Bijlage 2: Toelichting Venushoek 38 - bijlage 4
Tekst van het document
Ecologische quickscan Venushoek 38 Schijndel in het kader van de Wet natuurbescherming
Colofon Tekst, foto's en samenstelling
S. Bakker
Rapportnummer
EQ2049
Status rapport
Definitief
Datum oplevering rapport
29-6-2021
Aantal pagina's
49
Wijze van citeren
S. Bakker, 2020, Ecologische quickscan Venushoek 38 - Schijndel, in het kader van de Wet natuurbescherming, rapportnummer EQ2049
1
1
Inhoudsopgave 9
1
Inhoudsopgave ........................................................................................... 2
2
Leeswijzer ................................................................................................... 3
3
Inleiding ....................................................................................................... 4
4
Werkwijze .................................................................................................... 5
5
Wet- en regelgeving ................................................................................... 6
6
Omschrijving plangebied ........................................................................ 10
7
Effecten van de ingreep en toetsing aan de wet natuurbescherming 30
8
Conclusies en aanbevelingen ................................................................. 41
Bronvermeldingen .................................................................................... 44
2
2
Leeswijzer
In hoofdstuk 3 wordt een beschrijving gegeven van de beoogde ruimtelijke ingreep van de opdrachtgever en de doelen van het ecologisch onderzoek. In hoofdstuk 4 wordt beschreven welke werkwijze is gevolgd bij het uitvoeren van de ecologische quickscan. In hoofdstuk 5 wordt ingegaan op de Wet natuurbescherming en wordt in algemene bewoordingen aangegeven waar rekening mee moet worden gehouden bij de uitvoering van ruimtelijke ingreep. In hoofdstuk 6 wordt het plangebied beschreven en de ligging ten opzichte van beschermde natuurgebieden. Er wordt een inschatting gemaakt welke beschermde soorten mogelijk voorkomen op basis van literatuuronderzoek en de fysieke bezoeken aan het plangebied. In hoofdstuk 7 wordt een beschrijving gegeven van de voorgenomen activiteiten van de ingreep en worden de effecten van de voorgenomen ingreep op flora en fauna beschreven. Deze effecten worden vervolgens getoetst aan de wet natuurbescherming. Afsluitend komen in hoofdstuk 8 de conclusies uit de ecologische quickscan aan bod.
3
3
Inleiding
De heer Van Kasteren heeft het voornemen om het perceel gelegen aan de Venushoek 38 in Schijndel te herontwikkelen. Omdat de uitvoering van deze ingreep mogelijk negatieve effecten heeft op beschermde soorten en beschermde gebieden heeft de Gemeente Meierijstad, waar Schijndel onder valt, verzocht om een ecologische quickscan uit te voeren. Met dit rapport wordt aan deze vraag voldaan.
3.1.
Is er eventueel een verdiepend onderzoek noodzakelijk? Zo ja: •
Naar welke soorten en functies dient eventueel aanvullend onderzoek plaats te vinden?
Doel van de ecologische quickscan
In dit oriënterend onderzoek worden de volgende vragen beantwoord: Vindt het initiatief plaats op een locatie waar (mogelijk) beschermde dier- en/of plantensoorten voorkomen of functies voor deze soorten worden vervuld? Zo ja: •
Welke beschermde dier- en/of plantensoorten komen op of rond deze locatie voor?
•
Welk beschermingsregime is van toepassing is op deze soorten?
•
Ondervinden die soorten schadelijke effecten van de ingreep?
•
Kunnen schadelijke effecten worden voorkomen door ingrepen op een aangepaste wijze uit te voeren?
•
Is er sprake van een overtreding van de verbodsbepalingen van beschermde soorten?
Heeft de ingreep negatieve effecten op een beschermd natuurgebied? Zo ja: •
Wat zijn de instandhoudingsdoelen van het gebied?
•
Heeft de handeling significante gevolgen voor dat gebied?
•
Is er sprake van een overtreding van de verbodsbepalingen van beschermde gebieden? 4
4
4.3.
Werkwijze
Er is een ecologische quickscan (verkennende inventarisatie) uitgevoerd om in beeld te brengen of door het voorgenomen initiatief negatieve effecten zijn te verwachten op beschermde soorten en beschermde gebieden.
4.1.
Literatuuronderzoek
Toetsing aan de Wet natuurbescherming
Op grond van de beschreven activiteiten en de daaruit volgende verstoringen is door Natuurlink een inschatting gemaakt van de redelijkerwijs te verwachten negatieve effecten op de (potentieel) aanwezige beschermde soorten en functies. De mogelijke negatieve effecten zijn vervolgens getoetst aan de Wet natuurbescherming. Hierbij is gekeken of er sprake is van een overtreding van de soortbescherming of gebiedsbescherming en hoe een overtreding van de Wet natuurbescherming valt te voorkomen.
Door middel van literatuuronderzoek is onderzocht welke beschermde flora en fauna in de ruime omgeving van het plangebied zijn waargenomen. Hierbij is gebruik gemaakt van de databases waarneming.nl, quickscanhulp.nl en relevante recente verspreidingsatlassen. De opgevraagde gegevens dekken het gehele gebied waar de activiteiten plaats gaan vinden, samen met de directe omgeving. Vervolgens is voor deze beschermde soorten onderzocht of op basis van verspreiding, ecologie en de aanwezige ecotopen het aannemelijk is dat een soort in het plangebied of binnen de invloedsfeer van de ingreep voorkomt.
4.2.
Flora en fauna onderzoek
Het plangebied is bezocht door Sebastiaan Bakker. De weersomstandigheden waren goed om een inspectie uit te voeren (zie tabel 1). Vanwege de grootte van het plangebied is het terrein een tweede maal bezocht om goed sporenonderzoek te kunnen uitvoeren. Tabel 1. Weersomstandigheden tijdens het veldbezoek.
Datum
Tijd
Weersomstandigheden
05-11-2020 10:00-12:00
8 °C, droog, onbewolkt, ZW1
10-11-2020 13:00-15:00
15 °C, droog, bewolkt, ZW1
Tijdens de bezoeken is de (potentieel) aanwezige flora en fauna onderzocht, alsook de functies die bepaalde delen van het terrein (kunnen) vervullen. Hierbij is gebruik gemaakt van checklijsten en protocollen (zoals gepubliceerd door het NDFF), kennisdocumenten van BIJ12 en diverse gidsen en websites waarin ecologie van soorten aan bod komt. Aan de hand van deze informatie en opgebouwde ecologische kennis binnen Natuurlink is de potentiële aanwezigheid van beschermde soorten en functies van het plangebied ingeschat. 5
5
Wet- en regelgeving
5.2.
5.1.
Inleiding in de Wet natuurbescherming
De Wet natuurbescherming kent drie verschillende beschermingsregimes om soorten te beschermen:
De Wet natuurbescherming (Wnb) is in Nederland op 1 januari 2017 in werking getreden. In deze wet staan de beschermingsregels voor de Nederlandse natuurgebieden en planten- en diersoorten. Vanwege de inwerkingtreding van deze wet zijn de Flora- en faunawet, de Natuurbeschermingswet en de Boswet komen te vervallen. De Wet natuurbescherming geeft uitvoering aan de verplichtingen van de Vogelrichtlijn en de Habitatrichtlijn die zowel soortenbescherming als gebiedsbescherming op Europees niveau regelen. Het uitgangspunt van de wet is dat geen schade mag worden toegebracht aan beschermde dieren of planten of beschermde natuurgebieden, tenzij dit uitdrukkelijk is toegestaan. Dit betekent in de praktijk dat het bij ruimtelijke ingrepen gaat om het effect van activiteiten op beschermde soorten en gebieden. Als activiteiten zodanig worden uitgevoerd dat er geen schade wordt toebracht, dan is toetsing aan de Wet natuurbescherming niet nodig. Soms is het echter onvermijdelijk dat of onduidelijk of schade wordt toegebracht. In die situaties is het noodzakelijk om aanvullend ecologisch onderzoek te laten uitvoeren en te bepalen of er een vrijstelling geldt voor de activiteiten of dat een ontheffing moet worden aangevraagd.
Soortbescherming in de Wet natuurbescherming
1.
soorten van de Vogelrichtlijn;
2.
soorten van de Habitatrichtlijn, het Verdrag van Bern en het Verdrag van Bonn;
3.
soorten die vanuit nationaal oogpunt beschermd worden.
