CConstaterende datMeierijstad
Koppel je AI →
Document · PDF

Bijlage 2: Toelichting Venushoek 38 Schijndel

Raadsvergadering 2 maart 2023, gemeente MeierijstadBij agendapunt: Vaststelling bestemmingsplan 'Landelijk Gebied, herziening Venushoek 38'23.235 woorden

Open het PDF bij de gemeente ↗Naar de vergadering →

Tekst van het document

Uit het bestand gehaald, zonder opmaak, tabellen en afbeeldingen · deel 1 van 3

Bestemmingsplan

“Landelijk gebied, herziening Venushoek 38” PLANTOELICHTING

NL.IMRO.1948.BGS000BP0022021P-ON01

1

Titel: Datum: Projectnummer: Status / Versie: Adviesbureau: Auteurs: Contactpersoon: (Post)adres: Telefoon: E-mail: Website:

Bestemmingsplan “Landelijk gebied, herziening Venushoek 38” 01-12-2021 2020.160 Definitief / Ontwerp Wintraecken Advies B.V. Teun van de Camp Msc. en mr. David Wintraecken David Wintraecken Harry Bolsiuslaan 13 5481 BN Schijndel (073) 850 51 29 / (06) 146 488 29 info@wintraeckenadvies.nl www.wintraeckenadvies.nl

Alle rechten voorbehouden. Niets uit deze uitgave mag worden vermenigvuldigd en/of openbaar gemaakt, in enige vorm of op enige wijze, hetzij elektronisch, mechanisch, door fotokopieën, opnamen of enig andere manier, zonder voorafgaande schriftelijke toestemming van de opdrachtgever en/of Wintraecken Advies.

2

Inhoudsopgave 1. Inleiding ........................................................................................................... 5 1.1 Achtergrond en doel van het plan ................................................................... 5 1.2 Ligging en begrenzing plangebied ................................................................... 7 1.3 Vigerend bestemmingsplan ............................................................................ 7 1.4 Leeswijzer .................................................................................................. 10 2. Beschrijving bestaande situatie ......................................................................... 11 2.1 Huidige situatie omgeving ............................................................................ 11 2.2 Huidige situatie plangebied .......................................................................... 12 3. Visie op het plan(gebied) .................................................................................. 15 3.1 Doel en hoofdlijnen ..................................................................................... 15 3.2 Planbeschrijving .......................................................................................... 16 3.3 Landschappelijke inpassing en kwaliteitsverbetering ........................................

19 3.4 Slotconclusie .............................................................................................. 21 4. Beleidskader ................................................................................................... 22 4.1 Inleiding .................................................................................................... 22 4.2 Rijksbeleid ................................................................................................. 22 4.3 Provinciaal beleid ........................................................................................ 24 4.4 Gemeentelijk beleid..................................................................................... 36 5. Archeologie en cultuurhistorie ........................................................................... 47 6. Flora en fauna: toetsing natuurwetgeving en stikstof ........................................... 50 7. Water ............................................................................................................ 54 8. Fysieke belemmeringen .................................................................................... 56 8.1 Kabels en (buis)leidingen ............................................................................. 56 9. Milieu-hygiënische verantwoording ....................................................................

58 9.1 Inleiding .................................................................................................... 58 9.2 M.e.r.-beoordeling ...................................................................................... 58 9.3 Bodem ....................................................................................................... 60 9.4 Geluid (wegverkeerslawaai) ......................................................................... 61 9.5 Milieuzonering (geur en industrielawaai) ........................................................ 62 9.6 Luchtkwaliteit ............................................................................................. 64 9.7 Volksgezondheid in relatie tot veehouderijen .................................................. 67 9.8 Externe veiligheid ....................................................................................... 69 10. Mobiliteit; verkeer en parkeren ........................................................................ 73

3

11. Juridische opzet ............................................................................................. 74 11.1 Het bestemmingsplan als juridisch instrument .............................................. 74 11.2 Systematiek van de regels ......................................................................... 74 11.3 Toelichting bestemmingen .......................................................................... 75 12. Uitvoeringsaspecten ....................................................................................... 76 12.1 Economische uitvoerbaarheid ..................................................................... 76 12.2 Maatschappelijke uitvoerbaarheid ................................................................ 76 13. Slotconclusie ................................................................................................. 78

Bijlagen 1. Situatie - verkaveling nieuw gemaatvoerd 2. Landschappelijk inpassingsplan, Bureau Schildwacht, projectnummer: 2034, mei 2021 3. Venushoek 38, Schijndel, gemeente Meierijstad: Bureau- en inventariserend veldonderzoek uitgevoerd in de vorm van boringen in de verkennende fase, Bureau voor Archeologie Rapport 981, 14 december 2020 4. Ecologische quickscan Venushoek 38 Schijndel in het kader van de Wet natuurbescherming, Natuurlink, rapportnummer: EQ2049, 29-06-2021 5. Stikstofdepositie-onderzoek Venushoek 38 Schijndel, De Roever Omgevingsadvies, documentnummer: 20201723.v01, 23 december 2020 6. Watertoets ter plaatse van Venushoek 38 Schijndel, MILON, projectnummer: 20203945, 24-12-2020 7. Verkennend bodem- en asbestonderzoek Venushoek 38 te Schijndel, MILON, projectnummer: 20203603, 18 december 2020 8. Akoestisch onderzoek wegverkeerslawaai Venushoek 38 Schijndel, Toevoeging van 3 woningen, De Roever Omgevingsadvies, referentie: 20201722.v01, 11 februari 2021

4

1. Inleiding 1.1 Achtergrond en doel van het plan Aan de Venushoek 38 te Schijndel is in de huidige situatie een agrarische bedrijfswoning met bijbehorende opstallen van meer dan 2.000 m2 aanwezig. De initiatiefnemer is voornemens om de opstallen te slopen en daarvoor in de plaats drie woningen met bijgebouwen op te richten. De nieuwbouwwoningen worden opgericht in het kader van de regeling Ruimte-voor-Ruimte. De vigerende bestemming is ‘Agrarisch met waarden – Kleinschalig landschap’ en kent niet de mogelijkheid om één of meerdere woningen op te richten. Hierdoor is de realisatie van het planvoornemen op het moment niet mogelijk. Feitelijk omvat het plan de sloop van de bestaande opstallen, de oprichting van drie woningen met bijgebouwen (Ruimte-voor-Ruimte woningen) en het behoud van de bestaande burgerwoning. Het college van burgemeester en wethouders van Meierijstad heeft besloten onder voorwaarden medewerking te verlenen aan de beoogde ontwikkeling. Voor de uitwerking van het plan naar een haalbaar plan gelden de volgende randvoorwaarden: 1. Kwaliteitsverbetering: a. Bij de bestaande woning aan de Venushoek 38 maximaal 200 m2 aan bijgebouwen kan blijven behouden ten behoeve van een yogastudio. b. De voormalige bedrijfsbebouwing (ca.

2.000 m 2) in zijn geheel wordt gesloopt en omliggende verharding wordt verwijderd, waarbij is verzekerd dat de aanwezige bebouwing niet opnieuw kan worden opgericht. c. Voor de maximaal drie op te richten Ruimte voor Ruimte-woningen een certificaat van de verkregen bouwtitels van de Ruimte voor Ruimte-ontwikkelmaatschappij wordt overlegd. d. De Ruimte voor Ruimte-woningen worden compact gesitueerd, waarbij doorzichten blijven behouden, volgens een nader te overleggen stedenbouwkundig plan. e. De oppervlakte van bijgebouwen bij de Ruimte-voor-Ruimte woningen maximaal 150 m2 bedraagt en dat uitbreiding van de oppervlakte in bijgebouwen niet is toegestaan. f. Voor zowel de bestaande woning als voor de Ruimte voor Ruimte-woningen de bestemming ‘Wonen’ wordt opgenomen met een passende begrenzing. g. De Ruimte voor Ruimte-woningen dienen landschappelijk te worden ingepast met streekeigen soorten volgens een nader te overleggen plan. De beplanting dient duurzaam in stand te worden gehouden. De aanwezige volwassen bomen rondom het plangebied dienen te worden behouden. 2. Doorvertaling in bestemmingsplan: a. De onder 1 genoemde bestemming(en) worden vertaald in de herziening ‘Landelijk gebied, herziening Venushoek 38’ b. De regels t.a.v. ‘Wonen’ uit het bestemmingsplan ‘Landelijk gebied, herijking’ zijn onverminderd van toepassing op de bestemming ‘Wonen’.

