CConstaterende datMeierijstad
Koppel je AI →
Document · PDF

Bijlage 2: Toelichting Venushoek 38 - bijlage 4

Raadsvergadering 2 maart 2023, gemeente MeierijstadBij agendapunt: Vaststelling bestemmingsplan 'Landelijk Gebied, herziening Venushoek 38'13.318 woorden

Open het PDF bij de gemeente ↗Naar de vergadering →

Tekst van het document

Uit het bestand gehaald, zonder opmaak, tabellen en afbeeldingen · deel 2 van 2

-

Buiten broedseizoen (afhankelijk van of er broedgevallen zijn).

-

Richtlijn: half juli – half maart. Bij aanwezigheid van laatbroedende soorten: november – half maart.

-

Indien werkzaamheden plaatselijk ononderbroken doorlopen tot in het volgende broedseizoen dan is dat toegestaan mits zich geen vogels vestigen met een ongunstige staat van instandhouding.

De omgeving van het plangebied is (nog) rijk aan uilen. Belangrijk is dat het kleinschalige karakter van het landschap ter plekke behouden blijft zodat er voldoende foerageergebied blijft bestaan voor uilen en hun prooidieren. Om lokaal negatieve effecten te voorkomen dient de houtsingel zoveel mogelijk behouden te blijven en moet er met name voor worden gezorgd dat prooidieren zich veilig kunnen blijven verplaatsen door deze houtsingel. De kwaliteit van de houtwal kan worden verbeterd door het verwijderen van exoten, te zorgen voor een gevarieerdere soortensamenstelling (met name bes- en noten dragende planten) en een structuurrijke overgang te realiseren naar de lage vegetatie. Hier wordt nader op ingegaan bij de marterachtigen.

Er zijn verder geen jaarrond beschermde nesten aangetroffen die vallen in categorie 1-4.

35

7.4.2. Zoogdieren

KNAAGDIEREN Woelmuizen

INSECTENETERS Alle insecteneters die kunnen worden verwacht (met name spitsmuizen) zijn vrijgesteld volgens de Verordening natuurbescherming Noord-Brabant. Een overtreding van de verbodsbepalingen is daarom niet aan de orde. Wel is de zorgplicht van toepassing. VLEERMUIZEN Verblijfplaatsen van vleermuizen worden niet verwacht in de bomen langs de Venushoek die voor het verbeteren van het uitzicht van de nieuwe woningen zullen worden verwijderd. Ook in de te slopen gebouwen zijn geen geschikte mogelijkheden voor verblijfplaatsen. Omdat er wel foeragerende en langsvliegende dieren kunnen worden verwacht, moet de verstoring door licht worden geminimaliseerd. Dit kan door het nemen van de volgende maatregelen: -

Probeer in de periode april tot oktober overdag te werken, zodat er geen verstoring van foeragerende vleermuizen plaatsvindt door kunstlicht. Gebruik geen beveiligingsverlichting die de vliegroute van vleermuizen en de leefomgeving van nachtactieve dieren in de houtsingel tijdelijk verstoort. Als het toch noodzakelijk is om licht te gebruiken, gebruik dan lichtarmaturen die het licht naar bepaalde zijden blokkeert en gebruik vleermuisvriendelijk licht (amberkleurig licht). Bij de aanleg van permanente verlichting moet met dezelfde eisen rekening worden gehouden.

Daarnaast is het belangrijk dat er bij de bouw geen windbreekgaas of andere materialen waarin vleermuizen verstrikt kunnen raken worden gebruikt.

Er kan een aantal woelmuisachtigen worden verwacht op het terrein. Alle te verwachten woelmuisachtigen (aardmuis (Microtus agrestis), rosse woelmuis (Myodes glareolus) en veldmuis (Microtus arvalis) zijn echter vrijgesteld volgens de Verordening natuurbescherming Noord-Brabant. Een overtreding van de verbodsbepalingen is daarom niet aan de orde. Wel is de zorgplicht van toepassing. Ware muizen Er kan ook een aantal ware muizen worden verwacht op het terrein. Alle te verwachten ware muizen (bruine rat (Rattus norvegicus), zwarte rat (Rattus rattus), bosmuis (Apodemus sylvaticus), huismuis (Mus musculus), dwergmuis (Micromys minutus) zijn echter vrijgesteld volgens de Verordening natuurbescherming Noord-Brabant. Een overtreding van de verbodsbepalingen is daarom niet aan de orde. Wel is de zorgplicht van toepassing. HAASACHTIGEN Vaste rust- en verblijfplaatsen van haasachtigen zijn niet vastgesteld binnen de invloedsfeer van de werkzaamheden. Negatieve effecten zijn hiermee uitgesloten. Daarnaast zijn konijn (Oryctolagus cuniculus) en haas (Lepus europaeus) vrijgesteld volgens de Verordening natuurbescherming NoordBrabant. Wel is de zorgplicht van toepassing. ROOFDIEREN Hondachtigen Er kan worden gesteld dat het plangebied geen essentieel foerageergebied kan vormen voor de vos (Vulpes vulpes). Vaste rust- en verblijfplaatsen zijn niet gevonden en worden ook niet verwacht.

