Bijlage 2b - Quickscan flora en fauna - Dahliastraat, Nijnsel v2
Tekst van het document
Quickscan Flora & Fauna Dahliastraat, Nijnsel
Quickscan Flora & Fauna Dahliastraat, Nijnsel Projectnummer: 2023-0223
Datum: 20-10-2023 Versie 2.0
Opdrachtgever: Hendriks Coppelmans Ontwikkeling B.V. Bram van den Bor
Adviseur Ecologie
b.vandenbor@lycens.nl
M 06 261 510 08
Ben ten Oever
Projectleider Ecologie
b.tenoever@lycens.nl
M 06 160 074 42
Inhoudsopgave
Samenvatting .................................................................................................................. 4 1. Inleiding ..................................................................................................................... 6 2. De ontwikkeling .......................................................................................................... 7 2.1. Plangebied ............................................................................................................................................................. 7
2.2. Voorgenomen activiteiten .................................................................................................................................. 9 2.3. Onderzoeksgebied ............................................................................................................................................... 9
3. Natuurwetgeving en -beleid ..................................................................................... 11
3.1. Inleiding ................................................................................................................................................................ 11 3.2. Gebiedsbescherming ......................................................................................................................................... 11
3.3. Soortenbescherming ......................................................................................................................................... 11 3.4. Houtopstanden ................................................................................................................................................... 13
4. Gebiedsbescherming ................................................................................................ 14
4.1. Natuurnetwerk Brabant, Groenblauwe mantel en Nationaal landschap. ............................................. 14 4.2. Natura 2000.......................................................................................................................................................... 15
4.3. Slotconclusie ....................................................................................................................................................... 16
5. Soortenbescherming ................................................................................................ 17
5.1. Hypothese en bureauonderzoek ..................................................................................................................... 17
5.2. Methode ................................................................................................................................................................ 17 5.3. Resultaten en wettelijke consequenties ....................................................................................................... 19 5.4. Slotconclusie ....................................................................................................................................................... 25
6. Houtopstanden ........................................................................................................ 27
7. Conclusie .................................................................................................................. 28 8. Advies en vervolgstappen ......................................................................................... 30
9. Bronnen .................................................................................................................... 31 Bijlagen .......................................................................................................................... 32
Bijlage 1: Foto’s ............................................................................................................................................................. 33
Bijlage 2: Toelichting Wet natuurbescherming ...................................................................................................... 36
3
Quickscan Flora & Fauna Dahliastraat, Nijnsel
20-10-2023
Samenvatting
Er zijn concrete plannen voor het herontwikkelen van meerdere percelen aan de Dahliastraat te Nijnsel (NoordBrabant). Bij deze herontwikkeling zullen nieuwe woningen en appartementen gerealiseerd worden. Om ruimte
te creëren dienen bestaande woningen en een restaurant gesloopt te worden. Als gevolg van deze voorgenomen activiteiten kan overtreding van de Wet natuurbescherming op voorhand niet uitgesloten worden. Lycens B.V. is gevraagd om de wettelijke consequenties van de voorgenomen activiteiten in het kader van de Wet natuurbescherming in beeld te brengen.
Het onderzoeksgebied is op 20 april 2023 onderzocht op de (potentiële) aanwezigheid van beschermde planten,
dieren en beschermde nesten, holen, vaste rust- en voortplantingslocaties en andere beschermde functies,
zoals foerageergebied en vliegroutes van vleermuizen. Ook is onderzocht of de voorgenomen activiteiten een negatief effect hebben op houtopstanden en beschermd (natuur)gebied, zoals Natura 2000, Natuurnetwerk Brabant, Groenblauwe mantel en Nationaal landschap. Wettelijke consequenties m.b.t. gebiedsbescherming
Het onderzoeksgebied behoort niet tot het Natuurnetwerk Brabant, Groenblauwe mantel, Nationaal landschap of Natura 2000-gebied. De bescherming van de Groenblauwe mantel en Nationaal landschap kent geen externe werking. Daarnaast hebben voorgenomen activiteiten een lokale invloedsfeer en is de afstand met het
onderzoeksgebied dusdanig groot dat de voorgenomen activiteiten geen negatief effect op de wezenlijke kenmerken en waarden van het Natuurnetwerk Brabant. Voorgenomen activiteiten leiden niet tot consequenties
ten aanzien van provinciaal beleid. Gelet op de ligging van het onderzoeksgebied ten opzichte van Natura 2000-
gebied, kan een negatief effect van stikstof op Natura 2000-gebied niet uitgesloten worden. Voorgenomen activiteiten hebben mogelijk een negatief effect op de instandhoudingsdoelstellingen van Natura 2000-gebied en
leiden daarom mogelijk tot wettelijke consequenties. Het wordt geadviseerd om een stikstofberekening te laten uitvoeren om de mogelijke effecten in kaart te brengen. Wettelijke consequenties m.b.t. soortenbescherming
De inrichting en het gevoerde beheer maken het onderzoeksgebied niet tot een geschikte groeiplaats voor beschermde planten maar wel tot een geschikt functioneel leefgebied van verschillende beschermde diersoorten.
Beschermde diersoorten benutten het onderzoeksgebied als foerageergebied en mogelijk bezet een beschermd
grondgebonden zoogdier er een vaste rust- en/of voortplantingsplaats, bezetten amfibieën er een (winter)rustplaats, nestelen er vogels en bezetten vleermuizen er een vaste rust- en/of verblijfplaats.
Ongewervelden en reptielen bezetten geen vaste rust- of voortplantingsplaats in het onderzoeksgebied en
amfibieën bezetten er geen voortplantingsplaats.
Als gevolg van het slopen van de woningen, wordt mogelijk een nest of nestplaats van een gierzwaluw of huismus
beschadigd en vernield met als gevolg dat mogelijk vogels gedood worden of eieren beschadigd of vernield worden. Om nesten van gierzwaluwen en huismussen in de bebouwing in het onderzoeksgebied te kunnen
vaststellen, is specifiek vervolgonderzoek vereist. Een volledig gierzwaluwonderzoek, conform Kennisdocument
Gierzwaluw, bestaat uit drie avondbezoeken aan het onderzoeksgebied in de periode 15 mei tot en met 15
4
Quickscan Flora & Fauna Dahliastraat, Nijnsel
20-10-2023
juli. Een volledig onderzoek, conform Kennisdocument Huismus, bestaat uit twee ochtendbezoeken aan het onderzoeksgebied in de periode 1 april tot en met 15 mei.
Voor de overige in het onderzoeksgebied nestelende vogelsoorten is uitsluitend het bezette nest beschermd, niet
het oude nest of de nestplaats. Werkzaamheden die kunnen leiden tot het verstoren/vernielen van bezette vogelnesten dienen buiten de voortplantingsperiode van vogels uitgevoerd te worden. De meest geschikte
periode om de voorgenomen activiteiten uit te voeren is september-februari. Voorgenomen werkzaamheden mogen juridisch beschouwd wel plaatsvinden tijdens het broedseizoen van vogels mits geen bezette vogelnesten beschadigd/vernield
worden.
Indien
de
voorgenomen
activiteiten
uitgevoerd
worden
tijdens
de
voortplantingsperiode, dient een broedvogelscan uitgevoerd te worden om de aanwezigheid van een bezet vogelnest uit te sluiten.
Verblijfplaatsen van vleermuizen zijn jaarrond beschermd en mogen alleen met een ontheffing beschadigd of vernield worden en vleermuizen mogen alleen verstoord, verwond of gedood worden indien daarvoor een ontheffing is verkregen. Om de functie van de bebouwing voor vleermuizen vast te kunnen stellen is specifiek
vervolgonderzoek vereist. Een volledig onderzoek, conform het vleermuisprotocol, bestaat uit minimaal vijf bezoeken aan het onderzoeksgebied in de periode 15 mei - 30 september.
Mogelijk komen algemeen beschermde grondgebonden zoogdieren en amfibieën voor binnen het
onderzoeksgebied. Deze soorten staan op de provinciale vrijstellingslijst voor ruimtelijke ingrepen. Er hoeft dan
ook geen ontheffing voor de uitvoering van voorgenomen activiteiten te worden aangevraagd. Aanbevolen wordt
om buiten de kwetsbare periode (augustus-oktober) van de soorten aan het werk te gaan en één richting op te werken zodat de dieren de mogelijkheid hebben om te vluchten.