Onder andere om reden dat het plangebied deel uitmaakt van de bebouwingsconcentratie ‘Schootsestraat – Venushoek – Putsteeg’ heeft de gemeente Meierijstad verklaard (in

5

principe) bereid te zijn om – met gebruikmaking van de Ruimte-voor-Ruimte regeling – medewerking te verlenen aan het opstarten van een bestemmingsplanprocedure ten behoeve van de realisatie van het bouwplan. Voor de bebouwingsconcentratie ‘Schootsestraat – Venushoek – Putsteeg’ is expliciet vermeld dat voor specifieke locaties aan de Venushoek Ruimte-voor-Ruimte kan overwogen om knelpunten op te lossen. Zo’n knelpunt betreft de huidige situatie aan de Venushoek 38. De sloop van het ruime oppervlak en volume aan bijgebouwen wordt als belangrijkste voorwaarde gezien voor medewerking tot woningbouw. Onderhavig bestemmingsplan voldoet aan deze voorwaarde. De provincie Noord-Brabant is inmiddels akkoord met de voorgenomen Ruimte-voorRuimte ontwikkeling aan de Venushoek 38 en is tevens akkoord met het inzetten van de verkregen bouwtitels ter plaatse van onderhavig plangebied. Doelstelling van deze partiële herziening van het bestemmingsplan “Landelijk gebied” is om de realisatie van het onderliggende planvoornemen c.q. de oprichting van twee burgerwoningen en het vervallen van de agrarische bedrijfsbestemming planologisch en juridisch mogelijk te maken. Het bestemmingsplan besteedt aandacht aan de ruimtelijke en milieu-hygiënische effecten van de voorgenomen ontwikkeling.

Onderzocht is hoe het initiatief zich verhoudt tot de aanwezige functies en waarden van het plangebied en de directe omgeving ervan. In dit kader zijn, behalve het ruimtelijk-planologische beleid, alle ruimtelijke en milieuhygiënische aspecten alsmede de landschappelijke inpassing en beeldkwaliteit nader beschouwd. Aan de volgende deels juridische voorwaarden dient te worden voldaan: • het motiveren van het wijzigen van de geldende bestemming middels het opstellen van een bestemmingsplan; • het met een bestemmingsplan aantonen van de ruimtelijk-fysieke, logistieke en milieu-hygiënische aanvaardbaarheid; • het in procedure brengen van het bestemmingsplan. Dit bestemmingsplan legt derhalve een planologische en juridische basis om de voorgenomen ruimtelijke ontwikkeling te kunnen realiseren. Dit bestemmingsplan geeft een planologisch-juridische regeling ten behoeve van de realisatie van het onderliggende bouwplan. De met dit bestemmingsplan aangetoonde ruimtelijke en milieu-hygiënische aanvaardbaarheid heeft betrekking op het bouwplan voor de sloop van bestaande opstallen, het behoud van de bestaande woning en de oprichting van drie ruimte voor ruimte woningen aan de Venushoek 38 te Schijndel.

6

1.2 Ligging en begrenzing plangebied Het plangebied is gelegen aan de Venushoek te Schijndel. Op navolgende luchtfoto (bron: Google Maps) is de ligging en globale begrenzing van het plangebied aangegeven.

1.3 Vigerend bestemmingsplan Op grond van het vigerende bestemmingplan “Landelijk gebied” rust op het perceel aan de Venushoek c.q. op het plangebied de bestemming ‘Wonen’ met de gebiedsaanduidingen ‘reconstructiewetzone – verwevingsgebied’, ‘wro-zone – wijzigingsgebied bebouwingsconcentratie’ en ‘wro-zone – esdek’. Tevens rust de dubbelbestemming ‘Waarde – Archeologie 4’ op het plangebeid. Ter plaatse geldt tevens het bestemmingsplan “Landelijk gebied, herijking”. Op grond van dit bestemmingsplan geldt de dubbelbestemming ‘Waarde – Cultuurhistorisch waardevolle elementen’ en de functieaanduiding ‘specifieke vorm van wonen – 41’. De ligging en globale begrenzing van het voorliggende plangebied zijn op navolgende uitsnede van de verbeelding van het vigerende bestemmingsplan “Landelijk gebied” rood omlijnd aangegeven.

7

De gronden bestemd voor ‘Wonen’ zijn bestemd voor: a. woningen; b. nevenactiviteiten zoals opgenomen in 26.1.2 onder c; c. een aan huis verbonden beroep; d. een aan huis verbonden bedrijf, uitsluitend na verlening van omgevingsvergunning als opgenomen in 26.6.1; e. bed en breakfast; f. water en waterhuishoudkundige doeleinden; g. ontsluitingswegen; h. parkeervoorzieningen; een en ander met de bijbehorende voorzieningen, zoals tuinen en erven en overeenkomstig de in 26.1.2 opgenomen nadere detaillering van de bestemming. Voor het aantal woningen geldt het volgende: a. per bestemmingsvlak is maximaal één woning toegestaan. b. in afwijking van het voorgaande geldt dat ter plaatse van de aanduiding 'maximum aantal wooneenheden' het aangegeven maximale aantal wooneenheden het toegestane maximale aantal woningen is. De voor ‘Waarde - Archeologie 4’ aangewezen gronden zijn, behalve voor de andere daar voorkomende bestemming(en), mede bestemd voor het behoud en de bescherming van de in de grond aanwezige of te verwachten archeologische waarden. Deze bestemming is primair ten opzichte van de overige aan deze gronden toegekende bestemmingen. Ten aanzien van bouwen op gronden dubbel bestemd als zijnde ‘Waarde – Archeologie 4’ geldt: a. Op of in deze gronden mag niet worden gebouwd, met uitzondering van:

8

1. verbouw en/of nieuwbouw van bestaande gebouwen voor zover bij de bouw de bestaande oppervlakte van het gebouw niet wordt vergroot of ruimtelijk gewijzigd en voor zover bij de bouw geen grondwerkzaamheden worden uitgevoerd met een oppervlak van de bodemingreep van ten hoogste 500 m2 en dieper dan 0,3 m ten opzichte van maaiveld, dan wel, ter plaatse van de aanduiding 'wro-zone - esdek', dieper dan 0,5 m ten opzichte van het maaiveld; 2. de bouw van een bijgebouw bij of uitbreiding van een bestaand hoofdgebouw met een oppervlak van de bodemingreep van ten hoogste 500 m2 en dieper dan 0,3 m ten opzichte van maaiveld, dan wel, ter plaatse van de aanduiding 'wro-zone - esdek', dieper dan 0,5 m ten opzichte van het maaiveld; 3. bouwwerken, geen bouwwerken zijnde ten dienste van de in 33.1 genoemde bestemming en ten dienste van een overige aan deze gronden gegeven bestemming voor zover bij de bouw geen grondwerkzaamheden worden uitgevoerd met een oppervlak van de bodemingreep van ten hoogste 500 m2 en dieper dan 0,3 m ten opzichte van maaiveld, dan wel, ter plaatse van de aanduiding 'wro-zone - esdek', dieper dan 0,5 m ten opzichte van het maaiveld; b. In geval van verlening van een omgevingsvergunning voor het bouwen is het bevoegd gezag altijd toegestaan archeologische waarnemingen te doen ten tijde van de graafwerkzaamheden ten behoeve van de bouw.