Elk van deze beschermingsregimes kent zijn eigen verbodsbepalingen en vereisten voor vrijstelling of ontheffing van de verboden. Verbodsbepalingen mogen niet overtreden worden, tenzij men een ontheffing kan krijgen (het zogenoemde ‘nee, tenzij-principe’). De belangrijkste verbodsbepalingen staan vermeld in tabel 2.
De gemeente is het eerste aanspreekpunt voor de aanvraag van een Omgevingsvergunning. De bevoegdheid om te toetsen aan de Wet natuurbescherming ligt in de meeste gevallen bij de provincie.
6
Tabel 2. Overzicht belangrijkste verbodsbepalingen uit de Wet natuurbescherming.
Beschermingsregime soorten Habitatrichtlijn § 3.2 Wnb
Beschermingsregime andere soorten
Art. 3.1 lid 1 Het is verboden in het wild levende vogels opzettelijk te doden of te vangen.
Art. 3.5 lid 1 Het is verboden soorten in hun natuurlijke verspreidingsgebied opzettelijk te doden of te vangen.
Art. 3.10 lid 1a Het is verboden soorten opzettelijk te doden of te vangen.
Art. 3.1 lid 2 Het is verboden opzettelijk nesten, rustplaatsen en eieren van vogels te vernielen of te beschadigen, of nesten van vogels weg te nemen1
Art. 3.5 lid 4 Het is verboden de voortplantingsplaatsen of rustplaatsen van dieren te beschadigen of te vernielen1.
Art. 3.10 lid 1b Het is verboden de vaste voortplantingsplaatsen of rustplaatsen van dieren opzettelijk te beschadigen of te vernielen1.
Beschermingsregime soorten Vogelrichtlijn § 3.1 Wnb
§ 3.3 Wnb
Art. 3.1 lid 3 Het is verboden eieren te rapen en deze Art. 3.5 lid 3 Het is verboden eieren van dieren in de onder zich te hebben. natuur opzettelijk te vernielen of te rapen.
Niet van toepassing.
Art. 3.1 lid 4 en lid 5 Het is verboden vogels opzettelijk te storen, tenzij de storing niet van wezenlijke invloed is op de staat van instandhouding van de desbetreffende vogelsoort2
Art. 3.5 lid 2 Het is verboden dieren opzettelijk te verstoren.
Niet van toepassing.
Niet van toepassing.
Art. 3.5 lid 5 Het is verboden plantensoorten in hun natuurlijke verspreidingsgebied opzettelijk te plukken en te verzamelen, af te snijden, te ontwortelen of te vernielen.
Art. 3.10 lid 1c Het is verboden plantensoorten in hun natuurlijke verspreidingsgebied opzettelijk te plukken en te verzamelen, af te snijden, te ontwortelen of te vernielen.
1 Een zodanige verstoring van een van het nest dat deze wordt verlaten dient volgens de Afdeling Bestuursrechtspraak van de Raad van State (ABRvS) ook te
worden meegenomen in een overtreding van de verbodsbepaling.
2 Het opzettelijk storen geldt dan met name in kwetsbare perioden zoals het broedseizoen, overwintering en trek.
7
De term ‘verstoring’.
Vrijstelling, ontheffing en vergunning.
Er is sprake van een verstoring ingeval een activiteit een verontrusting van een soort veroorzaakt ten gevolge waarvan sprake is van een wezenlijke invloed op de gunstige staat van instandhouding van de soort. Zo is er sprake van een verstoring indien de functie van een voortplantings- of rustplaats van een soort, al dan niet voorlopig, door een activiteit niet of minder goed kan worden vervuld, ook al blijft die plaats fysiek in stand. Verstoringen moeten per soort worden beoordeeld in het licht van de intensiteit, duur en frequentie van herhaling van de verstoring.
Voor een besluit waarbij een uitzondering op een wettelijk verbod of gebod wordt gemaakt voor een categorie van gevallen, wordt de term "vrijstelling" gebruikt.
Bron: BIJ12
Voor een beschikking waarbij in een individueel geval een uitzondering op een wettelijk verbod of gebod wordt gemaakt, wordt de term "ontheffing" gebruikt. Voor een beschikking waarbij een bepaalde handeling wordt toegestaan, wordt de term "vergunning" gebruikt.
5.2.1. Afwijkingen van de verbodsbepalingen
5.2.2. Gedragscode
Om af te mogen wijken van de verbodsbepalingen via een ontheffing of vrijstelling moet aan drie criteria zijn voldaan:
De verboden, bedoeld in de artikelen 3.1, 3.5 of 3.10 Wnb zijn niet van toepassing op handelingen die zijn beschreven in en aantoonbaar worden uitgevoerd overeenkomstig een goedgekeurde gedragscode (art. 3.31 lid 1 Wnb). Werken volgens een gedragscode heeft als voordeel dat geen ontheffingsprocedure hoeft te worden doorlopen. Mogelijke uitzonderingen hierop staan in de gedragscode omschreven. Hierdoor kan het gebruik van een gedragscode zorgen voor een sterke vermindering van administratieve lasten en voor kortere proceduretijden.
1.
Ten eerste mag alleen van de verbodsbepaling worden afgeweken als er geen andere bevredigende oplossing voor de handeling mogelijk is.
2.
Ten tweede moet tegenover de afwijking van het verbod een in de wet genoemd belang staan. De wet geeft voor de verschillende beschermingsregimes aan wat die belangen zijn zoals volksgezondheid of openbare veiligheid.
3.
Tenslotte mag de ingreep geen afbreuk doen aan de staat van instandhouding van de soort.
Als aan deze drie vereisten is voldaan, kan een ontheffing worden verleend. Voor een aantal handelingen zijn bovendien vrijstellingen mogelijk, bijvoorbeeld in de vorm van een provinciale verordening of een gedragscode.
Een gedragscode geldt voor heel Nederland, dus niet voor één bepaald gebied of plaats. En ze mogen door alle organisaties in dezelfde sector gebruikt worden als de belangen en activiteiten op u van toepassing zijn. De provincies ontvangen graag een melding als een ruimtelijke ingreep onder een gedragscode soortenbescherming wordt uitgevoerd. Dit is niet verplicht maar de provincies stellen dit erg op prijs. Het voorkomt bijvoorbeeld onnodige handhavingsacties.
8
5.3.
Gebiedsbescherming in de Wet natuurbescherming
Binnen de Wet natuurbescherming worden ook natuurgebieden en de daarin voorkomende natuurlijke waarden en wezenlijke kenmerken beschermd. Dit zijn de Natura 2000-gebieden, het Natuurnetwerk Nederland (NNN), bijzondere provinciale natuurgebieden en landschappen, bijzondere nationale natuurgebieden en de nationale parken. Deze gebieden zijn geselecteerd op grond van in deze gebieden voorkomende bijzondere natuurwaarden of om een samenhangend ecologisch netwerk te creëren. De Natura 2000-gebieden worden direct beschermd via de Wnb, de overige gebieden via het besluit algemene regels ruimtelijke ordening (Barro) en provinciale verordeningen. Als er naar aanleiding van een initiatief mogelijkerwijs significante effecten optreden, dienen deze vooraf in kaart te worden gebracht en te worden beoordeeld. Projecten, plannen en overige handelingen die mogelijk een negatief effect hebben op de beschermde natuurgebieden zijn vergunningsplichtig.
5.5.
Houtopstanden in de Wet natuurbescherming
Naast het soortenbeschermingsregime en gebiedsbeschermingsregime zijn in hoofdstuk 4 van de Wet natuurbescherming ook de bepalingen ter bescherming van houtopstanden opgenomen. Onder houtopstand wordt verstaan: een zelfstandige eenheid van bomen, boomvormers, struiken, hakhout of griend, die een oppervlakte grond beslaat van 10 are of meer, of bestaat uit een rijbeplanting die meer dan 20 bomen omvat, gerekend over het totaal aantal rijen. Als een houtopstand moet worden gekapt, dan moet de initiatiefnemer dit melden bij het bevoegd gezag en moet er herplant plaatsvinden. Het bevoegd gezag kan een kapverbod opleggen ter bescherming van bijzondere natuur- of landschapswaarden.