Het gebied is hiervoor te klein en er is te veel verstoring. Negatieve effecten zijn hiermee uitgesloten. De soort 36

is bovendien vrijgesteld volgens de Verordening ruimte van de Provincie Noord-Brabant. Marterachtigen In de directe omgeving komen verschillende marterachtigen voor. Vaste rusten verblijfplaatsen van bunzing (Mustela putorius), wezel (Mustela nivalis) en steenmarter (Martes foina) kunnen niet op voorhand worden uitgesloten in de geluidsluwe delen van de houtsingel. Omdat het daadwerkelijk aantonen van de aanwezigheid van kleine marterachtigen zeer moeilijk is, wordt meestal een worst case benadering gekozen als het landschap geschikt is voor deze soorten. Dat betekent dat ervan uit wordt gegaan dat soorten aanwezig zijn. Marters zijn gevoelig voor verstoring. Zeker in de periode dat voor jongen moet worden gezorgd, kan verstoring leiden tot negatieve effecten (periode 15 maart tot 1 september). Werkzaamheden waarbij de houtsingel binnen de invloedsfeer van de werkzaamheden komt te liggen, moeten daarom worden uitgevoerd buiten de kwetsbare periode. Dat betreft dan de periode van september tot half maart (Bouwens, 2017). Dit geldt dan voor de houtsingel in het oosten, noorden, westen en midden van het perceel. Alleen aan de wegzijde worden geen verblijfplaatsen verwacht. Hier is te veel verstoring door wegverkeer en is de houtsingel erg smal (< 2m). De totale hoeveelheid aan geschikt oppervlak bedraagt 0,25 ha.

Voor alle te verwachten marterachtigen betekent dit dat de oppervlakte te klein is om een volledig territorium te herbergen en dat het plangebied dus onderdeel uitmaakt van een groter territorium (zie tabel 5). Bij de voorgenomen ingreep zullen mogelijke verblijfplaatsen niet fysiek worden aangetast. Er kan dus alleen mogelijk sprake zijn van verstoring. Als die verstoring dermate groot is dat de verblijfplaats wordt verlaten, dan wordt dat gelijkgesteld aan een overtreding van art. 3.10 lid 1b Wnb waarin het verbod is vastgelegd om de vaste voortplantingsplaatsen of rustplaatsen van dieren opzettelijk te beschadigen of te vernielen. Er is geoordeeld dat, als er enige verstoring optreedt buiten de kwetsbare periode, er geen wezenlijke negatieve invloed zal zijn op eventuele aanwezige individuen en dat deze voldoende herstelmogelijkheden hebben om na uitvoering van de ingreep de houtwal weer te gebruiken. De redenen hiervoor zijn de volgende: -

de houtsingel blijft behouden en zal niet wezenlijk veranderen; de houtwal zal vanwege de oppervlakte slechts een klein deel van het totale territorium vormen;

alle marters hebben een netwerk aan vaste verblijfsplaatsen en wisselen daar regelmatig tussen; het netwerk aan verblijfplaatsen zal ook blijven functioneren tijdens de ingreep.

-

Tabel 6. Territoriumgrootte marterachtigen. Bron: Zoogdiervereniging.

Soort

Territoriumgrootte

Bunzing (Mustela putorius)

Onder optimale omstandigheden is de grootte minimaal 8 hectare voor een vrouwtje. Het gebied van mannetjes is veel groter dan dat van vrouwtjes en overlapt dat van een aantal vrouwtjes.

Hermelijn (Mustela erminea)

De hermelijn leeft solitair in territoria van tussen de 4 en 50 ha groot. Het vrouwtje heeft een leefgebied dat drie- tot viermaal zo klein is als die van het mannetje en heeft in een goed muizen-jaar mogelijk voldoende aan 2 hectare functioneel leefgebied. Een leefgebied van een mannetje overlapt dat van meerdere vrouwtjes.

Wezel (Mustela nivalis)

De grootte van de leefgebieden van het mannetje varieert van 1 tot 25 hectare afhankelijk van de hoeveelheid beschikbaar voedsel en is sterk begrensd. Het jachtgebied van een vrouwtje is aanzienlijk kleiner (1 tot 7 hectare) en minder scherp begrensd. Het territorium van mannetjes overlapt steeds dat van meerdere vrouwelijke dieren.

Steenmarter (Martes foina)

De grootte hangt af van de kwaliteit van het gebied waar de marter leeft. In Nederland bedraagt de grootte 80-700 hectare. Oudere steenmarters en steenmarters in de stad hebben kleinere leefgebieden. Dit komt omdat oudere dieren de betere leefgebieden hebben en dieren in de stad een gunstigere voedselsituatie hebben.