De gebiedsaanduiding ‘Reconstructiewetzone – verwevingsgebied’ is van toepassing op intensieve veehouderijen waarop een uitbreiding is voorzien. Deze is derhalve niet van toepassing op onderhavig planvoornemen. De gebiedsaanduiding 'Wro-zone – esdek' is gekoppeld aan de dubbelbestemming ‘Waarde – Archeologie 4’. Op of in deze gronden mag niet worden gebouwd, met uitzondering van: 1. verbouw en/of nieuwbouw van bestaande gebouwen voor zover bij de bouw de bestaande oppervlakte van het gebouw niet wordt vergroot of ruimtelijk gewijzigd en voor zover bij de bouw geen grondwerkzaamheden worden uitgevoerd met een oppervlak van de bodemingreep van ten hoogste 500 m2 en dieper dan 0,3 m ten opzichte van maaiveld, dan wel, ter plaatse van de aanduiding 'wro-zone esdek', dieper dan 0,5 m ten opzichte van het maaiveld; 2. de bouw van een bijgebouw bij of uitbreiding van een bestaand hoofdgebouw met een oppervlak van de bodemingreep van ten hoogste 500 m2 en dieper dan 0,3 m ten opzichte van maaiveld, dan wel, ter plaatse van de aanduiding 'wro-zone esdek', dieper dan 0,5 m ten opzichte van het maaiveld; 3.

bouwwerken, geen bouwwerken zijnde ten dienste van de in 33.1 genoemde bestemming en ten dienste van een overige aan deze gronden gegeven bestemming voor zover bij de bouw geen grondwerkzaamheden worden uitgevoerd met een oppervlak van de bodemingreep van ten hoogste 500 m2 en dieper dan 0,3 m ten opzichte van maaiveld, dan wel, ter plaatse van de aanduiding 'wro-zone - esdek', dieper dan 0,5 m ten opzichte van het maaiveld; In geval van verlening van een omgevingsvergunning voor het bouwen is het bevoegd gezag altijd toegestaan archeologische waarnemingen te doen ten tijde van de graafwerkzaamheden ten behoeve van de bouw.

9

De gebiedsaanduiding ‘wro-zone – wijzigingsgebied bebouwingsconcentratie’ is voor dit plan met name van belang vanwege het feit dat Ruimte-voor-Ruimte woningen in beginsel bij uitstek binnen als zodanig aangewezen gebieden gebouwd mogen worden. De aanduiding levert evenwel geen specifieke aanvullende eisen of beperkingen op. Tevens vigeert het bestemmingsplan “Landelijk gebied, herijking”, waardoor op het plangebied de dubbelbestemming ‘Waarde – Cultuurhistorisch waardevolle elementen’ rust. De voor ‘Waarde – Cultuurhistorisch waardevolle elementen’ aangewezen gronden zijn, behalve voor de andere daar voorkomende bestemming(en), mede bestemd voor het behoud, beheer en versterking van de cultuurhistorisch waardevolle elementen. De cultuurhistorische elementen betreffen de elementen die zijn opgenomen in de cultuurhistorische waarderingskaart en zijn aangeduid als landschapselement zeer hoog en/of hoog. De waardering van deze elementen is gebaseerd op het rapport ‘Tussen Aadal en Rooise heide’. Tevens geldt de functieaanduiding ‘specifieke vorm van wonen – 41’. Deze aanduiding regelt de mogelijkheid om ter plaatse 1.880 m2 in te zetten voor opslagdoeleinden.

Strijdigheid bouwplan met bestemmingsplan De strijdigheid van het bouwplan met het vigerende bestemmingsplan is gelegen in het feit dat ter plaatse van het plangebied één woning is toegestaan, waar initiatiefnemer voornemens is een burgerwoning te behouden en drie woningen (in het kader van de Ruimte-voor-Ruimte regeling) op te richten op gronden waar thans de bestemming ‘Agrarisch met waarden – Kleinschalig landschap’ rust’.

1.4 Leeswijzer In de volgende hoofdstukken wordt aandacht besteed aan de verschillende aspecten van het bestemmingsplan. In hoofdstuk 2 wordt een beschrijving gegeven van de bestaande situatie. Hoofdstuk 3 geeft de visie op het plan in relatie tot het plangebied en de directe omgeving. Hoofdstuk 4 behandelt het beleidskader. De hoofdstukken 5 tot en met 10 gaan in op de ruimtelijk-fysieke, logistieke en milieu-hygiënische aspecten. De juridische aspecten worden toegelicht in hoofdstuk 11 en de onderdelen economische en maatschappelijke uitvoerbaarheid in hoofdstuk 12. Hoofdstuk 13 tenslotte bevat de slotconclusie.

10

2. Beschrijving bestaande situatie 2.1 Huidige situatie omgeving Het plangebied ligt aan de Venushoek, in het buitengebied van Schijndel. De directe omgeving wordt gekenmerkt door agrarisch gebied met akkers, grasland en enkele agrarische bedrijven en woningen. De kern Schijndel ligt op circa 500 meter ten noordoosten van het plangebied. Navolgende luchtfoto bevestigt dit (maps.google.nl).

Het gebied rondom het perceel heeft voornamelijk agrarische functies. Het landschap heeft een kleinschalig karakter met veel groenstructuren in de vorm van houtsingels en laanbeplanting. Ondanks de aanwezigheid van begroeiing aan de perceelsranden heeft het gebied een tamelijk open karakter. Zodra men richting de bebouwde kom gaat, zijn er meerdere burgerwoningen gesitueerd.

11

2.2 Huidige situatie plangebied Op het planperceel bevinden zich meerdere agrarische bedrijfsgebouwen en bouwwerken, geen gebouwen zijnde. Op navolgende afbeeldingen zijn plattegronden met daarop de aanwezige bebouwing weergegeven.

12

13

De huidige situatie van het plangebied, bezien vanaf de Venushoek, is op navolgende foto’s te zien (Google Street View).

14

3. Visie op het plan(gebied) 3.1 Doel en hoofdlijnen Randvoorwaarden Bij het ontwerpen van woningen en bijgebouwen dienen de randvoorwaarden in acht genomen te worden die gelden voor ontwikkelingen, waaronder op basis van Ruimtevoor-Ruimte. Zo moeten de inhoud, typologie, architectuur van de woningen en de tuinen passend zijn in de omgeving en moeten de nieuwe woningen door landschappelijke (erf)beplanting worden ingepast in het omringende landschap. Per woning betekent dit concreet dat: • het een vrijstaande en grondgebonden woning betreft op een vrije kavel; • de nieuwe woning direct ontsluit op bestaande wegen; • de nieuwe woning er niet voor zorgt dat de kernrandzone dichtslibt; • de eventueel aanwezige doorzichten c.q. zichtlijnen zo goed als redelijkerwijs mogelijk behouden moeten blijven; • de nieuwe Ruimte-voor-Ruimte woning op een vrij gelegen kavel wordt gerealiseerd; • de nieuwe woning geen seriematige bouw kent, maar zich kenmerkt door individuele bouw. Uitgangspunten integraal ontwerp Op basis van de hiervoor genoemde randvoorwaarden is een integraal ontwerp gewenst voor zowel de nieuwe woningen als voor de kavels en de tuinen. Per woning zijn de volgende aspecten daarbij van belang: • Passend in het landschap Het belangrijkste criterium is dat de woning past in het landschap. Er zijn twee aspecten waarin dit tot uitdrukking dient te komen: 1.

de situering en de vormgeving van de nieuwe woning, de kavel en de tuin dienen het landschap, de directe omgeving, maar ook elkaar te versterken; 2. de keuze van de architectuur en het materiaalgebruik van de nieuwe woning, maar ook de vormgeving en beplanting van de tuin, dienen aan te sluiten op het betreffende landschap. • Typologie van de woning De Venushoek is een weg die al lang bestaat. Door de jaren heen is er op diverse plekken gebouwd, waardoor de bebouwing is zoals die is. Individuele woningen, geclusterd of juist als ensemble. Aan de individuele bebouwing op de locatie en in de omgeving is goed af te lezen wanneer de aanwezige woning is gerealiseerd. Dit is leesbaar/herkenbaar aan de hand van de bouwstijl, de detaillering en het materiaalgebruik die op dat moment gangbaar was. Verder valt het op dat het overwegend één laagse bebouwing met kap betreft die is gebouwd conform de tijdsgeest en wensen van het moment waarop de woningen zijn gerealiseerd. Aansluiten bij de typologie van de directe omgeving kan hierbij wenselijk en logisch zijn, maar is erg traditioneel en voorspelbaar en laat onvoldoende zien wat

15

tegenwoordig allemaal mogelijk is binnen het architectonische spectrum. Het afwijken van de bebouwing uit de directe omgeving kan juist een bijzonder spanningsveld opleveren waardoor je echt iets toevoegt van deze tijd. Het is aan de initiatiefnemer / architect om een keuze te maken om direct aan te sluiten bij de traditionele aanwezige bebouwing of juist de randen op te zoeken met een bijzondere, en eigentijdse, niet traditionele invulling naar de maatstaven van deze tijd, waarbij de uiterste grenzen van de regels in het bestemmingsplan zeker kunnen worden opgezocht. •

Typologie en architectuur tuin ‘Vertuining’ van het platteland dient te worden voorkomen. Daarom is het opstellen van een tuinontwerp verplicht. In het tuinontwerp wordt duidelijk dat tuin/kavel en nieuwe woning door een landschappelijke (erf)beplanting dienen te zijn ingepast in het omringende landschap. Te denken valt aan bosschages, houtwallen, kavelrandbeplantingen, lanen, boomgaarden, poelen, sloten met oevervegetaties, bloemenweiden etc. Een landschappelijke beplanting bestaat uit inheemse soorten die geschikt zijn op de aanwezige bodemsoort. Binnen deze landschappelijke structuren is uiteraard ondergeschikt een verdere invulling met tuin- en sierelementen mogelijk. De landschappelijke inpassing dient zo te zijn dat op de ruime kavel doorzichten naar het landschap blijven bestaan.

