CConstaterende datMeierijstad
Koppel je AI →
Document · PDF

Bijlage 2: Vastgesteld plan Past Smitsstraat 1a Olland regels en toelichting

Raadsvergadering 6 april 2023, gemeente MeierijstadBij agendapunt: Vaststelling bestemmingsplan 'Pastoor Smitsstraat 1a te Olland'22.814 woorden

Open het PDF bij de gemeente ↗Naar de vergadering →

Tekst van het document

Uit het bestand gehaald, zonder opmaak, tabellen en afbeeldingen · deel 2 van 3

Er is geen sprake van een ernstig geval van bodemverontreiniging met asbest. Op basis van de Wet bodembescherming vormen de aangetroffen verhoogde waarden geen aanleiding voor aanvullend en/of nader onderzoek. Met het uitgevoerde bodemonderzoek is de bodemkwaliteit voldoende vastgelegd. De resultaten vormen, ons inziens, géén belemmering voor het toekomstige gebruik van het terrein. De onderzoekslocatie is voldoende onderzocht op het voorkomen van asbest in de bodem.

Hoofdstuk 4

25

Geadviseerd wordt bij herinrichting van het terrein alert te zijn op bodemvreemde bijmengingen en deze grond mogelijk apart te af te graven. Daarnaast dient het eventueel aanwezige betongruis en het uiterst puinhoudende materiaal als bouwstof te worden beschouwd. Bij vrijkomen dient het materiaal te worden onderzocht conform het Besluit bodemkwaliteit, om de hergebruiksmogelijkheden te bepalen.

Figuur 4.2 Boringspunten

Asbestinventarisatie Naar aanleiding van het beschreven verkennend bodemonderzoek is een asbestinventarisatie ter plaatse van een garage aan de Pastoor Smitsstraat 1 uitgevoerd door Asbest Adviseurs B.V.. De volledige rapportage is te vinden in de bijlagen. Tijdens de inventarisatie zijn de volgende asbesthoudende en asbestverdachte toepassingen waargenomen: 1) Dakbeschot. Ten aanzien van het dakbeschot bestaat geen direct risico. De bron dient verwijderd te worden voorafgaand aan renovatie en/of sloop. 2) Plaat op deur. Ook de plaat op deur betreft geen direct risico. De bron dient verwijderd te worden voorafgaand aan renovatie en/of sloop. Naast het bovenstaande is de vraag beantwoord of er een redelijk vermoeden bestaat tot verborgen asbesthoudende materialen welke alleen middels het uitvoeren van destructieve onderzoekshandelingen in kaart gebracht kunnen worden. Het antwoord hierop luidt dat hiertoe geen vermoeden bestaat. Indien de schuur en de directe omgeving rondom de schuur na verwijdering van het asbesthoudende materiaal wordt vrijgegeven conform de NEN2990, dan wordt een bodemonderzoek naar asbest na sloop in deze situatie niet noodzakelijk geacht.

Hoofdstuk 4

26

4.6 (Ondergrondse) Infrastructuur In het plangebied zijn geen kabels of leidingen gelegen die zorgen voor een belemmering van het initiatief. Er zijn voor zover bekend ook geen kabels en leidingen in het plangebied gelegen die een beschermingszone vereisen en die in dit bestemmingsplan geregeld moet worden. Een klic-melding is reeds aangevraagd om ervoor te zorgen dat geen kabels worden beschadigd. Uit deze klic-melding blijkt dat er over het perceel kabels en leidingen liggen die naar de achterliggende bebouwing aan de Karthuizerweg (nr. 4) leiden. Deze kabels en leidingen zullen omgelegd worden. In figuur 4.3 zijn de kabels en leidingen weergegeven.

Figuur 4.3 Aanwezige kabels en leidingen in het plangebied

Hoofdstuk 4

27

4.7 Bedrijven en milieuzonering Onder milieuzonering wordt verstaan het waar nodig zorgen voor een voldoende ruimtelijke scheiding tussen enerzijds bedrijven of overige milieubelastende functies en anderzijds milieugevoelige functies zoals woningen. Bij de planontwikkeling dient rekening te worden gehouden met milieuzonering om de kwaliteit van het woon- en leefmilieu te handhaven en te bevorderen en daarnaast bedrijven voldoende zekerheid te bieden dat zij hun activiteiten duurzaam binnen aanvaardbare voorwaarden kunnen uitvoeren. Richtafstanden Bij de milieuzonering wordt gebruik gemaakt van de door de Vereniging van Nederlandse Gemeenten (VNG) opgestelde publicatie ‘Bedrijven en milieuzonering’ 2. In de publicatie is een lijst opgenomen met bedrijfstypen. Voor de bedrijfstypen zijn indicatieve (richt)afstanden bepaald voor de milieuaspecten geur, stof, geluid en gevaar. De richtafstanden vormen een indicatie van de aanvaardbaarheid in de situatie dat gevoelige functies in de nabijheid van milieubelastende functies worden gesitueerd. Indien bekend is welke activiteiten concreet worden beoogd of aanwezig zijn, kan gemotiveerd worden uitgegaan van de daadwerkelijk te verwachten milieubelasting (in plaats van de richtafstanden).

Omgevingstype De richtafstanden zijn afgestemd op de omgevingskwaliteit zoals die wordt nagestreefd in een rustige woonwijk of een vergelijkbaar omgevingstype (zoals een rustig buitengebied, een stiltegebied of een natuurgebied). Een rustige woonwijk is een woonwijk die is ingericht volgens het principe van functiescheiding. Afgezien van wijkgebonden voorzieningen komen vrijwel geen andere functies (zoals bedrijven en kantoren) voor. Binnen gemengde gebieden heeft men te maken met milieubelastende en milieugevoelige functies die op korte afstand van elkaar zijn gesitueerd. Direct naast woningen komen andere functies voor zoals winkels, horeca en kleine bedrijven. Voorbeelden van gebieden met functiemenging zijn horecaconcentratiegebieden, stadscentra, winkelcentra en winkelgebieden van dorpskernen, woon-werkgebieden met kleinschalige ambachtelijke bedrijvigheid, gebieden langs stadstoegangswegen met meerdere functies en lintbebouwing in het buitengebied met veel agrarische en andere bedrijvigheid. De bedrijfsactiviteiten in Olland beperken zich over het algemeen tot de lichtere milieucategorieën. Scholen, sportvoorzieningen, detailhandel en dienstverlening en de lichtere horecabedrijven zoals een café-restaurant en een cafetaria worden, zeker in gemengde bebouwingslinten, over het algemeen goed vermengbaar geacht met de woonfunctie.

Doorwerking plangebied Hoewel er meerdere niet-woonfuncties in de directe omgeving (bij woningen zijn niet milieubelastende bedrijfsactiviteiten toegestaan in de milieu categorieën 1 en/of 2 wanneer de aanduiding ‘bedrijf’ geldt, daarnaast zijn er in de omgeving scholen, dienstverlening en maatschappelijke voorzieningen) aanwezig zijn, domineert in dit gedeelte van de Pastoor Smitsstraat de woonfunctie en daarom is er zorgvuldigheidshalve voor gekozen het plangebied als ‘rustig woongebied’ te kwalificeren. Op het adres Karthuizerweg 3-3a is vergunning verleend voor het wijzigen van het bedrijfstype (voorheen timmerfabriek) naar een klusbedrijf. Een klusbedrijf valt onder een ‘Aannemersbedrijf met werkplaats b.o. < 1000 m2’ en heeft een milieucategorie 2. De richtafstand tot gevoelige functies die hierbij hoort is 30 meter. De werkelijke afstand van het plangebied tot de Karthuizerweg 3-3a bedraagt 83 2

‘Bedrijven en Milieuzonering’, Uitgave VNG, Den Haag, 2009.

Hoofdstuk 4

28

meter. Aan deze richtafstand wordt dus ruimschoots voldaan. In planologische zin kan zich op dit adres een timmerfabriek vestigen. Op dat moment zal de bedrijfsvoering van de timmerfabriek moeten voldoen aan de normstelling uit het Activiteitenbesluit. In dezelfde richting als waar de beoogde woning die met onderhavig plan mogelijk gemaakt wordt, staat op een kortere afstand (80 meter), een bestaande woning (Pastoor Smitsstraat 1), die als maatgevende woning zal dienen. Het bedrijf zal dus niet onevenredig beperkt worden door het nieuwbouwplan. Op circa 184 meter ten noorden van het plangebied, gelegen aan de Schootsedijk 44, zijn een duikschool, hoveniersbedrijf en een statische opslag gesitueerd. De duikschool kan gelijkgesteld worden aan een binnenzwembad, welke een richtafstand heeft van 50 meter. Daarnaast liggen er tussen de duikschool en de ontwikkeling veel andere woningen. Het bedrijf zal niet extra belemmerd worden door de bouw van deze woning. Het hoveniersbedrijf moet op minstens 30 meter afstand zitten, waaraan ruimschoots voldaan wordt, en de opslag wordt veelal ingeschaald als categorie 2, wat betekent dat een richtafstand van 30 meter wordt aangehouden. Aan de Pastoor Smitsstraat 4 bevindt zich een café. Ter plaatse is horeca toegestaan van de categorie 3.

