CConstaterende datMeierijstad
Koppel je AI →
Document · PDF

Bijlage 2: Toelichting Venushoek 38 Schijndel

Raadsvergadering 2 maart 2023, gemeente MeierijstadBij agendapunt: Vaststelling bestemmingsplan 'Landelijk Gebied, herziening Venushoek 38'23.235 woorden

Open het PDF bij de gemeente ↗Naar de vergadering →

Tekst van het document

Uit het bestand gehaald, zonder opmaak, tabellen en afbeeldingen · deel 2 van 3

a.

er sprake is van een aanzienlijke milieu- en ruimtelijke kwaliteitswinst; Naast een goede landschappelijke inpassing is voor onderhavig planvoornemen in beginsel géén (extra) kwaliteitsverbetering van het landschap noodzakelijk. Achterliggende gedachte hierbij is dat deelname aan de Ruimte-voor-Ruimte regeling namelijk reeds bijdraagt aan een investering in het landschap. Bij zowel het ontwerpen van het bouwplan als bij het opstellen van het landschappelijk inpassingsplan, inclusief de landschaps-/inrichtingsschets, is zoveel als mogelijk aansluiting gezocht bij de aanwezige waarden en kwaliteiten en huidige landschappelijke omgevingskarakteristiek en uitgangspunten (zie hiervoor hoofdstuk 3 van deze plantoelichting). Zodoende kan de ruimtelijke (beeld)kwaliteit van het gebied in stand gehouden worden en door de inpassing, vormgeving en bouwstijl van de beoogde bebouwing kan de ruimtelijke (beeld)kwaliteit zelfs verbeterd worden. De ruimtelijk-fysieke, logistieke en milieu-hygiënische aanvaardbaarheid van de voormelde plankeuzes worden gemotiveerd in de hoofdstukken 5 tot en met 10.

b.

de ruimte-voor-ruimtekavel op een planologisch aanvaardbare locatie in een bebouwingsconcentratie ligt; Het plangebied valt binnen de bebouwingsconcentratie ‘Schootsestraat – Venushoek – Putsteeg’. Verder is hiervoor in paragraaf 3.1 reeds vermeldt dat de onderhavige Ruimte-voorRuimte ontwikkeling voldoet aan de volgende uitgangspunten en randvoorwaarden: • het een vrijstaande en grondgebonden woning betreft op een vrije kavel; • de nieuwe woning direct ontsluit op bestaande wegen; • de nieuwe woning er niet voor zorgt dat de kernrandzone dichtslibt; • de eventueel aanwezige doorzichten c.q. zichtlijnen zo goed als redelijkerwijs mogelijk behouden moeten blijven; • de nieuwe Ruimte-voor-Ruimte woning op een vrij gelegen kavel wordt gerealiseerd; • de nieuwe woning geen seriematige bouw kent, maar zich kenmerkt door individuele bouw.

c.

een goede landschappelijke inpassing van de te bouwen woning is verzekerd;

33

Een landschappelijk inpassingsplan, inclusief landschaps-/inrichtingsschets, maakt onderdeel uit van voorliggend bestemmingsplan. Verwezen wordt naar paragraaf 3.3 en bijlage 2.

d.

er geen sprake is van (een aanzet voor) een stedelijke ontwikkeling. De voorziene ontwikkeling kan niet worden aangemerkt als een ‘nieuwe stedelijke ontwikkeling’ als bedoeld in artikel 1.1.1, eerste lid, aanhef en onder i, van het Bro, zodat artikel 3.1.6, tweede lid, van het Bro niet van toepassing is. De Interim omgevingsverordening Noord-Brabant omschrijft het begrip ‘stedelijke ontwikkeling’ als volgt: ‘nieuw ruimtebeslag dan wel uitbreiding of wijziging van bestaand ruimtebeslag ten behoeve van een samenhangende ruimtelijke structuur van stedelijke functies’. Het voorgenomen bouwplan voldoet niet aan deze omschrijving. In het verlengde van de constatering dat er op grond van het Bro geen sprake is van een nieuwe stedelijke ontwikkeling is er volgens de Interim omgevingsverordening Noord-Brabant ook geen sprake van een stedelijke ontwikkeling of een aanzet daartoe.

Lid 2: Er is sprake van een aanzienlijke winst van de omgevingskwaliteit als per ruimte-voor-ruimtekavel is aangetoond dat is voldaan aan de volgende voorwaarden: a. een of meer veehouderijen gericht op het houden van varkens of pluimvee zijn in het geheel beeindigd waarbij alle bedrijfsgebouwen ten dienste van deze veehouderij, niet zijnde de bedrijfswoning, zijn gesloopt; b. de onder a. bedoelde veehouderijen zijn direct voorafgaand aan de beëindiging gedurende een periode van drie jaar onafgebroken in bedrijf geweest; c. de onder a. bedoelde veehouderijen zijn gevestigd binnen Beperkingen Veehouderij of op een locatie die vanwege omliggende waarden en functies niet geschikt is voor de uitoefening van een veehouderij; d. er tenminste 1000 m² bedrijfsgebouwen ten dienste van de onder a. bedoelde veehouderij, niet zijnde de bedrijfswoning, zijn gesloopt met een minimum van 200 m² op iedere beëindigingslocatie veehouderij; e. de ten behoeve van de onder a. bedoelde veehouderijen geregistreerde rechten betreffende de fosfaatproductie in een gezamenlijke omvang van tenminste 3.500 kg uit de markt zijn genomen door doorhaling van de bij de Dienst Regelingen geregistreerde rechten, waarbij per beëindigingslocatie een minimum van 700 kg aan rechten betreffende de productie van fosfaat aanwezig is; f. de rechten, bedoeld onder e.

moeten vanaf het moment van beëindiging van de bedrijfsvoering tot aan het moment van uit de markt nemen geregistreerd staan op naam van de veehouderij die beëindigd; g. de omgevingsvergunning milieu voor de onder a. bedoelde veehouderij op iedere beëindigingslocatie veehouderij is ingetrokken; h. een passende herbestemming is gelegd op de locatie als onder a. bedoeld die in ieder geval het houden van vee en het bouwen van nieuwe bedrijfsgebouwen uitsluit; i. in redelijkheid niet op andere wijze is voorzien in de beëindiging van de onder a. bedoelde veehouderij. De provincie Noord-Brabant is akkoord met de Ruimte-voor-Ruimte ontwikkeling binnen het plangebied en is tevens akkoord met het inzetten van de verkregen bouwtitel ter plaatse van onderhavig plangebied.

Lid 3:

In afwijking van het tweede lid kan een bestemmingsplan voorzien in een ruimte-voor-ruimtekavel indien deze wordt ontwikkeld door of vanwege de Ontwikkelingsmaatschappij ruimte voor ruimte gelet op de in het verle-

34

den behaalde aanzienlijke milieu- en ruimtelijke kwaliteitswinst door toepassing van de Regeling beëindiging veehouderijtakken.

De provincie Noord-Brabant is akkoord met de Ruimte-voor-Ruimte ontwikkeling binnen het plangebied en is tevens akkoord met het inzetten van de verkregen bouwtitel ter plaatse van onderhavig plangebied.

Lid 4:

Het bepaalde onder het derde lid vervalt indien uit door Gedeputeerde Staten bijgehouden gegevens blijkt dat er in totaal 3500 ruimte voor ruimte kavels door of vanwege de Ontwikkelingsmaatschappij ruimte voor ruimte zijn ontwikkeld;

NVT

Voor een inhoudelijke behandeling over de aspecten cultuurhistorie en archeologie wordt verwezen naar hoofdstuk 5 van deze plantoelichting. Daar staat beschreven dat met het (bouw)plan geen inbreuk wordt gepleegd op de aanwezige cultuurhistorische waarden en kwaliteiten en dat de voorgenomen landschappelijke inpassing en bebouwing de onderkende landschappelijke en cultuurhistorische waarden en kwaliteiten zelfs positief zullen beïnvloeden. Conclusie De functie die wordt opgericht geeft verdere invulling aan het karakter van landelijk wonen. Een en ander doet geen afbreuk aan het bestaande landelijke karakter ter plaatse. Het stedelijke karakter van deze functie is minimaal en passend bij de omgeving. De ontwikkeling voldoet aan de voorwaarden, zoals opgenomen in de Interim omgevingsverordening Noord-Brabant, en is passend binnen de omgeving en de opgenomen aanduidingen. Met oprichting van de woningen wordt geen afbreuk gedaan aan de ambities die de provincie heeft binnen deze structuren. In dit hoofdstuk zijn de belangen en regels van de provincie Noord-Brabant behandeld. Er is verantwoord op welke wijze er met dit plan wordt voldaan of wordt tegemoet gekomen aan de randvoorwaarden die de provincie in haar beleid heeft opgenomen. Het belangrijkste onderdeel van de verantwoording zit in de kwaliteitsverbetering die tezamen dient te gaan met ontwikkelingen in het buitengebied.