3.2 Planbeschrijving De in paragraaf 3.1 genoemde randvoorwaarden en uitgangspunten voor de oprichting van woningen in het Schijndelse buitengebied worden voor onderhavige ontwikkeling in acht genomen. De op te richten woningen krijgen elk een inhoud van maximaal 1.000 m3 en een bijgebouw met een oppervlakte van maximaal 150 m2. De woningen worden geplaatst in de bestaande voorgevelrooilijn, in lijn met de te behouden woning. Elk van de nieuwe Ruimte-voor-Ruimte woningen betreft een vrijstaande en grondgebonden woning op een ruime, vrij gelegen kavel welke ontsluit op een bestaand weg (Venushoek). Deze nieuwe woningen zorgen niet voor een dichtslibbing van de kernrandzone. Het behoud van eventuele doorzichten / zichtlijnen is hiermee gewaarborgd. De nieuwe woningen kennen verder geen seriematige bouw, maar kenmerken zich door individuele bouw. De inrichting van de openbare weg met bestaande sloot en bomenrij langs de Venushoek worden (deels) gehandhaafd. Ook de houtopstanden gelegen rondom het plangebied worden voor de toekomst behouden. Door de gemeente is gevraagd om een compact stedenbouwkundig model, zodat er één geheel kan ontstaan, omgeven door groen en zichtlijnen op het weidse landschap. Ook de inritten worden gecombineerd.

De planontwikkeling laat een compact geheel zien, met langgerekte massa’s en forse kappen (in aansluiting op de bebouwingstypologie van het buitengebied). In het algemeen wordt aangehouden dat het bijgebouw duidelijk zichtbaar lager is dan het hoofdgebouw. Minimaal is een verschil van 1,5 meter tussen de hoogte van hoofd- en bijgebouw aan te houden.

16

De woningen worden mogelijk gemaakt door de aankoop van drie Ruimte-voor-Ruimte bouwtitels. Met de aankoop van deze titels is kwaliteitsverbetering van de omgeving in de vorm van sloop van voormalige agrarische bedrijfsgebouwen gerealiseerd. In het geheel wordt nog meer ruimtelijke kwaliteitswinst behaald door het realiseren van een landschappelijk inpassingsplan. Ten aanzien van de afstand tussen hoofdgebouw en bijgebouw wordt uitgegaan van het vereiste van een ruimtelijke eenheid en zuinig ruimtegebruik. Het verkleinen van de afstand tussen woning en bijgebouw is in die zin gewenst. Ten behoeve van onderhavig woningbouwplan is een landschappelijk inpassingsplan, inclusief landschaps-/inrichtingsschets, opgesteld. Het landschappelijk inpassingsplan, inclusief inrichtingsvoorstel, is als bijlage 2 bij dit bestemmingsplan gevoegd. Voor een nadere beschrijving van de voorgestelde landschappelijke inpassing wordt tevens verwezen naar paragraaf 3.3. De beoogde ruimtelijke ingreep aan de Venushoek in de vorm van het toevoegen van nieuwe woningen voorziet in een verandering van de ruimtelijke structuur ter hoogte van het plangebied. Er ontstaat, wat betreft beeldkwaliteit, een samenhangende ruimtelijke structuur met de aan westzijde te behouden woning. Met deze woning vindt in zekere zin een koppeling plaats.

Verder worden de voorziene hoofdmassa’s en hoofdvormen van de bebouwing afgestemd op de bestaande bebouwing in de omgeving, maar zullen wel een eigen architectonische eenheid vormen. Door de voorgestelde situering blijft de afstand tot de in naaste omgeving gelegen percelen voldoende groot. Het plan is verder niet of nauwelijks van invloed op de parkeerinrichting en infrastructuur. Zo wordt op eigen terrein voorzien in (ruim) voldoende parkeergelegenheid en zal het plangebied direct ontsloten worden op de Venushoek. Op navolgende afbeelding is een eerste impressie van de mogelijke verkaveling van de drie nieuwe woningen in relatie tot de te behouden woning te zien (bron: Woudstra Architecten). Omwille van de leesbaarheid is deze afbeelding tevens als separate bijlage 1 opgenomen.

17

Binnen de rode stippellijnen zijn thans bedrijfsgebouwen aanwezig welke gesloopt worden ten behoeve van de ontwikkeling van voorliggend bestemmingsplan. Het gebied tussen de blauwe en de rode stippellijnen betreft de aanwezige erfverharding.

18

3.3 Landschappelijke inpassing en kwaliteitsverbetering Landschappelijke inpassing De (voormalige) gemeente Schijndel heeft in 2005 het landschapsontwikkelingsplan (LOP) vastgesteld. Het landschapsontwikkelingsplan heeft een sturende rol in het bestemmen, aanleggen, inrichten en beheren van gebieden. Het behouden, versterken en ontwikkelen van bestaande kwaliteiten en met name kleinschalige landschapselementen alsmede de relatie hiervan met ruimtelijke ordening (onder andere beeldkwaliteit en landinrichting) zijn belangrijke doelen van het LOP. De landschappelijke inpassing van gebouwen is een concretisering van het landschapsontwikkelingsplan. Bij nieuwe ruimtelijke ontwikkelingen is de initiatiefnemer verplicht om zorg te dragen voor een goede landschappelijke inpassing. Ter facilitering van initiatiefnemer heeft de (voormalige) gemeente Schijndel de ‘Handleiding landschappelijke inpassing’ opgesteld. Uit een landschappelijk inpassingsplan dient te blijken dat de voorgestane ruimtelijke ontwikkeling de natuur- en landschappelijke waarden ter plaatse niet schaden. Een landschappelijk inpassingsplan voorziet in een ontwikkeling in natura, waarmee aan de voorwaarden wordt voldaan die de provincie en gemeente stellen aan ontwikkelingen in het buitengebied.

Met het landschappelijk inpassingsplan wordt aangesloten op de bestaande situatie en de potentiële waarden en kwaliteiten in en rond het plangebied. Deze zijn door middel van een bureaustudie en een veldbezoek geïnventariseerd. Verantwoord is hoe de gewenste ontwikkeling op een duurzame manier in de bestaande situatie kan worden geïntegreerd. Om zo veel mogelijk aansluiting te vinden bij het karakter van de omgeving is er een landschappelijk inpassingsplan en inrichtingsvoorstel opgesteld (zie bijlage 2). Dit inpassingsplan is vooraf gegaan door een inventarisatie van de historische ontwikkeling, landschapsanalyses lint en kavel en door referenties uit de omgeving. Een en ander heeft uiteindelijk geresulteerd in een landschaps-/inrichtingsschets. Er vindt inpassing van de tuin en de nieuwe woning in het omringende landschap plaats door een combinatie van erfbeplanting en landschapsbeplanting. De rapportage van Bureau Schildwacht heeft geleid tot een plan, waarmee behoud van natuur- en land(schapp)elijke waarden en kwaliteiten is gegarandeerd en er bovendien sprake is van een verbetering wat betreft deze aspecten. Er is zodoende een landschappelijk inpassingsplan opgesteld waarbij de fysieke inrichting passend is bij de omgeving en natuur en groen de landschappelijke waarden en kwaliteiten ter plaatse zullen doen toenemen.

Navolgende afbeeldingen betreffen sfeerbeelden van het plan(gebied). Het landschappelijk inpassingsplan dat hieraan ten grondslag ligt, is opgenomen als bijlage 2 van deze toelichting.

