Bijlage 2: Vastgesteld plan Past Smitsstraat 1a Olland regels en toelichting
Tekst van het document
Bestemmingsplan
Pastoor Smitsstraat 1a, Olland
Bezoekadres Stadhuisplein 1 5461 KN Veghel Postadres Postbus 10.001 5460 DA Veghel T: 14 0413 E: info@meierijstad.nl W: www.meierijstad.nl IBANnr: NL31 RABO 0171 5811 48
Betreffende
Pastoor Smitsstraat 1a, Olland
Planstatus
vastgesteld
Projectnummer
NL.IMRO.1948.OLL000BP0022021P-VG01
Datum
april 2023
Bestemmingsplan Pastoor Smitsstraat 1a, Olland Gemeente Meierijstad Vaststelling
Rapportnummer:
P03903_4
IMRO-identificatienummer:
NL.IMRO.1948.OLL000BP0022021P-VG01
Datum:
30 januari 2023
Projectteam BRO:
JRi, JvdA
Concept:
april 2021, november 2021
Voorontwerp:
--
Ontwerp:
november 2021, mei 2022, november 2022
Vaststelling:
april 2023
Bron foto kaft:
BRO
Beknopte inhoud:
--
BRO Hoofdvestiging Bosscheweg 107 5282 WV Boxtel T +31 (0)411 850 400 E info@bro.nl
Toelichting
Inhoudsopgave
pagina
1. INLEIDING 1.1 Aanleiding 1.2 Ligging en begrenzing plangebied 1.3 Vigerende bestemmingsplannen 1.4 Leeswijzer
3 3 3 4 5
2. PLANBESCHRIJVING 2.1 Huidige situatie en gebiedskenmerken 2.2 Voorgestane ontwikkeling 2.3 Beeldkwaliteit en welstand
6 6 6 7
3. BELEIDSKADER 3.1 Rijksbeleid 3.2 Provinciaal beleid 3.3 Gemeentelijk beleid
8 8 9 12
4. OMGEVINGSASPECTEN 4.1 M.e.r.-beoordeling 4.2 Archeologie en cultuurhistorie 4.3 Flora en fauna 4.4 Waterparagraaf 4.5 Bodem 4.6 (Ondergrondse) Infrastructuur 4.7 Bedrijven en milieuzonering 4.8 Geurhinder 4.9 Akoestiek wegverkeerslawaai 4.10 Luchtkwaliteit 4.11 Externe veiligheid 4.12 Gezondheid 4.13 Verkeer en parkeren
15 15 15 17 21 25 27 28 29 30 31 32 37 40
5. JURIDISCHE PLANOPZET 5.1 Inleiding 5.2 Plansystematiek 5.3 Bestemmingen
42 42 42 44
Inhoudsopgave
1
6. UITVOERBAARHEID 6.1 Economische uitvoerbaarheid 6.2 Maatschappelijk
45 45 45
6.2.1 Omgevingsdialoog 6.2.2 Vooroverleg 6.2.3 Inspraak 6.2.4 Vaststellingsprocedure
45 45 46 46
SEPARATE BIJLAGEN Bijlage 1: Archeologische quickscan Bijlage 2: Quickscan flora en fauna Bijlage 3: Bodemonderzoek Bijlage 4: KLIC-melding Bijlage 5: Akoestisch onderzoek Bijlage 6: Geuronderzoek Bijlage 7: Advies Veiligheidsregio Bijlage 8: Notitie beantwoording zienswijzen
Inhoudsopgave
2
1.
INLEIDING 1.1 Aanleiding Aan de Pastoor Smitsstraat in Olland (tussen de nummers 1 en 3) ligt een braakliggend perceel (kadastraal perceel Sint Oedenrode, sectie I, nummer 6973) waarop een kleine schuur staat. De initiatiefnemer is voornemens een herinvulling aan dit perceel te geven zodat het bebouwingslint aan de Pastoor Smitsstraat ‘aangeheeld’ wordt door ter plaatse een vrijstaande woning te realiseren. Op het braakliggend perceel rust ingevolge het vigerende bestemmingsplan ‘Olland’ weliswaar een woonbestemming, maar er is geen bouwvlak opgenomen waardoor het initiatief op basis van het vigerende bestemmingsplan niet mogelijk is. Onderhavig bestemmingsplan voorziet in deze bouwmogelijkheid.
1.2 Ligging en begrenzing plangebied Het plangebied is gelegen in de gemeente Meierijstad. Het betreft een perceel gelegen aan de Pastoor Smitsstraat, een bebouwingslint in het zuidoosten van de kern Olland. Kadastraal staat dit perceel bekend als gemeente Sint Oedenrode, sectie I, nummer 6973. De oppervlakte van dit perceel bedraagt circa 630 m2. In figuur 1.1 is de ligging van het plangebied in de nabije omgeving weergegeven. De begrenzing van het plangebied wordt in deze afbeelding eveneens globaal weergegeven. Voor de exacte begrenzing wordt verwezen naar de verbeelding behorende bij dit bestemmingsplan.
Figuur 1.1 Projectgebied (rood omlijnd)
Hoofdstuk 1
3
1.3 Vigerende bestemmingsplannen Voor onderhavig plan zijn meerdere bestemmingsplannen geldend: Het bestemmingsplan ‘Olland’ (gehele plangebied); Het bestemmingsplan ‘Harmonisatie begrippen wonen, c.s. Sint-Oedenrode 1’ (gehele plangebied); Het ‘Paraplubestemmingsplan parkeren (gehele plangebied); Het bestemmingsplan ‘Harmonisatie van diverse regelingen - laaghangend fruit’ (gehele plangebied) Bestemmingsplan ‘Olland’ Voor het plangebied geldt het bestemmingsplan ‘Olland’. Dit bestemmingsplan is op 15 juli 2009 vastgesteld door de voormalige gemeente Sint-Oedenrode. Er geldt de enkelbestemming ‘Wonen’ zonder bouwvlak. Daarnaast geldt de dubbelbestemming ‘Waarde - Archeologie’. De voor ‘Waarde - Archeologie’ aangewezen gronden zijn primair bestemd voor de bescherming en veiligstelling van de op en/of in deze gronden te verwachten archeologische waarden. Op basis van de bestemming ‘Wonen’ zonder bouwvlak is het niet mogelijk om de vrijstaande woning te realiseren, omdat woningen binnen een bouwvlak dienen te worden opgericht. Om de ontwikkeling mogelijk te maken is een partiële herziening van het bestemmingsplan noodzakelijk. Voorliggend bestemmingsplan voorziet in het nieuwe planologisch-juridische kader voor het plangebied waarin is aangetoond dat het initiatief op de verschillende relevante onderdelen haalbaar is.
In figuur 1.2 is een uitsnede weergegeven van het vigerend bestemmingsplan ‘Olland’.
Figuur 1.2 Uitsnede vigerend bestemmingsplan ‘Olland’
Hoofdstuk 1
4
Bestemmingsplannen ‘Harmonisatie begrippen wonen, c.s. Sint-Oedenrode 1’ en ‘Paraplubestemmingsplan parkeren’ Naast bovengenoemd bestemmingsplan is ook het bestemmingsplan ‘Harmonisatie begrippen wonen, c.s. Sint-Oedenrode 1’ vastgesteld op 29 januari 2015 door de voormalige gemeente Sint-Oedenrode en het ‘Paraplubestemmingsplan parkeren’, vastgesteld op 31 januari 2019 door gemeente Meierijstad, van kracht. Het 'Paraplubestemmingsplan parkeren' heeft tot doelstelling om voor de bestemmingsplannen van de gemeente Meierijstad, de juridische link te leggen met het “geldend parkeerbeleid” waar gemeentelijke parkeernormen onderdeel vanuit maken. Het paraplubestemmingsplan voorziet in een uniforme regeling voor de toetsing van ruimtelijke ontwikkelingen aan de geldende parkeernormen voor de gehele gemeente Meierijstad. Bestemmingsplan ‘Harmonisatie van diverse regelingen – laaghangend fruit’ Tot slot is het bestemmingsplan ‘Harmonisatie van diverse regelingen – laaghangend fruit’ van kracht. Dit plan is op 27 januari 2021 door de gemeente Meierijstad vastgesteld. Het bestemmingsplan heeft tot doelstelling de verschillende regelingen en beleid opgesteld door de voormalige gemeenten Schijndel, Sint-Oedenrode en Veghel (welke gefuseerd zijn tot de huidige gemeente Meierijstad) te bundelen.