37

Bij de herinrichting van het terrein zal er wel voor moeten worden gezorgd dat de houtsingel even goed of beter gaat functioneren dan nu het geval is. Het valt daarom aan te bevelen om waar dit mogelijk is een bufferzone aan te houden van 3-6 meter langs de houtsingel. Deze zone moet extensief worden beheerd zodat er gedurende het jaar een kruidenrijke vegetatie kan ontstaan waardoor er voor een aantal prooidieren van marterachtigen een goed biotoop ontstaat. Het wordt ook aanbevolen om veel exotische beplanting geleidelijk te verwijderen uit de houtsingel, zodat deze op termijn uit een meer natuurlijke soortensamenstelling bestaat. Dit moet zodanig worden uitgevoerd dat dieren zich veilig in de dekking van de vegetatie kunnen blijven verplaatsen en worden uitgevoerd buiten de kwetsbare periode van kleine marterachtigen en overige soorten. EENHOEVIGEN Vaste rust- en verblijfplaatsen evenhoevigen zijn niet te verwachten. Negatieve effecten zijn hiermee uitgesloten.

7.4.3. Vaatplanten en mossen Er zijn geen beschermde vaatplanten en mossen waargenomen of te verwachten. Negatieve effecten zijn hiermee uitgesloten.

soorten zijn vrijgesteld volgens de Verordening natuurbescherming NoordBrabant. Een overtreding van de verbodsbepalingen is daarom niet aan de orde. Wel is de zorgplicht van toepassing. Slachtoffers kunnen het beste worden voorkomen door de rommel op te ruimen als de meeste amfibieën weer naar het voortplantingshabitat zijn getrokken (begin april) of door bij het opruimen rekening te houden met aanwezige individuen.

7.4.6. Reptielen Er zijn geen beschermde reptielen waargenomen of te verwachten. Negatieve effecten zijn hiermee uitgesloten.

7.4.7. Libellen, dagvlinders en macro-nachtvlinders Beschermde libellen, dagvlinders en macro-nachtvlinders zijn niet te verwachten binnen het plangebied. Negatieve effecten zijn hiermee uitgesloten.

7.4.8. Overige beschermde insecten Overige beschermde insecten zijn niet te verwachten binnen het plangebied. Negatieve effecten zijn hiermee uitgesloten.

7.4.4. Vissen en zoetwaterweekdieren Vanwege het ontbreken van een waterhabitat kunnen vissen en zoetwaterweekdieren worden uitgesloten. Negatieve effecten zijn hiermee uitgesloten.

7.4.5. Amfibieën Amfibieën kunnen worden verwacht in de houtsingel, buiten de invloedsfeer van de werkzaamheden. Ook kunnen individuen zich in de winter verscholen hebben tussen het puin/rommel op het buitenterrein. De te verwachten 38

7.5.

Effecten op beschermde natuurgebieden

Natura 2000-gebieden Natura 2000-gebieden worden direct beschermd via de Wnb. Plannen, projecten en overige handelingen mogen geen negatieve effecten hebben op de instandhoudingsdoelen van deze gebieden. Gezien de aard van de werkzaamheden en de afstand tot beschermde Natura 2000-gebieden kan alleen redelijkerwijs een mogelijk negatief effect worden verwacht door de uitstoot van stikstof (zie ook tabel 6). Voor de sloop van de gebouwen en de bouw van de woningen worden mobiele werktuigen, werkbussen en vrachtverkeer ingezet. Deze voertuigen stoten stikstof uit. De hoeveelheid stikstof die wordt uitgestoten is afhankelijk van de emissiewaarden van de voertuigen. De stikstofdepositie die hierdoor ontstaat, kan mogelijk negatieve effecten hebben op de instandhoudingsdoelen van de Natura 2000-gebieden. Op basis van de gegevens uit de ‘Handreiking woningbouw en AERIUS’ en de afstand van het plangebied tot beschermde natura 2000-gebieden valt aan te nemen dat er geen significant negatief effect is te verwachten op de instandhoudingsdoelstellingen van de Natura 2000-gebieden (zie ook figuur 36 op pagina 40). Echter, om juridisch zeker te zijn dat het project daadwerkelijk geen significante depositie in natuurgebieden veroorzaakt is het noodzakelijk het initiatief te toetsen in AERIUS.

Tabel 7. Toetsing van mogelijke negatieve effecten van het project op Natura 2000gebieden Mogelijke negatieve effecten

Effect kan Toelichting optreden?

Oppervlakteverlies

Nee

N.v.t.

Versnippering

Nee

N.v.t.

Verzuring door stikstof uit de lucht

Nee

Stikstofdepositie niet significant

Vermesting door stikstof uit de lucht

Nee

Stikstofdepositie niet significant

Verzoeting

Nee

N.v.t.

Verzilting

Nee

N.v.t.

Verontreiniging

Nee

N.v.t.

Verdroging

Nee

N.v.t.

Vernatting

Nee

N.v.t.

Verandering stroomsnelheid

Nee

N.v.t.

Verandering overstromingsfrequentie

Nee

N.v.t.