In het kader van de zorgplicht moet rekening worden gehouden met alle in het onderzoeksgebied aanwezige planten en dieren en moet er gekozen worden voor een werkmethode en/of planning in de tijd, waardoor planten
en dieren zo min mogelijk schade ondervinden als gevolg van de voorgenomen activiteiten. Door het uitvoeren van de voorgenomen activiteiten wordt de functie van het onderzoeksgebied als foerageergebied tijdelijk aangetast. Dit leidt echter niet tot wettelijke consequenties.
Wettelijke consequenties m.b.t. houtopstanden
Wegens de ligging binnen de bebouwde kom van de Wet natuurbescherming is de bomenverordening van de
gemeente Meierijstad van toepassing. Er dient te worden nagegaan of een (omgevings-)vergunning aangevraagd moet worden voor het rooien van de desbetreffende bomen.
5
Quickscan Flora & Fauna Dahliastraat, Nijnsel
20-10-2023
1. Inleiding
Er zijn concrete plannen voor het herontwikkelen van meerdere percelen aan de Dahliastraat te Nijnsel (NoordBrabant). Bij deze herontwikkeling zullen nieuwe woningen en appartementen gerealiseerd worden. Om ruimte
te creëren dienen bestaande woningen en een restaurant gesloopt te worden. Als gevolg van deze voorgenomen
activiteiten kan overtreding van de Wet natuurbescherming op voorhand niet uitgesloten worden. Lycens B.V. is gevraagd om de wettelijke consequenties van de voorgenomen activiteiten in het kader van de Wet natuurbescherming in beeld te brengen.
In het onderzoeksgebied is gekeken naar de (potentiële) aanwezigheid van beschermde planten en dieren en beschermde nesten, holen, vaste rust- en voortplantingsplaatsen en andere beschermde functies. Ook is
onderzocht of de voorgenomen activiteiten een negatief effect hebben op beschermd (natuur)gebied en houtopstanden.
Op basis van de onderzoeksresultaten worden de wettelijke consequenties bepaald van de voorgenomen activiteiten in het kader van de Wet natuurbescherming en de Omgevingsverordening Noord-Brabant. Doel van deze rapportage
De Quickscan natuurwaardenonderzoek is uitgevoerd als één van de verschillende
(milieu)onderzoeken in het kader van besluitvorming binnen de Ruimtelijke Ordening (doorgaans het
wijzigen van het bestemmingsplan) of het aanvragen van een Omgevingsvergunning. Het onderzoek is
uitgevoerd om antwoord te kunnen geven op de vraag: is er sprake van een goede ruimtelijke ordening (is de voorgenomen activiteit uitvoerbaar?). Het is nadrukkelijk geen ecologisch werkprotocol dat
opgesteld wordt om te voorkomen dat de Wet natuurbescherming overtreden wordt als gevolg van de voorgenomen activiteiten. De Wet natuurbescherming is tijdens de uitvoering van voorgenomen activiteiten altijd van toepassing en het is aan de uitvoerende partijen om de noodzakelijke
zorgvuldigheid te betrachten tijdens de uitvoering. Om een goed ecologisch werkprotocol op te
kunnen stellen is meer detailinformatie vereist, zoals de planning in uitvoering, in te zetten materieel en informatie over type bebouwing, bouwwijze, materiaalgebruik etc.
In hoofdstuk 2 wordt de ontwikkeling beschreven. Hier wordt ingegaan op de ligging en beschrijving van het plangebied, de voorgenomen activiteiten en het vaststellen van het onderzoeksgebied. Hoofdstuk 3 bevat uitleg
van natuurwetgeving en -beleid van voorliggend rapport. Hoofdstuk 4 bevat de uitwerking van gebiedsbescherming. De uitwerking van soortenbescherming wordt in hoofdstuk 5 beschreven. In hoofdstuk 6
komt de uitwerking van de houtopstanden aan bod. In hoofdstuk 7 komt de conclusie aan de orde. In hoofdstuk
8 wordt het advies en de vervolgstappen beschreven. Voor de geraadpleegde bronnen wordt verwezen naar
hoofdstuk 9. In de bijlage zijn foto’s van het onderzoeksgebied en aanvullende informatie te vinden.
6
Quickscan Flora & Fauna Dahliastraat, Nijnsel
20-10-2023
2. De ontwikkeling 2.1.
Plangebied
Situering
Het plangebied is gesitueerd aan Dahliastraat te Nijnsel. De locatie ligt in de aan de rand ten westen van de
woonkern Nijnsel en wordt omgeven door de openbare weg en woningen. In figuur 2.1 wordt de globale ligging van het plangebied (blauwe ster) weergegeven op een topografische kaart.
Figuur 2.1: Globale ligging van het plangebied
Beschrijving
Het plangebied bestaat uit bebouwing, verharding en beplanting. Binnen het plangebied zijn elf rijtjeswoningen
en een voormalig sushirestaurant met woningen op de eerste verdieping aanwezig. Zie figuur 2.2 voor de locatie van de woningen.
Sushi restaurant (Gebouw nr. 1)
Het sushi restaurant met bijbehorende parkeerplaats ligt in het zuiden van het plangebied en beschikt over bakstenen buitengevels met luchtspouw en aan drie zijdes open stootvoegen op ongeveer 2,5 meter hoogte. Het
gebouw heeft een plat dak en is gedekt met dakleer. De daktrim sluit rondom goed aan op de gevel. Aan de zijde van de Sonseweg is een terras aanwezig.
7
Quickscan Flora & Fauna Dahliastraat, Nijnsel
20-10-2023
Rijtjeswoningen Dahliastraat (Gebouw nr. 2)
De woningen aan de Dahliastraat zijn gedekt met dakpannen en hebben op de kopse uiteindes allen kantpannen.
Onder de nokpannen is vogelschroot aangebracht. Rond de schoorstenen zijn lood lappen aanwezig die niet
overal strak aansluiten. De woningen beschikken over bakstenen buitengevels met luchtspouw en open stootvoegen op minder dan een halve meter boven de grond.
Twee-onder-een-kapwoningen (Gebouw nr. 3)
Deze woningen zijn tevens gedekt met dakpannen met kantpannen en hebben net als bebouwing 2 vogelschroot onder de nokpannen. Het lood tussen de schoorsteen en dakpannen aan beide zijden sluiten niet nauw aan, dat een opening tot onder het dak vormt. Beide woningen beschikken over bakstenen buitengevels met luchtspouw en open stootvoegen op minder dan een halve meter van de grond.
Daarnaast is er in het zuiden van het plangebied bestaat uit een weide omheind met prikkeldraad en grenst aan een slootje. In figuur 2.2 wordt de begrenzing (blauwe kader) van het plangebied weergegeven.
1
2
3
Figuur 2.2: Begrenzing van het plangebied
8
Quickscan Flora & Fauna Dahliastraat, Nijnsel
20-10-2023
2.2.
Voorgenomen activiteiten
Initiatiefnemer is voornemens alle bestaande bebouwing te slopen. Op het daarna vrijgekomen terrein zullen 58
nieuwe woningen gebouwd worden in de vorm van rijwoningen en appartementen. Daarnaast zal er na de bouw
nieuwe beplanting worden aangebracht en op meerdere locaties zullen parkeerplaatsen gerealiseerd worden. De meeste bestaande straten en het weiland zullen behouden blijven. Figuur 2.3 geeft het wenselijke eindbeeld weer.
Figuur 2.3: Verbeelding van het wenselijke eindbeeld
De volgende activiteiten worden getoetst op relevantie t.a.v. de Wet natuurbescherming: slopen bebouwing; rooien beplanting;
verwijderen verharding;
bouwrijp maken bouwplaats; bouwen woningen;
aanleggen verharding en beplanting.
2.3.
Onderzoeksgebied
Mogelijk effect op beschermde soorten en/of gebieden
De voorgenomen activiteiten hebben mogelijk een negatieve invloed op beschermde soorten en beschermd (natuur)gebied. We onderscheiden de volgende negatieve invloeden:
9
Quickscan Flora & Fauna Dahliastraat, Nijnsel
20-10-2023
Mogelijke tijdelijke invloeden:
verstoren rust- en voortplantingsplaatsen als gevolg van geluid, stof en trillingen tijdens de werkzaamheden.