Dit is een bedrijf dat in hoofdzaak is gericht op het bedrijfsmatig verstrekken van overwegend alcoholische dranken voor consumptie ter plaatse, al dan niet in combinatie met kleine etenswaren, zoals een café. De bijbehorende milieucategorie is categorie 2, wat betekent dat een richtafstand van 30 meter wordt aangehouden. De werkelijke afstand bedraagt circa 75 meter. Tot slot zijn er nog enkele veehouderijen in de omgeving gelegen aan Morgenstraatje 1, Karthuizerweg 1 en Ollandseweg 185 en 181. Aan de twee eerstgenoemde adressen zijn melkveehouderijen gesitueerd. Richtafstand van deze veehouderijen tot gevoelige functies betreft 100 meter. De planlocatie is op 140 meter afstand gelegen van Morgenstraatje 1 en op 115 meter gelegen van Karthuizerweg 1. Aan de richtafstand wordt dus voldaan. De veehouderijen op de Ollandseweg zijn beide niet actief. Echter geldt voor deze veehouderijen dat ze planologisch nog zijn toegestaan en is de veehouderij aan de Ollandseweg 185 nog steeds vergund tot het houden van melkrundvee. Aangezien de Ollandseweg 181 zich op 280 meter bevindt van het plangebied en de Ollandseweg op 185 meter van het plangebied, en de grootste richtafstand 100 meter bedraagt, bestaan er geen belemmeringen vanuit deze veehouderijen. Voorts zijn er enkele geitenhouderijen in de omgeving van het plangebied. Hier wordt nader op ingegaan in de paragraaf 4.12 ‘Gezondheid’.

Aan de Schootsedijk 47 bevindt zich een geitenhouderij waar tevens intensieve veehouderij (geiten en schapen) is toegestaan. Voor deze graasdieren is van toepassing dat er een hoogste richtafstand geldt van 50 meter. Aangezien het plangebied zich op een kleine 200 meter bevindt, kan geconcludeerd worden dat aan deze richtafstand wordt voldaan. Het aspect ‘bedrijven en milieuzonering’ zorgt niet voor belemmeringen voor onderhavig planvoornemen.

4.8 Geurhinder Voor veehouderijen is de regelgeving ten aanzien van het specifieke aspect geur vastgelegd in de Wet geurhinder en veehouderij (Wgv). Bij nieuwe planologische projecten in het kader van de Wet ruimtelijke ordening dient te worden gekeken naar de aanvaardbaarheid van deze plannen in verband

Hoofdstuk 4

29

met omliggende geurbronnen, de zogenaamde omgekeerde werking. In de Wgv zijn voor verschillende dieren geuremissienormen opgenomen die de maximale geurbelasting op een gevoelig object bepalen. Als de geuremissie van een dier niet bekend is, stelt de wet minimumafstanden tussen een veehouderij en een geurgevoelig object. Als die geuremissie wel bekend is, dan moet de geurbelasting worden berekend. De emissie van geurstoffen uit een veehouderijbedrijf wordt uitgedrukt in geureenheden. De berekende geurbelasting wordt getoetst aan de norm (de maximale belasting die het bedrijf mag veroorzaken). Gemeenten mogen, binnen bepaalde bandbreedten, van deze wettelijke normen afwijken als er een gebiedsvisie is opgesteld en een geurverordening is vastgesteld. Doorwerking plangebied Bij de ontwikkeling van woningen is sprake van een geurgevoelig object. Derhalve dient gekeken te worden naar de geurhinder veroorzaakt door omliggende veehouderijen. De geurhinder wordt bepaald op basis van de achtergrondbelasting en de voorgrondbelasting. Met de voorgrondbelasting wordt de geurbelasting bedoeld van die veehouderij die de meeste geurbelasting op een voor geurhinder gevoelig object veroorzaakt. De achtergrondbelasting wordt veroorzaakt door alle veehouderijen die rondom een geurgevoelig object zijn gelegen.

De achtergrondbelasting is een goede maat om de effecten van geurhinder op het woon- en leefmilieu te kunnen beoordelen. Om de voor- en achtergrondbelasting inzichtelijk te maken is een geuronderzoek uitgevoerd door de Roever. Dit onderzoek is opgenomen in de bijlagen. Op basis van het onderzoek wordt het volgende geconcludeerd: Omdat veehouderijen op grote afstand van het plangebied zijn gelegen (meer dan 100 meter) kan worden gesteld dat ten aanzien van afstanden sprake is van een aanvaardbaar woon- en leefklimaat. De hoogst berekende voorgrondbelasting bedraagt 1,9 ouE/m3. Deze waarde voor de voorgrondbelasting komt overeen met een ‘goed’ woon- en leefklimaat. De geurnorm voor geurgevoelige objecten binnen het plangebied bedraagt 3,0 ouE/m3. Aan deze geurnorm (die overeenkomt met een ‘goed’ woon- en leefklimaat) wordt voldaan. De achtergrondbelasting van maximaal 4,1 ouE/m3 komt overeen met een ‘goed’ woon- en leefklimaat. Het woon- en leefklimaat op grond van de achtergrondbelasting is daarom gelijk aan of beter dan het ‘goed’ woon- en leefklimaat dat op grond van de voorgrondbelasting. Het aspect ‘geurhinder’ zorgt niet voor belemmeringen voor onderhavig planvoornemen.

4.9 Akoestiek wegverkeerslawaai In de Wet geluidhinder (Wgh) is vastgesteld dat, indien in het plangebied geluidgevoelige functies (zoals woningen) zijn voorzien binnen de invloedssfeer van (weg)verkeerslawaai, akoestisch onderzoek uitgevoerd dient te worden bij vaststelling of herziening van het bestemmingsplan. Dit geldt voor alle straten en wegen, met uitzondering van:  wegen die in een als ‘woonerf’ aangeduid gebied liggen;  wegen waarvoor een maximumsnelheid van 30 km/uur geldt.

Hoofdstuk 4

30

Doorwerking plangebied Er is door K+ Adviesgroep een akoestisch onderzoek verricht naar de te verwachten optredende geluidbelastingen vanwege wegverkeerslawaai ter plaatse van de nieuwe situatie. Het akoestisch onderzoek is noodzakelijk omdat het plan is gelegen binnen de geluidzone van de Schootsedijk en Ollandseweg. In het kader van een goede ruimtelijke ordening is de Pastoor Smitsstraat opgenomen in het akoestisch onderzoek.. In deze toelichting worden de belangrijkste conclusies uit het onderzoek vermeld. Voor het volledige onderzoek wordt verwezen naar de bijlagen. Schootsedijk De geluidbelasting ten gevolge van deze weg is maximaal 33 dB, incl. aftrek artikel 110g. De waarde ligt onder de voorkeursgrenswaarde waardoor geen hogere waarde ten aanzien van deze weg hoeft te worden aangevraagd. De Wet geluidhinder legt ten gevolge van deze weg geen restricties op aan het plan. Ollandseweg De geluidbelasting ten gevolge van deze weg is maximaal 33 dB, incl. aftrek artikel 110g. De waarde ligt onder de voorkeursgrenswaarde waardoor geen hogere waarde ten aanzien van deze weg hoeft te worden aangevraagd. De Wet geluidhinder legt ten gevolge van deze weg geen restricties op aan het plan. Pastoor Smitsstraat Er is sprake van een 30 km/zone, zodat niet hoeft te worden getoetst aan de Wet geluidhinder.

In het kader van een goede ruimtelijke ordening wordt de weg wel beschouwd en wordt ook het toetsingskader van de Wet geluidhinder gehanteerd. In een aantal waarneempunten zijn gevelbelastingen vastgesteld hoger dan de ‘voorkeursgrenswaarde’. De geluidbelasting ten gevolge van deze weg is maximaal 57 dB, zonder aftrek artikel 110g. Zou die aftrek wel worden gehanteerd, dan is de geluidbelasting 52 dB waarmee deze boven de voorkeursgrenswaarde zou liggen wanneer getoetst zou worden aan de Wet geluidhinder. De maximale ontheffingswaarde wordt niet overschreden. Omdat geen sprake is van een gezoneerde weg, hoeft ook geen hogere waarden ten aanzien van deze weg worden aangevraagd. Formeel hoeven ten gevolge van deze weg geen maatregelen te worden getroffen aan de gevel. Uit het oogpunt van wooncomfort en gezondheid wordt echter geadviseerd wel maatregelen te treffen om een binnenniveau van 33 dB te garanderen. Ter borging is in de planregels een voorwaardelijke verplichting opgenomen voor het realiseren van voldoende gevelwering. Het aspect geluidhinder verkeerslawaai vormt geen belemmering voor onderhavig planvoornemen.