Verandering dynamiek substraat

Nee

N.v.t.

Verstoring door geluid

Nee

N.v.t.

Verstoring door licht

Nee

N.v.t.

Verstoring door trilling

Nee

N.v.t.

Optische verstoring

Nee

N.v.t.

Verstoring door mechanische effecten

Nee

N.v.t.

Verandering in populatiedynamiek

Nee

N.v.t.

Bewuste verandering soortensamenstelling

Nee

N.v.t.

39

Natuurnetwerk Nederland (NNN) Voor het Natuurnetwerk Nederland (NNN) geldt het toetsingskader van het Besluit algemene regels ruimtelijke ordening (Barro). Hierin is ‘nee, tenzij’ beginsel opgenomen. Directe of indirecte aantasting van de aanwezige natuur- en landschapswaarden door een ingreep binnen het NNN dient waar mogelijk te worden voorkomen. Het plangebied valt niet binnen het NNN, waardoor het hiervoor genoemde toetsingskader niet van toepassing is. Wel is ‘externe werking’ van toepassing in de Provincie Noord-Brabant. Er dient dus te worden beoordeeld of er sprake is van een directe of indirecte aantasting van de aanwezige natuur- en landschapswaarden door de ingreep. Gezien de aard van de ingreep en de afstand tot het NNN is hier geen sprake van en worden geen negatieve effecten op het NNN verwacht.

Figuur 35. Indicatieve depositie (mol/ha/jaar) als functie van de afstand tussen de woningen en het natuurgebied. Op basis van deze gegevens mag worden verwacht dat bij een aftand van 11 kilometer en de bouw en gebruik van vier woningen de stikstofdepositie niet significant is. Echter, om juridisch zeker te zijn dat het project daadwerkelijk geen depositie in natuurgebieden veroorzaakt, is het noodzakelijk om ieder initiatief te toetsen in AERIUS. Op 15 oktober 2020 is Aerius geactualiseerd. Het betreft een jaarlijkse actualisatie van de rekenmethodiek. Het kan daardoor voorkomen dat de afstanden in de ‘Handreiking woningbouw en Aerius’, niet meer overeenkomen. Het ministerie van BZK bekijkt op dit moment of nader onderzoek noodzakelijk is. Bron: Handreiking woningbouw en AERIUS.

40

8

Conclusies en aanbevelingen

In tabel 7 is concreet aangegeven wanneer welke werkzaamheden uitgevoerd mogen worden zodat er geen negatief effect optreedt op vogels.

In dit hoofdstuk worden de conclusies uit de ecologische quickscan beschreven. Hierbij wordt een indeling naar beschermingsregime gebruikt.

Tabel 8. Perioden waarin gewerkt kan worden om het effect van verstoring te minimaliseren.

Daarnaast worden aanbevelingen gedaan om na de ontwikkeling de geschiktheid van de houtsingel voor beschermde soorten te verbeteren.

Werkzaamheden die verstorend werken op:

Uitvoeren binnen periode/ overige eisen

Broedvogels in houtsingel

-

Buiten broedseizoen (afhankelijk van of er broedgevallen zijn of niet).

-

Richtlijn: half juli – half maart. Bij aanwezigheid van laatbroedende soorten: november – half maart.

-

Indien werkzaamheden plaatselijk ononderbroken doorlopen tot in het volgende broedseizoen dan is dat toegestaan, mits zich geen vogels vestigen met een ongunstige staat van instandhouding.

8.1.

Conclusies

Beschermingsregime soorten Vogelrichtlijn Een aantal algemeen voorkomende vogels kunnen mogelijk als broedvogel worden verwacht in de houtsingel. Om een overtreding van de Wnb te voorkomen, dienen werkzaamheden die verstorend werken op de houtsingel daarom buiten het broedseizoen te worden gestart. Bepalend hierbij is of er een broedgeval is of niet. Vanwege de aanwezigheid van laatbroedende soorten als houtduif moet op sommige plaatsen rekening gehouden worden met een lang broedseizoen. Gezien de grootte van het plangebied kan dit betekenen dat buiten het standaard broedseizoen (15 maart – 15 juli) op bepaalde delen wel gewerkt kan worden en bepaalde delen niet. Een deskundig ecoloog kan bepalen waar laatbroeden soorten wel of niet broeden. Als de werkzaamheden doorlopen tot in het volgende broedseizoen, dan worden er geen verbodsbepalingen overtreden. Dit geldt dan alleen voor die delen van de houtsingel waar de verstoring ononderbroken door is gegaan. Vogels zullen zich ofwel niet vestigen of er is gewenning opgetreden aan de verstoring waardoor negatieve effecten zijn uitgesloten. Er zijn geen negatieve effecten te verwachten vogelsoorten met een jaarrond beschermd nest. Voor vogels die in de omgeving afhankelijk zijn van het behoud van het kleinschalige landschap (uilen) is het wel noodzakelijk om te zorgen dat de dit kleinschalige karakter behouden blijft.