Binnen deze ecologische quickscan wordt daarom bepaald of het initiatief mogelijk negatieve effecten heeft op de doestellingen van Natura 2000gebieden en overige beschermde gebieden. Als er sprake is van negatieve effecten, dan dient als eerste stap een voortoets te worden uitgevoerd. Dit is een oriënterend onderzoek naar mogelijk negatieve effecten op de instandhoudingsdoelstellingen van het Natura 2000-gebied. Als hieruit blijkt dat er een kans bestaat op een negatief, maar geen significant effect, dan moet vervolgens een verslechteringstoets worden uitgevoerd. Zijn deze effecten mogelijk wel significant, dan moet er een passende beoordeling worden opgesteld.
5.4.
Zorgplicht voor dieren en planten
De Wet natuurbescherming kent een zorgplicht (art. 1.11 Wnb). Iedereen moet voldoende zorg in acht nemen voor Natura 2000-gebieden, bijzondere nationale natuurgebieden en voor in het wild levende planten en dieren en hun directe leefomgeving. Of dier- en plantensoorten en gebieden nu wettelijk beschermd zijn of niet, iedereen die redelijkerwijs kan vermoeden dat door zijn of haar handelen nadelige gevolgen kunnen worden veroorzaakt, laat deze handelingen achterwege, neemt maatregelen om die te voorkomen of probeert deze zoveel mogelijke te beperken of ongedaan te maken.
9
6
Omschrijving plangebied
Het plangebied is gelegen in aan de Venushoek 38 in het landelijke buitengebied van Schijndel. Het landschap kan worden omschreven als open, agrarisch en kleinschalig. Er is een afwisseling te vinden tussen weilanden en akkerbouw. In figuur 2 is de ligging van het plangebied in het landschap weergegeven. Het perceel heeft het kadastrale nummer SDL00 M 70 en is 17.465 m2 groot. Op het terrein staan een woonhuis en een tweetal lange lage loodsen met daarin verschillende opslagunits (zie figuur 1). Daarnaast zijn er twee inritten die aansluiten op de Venushoek, een parkeerterrein en een tennisbaan. Aan de oostzijde bevindt zich een groot open terrein. Het gehele terrein wordt omzoomd door een houtsingel.
Figuur 2. Ligging van het plangebied. De uitsnede is weergegeven in figuur 2. Bron: Google Earth.
De bodem van het perceel kan worden geclassificeerd als een hoge zwarte enkeerdgrond bestaande uit lemig fijn zand. De potentieel natuurlijke vegetatie van de zwarte enkeerdgronden bestaat uit wintereiken-beukenbos en nat elzen-eikenbos.
Figuur 1. Ligging van het plangebied (rood omkaderd).
10
Grasland Aan de oostzijde van het terrein bevindt zich een groot open grasland (zie figuur 3). Het deel dat grenst aan de Venushoek is omheind en wordt veel gebruikt voor het uitlaten van honden. Het grasland bestaat voornamelijk uit Engels raaigras (Lolium perenne) met enkele zeer algemene plantensoorten in de grasmat. Het grasland wordt omzoomd door een smalle houtsingel die slechts enkele meters breed is. De houtsingel heeft een gevarieerde soortensamenstelling met een redelijk hoog aandeel aan exotische soorten als westerse levensboom (Thuja occidentalis), Californische cipres (Chamaecyparis lawsoniana), Portugese laurier (Prunus lusitanica 'Angustifolia'), Koreaanse zilverspar (Abies koreana), weymouthden (Pinus strobus) en Amerikaanse eik (Quercus rubra). Langs het grasland is een oprit te vinden die de toegangsweg vormt voor beide loodsen (zie figuur 4) Figuur 3. Beeld van de oostelijke inrit. Figuur 4. Beeld van het grasland aan de oostzijde van het terrein
11
Buitenopslag Het grasland wordt ten noordwesten begrensd door een brede strook met ruigte. Deze strook is voor een groot deel opgehoogd met zand en voornamelijk begroeid met braam en wat ruigtekruiden. Hierachter bevindt zich een buitenopslag met veel oude rommel (zie figuur 5). Het half verharde deel naast de verharde weg is redelijk dichtgegroeid. Hier groeien met name veel algemene soorten als bijvoet (Artemisia vulgaris), smalle weegbree (Plantago lanceolata), luzerne (Medicago sativa), koningskaars (Verbascum thapsus) en Canadese fijnstraal (Conyza canadensis). Meer naar het noordwesten bevindt zich een tweede buitenopslag waar voornamelijk aanhangers staan (zie figuur 6). Tussen deze terreinen bevindt zich weer een strook met opgaand groen.
Figuur 5. Beeld van het opslagterrein 1 naast het grasland.
Figuur 6. Beeld van het tweede opslagterrein ten noordwesten van het eerste terrein.
12
Opslagloodsen
Naast het opslagterrein bevindt zich in het noordwesten van het terrein een grote, lange en lage opslagloods (zie figuur 7). Verschillende units van deze loods worden verhuurd. Elke dag is er redelijk wat activiteit rondom de loods vanwege de huurders die spullen komen halen of opslaan. De loods heeft een volledig asbest dak. Deze loods, maar ook alle andere opslagloodsen zijn wel volledig dichtgemaakt om te zorgen dat er geen ongedierte in de opslagloodsen kan komen. De asbestplaten zijn hiervoor allemaal dichtgepurd of met cement dicht gemetseld (zie ook figuur 21 op pagina 19).
Figuur 7. Beeld van de opslagloods in het noordwesten van het terrein.
13
Overige bebouwing
Langs de Venushoek bevinden zich een woonhuis, een parkeerterrein een grote parkeerplaats en een tennisbaan (zie figuur 8). De tennisbaan wordt elke dag actief gebruikt (zie figuur 10). Naast het parkeerterrein en de tennisbaan bevindt zich een tweede grote lange en lage opslagloods met verschillende units die worden verhuurd (zie figuur 9). Net als de andere loods is de schuur bedekt met asbest golfplaten en zijn de openingen dichtgemaakt.
Figuur 8. Beeld van het parkeerterrein naast de woning.
Figuur 10. Beeld van de opslagloods.
Figuur 9. Beeld van de tennisbaan.
14
6.1.
Afstand tot beschermde natuurgebieden
Om te bepalen of geplande activiteiten invloed kunnen hebben op beschermde natuurgebieden is onderzocht op welke afstand deze gebieden zich bevinden.
Tabel 3. Afstand van het plangebied ten opzichte van beschermde Natura 2000gebieden en het Natuurnetwerk Nederland. Mogelijke negatieve effecten
Aanwijzing
Afstand (km)
Vlijmens Ven, Moerputten & Bossche Broek Kampina & Oisterwijkse Vennen Loonse en Drunense Duinen & Leemkuilen Spoorlijn ‘het Duits lijntje’
HR HR+VR HR NNB
11 10 15,7 70 m
Natura 2000-gebieden Natuurnetwerk Nederland (NNN)
Het dichtstbijzijnde Natura 2000-gebied is ‘Vlijmens Ven, Moerputten & Bossche Broek’. De afstand vanaf het plangebied bedraagt ongeveer 11 kilometer. Verder weg liggen de gebieden ‘Kampina & Oisterwijkse Vennen’ en de ‘Loonse en Drunense Duinen & Leemkuilen’ (zie ook tabel 3 en figuur 11). Al deze gebieden zijn aangewezen als habitatrichtlijngebied (HR). Kampina & Oisterwijkse Vennen zijn ook aangewezen als vogelrichtlijngebied.
Het plangebied valt buiten het Natuurnetwerk Nederland (NNN). Het dichtstbijzijnde deel van het Natuurnetwerk Brabant (NNB) ligt ongeveer 70 meter ten zuidoosten van het plangebied. Het betreft hier een smalle groenstrook langs de spoorlijn Boxtel - Wesel met een uitloper naar de Langstraat (zie figuur 12).
Vlijmens Ven, Moerputten & Bossche Broek
Heeswijkse bosen
Kampina & Oisterwijkse Vennen
Figuur 11. Ligging van het plangebied ten opzichte van Natura 2000-gebieden.
Figuur 12. Ligging van het plangebied ten opzichte van het Natuurnetwerk Brabant
15
De spoorlijn, ook wel het Duits lijntje genoemd, is niet meer in gebruik. Volgens de Ruimtelijke Ontwikkelingsvisie moet hier op termijn een fietspad worden gerealiseerd. De spoorlijn samen met de parallel gelegen sloot, vormt naar alle waarschijnlijkheid momenteel een goede ecologische verbinding omdat deze kilometers lang ononderbroken door het landschap loopt (zie figuur 13).