4.10 Luchtkwaliteit De hoofdlijnen voor regelgeving rondom luchtkwaliteitseisen staan beschreven in de Wet milieubeheer (hoofdstuk 5 Wm). Bij de start van nieuwe bouwprojecten moet onderzocht worden of het effect van een nieuw initiatief relevant is voor de luchtkwaliteit. Er is geen relevantie als aannemelijk kan worden gemaakt, dat de luchtkwaliteit ‘niet in betekenende mate’ aangetast wordt. Daartoe is een algemene maatregel van bestuur ‘Niet in betekenende mate’ (Besluit NIBM) en een ministeriële regeling NIBM (Regeling NIBM) vastgesteld waarin de uitvoeringsregels vastgelegd zijn die betrekking hebben op het begrip NIBM.

Hoofdstuk 4

31

In de Regeling NIBM is een lijst met categorieën van gevallen (inrichtingen, kantoor- en woningbouwlocaties) opgenomen die niet in betekende mate bijdragen aan de luchtverontreiniging. Deze gevallen kunnen zonder toetsing aan de grenswaarden voor het aspect luchtkwaliteit uitgevoerd worden. Ook als het bevoegd gezag op een andere wijze, bijvoorbeeld door berekeningen, aannemelijk kan maken dat het geplande project NIBM bijdraagt, kan toetsing van de luchtkwaliteit achterwege blijven. Doorwerking plangebied Wanneer sprake is van minder dan 1.500 woningen bij minimaal 1 ontsluitingsweg wordt de toename in verslechtering van de luchtkwaliteit gezien als ‘niet in betekende mate’. Met onderhavig plan wordt slechts één nieuwe woning mogelijk gemaakt en worden er verder geen functies ontwikkeld. De ontwikkeling draagt dan ook niet in betekende mate bij aan de verslechtering van de luchtkwaliteit. Om aan te tonen of sprake is van een goed woon- en leefklimaat ter plaatse van het plangebied, wordt gekeken naar de achtergrondwaarden. Deze achtergrondwaarden kunnen achterhaald worden met behulp van de NSL-monitoringstool. In tabel 4.2 zijn de achtergrondwaarden van de dichtstbijzijnde meetpunten weergegeven. Meetpunt 15537475 15537371 15537354 15537478 15537518 Norm

NO2 μg/m3 15.7 15.7 15.7 15.7 15.7 40

PM10 μg/m3 18.2 18.2 18.2 18.2 18.2 40

PM10 overschrijdingsdagen 6.4 6.4 6.4 6.4 6.4 35

PM2.5 μg/m3 11.4 11.4 11.4 11.4 11.4 25

Jaar 2020 2020 2020 2020 2020

Tabel 4.2: Achtergrondwaarden (Bron: NSL-monitoringstool)

Er kan geconcludeerd worden dat de achtergrondwaarden nabij het plangebied ruim onder de norm liggen. Er zal daarmee sprake zijn van een goed woon- en leefklimaat. Het aspect luchtkwaliteit vormt geen belemmering voor dit plan.

4.11 Externe veiligheid Externe veiligheid beschrijft de risico's die ontstaan als gevolg van de opslag van of handelingen met gevaarlijke stoffen. Dit kan betrekking hebben op inrichtingen (bedrijven) of transportroutes. Op beide categorieën is landelijke wet- en regelgeving van toepassing. In de landelijke wet- en regelgeving zijn kwaliteitseisen en normen op het gebied van externe veiligheid geformuleerd. Doel is om bepaalde risico's, waaraan burgers in hun leefomgeving worden blootgesteld, tot een aanvaardbaar minimum te beperken. Dit wordt onder andere bewerkstelligd door bepaalde veiligheidsafstanden te hanteren. Externe veiligheidsafstanden ter bescherming van de omgeving zijn opgenomen in het Activiteitenbesluit. Deze voorheen genoemde risico's hangen vooral samen met:  activiteiten met gevaarlijke stoffen in inrichtingen;  transport van gevaarlijke stoffen door buisleidingen;  transport van gevaarlijke stoffen over de weg, het spoor en het water.

Hoofdstuk 4

32

Ook zijn er onder meer landelijke regels voor de opslag en verkoop van vuurwerk. Verder wordt bij de plaatsing van windmolens ook de externe veiligheid in ogenschouw genomen. Landelijke wet- en regelgeving is onder andere opgenomen in het Bevi, Bevt en Bevb:  Bevb – Het Besluit externe veiligheid buisleidingen (Bevb) en de bijbehorende Regeling externe veiligheid buisleiding (Revb) zijn op 1 januari 2011 in werking getreden. Het Bevb regelt onder andere welke veiligheidsafstanden moeten worden aangehouden rond buisleidingen met gevaarlijke stoffen. De normstelling is in lijn met het Besluit externe veiligheid inrichtingen.  Bevi - Sinds 2004 is het Besluit externe veiligheid inrichtingen (Bevi) van kracht. Het Bevi verplicht de bevoegde gezagen Wet algemene bepalingen omgevingsrecht (Wabo) en Wet ruimtelijke ordening (Wro) – de gemeenten en provincies – afstand te houden tussen gevoelige objecten en risicovolle bedrijven. Het Bevi beperkt ook het totale aantal aanwezige personen in de directe omgeving van een risicovol bedrijf.  Bevt - Het Besluit externe veiligheid transportroutes (Bevt), stelt regels aan transportroutes en de omgeving daarvan. Hierin wordt ingegaan op het plaatsgebonden risico, het groepsrisico en de verantwoordingsplicht.

In de Regeling Basisnet(opent in nieuw venster)(verwijst naar een andere website) staat waar risicoplafonds liggen langs de transportroutes, hoe hoog ze zijn en welke regels er gelden voor ruimtelijke ontwikkelingen. De risico's voor externe veiligheid komen tot uitdrukking via het plaatsgebonden risico en het groepsrisico. Het plaatsgebonden risico kan op de kaart worden weergeven met zogeheten risicocontouren: lijnen die punten verbinden met eenzelfde plaatsgebonden risico. Via het plaatsgebonden risico wordt een basisbeschermingsniveau gewaarborgd. Bij het groepsrisico wordt wel beoordeeld hoeveel personen zich, redelijkerwijs, feitelijk in de omgeving kunnen bevinden. Voor het groepsrisico geldt geen grenswaarde, maar een oriëntatiewaarde. Dit is een ijkwaarde waaraan veranderingen getoetst kunnen worden. Deze oriëntatiewaarde mag overschreden worden, mits goed beargumenteerd door het bevoegd gezag. Samen met de hoogte van groepsrisico moet andere kwalitatieve aspecten worden meegewogen in de beoordeling van het groepsrisico. Onder deze aspecten vallen zelfredzaamheid en bestrijdbaarheid. Deze argumentatie is een onderdeel van de verantwoording van het groepsrisico. Onderdeel van deze verantwoording is overleg met (advies vragen aan) de regionale brandweer.

Het plaatsgebonden risico (PR) is de kans, per jaar, op overlijden van een onbeschermd individu ten gevolge van ongevallen met gevaarlijke stoffen. De aanwezigheid van een persoon is fictief. Niet wordt beoordeeld hoe groot de kans op de aanwezigheid van een persoon feitelijk is. Het groepsrisico (GR) is een maat voor de kans per jaar dat een groep van bijvoorbeeld 10, 100 of 1000 personen het slachtoffer wordt van een ongeval met gevaarlijke stoffen. Het groepsrisico wordt ook beschouwd als een maat voor de maatschappelijke ontwrichting.

Doorwerking plangebied Op basis van de risicokaart is een inventarisatie gedaan van risicobronnen in de omgeving van het plangebied. In figuur 4.4 is de risicokaart weergegeven. Met het plangebied blauw omcirkeld.