De houtwal dient daarom te worden behouden en te worden versterkt.

Uilen

-

Behouden van en versterken van de houtwal.

Beschermingsregime soorten Habitatrichtlijn Van soorten die worden beschermd onder de Habitatrichtlijn zijn alleen vleermuizen te verwachten. Verblijfplaatsen van vleermuizen worden niet verwacht in de bomen en in de gebouwen in het plangebied. Wel zullen vleermuizen foerageren op het terrein. De houtsingel en met name de laanbeplanting van de Venushoek zal waarschijnlijk functioneren als vliegroute. Naast de Venushoek biedt alleen de Langstraat door de aaneengesloten structuren een mogelijkheid voor vleermuizen om zich door het landschap te verplaatsen. De laanbeplanting van de Venushoek kan daarom ook fungeren als een essentiële vliegroute.

41

Omdat er wel foeragerende en langsvliegende dieren kunnen worden verwacht, moet de verstoring door licht worden geminimaliseerd. Dit kan door het nemen van de volgende maatregelen:

-

Probeer in de periode april tot oktober overdag te werken, zodat er geen verstoring van foeragerende vleermuizen plaatsvindt door kunstlicht. Gebruik geen beveiligingsverlichting die de vliegroute van vleermuizen en de leefomgeving van nachtactieve dieren in de houtsingel tijdelijk verstoort. Als het toch noodzakelijk is om licht te gebruiken, gebruik dan lichtarmaturen die het licht naar bepaalde zijden blokkeert en gebruik vleermuisvriendelijk licht (amberkleurig licht). Bij de aanleg van permanente verlichting moet met dezelfde eisen rekening worden gehouden.

-

-

de houtsingel blijft behouden en zal niet wezenlijk veranderen; de houtwal zal vanwege de oppervlakte slechts een klein deel van het totale territorium vormen; alle marters hebben een netwerk aan vaste verblijfsplaatsen en wisselen daar regelmatig tussen; het netwerk aan verblijfplaatsen zal ook blijven functioneren tijdens de ingreep.

-

Bij de inrichting van het terrein wordt aanbevolen om een bufferzone van 3-6 meter aan te houden langs de houtsingel moeten om deze goed te laten functioneren voor marterachtigen. Deze zone moet zo worden beheerd dat er een kruidenrijke vegetatie ontstaat waarin prooisoorten van marterachtigen voldoende voedsel kunnen vinden. Zorgplicht

Daarnaast is het belangrijk dat er bij de bouw geen windbreekgaas of andere materialen waarin vleermuizen verstrikt kunnen raken, worden gebruikt. Beschermingsregime andere soorten In de directe omgeving komen verschillende marterachtigen voor. Vaste rusten verblijfplaatsen van bunzing (Mustela putorius), wezel (Mustela nivalis) en steenmarter (Martes foina) kunnen niet op voorhand worden uitgesloten in de geluidsluwe delen van de houtsingel. Omdat het daadwerkelijk aantonen van de aanwezigheid van kleine marterachtigen zeer moeilijk is, wordt een worst case benadering gekozen. Dat betekent dat ervan uit wordt gegaan dat soorten aanwezig zijn. Marters zijn gevoelig voor verstoring. Zeker in de periode dat voor jongen moet worden gezorgd, kan verstoring leiden tot negatieve effecten (periode 15 maart tot 1 september). Om een overtreding va de verbodsbepalingen te voorkomen dienen werkzaamheden waarbij de houtsingel binnen de invloedsfeer van de werkzaamheden komt te liggen te worden uitgevoerd buiten de kwetsbare periode. Dat betreft dan de periode van september tot half maart. Er is namelijk geoordeeld dat, als er enige verstoring optreedt buiten de kwetsbare periode, er geen wezenlijke negatieve invloed zal zijn op eventuele aanwezige individuen en dat deze voldoende herstelmogelijkheden hebben om na uitvoering van de ingreep de houtwal weer te gebruiken.

De redenen hiervoor zijn de volgende:

Voor soorten die zijn vrijgesteld, geldt wel de zorgplicht. Dit betekent dat er maatregelen moeten worden genomen om negatieve effecten zoveel mogelijk te voorkomen, te beperken of ongedaan te maken. Maatregelen die genomen kunnen worden zijn: -

Let continue op aanwezige individuen binnen het werkterrein (denk aan algemeen voorkomende amfibieën en zoogdieren) en verplaats deze naar een vergelijkbare, veilige plek buiten de invloedssfeer van de werkzaamheden.

-

Bij grondwerkzaamheden moet er één kant op moet worden gewerkt, zodat soorten de kans krijgen om te vluchten. Bij voorkeur richting de houtsingel

Gebiedsbescherming Er worden geen negatieve effecten verwacht op Natura 2000-gebieden. Het is het zeer aannemelijk is dat er ook geen negatief effect is als gevolg van stikstofdepositie. Om echter juridisch zeker te zijn dat het project daadwerkelijk geen significante depositie in natuurgebieden veroorzaakt, is het noodzakelijk het initiatief te toetsen in AERIUS.