Mogelijke permanente invloeden:
mogelijk afname/verdwijnen van beschermde vaste rust- of voortplantingsplaatsen en/of jaarrond beschermde nesten;
vernielen/verdwijnen van beschermde soorten;
aantasting van de kwaliteit van het leefgebied van beschermde soorten. Vaststellen van de invloedsfeer
Naast een tijdelijk effect op het plangebied, kan het voorkomen dat een voorgenomen activiteit een negatief
effect heeft op beschermde soorten of beschermd natuurgebied buiten het plangebied. Dit wordt invloedsfeer
genoemd. De omvang van de invloedsfeer wordt bepaald door de duur, aard en omvang van de tijdelijke en/of
permanente nieuwe situatie. Het effect van de voorgenomen activiteit op een beschermde soort verschilt per soort en/of soortgroep.
In deze studie wordt alleen gekeken naar de uitvoering van de fysieke werkzaamheden, zoals sloop- en bouwwerkzaamheden.
Vaststellen van het onderzoeksgebied
Om de effecten van de voorgenomen activiteiten goed in beeld te kunnen brengen, is het van belang ook buiten
het plangebied te kijken. In voorliggend geval grenst het plangebied aan de openbare weg en woningen. Vanwege de lokale invloedsfeer wordt het onderzoeksgebied gelijkgesteld aan het plangebied. Er is geen aanleiding te veronderstellen dat beschermde soorten en/of -waarden buiten het onderzoeksgebied op een dusdanige wijze
aangetast worden, dat dit leidt tot wettelijke consequenties.
10
Quickscan Flora & Fauna Dahliastraat, Nijnsel
20-10-2023
3. Natuurwetgeving en -beleid 3.1.
Inleiding
Bij een ruimtelijke ontwikkeling worden voorgenomen activiteiten op verschillende aspecten beoordeeld,
namelijk Natura 2000-gebieden, soortbescherming en houtopstanden. Hierbij is de provincie het bevoegd gezag.
Op een aantal terreinen vormt het Rijk echter het bevoegd gezag.
3.2.
Gebiedsbescherming
Natura 2000
Het onderdeel gebiedsbescherming van de Wet natuurbescherming heeft als doel het beschermen van Natura 2000-gebieden (Vogelrichtlijn- en/of Habitatrichtlijngebieden) in Nederland. Projecten die significante gevolgen
voor deze gebieden kunnen hebben, zijn in beginsel – zonder vergunning – niet toegestaan. Ook het vaststellen van plannen zoals een bestemmingsplan of een inpassingsplan is niet toegestaan, indien het betreffende plan
significante gevolgen kan hebben op Natura 2000-gebieden. Naast directe effecten (bijv. ruimtebeslag), dient ook
gekeken te worden naar indirecte effecten als gevolg van externe werking (bijv. door geluid, licht en
stikstofdepositie). De eerste stap in de toetsing is vaak een voortoets. Als significante gevolgen in de voortoets
niet op voorhand met zekerheid kunnen worden uitgesloten, dan is een passende beoordeling noodzakelijk. In dat geval is voor een project een vergunning noodzakelijk op grond van artikel 2.7 Wet natuurbescherming. Beleid t.a.v. Natuurnetwerk Nederland
In de Wet ruimtelijke ordening (Wro) is het ruimtelijk beleid op rijks-, provinciaal, en gemeentelijk niveau
vastgesteld, waarin onder andere de bescherming van het Natuurnetwerk Nederland (NNN)/Ecologische Hoofdstructuur (EHS) is verankerd. De EHS werd officieel geïntroduceerd in het Natuurbeleidsplan en is daarna opgenomen in de Nota Ruimte, welke inmiddels vervangen is door de Structuurvisie infrastructuur en ruimte
(SVIR). Kaderstellende regels ten aanzien van o.a. NNN/EHS zijn opgenomen in het Besluit algemene regels
ruimtelijke ordening (Barro). Bij geplande ingrepen die binnen het NNN/EHS vallen moet het belang van de
natuurbescherming worden afgewogen tegen andere belangen, indien de voorgenomen ingreep negatief uitwerkt op de aanwezige natuurwaarden. De kern van de afweging vormt het 'nee, tenzij'-principe. Dit wil zeggen
dat schadelijke ingrepen niet zijn toegestaan, tenzij er andere belangen zijn die de ingreep rechtvaardigen. In dat geval zijn compenserende maatregelen voorgeschreven.
Concrete beleidsregels ten aanzien van het NNN in Noord-Brabant zijn opgenomen in de vigerende provinciale
ruimtelijke verordening van de provincie Noord-Brabant. In Noord-Brabant wordt gesproken van het Natuurnetwerk Brabant (NNB), Groenblauwe mantel (GBM) en Nationaal landschap (NA).
3.3.
Soortenbescherming
In de Wet natuurbescherming is de soortenbescherming in Nederland geregeld. In de wet zijn lijsten opgenomen
met beschermde soorten. In de Wet natuurbescherming worden drie verschillende beschermingsregimes gehanteerd waaraan verschillende verbodsbepalingen zijn gekoppeld:
11
Quickscan Flora & Fauna Dahliastraat, Nijnsel
20-10-2023
Artikel 3.1: Soorten Vogelrichtlijn 1.
Het is verboden opzettelijk van nature in Nederland in het wild levende vogels van soorten als bedoeld in
2.
Het is verboden opzettelijk nesten, rustplaatsen en eieren van vogels als bedoeld in het eerste lid te vernielen
3.
Het is verboden eieren van vogels als bedoeld in het eerste lid te rapen en deze onder zich te hebben;
5.
Het verbod, bedoeld in het vierde lid, is niet van toepassing indien de storing niet van wezenlijke invloed is
4.
artikel 1 van de Vogelrichtlijn te doden of te vangen;
of te beschadigen, of nesten van vogels weg te nemen;
Het is verboden vogels als bedoeld in het eerste lid opzettelijk te storen; op de staat van instandhouding van de desbetreffende vogelsoort.
Artikel 3.5: Soorten Habitatrichtlijn 1.
Het is verboden in het wild levende dieren van soorten, genoemd in bijlage IV, onderdeel a, bij de Habitatrichtlijn, bijlage II bij het Verdrag van Bern of bijlage I bij het Verdrag van Bonn, in hun natuurlijk verspreidingsgebied opzettelijk te doden of te vangen;
2.
Het is verboden dieren als bedoeld in het eerste lid opzettelijk te verstoren;
4.
Het is verboden de voortplantingsplaatsen of rustplaatsen van dieren als bedoeld in het eerste lid te
3.
5.
Het is verboden eieren van dieren als bedoeld in het eerste lid in de natuur opzettelijk te vernielen of te rapen; beschadigen of te vernielen;
Het is verboden planten van soorten, genoemd in bijlage IV, onderdeel b, bij de Habitatrichtlijn of bijlage I bij het Verdrag van Bern, in hun natuurlijke verspreidingsgebied opzettelijk te plukken en te verzamelen, af te snijden, te ontwortelen of te vernielen.
Artikel 3.10: Andere Soorten 1.
Onverminderd artikel 3.5, eerste, vierde en vijfde lid, is het verboden: a.
onderdeel a. in het wild levende zoogdieren, amfibieën, reptielen, vissen, dagvlinders, libellen en kevers
b.
onderdeel b. de vaste voortplantingsplaatsen of rustplaatsen van dieren als bedoeld in onderdeel a
c.
onderdeel c. vaatplanten van de soorten, genoemd in de bijlage, onderdeel B, bij deze wet, in hun
van de soorten, genoemd in de bijlage, onderdeel A, bij deze wet, opzettelijk te doden of te vangen;
opzettelijk te beschadigen of te vernielen, of;
natuurlijke verspreidingsgebied opzettelijk te plukken en te verzamelen, af te snijden, te ontwortelen of te vernielen.
Zorgplicht
Artikel 1.11 van de Wet natuurbescherming voorziet in een algemene verplichting voor eenieder om voldoende zorg te dragen voor in het wild levende dieren en planten en hun directe leefomgeving.
De zorgplicht is als een open norm geformuleerd in het eerste lid van artikel 1.11. In het tweede lid wordt de zorgplicht iets geconcretiseerd door te bepalen dat de zorgplicht in elk geval inhoudt dat eenieder die weet of redelijkerwijs kan vermoeden dat door zijn handelen of nalaten nadelige gevolgen kunnen worden veroorzaakt voor in het wild levende dieren en planten:
12
Quickscan Flora & Fauna Dahliastraat, Nijnsel
20-10-2023
a.
dergelijke handelingen achterwege laat, dan wel,
b.
indien dat achterwege laten redelijkerwijs niet kan worden gevergd, de noodzakelijke maatregelen treft om die gevolgen te voorkomen, of
c.
voor zover die gevolgen niet kunnen worden voorkomen, deze zoveel mogelijk beperkt of ongedaan maakt.