Figuur 13. Beeld van de spoorlijn ‘het Duits lijntje’. Recht van de spoorlijn ligt nog een smalle sloot.
6.2.
Geluidscontouren
De Venushoek is een rustige landelijke weg met weinig verkeer, zowel overdag als in de nacht. In zowel het open terrein als de houtsingel is de geluidsbelasting van het verkeer laag (zie figuur 14).
Figuur 14. Geluidrond de venushoek 38 (rode stip). Bron: www.atlasleefomgeving.nl.
16
6.3.
Aanwezige ecotopen
Houtsingel De houtsingel is goed ontwikkeld en heeft een gevarieerde soortensamenstelling met een redelijk hoog aandeel aan exotische soorten als westerse levensboom (Thuja occidentalis), Californische cipres (Chamaecyparis lawsoniana), Portugese laurier (Prunus lusitanica 'Angustifolia'), Koreaanse zilverspar (Abies koreana), weymouthden (Pinus strobus) en Amerikaanse eik (Quercus rubra). Een lijst met waargenomen struik- en boomsoorten is terug te vinden in bijlage 3 . De houtsingel is langs de perceelsgrens over het algemeen slechts enkele meters breed (3-5 meter). Midden op het terrein is deze breder (zie figuur 18 op de volgende pagina) De hoogte wordt ingeschat op 8 – 12 meter. De bomen zijn nog relatief jong en vertonen geen tekenen van verval. Gaten, scheuren, holen en loszittende bast werd niet aangetroffen. Buiten enkele nesten van duiven zijn geen nesten van andere vogelsoorten waargenomen.
Figuur 15. Beeld van de houtwal Aan de noordwestzijde van het terrein.
Figuur 16. Beeld van de houtwal rond het open grasland.
17
Grasland Het grasland is heeft een zeer monotone soortensamenstelling van voornamelijk Engels raaigras (Lolium perenne). Hiertussen groeien enkele zeer algemene soorten als klein streepzaad (Crepis capillaris), smalle weegbree (Plantago lanceolata), ridderzuring (Rumex obtusifolius) en boerenwormkruid (Tanacetum vulgare). Beschermde plantensoorten zijn niet aangetroffen, maar het veldbezoek vond plaats in een periode die niet geschikt is voor vegetatieopnames. Op basis van de nog aanwezige plantensoorten kan wel worden gesteld dat het perceel zwaar bemest is en dat er geen bijzondere of beschermde soorten worden verwacht. Een lijst met waargenomen soorten is terug te vinden in bijlage 3
Figuur 17. Beeld van de vegetatie in het grasland.
Figuur 18. Beeld binnen de houtwal ter hoogte van de buitenopslag. Hier is de houtsingel breder dan de delen langs de perceelsgrens.
18
Gebouwen. De loodsen bestaan uit metalen profielplaten en hebben allen een dak van asbest golfplaten. De loodsen zijn ontoegankelijk gemaakt voor ongedierte. Bij stenen gevels zijn alle kieren dichtgemetseld en alle gaten in openingen onder de golfplaten zijn dichtgepurd (zie figuur 20 en figuur 21). Tegen de loods naast de tennisbaan staat een opslagloods die uit steen is opgetrokken (zie figuur 19). Deze is geïnspecteerd op mogelijke verblijfplaatsen van vleermuizen en vogels. Er is hierbij slechts één opening gevonden. Er werden in deze opening alleen poepsporen van vogels aangetroffen en geen nestmateriaal. Een huurder van de opslagunits gaf aan vaak later op de dag hier vogels op hoge snelheid in te zien vliegen. Op basis van de beschrijving betreft het mogelijk een gierzwaluw. Vaak maakt deze soort geen nest, dus dat kan de afwezigheid van nestmateriaal verklaren. Omdat deze persoon echter geen kennis had van vogels, kan de opening ook gebruikt worden als slaapplaats door een andere vogelsoort. Figuur 20. Alle kieren in gevels zijn dichtgemetseld.
Figuur 19. In het gebouw op de foto is een opening aanwezig (rode cirkel) die geschikt is voor gierzwaluw om te broeden.
Figuur 21. De asbest golfplaten zijn allemaal volledig dichtgepurd.
19
In de uiterste noordwesthoek is een half open loods te vinden die aan de lange loods is aangebouwd (zie figuur 24) Ook deze wordt gebruikt voor de opslag van materialen. Vanwege de open structuur hebben vogels van de gelegenheid gebruik gemaakt om hier te nestelen. In het plafond bevindt zich een nest van een houtduif (Columba palumbus, zie figuur 23). Onder het nest zijn ook resten van een ei gevonden. Ook is een nest van vermoedelijk roodborst (Erithacus rubecula) gevonden op een ijzeren balk (figuur 25). De schuur is ook toegankelijk voor kleine zoogdieren. Sporen van zoogdieren zijn echter niet aangetroffen.
Figuur 23. Nestlocatie van een houtduif.
Figuur 24. Beeld van de open loods in het uiterste noordwesten van het terrein.
Figuur 25. Nestlocatie van vermoedelijk roodborst.
20
Het woonhuis op het perceel bevindt zich in een goede staat en wordt omringd door een kleine tuin met voornamelijk exotische naaldbomen (zie figuur 26). De weg aan de voorzijde van de woning wordt begeleid door een beplanting van populier (zie figuur 28) en een deel door slecht groeiende beuken. De naastgelegen akkerrand is ingezaaid met een bloemenmengsel. Naast de weg is een smalle greppel te vinden die het merendeel van het jaar niet watervoerend is (zie figuur 27).
Figuur 26. Beeld van de woning in het zuidwesten van het terrein.
Figuur 27. Beeld van de watergang langs de Venushoek.
Figuur 28. Beeld van de Venushoek aan de voorzijde van de woning.
21
Buitenopslag Op het terrein is op veel plaatsen materiaal achtergelaten. Hopen steen, balken, pallets en dergelijke liggen verspreid over het terrein. Deze objecten kunnen schuilplaatsen bieden aan allerlei kleine zoogdieren, amfibieën en reptielen (zie figuur 29).
Figuur 29. Beeld van rommel op het terrein.
22
6.4. Voorkomende beschermde soorten uit het literatuuronderzoek.
De lokale verspreiding van Ransuil (Asio otus) is niet geheel bekend. Het plangebied biedt wel een geschikt habitat. Vanwege het ontbreken van nesten van kraaiachtigen (ekster, zwarte kraai) kan een broedgeval worden uitgesloten. De ransuil is namelijk geheel afhankelijk van nesten van deze soorten.
Via quickscanhulp.nl en waarneming.nl en het gebruik van diverse verspreidingsatlassen is nagegaan welke beschermde soorten rond het plangebied de afgelopen vijf jaar zijn waargenomen. Een volledig overzicht is te vinden in bijlage 1.
Er is een bekende nestplaats van kerkuil (Tyto alba) op de splitsing van de Venushoek met Heiveld. Een broedgeval in het plangebied is uitgesloten. De open loods zou geschikt kunnen zijn voor deze soort, maar een nestlocatie of rustplaats is niet aangetroffen.
6.4.1. Vogels
In de houtsingel is gezocht naar nesten van diverse roofvogels zoals buizerd (Buteo buteo), wespendief (Pernis apivorus), sperwer (Accipiter nisus) of havik (Accipiter gentilis). Er zijn tijdens het veldbezoek echter geen nesten gevonden die duiden op een broedgeval van deze soorten.
In de houtsingel kunnen allerlei algemeen voorkomende broedvogels worden verwacht. Soorten als boomkruiper (Certhia brachydactyla), zwartkop (Sylvia atricapilla), tjiftjaf (Phylloscopus collybita), roodborst (Erithacus rubecula) en merel (Turdus merula) zullen hier naar alle waarschijnlijkheid broeden. Ook zijn er nesten van houtduif (Columba palumbus) aangetroffen. Jaarrond beschermde nesten Er kan een aantal broedvogels op of rondom het plangebied worden verwacht waarvan het nest jaarrond beschermd is. Tijdens het veldbezoek is daarom ook gericht gezocht naar mogelijke nestlocaties en holen van soorten met een jaarrond beschermd nest (zie kader op de volgende pagina). Het beeld van lokale populaties van uilen is goed bekend. Er is een actieve uilenwerkgroep en de persoon die zich voor uilen inzet binnen het gebied van Schijndel, dhr. R. van der Heijden, heeft de nestlocaties van uilen in de omgeving van het plangebied aangewezen. Er zijn twee bekende nestlocaties van steenuil (Athene noctua) in de omgeving van Venushoek 38. Deze locaties zijn gezamenlijk bezocht om een oordeel te kunnen vormen of het plangebied een essentieel onderdeel kan vormen van het territorium van de steenuil. Steenuilen vangen het merendeel van de prooien in de directe omgeving van het nest, in een straal van 300 meter.