Hiermee worden procedurele lasten beperkt gezien regels gelijk worden gesteld en bepaalde zaken rechtstreeks worden toegestaan. In dit bestemmingsplan is een uniforme regeling / zijn uniforme definities opgenomen voor het gebruik van één woning (bedoeld voor de huisvesting van één huishouden), het uitoefenen van bedrijven en beroepen aan huis en nevenfuncties in de vorm van bed en breakfast. In onderhavig bestemmingsplan zijn deze begrippen en regelingen overgenomen.
1.4 Leeswijzer Dit bestemmingsplan is opgebouwd uit zes hoofdstukken en enkele bijlagen. Na dit inleidende hoofdstuk volgt hoofdstuk 2 ‘Planbeschrijving’, dit gaat in op de beschrijving van de huidige situatie van het plangebied, de ontwikkelingsmogelijkheden en de gewenste situatie. Hoofdstuk 3 geeft een beschrijving van het relevante beleid op Rijks-, provinciaal, regionaal en gemeentelijk niveau. Daarbij wordt bekeken of de voorgestane ontwikkeling in lijn is met dit beleid. In hoofdstuk 4 wordt de milieutechnische uitvoerbaarheid van het bestemmingsplan aangetoond. Vanuit de verschillende van invloed zijnde haalbaarheidsaspecten zoals externe veiligheid, luchtkwaliteit en water wordt in dit hoofdstuk beschreven waarom de ontwikkeling welke voorliggend plan mogelijk maakt, uitgevoerd kan worden. In hoofdstuk 5 wordt de juridische planopzet toegelicht. Er wordt een antwoord gegeven op de vraag hoe hetgeen in voorliggend plan is vastgelegd, juridisch wordt geregeld. Hoofdstuk 6 geeft inzicht in de financiële en maatschappelijke uitvoerbaarheid van het plan.
Hoofdstuk 1
5
2.
PLANBESCHRIJVING 2.1 Huidige situatie en gebiedskenmerken Olland is ontstaan als een langgerekte nederzetting op de oeverwal en de dekzandrug ten noorden van de Dommel. Na Sint-Oedenrode was dit in 1865 het tweede dorp dat een zelfstandige parochie werd op het grondgebied van de gemeente. De kern bezat als sinds 1467 een kapel. Na de stichting van de parochie ontwikkelde de kern zich in de 19e eeuw langs het lint: nu de Pastoor Smitsstraat. Dit lint is onderdeel van de oude route tussen de kernen Sint Oedenrode en Boxtel. De Pastoor Smitsstraat was en is de centrale as van de kern. De bebouwing aan de zuidzijde van de Pastoor Smitsstraat grenst direct aan het beekdal dat ten zuiden van de kern Olland ligt. Olland ligt midden in het zogenaamde Broek- en Donkengebied. Kenmerkend voor dit gebied zijn onder meer een grillig wegen- en kavelpatroon, opgaande populierenbeplantingen langs perceelsranden en wegen, afgewisseld met kleine populierenbosjes. Het is een karakteristiek kleinschalig cultuurlandschap met een in hoofdzaak agrarisch grondgebied. Het kleinschalige, afwisselende landschap is recreatief zeer aantrekkelijk. Het gehele lint Pastoor Smitsstraat heeft een structurerende functie binnen de kern Olland. Het lint is de toegang tot de kern. Rondom de Heilige Martinuskerk, centraal gelegen in de kern, is sprake van een dorpspit.
De bebouwingswanden van de Pastoor Smitsstraat bestaan voornamelijk uit vrijstaande en half-vrijstaande woningen uit verschillende tijdsperioden. Vooral in de ‘uitlopers’, zoals ter hoogte van het plangebied, heeft de bebouwing uit de naoorlogse periode de overhand. De bebouwing heeft een ‘dorpse’ bouwhoogte van één tot twee bouwlagen met kap. Het profiel van de Pastoor Smitsstraat bestaat uit een rijbaan met aan de zijde van het plangebied een verharde bermstrook. De rijbaan wordt begeleidt door solitaire bomen. De panden verderop in de straat en ook ter hoogte van het plangebied hebben voortuinen die door middel van hagen van de openbare ruimte worden gescheiden. De planlocatie zelf betreft een braakliggend stuk grond tussen de woningen Pastoor Smitsstraat 1 en 3, waarop een schuur staat.
2.2 Voorgestane ontwikkeling Onderhavig planvoornemen bestaat uit de herinvulling van het braakliggend perceel tussen de Pastoor Smitsstraat nummers 1 en 3. Het perceel zal worden ingevuld met een vrijstaande woning van 1 laag met kap (zie onderstaande afbeelding). De woning kent een goothoogte van maximaal 3,5 meter en een bouwhoogte van maximaal 10 meter. Qua bebouwingstypologie aangesloten op de bouwvormen in de straat. Er is sprake van een in basis enkelvoudige en eenduidige staafvormige bouwmassa welke is afgedekt met een (zadel)dak dat in de langsrichting aan de straat ligt. Hoewel er in de Pastoor Smitsstraat zowel één als tweelaags bouwmassa’s voorkomen, is er richting het buitengebied (zijde Sint-Oedenrode) overwegend sprake van vrijstaande bouwmassa’s met lagere goothoogtes. Hierop is aangesloten. De hoofdmassa van de woning kent een bouwdiepte van maximaal 12 meter en staat vrij op het perceel (afstand tot zijdelingse perceelsgrenzen minimaal 3 meter). Achter en opzij van de woning zijn aan-, uit- en bijgebouwen toegestaan. Hiervoor is aangesloten op de bouwregeling voor bijbehorende bouwwerken voor de kern Olland. Gedacht wordt aan een eenlaagse uitbouw waardoor er mogelijkheden ontstaan om de woning levensloopbestendig te bouwen.
Hoofdstuk 2
6
Aan de westzijde van het perceel is een nieuwe inrit voorzien en deze geeft toegang tot het erf. Er is ruimte om op eigen perceel 3 auto’s te parkeren, waarmee wordt voldaan aan de gemeentelijke parkeernorm. Daarnaast kunnen bezoekers, net als in de huidige situatie gebruik maken van de verharde bermstrook van de Pastoor Smitsstraat. Onderstaande figuur geeft indicatief de inpassing van de beoogde vrijstaande woning weer.
Figuur 2.1 Indicatieve stedenbouwkundige inpassing
2.3 Beeldkwaliteit en welstand Een beeldkwaliteitsplan is door de gemeente verplicht gesteld bij een ontwikkeling van meer dan twee woningen. Derhalve is een beeldkwaliteitsplan voor deze ontwikkeling niet noodzakelijk. Als toetsingskader voor welstand gelden voor deze locatie de (gebiedsgerichte) criteria uit de gemeentelijke welstandsnota. Daarnaast zal met de woning worden aangesloten op het heersende straat- en bebouwingsbeeld. Het welstandsbeleid richt zich in dit gebied op het handhaven en gericht verbeteren van de basiskwaliteit: de compositie van het straatbeeld. Daarbij wordt gelet op de contouren van de bouwmassa’s en op de zorgvuldige detaillering van de bebouwing. Het beleid is vooral gericht op het behoud van het architectonische karakter per gebied en de oorspronkelijke vormgeving en kwaliteit van de panden.
Hoofdstuk 2
7
3.
BELEIDSKADER In dit hoofdstuk wordt het beleidskader dat relevant is voor het plan toegelicht en wordt het plan hieraan getoetst. Er is sprake van een doorwerking van beleid dat is vastgesteld op verschillende niveaus van bestuur.
3.1 Rijksbeleid Nationale Omgevingsvisie (NOVI) In de nationale omgevingsvisie geeft het Rijk een langetermijnvisie aan voor de toekomstige ontwikkelingen van de leefomgeving in Nederland. In Nederland staan we voor urgente maatschappelijke opgaven die zowel lokaal als regionaal, nationaal en internationaal gelden zoals klimaatverandering, de energietransitie, circulaire economie, bereikbaarheid en woningbouw. De Nationale Omgevingsvisie (NOVI) biedt een perspectief om voort te bouwen op bestaande landschappen en historische steden. In de NOVI zijn vier prioriteiten opgesteld: ruimte voor klimaatadaptatie en energietransitie; duurzaam economisch groeipotentieel; sterke en gezonde steden en regio's; toekomstbestendige ontwikkeling van het landelijk gebied Doorwerking plangebied In dit bestemmingsplan zijn geen strijdigheden met de uitgangspunten uit de NOVI opgenomen. Besluit algemene regels ruimtelijke ordening (Barro) Het Besluit algemene regels ruimtelijke ordening (Barro) geeft richtlijnen voor de inhoud van bestemmingsplannen voor zover het gaat om ruimtelijke ontwikkelingen van nationaal belang. Er is bepaald welke kaderstellende uitspraken zodanig zijn geformuleerd dat deze bedoeld zijn om beperkingen te stellen aan de ruimtelijke besluitvormingsmogelijkheden op lokaal niveau. Het Barro bevestigt in juridische zin die kaderstellende uitspraken.
