Bijlage 2 - Toelichting bp Morschehoef 8 Erp
Tekst van het document
Wegens de toekenning van de archeologische dubbelbestemming geldt ter plaatse een onderzoeksverplichting naar archeologische waarden bij bodemingrepen met een oppervlakte groter 250 m2 en een diepte van 0,3 m ten opzichte van het maaiveld. Ter bescherming van het archeologisch bodemarchief wordt de archeologische dubbelbestemming met de hierbij passende planregeling overgenomen van het vigerend planologisch regime. Door het toepassen van deze regels bij toekomstige bodemingrepen blijft verzekerd dat het aspect archeologie passend wordt beschermd. Conclusie Het planvoornemen voorziet een Ruimte voor Ruimte waarbij bodemingrepen en nieuwbouwwerkzaamheden plaatsvinden. door het overnemen van de archeologische dubbelbestemmingen is verzekerd dat de aanwezige waarden passend worden beschermd. 4.6 Natuur Toetsingskader De Wet natuurbescherming (Wnb) is een wet van 16 december 2015, houdende regels ter bescherming van de natuur. De Wet natuurbescherming is in werking getreden op 1 januari 2017 en vervangt daarmee het voorheen geldende wettelijke stelsel voor de natuurbescherming, zoals neergelegd in de Natuurbeschermingswet 1998, de Flora- en faunawet en de Boswet. De wet regelt ten eerste de taken en bevoegdheden ten behoeve van de bescherming van natuurgebieden en planten- en diersoorten. Daarnaast bevat de wet onder meer bepalingen over de jacht en over houtopstanden.
In de Wet natuurbescherming is de Europese regelgeving omtrent natuurbescherming, zoals vastgelegd in de Vogelrichtlijn (Richtlijn 2009/147/EG, 30 november 2009) en Habitatrichtlijn (Richtlijn 92/43/EEG, 21 mei 1992) als uitgangspunt genomen. De gebiedsbescherming van de Natura 2000-gebieden is geregeld in hoofdstuk 2 van de Wnb. Onderdeel van deze gebiedsbescherming wordt gevormd door het Programma Aanpak Stikstof 2015 – 2021 (PAS), welke in werking is getreden per 1 juli 2015. Het PAS betreft een programma, voorheen op grond van de Natuurbeschermingswet 1998 en gecontinueerd onder de Wnb, en heeft als doel om de depositie van stikstof op de Natura 2000-gebieden te verminderen, de natuur te versterken en ruimte te bieden voor economische ontwikkelingen. Beoordeling Natura 2000-gebieden kunnen schade ondervinden wegens diverse aspecten, zoals verdroging, oppervlakteverlies, verontreiniging, versnippering, optische verstoring, verzuring en vermesting. Voor Pagina 28 van 56
wat betreft relevante emissies mag worden aangenomen dat deze afnemen gezien een veehouderijbedrijf wordt gesaneerd. Bovendien is de afstand tot de het dichtst gelegen beschermde gebied ‘Kampina en Oisterwijkse vennen’ circa 23 kilometer waardoor relevante deposities of overige effecten op de beschermde natuurgebieden zijn uitgesloten. Dit is tevens aangetoond door de Aerius berekening toegevoegd in de bijlage, met in de beoogde situatie een depositie van 0,00 mol per ha per jaar, zie onderstaand resultaat.
Conclusie Onderhavige ontwikkeling heeft met zekerheid geen mogelijk effect tot gevolg op de Natura 2000gebieden en derhalve zijn er geen belemmeringen voor onderhavige plan. 4.7 Flora en fauna Toetsingskader De Wet natuurbescherming (Wnb) is een wet van 16 december 2015, houdende regels ter bescherming van de natuur. De Wet natuurbescherming is in werking getreden op 1 januari 2017 en vervangt daarmee het voorheen geldende wettelijke stelsel voor de natuurbescherming, zoals neergelegd in de Natuurbeschermingswet 1998, de Flora- en faunawet en de Boswet. De wet regelt ten eerste de taken en bevoegdheden ten behoeve van de bescherming van natuurgebieden en planten- en diersoorten. Daarnaast bevat de wet onder meer bepalingen over de jacht en over houtopstanden. In de Wet natuurbescherming is de Europese regelgeving omtrent natuurbescherming, zoals vastgelegd in de Vogelrichtlijn (Richtlijn 2009/147/EG, 30 november 2009) en Habitatrichtlijn (Richtlijn 92/43/EEG, 21 mei 1992) als uitgangspunt genomen. Voor de soortenbescherming is wettelijk bovendien rechtstreeks verwezen naar het Verdrag van Bern en het Verdrag van Bonn.