Derhalve is de verantwoording voor voorliggend plan met name daarop gericht. Tevens biedt het aan dit plan toegevoegde inpassingsplan inzicht in de ontwikkeling op het gebied van natuur en landschap. Bureau Schildwacht heeft de ecologische, land(schapp)elijke, cultuurhistorische en aardkundige waarden en kwaliteiten van de plangronden in ogenschouw genomen. De rapportage van Bureau Schildwacht (zie bijlage 2) geeft een eindbeeld voor land(schapp)elijke inpassing en versterking. Een en ander heeft geleid tot een plan,

35

waarmee behoud van natuur- en landschapswaarden is gegarandeerd en er voor de nabije toekomst een duidelijke verbetering van de kwaliteiten op het gebied van flora en fauna kan worden verwacht. De planontwikkeling heeft geen nadelige gevolgen voor de ambities die de provincie nastreeft en heeft geformuleerd in de Omgevingsvisie Noord-Brabant en de Interim omgevingsverordening Noord-Brabant. Onderhavig (bestemmings)plan sluit aan bij c.q. doet geen afbreuk aan de ambities en de (beleids)doelstellingen en -uitgangspunten zoals verwoord in de omgevingsvisie en verordening. De ruimtelijk-fysieke, logistieke en milieu-hygiënische aanvaardbaarheid van onderhavige ontwikkeling wordt gemotiveerd in de hoofdstukken 5 tot en met 10.

4.4 Gemeentelijk beleid De provinciale ruimtelijke beleidskaders zijn of moeten worden vertaald in het gemeentelijke ruimtelijke beleid. Het vigerende bestemmingsplan is reeds behandeld in paragraaf 1.3. In deze paragraaf wordt nader ingegaan op de Woonvisie Meierijstad, de Structuurvisie Ruimte, de Structuurvisie Buitengebied, de Nota Kwaliteitsverbetering, kwaliteitsverbetering in het landelijk gebied’, het Groenbeleidsplan, Paraplubestemmingsplan parkeren, de Welstandsnota Meierijstad 2018 en het VGRP+ 217-2022. Woonvisie Meierijstad (2018) Toetsingskader Meierijstad wil een stad zijn met een aantrekkelijk woonklimaat en een woningaanbod voor iedereen. Gestreefd wordt, naast vitale wijken en kernen, naar een gevarieerd woningaanbod in aantrekkelijke, leefbare buurten om ruimte en kansen te bieden aan alle bevolkingsgroepen en leefstijlen. Waar de vergrijzing, de gezinsverdunning en de inclusieve samenleving, waar iedereen meedoet en tot zijn recht komt, om aandacht vragen. Waar de gemeente duurzaam en zorgvuldig gebruik maakt van de ruimte en bestaand vastgoed. Een woonbeleid wat toekomstbestendig is en haar basis vindt in de woningbehoefte van de woningzoekenden. Om te voorzien in de diversiteit van woningbehoeften en wensen van eigen inwoners en van hen die zich in Meierijstad al dan niet tijdelijk willen vestigen, geeft de gemeente ruimte aan woningbouwplannen.

Voor de woningbehoefte wordt niet alleen gekeken naar de korte maar ook naar de lange termijn. Waar het goede van het landelijk wonen wordt behouden en de meer stedelijke kern aantrekkelijker wordt gemaakt en wordt versterkt. En waar de gemeente samenwerkt met plaatselijke partners en inwoners, maar ook met de regio. De gemeente richt de aandacht op vier thema’s en de realisatiekracht van deze visie: 1. de dynamiek van de woningmarkt: een continue afstemming van de vraag naar passende woningen en het aanbod (bestaand en nieuw) in relatie tot de behoefte op de langere termijn onder wisselende omstandigheden; 2. wonen, welzijn en zorg: de samenhang tussen demografische ontwikkelingen (de vergrijzing en toename van

36

eenpersoonshuishoudens), de transitie in het sociale domein gericht op een inclusieve samenleving waar iedereen meedoet en de invloed daarvan op de leefomgeving; 3. duurzaamheid: aandacht voor de energetische uitdagingen en het zo optimaal mogelijk gebruik maken van bestaande infrastructuur en vastgoed; 4. leefbaarheid: een juiste balans tussen enerzijds de specifieke woonkwaliteiten en anderzijds een divers woningaanbod wat de kracht en eigenheid van wijken en kleine kernen recht doet. De gemeente Meierijstad geeft prioriteit aan inbreidingsplannen boven uitbreidingsplannen. De gemeente werkt aanvullend op deze woonvisie aan een transformatievisie. Daarin worden potentiële inbreidings- en transformatielocaties in kaart gebracht en wordt een afwegingskader opgenomen. De gemeente geeft tevens aan meer ruimte te willen bieden aan nieuwe woonvormen voor ouderen die willen doorstromen. Daarbij wil de gemeente de doorstroming van ouderen naar meer geschikte woningen stimuleren. De gemeente legt het accent op het bouwen voor de doorstroming door goede alternatieven te realiseren voor ouderen (de woonwensen van ouderen in met name de kleinere kernen) en dure scheefwoners (in met namen de grotere kernen). Daarbij wordt ingezet op inbreiding in bestaande kernen met aandacht voor kwaliteitsverbetering en zorgvuldig ruimtegebruik en behoud van de kracht van de kern.

Een dergelijke kwaliteitsverbetering, die ook kan resulteren in unieke woonconcepten op unieke plekken is bijvoorbeeld wenselijk voor vastgoed dat niet meer voor het oorspronkelijke doel wordt gebruikt, leeg staat of al gesloopt is. Doorwerking plan(gebied) Onderhavige planontwikkeling doet geen afbreuk aan de uitgangspunten, ambities en doelstellingen, zoals opgenomen in de nieuwe Woonvisie Meierijstad. Een woning blijft behouden voor de toekomst en betreft een koopwoning in het duurdere segment. De Ruimte-voor-Ruimte woningen kennen een andere grondslag. Hiermee neemt het onderliggend bouwplan in zekere zin een uitzonderingspositie in. Zo zijn de reguliere gemeentelijke beleidsuitgangspunten en -doelstellingen op het gebied van wonen en volkshuisvesting niet direct van toepassing op het bouwplan. Conclusie Onderhavig plan sluit aan bij c.q. doet geen afbreuk aan de ambities en de (beleids)doelstellingen en -uitgangspunten zoals verwoord in de Woonvisie Meierijstad. Structuurvisie Ruimte (2011) Toetsingskader De Structuurvisie Ruimte heeft een duidelijke relatie met de Wet ruimtelijke ordening. Deze wet schrijft namelijk voor dat gemeenten een structuurvisie moeten opstellen voor hun grondgebied. De structuurvisie speelt een cruciale rol bij de integrale onderbouwing van ruimtelijke plannen.

Daarnaast legt de structuurvisie een relatie tussen lopende en gewenste ruimtelijke ontwikkelingen. Via de structuurvisie heeft de (voormalige) gemeente Schijndel, voor wat betreft de ruimtelijke ontwikkeling, haar lange termijndoelen vast.

37

Bij de totstandkoming van de Structuurvisie Ruimte vormden de volgende vier kernwaarden het uitgangspunt: 1. verdieping van de Strategische Visie ‘Op weg naar ’t skonste plekske in 2020’; 2. behoud en versterken van bestaande kwaliteiten voor een complete gemeente; 3. regierol voor de gemeente Schijndel; 4. transparantie en toegankelijkheid van ruimtelijke keuzes. De Structuurvisie Ruimte is een vertaling van een in 2010 uitgevoerde uitgebreide analyse van zeven thema’s aangevuld met nieuwe ontwikkelingen die per thema beleidsmatig vertaald zijn. De zeven thema’s zijn: 1. natuur, water en cultuurhistorie; 2. recreatie en toerisme; 3. landbouw en buitengebied; 4. voorzieningen; 5. verkeer en vervoer; 6. werken; 7. Wonen. Bij ruimtelijke ontwikkelingen in het buitenstedelijk gebied zal specifiek aandacht moeten worden besteed aan de kwaliteitsverbetering van het landschap. Het verdient de voorkeur om daarbij niet alleen landschappelijke inpassing van de nieuwe ontwikkelingen na te streven, maar ook te kijken naar kwaliteitsverbetering in het omliggende landschap. Doorwerking plan(gebied) Voor onderhavig plan is slechts relevant dat op beperkte schaal en volgens strenge voorwaarden woningbouw mogelijk is in het buitengebied en dat speciale provinciale regelingen, zoals Ruimte-voor-Ruimte, hierbij van toepassing zijn.