Hoofdstuk 4

33

Figuur 4.4 Uitsnede risicokaart (bron: risicokaart.nl)

Inrichtingen De risicokaart geeft aan dat op 660 meter ten noordoosten van het plangebied is een bovengrondse propaantank van maximaal 3.000 liter is gelegen. De risicoafstand PR10-6 is gesteld op 12 meter, hier wordt ruimschoots aan voldaan. Transport Ten westen van het plangebied ligt op 3.77 kilometer afstand de Rijksweg A2. Het plangebied valt niet binnen het invloedsgebied van deze weg. Op 1.96 kilometer westelijk van het plangebied ligt een spoorlijn, het plangebied ligt ook niet binnen het invloedsgebied van deze spoorlijn. Buisleidingen Op circa 126 meter ten zuidwesten van het plangebied ligt de aardgasleiding Z-544-01 van de Gasunie. Hiervoor gelden een 100%- en een 1%-letaliteitsgrens van respectievelijk 80 en 150 meter. Het plangebied valt binnen de 1%-letaliteitsgrens van deze buisleiding. Aangezien het plangebied alleen binnen de 1%-letaliteitsgrens van deze buisleiding ligt, en met onderhavig planvoornemen 1 woning in een bestaand bebouwingslint wordt gerealiseerd, zal een beperkte verantwoording groepsrisico volstaan.

Hoofdstuk 4

34

Uitwerking verantwoordingsplicht Met het invullen van de verantwoordingsplicht wordt antwoord gegeven op de vraag in hoeverre externe veiligheidsrisico’s in het plangebied worden geaccepteerd en welke maatregelen zijn getroffen om het risico zoveel mogelijk te beperken. Het Besluit externe veiligheid buisleidingen (Bevb) en het Besluit externe veiligheid inrichten (Bevi) geeft de regionale brandweer/Veiligheidsregio een wettelijke adviestaak bij het invullen van de verantwoordingsplicht. Het advies van de regionale brandweer / Veiligheidsregio gaat vooral over het groepsrisico en mogelijkheden om een ramp of zwaar ongeval te voorkomen of de omvang ervan te beperken en de zelfredzaamheid van personen te vergroten. Besluit externe veiligheid buisleidingen (Bevb) – transport door buisleidingen Het maatgevende ongevalsscenario voor een hoge druk aardgasleiding is een fakkelbrand, die na een beschadiging van een buisleiding ontstaat als gevolg van een ontsteking. In artikel 12 lid 3 van het Besluit externe veiligheid buisleidingen juncto artikel 8 van de Regeling externe veiligheid buisleidingen is opgenomen wanneer sprake is van het verantwoorden van het groepsrisico.

In onderhavige situatie is sprake van een beperkte verantwoordingsplicht voor de buisleiding, waarbij de verantwoording dient in te gaan op de volgende onderdelen: 1) aanwezige en de te verwachten dichtheid van personen in het invloedsgebied van de buisleiding of buisleidingen die het groepsrisico mede veroorzaakt of veroorzaken; 2) Het groepsrisico per kilometer buisleiding op het tijdstip waarop het besluit wordt vastgesteld en de bijdrage van de in dat besluit toegelaten kwetsbare en beperkt kwetsbare objecten aan de hoogte van het groepsrisico; 3) De mogelijkheden tot voorbereiding van bestrijding en beperking van de omvang van een ramp of zwaar ongeval; 4) De mogelijkheden voor personen die zich bevinden in het invloedsgebied van de buisleiding of buisleidingen die het groepsrisico mede veroorzaakt of veroorzaken, om zich in veiligheid te brengen indien zich een ramp of zwaar ongeval voordoet. Ad 1) Het plangebied is gelegen binnen de 1%-letaliteitsafstand voor externe veiligheid van de buisleiding Z544-01. De buisleiding is gesitueerd ten zuiden van het plangebied. Met de ontwikkeling wordt de bouw van 1 ééngezinswoning mogelijk gemaakt. De gemiddelde huishoudensgrootte bedroeg in 2019 2,15 personen. Er kan dus gesteld worden dat het aantal personen binnen het invloedsgebied – gelet op het gemiddelde – toe zal nemen met 2-3 personen.

Ad 2) Voor het plangebied is geen berekening uitgevoerd om de hoogte van het groepsrisico te bepalen. Gezien het plangebied binnen de 1%-letaliteitsgrens ligt en er maar 1 woning wordt toegevoegd in het bestaand bebouwingslint werd dit niet noodzakelijk geacht. Het aspect externe veiligheid zal voor deze planlocatie vooral worden verantwoord middels het beschrijven van mogelijkheden voor personen om zich in veiligheid te brengen indien zich een ramp of zwaar ongeval voordoet (beschreven in “Ad 4”).

Hoofdstuk 4

35

Ad 3) Voor de bestrijding van een calamiteit is de inrichting van het gebied van belang. Bij een dreigende breuk van een hogedruk aardgasleiding richt de brandweer zich op het veilig stellen van het effectgebied en het voorkomen van een ontsteking. Als uitstroming plaats vindt, zal de Gasunie de leiding inblokken. Afhankelijk van het systeem en de afstand tot de breuk kan het enkele uren duren voor de leiding is leeg gelopen. In geval van een directe ontsteking kunnen hulpdiensten door de enorme hittestraling de fakkel beperkt benaderen om gewonden te helpen. De fakkel zelf kan niet door de brandweer worden geblust. Er dient te worden gewacht tot het ingeblokte leidingdeel leeg is gelopen. Naast het tijdig aanwezig zijn met voldoende materieel is tevens de bereikbaarheid in algemene zin en de specifieke risicolocatie cruciaal. De aspecten ‘bereikbaarheid calamiteit’ en de ‘(primaire en secundaire) bluswatervoorziening’ speelt hierin een rol. Ad 4) Het maatgevende scenario voor ongevallen met aardgastransportleidingen is fakkelbrand. Slachtoffers kunnen vallen door de warmtestraling en een drukgolf. Alle aanwezigen die door de vuurbal worden getroffen komen te overlijden. Hiernaast kunnen rondvliegende brokstukken en glasscherven plaatselijk zware schade aanbrengen aan personen en gebouwen.

De mogelijkheden om zelfredzaamheid te vergroten Het risico op een incident met een hoge druk aardgasleiding wordt voornamelijk bepaald door het risico van schade aan de leiding door (graaf)werkzaamheden nabij de leiding. Een belangrijkste bronmaatregel om het risico te verkleinen is het opnemen van een aanlegvergunningstelsel voor een strook aan weerszijden van de aardgastransportleiding. In het bestemmingsplan “Buitengebied SintOedenrode” is voor de buisleiding ook reeds een gebiedsaanduiding ‘veiligheidszone – leiding’ opgenomen. In deze zone geldt dat de bouw van kwetsbare objecten, zoals bedoeld in het Besluit externe veiligheid inrichten niet zijn toegestaan. Tot slot wordt geadviseerd om grondwerkzaamheden, zoals heien, op minder dan 20 meter van de buisleiding onder toezicht van de leidingbeheerder te laten uitvoeren. Door deze maatregelen wordt het groepsrisico verder gereduceerd. Mogelijkheden voor ontvluchting/schuilen Binnen het invloedsgebied van de aardgastransportleiding is vluchten de beste optie. Wat betreft een fakkelbrand na leidingbreuk geldt dat het zich snel kan ontwikkelen. Afhankelijk van de afstand van bebouwing tot de aardgasleiding, zijn er scenario’s waarbij vluchten niet of nauwelijks mogelijk is. De hittestraling is daarvoor te groot. Personen die aanwezig zijn binnen de 100%-letaliteitsgrens komen te overlijden.

Indien het incident op grotere afstand van het plangebied plaatsvindt zijn de mogelijkheden voor zelfredzaamheid, voor het gebied dat buiten de 100%-letaliteitsgrens valt, groter. Zelfredzaamheid is mogelijk, mits ontvluchting uit gebouwen en omgeving op een juiste manier mogelijk is. Vluchten kan dan alleen maar via een route buiten het ‘zicht’ van de fakkel. Om de zelfredzaamheid te vergroten is het raadzaam om bij nieuwe ontwikkelingen rekening te houden met het verhogen van de brandwerendheid van de gevels aan de zijde van de aardgasleiding en het realiseren van veilige vluchtroutes. Hierdoor worden de gevolgen van hittebestraling beperkt. Vluchtroutes moeten personen direct van de calamiteit wegleiden. Bij de inrichting van het plangebied dienen voldoende vluchtwegen aanwezig te zijn om het plangebied in geval van calamiteit te ontvluchten. De vluchtwegen dienen van de leiding af gericht te zijn.

Hoofdstuk 4

36

Conclusie Het bestemmingsplan voldoet aan de grenswaarde voor het plaatsgebonden risico. Uit het voorgaande blijkt dat het groepsrisico minimaal is en verder geminimaliseerd kan worden. Het aspect externe veiligheid vormt geen belemmering voor onderhavige ontwikkeling. De Veiligheidsregio Brabant-Noord heeft advies uitgebracht omtrent het aspect ‘veiligheid’. Dit advies is opgenomen in de bijlagen. Hierin wordt toegelicht dat de Veiligheidsregio adviseert om initiatiefnemers en toekomstige bewoners actief over het aanwezige risico van een fakkelbrand en het handelingsperspectief te informeren. Hierdoor wordt zelfredzaamheid van de bewoners verhoogd.