19

Het landschappelijk inpassingsplan moet binnen één jaar na ingebruikname van de woningen gerealiseerd zijn en de initiatiefnemer moet de landschappelijke inpassing in stand houden. Dit is planologisch-juridisch geborgd in de planregels. Landschappelijke kwaliteitsverbetering Bij (extra) kwaliteitsverbetering van het landschap, als bedoeld in artikel 22.5 Interim omgevingsverordening Noord-Brabant, kan in het bijzonder worden gedacht aan concrete tegenprestaties gericht op de verbetering van de volgende landschapsaspecten: bodem (aardkunde) en water, natuur- en landschapselementen, cultuurhistorische elementen inclusief archeologie, recreatieve toegankelijkheid van het landschap, sloop en ontstening. Investeringen in het landschap betreffen nieuw te ontwikkelen structuren en elementen en/of het herstel van bestaande structuren en elementen. Ook kan een koppeling worden gelegd met de realisering van de ecologische hoofdstructuur en ecologische verbindingszones. Bij hergebruik van voormalige agrarische en niet-agrarische bedrijfslocaties is sloop van overtollige bebouwing uitgangspunt. Naast een goede landschappelijke inpassing is voor onderhavig planvoornemen in beginsel géén (extra) kwaliteitsverbetering van het landschap noodzakelijk.

Achterliggende gedachte hierbij is dat deelname aan de Ruimte-voor-Ruimte regeling namelijk reeds bijdraagt aan een investering in het landschap. In het ontwerpbestemmingsplan “Harmonisatie van diverse regelingen ('laaghangend fruit')” zijn afwijkingsbevoegdheden opgenomen voor het toestaan van een grotere inhoud van een woning en een grotere oppervlakte aan bijbehorende bouwwerken (sloopbonus). Op basis van die regels is: een vergroting van de inhoud van de woning mogelijk van 0,5 m3 per m2 sloop van bestaande (voormalige) agrarische bedrijfsgebouwen; een vergroting van de oppervlakte van bijbehorende bouwwerken van 0,5 m2 per m2 sloop van bestaande (voormalige) agrarische bedrijfsgebouwen. In de planregels van onderhavig bestemmingsplan worden drie Ruimte-voor-Ruimte woningen mogelijk gemaakt van 1.000 m3 elk. Het ontwerpbestemmingsplan “Harmonisatie van diverse regelingen ('laaghangend fruit')” staat een inhoudsmaat voor (bedrijfs)woningen toe van maximaal 750 m3. Voor deze grotere woningen wordt er circa 2.000 m2 aan (bedrijfs)opstallen aan bestaande (voormalige) bedrijfsgebouwen gesloopt.

Bij zowel het ontwerpen van het bouwplan als bij het opstellen van het landschappelijk inpassingsplan, inclusief de landschaps-/inrichtingsschets, is zoveel als mogelijk aansluiting gezocht bij de aanwezige waarden en kwaliteiten en huidige landschappelijke omgevingskarakteristiek en uitgangspunten. Zodoende kan de ruimtelijke (beeld)kwaliteit van het gebied in stand gehouden worden en door de inpassing, vormgeving en bouwstijl van de beoogde bebouwing kan de ruimtelijke (beeld)kwaliteit zelfs verbeterd worden.

20

3.4 Slotconclusie Met onderliggend initiatief ontstaat een representatieve locatie die de ruimtelijke beeldkwaliteit van het gebied onvoorwaardelijk in stand houdt en door de voorgenomen inpassing, vormgeving en bouwstijl van de beoogde bebouwing zelfs verbetert. Op deze wijze heeft het initiatief een toegevoegde waarde voor het ruimtelijke omgevingskader en levert het daarmee tevens een positieve invulling aan de waarborging van de landschappelijke karakteristiek en identiteit ter plaatse. Het algemene ruimtelijke uitgangspunt van gemeenten is er verder op gericht om te komen tot ‘duurzaam bouwen’. Duurzaam bouwen verhoogt de gebruikswaarde (functioneel), belevingswaarde (vorm) en de toekomst (tijd) voor de bebouwde omgeving. Duurzaam bouwen is in dit geval te onderscheiden in stedenbouwkundig en bouwkundig duurzaam bouwen. Een goed stedenbouwkundig plan draagt bij aan een duurzame toekomst en voorkomt onder andere verloedering en leegstand. Stedenbouwkundige duurzaamheid komt tot uitdrukking in de ruimtelijke opzet en inpassing van de bebouwing. Ruimtelijke kwaliteit vormt de voorwaarde voor een goed woon- en leefmilieu. Belangrijk hierbij is het om de stedenbouwkundige structuur op een goede manier kenbaar te maken en te behouden.

Bouwkundige duurzaamheid laat zich onder andere uitdrukken in: • duurzaam materiaalgebruik; • slimme energetische concepten (welke resulteren in energiebesparende maatregelen); • afvalreductie. Geconcludeerd kan worden dat het toevoegen van de woningen bijdraagt aan een ruimtelijke en visuele koppeling met de bestaande omliggende bebouwing en daarmee een positieve functionele invulling vormt. De voorgestane ontwikkeling steunt de waarborging van de landschappelijke en architectonische uitgangspunten en daarmee de ruimtelijke karakteristiek en identiteit ter plaatse. De juridische vertaling van de bouw- en gebruiksmogelijkheden is verankerd in de bij dit bestemmingsplan behorende verbeelding en regels. De ruimtelijk-fysieke, logistieke en milieu-hygiënische aanvaardbaarheid van de voormelde plankeuzes worden gemotiveerd in de hoofdstukken 5 tot en 10.

21

4. Beleidskader 4.1 Inleiding Wat betreft de verantwoordelijkheidstoedeling en bevoegdheidsverdeling zijn het Rijk, de provincies en de gemeenten verantwoordelijk voor hun eigen belangen. Er kan slechts sprake zijn van bemoeienis van Rijk of provincie met de gemeente, indien dat noodzakelijk is vanwege een nationaal respectievelijk provinciaal belang. Rijk en provincies beschikken in de Wet ruimtelijke ordening over dezelfde bevoegdheden als gemeenten om hun eigen ruimtelijke belangen te kunnen uitvoeren. Daarnaast kunnen het Rijk en de provincies algemeen verbindende regels uitvaardigen en aanwijzingen geven om hun belangen veilig te stellen. Het beleid van de gemeente Meierijstad vormt dus het kader waarbinnen de functionele en ruimtelijke ontwikkeling wordt vastgesteld. De ruimtelijke ontwikkelingsplannen van Rijk, provincie en regio vormen randvoorwaarden voor het gemeentelijke beleid. Voor zover relevant voor de plannen worden in de volgende paragrafen het Rijks-, provinciaal en gemeentelijk beleid toegelicht.

4.2 Rijksbeleid Het voorliggende plangebeid is niet gelegen in een gebied waarvoor van rijkswege een (relevante) ruimtereservering geldt. Uitsluitend het nationale belang van een ‘zorgvuldige afweging en transparante besluitvorming bij alle ruimtelijke en infrastructurele besluiten’, als vervat in de ladder voor duurzame verstedelijking, is van toepassing op het onderhavige bestemmingsplan. Aan dit belang wordt navolgend getoetst. Aspecten als water, veiligheid, cultuurhistorie en ruimtelijke kwaliteit vormen onderdeel van de planologische toets. Daarmee is het plan niet in strijd met het rijksbeleid. Geconcludeerd kan verder worden dat het onderhavige plangebied niet gelegen is in een gebied waarvoor van Rijkswege een relevante ruimtereservering geldt. Aan de ladder voor duurzame verstedelijking wordt navolgend getoetst. Vanaf 2021 treedt de nieuwe Omgevingswet in werking. De Omgevingswet bundelt alle huidige wetten over de leefomgeving. Daarbij hoort ook 1 rijksvisie op de leefomgeving: de Nationale Omgevingsvisie (NOVI). De vier prioriteiten waar de NOVI zich op richt in de NOVI zijn deze maatschappelijke opgaven samengevat in 4 prioriteiten: 1. ruimte voor klimaatadaptatie en energietransitie 2. duurzaam economisch groeipotentieel; 3. sterke en gezonde steden en regio’s 4. toekomstbestendige ontwikkeling van het landelijk gebied.