Het plangebied bevindt zich net buiten de radius van 300 meter van de nestlocaties. Omdat de nestkasten in zeer geschikt steenuilenbiotoop hangen is geoordeeld dat het plangebied geen essentieel onderdeel zal uitmaken van de territoria.
Figuur 30. Bekende nestlocaties van steen- en kerkuil in de omgeving van de planlocatie. Bij de steenuil is een buffer van 300 meter aangegeven omdat binnen deze straal het merendeel van de prooien wordt gevangen.
23
Overzicht categorieën jaarrond beschermde vogelnesten. De provincies Limburg en Overijssel hanteren aangepaste categorieën.
Categorie 1: Nesten die, behalve gedurende het broedseizoen als nest, buiten het broedseizoen in gebruik zijn als vaste rust- en verblijfplaats. Categorie 2: Nesten van koloniebroeders die elk broedseizoen op dezelfde plaats broeden en die daarin zeer honkvast zijn of afhankelijk van bebouwing of biotoop. De (fysieke) voorwaarden voor de nestplaats zijn vaak zeer specifiek en limitatief beschikbaar. Categorie 3: Nesten van vogels, zijnde geen koloniebroeders, die elk broedseizoen op dezelfde plaats broeden en die daarin zeer honkvast zijn of afhankelijk van bebouwing. De (fysieke) voorwaarden voor de nestplaats zijn vaak zeer specifiek en limitatief beschikbaar. Categorie 4: Vogels die jaar in jaar uit gebruik maken van hetzelfde nest en die zelf niet of nauwelijks in staat zijn een nest te bouwen. Categorie 5: Nesten van vogels die weliswaar vaak terugkeren naar de plaats waar zij het jaar daarvoor hebben gebroed of de directe omgeving daarvan, maar die wel over voldoende flexibiliteit beschikken om, als de broedplaats verloren is gegaan, zich elders te vestigen.
Grote bonte specht (dendrocopos major) en groene specht (picus viridis) zijn gehoord tijdens het veldbezoek. Voor de groene specht is het bomenbestand waarschijnlijk nog te jong, maar holen van grote bonte specht zouden wel kunnen worden verwacht. Er zijn echter geen holen van spechten aangetroffen.
6.4.2. Zoogdieren Hieronder volgt een beschrijving van zoogdieren die mogelijk zijn te verwachten op of in de directe omgeving van het plangebied.
INSECTENETERS De egel (Erinaceus europaeus) leeft in bijna alle landschappen. In sommige gebieden zijn ze echter algemener dan in andere. Tuinen, bosranden, struweel en loofbos, liefst met ondergroei, zijn goede leefgebieden. Het is daarom ook zeer aannemelijk dat de egel (Erinaceus europaeus) in het plangebied foerageert en de kans op de aanwezigheid van een verblijfplaats is zeer groot. De mol (Talpa europaea) komt overal voor waar de grond geschikt is om in te graven. Voorwaarden zijn dat de bodem niet te zandig, te vochtig of te stenig is en dat er voldoende regenwormen aanwezig zijn. De bodem mag daarom ook niet te zuur zijn. De mol heeft een voorkeur voor rulle, humusrijke grond met een niet te hoge grondwaterstand en permanente begroeiing. Er zijn molshopen gevonden, waarmee de aanwezigheid van deze soort kan worden bevestigd. Spitsmuizen Er kan een aantal spitsmuizen worden verwacht op het terrein. Veel spitsmuizen zijn echter vrijgesteld volgens de Verordening natuurbescherming Noord-Brabant. Dit zijn (dwergspitsmuis (Sorex minutus), gewone bosspitsmuis (Sorex araneus), huispitsmuis (Crocidura russula) en tweekleurige bosspitsmuis (Sorex coronatus)).
De waterspitsmuis (Neomys fodiens) is op minder dan 5 kilometer afstand waargenomen en komt voor in en langs schoon, niet te voedselrijk, vrij snelstromend tot stilstaand water met een behoorlijk ontwikkelde watervegetatie en ruig begroeide oevers. Dit biotoop is niet aanwezig in het plangebied en waterspitsmuis is daarom uit te sluiten. Overige spitsmuizenmuizen zijn op basis van hun actuele verspreidingsgegevens niet te verwachten. 24
VLEERMUIZEN
Overige woelmuizen zijn op basis van hun verspreidingsgegevens niet te verwachten.
Er is een kans dat boombewonende vleermuizen een verblijf hebben in de houtsingel, maar deze kans wordt wel als zeer laag ingeschat. Het bomenbestand biedt vrijwel geen mogelijkheden voor verblijfplaatsen in de vorm van holen, schuren/ spleten en loszittende bast. De houtsingel is grondig gecontroleerd op deze mogelijkheden, maar er bestaat altijd een kans dat geschikte locaties zijn gemist omdat sommige verblijfplaatsen moeilijk zijn waar te nemen.
Ware muizen
Het is wel zeer aannemelijk dat algemeen voorkomende vleermuizen foerageren in de houtsingel en boven het open terrein. Soorten als gewone dwergvleermuis (Pipistrellus pipistrellus), ruige dwergvleermuis (Pipistrellus nathusii), rosse vleermuis (Nyctalus noctula) en laatvlieger (Eptesicus serotinus) kunnen worden verwacht. De houtsingel en de laanbeplanting van de Venushoek vormen een mooie lijnvormige structuur die gebruikt kan worden door vleermuizen om zich door het landschap te verplaatsen. Naast de Venushoek kan alleen de Langstraat door de aaneengesloten structuren als vliegroute functioneren. De laanbeplanting van de Venushoek kan daarom ook fungeren als een essentiële vliegroute. KNAAGDIEREN De eekhoorn (Sciurus vulgaris) komt voor in de directe omgeving en de
houtsingel is verbonden met plekken waar de aanwezigheid van eekhoorn is geconstateerd. Er zijn geen eekhoornnesten en holen aangetroffen. Een verblijfplaats is daarom niet waarschijnlijk. Wel is het waarschijnlijk dat eekhoorn regelmatig in het plangebied komt foerageren. Woelmuizen en ware muizen Er kan een aantal woelmuisachtigen worden verwacht op het terrein en er zijn ook sporen van muizen aangetroffen. Alle te verwachten woelmuisachtigen (aardmuis (Microtus agrestis), rosse woelmuis (Myodes glareolus), ondergrondse woelmuis (Microtus subterraneus) en veldmuis (Microtus arvalis) zijn echter vrijgesteld volgens de Verordening natuurbescherming Noord-Brabant.
Er kan een aantal ware muizen worden verwacht op het terrein. Alle te verwachten ware muizen (bruine rat (Rattus norvegicus), zwarte rat (Rattus rattus), bosmuis (Apodemus sylvaticus), huismuis (Mus musculus), dwergmuis (Micromys minutus) zijn echter vrijgesteld volgens de Verordening natuurbescherming Noord-Brabant. Overige ware muizen zijn op basis van hun actuele verspreidingsgegevens niet te verwachten.
HAASACHTIGEN Konijn (Oryctolagus cuniculus) en haas (Lepus europaeus) zijn in de directe omgeving waargenomen en kunnen daarom ook worden verwacht in het plangebied. Er zijn echter geen sporen van beide soorten aangetroffen. ROOFDIEREN Hondachtigen De vos (Vulpes vulpes) komt in de directe omgeving voor. Het territorium varieert meestal van 100 tot 400 ha, maar kan ook vele malen groter zijn, afhankelijk van leefgebied en voedselaanbod. Het is dus zeer aannemelijk dat de vos ook rond het plangebied voorkomt. Er zijn geen holen gevonden die duiden op de aanwezigheid van een vos. Marterachtigen Van de marterachtigen zijn steenmarter (Martes foina), boommarter (Martes martes), wezel (Mustela nivalis), bunzing (Mustela putorius) en das (Meles meles) in de directe omgeving waargenomen en op iets grotere afstand de hermelijn (Mustela erminea).
