brzw lbrgr brzw lbrgr orge lgrge
zs1 zs1 zs1 zs1 zs1 zs1 zs1 zs1 zs1
zf zf zf zf zf zf zf zf zf
h3 h3, hv h1, hv h3
45 10 20 10 10 20 10 5 50 25
dgrbr lbrgr dbr lorbr ge grbr lbrgr brzw dorbr grge
zs1 zs1 zs1 zs1 zs1 zs1 zs1 zs1 zs1 zs1
zf zf zf zf zf zf zf zf zf zf
h2
ab ab ge ge ge ge ge ge ge
30 15 5 5 5 25 25
ge ab ge ge ge ge
dgrbr grbr lbrgr brzw dorge lorge lgrge
zs1 zs1 zs1 zs1 zs1 zs1 zs1
zf zf zf zf zf zf zf
h2 h2
vlekken lgr lgr lor gr fe1 fe2
plantenresten pr1
BC C C pr1
lbr oude A E B
h3 fe2
h2 h1
horizont
fe2 fe1
BC BC
B BC
h2
interpretatie bv esd esd dekzand dekzand dekzand bv esd esd dekzand dekzand dekzand dekzand dekzand dekzand bv esd esd dekzand dekzand dekzand dekzand
h3 h2
h3 h1
36
fe2 fe2
C
dekzand
B BC C
bv esd esd esd dekzand dekzand dekzand
opmerkingen
verploegd
verploegd verploegd
5
6
0 40 70 145 175 0 40
40 30 ge 75 ge 30 ab
dgrbr dbrgr lbrgr lgegr
zs1 zs1 zs1 zs1
zf zf zf zf
h2 h1 hv
40 30 ge
dgrbr dbr
zs1 zs1
zf zf
h2 h3
70 125 160
55 ge 35 ab
brzw lge
zs1 zs1
zf zf
h3
37
C
bv esd esd akkerlaag/spoor dekzand
C
bv esd mogelijke slootvulling dekzand
gr fe1
38
39
40
41
233
Gemeente Meierijstad Selectieadvies AMZ, 30-01-2020
Selectieadvies archeologische monumentenzorg Gemeente Meierijstad Zijtaart, Pater Vervoortstraat ong. (Gemeente Meierijstad) Een bureauonderzoek en inventariserend veldonderzoek (BO en IVO-O) Salisbury Archeologisch Rapport 274 Salisbury Archeologie B.V. (tweede conceptversie rapport)
LET OP : De beoordeelde rapportage is akkoord. Zie onder 3 Beoordeling. Gemeente Meierijstad
Naam
Afdeling/bedrijf
Datum
Opsteller
Juan van der Roest
senior archeoloog, gemeente ’s-Hertogenbosch afdeling SO/Erfgoed
30-01-2020
Controle
Stefan Molenaar
senior archeoloog, gemeente ’s-Hertogenbosch afdeling SO/Erfgoed
30-01-2020
Controle Mark van den Broek Gemeente Meierijstad
medew. gebiedsontwikkeling 30-01-2020 Erfgoed (Monumenten, Archeologie & Cultuurhistorie)
Paraaf
SM
Selectieadvies AMZ - Zijtaart, Pater Vervoortstraat ong., gemeente Meierijstad - BO + IVO-B - Salisbury
Inleiding In opdracht van BRO heeft Salisbury Archeologie een archeologisch onderzoek uitgevoerd met betrekking tot een bestemmingsplanwijziging voor plangebied Pater Vervoortstraat (ongenummerd) te Zijtaart. 1
Op de archeologische verwachtingskaart van de (voormalige) gemeente Veghel (2009) ligt het plangebied in een zone met een hoge archeologische verwachting. Op het plangebied rust in het vigerende bestemmingsplan een dubbelbestemming “Waarde - Archeologie 2 ”; dit staat gelijk aan een terrein met een hoge verwachting. De opdrachtgever is voornemens in het plangebied nieuwbouw te realiseren met een totale oppervlakte van 215 m2 : een nieuwbouwwoning met bijgebouw met een oppervlakte van resp. 115 en 100 m2. Daarmee overschrijden de plannen de vrij-stellingsgrens, en is archeologisch (voor)onderzoek noodzakelijk. De gemeente Meierijstad is - als bevoegde overheid - nu gevraagd het rapport hierover te beoordelen. Het is daartoe voorgelegd aan de afdeling SO/Erfgoed van de gemeente ’s-Hertogenbosch. 1.1 Het plangebied Het plangebied ligt aan de noordzijde van de Pater Vervoortstraat en beslaat het perceel tussen de huisnummers 12 en 18. Het is kadastraal bekend als: Veghel, VHLOO, sectie P, nr. 71. Op dit moment is het plangebied in gebruik als landbouwgrond. Voor de locatie en exacte begrenzing van het plangebied, wordt verwezen naar het rapport van Salisbury, zie onder. 1.2 Aard van de bedreiging De opdrachtgever is voornemens in het gebied een nieuwbouwwoning met bijgebouw te realiseren met een oppervlakte van respectievelijk 115 en 100 m 2.