Ten aanzien van de andere beschermde soorten geldt dat het bevoegd gezag (provincies c.q. ministerie van LNV) de vrijheid hebben om soorten binnen deze categorie vrij te stellen van de verbodsbepalingen uit
ontheffingsplicht artikel 3.10 uit de Wet natuurbescherming. Voor beschermde soorten die niet zijn vrijgesteld
dient bij overtreding van de verbodsbepalingen uit de Wnb een ontheffing te worden aangevraagd. Voor vogels geldt in afwijking hierop dat voor verstoring geen ontheffing nodig is, indien de gunstige staat van instandhouding
niet in het geding is. Het is ook mogelijk om voor beide categoriesoorten te werken volgens een goedgekeurde gedragscode die is afgestemd op de Wet natuurbescherming. Er is dan geen ontheffing nodig.
3.4.
Houtopstanden
Om het bosareaal in stand te blijven houden zijn regels opgenomen in de Wet Natuurbescherming ten aanzien
van houtopstanden (hoofdstuk 4). Meldplicht, herplantplicht en mogelijke oplegging van een kapverbod vormen hierbij de kern. Deze regels zijn in het belang van zowel nationale als internationale natuur-, landschaps- en
milieudoelstellingen. In de Wet wordt een houtopstand gedefinieerd als zelfstandige eenheid van bomen, boomvormers, struiken, hakhout of griend die: a.
een oppervlakte grond beslaat van 10 are of meer, of
b.
bestaat uit een rijbeplanting die meer dan twintig bomen omvat, gerekend over het totaal aantal rijen.
Indien een houtopstand geheel of gedeeltelijk gerooid wordt, dient de rechthebbende binnen drie jaar dezelfde
grond her te beplanten. Herbeplanting die niet is aangeslagen dient binnen drie jaar vervangen te worden.
Wanneer natuurlijke verjonging geen optie is, moeten boomsoorten die bij de groeiplaats aansluiten worden geplant.
Zoals beschreven in Artikel 4.1 heeft de Wet natuurbescherming geen betrekking op houtopstanden binnen de bij besluit van de gemeenteraad vastgestelde grenzen van de bebouwde kom, houtopstanden op erven en tuinen,
fruitbomen en windschermen om boomgaarden, naaldbomen die bedoelt zijn als kerstbomen (niet ouder dan twintig jaar), kweekgoed, éénrijige beplanting van populier of wilg langs landbouwgronden, wegbeplanting en
langs waterwegen, dunnen van een houtopstand en populieren, wilgen, essen of elzen die bedoelt zijn voor de productie van houtige biomassa.
Wanneer bomen binnen de bebouwde kom van de Wet Natuurbescherming gekapt zullen worden is de bomenverordening van de desbetreffende gemeente van kracht. Er zal nagegaan moeten worden wat de gevolgen zijn en of er een gemeentelijke (omgevings-)vergunning nodig is voor het rooien van de houtopstanden.
13
Quickscan Flora & Fauna Dahliastraat, Nijnsel
20-10-2023
4. Gebiedsbescherming 4.1.
Natuurnetwerk Brabant, Groenblauwe mantel en Nationaal landschap.
Ligging onderzoeksgebied t.o.v. NNB, GBM & NA
Het onderzoeksgebied ligt buiten gronden die tot Natuurnetwerk Brabant, Groenblauwe mantel en Nationaal
landschap behoren. Gronden die tot Natuurnetwerk Brabant behoren liggen op minimaal 450 meter afstand van
het onderzoeksgebied. In figuur 4.1 wordt de ligging van Natuurnetwerk Brabant in de omgeving van het
onderzoeksgebied (blauwe ster) weergegeven. Gronden die tot Groenblauwe mantel en Nationaal landschap behoren liggen op minimaal 0,5 kilometer afstand van het onderzoeksgebied.
Figuur 4.1: Ligging onderzoeksgebied (blauwe ster) t.o.v. NNB (groene/oranje/rose/blauwe kleur)
Effectbeoordeling
De bescherming van de Groenblauwe mantel en Nationaal landschap kent geen externe werking. Vanwege de
ligging buiten deze gronden hebben hoeft er niet getoetst te worden aan het GBM en NA ten aanzien van het
provinciaal beleid. Daarnaast is de invloedsfeer van de voorgenomen activiteiten lokaal en is de afstand met het
onderzoeksgebied dusdanig groot dat de voorgenomen activiteiten geen negatief effect op de wezenlijke kenmerken en waarden van de Natuurnetwerk Brabant hebben.
14
Quickscan Flora & Fauna Dahliastraat, Nijnsel
20-10-2023
Consequenties t.a.v. provinciaal beleid
Het onderzoeksgebied ligt buiten het Natuurnetwerk Brabant, Groenblauwe mantel en Nationaal landschap. De
bescherming van de Groenblauwe mantel en Nationaal landschap kent geen externe werking. Daarnaast is de invloedsfeer van de voorgenomen activiteiten lokaal en is de afstand met het onderzoeksgebied dusdanig groot dat de voorgenomen activiteiten geen negatief effect op de wezenlijke kenmerken en waarden van het
Natuurnetwerk Brabant hebben. Er hoeft dan ook niet getoetst te worden aan provinciaal beleid. Voorgenomen
activiteiten leiden niet tot consequenties ten aanzien van provinciaal beleid.
4.2.
Natura 2000
Ligging onderzoeksgebied t.o.v. Natura 2000
Het onderzoeksgebied ligt buiten Natura 2000-gebied. Het Natura 2000-gebied Kampina & Oisterwijkse Vennen is
het meest nabijgelegen Natura 2000-gebied en ligt op 12,56 kilometer afstand van het onderzoeksgebied. In figuur
4.2 wordt de ligging van Natura 2000-gebied (lichtgroene/okergele kleur) in de omgeving van het onderzoeksgebied (blauwe ster) weergegeven.
Figuur 4.2: Ligging onderzoeksgebied (blauwe ster) t.o.v. Natura 2000-gebied (lichtgroene/okergele kleur)
Beoordeling uitvoering fysieke activiteiten
De uitvoering van fysieke activiteiten in een onderzoeksgebied zou kunnen leiden tot een negatief effect op
instandhoudingsdoelen van een Natura 2000-gebied in de omgeving van een onderzoeksgebied. Als gevolg van
15
Quickscan Flora & Fauna Dahliastraat, Nijnsel
20-10-2023
fysieke werkzaamheden kunnen negatieve effecten optreden, zoals een toename van geluid, trillingen, kunstlicht, visuele verstoring, areaalverlies en aantasten hydrologie.
Gelet op de aard, omvang en duur van de voorgenomen activiteiten en de afstand tussen het onderzoeksgebied en Natura 2000-gebied, wordt in voorliggend geval een negatief effect op instandhoudingsdoelen van Natura
2000-gebied uitgesloten. De invloedsfeer van de voorgenomen activiteiten is lokaal en gelet op de afstand tussen het onderzoeksgebied en Natura 2000-gebied is een negatief effect uitgesloten. Stikstofgevoelige habitattypen
Niet alle habitattypen in Natura 2000-gebied zijn even gevoelig voor verzuring, als gevolg van stikstofdepositie,
maar het Natura 2000-gebied Kampina & Oisterwijkse Vennen bestaat voor een aanzienlijk deel uit
stikstofgevoelige habitattypen.
Beoordeling stikstof: Realisatie- en gebruiksfase
Ten behoeve van de totale ontwikkeling wordt materiaal met een verbrandingsmotor ingezet en vindt er een tijdelijke toename plaats van verkeersbewegingen als gevolg van de aan- en afvoer van materialen en personeel.
Daarnaast zal als gevolg van het realiseren van een extra woning een toename van verkeersbewegingen plaatsvinden in de gebruiksfase. Gelet op de ligging van het onderzoeksgebied ten opzichte van Natura 2000-
gebied, kan een negatief effect van stikstof op Natura 2000-gebied niet uitgesloten worden. Geadviseerd wordt om een stikstofberekening te laten uitvoeren. Consequenties t.a.v. WNB
Voorgenomen activiteiten hebben mogelijk een negatief effect op de instandhoudingsdoelstellingen van Natura
2000-gebied en leiden daarom mogelijk tot wettelijke consequenties. Het wordt geadviseerd om een stikstofberekening te laten uitvoeren om de mogelijke effecten in kaart te brengen.