4.12 Gezondheid Met de beoogde ontwikkeling wordt er één woning gerealiseerd en wonen betreft een gevoelige functie. Er dient gekeken te worden naar mogelijke aspecten die van invloed kunnen zijn op de gezondheid van de toekomstige bewoners. Doorwerking plangebied Handreiking veehouderij en volksgezondheid De Handreiking veehouderij en volksgezondheid 2.0 (versie mei 2018) bevat een praktisch stappenplan om te beoordelen of nadere advisering vanuit de GGD wenselijk is. De stappen kunnen stuk voor stuk worden doorlopen om na te gaan of er knelpunten worden gevonden. Toetsing aan het stappenplan moet plaatsvinden, zodat kan worden bepaald of een advies van de GGD nodig is voor de toevoeging van een nieuwe woning. De uiteindelijke keuze is een afweging welke wordt gemaakt door de gemeente. Stap 1 Endotoxine Op basis van het 'Endotoxine toetsingskader 1.0' kan worden beoordeeld of sprake is van een verhoogd volksgezondheidsrisico ten aanzien van varkenshouderijen en pluimveehouderijen. In dit toetsingskader blijkt dat tot 500 meter rondom individuele pluimveebedrijven een overschrijding mogelijk is van deze advieswaarde van 30 EU/m3. Dit betekent dat wanneer omwonenden in een straal van 500 meter van een pluimveehouderij wonen, zij door de huidige geur- en fijnstofnormen onvoldoende beschermd kunnen worden tegen een verhoogd risico door endotoxinen.

De beoogde woning ligt op voldoende afstand van varkens- en pluimveehouderijen (meer dan 1 kilometer verwijderd). Er is geen sprake van een verhoogd volksgezondheidsrisico. Stap 2 Emissies De ontwikkeling leidt niet tot een toename in de emissie voor geur en/of fijnstof en/of ammoniak. De ontwikkeling betreft namelijk een woning. Stap 3a Geur, toetsen aan aanvaardbaar woon-/leefklimaat a.d.h.v. wettelijk kader In de beoogde situatie wordt aan de geldende wet- en regelgeving voldaan (zowel voor wat betreft geurnormen als vaste afstanden); er is geen sprake van een overbelaste situatie voor geur. Er is sprake van een goed woon- en leefklimaat.

Hoofdstuk 4

37

Stap 3b:geur toetsen aan aanvaardbaar woon/leefklimaata.d.h.v. gezondheidskundige advieswaarde In de beoogde situatie wordt aan de gezondheidskundige advieswaarde voldaan; de meest nabijgelegen veehouderijen liggen op ruime afstand van de ontwikkeling. Stap 4a-b: houden meerdere diersoorten binnen één veehouderij De afstand tussen de nieuwe woning en de inrichtingsgrenzen van een varkensbedrijf en een pluimveebedrijf bedraagt in de nieuwe situatie meer dan 100 meter. 5a Geitenhouderijen Uit het VGO-2onderzoek is gebleken dat zich in een straal van circa 2 km rond geitenbedrijven een verhoogd aantal gevallen van longontsteking voordoet. De planlocatie ligt binnen de straal van 2km van geitenhouderijen. Onderstaand wordt dit aspect nader beschouwd. 5b Pluimveebedrijven De locatie is niet gelegen binnen een afstand van 1 km van pluimveebedrijven. 5c Overige veehouderijen De locatie is gelegen binnen een afstand van 250 meter van enkele veehouderijen, te weten de melkveehouderijen aan het Morgenstraat 1 (op 140 meter), de Karthuizerweg 1 (op 115 meter) en de Ollandseweg 185 (op 185 meter). Onderstaand is ten aanzien van dit onderdeel een afweging gemaakt over het te ontwikkelen plan in relatie tot de volksgezondheid. Stap 6: mestbe- en -verwerking Er is geen sprake van mestbe- of ververwerking als nevenactiviteit of als zelfstandige activiteit.

Stap 7: ongerustheid Bij omwonenden is geen sprake van ongerustheid over de volksgezondheid Geitenhouderijen Uit landelijk onderzoek blijkt dat er binnen een straal van 2 kilometer van geitenhouderijen meer longontsteking bij mensen voorkomt dan daarbuiten. De GGD-Brabant heeft hierover in een advies haar zorgen geuit en mede daarom heeft de provincie Noord-Brabant sinds juli 2017 een bouwstop voor geitenhouderijen afgekondigd. Dit zou kunnen betekenen dat nieuwe ontwikkelingen binnen 2 kilometer van een geitenhouderij niet als ruimtelijk aanvaardbaar worden aangemerkt. Naast de verhoogde gezondheidsrisico’s kan een geitenhouder zich ook benadeeld voelen bij ontwikkelingen binnen 2 km van zijn geitenhouderij. De verschillende Brabantse omgevingsdiensten hebben gezamenlijk de ‘handreiking veehouderij en volksgezondheid 2.0’ opgesteld (d.d. 30 april 2018). Deze handreiking omvat een stappenplan om te beoordelen of nadere advisering vanuit de GGD wenselijk is. In onderhavig project wordt één nieuwe wooneenheid gerealiseerd. De gemeente Meierijstad moet een zorgvuldige afweging maken of er sprake is van een aanvaardbaar volksgezondheidsrisico. Het college van burgemeester en wethouders van Meierijstad heeft op 13 maart 2018 een afwegingskader vastgesteld met betrekking tot ontwikkelingen in de omgeving van geitenhouderijen.

Concreet houdt dit afwegingskader in dat in de gemeente Meierijstad voorlopig als volgt gehandeld wordt: 1) Een uitbreiding van het aantal geiten in bestaande stallen of gebouwen wordt niet toegestaan, tenzij er geen gezondheidskundige bezwaren daarvoor zijn.

Hoofdstuk 4

38

2) Binnen een straal van 2 km rondom geitenhouderijen doet zich, vooralsnog, een extra risico voor. Daarom hanteert het college daar een extra zorgvuldigheid. Dat betekent dat met plannen voor het huisvesten of opvangen van kinderen, kwetsbare mensen en ouderen sowieso terughoudend omgegaan wordt. Er bestaat géén hard afwegingskader voor de toetsing van bouwplannen. Locatie, omgeving, het soort bedrijf en het soort ontwikkeling zijn telkens anders en vragen om maatwerk. Het gezondheidsbelang wordt daarbij afgezet tegen bijvoorbeeld volkshuisvestelijke, sociale, economische en financiële belangen. 3) Aanvragers van plannen en nieuwe potentiele bewoners in het gebied worden geïnformeerd over het risico. Ook wordt hen gevraagd een verklaring daarover te ondertekenen. Deze verklaring is door de initiatiefnemers van onderhavig plan getekend. Kortom, op grond van een zorgvuldige afweging en eventueel maatwerk is er wellicht ruimte om ruimtelijke ontwikkelingen wél toe te staan binnen een straal van 2 km rondom een geitenhouderij. Op 220 meter ten noordoosten van het plangebied ligt een geitenhouderij aan de Schootsedijk 47. Op basis van het vigerende bestemmingsplan is het op die locatie toegestaan om een geitenhouderij te exploiteren. In de feitelijke situatie en conform de vergunning zijn er circa 480 geiten op de geitenhouderij.

Daarnaast op 920 meter ten noordwesten van het plangebied ligt aan de Pastoor Smitsstraat 55 ook een geitenhouderij, hier mogen volgens de vergunning 1.877 geiten worden gehouden. De gemeente wil meewerken aan kleinschalige private initiatieven indien de initiatiefnemers expliciet verklaren het (gezondheids)risico van ontwikkelen en bouwen binnen een straal van 2 kilometer en het procesrisico te aanvaarden. Deze verklaring is door initiatiefnemer ondertekend en zal kenbaar worden gemaakt aan de eindgebruikers. Overigens ligt het plangebied in de bebouwde kom tussen nog veel meer andere woningen en zijn er woningen die dichterbij de geitenhouderij zijn gevestigd. Uit toetsing aan het stappenplan uit de “Handreiking veehouderij en volksgezondheid” volgt dat advies van de GGD nodig is voor dit plan. Er wordt dan ook geadviseerd het planvoornemen voor te leggen aan de GGD. Er worden overigens geen gezondheidsbeperkingen verwacht, gezien in de handreiking wordt aangegeven dat negatieve gevolgen voornamelijk optreden daar waar er meerdere veehouderijen in de omgeving aanwezig zijn, die gezamenlijk tot cumulatie leiden. In onderhavige situatie is er sprake van twee geitenhouderijen in de omgeving. Tevens speelt de windrichting een voorname rol bij de verspreiding van de uitstoot van een veehouderij.