De normering uit het Barro werkt zoveel mogelijk direct door op het niveau van de lokale besluitvorming. Bij besluitvorming over bestemmingsplannen moeten de regels worden gerespecteerd. Doorwerking plangebied Er is geen sprake van nationale belangen in het plangebied. Het Barro bevat daarom ook geen kaderstellende uitspraken voor het plangebied. Ladder voor duurzame verstedelijking Om zorgvuldig ruimtegebruik te bevorderen is per 1 oktober 2012 de ladder voor duurzame verstedelijking in het Besluit ruimtelijke ordening (artikel 3.1.6 Bro) opgenomen. De ladder ziet op een zorgvuldige afweging en transparante besluitvorming bij alle ruimtelijke en infrastructurele besluiten. De ladder is een motiveringsinstrument dat verplicht moet worden toegepast bij elk ruimtelijk besluit dat een ‘nieuwe stedelijke ontwikkeling’ mogelijk maakt. Wat er onder een nieuwe stedelijke ontwikkeling wordt verstaan, is in artikel 1.1.1 Bro bepaald: “De ruimtelijke ontwikkeling van een bedrijventerrein of
Hoofdstuk 3
8
zeehaventerrein, of van kantoren, detailhandel, woningbouwlocaties of andere stedelijke voorzieningen.” Uit de jurisprudentie komt naar voren dat het wel een nieuwe stedelijke ontwikkeling van enige omvang moet zijn.1 Per 1 juli 2017 is een gewijzigde Ladder in werking getreden. Hierin is de tekst van de Ladder teruggebracht naar de essentie, namelijk de noodzaak om aan te geven dat de voorgenomen nieuwe stedelijke ontwikkeling voorziet in een behoefte plus een motivering indien de stedelijke ontwikkeling niet binnen bestaand stedelijk gebied kan worden gerealiseerd: “De toelichting bij een bestemmingsplan dat een nieuwe stedelijke ontwikkeling mogelijk maakt, bevat een beschrijving van de behoefte aan die ontwikkeling, en, indien het bestemmingsplan die ontwikkeling mogelijk maakt buiten het bestaand stedelijk gebied, een motivering waarom niet binnen het bestaand stedelijk gebied in die behoefte kan worden voorzien.” (artikel 3.1.6 lid 2 Bro). Doorwerking plangebied Onderhavig initiatief maakt de bouw van één woning mogelijk, binnen de bebouwde kom. Gelet op de aard en kleinschaligheid van het plan, voorziet het plan niet in een stedelijke ontwikkeling als bedoeld in artikel 1.1.1, eerste lid, aanhef en onder i, van het Bro (ABRvS 18 december 2013, nr. 201302867/1/R4).
De in het plan voorziene ontwikkeling kan gelet op de jurisprudentie dan ook niet worden aangemerkt als een stedelijke ontwikkeling. Artikel 3.1.6, tweede lid, van het Bro is niet van toepassing. De ladder voor duurzame verstedelijking is voor onderhavig initiatief niet noodzakelijk.
3.2 Provinciaal beleid Omgevingsvisie Noord-Brabant Provinciale Staten hebben op 14 december 2018 de Brabantse Omgevingsvisie ‘De kwaliteit van Brabant’ vastgesteld. De Brabantse Omgevingsvisie voegt daar ambities aan toe voor vier hoofdopgaven: de energietransitie, een klimaatproof Brabant, Brabant als slimme netwerkstad en een concurrerende, duurzame economie. Voor elk van deze opgaven geeft de omgevingsvisie aan wat de ambities op lange termijn zijn: wat is er nodig om Brabant in 2050 een gezonde, veilige en prettige leefomgeving te laten zijn? De provincie wil het gesprek over stedelijke ontwikkeling dat in de afgelopen decennia werd gedomineerd door de vraag: ‘wat moeten we nog toevoegen’, ombuigen naar het gesprek over: ‘welke opgave en kansen liggen er in het bestaand stedelijk gebied en de bestaande gebouwenvoorraad?’ Duurzame verstedelijking De toenemende verschillen binnen Brabant maken het des te belangrijker om op het niveau van het daily urban system goed samen te werken en keuzes te maken. Het daily urban system is het gebied waarin een inwoner zich dagelijks verplaatst vanwege werk, voorzieningen en sociale contacten. Uitbreiding van het bestaande stedelijk gebied in steden en dorpen is alleen wenselijk vanuit kwalitatieve overwegingen en bij een concrete marktvraag.
Herbestemmen is het nieuwe bouwen: Als gevolg van economische, technologische en maatschappelijke ontwikkelingen staan de steden en dorpen van Brabant steeds vaker voor (omvangrijke) herbestemmings- en transformatieopgaven in hun bebouwde gebied. Hier liggen interessante kansen voor het toekomstbestendig maken van het stedelijk gebied 1
O.a. ABRS 1 juni 2016 (ECLI:NL:RVS:2016:1503), ABRS 18 februari 2015 (ECLI:NL:RVS:2015:428) en ABRS 24 augustus 2016 (ECLI:NL:RVS:2016:2319).
Hoofdstuk 3
9
en ook voor het creëren van ruimte voor nieuwe economische ontwikkelingen en voor woningbouw! De komende 10 jaar ligt er een forse woningbouwopgave (ca 120.000 woningen), daarna loopt de woningbouwopgave in omvang terug. Dat betekent dat we komende 10 jaar dé kans hebben om de kwaliteit van het stedelijk gebied op orde te brengen en de leegstand aan te pakken. De provincie brengt met haar partners de transformatiepotenties in beeld en onderzoeken gezamenlijk hoe deze opgaven kunnen worden aangepakt. Er wordt bijgedragen aan de realisering van grote, complexe transformatieopgaven. Doorwerking plangebied Met onderhavig planvoornemen vindt er inbreiding plaats binnen het bestaand stedelijk gebied. Er wordt een nieuwe woning toegevoegd, er is derhalve sprake van zorgvuldig ruimtegebruik en het plan past binnen het gedachtegoed van herstructurering van het bestaand stedelijk gebied. Interim Omgevingsverordening Noord-Brabant Op 25 oktober 2019 is de Interim omgevingsverordening vastgesteld. Naar aanleiding van diverse wijzigingen en het vaststellen van nadere regels is op 8 december 2020 deze omgevingsverordening geconsolideerd. De geconsolideerde Interim Omgevingsverordening vormt het toetsingskader voor nieuwe ontwikkelingen in de provincie Noord-Brabant. De provincie wil met haar regels aansluiten op de werkwijze van de Omgevingsvisie en de Omgevingswet.
Daarom is er gekozen om de verschillende provinciale verordeningen voor de fysieke leefomgeving samen te voegen tot een interim Omgevingsverordening. Het is een ‘interim’ Omgevingsverordening om zo te benadrukken dat dit een tussenstap is naar de ‘definitieve’ omgevingsverordening gebaseerd op de Omgevingswet. De Interim Omgevingsverordening is gebaseerd op de huidige wetgeving en moet aan de wettelijke bepalingen van die wetgeving voldoen. Dat betekent dat nieuwe mogelijkheden uit de Omgevingswet en de voorwaarden voor een omgevingsverordening. De Interim Omgevingsverordening vervangt zes provinciale verordeningen, waaronder de Verordening Ruimte 2014. De Interim omgevingsverordening is beleidsneutraal van karakter. Dat betekent dat er geen nieuwe beleidswijzigingen zijn doorgevoerd, behalve als deze voortvloeien uit vastgesteld beleid, zoals de omgevingsvisie. De verordening bestaat uit kaartmateriaal en regels waarmee gemeenten rekening moeten houden bij het opstellen van ruimtelijke plannen. Doorwerking plangebied De planlocatie waar de woningen worden opgericht is in de geconsolideerde Interim Omgevingsverordening aangeduid als ‘stedelijk gebied’ en ‘landelijke kern’. Onderstaande artikelen uit de Interim Omgevingsverordening zijn van toepassing.
Hoofdstuk 3
10
Figuur 4 Uitsnede geconsolideerde Interim Omgevingsverordening Noord-Brabant Artikel 3.42 duurzame stedelijke ontwikkeling Lid 1 - Een bestemmingsplan dat voorziet in de ontwikkeling van een locatie voor wonen, werken of voorzieningen ligt binnen Stedelijk gebied en bevat een onderbouwing dat: a. de ontwikkeling past binnen de regionale afspraken; b. het een duurzame stedelijke ontwikkeling is. Lid 2 a. b. c. d. e. f.