In de gemeentelijke visie op de bebouwingsconcentraties (Structuurvisie Buitengebied) zijn de omstandigheden verder uitgewerkt. Bij ruimtelijke ontwikkelingen in het buitenstedelijk gebied zal specifiek aandacht moeten worden besteed aan de verbetering van het landschap. Het verdient de voorkeur om daarbij niet alleen landschappelijke inpassing van de nieuwe ontwikkelingen na te streven, maar ook te kijken naar kwaliteitsverbetering in het omliggende landschap. Het is de initiatiefnemer van onderhavig plan er alles aan gelegen om aan te sluiten op de gemeentelijke ambitie. De initiatienemer streeft er dan ook naar om tijdens de planvorming in contact te blijven met de gemeente om tot een definitief plan te komen, waarin wensen, belangen en ambities van alle partijen een plek krijgen. Conclusie Onderhavig plan sluit aan bij c.q. doet geen afbreuk aan de ambities en de (beleids)doelstellingen en -uitgangspunten zoals verwoord in de Structuurvisie Ruimte. Structuurvisie Buitengebied (2011) Toetsingskader De gemeente Schijndel wil met name in gebieden die al enigszins versteend zijn

38

nieuwe activiteiten toestaan, indien dit bijdraagt aan de leidende principes van het provinciale en gemeentelijke beleid en leidt tot een verbetering van de ruimtelijke kwaliteit in brede zin. Deze versteende gebieden met veelal verschillende functies worden bebouwingsconcentraties genoemd. Het plangebied is gelegen in de bebouwingsconcentratie ‘Schootsestraat – Venushoek – Putsteeg’. Onderstaande afbeelding bevestigt dit en is ontleend aan de gemeentelijke Structuurvisie Buitengebied, waarin deze bebouwingsconcentraties een plek hebben gekregen.

De locatie is aangewezen als ‘aandachtsgebied’. Reden hiervan is dat door de veelheid aan bedrijfsbebouwing er sprake is van een ruimtelijk gezien ‘rommelige’ situatie. Voor de bebouwingsconcentratie ‘Schootsestraat – Venushoek – Putsteeg’ is expliciet vermeld dat voor specifieke locaties aan de Venushoek Ruimte-voor-Ruimte kan overwogen om knelpunten op te lossen. Zo’n knelpunt betreft de huidige situatie aan de Venushoek 38. De belangrijkste doelstelling voor de Structuurvisie Buitengebied is de verbetering van de ruimtelijke kwaliteit. Bij de veranderingen op het platteland is het behoud en de versterking van de ruimtelijke kwaliteit het uitgangspunt. Het vormt de identiteit en aantrekkingskracht van Schijndel en is voor diverse economische functies belangrijk, zoals recreatie, dienstverlenende functies en wonen. De structuurvisie erkent de behoefte aan nieuwe economische dragers. Echter mogen deze activiteiten niet tot een verslechtering van de specifieke ecologische, landschappelijke en ruimtelijke kwaliteiten van het buitengebied leiden. Eisen aan ruimtelijke kwaliteit Voor de nieuwe activiteiten geldt dat altijd een algemene toets naar de waarden (natuur, landschap, cultuurhistorie) moet worden gedaan. Negatieve effecten voor waarden moeten worden voorkomen en gecompenseerd. Een vereiste vanuit het

39

bestemmingsplan is het opstellen van een erfbeplantingsplan. Dit geldt voor ieder initiatief in het buitengebied. Hierin, maar ook indien sprake is van compensatie, moet worden gemotiveerd hoe het initiatief de omgevingskwaliteit ter plaatse respecteert of mogelijk verbetert. Algemene randvoorwaarden Een aantal voorwaarden wordt aan alle activiteiten in de bebouwingsconcentraties gesteld: • Er mag door de nieuwe activiteit geen overlast of hinder worden veroorzaakt. Bestaande (agrarische) bedrijven mogen niet in de bedrijfsvoering of bedrijfsontwikkeling worden belemmerd. Nieuwe activiteiten mogen geen onevenredige verkeersaantrekkende werking hebben, buitenopslag is niet toegestaan en het parkeren dient op eigen terrein plaats te vinden. • Voor nieuwe initiatieven dienen diverse onderzoeken verricht te worden, waarin diverse waarden en milieuaspecten worden getoetst. Voor de bebouwingsconcentratie ‘Schootsestraat – Venushoek – Putsteeg’ geldt de volgende visie: ‘In de visie vormt het cluster meerdere gemengde open linten, die een groene (landelijke) schil vormen om de kernrand van Schijndel. Belangrijk voor de toekomstige ontwikkelingen van de landelijke linten Venushoek en Putsteeg is dat ze een groene uitstraling behouden en een duidelijke relatie met de kernrand behouden (zichtlijnen).

De linten zelf kunnen een sterkere structuur krijgen door de voor Schijndel karakteristieke laanbeplanting zo veel mogelijk te versterken. Daarnaast dienen de bebouwingsstructuren van alle linten dusdanig te worden geordend dat de woonbebouwing aan de voorzijde van het perceel is gesitueerd en de bedrijfspanden zich daarachter bevinden. Voorkomen moet worden dat de bedrijfspanden het zicht domineren en/of blokkeren. Daar waar bedrijfsopstallen te veel in het zicht zijn dienen deze landschappelijk te worden ingepast d.m.v. groenstructuren. Bij hergebruik van vrijkomende agrarische opstallen wordt aan de Venushoek gestuurd op het realiseren van een strakke achtergevelrooilijn. Bij hergebruik wordt ernaar gestreefd de bebouwing achter deze rooilijn te verwijderen. Om de bouwpercelen als solitaire percelen te beleven dienen percelen die dicht bij elkaar liggen door groenstroken gescheiden te worden. Zowel aan de Putsteeg als aan de Venushoek liggen enkele ruimtelijke knelpunten. Bij hergebruik of bestemmingswijziging kan de gemeente sturen op een (gedeeltelijke) sloop van opstallen of een betere inpassing van de locaties. In de visie wordt gestuurd op een geleidelijke transformatie naar ‘landelijk woonlint’. Het blijft daarbij mogelijk om verschillende kleinschalige nieuwe economische functies toe te voegen.

Dit wordt echter niet gedaan door een algemene ruimte voor ruimte regeling toe te passen, maar door het stimuleren van landschappelijke inpassing en ontstening. Daar waar ruimte voor ruimte op een specifieke locatie kan helpen knelpunten op te lossen, kan ruimte voor ruimte worden overwogen (Venushoek). Door het handhaven van een achterrooilijn wordt er geïnvesteerd in het landschap. Knelpunten worden eveneens aangepakt middels een landschappelijke inpassing.’

Mogelijke functies: • Ambachtelijke bedrijven in de categorie 1 en 2 en 3a tot maximaal 400 m². • Opslagactiviteiten • Kleinschalige recreatieve activiteiten (dag- en verblijfsrecreatie) • Beroep aan huis Doelstellingen voor het cluster: • Behoud karakteristieke voorzijde met langgevelboerderijen • Structuurverbetering (laanbeplanting) • Transformatie naar landelijk woonlint

40

•

Oplossen van ruimtelijke knelpunten door terugbrengen bebouwingsoppervlakte van de stallen (achterrooilijn)

Randvoorwaarden: • Laanbeplanting (structuurverbetering) • Handhaven achterrooilijn bij nieuwe ontwikkelingen • Gedeeltelijke sloop gaat voor (volledig) hergebruik • Activiteiten mogen geen uitstraling hebben en dienen inpandig plaats te vinden • Samenhang van kleuren en materialen in het straatbeeld Inzet van strategieën; • Contracten voor sloop van stallen + investeren in landschap • Sloop van stallen en sociale investeringen (opruimwerkzaamheden) • Ruimte voor ruimte als het op de locatie zelf een oplossing kan bieden. Doorwerking plan(gebied) De voorgestane oprichting van de Ruimte-voor-Ruimte woningen vindt plaats binnen de gemeente vastgestelde bebouwingsconcentraties. Wat volume, maat, schaal en situering betreft wordt aangesloten bij de eisen en voorwaarden, zoals opgenomen in de Structuurvisie Buitengebied. De ontwikkeling betreft verder voor een groot deel een kwaliteitsverbetering van de situatie ter plaatse. Te meer er wordt ingezet op de sloop van stallen. Een landschappelijk inpassingsplan ligt hieraan ten grondslag. Zoals eerder vermeld, wordt met het bouwplan alle voormalige bedrijfsbebouwing (ruim 2.000 m2) gesloopt en komen er landschappelijk in te passen woningen voor terug. Er wordt hierbij expliciet aandacht besteed aan het versterken van de gewenste groene structuur middels het aanplanten van karakteristieke laanbeplanting.