Windrichting en windsterkte spelen een rol bij de verspreiding van fijnstof (inclusief endotoxinen, ammoniak en micro-organismen) en geur. Omdat de overwegende windrichting in Nederland uit het zuidwesten komt zal de verspreiding van geur en fijnstof van de betreffende geitenhouderij zich doorgaans verplaatsen uit de richting van de planlocatie aan Pastoor Smitsstraat. Daarbij worden de beoogde woningen niet dichter tot de geitenhouderij georiënteerd dan bestaande woningen. Slotafweging De gemeente moet op basis van de stappen 5a en 5c een zorgvuldige afweging maken of sprake is van een aanvaardbaar volksgezondheidsrisico. In dit geval is er sprake van een plan dat voorziet in een (maatschappelijke) behoefte naar een woning. Het betreft een wenselijke ontwikkeling met het oog op de leefbaarheid en de ruimtelijke kwaliteit in het bebouwingslint. In de omgeving van het plangebied (de kern Olland) wonen meerdere mensen en de woning vormt een opvulling van een lege plek in het lint. Tussen het drietal veehouderijen en het plangebied zijn reeds meerdere woningen en andere functies gelegen. De invloed van het plan op de luchtkwaliteit (fijnstofuitstoot) is zeer gering.

Hoofdstuk 4

39

Ook is er sprake van een goed woon- en leefklimaat. De onderhavige ontwikkeling is dan ook van minimale invloed op het volksgezondheidsrisico. Voor de afweging ten aanzien van geitenhouderijen zie onder het kopje ‘geitenhouderijen’. Advies van de GGD wordt daarom niet noodzakelijk en niet doelmatig geacht. Het aspect volksgezondheid in relatie tot veehouderijen vormt geen belemmering voor het plan. Spuitzones gewasbeschermingsmiddelen In de omgeving van het besluitgebied zijn geen (boom)kwekerijen of boomgaarden aanwezig. Dit aspect vormt geen belemmering. Hoogspanningslijnen De dichtstbijzijnde hoogspanningslijn ligt op geruime afstand. Derhalve vormt deze geen belemmering voor onderhavig plan. Conclusie Op basis van bovenstaande wordt het mogelijk geacht dat de gemeente Meierijstad een positieve afweging maakt ten aanzien van het planologisch toestaan van een woning ter plaatse van het plangebied.

4.13 Verkeer en parkeren Het toevoegen of veranderen van een functie heeft in veel gevallen een effect op de parkeervraag en het aantal verkeersbewegingen. Het is daarom van belang om te kijken welke veranderingen op treden en of dit een effect heeft op de parkeervraag en de verkeersgeneratie. De gemeente Meierijstad heeft haar parkeerbeleid geregeld middels het bestemmingsplan ‘Paraplubestemmingsplan parkeren’, vastgesteld op 31 januari 2019. Het 'Paraplubestemmingsplan parkeren' heeft tot doelstelling om voor de bestemmingsplannen van de gemeente Meierijstad, de juridische link te leggen met “geldend parkeerbeleid” waar gemeentelijke parkeernormen onderdeel vanuit maken. Er dient voldoende parkeergelegenheid op eigen terrein of op openbaar gebied aanwezig te zijn of gerealiseerd te worden, dan wel in stand te worden gehouden. Voor het realiseren van voldoende parkeergelegenheid dienen de normen zoals bedoeld in de beleidsregel 'Nota Parkeernormen Meierijstad 2018' als vastgesteld op 18 december 2018, te worden gevolgd. Doorwerking plangebied Parkeren Volgens de beleidsregel ‘Nota Parkeernormen Meierijstad 2018’ zijn er voor een vrijstaande woning 2,4 parkeerplaatsen nodig voor een vrijstaande woning in ‘rest bebouwde kom’. Het erf is voldoende groot genoeg om voldoende parkeerplaatsen te realiseren op eigen terrein.

Op eigen terrein is er ruimte voorzien voor het realiseren van 3 parkeerplaatsen. Er wordt voldaan aan de noodzakelijke parkeerplaatsen volgens de parkeernormen van de gemeente Meierijstad. Verkeer Er wordt één nieuwe vrijstaande woning gerealiseerd. Deze woning krijgt een eigen inrit en ontsluiten op de Pastoor Smitsstraat. Het aantal verkeersbewegingen neemt beperkt (met maximaal 8.6 ritten

Hoofdstuk 4

40

per etmaal) toe. Er zullen hierdoor geen negatieve effecten ontstaan op de verkeersdrukte of verkeersveiligheid in de Pastoor Smitsstraat en de wegen in de omgeving. Het omliggende wegennetwerk kan de beperkte toename verkeersgeneratie prima verwerken. Het aspect verkeer en parkeren vormt geen belemmering voor onderhavig planvoornemen.

Hoofdstuk 4

41

5.

JURIDISCHE PLANOPZET In dit hoofdstuk wordt de juridische opzet van het bestemmingsplan beschreven.

5.1 Inleiding Het bestemmingsplan is een juridisch bindend plan dat bestaat uit een verbeelding (plankaart) en regels en gaat vergezeld van een toelichting. De verbeelding en de regels vormen het juridisch bindende deel van het bestemmingsplan, waarbij de regels de gebruiks- en bouwmogelijkheden van de gronden regelen en de verbeelding de rol heeft van visualisering van de bestemmingen. De toelichting heeft geen bindende werking, maar heeft wel een belangrijke functie bij de weergave, verantwoording en onderbouwing van het bestemmingsplan en als uitleg bij de verbeelding en regels. De Wet ruimtelijke ordening (Wro) bepaalt dat het bestemmingsplan langs elektronische weg beschikbaar wordt gesteld. Dit brengt met zich mee dat het bestemmingsplan digitaal uitwisselbaar en op vergelijkbare wijze moet worden gepresenteerd. Met het oog hierop stellen de Wro en de onderliggende regelgeving eisen waaraan het bestemmingsplan moet voldoen. Zo bevat de Standaard Vergelijkbare Bestemmingsplannen 2012 (SVBP 2012) bindende afspraken waarmee bij het maken van bestemmingsplannen rekening moet worden gehouden. De SVBP 2012 kent (onder meer) hoofdgroepen van bestemmingen, een lijst met functie- en bouwaanduidingen, gebiedsaanduidingen en een verplichte opbouw van de planregels en het renvooi.

Voorliggend bestemmingsplan is opgesteld in overeenstemming met de SVBP 2012 en wordt op de voorgeschreven wijze digitaal beschikbaar gesteld.

5.2 Plansystematiek Het voorliggend bestemmingsplan is opgesteld om de realisatie van een vrijstaande woning met bijbehorend perceel en landschappelijke inrichting, zoals beschreven in hoofdstuk 2, juridisch-planologisch mogelijk te maken. De regels en de verbeelding zijn zodanig opgesteld dat de bouw- en gebruiksmogelijkheden daarvoor een juridisch kader bieden. De regels van het bestemmingsplan bestaan uit de volgende onderdelen: 1. 2. 3. 4.

inleidende regels; bestemmingsregels; algemene regels; overgangs- en slotregels.

Hoofdstuk 1: inleidende regels Dit hoofdstuk bestaat uit de begripsbepalingen (artikel 1) en de wijze van meten (artikel 2). In de begripsbepalingen worden omschrijvingen gegeven van diverse in het bestemmingsplan gebruikte begrippen/termen. De begripsbepalingen zijn opgenomen om interpretatieverschillen te voorkomen. Artikel 2 bevat technische regelingen met betrekking tot het bepalen van oppervlakten, percentages, hoogte, diepte, breedte en dergelijke. Hiermee kan op een eenduidige manier toepassing worden gegeven aan de regels.