- Een duurzame stedelijke ontwikkeling voor wonen, werken of voorzieningen: bevordert een goede omgevingskwaliteit met een veilige en gezonde leefomgeving; bevordert zorgvuldig ruimtegebruik, waaronder de transformatie van verouderde stedelijke gebieden; geeft optimaal invulling aan de mogelijkheden voor productie en gebruik van duurzame energie; houdt rekening met klimaatverandering, waaronder het tegengaan van hittestress en voldoen de ruimte voor de opvang van water; geeft optimaal invulling aan de mogelijkheden voor duurzame mobiliteit; draagt bij aan een duurzame, concurrerende economie.
Hoofdstuk 3
11
Doorwerking plangebied Het plangebied ligt in bestaand stedelijk gebied waardoor stedelijke ontwikkelingen zijn toegestaan. De Interim Omgevingsverordening verplicht dat ruimtelijke ontwikkelingen een goede omgevingskwaliteit met een veilige en gezonde leefomgeving bevorderen en houdt rekening met duurzaamheid en hittestress. Voorliggend bestemmingsplan voorziet de in de ruimtelijke onderbouwing van onder andere deze aspecten. Het plangebied ligt in een bestaand stedelijk gebied en wordt niet belemmerd door regels uit de Interim Omgevingsverordening. Er wordt één vrijstaande woning opgericht in een bestaand bebouwingslint in het stedelijk gebied. Met het planvoornemen is sprake van inbreiding. In de planuitwerking wordt rekening gehouden met duurzaamheid en energietransitie. Het achterste gedeelte van het plangebied is conform de geconsolideerde Interim Omgevingsverordening gelegen in ‘landelijk gebied’, ‘groenblauwe mantel’, ‘attentiezone waterhuishouding’ en ‘cultuurhistorisch waardevol gebied’. Met onderhavige ontwikkeling is in dit gedeelte uitsluitend een achtertuin met bijgebouw voorzien. Op onderstaande afbeelding is het perceel aangegeven waarop de woning zal komen. Het rode gedeelte representeert de stedelijke zone. De woning komt aan de voorzijde binnen de aanduiding van dit bestaand stedelijke gebied.
Het plan levert zo een bijdrage aan een goede omgevingskwaliteit en er is op deze manier rekening gehouden met de cultuurhistorische waarde van de Ollandse loop. Daarnaast voorziet het plan in voldoende ruimte voor de berging van water en wordt er aandacht besteed aan duurzaam bouwen. Er zullen mogelijk zonnepanelen en een warmtepomp worden geïnstalleerd. Daarbij wordt de woning gasloos gebouwd en zal deze dus volledig op elektriciteit draaien. Ten slotte gaat er aandacht uit naar natuurinclusiviteit door bij de nieuwe woning nestgelegenheid voor huismussen aan te brengen.
3.3 Gemeentelijk beleid Woonvisie Meierijstad De gemeente Meierijstad heeft een Woonvisie opgesteld (vastgesteld op 5-7-2018). Meierijstad wil een stad zijn met een aantrekkelijk woonklimaat en een woningaanbod voor iedereen. De gemeente streeft naar vitale wijken en kernen en een gevarieerd woningaanbod in aantrekkelijke, leefbare buurten om ruimte en kansen te bieden aan alle bevolkingsgroepen en leefstijlen. Met deze visie wordt meer houvast geboden voor het analyseren van knelpunten en het benutten van mogelijkheden. De visie is opgebouwd uit vier verschillende thema’s met elk een eigen ambitie. Zo wordt er ingespeeld op de dynamiek van de woningmarkt en is er aandacht voor belangrijke trends zoals duurzaamheid, zorg en welzijn, en de leefbaarheid. De dynamiek van de woningmarkt De woningmarkt is in beweging en het is van belang dat bouwplannen hier zoveel mogelijk op inspelen zodat aan de woonwensen van de inwoners wordt voldaan. Hierbij wordt een toename verwacht van de woningbehoefte in de gemeente tot aan 2030. Deze demografische ontwikkelingen leiden tot een veranderende woningbehoefte. Omdat de meeste woningen er al staan kijkt de gemeente kritisch naar de woningen die aan de woningvoorraad toegevoegd worden.
Zorg en welzijn De samenhang tussen demografische ontwikkelingen (de vergrijzing en toename van eenpersoonshuishoudens), de transitie in het sociale domein gericht op een inclusieve samenleving waar iedereen meedoet en de invloed daarvan op de leefomgeving.
Hoofdstuk 3
12
Duurzaamheid De gemeente Meierijstad wil in 2050 energieneutraal zijn. Deze duurzame ambitie is doorvertaald in een duurzame woonvisie. Niet alleen dient er sprake te zijn van een duurzame stedelijke ontwikkeling, de woning zelf dient ook duurzaam te zijn. Hierbij dient bijvoorbeeld gekeken te worden naar de mogelijkheden voor aardgasloos bouwen, isolatie en een duurzaam gebruik van grondstoffen. Leefbaarheid Het creëren van een juiste balans tussen enerzijds de specifieke woonkwaliteiten en anderzijds een divers woningaanbod wat de kracht en eigenheid van wijken en kleine kernen recht doet. Doorwerking plangebied De gemeente geeft de prioriteit aan inbreidingsplannen boven uitbreidingsplannen. Onderhavig plan voorziet in het mogelijk maken van het oprichten van één woning in de kern van Olland, binnen het bestaand stedelijk gebied. De realisatie vindt plaats op een logische plek in het stedelijk weefsel en bij het ontwerp is nadrukkelijk rekening gehouden met de uitstraling van het gebied. Er zijn mogelijkheden de woning levensloopbestendig te bouwen. De woning wordt gerealiseerd met aandacht voor kwaliteitsverbetering en behoudt van de kracht van de kern. Met het realiseren van de woning wordt bijgedragen aan de woonwensen van de initiatiefnemer. Daarnaast wordt er rekening gehouden met de duurzame wensen van de gemeente Meierijstad (zoals beschreven in paragraaf 3.2).
Hiermee is het plan in lijn met de Woonvisie Meierijstad. Structuurvisie Meierijstad In de Visie Meierijstad wordt de toekomst van de gemeente Meierijstad beschreven. Hierin is de volgende algemene visie opgenomen: Het is 2025: een gemeente met een missie en ambities In het belang van haar inwoners, bedrijven, instellingen en verenigingen is een ambitieuze en bestuurskrachtige gemeente noodzakelijk. Elke inwoner telt mee en kan mee doen binnen sterke sociale netwerken en een rijk vrijwilligers- en verenigingsleven. Meierijstad maakt zich samen met het bedrijfsleven sterk voor een gezonde lokale en regionale economie met voldoende werkgelegenheid. Food is de verbindende factor: de productie in het buitengebied, de voedingsindustrie en nieuwe productontwikkeling. In Meierijstad is het genieten in de vele restaurants en op de terrassen. De beroepsbevolking is aan het werk. Wonen en werken in Foodcapital trekt jeugd aan. Er is een goede ruimtelijke balans tussen werken, wonen en leven. Meierijstad koestert de unieke waarden van natuur, landschap, cultuur en onderwijs. Daarnaast is voor het ruimtelijke aspect onderscheid gemaakt tussen verschillende onderdelen, waaronder bijvoorbeeld: landschap, wonen en bedrijvigheid. Voor het aspect wonen is het volgende beschreven: Onze inwoners verblijven in een veilige woon- en werkomgeving.
Zij zijn betrokken en hebben direct invloed op de woonomgeving en de eigen woning. Maatwerk is de norm, met flexibiliteit en ruimte voor nieuwe ideeën. Er is een duurzame leefomgeving en een divers woningaanbod: koop, huur, meer-generatie-wonen (levensloopbestendig) en zorgconcepten. Het (hoogwaardig) openbaar vervoer is verbeterd en daardoor is de bereikbaarheid tussen de kernen goed.
Hoofdstuk 3
13
Doorwerking plangebied Onderhavig plan voorziet in de realisatie van woningaanbod en zorgt voor een verbetering van de leefomgeving in dit deel van de kern Sint-Oedenrode. Hiermee is de ontwikkeling in lijn met de uitgangspunten uit de Visie Meierijstad.
Hoofdstuk 3
14
4. OMGEVINGSASPECTEN In dit hoofdstuk worden de diverse relevante omgevingsaspecten aangehaald en wordt het plan hieraan getoetst.