22

Onderhavige planontwikkeling heeft met name een gunstige uitwerking voor een ‘toekomstbestendige ontwikkeling van het landelijk gebied’. Onderhavig plan sluit aan bij c.q. doet geen afbreuk aan de ambities en de (beleids)doelstellingen en -uitgangspunten zoals verwoord in de Nationale Omgevingsvisie. Ladder voor duurzame verstedelijking (artikel 3.1.6 lid 2 Bro) Toetsingskader Met de inwerkingtreding op 1 oktober 2012 van artikel 3.1.6 lid 2 van het Besluit ruimtelijke ordening (Bro) – de ‘ladder voor duurzame verstedelijking’ – geldt voor alle juridisch verbindende ruimtelijke plannen van decentrale overheden die (planologisch) nieuwe stedelijke ontwikkelingen mogelijk maken een bijzonder procesvereiste. Het procesvereiste van het doorlopen van de Ladder is gebaseerd op één van de nationale belangen als opgenomen in de SVIR, opgesteld door het Rijk. Dit nationale belang houdt in dat, ten behoeve van een goed systeem van ruimtelijke ordening, een zorgvuldige afweging en transparante besluitvorming bij ruimtelijke besluiten plaats dient te vinden. Deze zorgvuldige afweging heeft tot doel om, vanuit een oogpunt van zuinig en zorgvuldig ruimtegebruik, planologisch ongewenste versnippering en een onaanvaardbare leegstand te voorkomen. Op 1 juli 2017 is het Besluit ruimtelijke ordening (Bro) gewijzigd, waarbij een nieuwe Laddersystematiek geldt.

Artikel 3.1.6, tweede lid, luidt nu als volgt: De toelichting bij een bestemmingsplan dat een nieuwe stedelijke ontwikkeling mogelijk maakt, bevat een beschrijving van de behoefte aan die ontwikkeling, en, indien het bestemmingsplan die ontwikkeling mogelijk maakt buiten het bestaand stedelijk gebied, een motivering waarom niet binnen het bestaand stedelijk gebied in die behoefte kan worden voorzien. De Laddertoets moet worden uitgevoerd wanneer er sprake is van een nieuwe stedelijke ontwikkeling. In artikel 1.1.1 onder i van het Bro is een nadere omschrijving van het begrip stedelijke ontwikkeling vastgelegd. Als stedelijke ontwikkeling wordt genoemd: een ruimtelijke ontwikkeling van een bedrijventerrein of zeehaventerrein, of van kantoren, detailhandel, woningbouwlocaties of andere stedelijke voorzieningen. In het Bro is geen ondergrens voor de minimale omvang vastgelegd. Of er sprake is van een stedelijke ontwikkeling wordt bepaald door de aard en omvang van de ontwikkeling in relatie tot de omgeving. Voor woningbouwlocaties geldt volgens de overzichtsuitspraak dat 'in beginsel' sprake is van een nieuwe stedelijke ontwikkeling als er meer dan 11 woningen gerealiseerd worden. Voor wonen is daarmee de lijn dat er vanaf 12 woningen sprake is van een stedelijke ontwikkeling. De Laddertoets geldt alleen voor ‘nieuwe’ stedelijke ontwikkelingen.

Beoordeeld moet dan worden of sprake is van een nieuw beslag op de ruimte. Daarvan is in het beginsel sprake als het nieuwe ruimtelijke besluit meer bebouwing mogelijk maakt dan er op grond van het voorheen geldende planologische regime aanwezig was of kon worden gerealiseerd. Daarnaast volgt uit jurisprudentie dat wanneer het een functiewijziging betreft, moet worden beoordeeld of er sprake is van een naar aard en omvang zodanige

23

functiewijziging dat desalniettemin gesproken kan worden van een nieuwe stedelijke ontwikkeling. Daarbij moet ook het ruimtebeslag betrokken worden. In de nieuwe Ladder is het woord 'regionale' niet meer aanwezig. De Ladder bepaalt niet nader voor welk gebied de behoefte in beeld moet worden gebracht. Het is primair aan het bevoegd gezag om op basis van het ruimtelijk verzorgingsgebied van de stedelijke ontwikkeling te bepalen tot welk gebied de beschrijving van de behoefte zich moet uitstrekken. De aard en omvang van de stedelijke ontwikkeling bepaalt op welk niveau de afweging moet worden gemaakt. De toelichting van het bestemmingsplan moet een beschrijving bevatten van de behoefte aan de nieuwe stedelijke ontwikkeling die mogelijk wordt gemaakt. Daarbij is het niet relevant of het plangebied binnen of buiten bestaand stedelijk gebied ligt. In beide gevallen dient de plantoelichting een beschrijving van de behoefte te bevatten. In artikel 1.1.1 onder h van het Bro is een nadere omschrijving van het begrip 'bestaand stedelijk gebied' vastgelegd. Als bestaand stedelijk gebied wordt aangemerkt: bestaand stedenbouwkundig samenstel van bebouwing ten behoeve van wonen, dienstverlening, bedrijvigheid, detailhandel of horeca, alsmede de daarbij behorende openbare of sociaal culturele voorzieningen, stedelijk groen en infrastructuur.

Uit de definitie volgt dat er sprake moet zijn van een stedenbouwkundig samenstel van bebouwing. In de Nota van Toelichting wordt opgemerkt dat de kwalificatie bestaand stedelijk gebied afhangt van de omstandigheden van het geval, de specifieke ligging, de feitelijke situatie, het bestemmingsplan en de aard van de omgeving. Doorwerking plan(gebied) Gelet op de onderliggende ontwikkeling voorziet het plan niet in een woningbouwlocatie als bedoeld in artikel 1.1.1, eerste lid, aanhef en onder i, van het Bro (AbRS 18 december 2013, nummer 201302867/1/R4). De in het plan voorziene ontwikkeling kan dan ook niet worden aangemerkt als een stedelijke ontwikkeling als bedoeld in deze bepaling van het Bro, zodat artikel 3.1.6, tweede lid, van het Bro niet van toepassing is. Gezien het voorgaande vormt de ladder voor duurzame ontwikkeling geen belemmering voor de voorgestane ontwikkeling. Conclusie Er is geen sprake van een stedelijke ontwikkeling in de zin van de ladder voor duurzame verstedelijking. Daardoor is de ladder voor duurzame verstedelijking niet van toepassing.

4.3 Provinciaal beleid Toetsingskader Omgevingsvisie Noord-Brabant In voorbereiding op de inwerkingtreding van de Omgevingswet heeft de provincie de Omgevingsvisie Noord-Brabant vastgesteld (14 december 2018). Deze omgevingsvisie bevat de visie van het provinciale bestuur op de Brabantse leefomgeving van de toekomst (2050). Naar de uitgangspunten van de Omgevingswet zijn daarbij geen routes naar de gestelde doelen vastgelegd, omdat daarmee een beter samenspel en draagvlak

24

kunnen ontstaan. De Omgevingsvisie zal onder meer de Structuurvisie Ruimtelijke Ordening gaan vervangen. De Omgevingsvisie kent één basisopgave: ‘werken aan veiligheid, gezondheid en omgevingskwaliteit’. Elke ruimtelijke ontwikkeling moet - ongeacht de omvang – hieraan bijdragen. In vier hoofdopgaven worden nadere accenten gelegd: 1. werken aan de Brabantse energietransitie; 2. werken aan een klimaatproof Brabant; 3. werken aan een slimme netwerkstad; 4. werken aan een concurrerende, duurzame economie. Interim omgevingsverordening Noord-Brabant Het beleid uit de Omgevingsvisie Noord-Brabant is verwerkt in de regels die zijn opgenomen in de Interim omgevingsverordening Noord-Brabant van de provincie. De onderwerpen die in de verordening staan komen dus uit de provinciale omgevingsvisie. Daarin staat welke belangen de provincie wil behartigen en hoe ze dat wil doen. De verordening is daarbij één van de manieren om die provinciale belangen veilig te stellen. In de verordening is een aantal aspecten opgenomen die van toepassing zijn op onderhavig plan. Deze zullen hierna worden besproken. De provincie wil de ruimtelijke kwaliteit van Noord-Brabant bevorderen. Dit betekent dat nieuwe ontwikkelingen een bijdrage moeten leveren aan de kernkwaliteiten van NoordBrabant.