42

Het plangebied valt niet binnen het NNN en er worden ook geen negatieve effecten verwacht op het NNN.

8.2.

Aanbevelingen

Veel soorten als kleine marterachtigen en uilen zijn gebaat bij een kleinschalig “rommelig” landschap met veel lijnvormige elementen. Door het bevorderen van rommelhoekjes, takkenbossen, steenhopen, overhoekjes, houtwallen, etc. kan het aantal geschikte nestplaatsen en leefmogelijkheden van de marterachtigen sterk worden bevorderd. De voedselsituatie kan worden verbeterd door een begroeiing van bes- en noten dragende planten (voor de omnivore soorten) en de aanwezigheid van fauna en kruidenrijk grasland. Het landschapsontwikkelingsplan zal hier verdere invulling aan kunnen geven. Het wordt ook aanbevolen om veel exotische beplanting geleidelijk te verwijderen uit de houtsingel, zodat deze op termijn uit een meer natuurlijke soortensamenstelling bestaat. Dit moet zodanig worden uitgevoerd dat dieren zich makkelijk in de dekking van de vegetatie kunnen blijven verplaatsen en buiten de kwetsbare periode van kleine marterachtigen en overige soorten.

43

9

Bronvermeldingen

BIJ12. (2017 versie 1.0, 7). Kennisdocument Levendbarende hagedis Zootoca vivipara. Opgehaald van Kennisdocument Soorten Natuurbescherming: https://www.bij12.nl/assets/BIJ12-2017-012Kennisdocument-Levendbarende-hagedis-1.0.pdf

Twisk, P., Van Diepenbeek, A., & Bekker, J. (2010). Veldgids Europese zoogdieren. KNNV Uitgeverij. Websites www.bij12.nl

BIJ12. (2017, versie 1.0). Kennisdocument Gierzwaluw Apus apus. Opgehaald van Kennisdocumenten Soorten – Natuurbescherming.

www.vleermuis.net

Bouwens, S. (2017). Handreiking kleine marterachtigen in relatie tot soortbescherming - Provincie Noord-Brabant. Zoogdiervereniging. Opgehaald van https://www.zoogdiervereniging.nl/sites/default/files/imce/nieuwesite/0 verigen/downloads/15908%20Handreiking%20kleine%20Marters%20 DIGITAAL.pdf

www.zoogdiervereniging.nl

Henkens, R., Jochem, R., Jonkers, D., de Molenaar, J., Pouwels, R., Reijnen, M., . . . de Vries, S. (2003). Verkenning van het effect van recreatie op broedvogels - literatuurstudie en koppeling modellen FORVISITS en LARCH (Werkdocument / Planbureau-werk in uitvoering; No. 2003/29). Wageningen: Natuurplanbureau. Opgehaald van https://edepot.wur.nl/41665

www.vlinderstichting.nl

Kleijn, D. (2008). Effecten van geluid op wilde soorten - implicaties voor soorten betrokken bij de aanwijzing van natura 2000 gebieden. Wageningen: Alterra.

www.waarneming.nl www.floron.nl www.sovon.nl www.ravon.nl www.eis-nederland.nl www.verspreidingsatlas.nl www.zoogdieratlas.nl www.nederlandsesoorten.nl www.wetten.overheid.nl www.ndff.nl/overdendff/validatie/protocollen

Krijgsveld, K., Smits, R., & Winden, J. v. (2008). Verstoringsgevoeligheid van vogels - Update literatuurstudie naar de reacties van vogels. Vogelbescherming nederland.

www.atlasleefomgeving.nl

NDFF. (sd). NDFF verspreidingsatlas. Opgehaald van www.verspreidingsatlas.nl

https://cdr.eionet.europa.eu/nl/eu/art17 (nationale rapportage Habitatrichtlijn 2019)

NDFF. (sd). Overzicht protocollen. Opgehaald van Protocollen: https://www.ndff.nl/overdendff/validatie/protocollen/overzichtprotocollen/

https://cdr.eionet.europa.eu/nl/eu/art12 (nationale rapportage Vogelrichtlijn 2019)

https://calculator.aerius.nl

Netwerk Groene Bureaus, werkgroep 'Standaarden en protocollen'. (Juli 2017). Soortinventarisatieprotocollen in het kader van de Wet natuurbescherming. Opgehaald van www.netwerkgroenebureaus.nl Rijksoverheid. (2020). Handreiking woningbouw en AERIUS. 44

Bijlage 1

Mogelijk te verwachten beschermde soorten Wnb

Hieronder volgt een overzicht van waargenomen beschermde soorten binnen een straal van 10 km van het plangebied. Met de indicatie ‘mogelijk te verwachten’ wordt een beoordeeld of de soort een mogelijke vaste rust- en of verblijfplaats heeft binnen de invloedsfeer van de ingreep. Tabel 9. Mogelijk te verwachten beschermde soorten Wnb binnen 1 km van het plangebied. Bron: ' '© NDFF - quickscanhulp.nl 4 november 2020. Soort