4.3.
Slotconclusie
Het onderzoeksgebied behoort niet tot het Natuurnetwerk Brabant, Groenblauwe mantel, Nationaal landschap
of Natura 2000-gebied. De bescherming van de Groenblauwe mantel en Nationaal landschap kent geen externe
werking. Daarnaast hebben voorgenomen activiteiten een lokale invloedsfeer en is de afstand met het
onderzoeksgebied dusdanig groot dat de voorgenomen activiteiten geen negatief effect op de wezenlijke
kenmerken en waarden van het Natuurnetwerk Brabant hebben. Voorgenomen activiteiten leiden niet tot
consequenties ten aanzien van provinciaal beleid. Een negatief effect van voorgenomen activiteiten op Natura 2000-gebied kan op basis van voorliggende studie niet uitgesloten worden. Geadviseerd wordt om een stikstofberekening te laten uitvoeren om de mogelijke negatiefe effecten in kaart te brengen.
16
Quickscan Flora & Fauna Dahliastraat, Nijnsel
20-10-2023
5. Soortenbescherming 5.1.
Hypothese en bureauonderzoek
Het onderzoeksgebied is voorafgaand het veldbezoek bestudeerd aan de hand van literatuur. De mogelijke
aanwezigheid van beschermde soorten is bepaald aan de hand van de van regionale en landelijke verspreidingsatlassen, zoals RAVON, SOVON, Zoogdiervereniging en de Nationale Databank Flora en Fauna (NDFF).
De inrichting en het gevoerde beheer maken het onderzoeksgebied mogelijk tot een geschikte groeiplaats voor (beschermde) plantensoorten en tot een potentieel geschikt functioneel leefgebied voor verschillende
beschermde diersoorten. Gelet op de inrichting en het gevoerde beheer, behoort het onderzoeksgebied mogelijk
tot functioneel leefgebied van beschermde en/of algemene flora- en faunasoorten uit onderstaande soortgroepen:
amfibieën; flora;
grondgebonden zoogdieren; ongewervelden; vleermuizen; reptielen; vogels.
Vissen en kreeftachtigen
Omdat er geen open water (sloten, vijvers, watergangen) in het onderzoeksgebied aanwezig zijn of niet negatief
worden beïnvloed, zijn beschermde vissoorten en kreeftachtigen niet meegenomen in voorliggend onderzoek. Tevens geven de NDFF-verspreidingsgegevens van vissen en kreeftachtigen (NDFF, 2023) aan dat er in de omgeving van het onderzoeksgebied geen beschermde soorten voorkomen.
5.2.
Methode
Veldbezoek
In het kader van het natuurwaardenonderzoek is het onderzoeksgebied op 20 april 2023 tijdens de
daglichtperiode met geschikte weersomstandigheden bezocht. Het onderzoeksgebied is te voet onderzocht op de aanwezigheid en potentiële aanwezigheid van beschermde flora- en faunawaarden. Het gebied is visueel en auditief onderzocht. Tijdens het veldbezoek is gebruik gemaakt van een verrekijker, zaklamp en zijn de in dit rapport opgenomen afbeeldingen gemaakt.
Amfibieën
De onderzoeksperiode is geschikt voor verspreidingsonderzoek naar amfibieën. Amfibieën hebben de
winterverblijfplaats verlaten en, afhankelijk van de soort, bezetten amfibieën de land- of voortplantingsbiotoop. Amfibieën in landbiotoop zitten overdag ook meestal weggekropen in holen en gaten in de grond of onder strooisel, bladeren, takken, rommel of opgeslagen goederen en zijn dan lastig waar te nemen.
17
Quickscan Flora & Fauna Dahliastraat, Nijnsel
20-10-2023
Op basis van een beoordeling van landschappelijke kenmerken kan een goede inschatting gemaakt worden van
de functie van het onderzoeksgebied voor amfibieën en of de uitgevoerde inventarisatie voldoet aan de gestelde eisen voor onderzoek naar deze soorten. Daarbij is tevens rekening gehouden met de ligging van het onderzoeksgebied ten opzichte van het (normale) verspreidingsgebied van verschillende amfibieënsoorten. Flora
De onderzoeksperiode is geschikt voor onderzoek naar de groeiplaats van beschermde planten. In deze tijd van
het jaar bloeien de meeste soorten en is determinatie goed mogelijk. Het onderzoeksgebied is beoordeeld op
potentieel geschikte standplaatsen van planten. Beschermde planten komen hoofdzakelijk voor in de volgende
biotopen: zomen en ruigte, natte of droge storingsmilieu ’s, extensieve graslanden, akkers, moeras of pioniermilieus met open en zonnige standplaatsen. Grondgebonden zoogdieren
Het onderzoeksgebied is visueel onderzocht op het voorkomen van beschermde grondgebonden zoogdieren. De
onderzoeksperiode is geschikt voor verspreidingsonderzoek. Verschillende beschermde grondgebonden diersoorten hebben zogende zogen in deze tijd van het jaar en veel grondgebonden zoogdieren benutten de voortplantingsplaats als vaste rustplaats buiten de voortplantingsperiode.
Er is in het onderzoeksgebied gezocht naar grondgebonden zoogdieren, verblijfplaatsen en sporen die op de
aanwezigheid van grondgebonden zoogdieren in het onderzoeksgebied duiden zoals holen, nesten, graaf-, krab-
en bijtsporen, haren, prooiresten, pootafdrukken en uitwerpselen. Ongewervelden De
onderzoeksperiode
geschikt
voor
onderzoek
beschermde
dagvlinders,
libellen
en
overige
ongewervelden. Ongewervelden komen voor in waterelementen, natuurlijke oevers of plekken met essentiële waardplanten voor beschermde ongewervelden zoals hooilanden, heidevelden en hoogveenmoerassen.
Op basis van een beoordeling van landschappelijke kenmerken en het voorkomen van essentiële waardplanten kan een goede inschatting gemaakt worden van de functie van het onderzoeksgebied voor ongewervelden. Vleermuizen
De onderzoeksperiode is geschikt voor onderzoek naar verblijfplaatsen van vleermuizen. Er is in het
onderzoeksgebied gezocht naar vleermuizen en naar potentiële rust- verblijfplaatsen van vleermuizen in bomen en gebouwen. De gebouwen en bomen zijn beoordeeld op de geschiktheid als verblijfplaats. Daarbij is gekeken naar potentiële verblijfplaatsen in en aan de gebouwen en bomen.
Het onderzoek is uitgevoerd buiten de periode van de dag dat vleermuizen foerageren of lijnvormige landschapselementen benutten als vliegroute, maar de mogelijke betekenis van het onderzoeksgebied als
foerageergebied en vliegroute voor vleermuizen is bepaald op basis van een visuele beoordeling van de landschappelijke karakteristieken van het onderzoeksgebied.
18
Quickscan Flora & Fauna Dahliastraat, Nijnsel
20-10-2023
reptielen
De onderzoeksperiode is geschikt voor verspreidingsonderzoek naar reptielen. Soorten als levendbarende hagedis, ringslang of hazelworm hebben deze tijd van het jaar de winterverblijfplaats verlaten en bezetten nu het
voortplantingsbiotoop. Dit biotoop wordt gekenmerkt als heide, broeihopen, een goed ontwikkelde strooisellaag, ingerotte boomstobben of vegetatie van zeggen of russen.
Op basis van een beoordeling van landschappelijke kenmerken kan een goede inschatting gemaakt worden van de functie van het onderzoeksgebied voor reptielen en of de uitgevoerde inventarisatie voldoet aan de gestelde
eisen voor onderzoek naar deze soorten. Daarbij is tevens rekening gehouden met de ligging van het onderzoeksgebied ten opzichte van het (normale) verspreidingsgebied van verschillende reptielensoorten. Vogels
Het gebied is visueel en auditief onderzocht op het voorkomen van (broed)vogels. De onderzoeksperiode is
geschikt voor onderzoek naar (broed)vogels omdat de meeste vogels in deze tijd van het jaar territorium-
indicerend gedrag (zingen/balts) vertonen en veel soorten een bezet nest hebben. Sommige standvogels (dit zijn
vogels die niet wegtrekken in de winter), zoals de huismus, steen- en kerkuil zijn doorgaans het hele jaar door aanwezig in de buurt van de nest-/rustplaats. In het onderzoeksgebied is gekeken naar vogels, (oude) nesten en
sporen die op de aanwezigheid van nesten in het onderzoeksgebied duiden, zoals prooiresten (roofvogels), schijtsporen, braakballen, ruiveren (roofvogels), eierdoppen en zichtbaar nestmateriaal. De bebouwing is o.a. onderzocht op de aanwezigheid van huismussennesten. Op basis van een beoordeling van de landschappelijke
kenmerken kan een goede inschatting gemaakt worden van de functie van het onderzoeksgebied voor vogels en of de uitgevoerde inventarisatie voldoet aan de gestelde eisen voor onderzoek naar vogels.