4.1 M.e.r.-beoordeling In een vormvrije m.e.r.-beoordeling moet de gemeente beoordelen of een milieueffectrapport moet worden opgesteld. Een vormvrije m.e.r.-beoordelingsplicht geldt voor activiteiten die zijn opgenomen in het Besluit m.e.r. bijlage D. Voor deze activiteiten bepaalt het bevoegd gezag of een milieueffectrapport moet worden gemaakt. Achterliggende gedachte hierbij is dat ook kleine projecten het milieu relatief zwaar kunnen belasten en ook bij kleine projecten van geval tot geval moet worden beoordeeld of een m.e.r.-procedure nodig is. Deze vormvrije m.e.r.-beoordeling kan tot twee conclusies leiden: belangrijke nadelige milieugevolgen zijn uitgesloten: er is geen milieueffectrapportage noodzakelijk; belangrijke nadelige gevolgen voor het milieu zijn niet uitgesloten: er moet een milieueffectrapportage worden opgesteld. Doorwerking plangebied In het Besluit m.e.r. worden woningen als onderdeel van de activiteit stedelijk ontwikkelingsproject genoemd (categorie D 11.2 van het Besluit m.e.r.). De vraag is of de bouw van één woning gezien moet worden als stedelijk ontwikkelingsproject. Volgens de Raad van State (zie uitspraak 201609536/1/A1) is het antwoord op de vraag of er sprake is van een (wijziging van een) stedelijk ontwikkelingsproject in de zin van het Besluit m.e.r.
afhankelijk van de concrete omstandigheden van het geval, waarbij onder meer aspecten als aard en omvang van de voorziene wijzigingen van de stedelijke ontwikkeling een rol spelen. De concrete omstandigheid in dit geval is het toevoegen van één woning en kan dus wel degelijk m.e.r.-beoordelingsplichtig zijn, afhankelijk van de omstandigheden van het geval. Gezien de aard van de plannen zijn negatieve effecten op Natura 2000-gebieden of Natuurnetwerk Nederland redelijkerwijs uitgesloten. Ook leidt de ontwikkeling niet tot hinder voor omliggende functies. Er worden geen gevaarlijke stoffen gebruikt en/of –technologieën toegepast, waardoor er geen sprake is van risico op ongevallen. Ook blijkt uit dit bestemmingsplan dat er geen sprake is van nadelige gevolgen voor het milieu. Dit maakt dat het toevoegen van één woning niet kan worden aangemerkt als een stedelijk ontwikkelingstraject in de zin van categorie D11.2 van het Besluit m.e.r.
4.2 Archeologie en cultuurhistorie De Erfgoedwet bevat de wet- en regelgeving voor behoud en beheer van het cultureel erfgoed en archeologie in Nederland. Het is op basis hiervan verplicht om de facetten historische (steden)bouwkunde en historische geografie mee te nemen in de belangenafweging. Hierbij gaat het om zowel beschermde als niet formeel beschermde objecten en structuren.
Hoofdstuk 4
15
Archeologie De bescherming van archeologisch erfgoed in Nederland is vastgelegd in de Erfgoedwet, die op 1 juli 2016 in werking is getreden. De Erfgoedwet is in de plaats gekomen van zes wetten en regelingen op het gebied van cultureel erfgoed, waaronder de Monumentenwet 1988. Onderdelen van de Monumentenwet die van toepassing waren op de fysieke leefomgeving gaan naar de Omgevingswet die in 2023 van kracht wordt. Voor deze onderdelen is daartoe in de Erfgoedwet voor de periode 2016-2023 een overgangsregeling opgenomen. De basis van de bescherming van archeologisch erfgoed in de Erfgoedwet is het verdrag van Valletta (ook wel het verdrag van Malta). De bescherming heeft als doel om archeologisch erfgoed zoveel mogelijk in situ, dus in de grond, te behouden. Dankzij het principe van “de verstoorder betaalt” uit het verdrag van Valletta worden meer archeologische resten in situ behouden. Indien ruimtelijke ontwikkelingen plaatsvinden dient te worden beoordeeld of archeologische waarden in het geding raken. Doorwerking plangebied Er is door Buro de Brug een archeologische quickscan uitgevoerd. In deze toelichting staan de belangrijkste conclusies beschreven, voor het volledige rapport wordt verwezen naar de bijlagen. Het plangebied bevindt zich in het Pleistocene dekzandlandschap en de bodem van het plangebied ligt op de grens van gooreerdgronden en enkeerdgronden.
Deze goreerdgronden zijn lager gelegen natte delen in het pleistocene zandlandschap. Het plangebied valt binnen een hoge archeologische verwachting op basis van de Archeologische Verwachtingskaart van de voormalige gemeente SintOedenrode, vermoedelijk omdat hoger gelegen dekzanden geschikte gronden vormden voor bewoning in de prehistorie. Het gebied is echter lager gelegen. Hier is een natte bodem ontwikkeld en heeft zich geen aantrekkelijke bewoningslocatie gevormd waardoor de archeologische verwachting voor vondsten uit de prehistorische of Romeinse tijd laag is. Gezien de ligging van het plangebied (aan een doorgaande weg en op korte afstand van de dorpskern), wordt de archeologische verwachtingswaarde voor sporen uit de Middeleeuwen op middelhoog geschat. Deze sporen zouden eventueel samen kunnen hangen met de ontginning en cultiveren van het gebied in deze periode. Het grondgebied ligt binnen een terrein van hoge archeologische waarde op basis van de Archeologische Monumenten Kaart (AMK). Dit is de (deels vermoedde) oude dorpskern van Olland. Deze kaart lijkt echter gebaseerd op een te groot begrensde dorpskern, aangezien op vroegere kaarten geen bebouwing aanwezig is. Buro de Brug heeft aangegeven dat er een lage verwachting bestaat dat sporen uit de Nieuwe Tijd worden gevonden. Dit gezien het plangebied niet bebouwd was ten tijde van de Nieuwe Tijd.
Algemeen: Vanwege de relatief lage ligging van het perceel, het voorkomen van een natte gooreerdgrond. de afwezigheid van bebouwing op historische kaarten en de (te) ruime begrenzing van het AMK-terrein, geldt alleen een middelhoge archeologische verwachting voor de Late Middeleeuwen. Advies: Vanuit het gemeentelijk beleid worden ingrepen vrijgesteld van archeologisch onderzoek die de
Hoofdstuk 4
16
bodem niet meer dan 30 cm onder maaiveld verstoren of binnen 100 m 2 blijven. Wanneer de bouwplannen groter zijn dan deze vrijstellingsgrenzen, wordt geadviseerd om een inventariserend veldonderzoek (IVO) uit te laten voeren in de vorm van een verkennend booronderzoek, waarbij de contouren van de te ontgraven delen onderzocht dienen te worden. Het doel hiervan is het toetsen van de gespecificeerde archeologische verwachting, het onderzoeken van de staat van de bodem en eventuele verstoringen en het inventariseren van archeologische indicatoren alsmede de diepteligging van mogelijk aanwezige archeologische niveaus. De archeologische dubbelbestemming blijft daarom gehandhaafd. Cultuurhistorie Op grond van het Besluit ruimtelijke ordening (artikel 3.1.6, tweede lid, onderdeel a Bro) dient in het plan rekening gehouden te worden met cultuurhistorie. Cultuurhistorie heeft onder andere betrekking op de historische stedenbouwkundige en historisch geografische waarden in het gebied. In het plan moet beschreven worden hoe met de in het gebied aanwezige waarden en de aanwezige of te verwachten monumenten wordt omgegaan. Het beleid van de provincie Noord-Brabant sluit aan op het nationale beleid voor de archeologische monumentenzorg. De provincie richt zich op de bescherming van objecten en de bescherming, benutting en ontwikkeling van structuren en ensembles van een grotere schaal.
Het plangebied is gelegen in de ‘Meierij’ en het ‘Groene Woud’. Het achterste gedeelte van het perceel is gelegen in het Dommeldal, tussen Sint-Oedenrode en Boxtel. Dit is een fraai beekdal met graslanden, broekbosjes, afgesneden meanders en mooie overgangen naar de oude akkercomplexen op de hogere gronden langs het dal. Onderhavig planvoornemen doet geen afbreuk aan waarden en kenmerken van de omgeving. Met het plan wordt omgevingskwaliteit behouden en versterkt. Met het plan wordt het bebouwingslint van de Pastoor Smitsstraat aangeheeld daar waar nu “gat” zit in deze wand. Binnen de grenzen van het plangebied zijn geen rijks- of gemeentelijke monumenten aanwezig. Daarnaast liggen er ook geen monumentale bomen, natuurmonumenten, molenbiotopen, MIP-panden of beeldbepalende panden in het plangebied. De ontwikkelingen van het plangebied doen geen afbreuk aan omliggende cultuurhistorisch en geografisch waardevolle lijnen, omdat de omliggende wegenstructuren niet veranderen. Het initiatief heeft geen negatieve effecten op de cultuurhistorie in de omgeving. Het thema cultuurhistorie zorgt daarom ook niet voor belemmeringen.