Soortgroep

Beschermings-regime

Mogelijk te verwachten

grote vos

Dagvlinders

Wnb-andere soorten

Nee

teunisbloempijlstaart

Nachtvlinders

Wnb-hrl

Nee

Boomvalk

Vogels

Wnb-vrl

Nee

Buizerd

Vogels

Wnb-vrl

Nee

Gierzwaluw

Vogels

Wnb-vrl

Nee

Grote Gele Kwikstaart

Vogels

Wnb-vrl

Nee

Havik

Vogels

Wnb-vrl

Nee

Huismus

Vogels

Wnb-vrl

Ja

Kerkuil

Vogels

Wnb-vrl

Nee

Ooievaar

Vogels

Wnb-vrl

Nee

Roek

Vogels

Wnb-vrl

Nee

Sperwer

Vogels

Wnb-vrl

Nee

Steenuil

Vogels

Wnb-vrl

Ja

Eekhoorn

Zoogdieren

Wnb-andere soorten

Nee

Egel

Zoogdieren

Wnb-andere soorten

Ja

Gewone dwergvleermuis

Zoogdieren

Wnb-hrl

Ja

Ruige dwergvleermuis

Zoogdieren

Wnb-hrl

Ja

Vrijgesteld

Ja

45

Tabel 10. Mogelijk te verwachten beschermde soorten Wnb tussen 1 – 5 km van het plangebied. Bron: '© NDFF - quickscanhulp.nl 4 november 2020. Soort

Soortgroep

Beschermings-regime

Mogelijk te verwachten

Vrijgesteld

Bastaardkikker

Amfibieën

Wnb-andere soorten

Nee

Ja

Kamsalamander

Amfibieën

Wnb-hrl

Nee

Poelkikker

Amfibieën

Wnb-hrl

Nee

grote weerschijnvlinder

Dagvlinders

Wnb-andere soorten

Nee

iepenpage

Dagvlinders

Wnb-andere soorten

Nee

kleine ijsvogelvlinder

Dagvlinders

Wnb-andere soorten

Nee

Vermiljoenkever

Geleedpotigen

Wnb-hrl

Nee

Bosbeekjuffer

Libellen

Wnb-andere soorten

Nee

Hazelworm

Reptielen

Wnb-andere soorten

Nee

Levendbarende hagedis

Reptielen

Wnb-andere soorten

Nee

Muurhagedis

Reptielen

Wnb-hrl

Nee

Dreps

Vaatplanten

Wnb-andere soorten

Nee

Kluwenklokje

Vaatplanten

Wnb-andere soorten

Nee

Grote modderkruiper

Vissen

Wnb-andere soorten

Nee

Oehoe

Vogels

Wnb-vrl

Nee

Ransuil

Vogels

Wnb-vrl

Nee

Slechtvalk

Vogels

Wnb-vrl

Nee

Wespendief

Vogels

Wnb-vrl

Nee

Zwarte Wouw

Vogels

Wnb-vrl

Nee

Bever

Zoogdieren

Wnb-hrl

Nee

Boommarter

Zoogdieren

Wnb-andere soorten

Nee

Bunzing

Zoogdieren

Wnb-andere soorten

Ja

Damhert

Zoogdieren

Wnb-andere soorten

Nee

Das

Zoogdieren

Wnb-andere soorten

Nee

Gewone grootoorvleermuis

Zoogdieren

Wnb-hrl

Ja

46

Soort

Soortgroep

Beschermings-regime

Mogelijk te verwachten

Vrijgesteld

Gewone/Kleine dwergvleermuis

Zoogdieren

Wnb-hrl

Ja

Laatvlieger

Zoogdieren

Wnb-hrl

Ja

Rosse vleermuis

Zoogdieren

Wnb-hrl

Ja

Rosse woelmuis

Zoogdieren

Wnb-andere soorten

Ja

Steenmarter

Zoogdieren

Wnb-andere soorten

Ja

Waterspitsmuis

Zoogdieren

Wnb-andere soorten

Nee

Wezel

Zoogdieren

Wnb-andere soorten

Ja

Wild zwijn

Zoogdieren

Wnb-andere soorten

Nee

Ja

Woelrat

Zoogdieren

Wnb-andere soorten

Ja

Ja

Ja

Tabel 11. Mogelijk te verwachten beschermde soorten Wnb tussen 5 –10 km van het plangebied. Bron: '© NDFF - quickscanhulp.nl 4 november 2020. Soort