25
Alle marters hebben gemeen dat ze een netwerk aan vaste verblijfsplaatsen hebben. Voorbeelden van rustplaatsen zijn: holen, houtstapels, holle bomen, drainagepijpen, takkenrillen, hooi- en strobalen, stapels stenen en puin, gaten en holten, schuurtjes, stallen, kelders en hooizolders. De meeste leden van deze familie verspreiden een sterke geur via de anaalklieren of kliertjes in de voetkussentjes van de achterpoten. Met deze geurstof worden de grenzen van een territorium gemarkeerd. Deze geur is nergens waargenomen. Er is ook geen overlast van stank (welke door latrines in gebouwen kan worden veroorzaakt). Er zijn ook geen sporen van marters gevonden (prooiresten, voedselvoorraden, graafsporen, wissels, uitwerpselen etc.). Vaste verblijfplaatsen van hermelijn worden niet verwacht. Deze soort prefereert over het algemeen een vochtigere omgeving. Ook boommarter wordt niet verwacht. Het bomenbestand is hiervoor te jong en holen van voldoende omvang ontbreken in de bomen. Het plangebied biedt voor steenmarter, bunzing en wezel wel een geschikt habitat en voldoende mogelijkheden voor een verblijfplaats. Deze worden dan verwacht in de geluidsluwe delen van het terrein waar weinig verstoring optreedt. Verblijfplaatsen van deze soorten kunnen dus niet op voorhand worden uitgesloten. Van de das zijn geen sporen waargenomen.
Aangezien deze soort duidelijke sporen achterlaat kan deze soort binnen het plangebied worden uitgesloten. EENHOEVIGEN
Het ree (Capreolus capreolus) komt voor in de omgeving en zou de houtsingel ook kunnen gebruiken als dekking. De kans dat ree daadwerkelijk gebruik maakt van de houtsingel wordt als laag beoordeeld. De houtsingel is op de meeste plaatsen te smal en er is te veel activiteit op het terrein waardoor voldoende rust ontbreekt. Waarnemingen van damhert (Dama dama) berusten binnen de gemeente op ontsnapte dieren of particulier gehouden dieren in omheinde gebieden. Deze soort wordt niet verwacht.
6.4.3. Vaatplanten en mossen Er zijn geen beschermde vaatplanten en mossen waargenomen. Er zijn enkel algemeen voorkomende soorten aanwezig. De periode van het veldbezoek is echter niet geschikt om soorten op basis van een enkel veldbezoek uit te kunnen sluiten. Het merendeel van de beschermde soorten die in de directe omgeving is waargenomen (zie bijlage 1) kan op basis van de lokale verspreiding en/of standplaatscondities worden uitgesloten. Stijve wolfsmelk (Euphorbia stricta) staat op open, zonnige tot licht beschaduwde, vochtige, stikstofrijke, matig voedselrijke, weinig of niet bemeste klei-, en mergelbodems, vaak op stenige plaatsen. Het is een zeer zeldzame soort, onder andere langs de Waal. De soort komt voor op weinig of niet bemeste klei-, en mergelbodems, vaak op stenige plaatsen. Deze soort kan op basis van de lokale verspreiding en de standplaatscondities worden uitgesloten. Dreps (Bromus secalinus) is een echte pionierssoort en staat op zonnige, open plaatsen op matig droge, vrij kalkarme, matig voedselrijke, lichte grond (löss, leem en zavel). De soort groeit met name in graanvelden (wintergraanakkers en speltakkers), zelden in akkers en soms langs spoorwegen (spoorwegterreinen), braakliggende grond, wegranden (open plekken in bermen van grote verkeerswegen), ruigten, ruderale plaatsen en storttereinen.
Op basis van het bodemtype kan deze soort worden uitgesloten. Kluwenklokje (Campanula glomerata L.) komt op zonnige soms licht beschaduwde plaatsen op matig droge tot vaak vochtige, matig voedselrijke, kalkhoudende en humushoudende grond (lemig zand, leem, zavel, mergel en stenige plaatsen). De plant kan tegen lichte bemesting en begrazing. De waarnemingen in de omgeving betreffen door de mens geïntroduceerde soorten en geen wilde groeiplaatsen. Deze soort kan op basis van de lokale verspreiding en de standplaatscondities worden uitgesloten.
26
6.4.4. Vissen en zoetwaterweekdieren In figuur 27 op pagina 21 is een beeld te vinden van de waterloop/greppel die langs het plangebied loopt. Deze staat het merendeel van het jaar droog. De aanwezigheid van beschermde vissen en zoetwaterweekdieren kan daarom worden uitgesloten.
6.4.5. Amfibieën Binnen een straal van 200 meter zijn er redelijk wat poelen en sloten die een geschikt waterhabitat kunnen vormen voor amfibieën. De greppel langs de Venushoek kan ook als voortplantingswater fungeren als deze in het voorjaar watervoerend is.
is het plangebied wel bereikbaar voor de mobielere soorten met een grotere homerange. Gezien het voedselrijke karakter van deze waterlopen kunnen bastaardkikker (Pelophylax kl. esculentus), kleine watersalamander (Lissotriton vulgaris), gewone pad (Bufo bufo) en bruine kikker (Rana temporaria) worden verwacht. De poelkikker (Rana lessonae) is een zon- en warmteminnende soort met een voorkeur voor onbeschaduwde wateren. De oeverzone moet bij voorkeur goed begroeid zijn. Het is een kritische soort die houdt van voedselarm en schoon water. Hij heeft een voorkeur voor zwak zure, stilstaande wateren in bos- en heidegebieden op de hogere zandgronden. Gezien het voedselrijke karakter van de waterlopen wordt deze soort niet verwacht. Alpenwatersalamander (Mesotriton alpestris) heeft een voorkeur voor zandige leemgronden, waar hij voorkomt in beboste gebieden (loofbos) of kleinschalige landschappen met heggen en struwelen. De alpenwatersalamander geldt als weinig kritisch. De soort heeft een voorkeur voor beschaduwde wateren waarbij de onderwatervegetatie niet zelden volledig afwezig is en de bodem vaak is bedekt met een dikke laag dood blad. Op basis van de lokale verspreiding (> 5 km) wordt deze soort niet verwacht. De kamsalamander (Triturus cristatus) komt voor in een verscheidenheid aan typen geïsoleerde wateren.
De kamsalamander heeft een voorkeur voor relatief grote, diepe en stilstaande geïsoleerde wateren. De wateren zijn dieper dan 50 cm en vallen zelden droog. Er zijn poelen in de omgeving (> 100 meter) aanwezig die mogelijk geschikt zijn voor kamsalamander, maar omdat de kamsalamander een beperkte homerange heeft en het liefst binnen 100 meter van het voortplantingswater overwintert, is de kans klein dat deze voorkomt in de houtsingel. Daarnaast is er ook een zeer reële kans dat de kamsalamander niet in deze poelen voorkomt vanwege de zeldzaamheid van deze soort in de regio. Het soortenarme grasland binnen het plangebied is niet geschikt voor amfibieën. De grasmat biedt te weinig dekking en amfibieën zullen hier snel ten prooi vallen aan predatoren.
Figuur 31. Beeld van water in de omgeving.
De houtsingel kan een geschikt zomer- en/of winterhabitat bieden voor amfibieën. Amfibieën zijn over het algemeen weinig mobiel, maar omdat er verschillende waterhabitats binnen 100-300 meter van het plangebied liggen, 27
De boomkikker (Hyla arborea) heeft een voorkeur voor het landschapstype ‘bos en struweel’ en stelt hoge eisen aan zijn leefgebied. Als landhabitat zijn vooral zonnig gelegen zoom- en mantelvegetaties, vegetaties van meerjarige kruiden en braamstruwelen van belang. Op basis van de lokale verspreiding (> 5 km) wordt deze soort niet verwacht. De heikikker (Rana arvalis) is een soort die erg kritisch is ten aanzien van zijn habitat. De habitat waar de heikikker wordt aangetroffen is in zijn algemeenheid te kenschetsen als schraal, ietwat ruig en vochtig. Het bestaat met name uit heide, hoogveen, laagveen en halfnatuurlijk grasland, maar ook bos en struweel, alles met een hoge grondwaterstand. Waterhabitat is vaak zuur en relatief voedselarm en bestaat uit ondiep, zonbeschenen water. Heidevennen en wateren op hoog- en laagveen zijn de belangrijkste voortplantingswateren. Op basis van de lokale verspreiding (> 5 km) wordt deze soort niet verwacht.