Ook wordt de voorziene woonbebouwing wordt aan de voorzijde van het perceel gesitueerd waardoor het achterland zoveel als mogelijk het open karakter behoudt en de zichtlijnen in stand blijven. Deze aspecten leveren een duidelijke ruimtelijke kwaliteitswinst op. In deze plantoelichting wordt kwalitatief gemotiveerd dat het plan zich verhoudt, zowel in negatieve als positieve zin, tot de aanwezige functies en waarden in het plangebied en de directe omgeving ervan. Met het bestemmingsplan is ruimtelijk-fysieke, logistieke en milieu-hygiënische aanvaardbaarheid van het onderliggende bouwplan aangetoond. Verder is er een landschappelijk inpassingsplan opgesteld waarbij de fysieke inrichting passend is bij de omgeving en natuur en groen de landschappelijke waarden en kwaliteiten ter plaatse zullen doen toenemen. Conclusie Onderhavig plan sluit aan bij c.q. doet geen afbreuk aan de ambities en de (beleids)doelstellingen en -uitgangspunten zoals verwoord in de Structuurvisie Buitengebied. Nota Kwaliteitsverbetering, kwaliteitsverbetering in het landelijk gebied Toetsingskader De provincie Noord-Brabant vereist als compensatie voor bepaalde ontwikkelingen in het buitengebied, naast een gedegen landschappelijke inpassing, (extra) maatregelen om de

41

ruimtelijke kwaliteit te bevorderen. De gemeente Schijndel heeft dit provinciale beleid nader uitgewerkt in de ‘Nota Kwaliteitsverbetering, kwaliteitsverbetering in het landelijk gebied’. De nota legt onder meer vast hoe de omvang van de benodigde bijdrage aan de kwaliteitsverbetering van het landschap moet worden berekend en welke maatregelen ingezet mogen worden. De gekozen systematiek sluit aan bij de werkwijze van de regiogemeenten uit Noordoost-Brabant. Doorwerking plan(gebied) Ten behoeve van onderhavige Ruimte-voor-Ruimte ontwikkeling is enkel een landschappelijk inpassingsplan opgesteld. Conform de Interim omgevingsverordening NoordBrabant is er geen extra kwaliteitsverbetering van het landschap van toepassing op een bestemmingsplan dat betrekking heeft op een Ruimte-voor-Ruimte ontwikkeling en daarmee is ook de Nota Kwaliteitsverbetering niet van toepassing op onderhavig plan. Conclusie Onderhavig plan sluit aan bij c.q. doet geen afbreuk aan de ambities en de (beleids)doelstellingen en -uitgangspunten zoals verwoord in de Nota Kwaliteitsverbetering, kwaliteitsverbetering in het landelijk gebied. Groenbeleidsplan Toetsingskader In maart 2012 heeft de Gemeenteraad van de voormalige gemeente Schijndel het Groenbeleidsplan Schijndel vastgesteld. Met dit beleidsplan wil de gemeente de visie op het groen herzien en moderniseren.

De visie op het groen van de gemeente Schijndel bestaat uit vier hoofdpijlers: duurzaamheid, met minimale inzet een maximaal resultaat bereiken, burgers en landschap en identiteit en oriëntatie. Het Groenbeleidsplan Schijndel dient als basisdocument voor ontwerpen, aanleggen en beheren van de openbare ruimte. Op de bij het Groenbeleidsplan Schijndel behorende kaarten wordt onderscheid gemaakt tussen: • hoofdgroenstructuur; • wijkgroenstructuur; • woongroenstructuur/overige elementen. Voor deze categorieën geldt ingevolge de Bomenverordening Schijndel (zie hierna) het volgende ontheffingen c.q. vergunningenstelsel: • bomen binnen de op de kaart aangegeven lijnstructuren in de groene hoofdstructuur mogen slechts met een ontheffing worden geveld dan wel verwijderd; • bomen of houtopstanden in gemeentelijk eigendom binnen de wijkgroenstructuur en de hoofdgroenstructuur (tenzij dit beschermde bomen zijn, zie hierna) met een omtrek ≥ 10 centimeter mogen met een vergunning worden geveld dan wel verwijderd; • voor groen in parken en op pleinen, groene wiggen, entrees sportvelden en begraafplaatsen in gemeentelijk eigendom geldt dezelfde vergunningvereiste; • voor groen in de woongroenstructuur (en overige elementen) of bomen en houtopstanden in particulier eigendom geldt een vergunningplicht bij een omtrek ≥ 30 centimeter tenzij het beschermde bomen betreffen.

42

Naast het Groenbeleidsplan kende de voormalige gemeente Schijndel ook de Bomenverordening (vastgesteld januari 2012). Met deze verordening wilde de gemeente de administratieve lasten van het oude kapvergunningenstelsel verminderen en zich effectiever richten op de bescherming van de waardevolle bomen in Schijndel. De bomen op deze lijst staan zowel op publiek als privaat terrein en mogen alleen bij hoge uitzondering (en dus alleen met ontheffing) gekapt worden. Voor de overige houtopstanden geldt een vergunningenstelsel zoals hierboven genoemd. Doorwerking plan(gebied) Er vinden met onderhavig plan geen ontwikkelingen plaats die een belemmering vormen voor de hoofdbomenstructuur ter plaatse. Binnen het plangebied staan geen bomen die op de Lijst Beschermde Bomen staan. Met de realisatie van onderhavige ontwikkeling blijft de bestaande structuur en het historische karakter gehandhaafd. De nieuwbouw wordt zo opgericht dat er geen afbreuk wordt gedaan aan het karakter en dat er waar mogelijk een versterking van de bestaande structuur optreedt. Zodoende wordt geen afbreuk gedaan aan de doelstellingen en uitgangspunten van het Groenbeleidsplan. Conclusie Onderhavig plan sluit aan bij c.q. doet geen afbreuk aan de ambities en de (beleids)doelstellingen en -uitgangspunten zoals verwoord in het Groenbeleidsplan.

Paraplubestemmingsplan parkeren / Nota Parkeren 2018 Toetsingskader Vanaf 1 juli 2018 zijn de stedenbouwkundige voorschriften uit de Bouwverordening komen te vervallen. Eén van de consequenties van het vervallen van de stedenbouwkundige voorschriften is dat vanaf dat moment bij het verlenen van een omgevingsvergunning niet meer op basis van de Bouwverordening getoetst kan worden aan de gemeentelijke parkeernormen. De wetgever heeft het mogelijk gemaakt om via het bestemmingsplan regels te stellen over parkeernormen. Het Paraplubestemmingsplan Parkeren is op 31 januari 2019 vastgesteld, waarmee aan Nota Parkeernormen Meierijstad 2018 getoetst dient te worden. Dit betekent dat de parkeernormen bij (bouw)plantoetsing nu aan de bestemmingsplannen gekoppeld gaan worden. Het plan bevat daarnaast een mogelijkheid voor het bevoegd gezag om bij een omgevingsvergunning af te wijken van de normen, mits aangetoond wordt dat dit niet zal leiden tot onvoldoende parkeergelegenheid. Het niet in stand houden van parkeerplaatsen wordt bovendien aangemerkt als zijnde strijdig met het bestemmingsplan. Doorwerking plan(gebied) Met onderhavig plan wordt geen afbreuk gedaan aan de maatregelen en doelstellingen die gemeente voor ogen heeft. In hoofdstuk 10 wordt nader ingegaan op de aspecten mobiliteit (verkeer en parkeren) en infrastructuur in relatie tot de onderhavige ontwikkeling. Conclusie