De provincie biedt ontwikkelingsruimte in het buitengebied, mits een ontwikkeling bijdraagt aan een versterking van de ruimtelijke kwaliteit. Nieuwe ontwikkelingen bieden een kans voor behoud en ontwikkeling van het landschap. Het ontwikkelen van landschap reikt verder dan het behouden wat er is, ontwikkelen van het landschap gaat ook om het toevoegen van nieuwe ruimtelijke kwaliteiten. De provincie onderscheidt een achttal thema’s waarin beleidsuitgangspunten zijn opgenomen. Deze thema’s zijn tevens in kaart gebracht. Onderstaande tabel illustreert welke thematische kaarten in principe van toepassing zijn op het plangebied en welke niet. Thema / kaartnaam Milieubescherming Landbouw Stedelijke ontwikkeling en erfgoed Natuur en stiltegebieden Grondwaterbescherming, waterveiligheid en –berging Basiskaart Landelijk gebied. Specifieke gebieden voor agrarische ontwikkelingen Watersystemen, -veiligheid en -berging

Van toepassing Nee Ja Ja Nee Nee Ja Ja Ja

Rechtstreeks werkende regels: landbouw Binnen het kaartbeeld ‘Rechtstreeks werkende regels: landbouw’ is het plangebied aangeduid als ‘Landelijk gebied’. Dit is geïllustreerd in navolgend kaartbeeld.

25

De provincie beschouwt het hele landelijk gebied als een gebied waarbinnen een menging van functies aanwezig is: het gemengd landelijk gebied. De mate van menging varieert daarbij van de gebieden waarbinnen meerdere functies in evenwicht naast elkaar bestaan tot gebieden waar de land- en tuinbouw de dominante functie is. Het ‘Landelijk gebied’ is een veelzijdige gebruiksruimte met functies zoals wonen, werken, (historische) landgoederen, recreatie en toerisme. De functies zijn zo ontwikkeld dat er ten alle tijden rekening wordt gehouden met omliggende functies en aanwezige omgevingskwaliteiten. Buiten de primair agrarische gebieden ontwikkelen functies zich in evenwicht met elkaar en de omgeving. In de kernrandzones is een toenemende menging van wonen, voorzieningen en kleinschalige bedrijvigheid mogelijk. Rondom natuurgebieden vinden ontwikkelingen plaats op vrijkomende locaties die passen in een groene omgeving. Bestaande ontwikkelingsmogelijkheden van in het gebied voorkomende functies worden gerespecteerd. Ontwikkelingen houden rekening met hun omgeving en dragen bij aan een versterking van de gebiedskwaliteiten. Binnen de primair agrarische gebieden is de provincie terughoudend met de (verdere) ontwikkeling van niet-agrarische functies. De land- en tuinbouw heeft in deze gebieden het primaat.

Artikel 3.80 van de Interim omgevingsverordening Noord-Brabant geeft de voorwaarden waaronder binnen het plangebied het toevoegen van een Ruimte-voor-Ruimte worden mogelijk is. Met artikel 3.80 is aansluiting kan gezocht bij de regels uit de ‘Beleidsregel ruimte-voor-ruimte 2006’ van de provincie Noord-Brabant. Uit de verantwoording dient te blijken dat: • het bestemmingsplan de nodige voorwaarden bevat om een goede landschappelijke inpassing van de te bouwen woning te verzekeren; • is verzekerd dat is voldaan aan de nader gestelde regels;

26

•

er geen sprake is van (een aanzet voor) een stedelijke ontwikkeling.

Lid 1 Een bestemmingsplan van toepassing op Landelijk gebied kan voorzien in één of meerdere ruimte-voor-ruimtekavels, ieder ten behoeve van de bouw van één woning, indien: a. er sprake is van een aanzienlijke winst van de omgevingskwaliteit; b. de ruimte-voor-ruimtekavel op een planologisch aanvaardbare locatie in een bebouwingsconcentratie ligt; c. een goede landschappelijke inpassing van de te bouwen woning is verzekerd; d. er geen sprake is van (een aanzet voor) een stedelijke ontwikkeling behoudens in geval de locatie ligt binnen Verstedelijking afweegbaar. Lid 2 Er is sprake van een aanzienlijke winst van de omgevingskwaliteit als per ruimte-voorruimtekavel is aangetoond dat is voldaan aan de volgende voorwaarden: a. een of meer veehouderijen gericht op het houden van varkens of pluimvee zijn in het geheel beëindigd waarbij alle bedrijfsgebouwen ten dienste van deze veehouderij, niet zijnde de bedrijfswoning, zijn gesloopt; b. de onder a. bedoelde veehouderijen zijn direct voorafgaand aan de beëindiging gedurende een periode van drie jaar onafgebroken in bedrijf geweest; c. de onder a. bedoelde veehouderijen zijn gevestigd binnen Beperkingen Veehouderij of op een locatie die vanwege omliggende waarden en functies niet geschikt is voor de uitoefening van een veehouderij; d. er tenminste 1000 m² bedrijfsgebouwen ten dienste van de onder a.

bedoelde veehouderij, niet zijnde de bedrijfswoning, zijn gesloopt met een minimum van 200 m² op iedere beëindigingslocatie veehouderij; e. de ten behoeve van de onder a. bedoelde veehouderijen geregistreerde rechten betreffende de fosfaatproductie in een gezamenlijke omvang van tenminste 3.500 kg uit de markt zijn genomen door doorhaling van de bij de Dienst Regelingen geregistreerde rechten, waarbij per beëindigingslocatie een minimum van 700 kg aan rechten betreffende de productie van fosfaat aanwezig is; f. de rechten, bedoeld onder e. moeten vanaf het moment van beëindiging van de bedrijfsvoering tot aan het moment van uit de markt nemen geregistreerd staan op naam van de veehouderij die beëindigd; g. de omgevingsvergunning milieu voor de onder a. bedoelde veehouderij op iedere beëindigingslocatie veehouderij is ingetrokken; h. een passende herbestemming is gelegd op de locatie als onder a. bedoeld die in ieder geval het houden van vee en het bouwen van nieuwe bedrijfsgebouwen uitsluit; i. in redelijkheid niet op andere wijze is voorzien in de beëindiging van de onder a. bedoelde veehouderij.

Lid 3 In afwijking van het tweede lid kan een bestemmingsplan voorzien in een ruimte-voorruimtekavel als deze wordt ontwikkeld door of vanwege de Ontwikkelingsmaatschappij ruimte voor ruimte gelet op de in het verleden behaalde aanzienlijke winst van omgevingskwaliteit door toepassing van de Regeling beëindiging veehouderijtakken. Lid 4

27

Het derde lid vervalt indien uit door Gedeputeerde Staten bijgehouden gegevens blijkt dat er in totaal 3500 ruimte voor ruimte kavels door of vanwege de Ontwikkelingsmaatschappij ruimte voor ruimte zijn ontwikkeld. Tevens dient bij stedelijke ontwikkelingen in het landelijke gebied worden voorzien in een kwaliteitsverbetering. Artikel 3.9 ‘kwaliteitsverbetering landschap’ zegt hierover het volgende: Lid 1 Een bestemmingsplan dat een ruimtelijke ontwikkeling mogelijk maakt in Landelijk Gebied bepaalt dat die ruimtelijke ontwikkeling gepaard gaat met een fysieke verbetering van de landschappelijke kwaliteit van het gebied of de omgeving. Lid 2 Het bestemmingsplan motiveert dat de verbetering past binnen de gewenste ontwikkeling van het gebied én op welke wijze de uitvoering is geborgd door dat: a. dit financieel, juridisch en feitelijk is geborgd in het plan; of b. de afspraken uit het regionaal overleg, bedoeld in afdeling 5.4 Regionaal samenwerken, worden nagekomen. Lid 3 Een verbetering van de landschappelijke kwaliteit kan mede de volgende aspecten omvatten: a. de op grond van deze verordening verplichte landschappelijke inpassing; b. het toevoegen, versterken of herstellen van landschapselementen die een bijdrage leveren aan de versterking van de landschapsstructuur of de relatie stad-land; c.

het behoud of herstel van cultuurhistorisch waardevolle bebouwing of terreinen; d. het wegnemen van verharding; e. het slopen van bebouwing; f. de realisering van het Natuur Netwerk Brabant en ecologische verbindingszones; g. het aanleggen van extensieve recreatieve mogelijkheden. Lid 4 Ingeval er toepassing wordt gegeven aan het tweede lid onder b geldt dat een passende financiële bijdrage in een landschapsfonds is verzekerd én over de besteding van dat fonds periodiek verslag wordt gedaan in het regionaal overleg, bedoeld in afdeling 5.4 Regionaal samenwerken. Instructieregels gemeenten: stedelijke ontwikkeling en erfgoed Binnen het kaartbeeld ‘Instructieregels gemeenten: stedelijke ontwikkeling en erfgoed’ is het plangebied aangeduid als ‘Cultuurhistorisch waardevol gebied’. Dit is geïllustreerd in navolgend kaartbeeld.