6.4.6. Reptielen In een ruime straal rond het plangebied zijn levendbarende hagedis (Zootoca vivipara), hazelworm (Anguis fragilis) en muurhagedis (Podarcis muralis) waargenomen. Op basis van de lokale verspreiding zijn de hazelworm en muurhagedis uitgesloten binnen het plangebied. Wel lijkt het er sterk op dat door de verruiging van het Duits lijntje de levendbarende hagedis zich vanuit natuurgebied de Geelders zich oostwaarts richting Schijndel uitbreidt. Aangezien het een moeilijk te inventariseren soort is, is het mogelijk dat deze soort zich al dicht bij het plangebied bevindt. De levendbarende hagedis is afhankelijk van een gebied met veel variatie en afwisseling in zowel vegetatie als structuur. Met name de afwisseling van plekken om te zonnen en direct in de dekking te kunnen vluchten is belangrijk. De soort heeft een duidelijke voorkeur voor vochtige terreinen, vooral structuurrijke overgangen van vochtige naar droge terreindelen. Langs de spoorlijn is dit habitat aanwezig, in het plangebied niet. Vaste verblijfplaatsen van deze soort worden daarom niet verwacht. Voor de dispersie van levendbarende hagedis door het landschap kan de houtwal wel van belang zijn. De soort kan zich jaarlijks over een afstand van één tot twee kilometer verplaatsen langs bosranden en open mantelzones op zoek naar nieuw leefgebied.
6.4.7. Libellen, dagvlinders en macro-nachtvlinders Beschermde libellen, dagvlinders en macro-nachtvlinders die in de omgeving zijn waargenomen (zie bijlage 1) zijn niet te verwachten binnen het plangebied. De habitat is hiervoor niet geschikt, de waardplanten zijn afwezig en voor libellen ontbreekt een waterhabitat. De grote vos (Nymphalis polychloros) is een zeldzame vlinder en een echte zwerver die overal kan opduiken. Hij werd met uitsterven bedreigd, maar sinds 2019 is op meerdere plaatsen voortplanting geconstateerd. Geschikte waardbomen zijn bijvoorbeeld peer, prunus, wilg en iep. Deze waardbomen zijn niet aanwezig en de soort kan daarom worden uitgesloten. De grote weerschijnvlinder (Apatura iris) komt voor in oudere, vochtige loofbossen, wilgenbroekbossen of groepen samenhangende bosjes in beekdalen. De houtsingel heeft een te jonge samenstelling en is te droog om deze soort te verwachten. De iepenpage (Satyrium w-album) komt voor waar groepjes iepen (Ruwe iep (Ulmus glabra), Fladderiep (Ulmus laevis) en Gladde iep (Ulmus minor)) bij elkaar staan, zowel in bossen als in (stads)parken. Het is altijd al een zeldzame soort geweest, maar wordt de laatste jaren op steeds meer plekken aangetroffen. Iepen zijn niet aanwezig, waardoor deze soort is uitgesloten.
De kleine ijsvogelvlinder (Limenitis camilla) is een soort die voorkomt in gevarieerde, vochtige gemengde bossen of loofbossen, zoals elzenbroekbos. Geschikte waardplanten uit de kamperfoeliefamilie groeien doorgaans in de halfschaduw. De vlinder vliegt in de halfschaduw op open plekken, bredere bospaden en langs bosranden. De houtsingel is te droog om deze soort te verwachten. De teunisbloempijlstaart (Proserpinus proserpina) is te vinden op open plekken in vochtige bossen, bosranden en andere warme plaatsen waar waardplanten staan. De rupsen van de teunisbloempijlstaart leven voornamelijk van (middelste) teunisbloem, maar soms ook van (harig) wilgenroosje, basterdwederik en grote kattenstaart. Teunisbloemen worden
28
vooral aangetroffen op omgewerkte zandige grond. Deze habitateisen zijn niet aanwezig in het plangebied.
6.4.8. Overige insecten en landweekdieren De biotoop van de vermiljoenkever (Cucujus cinnaberinus) wordt gevormd door vochtige bossen, houtwallen en lanen met bomen en dikke takken die recent zijn doodgegaan. Ook meer solitaire of opgestapelde boomstammen kunnen gekoloniseerd worden. De larve van de vermiljoenkever leeft twee jaar achter de schors van verse dode bomen of takken en ook de volwassen kever leeft het grootste deel van zijn leven achter schors. Populier is in Nederland de absolute favoriete boom voor de soort, maar ook de meeste andere loofbomen en zelfs enkele naaldboomsoorten worden bewoond. Vanwege het droge karakter en de zeer beperkte hoeveelheid dood hout binnen de houtsingel wordt deze soort hier niet verwacht. Overige beschermde insecten en landweekdieren zijn niet in de directe omgeving waargenomen en dus niet te verwachten op het plangebied.
29
7
Effecten van de ingreep en toetsing aan de wet natuurbescherming
In dit hoofdstuk wordt ingegaan op de voorgenomen activiteiten en de effecten die deze activiteiten hebben op flora en fauna. Deze effecten worden vervolgens getoetst aan de wet natuurbescherming.
7.1.
Activiteitenoverzicht
Deze activiteit kan leiden tot: -
Verlies vaste voortplantings- rust- of verblijfplaatsen Verstoring door beweging van mensen en materiaal. Verstoring door geluid
De asbestsanering zal daarom worden uitgevoerd buiten het broedseizoen van alle aanwezige en mogelijk te verwachten soorten broedvogels, waarbij rekening wordt gehouden met laatbroedende soorten als houtduif en Turkse tortel. Deze activiteit zal naar verwachting twee tot drie weken in beslag nemen.
Voornemen De opdrachtgever heeft het voornemen om het perceel te herontwikkelen. Alle bedrijfsbebouwing, ruim 2.000 m2 wordt gesloopt. Hiervoor in de plaats komen 3 ‘Ruimte-voor-Ruimte’ woningen. Volgen de structuurvisie Buitengebied Schijndel moeten de nieuwe woningen landschappelijk worden ingepast en moet er sprake zijn van een verbetering van de ruimtelijke kwaliteit in brede zin. Er dient hierbij expliciet aandacht te worden besteed aan het versterken van de gewenste groene structuur middels het aanplanten van karakteristieke laanbeplanting. De bestaande woning blijft behouden. Er zal hier alleen een nieuw carport worden gemaakt. Asbestsanering Voorafgaand aan de sloop zal eerst een asbestsanering worden uitgevoerd door een daartoe gespecialiseerd bedrijf. Alle dakdelen van alle gebouwen zullen hierbij volledig worden verwijderd. Vanwege de gezondheidsrisico’s die hier mee gepaard gaan, zullen deze dakdelen naar alle waarschijnlijkheid zoveel mogelijk intact worden verwijderd. Dit zal met beleid worden uitgevoerd. Wellicht worden er wel hulpmiddelen ingezet om de platen van het dak te hijsen (kranen etc.).
30
Sloop van gebouwen De sloop zal aansluitend plaatsvinden. Deze activiteit zal naar verwachting twee tot drie weken in beslag nemen. Sloopafval wordt ter plekke gesorteerd op de verharde delen van het terrein. Het sloopafval vervolgens worden afgevoerd met kiepwagens naar Van Doorn Recycling B.V op de Landingsweg 9 in Schijndel. De route die hier bij wordt gevolgd is terug te vinden in figuur 33. Dit traject is ongeveer 2,4 kilometer lang. Bij de sloopwerkzaamheden kunnen de volgende verstorende effecten optreden:
Figuur 33. Route van het vrachtverkeer.
-
Verlies vaste voortplantings- rust- of verblijfplaatsen Directe sterfte Verstoring door beweging van mensen en materiaal. Verstoring door trilling Verstoring door geluid
De sloop zal daarom worden uitgevoerd buiten de kwetsbare periode van te verwachten beschermde soorten. Verwijderen van vegetatie De opdrachtgever is van plan om de vegetatie langs de Venushoek te verwijderen om zichtlijnen te realiseren vanuit de nieuw te realiseren woningen naar de wegzijde. Aan deze zijde staat met name Westerse levensboom en andere exotische beplanting. Indien mogelijk worden de Figuur 32. Beeld van de nieuwe situatie. De paarse vlakken geven de nieuwe bebouwing weer, de oranje de bestaande.