43

Onderhavig plan sluit aan bij c.q. doet geen afbreuk aan de ambities en de (beleids)doelstellingen en -uitgangspunten zoals verwoord in het Paraplubestemmingsplan parkeren / Nota Parkeren 2018. Welstandsnota Meierijstad 2018 Toetsingskader De Welstandsnota Meierijstad 2018 is vastgesteld op 5 juli 2018. De welstandsnota heeft de ambitie om bij te dragen aan een hoogwaardige woon- en leefomgeving voor iedereen in Meierijstad en geeft daarom nuttige aanwijzingen bij nieuw- en verbouwplannen. De nota is gebaseerd op bestaand welstandsbeleid uit de nota’s van Schijndel, Veghel en Sint-Oedenrode, aangevuld met het actuele thema duurzaamheid. De verschillen in de nota’s zijn genivelleerd door nog meer delen van het grondgebied welstandsvrij te verklaren. In die gebieden is voor nieuwe bouwinitiatieven wel een welstandsbeoordeling van toepassing. Met het nieuwe voorstel wordt de gebiedsgerichte welstandsbeoordeling beperkt tot de gebieden met een beeldkwaliteitsplan. In de overige gebieden blijft de welstandsbeoordeling beperkt tot de ‘objectbeoordeling’ (onder andere monumenten) of ‘themabeoordeling’(reclames). De welstandsbeoordeling wordt niet volledig afgeschaft, maar wel overal waar het verantwoord is. De welstandsbeoordeling blijft beperkt tot: 1. de centrumgebieden van Schijndel, Veghel, Sint-Oedenrode en Erp; 2. monumenten; 3.

beeldbepalende en cultuurhistorisch waardevolle panden; 4. bijzondere bebouwing en ensembles; 5. gebieden met een beeldkwaliteitseisen; 6. nieuwbouw in de overige gebieden. Zodoende is er geen welstandsbeoordeling meer nodig voor de volgende initiatieven: • Veel voorkomende (kleinere) vergunningplichtige bouwwerken. Deze werden voorheen beoordeeld aan de zogenaamde sneltoetscriteria. De initiatiefnemers krijgen nu dus meer vrijheden, maar tegelijkertijd ook een grotere verantwoordelijkheid voor behoud van de ruimtelijke kwaliteit. • Vergunningplichtige verbouwingen in alle kerkdorpen en de historische linten in de drie kernen. Nieuwe bouwinitiatieven op deze plaatsen worden wel beoordeeld aan de criteria nieuwbouw of de beoordelingscriteria in het op te stellen beeldkwaliteitsplan. Samen met de regels in het bestemmingsplan stimuleren we het behoud van identiteit en karakter van deze gebieden. • Vergunningplichtige bouwinitiatieven anders dan nieuwbouw in de overige gebieden. • Vergunningvrije bouwactiviteiten in gebieden met een beeldkwaliteitsplan. Doorwerking plan(gebied) Het plangebied ligt in het buitengebied van Schijndel en dient derhalve te worden voorgelegd aan de gemeentelijke Welstandscommissie.

44

Bij het ontwerpen en vormgeven van de woningen en bijgebouwen dienen de randvoorwaarden in acht genomen te worden die gelden voor Ruimte-voor-Ruimte ontwikkelingen (zie hoofdstuk 3). Conclusie Onderhavig plan sluit aan bij c.q. doet geen afbreuk aan de ambities en de (beleids)doelstellingen en -uitgangspunten zoals verwoord in het welstandsbeleid. Geconcludeerd kan worden dat het bouwplan bijdraagt aan een ruimtelijke en visuele koppeling met de bestaande omliggende bebouwing en daarmee een positieve functionele invulling vormt. De voorgestane ontwikkeling steunt de waarborging van de land(schapp)elijke, stedenbouwkundige en architectonische uitgangspunten en daarmee de ruimtelijke karakteristiek en identiteit ter plaatse. Waardevol water in Meierijstad’ VGRP+ 2017-2022 d.d. 26 juli 2017 Toetsingskader Het VGRP+ Meierijstad geldt voor de planperiode 2017-2022. Het verbreed gemeentelijk rioleringsplan (VGRP+) is een geschikt planinstrument om mee te kunnen bewegen met de veranderingen om ons heen. Zo is er bijvoorbeeld sprake van verandering in wetgeving, meer neerslag door klimaatverandering, een veranderende verhouding tussen overheid en burgers en meer focus op beheer in plaats van nieuwbouw. Door de huidige situatie af te zetten tegen toekomstige ontwikkelingen ontstaat een opgave.

In het VGRP+ wordt de opgave voor Meierijstad in beeld gebracht en wordt inzichtelijk gemaakt op welke strategische wijze hier invulling aan wordt gegeven. Doorwerking plan(gebied) Voor de waterparagraaf die ten behoeve van onderhavig bouwplan is opgesteld, wordt verwezen naar hoofdstuk 7 van deze plantoelichting. Conclusie Op eigen gronden zal initiatiefnemer een bergingsvoorziening realiseren, bijvoorbeeld in de vorm van een zaksloot of -vijver (wadi). Hiermee zal sprake zijn van een hydrologisch neutrale ontwikkeling. Klimaat en duurzaam De gemeente Meierijstad wil zich naar de toekomst toe klimaatbestendig en duurzaam ontwikkelen. De gemeente verlangt daarom van iedere bouwer een bijdrage in het milieuverantwoord bouwen. Uit ruimtelijk oogpunt bezien, is het belangrijk om te komen tot ‘duurzaam bouwen’. Duurzaam bouwen verhoogt de gebruikswaarde (functioneel), de belevingswaarde (vorm) en de toekomst (tijd) voor de bebouwde omgeving. Duurzaam bouwen is in dit geval te onderscheiden in stedenbouwkundig en bouwkundig duurzaam bouwen. ‘Stedenbouwkundig duurzaam’ komt tot uitdrukking in de ruimtelijke opzet en inpassing van het project. Ruimtelijke kwaliteit vormt de voorwaarde voor een goed woon- en leefmilieu. Belangrijk hierbij is het om de stedenbouwkundige structuur op een goede manier kenbaar te maken en te behouden.

Voor wat betreft ‘bouwkundig duurzaam’ gaat het bijvoorbeeld om materiaalgebruik, afval, drinkwater en energie.

45

Met het realiseren van het bouwplan wordt zoveel als mogelijk rekening gehouden met het uitgangspunt om te komen tot ‘bouwkundig duurzaam’. Dit komt onder meer tot uitdrukking door het gebruik van duurzame (bouw)materialen.

46

5. Archeologie en cultuurhistorie Toetsingskader Doel van het archeologische onderzoek is het waar nodig beschermen van archeologische waarden en het streven naar behoud van de waarden in de bodem (in situ). De essentie van het archeologische onderzoek is het verkrijgen van gegevens over de archeologische resten in de bodem teneinde in een vroeg stadium een goede afweging te kunnen maken van alle bij een ruimtelijk besluit betrokken belangen. Het archeologische onderzoek is verankerd in de Wet op de Archeologische Monumentenzorg uit 2007. De uitgangspunten van de wet zijn: • •

•

archeologische waarden zoveel mogelijk in de bodem bewaren en alleen opgraven als behoud in de bodem (in situ) niet mogelijk is; de initiatiefnemer van een ruimtelijke ontwikkeling moet in een vroegtijdig stadium aangeven hoe met eventuele archeologische waarden bij bodemverstorende ingrepen zal worden omgegaan. Dit houdt in een verplichting tot vooronderzoek bij werkzaamheden die de grond gaan verstoren; bodemverstoorders betalen archeologisch onderzoek en mogelijke opgravingen. De kosten voor noodzakelijke archeologische werkzaamheden komen ten laste van de initiatiefnemer.

Op 5 juli 2011 is een wijziging van het Bro gepubliceerd. Vanaf 1 januari 2012 moet ieder nieuw bestemmingplan een analyse van cultuurhistorische waarden bevatten. In aansluiting op de vaststelling van de Wet tot wijziging van de Monumentenwet 1988 en de Wet algemene bepalingen omgevingsrecht in mei 2011 zijn op 17 juni 2011 het Bro, het Besluit omgevingsrecht (Bor) en het Besluit archeologische monumentenzorg (Bamz) aangepast. Door een wijziging van het Bro moeten cultuurhistorische waarden voortaan vooraf in het proces van ruimtelijke ordening worden meegenomen, met name bij de voorbereiding en vaststelling van bestemmingsplannen. Het Bro bevat eisen waaraan de voorbereiding van een bestemmingsplan moet voldoen. In de plantoelichting dient een beschrijving te worden opgenomen hoe rekening is gehouden met de in het gebied aanwezige cultuurhistorische waarden en in de grond aanwezige of te verwachten monumenten. De opsteller van het bestemmingsplan is daarmee dus verplicht om breder te kijken dan alleen naar het facet archeologie. Ook de facetten historische (steden)bouwkunde en historische geografie dienen te worden meegenomen in de belangenafweging. Hierbij gaat het om zowel beschermde als niet formeel beschermde objecten en structuren.