28

De cultuurhistorische vlakken binnen de provincie verdienen specifieke aandacht vanwege de onvervangbaarheid ervan. De provincie wil de onvervangbare waarden beschermen in de Verordening. Het gaat om de cultuurhistorische vlakken in de cultuurhistorische landschappen zoals aangegeven op de Cultuurhistorische Waardenkaart (CHW, versie 3.0). Vanwege de aanduiding als ‘cultuurhistorisch waardevol vlak’ dient een bestemmingsplan: • mede gericht te zijn op het behoud, herstel of de duurzame ontwikkeling van de cultuurhistorische waarden en kenmerken van de onderscheiden gebieden; • regels te stellen ter bescherming van de cultuurhistorische waarden en kenmerken van de onderscheiden gebieden. Ter bescherming van de cultuurhistorische waarden en kenmerken is er een dubbelbestemming gelegd op het plangebied: ‘Waarde – Archeologie 4’. Hiermee is recht gedaan aan de waarden en kenmerken van het plangebied of daar aanwezige zaken, verband houdend met het bouwkundig erfgoed, het stedenbouwkundig erfgoed, de historische groenwaarden, het historisch-geografisch erfgoed en de bekende en verwachte archeologische waarden. Voor een inhoudelijke behandeling over de aspecten cultuurhistorie en archeologie wordt verwezen naar hoofdstuk 5 van deze plantoelichting.

Daar staat beschreven dat met het (bouw)plan geen inbreuk wordt gepleegd op de aanwezige cultuurhistorische waarden en kwaliteiten en dat de voorgenomen landschappelijke inpassing en bebouwing de onderkende landschappelijke en cultuurhistorische waarden en kwaliteiten zelfs positief zullen beïnvloeden. Instructieregels gemeenten: basiskaart landelijk gebied

29

Binnen het kaartbeeld ‘Instructieregels gemeenten: basiskaart landelijk gebied’ is het plangebied aangeduid als ‘Landelijk gebied’ en ‘Gemengd landelijk gebied’. Dit is geïllustreerd in navolgend kaartbeeld.

De aanduiding ‘Landelijk gebied’ heeft ook zijn plek binnen het eerder behandelde thema ‘Rechtstreeks werkende regels: landbouw’. Het ‘Landelijk gebied’ is een veelzijdige gebruiksruimte met functies zoals wonen, werken, (historische) landgoederen, recreatie en toerisme. De functies zijn zo ontwikkeld dat er ten alle tijden rekening wordt gehouden met omliggende functies en aanwezige omgevingskwaliteiten. Ten aanzien van gronden aangeduid als zijn ‘Gemengd landelijk gebied’ geldt dat een gemengde plattelandseconomie of een in hoofdzaak agrarische economie wordt nagestreefd met daarbij passende bestemmingen. Een planvoornemen dat is gelegen in gemengd landelijk gebied bepaalt dat alleen bestaande burgerwoningen, bedrijfswoningen of solitaire recreatiewoningen zijn toegestaan. De zelfstandige bewoning van bedrijfsgebouwen, al dan niet solitaire recreatiewoningen en andere niet voor bewoning bestemde gebouwen is uitgesloten.

In afwijking hiervan kan planvoornemen dat is gelegen binnen gemengd landelijk gebied voorzien in één of meerdere Ruimte-voor-Ruimtekavels, ieder ten behoeve van de bouw van één woning, indien er sprake is van een aanzienlijke milieu- en ruimtelijke kwaliteitswinst, de ruimte-voor-ruimtekavel op een planologisch aanvaardbare locatie in een bebouwingsconcentratie ligt, er een goede landschappelijke inpassing van de te bouwen woning is verzekerd en er geen sprake is van (een aanzet voor) een stedelijke ontwikkeling. Instructieregels gemeenten: specifieke gebieden voor agrarische ontwikkelingen Binnen het kaartbeeld ‘Instructieregels gemeenten: specifieke gebieden voor agrarische ontwikkelingen’ is het plangebied aangeduid als ‘stalderingsgebied’. Dit is geïllustreerd in navolgend kaartbeeld.

30

De aanduiding ‘stalderingsgebied’ heeft enkel invloed op bestaande agrarische bedrijven. Onderhavig plan betreft de oprichting van woningen in een van de bebouwingsconcentraties in het het buitengebied van Schijndel. De uitgangspunten en regeling ten aanzien van staldering heeft hier geen invloed op, en andersom doet onderhavig planvoornemen geen afbreuk aan deze beleidsregels. Watersystemen, -veiligheid en -berging Binnen het kaartbeeld ‘Watersystemen, -veiligheid en -berging’ is het plangebied aangeduid als ‘norm wateroverlast buiten Stedelijk gebied’. Dit is geïllustreerd in navolgend kaartbeeld.

31

Elke plek heeft een aanduiding welke iets regelt ten aanzien van omgang met water. Onderhavig plangebied is gelegen in het buitengebied van Schijndel. De norm ten aanzien van wateroverlast buiten stedelijk gebied is hier dan ook op van toepassing. Met het oog op de bergings- en afvoercapaciteit waarop regionale wateren moeten zijn ingericht, geldt buiten stedelijk gebied, als norm een overstromingskans van: • 1/100 per jaar voor gebieden met de ruimtelijke bestemming hoofdinfrastructuur en spoorwegen; • 1/50 per jaar voor glastuinbouw en hoogwaardige land- en tuinbouw; • 1/25 per jaar voor akkerbouw; • 1/10 per jaar voor grasland. Voor bebouwing die is gelegen buiten stedelijk gebied geldt de norm van het omringende landgebruik. De gestelde norm betreft een inspanningsverplichting. Onderhavig planvoornemen heeft een verandering van de verharding tot gevolg. Daarnaast worden de delen die vrijkomen door tenietdoening van overtollige bebouwing natuurlijk ingericht, waarbij de infiltratiecapaciteit binnen het plangebied wijzigt. Het woningbouwplan wordt mede voorzien van een watertoets. Hierin is de inspanningsverplichting opgenomen en is een verdere verantwoording gegeven over de omgang met het water. In hoofdstuk 7 is hier meer aandacht voor.

Doorwerking plan(gebied) Onderhavig planvoornemen behelst de sloop van bestaande opstallen, het behoud van een bestaande woning en de oprichting van drie Ruimte-voor-Ruimte woningen in het landelijk gebied. De nieuwe woningen worden, conform een opgesteld landschappelijk inpassingsplan, op zorgvuldige wijze ingepast. Binnen de kaders van de provinciale re-

32

gelgeving is de oprichting van een nieuwe woning mogelijk, mits voldaan wordt aan de voorwaarden zoals opgesteld in de artikelen 3.9 en 3.80 van de Interim Omgevingsverordening. Deze regels hebben onder meer betrekking op het volume, oppervlakte en vormgeving van de woning en stellen voorwaarden aan de kwaliteit van het plangebied in relatie tot de omgeving. Met onderhavig planvoornemen wordt hier aan voldaan. Dit blijkt onder meer uit de toelichting in hoofdstuk 3 van de toelichting van dit bestemmingplan en de tot het bestemmingplan behorende landschappelijke inpassingsplan (bijlage 2). Hierna wordt – steeds vetgedrukt – gemotiveerd dat voldaan is/wordt aan de gestelde voorwaarden in artikel 3.80 van de Interim omgevingsverordening: Lid 1:

De tekst is automatisch uit het bestand gehaald en kan afwijken van het origineel (kolommen, tabellen en koppen lopen door elkaar). Het officiële stuk bij de gemeente is leidend. Bron: https://api1.ibabs.eu/publicdownload.aspx?site=Meierijstad&id=43326942-1a11-48cd-86d5-d6219cfb471d