31
enkele inheemse bomen hier gespaard indien deze niet in de weg staan voor de nieuw te realiseren opritten. De houtsingel is aan deze zijde ook erg smal (< 2 meter). De natuurwaarde van dit deel van de houtwal is laag vanwege de exotische soortensamenstelling en de zure strooisellaag worden. Bij het verwijderen van de vegetatie kunnen de volgende verstorende effecten optreden: -
Verlies vaste voortplantings- rust- of verblijfplaatsen Verstoring door mechanische effecten Verstoring door beweging van mensen en materiaal. Verstoring door trilling Verstoring door geluid
Bouwrijp maken van het terrein
Er worden vier nieuwe woningen gebouwd aan de zijde van de Venushoek. Het perceel zal daartoe worden verdeeld in 5 kavels die doorlopen tot aan de achterzijde (zie figuur 32 op pagina 31). Van deze woningen zijn ten tijde van het schrijven van dit rapport nog geen tekeningen beschikbaar. Voor de bouw van de woningen worden mobiele werktuigen, werkbussen en vrachtverkeer ingezet. Het is de verwachting dat het gehele terrein rond de huidige woning en de schuur intensief gebruikt zal worden. Bij de bouwactiviteiten kunnen de verstorende effecten optreden: -
Verstoring door beweging van mensen en materiaal. Directe sterfte Verstoring door trilling Verstoring door geluid Verstoring door licht
Voor aanvang van de bouw van de nieuwe woningen zal het terrein eerst bouwrijp worden gemaakt. Met een shovel zal de grond worden geëgaliseerd en zullen sleuven worden getrokken voor leidingen en elektra. Het bouwrijp maken van het terrein zal worden uitgevoerd buiten het broedseizoen van alle aanwezige en mogelijk te verwachten soorten broedvogels. Deze activiteit zal naar verwachting een aantal weken in beslag nemen. Bij het bouwrijp maken van het terrein kunnen de volgende verstorende effecten optreden: -
Verstoring door beweging van mensen en materiaal. Directe sterfte Verstoring door trilling Verstoring door geluid
Bouw van de nieuwe woningen en de carport 32
7.2.
Planning
De exacte planning is ten tijde van het schrijven van dit rapport nog niet bekend. Wel zal de planning worden aangepast zodat werkzaamheden buiten de kwetsbare periode van de te verwachten beschermde soorten plaatsvinden. De bouwperiode zal naar verwachting 9-12 maanden in beslag nemen.
Figuur 34. Globale planning van de ingreep.
33
7.3.
Bepaling invloed van de effecten
Bepalend bij de beoordeling van negatieve effecten van een project is de vraag of er wel of geen wezenlijke negatieve invloed is op de gunstige staat van instandhouding van een beschermde soort. Voor ruimtelijke ontwikkelingen betreft dit vooral het aantasten van de functionaliteit van de vaste rust- en verblijfplaats van de soort. Het betreft de vaste rust- en verblijfplaats zelf, alsook de soortspecifieke omgevingseisen, gekoppeld aan de vaste rust- en verblijfplaats. Hierbij dient ook de actieradius van de soort te worden betrokken. Als er sprake is van permanente vaste rust- en verblijfplaatsen en de soort heeft op basis van een ruimtelijke ontwikkeling geen herstelmogelijkheden, dan is er wel een wezenlijke negatieve invloed Als er sprake is van herstelmogelijkheden van beschermde soorten tijdens en na realisatie van de ruimtelijke ontwikkeling, is er lokaal en regionaal geen wezenlijke negatieve invloed op de gunstige staat van instandhouding van de soort Voorafgaand aan de activiteit dienen effectbeperkende en/of mitigerende maatregelen te worden getroffen om het herstel zo snel mogelijk te laten plaatsvinden.
7.4.
Effecten op de flora en fauna
Uit het onderzoek naar beschermde soorten blijkt dat er beschermde soorten zijn aangetroffen of mogelijkerwijs zijn te verwachten binnen het plangebied. In bijlage 1 zijn alle soorten weergegeven die zijn waargenomen, gesorteerd op de afstand ten opzichte van het plangebied. In deze paragraaf wordt ingegaan op de effecten op soorten die daadwerkelijk verwacht kunnen worden binnen de invloedsfeer van de geplande werkzaamheden.
7.4.1. Vogels Het is aannemelijk dat een aantal algemeen voorkomende vogels als broedvogel voorkomt in de houtsingel. Omdat alle vogels tijdens het broeden beschermd zijn, kunnen verstorende activiteiten tijdens het broedseizoen leiden tot een overtreding van de Wet natuurbescherming. Werkzaamheden die verstorend werken op de houtsingel moeten daarom worden gestart buiten het broedseizoen. Als de werkzaamheden doorlopen tot in het volgende broedseizoen, dan worden er geen verbodsbepalingen overtreden. Vogels zullen zich ofwel niet vestigen of er is gewenning opgetreden aan de verstoring waardoor negatieve effecten zijn uitgesloten. Dit geldt uiteraard alleen voor die delen van de houtsingel waar de verstoring ononderbroken plaatsvindt. Het blijft echter verboden om opzettelijk vogels te verstoren als er een wezenlijke negatieve invloed is op de gunstige staat van instandhouding (SVI) van de desbetreffende vogelsoort (art. 3.1 lid 4 en lid 5 Wnb). Bij soorten die al in een niet gunstige staat van instandhouding verkeren, is dat snel het geval. Soorten met een ongunstige staat van instandhouding worden echter niet verwacht binnen de invloedsfeer van de te verwachten ingreep. Werken tijdens het broedseizoen Voor het broedseizoen stelt de Wnb geen vaste begin- of einddatum. Het gaat erom of er een broedgeval is.
Normaal gesproken loopt het broedseizoen voor de meeste vogelsoorten van 15 maart tot 15 juli, maar er zijn soorten die buiten deze periode broeden. Voorbeelden zijn de bosuil (Strix aluco) die al in februari begint met broeden en houtduif (Columba palumbus) die tot in oktober kan broeden. Aangezien meerdere houtduiven broeden in de houtsingel zal met een lang broedseizoen rekening moeten worden gehouden. Hierbij moet worden opgemerkt dat de houtduif als broedvogel tamelijk ongevoelig is voor recreatie (Henkens, et al., 2003) en dus waarschijnlijk ook voor beweging op het werkterrein. Er wordt een verstoringsgevoeligheid gehanteerd van 20 meter van de broedlocatie (Krijgsveld, Smits, & Winden, 2008). Indien een voldoende grote afstand wordt aangehouden tot de nestlocaties, dan is het aannemelijk dat broedgevallen niet worden verstoord en dat er geen sprake is van een
34
overtreding van de verboden uit de Wnb. In dat geval kunnen activiteiten eerder worden gestart (vanaf juli).
In tabel 5 is concreet aangegeven wanneer welke werkzaamheden uitgevoerd mogen worden zonder dat er geen negatief effect optreedt op broedvogels. Tabel 5. Perioden waarin gewerkt kan worden indien er verstoring optreedt.
Jaarrond beschermde nesten
Werkzaamheden die Uitvoeren binnen periode verstorend werken op
Op één locatie is een opening gevonden die geschikt is als nestlocatie voor gierzwaluw (zie figuur 19 op pagina 19). Er is daarom in 2021 aanvullend onderzoek uitgevoerd volgens het kennisdocument gierzwaluw (BIJ12, 2017, versie 1.0) om te bepalen of deze locatie daadwerkelijk door gierzwaluw wordt gebruikt. Uit het onderzoek (zie tabel 1) bleek echter dat er geen enkele indicatie was dat de locatie als broedlocatie door gierzwaluw of een andere soort werd gebruikt. Er zijn slechts enkele keren overvliegende gierzwaluwen waargenomen tijdens het onderzoek Tabel 4. Overzicht van de veldbezoeken ten behoeve van het onderzoek naar gierzwaluw en de daarbij behorende weersomstandigheden. Het onderzoek is uitgevoerd door J. v. Straaten.
Gierzwaluw Datum
Tijd
Weersomstandigheden
23-05-2021
19:41 – 21:41
15 °C (aanvang), 15°C (einde), ZZW3, bewolkt. Geen neerslag
05-06-2021
19:56 – 21:56
16 °C (aanvang), 15°C (einde), WNW3, bewolkt. Geen neerslag
23-06-2021
20:06 – 22:06
17 °C (aanvang), 17°C (einde), N2, bewolkt. Geen neerslag
Broedvogels in houtsingel