In de provincie Noord-Brabant dienen in het kader van het behoud van waardevolle cultuurhistorische elementen en archeologische vindplaatsen, bestemmingsplannen te worden getoetst aan de provinciale Cultuurhistorische Waardenkaart (CHW). Hierop staan de bepalende cultuurhistorische elementen aangeven. Bij de afweging of een ruimtelijke ontwikkeling mogelijk is, dient nagegaan te worden of er binnen of rondom het plangebied cultuurhistorische waarden aanwezig zijn. Het aan-

47

wezig zijn van deze waarden wil niet per definitie zeggen dat een bepaalde ruimtelijke ontwikkeling niet realiseerbaar is, maar geeft wel aan dat zorgvuldig omgaan met deze waarden vereist is. Doorwerking plan(gebied) Archeologie Op het plangebied rusten de dubbelbestemmingen ‘Waarde – Archeologie 4’ en ‘Waarde – Cultuurhistorisch waardevolle elementen’. De voor ‘Waarde – Archeologie 4’ aangewezen gronden zijn, behalve voor de andere daar voorkomende bestemming(en), mede bestemd voor het behoud en de bescherming van de in de grond aanwezige of te verwachten archeologische waarden. Het bestemmingplan “Landelijk gebied, herijking” bepaalt dat op of in de gronden met de dubbelbestemming ‘Waarde – Archeologie 4’ niet mag worden gebouwd, met uitzondering van: • bouwwerken waarbij de bestaande oppervlakte of situering niet wordt vergroot of gewijzigd; • bouwwerken in verband waarmee grondwerkzaamheden worden uitgevoerd over een oppervlakte van niet meer dan 500 m² en met een diepte van niet meer dan 0,3 m ten opzichte van het maaiveld, dan wel, ter plaatse van de aanduiding 'wro-zone - esdek', dieper dan 0,5 m ten opzichte van het maaiveld; Ten behoeve van het planvoornemen is door Bureau voor Archeologie een bureau- en inventariserend veldonderzoek uitgevoerd. Hierna is het advies uit het onderzoeksrapport letterlijk overgenomen. De integrale rapportage is als bijlage 3 opgenomen.

Bureau voor Archeologie adviseert het plangebied vrij te geven voor de voorgenomen ontwikkeling. Dit betreft een selectieadvies. Op grond van de resultaten van het rapport en het advies zal het bevoegd gezag (gemeente Meierijstad) een selectiebesluit nemen over de daadwerkelijk omgang met eventueel aanwezige archeologische waarden binnen het plangebied. Cultuurhistorie Op het plangebied rust de dubbelbestemming ‘Waarde – Cultuurhistorisch waardevolle elementen’. De voor ‘Waarde - Cultuurhistorisch waardevolle elementen’ aangewezen gronden zijn, behalve voor de andere daar voorkomende bestemming(en), mede bestemd voor het behoud, beheer en versterking van de cultuurhistorisch waardevolle elementen. De cultuurhistorische elementen betreffende de elementen die zijn opgenomen in de cultuurhistorische waarderingskaart, zoals deze is opgenomen in bijlage 3 van de planregels, en zijn aangeduid als landschapselement zeer hoog en/of hoog. De waardering van deze elementen is gebaseerd op het rapport Tussen Aa-dal en Rooise heide zoals dat als bijlage 4 bij de regels is opgenomen. Het is verboden op de in dit artikel bedoelde gronden zonder of in afwijking van een schriftelijke vergunning van het bevoegd gezag (omgevingsvergunning voor werken en werkzaamheden) de in het schema onder artikel 37.2.4 opgenomen omgevingsvergunningplichtige werken en werkzaamheden uit te voeren.

48

Met het bouwplan wordt geen inbreuk gepleegd op de eventueel aanwezige cultuurhistorische waarden en kwaliteiten. Verder is met het landschappelijk inpassingsplan getracht een fysieke inrichting te creëren welke passend is bij de omgeving, waardoor de land(schapp)elijke en cultuurhistorische waarden en kwaliteiten in de omgeving in stand blijven of zelf worden versterkt. De voorgestane ontwikkeling steunt de waarborging van de land(schapp)elijke, cultuurhistorische en architectonische uitgangspunten en daarmee de ruimtelijke karakteristiek en identiteit ter plaatse. Conclusie Uit archeologisch en cultuurhistorisch perspectief zijn er geen belemmeringen voor het (bestemmings)plan.

49

6. Flora en fauna: toetsing natuurwetgeving en stikstof Toetsingskader Wet natuurbescherming (Wnb) Op 1 januari 2017 is de Wet natuurbescherming in werking getreden. In deze wet worden drie eerdere wetten vervangen. Het gaat om de Natuurbeschermingswet 1998 (Nbwet) inclusief het Programma Aanpak Stikstof, de Boswet en de Flora- en faunawet. De bescherming van de Natura 2000-gebieden is ondervangen in onderdeel gebiedsbescherming (vervangt Nb-wet). Voor bestemmingsplannen is het toetsingskader voor deze gebieden in de basis ongewijzigd gebleven ten opzichte van de Nb-wet. Als (een wijziging van) een bestemmingsplan negatieve gevolgen heeft voor de Natura 2000-gebieden kan het plan in beginsel niet worden vastgesteld. In dat geval moet het bevoegd gezag volgens artikel 2.8 van de Wet natuurbescherming (Wnb) eerst een passende beoordeling opstellen. Uit de passende beoordeling moet blijken dat de instandhoudingsdoelstellingen van de betreffende gebieden niet aangetast worden door het plan. Eventueel worden maatregelen opgenomen die getroffen worden om dit te bereiken. Als niet aangetoond wordt dat aan de instandhoudingsdoelstellingen voldaan wordt, kan het plan geen doorgang vinden. Met behulp van een voortoets kan het bevoegd gezag bepalen of op voorhand negatieve gevolgen uit te sluiten zijn.

Hierbij moet voor de gewenste situatie worden uitgegaan van de maximale planologische mogelijkheden. Voor plannen die ten opzichte van de uitgangssituatie op het referentiemoment geen significante toename in stikstofdepositie veroorzaken, zijn negatieve effecten ten aanzien van dit aspect uit te sluiten. In dat geval hoeft geen passende beoordeling te worden opgesteld. Programma Aanpak Stikstof (PAS) Gelet op de uitspraak van de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State van 29 mei 2019, kan de PAS niet meer worden gehanteerd als toetsingskader op grond van de Wet natuurbescherming. Inmiddels is een nieuwe versie van het rekenprogramma AERIUS uitgebracht. Met deze nieuwe tool is de depositie op natuurgebieden berekend. Hoe de resultaten worden beoordeeld is aan het bevoegd gezag. Doorwerking plan(gebied) Flora en fauna Ten behoeve van het planvoornemen is door Natuurlink een quickscan soortenbescherming in het kader van de Wet natuurbescherming uitgevoerd. Hierna zijn de conclusies uit het onderzoek letterlijk overgenomen. De integrale rapportage is als bijlage 4 opgenomen.

8.1. Conclusies Beschermingsregime soorten Vogelrichtlijn Een aantal algemeen voorkomende vogels kunnen mogelijk als broedvogel worden verwacht in de houtsingel. Om een overtreding van de Wnb te voorkomen, dienen werk-

50

zaamheden die verstorend werken op de houtsingel daarom buiten het broedseizoen te worden gestart. Bepalend hierbij is of er een broedgeval is of niet. Vanwege de aanwezigheid van laatbroedende soorten als houtduif moet op sommige plaatsen rekening gehouden worden met een lang broedseizoen. Gezien de grootte van het plangebied kan dit betekenen dat buiten het standaard broedseizoen (15 maart – 15 juli) op bepaalde delen wel gewerkt kan worden en bepaalde delen niet. Een deskundig ecoloog kan bepalen waar laatbroeden soorten wel of niet broeden. Als de werkzaamheden doorlopen tot in het volgende broedseizoen, dan worden er geen verbodsbepalingen overtreden. Dit geldt dan alleen voor die delen van de houtsingel waar de verstoring ononderbroken door is gegaan. Vogels zullen zich ofwel niet vestigen of er is gewenning opgetreden aan de verstoring waardoor negatieve effecten zijn uitgesloten. Er zijn geen negatieve effecten te verwachten vogelsoorten met een jaarrond beschermd nest. Voor vogels die in de omgeving afhankelijk zijn van het behoud van het kleinschalige landschap (uilen) is het wel noodzakelijk om te zorgen dat de dit kleinschalige karakter behouden blijft. De houtwal dient daarom te worden behouden en te worden versterkt. In tabel 7 is concreet aangegeven wanneer welke werkzaamheden uitgevoerd mogen worden zodat er geen negatief effect optreedt op vogels. Tabel 8.