5.3.
Resultaten en wettelijke consequenties
Amfibieën
Verspreiding en functie
Op basis van het veldbezoek, verspreidingsatlassen en NDFF wordt het onderzoeksgebied als functioneel
leefgebied voor verschillende beschermde amfibieënsoorten beschouwd, zoals gewone pad, bruine kikker en kleine watersalamander. Er zijn geen waarnemingen bekend van streng beschermde amfibieënsoorten (NDFF, 2023).
Algemeen beschermde amfibieënsoorten benutten de buitenruimte mogelijk als foerageergebied en mogelijk
bezetten ze er een (winter)rustplaats. Mogelijk vormt de sloot ten zuiden een voortplantingsbiotoop voor algemene amfibie soorten, deze blijft echter behouden. Amfibieën kunnen een (winter)rustplaats bezetten in holen en gaten in de grond. Het onderzoeksgebied wordt niet als functioneel leefgebied van zeldzame
amfibieënsoorten als kamsalamander, rugstreeppad of poelkikker beschouwd. In het onderzoeksgebied zijn geen
vennen, poelen of kleine plasjes aanwezig.
Wettelijke consequenties
Door het uitvoeren van grondverzet wordt mogelijk een amfibie gedood en wordt mogelijk een (winter)rustplaats
beschadigd of vernield. De in het onderzoeksgebied voorkomende amfibieën mogen niet gedood worden. Voor 19
Quickscan Flora & Fauna Dahliastraat, Nijnsel
20-10-2023
het beschadigen/ vernielen van de rust- en voortplantingsplaats geldt een vrijstelling van de verbodsbepalingen.
Om te voorkomen dat deze dieren (opzettelijk) gedood worden, dienen ze weggejaagd of weggevangen te worden en elders weer losgelaten te worden. Indien niet voorkomen kan worden dat beschermde dieren gedood worden,
dient een ontheffing van de verbodsbepalingen (doden) aangevraagd te worden. De functie van het onderzoeksgebied als foerageergebied neemt mogelijk tijdelijk af, maar dit leidt niet tot wettelijke consequenties.
Conclusie
Voor de aanwezige amfibieën geldt dat deze niet mogen worden gedood. Ze moeten worden weggevangen of er dient ontheffing aangevraagd te worden.
Flora
Tijdens het veldbezoek zijn geen beschermde plantensoorten aangetroffen. Daarnaast wordt het
onderzoeksgebied op basis van verspreidingsatlassen en NDFF niet als geschikt beschouwd op het voorkomen van beschermde plantensoorten (NDFF, 2023).
Wettelijke consequenties
Door het uitvoeren van de voorgenomen activiteiten worden geen beschermde plantensoorten aangetast. Er hoeft geen nader onderzoek uitgevoerd te worden en er hoeft geen ontheffing van de verbodsbepalingen aangevraagd te worden om de voorgenomen activiteiten uit te mogen voeren in het kader van de Wnb.
Conclusie
Uitvoering van de voorgenomen activiteiten leiden niet tot wettelijke consequenties voor flora.
Grondgebonden zoogdieren
Verspreiding en functie
Op basis van het veldbezoek, verspreidingsatlassen en NDFF wordt het onderzoeksgebied als functioneel leefgebied voor verschillende beschermde grondgebonden zoogdieren beschouwd en er is een waarneming
bekend van de bever en eekhoorn in de omgeving van Nijnsel (NDFF, 2018-2023). Grondgebonden zoogdieren die in het onderzoeksgebied voor kunnen komen zijn bosmuis, huisspitsmuis, haas, eekhoorn, egel en konijn.
De voorgenoemde muizensoorten bezetten mogelijk een vaste rust- en/of voortplantingsplaats in holen en gaten in de grond en onder opgeslagen spullen. De steenmarter bezet geen vaste rust- en/of voortplantingsplaats in het
onderzoeksgebied. Er zijn geen gebruikssporen aangetroffen welke eenvoudig vast te stellen zijn aan de hand van prooiresten en latrines. Er zijn tijdens het veldbezoek geen holen van konijnen aangetroffen. De bever komt niet voor binnen het onderzoeksgebied aangezien het ontbreekt aan voor de bever geschikte wateren en door de hoge
mate van verstoring. Daarnaast zijn er geen nesten van de eekhoorn in de bomen aangetroffen.
Wettelijke consequenties
Door het uitvoeren van grondverzet wordt mogelijk een beschermd grondgebonden zoogdier gedood en wordt mogelijk een vaste rust- en voortplantingsplaats beschadigd en vernield. De in het onderzoeksgebied
voorkomende grondgebonden zoogdiersoorten mogen niet gedood worden. Voor het beschadigen/vernielen van
20
Quickscan Flora & Fauna Dahliastraat, Nijnsel
20-10-2023
de rust- en voortplantingsplaats geldt een vrijstelling van de verbodsbepalingen. Om te voorkomen dat deze
dieren (opzettelijk) gedood worden, dienen ze weggejaagd of weggevangen te worden en elders weer losgelaten te worden. Indien niet voorkomen kan worden dat beschermde dieren gedood worden, dient een ontheffing van de verbodsbepalingen (doden) aangevraagd te worden. De functie van het onderzoeksgebied als foerageergebied
neemt mogelijk tijdelijk af, maar dit leidt niet tot wettelijke consequenties.
Conclusie
Voor de aanwezige grondgebonden zoogdieren geldt dat deze niet mogen worden gedood. Ze moeten worden weggevangen of er dient ontheffing aangevraagd te worden.
Ongewervelden
Verspreiding en functie
In het onderzoeksgebied zijn geen beschermde ongewervelden waargenomen en er zijn geen aanwijzingen
gevonden dat het onderzoeksgebied een geschikt habitat vormt voor beschermde ongewervelden. Er zijn eveneens geen verspreidingsgegevens bekend van beschermde ongewervelden in en nabij het onderzoeksgebied
(NDFF, 2023). Beschermde dagvlinders en libellen zijn voornamelijk gebonden aan specifieke terreintypen zoals droge- en vochtige heiden, vennen en hoogveen welke voornamelijk in natuurgebieden te vinden zijn. In het
onderzoeksgebied ontbreekt dergelijk habitat en er zijn geen geschikte waardplanten aanwezig van beschermde ongewervelden.
Wettelijke consequenties
Door het uitvoeren van de voorgenomen activiteiten worden geen beschermde ongewervelden gedood en wordt
geen vaste rust- en voortplantingsplaats beschadigd of vernield. Uitvoering van de voorgenomen activiteiten leiden niet tot wettelijke consequenties. Er hoeft geen nader onderzoek uitgevoerd te worden en er hoeft geen
ontheffing van de verbodsbepalingen aangevraagd te worden om de voorgenomen activiteiten uit te mogen voeren in het kader van de Wnb.
Conclusie
Uitvoering van de voorgenomen activiteiten leiden niet tot wettelijke consequenties voor ongewervelden.
Vleermuizen
Verspreiding en functie: verblijfplaats
Op basis van het veldbezoek, verspreidingsatlassen en NDFF wordt het onderzoeksgebied als functioneel
leefgebied voor verschillende beschermde vleermuissoorten beschouwd en er zijn waarnemingen bekend van de gewone dwergvleermuis in de nabijheid van het onderzoeksgebied (NDFF, 2019).