Hoofdstuk 5

42

Hoofdstuk 2: bestemmingsregels In dit hoofdstuk zijn de in het bestemmingsplan opgenomen bestemmingen opgenomen (enkel- en dubbelbestemmingen). De opbouw van de bestemmingen is als volgt (met dien verstande dat een specifieke bestemming niet alle genoemde elementen hoeft te bevatten):  bestemmingsomschrijving;  bouwregels;  nadere eisen;  afwijken van de bouwregels;  specifieke gebruiksregels;  afwijken van de gebruiksregels;  omgevingsvergunning voor het uitvoeren van werken, geen bouwwerk zijnde, of van werkzaamheden;  omgevingsvergunning voor het slopen van een bouwwerk;  wijzigingsbevoegdheid. De in het plangebied aanwezige bestemmingen zijn met bestemmingsvlakken op de verbeelding aangegeven. Het bestemmingsvlak geeft aan waar een bepaald gebruik is toegestaan. Ook kunnen aanduidingen die betrekking hebben op het gebruik (functieaanduidingen) zijn opgenomen. Middels deze functieaanduidingen is een specifiek gebruik ter plaatse bestemd of uitgesloten. Daarnaast wordt in de regels per bestemming bepaald waar en onder welke voorwaarden gebouwen mogen worden gebouwd. Dit is met een bouwvlak en aanduidingen die betrekking hebben op de maatvoering (maximale goot- en of bouwhoogte, onbebouwde zone) op de verbeelding aangeven. In de volgende paragraaf worden de in het plan opgenomen bestemmingen per bestemming nader beschreven.

Hoofdstuk 3: algemene regels Algemene regels zijn regels die gelden voor meerdere bestemmingen, dan wel een algemene strekking hebben. Deze bestaan uit de volgende onderdelen:  anti-dubbeltelregel: deze regel is opgenomen om te voorkomen dat, wanneer volgens een bestemmingsplan bepaalde gebouwen en bouwwerken niet meer dan een bepaald deel van een bouwperceel mogen beslaan, het overgebleven terrein nog eens meetelt bij het toestaan van een ander gebouw of bouwwerk, waaraan een soortgelijke eis wordt gesteld.  algemene bouwregels: hier zijn algemene regels ten aanzien van het ondergronds bouwen opgenomen met bijbehorende maatvoering. Ook is hierin geregeld wanneer overschrijding van bouwen bestemmingsgrenzen door ondergeschikte bouwdelen is toegestaan.  algemene gebruiksregels: in deze regels is opgenomen welke vormen van gebruik in ieder geval als strijdig gebruik worden beschouwd. Tevens is een parkeerbepaling opgenomen, inhoudende dat voldoende parkeergelegenheid op eigen terrein of openbaar gebied conform de Nota Parkeernormen Meierijstad 2018’ aanwezig dient te zijn. Deze bepaling vormt een toetsingskader bij de omgevingsvergunning voor het bouwen.

 algemene afwijkingsregels: deze regels geven het bevoegd gezag de bevoegdheid om met een omgevingsvergunning af te wijken van de regels van dit bestemmingsplan ten behoeve van nietingrijpende gebruiks- en/of bouwactiviteiten. De criteria, die bij toepassing van de afwijkingsbevoegdheid in acht moeten worden genomen, zijn daarbij aangegeven.  algemene wijzigingsregels: deze regels geven het bevoegd gezag de bevoegdheid om bestemmingen te wijzigen ten behoeve van kleine overschrijdingen van bestemmingsgrenzen. De criteria, die bij toepassing van de wijzigingsbevoegdheid in acht moeten worden genomen, zijn daarbij aangegeven.

Hoofdstuk 5

43

Hoofdstuk 4: overgangs- en slotregels Dit hoofdstuk bevat het voor elk bestemmingsplan verplichte overgangsrecht voor bouwen en gebruik en de slotregel met daarin de citeertitel van de planregels.

5.3 Bestemmingen Dit bestemmingsplan bestaat uit één bestemming. Wonen Het gehele plangebied is bestemd als ‘Wonen’. Deze gronden zijn bestemd voor het wonen in een vrijstaande woning, al dan niet in combinatie met een beroep aan huis onder voorwaarden. Daarnaast zijn onder meer bij de woning behorende tuin en erf, parkeervoorziening, groenvoorziening, water en waterhuishoudkundige voorziening toegestaan. Voor de bebouwingsmogelijkheden is onderscheid gemaakt in vier zones:  Bouwvlak: hierbinnen is maximaal één vrijstaande woning (hoofdgebouw) toegestaan, alsmede bijbehorende bouwwerken en bouwwerken geen gebouwen zijnde. De maximale goot- en bouwhoogte zijn op de verbeelding aangegeven. De overige regels volgen uit de bouwregels in combinatie met de situering van het bouwvlak;  Zone ‘erf’: dit betreft het achtererfgebied voor zover niet binnen het bouwvlak gelegen. Hierin zijn geen hoofdgebouwen, maar wel bijbehorende bouwwerken en bouwwerken, geen gebouwen zijnde toegestaan. In de bouwregels zijn de hieraan gestelde maatvoerings- en situeringseisen opgenomen.  Zone ‘tuin’: dit betreft het gedeelte vóór de voorste bouwvlakgrens en het verlengde daarvan, tot aan de grens met het openbaar gebied. Binnen deze zone is een uitbouw in de vorm van entree toegestaan, alsmede bouwwerken, geen gebouwen zijnde. Hoofdgebouwen en overige bijbehorende bouwwerken zijn niet toegestaan.

Ten aanzien van het in gebruik nemen van de woning, geldt als voorwaardelijke verplichting dat voldoende parkeergelegenheid wordt gerealiseerd en in stand wordt gehouden en dat voldoende gevelwering in verband met geluidhinder wordt aangebracht.

Hoofdstuk 5

44

6.

UITVOERBAARHEID 6.1 Economische uitvoerbaarheid De uitvoering van de ontwikkeling is volledig voor rekening en risico van een particuliere initiatiefnemer. Met deze initiatiefnemer heeft de gemeente een anterieure grondexploitatieovereenkomst gesloten zoals bedoeld in artikel 6.12 lid 2 Wro juncto artikel 6.24 Wro. Met die overeenkomst is verzekerd dat alle wettelijk te verhalen kosten die de gemeente maakt, worden verhaald op de initiatiefnemer. Eventuele kosten voor de inrichting en overige voorzieningen zijn voor rekening van de initiatiefnemer. De economische uitvoerbaarheid is hiermee in voldoende mate aangetoond.

6.2 Maatschappelijk Er zijn wettelijke eisen met betrekking tot de voorbereiding en totstandkoming van een bestemmingsplan. Artikel 3.8 Wro bepaalt dat op de voorbereiding van een bestemmingsplan de in afdeling 3:4 van de Algemene wet bestuursrecht (Awb) geregelde uniforme openbare voorbereidingsprocedure (uov) van toepassing is. Dit houdt in dat tussen gemeente en verschillende instanties overleg over het plan moet worden gevoerd alvorens een ontwerpplan ter visie gelegd kan worden. Bovendien is het noodzakelijk dat belanghebbenden de gelegenheid hebben om hun visie omtrent het plan te kunnen geven. Dientengevolge zijn de volgende stappen te onderscheiden:  Vooroverleg;  Vaststellingsprocedure. 6.2.1 Omgevingsdialoog Voor het initiatief is in de voorbereidende fase van het plan een omgevingsdialoog gevoerd met omwonenden en belanghebbenden. Er zijn gesprekken gevoerd met de bewoners van aangrenzende percelen. Om privacyredenen zijn de verslagen van deze dialogen niet toegevoegd aan onderhavig bestemmingsplan, maar zal een kort samenvatting worden gegeven. Initiatiefnemer heeft persoonlijk de bewoners en/of eigenaren van aangrenzende percelen benaderd om hen in te lichten over het planvoornemen. Bewoners van de aangrenzende percelen Pastoor Smitsstraat hebben te kennen gegeven op de hoogte te zijn van de tot dan toe bekende plannen.

De bewoners zouden op de hoogte worden gehouden van de situatie. Eén bewoner heeft schriftelijk aangegeven in beginsel geen bezwaar te hebben tegen het planvoornemen, maar dat dit nog wel sterk afhankelijk was van de situering en uitvoering van de woning. Een andere bewoner heeft aangegeven geen bezwaar te hebben tegen de aanvraag van het bouwvlak op de Pastoor Smitsstraat 1a mits deze bedoeld is voor één woning en voor één huishouden. Planverduidelijking werd in dit stadium nog wel nodig geacht. 6.2.2 Vooroverleg Het Besluit ruimtelijke ordening (artikel 3.1.1) geeft aan dat burgemeester en wethouders bij de voorbereiding van een bestemmingsplan overleg plegen met de besturen van betrokken gemeenten en

Hoofdstuk 6

45

waterschappen en met die diensten van provincie en Rijk die betrokken zijn bij de zorg voor de ruimtelijke ordening of belast zijn met de behartiging van belangen welke in het plan in het geding zijn. De instanties die in kennis gesteld moeten worden van dit bestemmingsplan zijn geïnformeerd. Er vindt vooroverleg plaats met het Waterschap De Dommel en de provincie Noord-Brabant. 6.2.3 Inspraak De Wro zelf bevat geen bepalingen omtrent inspraak. Dat neemt niet weg dat het de gemeente vrij staat toch inspraak te verlenen bijvoorbeeld op grond van de gemeentelijke inspraakverordening. In relatie daarmee bepaalt artikel 150 van de Gemeentewet onder meer dat in een gemeentelijke inspraakverordening moet worden geregeld op welke wijze en aan wie de mogelijkheid wordt geboden hun mening kenbaar te maken. Gekozen is om geen inspraak toe te passen, dit omdat er al een omgevingsdialoog heeft plaatsgevonden. 6.2.4 Vaststellingsprocedure De vaststellingsprocedure van het bestemmingsplan vond plaats volgens artikel 3.8 van de Wet ruimtelijke ordening. Als onderdeel van deze procedure is het ontwerpbestemmingsplan gedurende een termijn van 6 weken ter inzage gelegd voor zienswijzen (24 november 2022 tot en met 5 januari 2023). Gedurende deze periode kon eenieder een zienswijze tegen het plan kenbaar maken. Er is één zienswijze ingediend.