4.3 Flora en fauna De bescherming van de natuur is vastgelegd in de Wet natuurbescherming (Wnb). De Wet natuurbescherming (Wnb) geeft het wettelijke kader voor de bescherming van natuurgebieden en voor soortenbescherming. Bij de voorbereiding van een ruimtelijk plan dient onderzocht te worden of de Wnb ten aanzien van de bescherming van dier- en plantensoorten en gebieden de uitvoering van het plan niet in de weg staan. De provincie is bevoegd gezag voor de toetsing van handelingen met mogelijke gevolgen voor beschermde dier- en plantensoorten (de soortenbeschermingsbepalingen) én voor Natura 2000-gebieden (de gebiedenbeschermingsbepalingen). Alleen bij ruimtelijke ingrepen waarmee grote nationale belangen zijn gemoeid, blijft het Rijk bevoegd gezag.
Hoofdstuk 4
17
Daarnaast vindt beleidsmatige gebiedsbescherming plaats door middel van het Natuurnetwerk Nederland (NNN), de voormalige Ecologische Hoofdstructuur (EHS). Ook in dit kader zijn de provincies het bevoegd gezag. Gebiedsbescherming vanuit de Wet natuurbescherming De Wet natuurbescherming, heeft voor wat betreft gebiedsbescherming, betrekking op de Europees beschermde Natura 2000-gebieden. De Vogelrichtlijn- en Habitatrichtlijngebieden worden in Nederland gecombineerd als Natura 2000-gebieden aangewezen. Als er naar aanleiding van projecten, plannen en activiteiten mogelijkerwijs significante effecten optreden, dienen deze vooraf in kaart gebracht en beoordeeld te worden. Projecten, plannen en activiteiten die mogelijk een negatief effect hebben op de beschermde natuur in een Natura 2000-gebied zijn vergunningsplichtig. Het plangebied is niet gelegen binnen de grenzen van een gebied dat aangewezen is als Natura 2000-gebied. Het meest nabijgelegen Natura 2000-gebied, “Kampina en Oisterwijkse vennen”, bevindt zich op circa 7,8 kilometer afstand ten westen van het projectgebied. Indien er sprake zou zijn van een effect, betreft dit een extern effect als gevolg van storingsfactoren als toename van geluid, licht of depositie van stikstof. Mede gezien de afstand tot het plangebied zijn externe effecten als gevolg van aspecten als licht, geluid en trillingen uitgesloten.
Daar de voorgenomen ontwikkeling de sloop van een schuur en realisatie van een vrijstaande woning betreft, is een toename aan stikstofuitstoot te verwachten. Gezien de afstand tot het Natura 2000-gebied is een toename aan stikstofdepositie op een Natura 2000-gebied redelijkerwijs niet aan de orde. Uit het onderzoek in de vorm van een AERIUS-berekening zijn bij zowel de aanlegfase als de gebruiksfase geen depositieresultaten hoger dan 0,00 mol/ha/j. Daarmee kunnen op voorhand negatieve effecten op Natura 2000-gebieden vanwege stikstofdepositie uitgesloten worden. Gebiedsbescherming vanuit provinciaal beleid Conform artikel 1.12 van de Wet natuurbescherming dragen Gedeputeerde Staten in hun provincie zorg voor de totstandkoming en instandhouding van een samenhangend landelijk ecologisch netwerk, genaamd ‘Natuurnetwerk Nederland’. Zij wijzen daartoe in hun provincie gebieden aan die tot dit netwerk behoren. Het Natuurnetwerk Nederland (NNN, voorheen Ecologische Hoofdstructuur (EHS)) is een samenhangend netwerk van bestaande en te ontwikkelen natuurgebieden. De planologische begrenzing en beschermingsregimes van het Natuur-netwerk loopt via het traject van de provinciale ruimtelijke structuurvisies en verordeningen. Binnen de provincie Noord-Brabant bestaat het NNN uit het Natuurnetwerk Brabant (NNB) en Ecologische Verbindingszones (EVZ).
Daarnaast wordt ook de groenblauwe mantel beleidsmatig beschermd. Het netwerk wordt gevormd door kerngebieden, natuurontwikkelingsgebieden en ecologische verbindingszones met als doel natuurgebieden beter met elkaar en met het omringende agrarisch gebied te verbinden. Activiteiten in deze gebieden zijn alleen toegestaan als ze geen negatieve effecten hebben op de wezenlijke kenmerken of waarden of als deze kunnen worden tegengegaan met mitigerende maatregelen. Het plangebied is niet gelegen binnen het NNB. Het dichtstbijzijnde onderdeel van het NNB ligt ongeveer 330 meter ten westen van het plangebied. Gezien de aard van de voorgenomen plannen zullen de omgevingscondities redelijkerwijs gelijk blijven, waardoor de wezenlijke kenmerken en waarden van het NNB niet worden aangetast. Vervolgonderzoek in het kader van het NNB wordt dan ook niet noodzakelijk geacht.
Hoofdstuk 4
18
Toetsing beschermde houtopstanden De bescherming van houtopstanden, conform de Wet natuurbescherming, heeft betrekking op alle zelfstandige eenheden van bomen, boomvormers of struiken van een oppervlakte van minimaal tien are of een rijbeplanting die meer dan twintig bomen omvat, gelegen buiten de bebouwde kom. Wanneer houtopstanden worden geveld, niet vallende onder artikel 4.1 van de Wet natuurbescherming, geldt een meldingsplicht bij Gedeputeerde Staten van desbetreffende provincie (artikel 4.2 Wnb). Indien er geen bezwaar is om de houtopstanden te kappen, verplicht artikel 4.2 van de Wet natuurbescherming om binnen 3 jaar na het vellen of tenietgaan van de houtopstand op dezelfde grond houtopstanden opnieuw aan te planten. Er geldt een algehele vrijstelling van de herplantplicht voor houtopstanden die gekapt worden in het kader van natuurbeheer en natuurbehoud. Aangezien het plangebied zich binnen de bebouwde kom bevindt en er geen (onderdelen van) houtopstanden verloren gaan is toetsing aan het onderdeel houtopstanden conform de Wet natuurbescherming bij dit plan niet aan de orde.
Toetsing beschermde soorten De Wet natuurbescherming heeft, voor wat betreft soortenbescherming, betrekking op alle in Nederland in het wild voorkomende zoogdieren, (trek)vogels, reptielen en amfibieën, een aantal vissen, libellen en vlinders, enkele bijzondere en min of meer zeldzame ongewervelde dierensoorten en een aantal vaatplanten. De beschermde soorten zijn ingedeeld in drie categorieën: Vogels (artikel 3.1 Wet natuurbescherming) Europees beschermde soorten (artikel 3.5 Wnb) Nationaal beschermde soorten (artikel 3.10 Wnb) Beschermde soorten vanuit nationaal oogpunt betreffen soorten uit ‘bijlage A en B’ van de Wet natuurbescherming. Beschermde soorten vanuit Europees oogpunt betreffen soorten uit Bijlage IV van de Habitatrichtlijn, de soorten uit Bijlage 1 en 2 Verdrag van Bern, en Bijlage 1 verdrag van Bonn, en alle in Europa inheemse vogels (Vogelrichtlijn). De drie beschermingsregimes kennen elk hun eigen verbodsbepalingen. De verbodsbepalingen voor vogels en overige Europese soorten (categorie 1 en 2) zijn letterlijk overgenomen uit respectievelijk de Vogelrichtlijn en de Habitatrichtlijn. Voor de andere, ‘nationaal’ beschermde soorten (categorie 3) gelden verbodsbepalingen die geïnspireerd zijn op de Habitatrichtlijn, maar in sommige opzichten minder streng zijn.
In tabel 4.1 is samengevat of de voorgenomen ontwikkeling negatieve effecten kan hebben op beschermde soorten en wat de eventuele vervolgstappen zijn, zoals soortgericht nader onderzoek of vergunningstrajecten. In de tabel is tevens weergegeven of maatregelen noodzakelijk zijn om overtreding van de Wet natuurbescherming voor bepaalde soortgroepen te voorkomen.