Perioden waarin gewerkt kan worden om het effect van verstoring te minimaliseren.

Beschermingsregime soorten Habitatrichtlijn Van soorten die worden beschermd onder de Habitatrichtlijn zijn alleen vleermuizen te verwachten. Verblijfplaatsen van vleermuizen worden niet verwacht in de bomen en in de gebouwen in het plangebied. Wel zullen vleermuizen foerageren op het terrein. De houtsingel en met name de laanbeplanting van de Venushoek zal waarschijnlijk functioneren als vliegroute. Naast de Venushoek biedt alleen de Langstraat door de aaneengesloten structuren een mogelijkheid voor vleermuizen om zich door het landschap te verplaatsen. De laanbeplanting van de Venushoek kan daarom ook fungeren als een essentiële vliegroute. 42 Omdat er wel foeragerende en langsvliegende dieren kunnen worden verwacht, moet de verstoring door licht worden geminimaliseerd. Dit kan door het nemen van de volgende maatregelen: - Probeer in de periode april tot oktober overdag te

51

werken, zodat er geen verstoring van foeragerende vleermuizen plaatsvindt door kunstlicht. - Gebruik geen beveiligingsverlichting die de vliegroute van vleermuizen en de leefomgeving van nachtactieve dieren in de houtsingel tijdelijk verstoort. - Als het toch noodzakelijk is om licht te gebruiken, gebruik dan lichtarmaturen die het licht naar bepaalde zijden blokkeert en gebruik vleermuisvriendelijk licht (amberkleurig licht). - Bij de aanleg van permanente verlichting moet met dezelfde eisen rekening worden gehouden. Daarnaast is het belangrijk dat er bij de bouw geen windbreekgaas of andere materialen waarin vleermuizen verstrikt kunnen raken, worden gebruikt. Beschermingsregime andere soorten In de directe omgeving komen verschillende marterachtigen voor. Vaste rust en verblijfplaatsen van bunzing (Mustela putorius), wezel (Mustela nivalis) en steenmarter (Martes foina) kunnen niet op voorhand worden uitgesloten in de geluidsluwe delen van de houtsingel. Omdat het daadwerkelijk aantonen van de aanwezigheid van kleine marterachtigen zeer moeilijk is, wordt een worst case benadering gekozen. Dat betekent dat ervan uit wordt gegaan dat soorten aanwezig zijn. Marters zijn gevoelig voor verstoring. Zeker in de periode dat voor jongen moet worden gezorgd, kan verstoring leiden tot negatieve effecten (periode 15 maart tot 1 september).

Om een overtreding va de verbodsbepalingen te voorkomen dienen werkzaamheden waarbij de houtsingel binnen de invloedsfeer van de werkzaamheden komt te liggen te worden uitgevoerd buiten de kwetsbare periode. Dat betreft dan de periode van september tot half maart. Er is namelijk geoordeeld dat, als er enige verstoring optreedt buiten de kwetsbare periode, er geen wezenlijke negatieve invloed zal zijn op eventuele aanwezige individuen en dat deze voldoende herstelmogelijkheden hebben om na uitvoering van de ingreep de houtwal weer te gebruiken. De redenen hiervoor zijn de volgende: - de houtsingel blijft behouden en zal niet wezenlijk veranderen; - de houtwal zal vanwege de oppervlakte slechts een klein deel van het totale territorium vormen; - alle marters hebben een netwerk aan vaste verblijfsplaatsen en wisselen daar regelmatig tussen; - het netwerk aan verblijfplaatsen zal ook blijven functioneren tijdens de ingreep. Bij de inrichting van het terrein wordt aanbevolen om een bufferzone van 3-6 meter aan te houden langs de houtsingel moeten om deze goed te laten functioneren voor marterachtigen. Deze zone moet zo worden beheerd dat er een kruidenrijke vegetatie ontstaat waarin prooisoorten van marterachtigen voldoende voedsel kunnen vinden. Zorgplicht Voor soorten die zijn vrijgesteld, geldt wel de zorgplicht.

Dit betekent dat er maatregelen moeten worden genomen om negatieve effecten zoveel mogelijk te voorkomen, te beperken of ongedaan te maken. Maatregelen die genomen kunnen worden zijn: - Let continue op aanwezige individuen binnen het werkterrein (denk aan algemeen voorkomende amfibieën en zoogdieren) en verplaats deze naar een vergelijkbare, veilige plek buiten de invloedssfeer van de werkzaamheden. - Bij grondwerkzaamheden moet er één kant op moet worden gewerkt, zodat soorten de kans krijgen om te vluchten. Bij voorkeur richting de houtsingel Gebiedsbescherming Er worden geen negatieve effecten verwacht op Natura 2000-gebieden. Het is het zeer

52

aannemelijk is dat er ook geen negatief effect is als gevolg van stikstofdepositie. Om echter juridisch zeker te zijn dat het project daadwerkelijk geen significante depositie in natuurgebieden veroorzaakt, is het noodzakelijk het initiatief te toetsen in AERIUS. 43 Het plangebied valt niet binnen het NNN en er worden ook geen negatieve effecten verwacht op het NNN. 8.2. Aanbevelingen Veel soorten als kleine marterachtigen en uilen zijn gebaat bij een kleinschalig “rommelig” landschap met veel lijnvormige elementen. Door het bevorderen van rommelhoekjes, takkenbossen, steenhopen, overhoekjes, houtwallen, etc. kan het aantal geschikte nestplaatsen en leefmogelijkheden van de marterachtigen sterk worden bevorderd. De voedselsituatie kan worden verbeterd door een begroeiing van bes- en noten dragende planten (voor de omnivore soorten) en de aanwezigheid van fauna en kruidenrijk grasland. Het landschapsontwikkelingsplan zal hier verdere invulling aan kunnen geven. Het wordt ook aanbevolen om veel exotische beplanting geleidelijk te verwijderen uit de houtsingel, zodat deze op termijn uit een meer natuurlijke soortensamenstelling bestaat. Dit moet zodanig worden uitgevoerd dat dieren zich makkelijk in de dekking van de vegetatie kunnen blijven verplaatsen en buiten de kwetsbare periode van kleine marterachtigen en overige soorten

Stikstof(depositie) Ten behoeve van het planvoornemen is door De Roever Omgevingsadvies een stikstofdepositie-onderzoek uitgevoerd. In dit stikstofdepositieonderzoek is voor de aanleg- en gebruiksfase van het gewenste plan de te verwachten stikstofdepositie ter plaatse van de Natura 2000-gebieden berekend. Uit de berekening blijkt dat er geen rekenresultaten hoger dan 0,00 mol/ha/j zijn. De integrale rapportage is als bijlage 5 opgenomen. Conclusie Vanuit het oogpunt van flora en fauna en stikstof(depositie) zijn er – na het treffen van de geadviseerde vervolgactie smet betrekking tot de gierzwaluw – geen belemmeringen voor het (bestemmings)plan.

53

7. Water Toetsingskader Bij de watertoets gaat het om het verantwoorden van de waterhuishoudelijke aspecten bij ruimtelijke plannen en besluiten. Met behulp van de watertoets wordt er naar gestreefd om het waterhuishoudkundig aspect in combinatie met het ruimtelijke beleid toe te passen op het beoogde plangebied, waarbij op basis van de voorgenomen ontwikkelingen gezocht is naar een hydrologisch neutrale oplossingsrichting. De watertoets is wettelijk verankerd in artikel 5.1.3 van het Besluit ruimtelijke ordening. Dit besluit verplicht tot het opnemen van ‘een beschrijving van de wijze waarop in het bestemmingsplan rekening is gehouden met de gevolgen voor de waterhuishouding’ in de toelichting van ruimtelijke plannen van provincies, regionale openbare lichamen en gemeenten in het kader van de Wet ruimtelijke ordening. Het uiteindelijke doel van de watertoets is waarborgen dat waterhuishoudkundige doelstellingen expliciet en op evenwichtige wijze in beschouwing worden genomen bij alle waterhuishoudkundig relevante ruimtelijke plannen en besluiten. Het waterschap heeft een beleidsnota met uitgangspunten ten behoeve van de watertoets.