De zienswijze is ontvankelijk verklaard en door de gemeente beantwoord in de als bijlage opgenomen Notitie beantwoording zienswijzen en ambtshalve wijzigingen. De zienswijze heeft geen aanleiding gegeven tot aanpassing van het bestemmingsplan. Er zijn ook geen ambtshalve wijzigingen doorgevoerd. Het bestemmingsplan is vervolgens ongewijzigd vastgesteld door de gemeenteraad op 6 april 2023. Na vaststelling wordt het bestemmingsplan wederom gedurende zes weken ter visie gelegd. Gedurende deze periode kunnen belanghebbenden beroep instellen bij de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State.

Hoofdstuk 6

46

SEPARATE BIJLAGEN Bijlage 1: Archeologische quickscan Bijlage 2: Quickscan flora en fauna Bijlage 3: Bodemonderzoek Bijlage 4: KLIC-melding Bijlage 5: Akoestisch onderzoek Bijlage 6: Geuronderzoek Bijlage 7: Advies Veiligheidsregio Bijlage 8: Notitie beantwoording zienswijzen

Inhoudsopgave Regels

5

Hoofdstuk 1

Inleidende regels

6

Artikel 1

Begrippen

6

Artikel 2

Wijze van meten

12

Hoofdstuk 2

Bestemmingsregels

13

Artikel 3

Wonen

13

Hoofdstuk 3

Algemene regels

19

Artikel 4

Anti-dubbeltelregel

19

Artikel 5

Algemene bouwregels

20

Artikel 6

Algemene gebruiksregels

21

Artikel 7

Algemene afwijkingsregels

23

Artikel 8

Algemene wijzigingsregels

24

Hoofdstuk 4

Overgangs- en slotregels

25

Artikel 9

Overgangsrecht

25

Artikel 10

Slotregel

26

NL.IMRO.1948.OLL000BP0022021P-VG01

Pagina: 3 van 26

Datum:30-01-2023

Regels

Hoofdstuk 1 Artikel 1

Inleidende regels

Begrippen

1.1 plan het bestemmingsplan 'Pastoor Smitsstraat 1a, Olland' met identificatienummer NL.IMRO.1948.OLL000BP0022021P-VG01 van de gemeente Meierijstad; 1.2 bestemmingsplan de geometrisch bepaalde planobjecten met de bijbehorende regels; 1.3 aanduiding een geometrisch bepaald vlak of figuur, waarmee gronden zijn aangeduid, waar ingevolge deze regels regels worden gesteld ten aanzien van het gebruik en/of het bebouwen van deze gronden; 1.4 aanduidingsgrens de grens van een aanduiding indien het een vlak betreft; 1.5 ander werk een werk, geen bouwwerk zijnde; 1.6 bebouwing een of meer gebouwen en/of bouwwerken, geen gebouwen zijnde; 1.7 Bed & Breakfast een kleinschalige verblijfsaccommodatie gericht op het bieden van de mogelijkheid tot een toeristisch en veelal kortdurend verblijf met het serveren van ontbijt; 1.8 bedrijfsvloeroppervlakte bij aan huis gebonden beroepen en aan huis gebonden bedrijven de totale vloeroppervlakte van de ruimten die wordt gebruikt voor een aan huis geboden beroep of bedrijf, een bedrijf of een dienstverlenende instelling, inclusief opslag-, wacht- en administratieruimten en dergelijke; 1.9 begane grondvloer de bouwlaag van een gebouw, welke rechtstreeks ontsloten wordt vanaf het straatniveau; 1.10 beroep of bedrijf aan huis het beroepsmatig of bedrijfsmatig verlenen van diensten of het bedrijfsmatig uitoefenen van ambachtelijke bedrijvigheid, niet

zijnde detailhandel (met uitzondering van internetwinkels zonder afhaalpunt of showroom), horeca en seksuele dienstverlening en dat op kleine schaal in een woning en of in het bijbehorend bouwwerk wordt uitgeoefend;

NL.IMRO.1948.OLL000BP0022021P-VG01

Pagina: 6 van 26

Datum:30-01-2023

1.11 bestaande bebouwing bebouwing die op het tijdstip van eerste terinzagelegging van het ontwerp van dit plan bestaat of in uitvoering is, danwel na dat tijdstip is of mag worden gebouwd krachtens een omgevingsvergunning met betrekking tot bouwen, waarbij de bouwaanvraag voor dat tijdstip is ingediend; 1.12 bestemmingsgrens de grens van een bestemmingsvlak; 1.13 bestemmingsvlak een geometrisch bepaald vlak met eenzelfde bestemming; 1.14 bijbehorend bouwwerk uitbreiding van een hoofdgebouw dan wel functioneel met een zich op hetzelfde perceel bevindend hoofdgebouw verbonden, daar al dan niet tegen aangebouwd op de grond staand gebouw, of ander bouwwerk, met een dak, daaronder begrepen: aanbouw: een met het hoofdgebouw verbonden grondgebonden bouwwerk van één bouwlaag, een geheel vormend met het hoofdgebouw, dat door zijn verschijningsvorm in bouwkundig, (constructie), architectonisch en/of ruimtelijk visueel opzicht (ligging, maatvoering, kapvorm, dakhelling) ondergeschikt is aan en in een directe verbinding staat met het hoofdgebouw en een toevoeging van een afzonderlijke ruimte inhoudt; aangebouwd bijbehorend bouwwerk: een met het hoofdgebouw verbonden grondgebonden bouwwerk van één bouwlaag een geheel vormend met het hoofdgebouw, dat door zijn verschijningsvorm in bouwkundig, (constructie), architectonisch en/of ruimtelijk visueel opzicht (ligging, maatvoering, kapvorm,

dakhelling) ondergeschikt is aan en niet in een directe verbinding staat met het hoofdgebouw en een toevoeging van een afzonderlijke ruimte inhoudt; uitbouw: een met het hoofdgebouw verbonden grondgebonden bouwwerk van één bouwlaag, een geheel vormend met het hoofdgebouw, dat door zijn verschijningsvorm in bouwkundig (constructie), architectonisch en/of ruimtelijk visueel opzicht (ligging, maatvoering, kapvorm, dakhelling) ondergeschikt is aan en in een directe verbinding staat met het hoofdgebouw en een vergroting van een bestaande ruimte inhoudt; vrijstaand bijbehorend bouwwerk: een vrijstaand gebouw dat zowel in bouwkundig (constructie) architectonisch en/of ruimtelijk visueel opzicht (ligging, maatvoering, kapvorm, dakhelling) als in functioneel opzicht ondergeschikt is aan het op hetzelfde bouwperceel gelegen hoofdgebouw; carport: een vrijstaand of aangebouwd bouwwerk ten behoeve van de stalling van (motor)voertuigen, bestaande uit een gesloten dakconstructie, ondersteund door palen of kolommen; de wanden van de bebouwing waartegen wordt aangebouwd kunnen als ondersteuningsconstructie fungeren; overkapping: een bouwwerk bestaande uit een gesloten dakconstructie, zonder eigen wanden of met maximaal 1 eigen wand, dat aan tenminste een deel van één zijde een gesloten wand kent.

1.15 bouwen het plaatsen, het geheel of gedeeltelijk oprichten, vernieuwen of veranderen en het vergroten van een bouwwerk;

NL.IMRO.1948.OLL000BP0022021P-VG01

Pagina: 7 van 26

Datum:30-01-2023

De tekst is automatisch uit het bestand gehaald en kan afwijken van het origineel (kolommen, tabellen en koppen lopen door elkaar). Het officiële stuk bij de gemeente is leidend. Bron: https://api1.ibabs.eu/publicdownload.aspx?site=Meierijstad&id=12c791a2-9df9-4d1b-ac73-eedbf7e98f2d