Hoofdstuk 4
19
Tabel 4.1 Overzicht (potentiële) aanwezigheid beschermde soorten en te nemen vervolgstappen Soortgroep
Algemeen
Potentieel
Sprake van
aanwezig
overtreding
Ja
Te voorkomen
Broedv ogels
Jaarrond
Ja
Mogelijk
Vervolgtraject / maatregelen
Bijzonderheden / opmerkingen
Plangebied buiten broedseizoen
Globale broedseizoen loopt van
bouwrijp maken of controle vooraf
maart tot half augustus
Vervolgonderzoek naar huismus
Bij aanwezigheid is voor de sloop
beschermd Verbli-
een ontheffing nodig Nee
Nee
-
-
Nee
Nee
-
-
Nee
Nee
-
-
Ja
Te voorkomen
Zorgplicht afdoende
-
Reptielen
Nee
Nee
-
-
Amfibieën
Ja
Te voorkomen
Zorgplicht afdoende
-
Vissen
Nee
Nee
-
-
Ongewervelden
Nee
Nee
-
-
Vaaplanten
Nee
Nee
-
-
Vleermuizen
jfplaatsen Foerageerhabitat Vliegroutes
Grondgebonden zoogdieren
Conclusie Gelet op de potentiële ecologische waarden kan het voorgenomen plan alleen in overeenstemming met de nationale natuurwetgeving en het provinciale natuurbeleid worden uitgevoerd, mits voorafgaand en tijdens het uitvoeren van de werkzaamheden het bepaalde in de Wet natuurbescherming in acht wordt genomen: Met betrekking tot de sloop van de schuur zijn overtredingen ten aanzien van het verstoren/verwijderen van nestlocaties van huismus op basis van de quickscan niet uit te sluiten. Vervolgonderzoek heeft hieromtrent uitsluitsel gegeven (zie onderstaand); Ten aanzien van broedvogels dient, om overtreding op voorhand redelijkerwijs te voorkomen, het verwijderen van de schuur buiten het broedseizoen te worden uitgevoerd, of een controle moet de aanwezigheid van een broedgeval kunnen uitsluiten; In het kader van de algemene zorgplicht is het noodzakelijk om voldoende zorg te dragen voor aanwezige individuen. Dit houdt in dat al het redelijkerwijs mogelijke gedaan dient te worden om het doden van individuen te voorkomen. Vervolgonderzoek huismus Binnen het plangebied zijn geen nestlocaties van huismus waargenomen. Overtreding van een verbodsbepaling van de Wet natuurbescherming met betrekking tot huismus is uitgesloten. Er hoeft geen ontheffing te worden verkregen, noch zijn er enige vervolgstappen noodzakelijk met betrekking tot deze soort(groep)en.
Hoofdstuk 4
20
Wel zijn 4 nesten aangetroffen van kauwtjes. Broedende vogels en hun nesten zijn tijdens het broedseizoen beschermd. De sloop van de schuur dient dan ook buiten het broedseizoen te worden uitgevoerd.
4.4 Waterparagraaf Op grond van het Besluit ruimtelijke ordening (artikel 3.1.6 lid 1 onder b van het Bro) dient inzicht te worden gegeven in de gevolgen voor de waterhuishouding die samenhangen met de ruimtelijke ontwikkeling die mogelijk wordt gemaakt. Beleidskader Sinds 1 november 2003 is het wettelijk verplicht, in het kader van het Besluit Ruimtelijke Ordening, een watertoets te verrichten. In de toelichting bij ruimtelijke besluiten en plannen, waarop bovengenoemd besluit van toepassing is, is het noodzakelijk een beschrijving te geven van de manier waarop rekening is gehouden met de gevolgen van het plan voor de waterhuishouding. In aansluiting op het landelijk beleid hanteert het waterschap De Dommel het beleid dat bij nieuwe plannen altijd onderzocht behoort te worden hoe omgegaan kan worden met het schone hemelwater. Hierbij worden de afwegingsstappen “hergebruik – infiltratie – buffering – afvoer” (afgeleid van de trits “vasthouden – bergen – afvoeren” doorlopen. De waterhuishoudkundige situatie van het plangebied is onderzocht in het kader van de watertoets. In het waterhuishoudkundige onderzoek is beknopt aandacht besteed aan de huidige bodemkundige- en (geo)hydrologische situatie, de gehanteerde uitgangspunten en randvoorwaarden, en de (on)mogelijkheden om neerslag in de toekomstige situatie te bergen en te infiltreren.
Het onderzoek is op zorgvuldige wijze uitgevoerd volgens de algemeen gebruikelijke inzichten en methoden. De adviezen in dit rapport voldoen aan vigerende wet- en regelgeving van lokaal tot en met Europees niveau. Europees beleid De Europese Commissie verplicht alle lidstaten elke zes jaar over het watersysteem te rapporteren in een beheerplan per stroomgebied, het SGBP. Provinciaal beleid Naast het Europees en landelijk beleidskader is in het Provinciaal Milieu- en Waterplan Noord-Brabant (2016 – 2021) ook het toetsingskader voor de taakuitoefening van lagere overheden op het gebied van water opgenomen. Het ‘PMWP’ staat voor samenwerken aan Brabant waar iedereen prettig woont, werkt en leeft in een veilige en gezonde leefomgeving. Om dit te realiseren, zijn er in Nederland diverse waterschappen actief die zich richten op een veilig en goed bewoonbaar land met gezonde, duurzame watersystemen. De waterbeheerders werken daarvoor integraal samen met gemeenten, die het beheer over de ruimtelijke ordening en openbare ruimte hebben, om deze doelstellingen te halen. Waterschapsbeleid Het plangebied valt onder het beheer van Waterschap De Dommel. In aansluiting op het landelijk beleid is er een eigen waterbeheerplan ‘Waardevol Water’ opgesteld. Dit is gericht op een veilig een bewoonbaar beheergebied met voldoende, schoon, natuurlijk en recreatief water.
Hoofdstuk 4
21
De waterbeheerders werken daarvoor integraal samen met gemeenten, die het beheer over de ruimtelijke ordening en openbare ruimte hebben, om deze doelstellingen te halen. Voor de periode 20162021 is een nieuw Waterbeheerplan (WBP) opgesteld met de te bereiken doelen, hoe te bereiken en met welke partners (gemeenten, ondernemers, natuurverenigingen, de provincie en het Rijk). Het waterschap hanteert bij nieuwe ontwikkelingen het principe van waterneutraal bouwen, waarbij gestreefd wordt naar het behoud of herstel van de ‘natuurlijke’ waterhuishoudkundige situatie. De 'watertoets' is een instrument dat waterhuishoudkundige belangen op een evenwichtige wijze laat meewegen bij het opstellen van ruimtelijke plannen en besluiten. De drie Brabantse waterschappen Aa en Maas, De Dommel en Brabantse Delta hebben een gezamenlijke Keur opgesteld. De regels in de Keur hebben betrekking op het lozen, afvoeren, onttrekken of aanvoeren van grondwater en water uit sloten en andere watergangen. Iedereen die werkzaamheden uitvoert of activiteiten plant in en om waterlopen of dijken, heeft met de Keur te maken. Meestal is een vergunning noodzakelijk. In sommige gevallen volstaat een melding. De uitzonderingen staan beschreven in de Algemene regels. Het waterschap maakt bij het beoordelen van plannen met een toenemend verhard oppervlak onderscheid tussen grote en kleine plannen.
Op planniveau is voor de herontwikkeling vanuit het waterschap geen compensatie vereist. Gemeentelijk beleid De gemeente Meierijstad (waartoe Olland behoort) heeft een nieuw VGRP 2017-2022 en Waterplan ‘Waardevol water in Meierijstad’ opgesteld. Het is een functioneel beleidsdocument, waarin de gewenste toekomstige situatie is beschreven en verbeeld in acht streefbeelden op strategisch/tactisch niveau: Het watersysteem zo natuurlijk mogelijk laten functioneren zonder technische maatregelen. Water voor natuurdoelstellingen, waterconservering, berging van water. Overtollig water bovenstrooms vasthouden, water tijdelijk bergen in retentiegebieden langs waterlopen, als het echt niet anders kan pas afvoeren. Zelfreinigend vermogen toegenomen, weinig verontreinigingsbronnen (geen maaswater, geen chemische onkruidbestrijding, gescheiden rioleringssysteem. Zo min mogelijk vermenging van schoon en afvalwater Waterlopen als ecologische verbindingszone, natuurvriendelijke oevers, struweel, ruigtekruiden, poelen en bergingsvijvers in het stedelijk gebied ingericht als ecologische verbindingszone. Wel toegankelijk met een recreatieve functie. Het aanleggen van retentiegebieden om piekafvoeren op te kunnen vangen. Grondwateroverlast komt niet meer voor. De natuurlijke aanwezigheid van water wordt gerespecteerd en is waar mogelijk benadrukt.