Hierbij staan de volgende principes centraal: • wateroverlastvrij bestemmen; • gescheiden houden van vuil water en schoon hemelwater; • doorlopen van de afwegingsstappen: ‘hergebruik - infiltratie - buffering - afvoer’; • hydrologisch neutraal bouwen; • water als kans; • meervoudig ruimtegebruik; • voorkomen van vervuiling • rekening houden met waterschapsbelangen. De voornoemde principes liggen in lijn met het landelijke beleid ten aanzien van de watertoets. Gestreefd dient te worden naar een waterhuishoudkundig minimaal gelijkwaardige situatie. Het belangrijkste gegeven is het geohydrologisch compenseren van een eventuele toename van verharde oppervlakte, waardoor hemelwater versneld kan worden afgevoerd. Het Waterschap Aa en Maas maakt gebruik van recent waterrelevant beleid en regelgeving. De huidige en toekomstige situatie van het plangebied en gebiedsspecifieke waterbelangen zijn van belang voor de waterparagraaf. Doorwerking plan(gebied) Ten behoeve van het planvoornemen heeft MILON een watertoets uitgevoerd. Hierna zijn de conclusies van de watertoets letterlijk overgenomen. De integrale rapportage is als bijlage 6 opgenomen.

54

Onderzoekslocatie De onderzoekslocatie bevindt zich in het buitengebied ten zuidwesten van de kern van Schijndel. De onderzoekslocatie is kadastraal bekend als gemeente Schijndel sectie M met nummers 70. De oppervlakte van de gehele locatie bedraagt circa 17.465 m2. Op locatie is in de huidige situatie bedrijfsbebouwing aanwezig maar het perceel is voor het grootste gedeelte onbebouwd. Watertoets Initiatiefnemer is voornemens een gedeelte van de bestaande bedrijfsbebouwing te slopen en elders op het perceel 3 woningen te realiseren. In onderstaande tabel is weergegeven hoe de verhardingssituatie er in de huidige en toekomstige situatie uitziet. De grootte en locatie van de nieuwe woningen is bij het opstellen van de watertoets nog niet bekend. Derhalve is voor de bepaling van het toekomstig verhard oppervlak deels gebruik wordt gemaakt van gemiddelde maatvoeringen. Het RVO rekent in het rapport: Referentiewoning EPC 0,4 gemiddeld 164 m2 bebouwd oppervlak voor een vrijstaande woning. Daarnaast wordt ingeschat dat 50% van de overgebleven uitgeefbare grond van de woonpercelen verhard wordt voor de aanleg van inritten, wegen en eventuele terrassen en bijgebouwen. Tabel 3. verhardingssituatie huidige en toekomstige situatie

De ontwikkeling op de onderzoekslocatie heeft, zoals blijkt uit de tabel, tot gevolg dat het verharde oppervlakte afneemt met 2.350 m2. Door de afname in bebouwing en verharding in de toekomstige situatie zal de infiltratiecapaciteit binnen het plangebied toenemen. Het aanleggen van bergingsvoorzieningen wordt derhalve niet nodig geacht.

Conclusie Het aspect water levert geen belemmeringen op voor de verdere planontwikkeling. Er is sprake zijn van een hydrologisch neutrale ontwikkeling.

55

8. Fysieke belemmeringen 8.1 Kabels en (buis)leidingen Toetsingskader Transport van gevaarlijke stoffen vindt plaats over de weg, het spoor, het water en door buisleidingen. Tijdens het transport kunnen dingen misgaan waardoor de gevaarlijke lading kan ontbranden of exploderen of waardoor er bijvoorbeeld giftige gassen ontsnappen via een lek of breuk. Bij risicovolle buisleidingen kan gedacht worden aan (hogedruk) transport van aardgas, maar ook van olie, benzine, kerosine, chemische producten en industriële gassen. Deze stoffen kunnen giftig, lichtontvlambaar, of brandbaar zijn. Buisleidingen lopen meestal ondergronds, maar kunnen soms ook bovengronds voorkomen. De grootste kans op een beschadiging aan een buisleiding ontstaat door graafwerkzaamheden. Denk hierbij aan werkzaamheden aan gas-, olie- en waterleidingen in de grond, of kabels voor stroom, TV, telefoon en internet. De risicokaart toont alle aardgasleidingen vanaf een diameter van 50 mm en een druk van 16 bar, alle buisleidingen voor brandbare vloeistoffen vanaf een diameter van 100 mm en alle overige buisleidingen waarvan geldt dat er een overschrijding van de wettelijke norm is op 5 meter afstand van de buis. Deze wettelijke norm is het plaatsgebonden risico 10-6. Het Besluit Externe Veiligheid Buisleidingen (Bevb) is op 1 januari 2011 in werking getreden.

In het Besluit externe veiligheid buisleidingen zoals dit per 1 januari 2011 geldt, staan veiligheidseisen voor de exploitant en de gemeente. Exploitanten hebben een zorgplicht en moeten ervoor zorgen dat hun buisleidingen veilig zijn. Gemeenten moeten buisleidingen in hun bestemmingsplan opnemen en bij nieuwbouw zorgen voor genoeg afstand tot de buisleidingen. Doorwerking plan(gebied) Teneinde een goede belangenafweging mogelijk te maken voor de vele functies binnen het plangebied is het noodzakelijk om inzicht te hebben in de ligging en eigenschappen van binnen het plangebied voorkomende kabels en leidingen. Sommige van deze kabels en leidingen vereisen een bepaalde afstand tot gevoelige functies. Voor het plan is met name de ligging van de hoofdtransportleidingen van belang, aangezien deze gekoppeld zijn aan een bepaalde afstand die aangehouden dient te worden waarbinnen geen bebouwing mag plaatsvinden. Besluit externe veiligheid buisleidingen Er bevindt zich geen (hoge druk) gasleiding binnen of op korte afstand van het plangebied. Overige kabels en (buis)leidingen Nutsbedrijven eisen dat kabels en leidingen in het openbaar gebied (komen te) liggen. De initiatienemer van onderliggend bouwplan is verplicht zorg te dragen voor een door gemeente en nutsbedrijven geaccordeerde wijze van aansluiting.

56

Verder ligt er geen 150 kV hoogspanningslijn in de nabijheid van het plangebied. De kleinere leidingen worden voorafgaand aan de bouwwerkzaamheden middels een KLIC-melding in kaart gebracht. Overige zonering Er zijn in en nabij het plangebied geen ondergrondse leidingen, waterkeringen, straalpaden, invliegfunnels of molenbiotopen aanwezig waarvan de aanwezigheid van invloed kan zijn op de voorgenomen ontwikkeling in het plangebied. Conclusie Geconcludeerd kan worden dat het voorgenomen plan, beschouwd vanuit de aspecten ondergrondse infrastructuur, kabels en leidingen, geen problemen oplevert. Nader onderzoek is na deze quickscan niet nodig.

57

9. Milieu-hygiënische verantwoording 9.1 Inleiding Er bestaat een duidelijke relatie tussen milieubeleid en ruimtelijke ordening. De beleidsvelden groeien naar elkaar toe. De milieukwaliteit vormt een belangrijke afweging bij de ontwikkelingsmogelijkheden van ruimtelijke functies. Bij de afweging van het al dan niet toelaten van bepaalde ruimtelijke ontwikkelingen, dient onderzocht te worden welke milieuaspecten daarbij een rol kunnen spelen. Tevens is het van belang milieubelastende functies, zoals bedrijfsactiviteiten, ruimtelijk te scheiden ten opzichte van milieugevoelige functies, zoals woningen. In dit hoofdstuk wordt ingegaan op de milieu- en ruimtelijke aspecten die van belang zijn voor de te ontwikkelen gronden aan de Keur. De resultaten van de onderzoeken naar de milieukundige haalbaarheid worden beschreven en er wordt aan de andere – ruimtelijk relevante – waarden en omgevingsaspecten, zoals verkeer en mobiliteit, getoetst. Tot slot wordt inhoudelijk ingegaan op de ruimtelijke inpassing en de beeldkwaliteit van het plan. De thema’s die aan bod komen, hebben direct of indirect betrekking op de voorgenomen planontwikkeling.

De tekst is automatisch uit het bestand gehaald en kan afwijken van het origineel (kolommen, tabellen en koppen lopen door elkaar). Het officiële stuk bij de gemeente is leidend. Bron: https://api1.ibabs.eu/publicdownload.aspx?site=Meierijstad&id=43326942-1a11-48cd-86d5-d6219cfb471d