Soortgroep

Beschermings-regime

Mogelijk te verwachten

Alpenwatersalamander

Amfibieën

Wnb-andere soorten

Nee

Boomkikker

Amfibieën

Wnb-hrl

Nee

Heikikker

Amfibieën

Wnb-hrl

Nee

Beekrombout

Libellen

Wnb-andere soorten

Nee

Gevlekte witsnuitlibel

Libellen

Wnb-hrl

Nee

Sierlijke witsnuitlibel

Libellen

Wnb-hrl

Nee

Speerwaterjuffer

Libellen

Wnb-andere soorten

Nee

Stijve wolfsmelk

Vaatplanten

Wnb-andere soorten

Nee

Bosvleermuis

Zoogdieren

Wnb-hrl

Ja

Edelhert

Zoogdieren

Wnb-andere soorten

Nee

Franjestaart

Zoogdieren

Wnb-hrl

Ja

Gewone/Grijze grootoorvleermuis

Zoogdieren

Wnb-hrl

Ja

Gewone/Kleine/Ruige dwergvleermuis

Zoogdieren

Wnb-hrl

Ja

Hermelijn

Zoogdieren

Wnb-andere soorten

Nee

Ondergrondse woelmuis

Zoogdieren

Wnb-andere soorten

Ja

Vrijgesteld

Ja

47

Bijlage 2

Verordening natuurbescherming Noord-Brabant (ruimtelijke ingrepen)

In de tabel 8 zijn de soorten te vinden die in Noord-Brabant zijn vrijgesteld bij ruimtelijke ingrepen. Tabel 12. Bijlage 3 behorende bij de Verordening natuurbescherming Noord-Brabant. Soorten als bedoeld in artikel 2.2, eerste lid, onder a Nederlandse naam

Wetenschappelijke naam

Zoogdieren Aardmuis

Microtus agrestis

Bosmuis

Apodemus sylvaticus

Dwergmuis

Micromys minutus

Dwergspitsmuis

Sorex minutus

Egel

Erinaceus europaeus

Gewone bosspitsmuis

Sorex araneus

Haas

Lepus europeus

Huisspitsmuis

Crocidura russula

Konijn

Oryctolagus cuniculus

Ondergrondse woelmuis

Pitymys subterraneus

Ree

Capreolus capreolus

Rosse woelmuis

Clethrionomys glareolus

Tweekleurige bosspitsmuis

Sorex coronatus

Veldmuis

Microtus arvalis

Vos

Vulpes vulpes

Woelrat

Arvicola terrestris

Amfibieën Bruine kikker

Rana temporaria

Gewone pad

Bufo bufo

Kleine watersalamander

Triturus vulgaris

Meerkikker

Rana ridibunda

Middelste groene kikker

Rana esculenta

48

Bijlage 3

Waargenomen plantensoorten

In de tabellen hieronder staan de waargenomen plantensoorten vermeld. Er is geen vegetatieopname gemaakt dus deze lijst geeft geen volledig beeld van de soortensamenstelling binnen het plangebied. Het geeft hooguit een indruk van de soortensamenstelling. Tabel 13. Waargenomen soorten in de houtsingel.

Tabel 14. Waargenomen soorten in het grasland en de verruigde delen Soort

Wetenschappelijke naam

Smalle weegbree

Plantago lanceolata

Engels raaigras

Lolium perenne

Duizendblad

Achillea millefolium

Gewoon biggenkruid

Hypochaeris radicata

Zachte ooievaarsbek

Geranium molle

Klein streepzaad

Crepis capillaris

Soort

Wetenschappelijke naam

Canadese fijnstraal

Erigeron canadensis

Westerse levensboom

Thuja occidentalis

Gewone melkdistel

Sonchus oleraceus

Californische cipres

Chamaecyparis lawsoniana

Zwarte nachtschade

Solanum nigrum

Portugese laurier

Prunus lusitanica 'Angustifolia'

Bezemkruiskruid

Senecio inaequidens

Koreaanse zilverspar

Abies koreana

Luzerne

Medicago sativa

Weymouthden

Pinus strobus

Bijvoet

Artemisia vulgaris

Amerikaanse eik

Quercus rubra

Grote weegbree

Plantago major subsp. major

Okkernoot

Juglans regia

Speerdistel

Cirsium vulgare

Hulst

Ilex aquifolium

Akkerdistel

Cirsium arvense

Fijnspar

Picea abies

Gewone reigersbek

Erodium cicutarium subsp. cicutarium

Zwarte els

Alnus glutinosa

Koningskaars

Verbascum thapsus

Beuk

Fagus sylvatica

Gewone klit

Arctium minus

Ruwe berk

Betula pendula

Grote teunisbloem

Oenothera glazioviana

Zomereik

Quercus robur

Boerenwormkruid

Tanacetum vulgare

Wilde kardinaalsmuts

Euonymus europaeus

Ridderzuring

Rumex obtusifolius

Hondsroos

Rosa canina

Braam (G)

Rubus

.

49

De tekst is automatisch uit het bestand gehaald en kan afwijken van het origineel (kolommen, tabellen en koppen lopen door elkaar). Het officiële stuk bij de gemeente is leidend. Bron: https://api1.ibabs.eu/publicdownload.aspx?site=Meierijstad&id=c2ff0cac-45db-4bc0-8db5-2c7ea9efadcf