Er zijn tijdens het veldbezoek geen vleermuizen waargenomen. Er zijn echter wel meerdere invliegopeningen
waargenomen die toegang geven tot potentiële vaste rust- en/of voortplantingsplaatsen in het onderzoeksgebied. Het sushi restaurant beschikt over bakstenen buitengevels met luchtspouw en heeft aan drie
zijdes open stootvoegen. Daarnaast hebben de woningen kantpannen met ruimte tussen de pan en de gevel waar vleermuizen mogelijk een verblijfplaats kunnen bezetten. Alle woningen beschikken net als het sushi restaurant
21
Quickscan Flora & Fauna Dahliastraat, Nijnsel
20-10-2023
over bakstenen buitengevels met luchtspouw en open stootvoegen, in de woningen zitten deze echter op een
halve meter van de grond en kunnen hierdoor geen invliegopeningen vormen voor vleermuizen. De bomen binnen het onderzoeksgebied beschikken niet over holen in de stam of losse schors, hierdoor vormen ze geen mogelijke verblijfplaats voor de vleermuis.
Verspreiding en functie: foerageergebied
Het veldbezoek is uitgevoerd buiten de periode van de dag waarop vleermuizen foerageren, maar op basis van een beoordeling van de inrichting en het gevoerde beheer, wordt het onderzoeksgebied als een geschikt
foerageergebied voor vleermuizen beschouwd. Vermoedelijk foerageren verschillende soorten rond de bebouwing en beplanting. Gelet op de inrichting, het gevoerde beheer en de oppervlakte, wordt het onderzoeksgebied niet als essentieel foerageergebied voor vleermuizen beschouwd.
Verspreiding en functie: vliegroute
Sommige vleermuissoorten benutten lijnvormige elementen ter geleiding tijdens het foerageren en om van verblijfplaats naar foerageergebied te vliegen (en van foerageergebied naar verblijfplaats). Lijnvormige elementen
die benut worden als vliegroute kunnen bestaan uit houtopstanden en wateren, maar ook een rij lantaarnpalen en gevels van woningen. Het onderzoeksgebied vormt geen essentiële verbindende schakel in een lijnvormig landschapselement en maakt daarom geen onderdeel uit van een vliegroute van vleermuizen.
Wettelijke consequenties
Verblijfplaatsen van vleermuizen zijn jaarrond beschermd en mogen alleen met een ontheffing beschadigd of vernield worden en vleermuizen mogen alleen verstoord, verwond of gedood worden indien daarvoor een ontheffing is verkregen. Om de functie van de bebouwing voor vleermuizen vast te kunnen stellen is specifiek
vervolgonderzoek vereist. Een volledig onderzoek, conform het vleermuisprotocol, bestaat uit minimaal vijf bezoeken aan het onderzoeksgebied in de periode 15 mei - 30 september.
Om een ontheffing voor het beschadigen/vernielen van een verblijfplaats van vleermuizen of het verstoren van een vleermuis, te kunnen verkrijgen, moet er sprake zijn van een wettelijk belang, zoals opgenomen in de Habitatrichtlijn.
Conclusie
Om de functie van de bebouwing voor vleermuizen vast te kunnen stellen is een nader onderzoek vleermuis
vereist. Reptielen
Verspreiding en functie
Op basis van het veldbezoek wordt het onderzoeksgebied niet als functioneel leefgebied voor reptielen soorten beschouwd. Er is echter wel een waarneming van de levendbarende hagedis in de nabijheid van het onderzoeksgebied (NDFF 2022).
22
Quickscan Flora & Fauna Dahliastraat, Nijnsel
20-10-2023
Het onderzoeksgebied valt binnen het verspreidingsgebied van de levendbarende hagedis. Het ontbreekt echter
aan geschikt habitat voor deze soort. De levendbarende hagedis heeft een habitatvoorkeur voor heide en hoogveen, landschappen die beide niet in de omgeving van het onderzoeksgebied voorkomen. Daarnaast komt de levendbarende hagedis ook voor in open bossen en ruige graslanden. Tevens een habitat dat niet binnen het
onderzoeksgebied voorkomt. Aanwezigheid van deze soort kan dus uitgesloten worden.
Wettelijke consequenties
Door het uitvoeren van de voorgenomen activiteiten worden geen beschermd reptiel gedood en wordt geen voortplantings- en winterrustplaats beschadigd of vernield. Uitvoering van de voorgenomen activiteiten leiden
niet tot wettelijke consequenties. Er hoeft geen nader onderzoek uitgevoerd te worden en er hoeft geen ontheffing van de verbodsbepalingen aangevraagd te worden om de voorgenomen activiteiten uit te mogen voeren in het kader van de Wnb.
Conclusie
Uitvoering van de voorgenomen activiteiten leiden niet tot wettelijke consequenties voor reptielen.
Vogels
Verspreiding en functie
Op basis van het veldbezoek, verspreidingsatlassen en NDFF wordt het onderzoeksgebied als functioneel
leefgebied voor verschillende vogelsoorten beschouwd en zijn er waarnemingen bekend van de gierzwaluw, huismus, kerkuil, sperwer en torenvalk (NDFF, 2023). Daarnaast gebruiken verscheidene vogelsoorten het
onderzoeksgebied als foerageergebied. Vogelsoorten die mogelijk in het onderzoeksgebied nestelen zijn heggenmus, huismus, gierzwaluw, roodborst, vink, winterkoning, houtduif en merel.
Tijdens het veldbezoek zijn meerdere nesten van houtduiven in bomen en van kauwen in de bebouwing aangetroffen. Daarnaast zijn er meerdere waarnemingen gedaan van huismussen met nesten in woningen buiten
het onderzoeksgebied. Aangezien alle woningen beschikken over een dak gedekt met dakpannen kunnen nesten
van de huismus niet uitgesloten worden. Daarnaast zijn er openingen onder het loodlappen bij de schoorstenen en is er een dergelijke ruimte tussen de kantpannen en de gevel dat een nest van de gierzwaluw niet uitgesloten
kan worden. In het onderzoeksgebied zijn geen aanwijzingen gevonden dat roofvogels en/of uilen er een vaste
rust- of voortplantingsplaats bezetten. Vaste rust- en voortplantingsplaatsen van roofvogels en uilen zijn doorgaans eenvoudig vast te stellen aan de hand van schijtsporen, braakballen en ruiveren op de grond onder de
zitplaats. Het weiland in het zuiden van het onderzoeksgebied wordt niet als geschikt beschouwd voor vogels om te broeden wegens de hoge mate van verstoring door de ligging in de woonwijk.
Wettelijke consequenties Gierzwaluw
Als gevolg van het slopen van de woningen, wordt mogelijk een nest of nestplaats van een gierzwaluw beschadigd en vernield met als gevolg dat mogelijk vogels gedood worden of eieren beschadigd of vernield worden. Om
nesten van gierzwaluwen in de bebouwing in het onderzoeksgebied te kunnen vaststellen, is specifiek
23
Quickscan Flora & Fauna Dahliastraat, Nijnsel
20-10-2023
vervolgonderzoek vereist. Een volledig gierzwaluwonderzoek, conform Kennisdocument Gierzwaluw, bestaat uit drie avondbezoeken aan het onderzoeksgebied in de periode 15 mei tot en met 15 juli.
Om een ontheffing, voor het beschadigen/vernielen van een nest of nestplaats van gierzwaluwen of het verstoren
van een gierzwaluw, te kunnen verkrijgen, moet er sprake zijn van een wettelijk belang, zoals opgenomen in de Vogelrichtlijn.
Huismus
Als gevolg van de sloop van de woningen, wordt mogelijk een nest of nestplaats van een huismus beschadigd en vernield met als gevolg dat mogelijk vogels gedood worden of eieren beschadigd of vernield worden. Om nesten van huismussen in de bebouwing in het onderzoeksgebied te kunnen vaststellen, is specifiek vervolgonderzoek vereist. Een volledig onderzoek, conform Kennisdocument Huismus, bestaat uit twee ochtendbezoeken aan het onderzoeksgebied in de periode 1 april tot en met 15 mei.
Overige soorten
De overige in het onderzoeksgebied nestelende vogelsoorten is uitsluitend het bezette nest beschermd, niet het
oude nest of de nestplaats. Voor het beschadigen/vernielen van een bezet nest (eieren) of het doden van een vogel kan geen ontheffing van de verbodsbepalingen verkregen worden omdat de voorgenomen activiteit niet als
een in de wet genoemd belang wordt beschouwd. Werkzaamheden die kunnen leiden tot het verstoren/vernielen
van vogelnesten dienen daarom buiten de voortplantingsperiode van vogels uitgevoerd te worden. De meest
geschikte periode om de voorgenomen activiteiten uit te voeren is september-februari. Voorgenomen
werkzaamheden mogen juridisch beschouwd wel plaatsvinden tijdens het broedseizoen van vogels, mits geen bezette vogelnesten beschadigd/vernield worden. Om dit te voorkomen dient dan een broedvogelscan te worden uitgevoerd. De functie van het onderzoeksgebied als foerageergebied neemt mogelijk tijdelijk af, maar dit leidt niet tot wettelijke consequenties.