De huidige en toekomstige inwoners zijn actief bij het water in hun wijk en de omgeving betrokken. De planontwikkeling mag niet leiden tot verhoging of verlaging van de grondwaterstand en de afvoer naar het oppervlaktewater, ook niet bij extremere omstandigheden. Op particulier terrein is primair de eigenaar verantwoordelijk voor de verwerking van het afgekoppelde water, bij voorkeur door infiltratie in de bodem.
Hoofdstuk 4
22
Doorwerking plangebied BRO heeft het planvoornemen door middel van een waterparagraaf hydrologisch beschreven. In deze toelichting worden de belangrijkste conclusies vermeld, voor het gehele onderzoek wordt verwezen naar de bijlagen. Grondwater Uit de gegevens van bodematlas blijkt dat de Gemiddeld Hoogste Grondwaterstand ter plaatse binnen 40 cm-mv te verwachten en de Gemiddeld Laagste Grondwaterstand op 80-120 cm-mv te verwachten. Voor voldoende drooglegging is ophoging ter plaatse van de woning aangeraden. Voor de nieuwbouwwoning is een bouwpeil van minimaal 20 cm boven de weg geadviseerd. Door de hogere ligging van de woningen is geen grondwateroverlast te verwachten binnen het plangebied. Oppervlaktewater Op de leggerkaart van het Waterschap De Dommel is te zien dat er in de omgeving van het plangebied twee A-watergangen gelegen zijn. Daarnaast zijn er eveneens enkele B-watergangen en duikers gelegen in de omgeving van het plangebied. In het plangebied zijn verder geen waterstaatswerken, waterwegen, greppels of sloten aanwezig. Direct ten oosten/zuidoosten van het plangebied is een A-watergang gelegen welke in zuidelijke richting afloopt. Nadat de A-watergang de Karthuizerweg heeft gepasseerd stroomt deze watergang in westelijk richting naar de Ollandse Waterloop.
De duiker ten oosten van het plangebied heeft een ronde opening van 0.8 meter breed en een lengte van circa 136 meter.
Figuur 4.1 Uitsnede legger met plangebied aangegeven in rood
Hoofdstuk 4
23
Afvalwater Onder de Pastoor Smitsstraatstraat is een gemengd rioolstelsel aanwezig. De nieuwbouwwoningen dienen hierop aangesloten te worden. Voor de aansluiting dient een aansluitingsvergunning aangevraagd te worden bij de gemeente Meierijstad. Er zijn geen capaciteitsproblemen te verwachten na het toevoegen van één vrijstaande woning. Hemelwater In het plangebied zijn momenteel, behoudens een kleine schuur, geen gebouwen aanwezig. Het terrein is braakliggend. Het hemelwater infiltreert deels in de ondergrond en stroomt deels af naar de nabij gelegen putten van de Pastoor Smitsstraat en de richting van de A-watergang ten zuiden van het plangebied. Zover bekend is er geen sprake van wateroverlast op de locatie. Ter plaatse van het plangebied wil men één woning realiseren met verharding/inrit waarop 3 parkeerplaatsen gerealiseerd worden. Een tuin zal worden aangelegd waarin een bijgebouw kan worden gerealiseerd. Met deze toekomstige ontwikkeling zal het verhard oppervlak in het plangebied toenemen met circa 300 m2. Voor het waterschap is geen compensatie vereist en kan aangesloten worden op het oppervlaktewater. Vanuit het gemeentelijk beleid van de gemeente Meierijstad is een hemelwaterneutrale ontwikkeling en dus hemelwaterverwerking binnen het plangebied verplicht. Het hemelwater dient separaat gehouden te worden.
Het beleid van de gemeente Meierijstad schrijft voor dat in de mate van het mogelijke 60 mm per vierkante meter verharding ter plaatse verwerkt wordt. Voor het verhard oppervlak dient (zonder aanvullende maatregelingen) binnen het perceel een hemelwatervoorziening van circa 18 m3 aangelegd te worden. Eventueel kan water hergebruikt worden voor de besproeiing van de tuin met opgevangen water in een regenton/regenschutting. De benodigde retentie of afvoersnelheid kan verder beperkt worden door bovengronds afvoeren in een grindgoot of middels het gebruik van een halfverharding zoals grind of een waterpasserende bestrating. Binnen het plangebied is een goed infiltratiesnelheid te verwachten. Gezien de verwachte GHG op 8.70 m +NAP (circa 62 cm-mv) dient hemelwater bovengronds verwerkt te worden. Tot de mogelijkheden voor bovengrondse opvangen van water behoren onder andere de aanleg van een verlaagde tuin maar ook een natuurlijke tuin, een sedum- of waterdak, regenwaterton of –schutting, wadi, infiltratiekratten en waterdoorlatende verharding/parkeerplaatsen. Binnen het perceel is voldoende ruimte aanwezig om water bovengronds te verwerken. Ook kan door het gebruik van halfverharding een reductie van de benodigde waterberging bereikt worden. Door de te nemen maatregelingen is door de planontwikkeling geen (grond)wateroverlast te verwachten en wordt hydrologisch neutraal ontwikkeld.
Een definitieve oplossing dient bij de nadere planuitwerking toegelicht te worden voorafgaand aan de aanleg van de verhardingen. Tevens is de uiteindelijke voorziening afhankelijk van de kosten, eigen voorkeur en verwerkingsmogelijkheid ter plaatse.
Hoofdstuk 4
24
4.5 Bodem In het Besluit ruimtelijke ordening (artikel 3.1.6 lid 1 onder d) is bepaald dat voor de uitvoerbaarheid van een plan rekening gehouden moet worden met de bodemgesteldheid in het plangebied. Bij functiewijzigingen dient te worden bepaald of de bodemkwaliteit voldoende is voor de beoogde functie en moet worden bepaald of nader onderzoek en eventueel saneringen noodzakelijk zijn. In de Wet bodembescherming is bepaald dat indien de desbetreffende bodemkwaliteit niet voldoet aan de norm voor de beoogde functie, de grond zodanig dient te worden gesaneerd dat zij kan worden gebruikt door de desbetreffende functie (functiegericht saneren). Nieuwe bestemmingen dienen bij voorkeur op schone grond te worden gerealiseerd. Derhalve is een bodemonderzoek conform de NEN 5740 richtlijnen noodzakelijk. Doorwerking plangebied De betreffende gronden zijn in het vigerend bestemmingsplan bestemd tot ‘Wonen’, maar er ligt geen bouwvlak op de locatie. In 2017 is reeds onderzoek (voor een deel van het plangebied) uitgevoerd naar de geschiktheid van de bodem voor een gebruik als tuin. Uit dit onderzoek (opgenomen in de bijlagen) volgt dat de milieuhygiënische conditie van de bodem geen belemmering vormt voor de voorgenomen planontwikkeling. Echter was een deel van het plangebied nog niet meegenomen in dit onderzoek en dienden er extra boringen te worden geplaatst.
In dit kader is dan ook een aanvullend verkennend bodemonderzoek en verkennend asbest in bodemonderzoek uitgevoerd. In deze toelichting worden de belangrijkste conclusies van dit onderzoek besproken, voor het volledige onderzoek wordt verwezen naar de bijlagen. Conclusies en aanbevelingen NEN 5740 Zintuiglijk is plaatselijk in de bovengrond (boringen 01 t/m 04) een zwakke tot sterke bijmenging met puin aangetroffen. Er zijn geen asbestverdachte materialen aangetroffen. Uit de resultaten van het onderzoek blijkt dat: In de bovengrond licht verhoogde gehalten aan lood, zink, PAK en minerale olie zijn aangetroffen; In de ondergrond geen verhoogde gehalten zijn aangetroffen; In het grondwater een overschrijding van de streefwaarde wordt aangetroffen aan barium. De hypothese “verdacht” moet aangenomen worden op basis van de verhoogde achtergrondwaarden in de bovengrond, als de overschrijding van de streefwaarde in het grondwater aan barium. NEN 5707 Zintuiglijk zijn plaatselijk in de bovengrond zwakke tot sterke bijmengingen (G01 t/m G04) met puin en/of asbestverdachte materialen waargenomen. Ter plaatse van inspectiegaten G01 en G03 (0-50 cm-mv) zijn analytisch asbestgehalten aangetoond. Geconcludeerd wordt dat de asbestconcentratie (13 en 5,6 mg/kg ds.) in de bodem de tussenwaarde (>50 mg/kg ds. gewogen asbest) niet overschrijdt.