Conclusie
De sloop van de woningen leidt mogelijk tot wettelijke consequenties voor huismus en gierzwaluw. Nader onderzoek is noodzakelijk om nesten van huismus en gierzwaluw in deze bebouwing uit te kunnen sluiten. Uitvoeren voorgenomen activiteiten buiten de voortplantingsperiode (of broedvogelscan uitvoeren).
Overige soorten
Het onderzoeksgebied behoort niet tot functioneel leefgebied van andere beschermde flora- of faunasoorten.
Vanwege de lokale invloedsfeer heeft de voorgenomen activiteit geen negatief effect op andere beschermde soorten. Nader onderzoek of het aanvragen van een ontheffing is niet noodzakelijk.
24
Quickscan Flora & Fauna Dahliastraat, Nijnsel
20-10-2023
5.4.
Slotconclusie
In tabel 5.1 en tabel 5.2 worden de wettelijke consequenties samengevat weergegeven. Tabel 5.1: Samenvatting van de wettelijke consequenties Soortgroep
Functie
Beschermde
Amfibieën
Foerageergebied
Amfibieën Amfibieën Amfibieën
Verbodsbepalingen
Aandachtspunt
Diverse soorten
Niet van toepassing; vrijstelling
Geen
(Winter)rustplaats
Diverse soorten
Niet van toepassing; vrijstelling
Geen
Voortplantingsplaats
Niet aanwezig
soorten
onderzoeksgebied
Doden van dieren
Flora
Geen dieren doden:
Niet aanwezig
Niet van toepassing
Niet aanwezig
Niet van toepassing
Geen
Essentieel
Niet aanwezig
Niet van toepassing
Geen
Vliegroute
Niet aanwezig
Niet van toepassing
Geen
Foerageergebied
Niet aanwezig
Niet van toepassing
Geen
Ongewervelden
Doden van dieren
rust-
rust-
voortplantingsplaats
en
en
Rust-
voortplantingsplaats
of
foerageergebied Doden van dieren
Reptielen
Voortplantingsplaats
Reptielen
Doden van dieren
Vogels
i.v.m. ruimtelijke ontwikkeling
Diverse soorten
i.v.m. ruimtelijke ontwikkeling
Diverse soorten
Art. 3.5. lid 4
Diverse soorten
(Winter)rustplaats
Reptielen
Foerageergebied
Art. 3.5. lid 1
Niet aanwezig
Niet van toepassing
Niet aanwezig
Niet van toepassing
Niet aanwezig
Niet van toepassing
Diverse soorten
Niet
van
toepassing; vrijstelling
i.v.m. ruimtelijke ontwikkeling
Vogels
Bezette
Vogels
Jaarrond beschermde
Huismus
Vogels
Doden van dieren
Diverse soorten
Art. 3.1 lid 1
Niet aanwezig
Niet van toepassing
(niet
nest- en rustplaats
flora-
faunasoorten
25
nesten
jaarrond beschermd)
Overige
en
Geen
Art. 3.10 lid 1a
Vaste
Reptielen
aanvragen
Diverse soorten
Ongewervelden
Vleermuizen
wegvangen of ontheffing
Geen
Doden van dieren
Vleermuizen
Geen
Geen dieren doden:
Niet van toepassing; vrijstelling
Grondgebonden
Vleermuizen
Niet van toepassing
Diverse soorten
voortplantingsplaats
Vleermuizen
Art. 3.10 lid 1a
Geen
Vaste
zoogdieren
Niet van toepassing
Niet van toepassing; vrijstelling
Grondgebonden zoogdieren
i.v.m. ruimtelijke ontwikkeling
Niet aanwezig
Foerageergebied
zoogdieren
i.v.m. ruimtelijke ontwikkeling
Diverse soorten
Standplaats
Grondgebonden
(Wet natuurbescherming)
Dieren
functies
en
overige
Diverse soorten
gierzwaluw
Quickscan Flora & Fauna Dahliastraat, Nijnsel
Art. 3.1 lid 2 en
Art. 3.1 lid 2
20-10-2023
wegvangen of ontheffing aanvragen Geen
Nader onderzoek vleermuis
Nader onderzoek vleermuis Geen Geen Geen
Geen
Werken buiten
voortplantingsperiode of
broedvogelscan uitvoeren
Nader onderzoek huismus en gierzwaluw
Werken buiten
voortplantingsperiode of
broedvogelscan uitvoeren Geen
Tabel 5.2: Vereenvoudigde samenvatting van de wettelijke consequenties per soortgroep Soortgroep
Amfibieën Flora
Vaste
rust
Voort-
Vliegroute
Essentieel
standplaats
plaats
muizen)
gebied
plaats/ Ja
plantingsNee
(vleern.v.t.
foerageer-
Wettelijke
consequenties
Nee
Ja
Nader
onderzoek vereist Nee
Ontheffing vereist Nee, tenzij dieren gedood worden
Nee
n.v.t.
n.v.t.
n.v.t.
Nee
Nee Nee
Nee, tenzij dieren
Ongewervelden
Nee
Nee
n.v.t.
Nee
Nee
Nee
Nee
Reptielen
Nee
Nee
n.v.t.
Nee
Nee
Nee
Grondgebonden zoogdieren
Vleermuizen Vogels
Ja
Mogelijk Mogelijk
Ja
Mogelijk Ja
n.v.t.
Nee
n.v.t.
Nee
Ja
Nee
Mogelijk
Nee
Ja
Ja
Nader
onderzoek
huismus en
gierzwaluw.
26
Quickscan Flora & Fauna Dahliastraat, Nijnsel
20-10-2023
Nee
gedood worden Mogelijk
Nee
Mogelijk
6. Houtopstanden
Wegens de ligging binnen de bebouwde kom van de Wet natuurbescherming is de bomenverordening van de
gemeente Meierijstad van toepassing. Er dient te worden nagegaan of een (omgevings-)vergunning aangevraagd moet worden voor het rooien van de desbetreffende bomen. Indien er een vergunning nodig is, dient, afhankelijk
van de gemeente, een Bomen Effect Analyse en een Boomwaardebepaling te worden uitgevoerd. Eveneens geldt
er een herplantplicht voor de bomen die gerooid worden. In hoeverre deze plicht geldt, is ook afhankelijk van de desbetreffende gemeente.
27
Quickscan Flora & Fauna Dahliastraat, Nijnsel
20-10-2023
7. Conclusie
Conclusie m.b.t. gebiedsbescherming
Het onderzoeksgebied behoort niet tot het Natuurnetwerk Brabant, Groenblauwe mantel, Nationaal landschap of Natura 2000-gebied. De bescherming van de Groenblauwe mantel en Nationaal landschap kent geen externe werking. Daarnaast hebben voorgenomen activiteiten een lokale invloedsfeer en is de afstand met het
onderzoeksgebied dusdanig groot dat de voorgenomen activiteiten geen negatief effect op de wezenlijke kenmerken en waarden van het Natuurnetwerk Brabant. Voorgenomen activiteiten leiden niet tot consequenties
ten aanzien van provinciaal beleid. Gelet op de ligging van het onderzoeksgebied ten opzichte van Natura 2000-
gebied, kan een negatief effect van stikstof op Natura 2000-gebied niet uitgesloten worden. Voorgenomen activiteiten hebben mogelijk een negatief effect op de instandhoudingsdoelstellingen van Natura 2000-gebied en
leiden daarom mogelijk tot wettelijke consequenties. Het wordt geadviseerd om een stikstofberekening te laten uitvoeren om de mogelijke effecten in kaart te brengen. Conclusie m.b.t. soortenbescherming
De inrichting en het gevoerde beheer maken het onderzoeksgebied niet tot een geschikte groeiplaats voor beschermde planten maar wel tot een geschikt functioneel leefgebied van verschillende beschermde diersoorten.
Beschermde diersoorten benutten het onderzoeksgebied als foerageergebied en mogelijk bezet een beschermd
grondgebonden zoogdier er een vaste rust- en/of voortplantingsplaats, bezetten amfibieën er een (winter)rustplaats, nestelen er vogels en bezetten vleermuizen er een vaste rust- en/of verblijfplaats.