Pagina 29 van 56
Het beschermingsregime betreffende soorten (flora en fauna) is opgenomen in hoofdstuk 3 van de Wnb. De verbodsbepalingen zijn hierbij afhankelijk gesteld van de soort (en daarmee de opname van die soort op de diverse lijsten) en de voorgenomen handelingen. Bovendien is een algemeen geldende zorgplicht opgenomen om handelingen achterwege te laten of maatregelen te treffen, om te voorkomen dat nadelige gevolgen ontstaan voor in het wild levende dieren en planten. Conform de Wet natuurbescherming is de initiatiefnemer bij ruimtelijke ingrepen verplicht op de hoogte te zijn van mogelijke voorkomende beschermde soorten binnen het plangebied. Vanuit die kennis dienen plannen en projecten getoetst te worden aan eventuele strijdigheid met de verbodsbepalingen uit de Wnb. Conform vaste jurisprudentie kan een plan worden vastgesteld indien aannemelijk wordt gemaakt dat het aspect flora en fauna niet aan de uitvoerbaarheid van het plan in de weg staat. Beoordeling In Nederland komen ongeveer 30.000 soorten dieren en planten voor. De Wet Natuurbescherming regelt de bescherming van circa 500 in het wild voorkomende soorten inheemse planten en dieren. In de Wet Natuurbescherming is onder meer bepaald dat beschermde diersoorten niet gedood, gevangen of verontrust mogen worden en plantensoorten niet geplukt, uitgestoken of verzameld mogen worden.
Bovendien dient iedereen voldoende zorg in acht te nemen voor in het wild levende dieren en planten. Daarnaast is het niet toegestaan om hun directe leefomgeving, waaronder nesten en holen, te beschadigen, te vernielen of te verstoren. Bij het beoordelen van de in het plangebied voorkomende beschermde soorten gaat het primair om soorten die door de ingreep direct beïnvloed worden, doordat: Zij fysiek aangetast worden (doden/verwonden van dieren, verwijderen van planten); Zij verstoord worden (toename van geluid of licht); Hun vaste verblijfplaatsen c.q. groeiplaatsen aangetast of verstoord worden. Afhankelijk van de voorgestane activiteiten op de planlocaties en de aangetroffen soorten geldt een vrijstelling of dient een ontheffing te worden aangevraagd. Hierbij geldt dat de regeling strikter is bij een zeldzame soort en ingrijpende activiteit. Vogels zijn in Nederland op gelijke wijze beschermd, waarbij geldt dat vooral in het broedseizoen (15 maart – 15 juli) sprake kan zijn van verontrusten, doden of verstoren van nestplaatsen. De soorten beschermende werking is dus rechtstreeks opgenomen in de Wet natuurbescherming. Gelet op de aard van het planinitiatief, dient met name bepaald te worden of ter plaatse van de planlocaties beschermde natuurwaarden (rode lijst soorten) bevinden, die verstoord zouden kunnen worden door de sloop van de agrarische bedrijfsbebouwing.
Verboden handelingen dienen desondanks zoveel mogelijk te worden voorkomen en handelingen mogen niet leiden tot aantasting van de gunstige staat van instandhouding. Het (onopzettelijk) doden, verwonden of verontrusten van deze soorten dient zo veel mogelijk voorkomen te worden. Voor de planontwikkeling is een ecologisch quickscan uitgevoerd welke is toegevoegd als bijlage. De quickscan heeft geleid tot onderstaande resultaten en advies. -
-
Op basis van het veldonderzoek en de analyse van de bestaande situatie kan het voorkomen van beschermde flora en fauna zo goed als zeker worden uitgesloten. Mede hierdoor en aan de hand van de geplande functieverandering van het plangebied; het slopen van de varkensstallen, waardoor de intensieve varkenshouderij volledig verdwijnt, wordt dan ook niet aanbevolen om een nadere inventarisatie door middel van extra veldonderzoek uit te voeren. De ingreep zal naar verwachting leiden tot een zeer beperkt en tijdelijk verlies van leefgebied van enkele overige beschermde soorten. De ingreep heeft geen invloed op de gunstige staat van instandhouding van deze soorten omdat het erf geschikt blijft als leefgebied en het relatief Pagina 30 van 56
-
-
-
-
algemene soorten betreft. Een ontheffing Wet natuurbescherming is daarom niet noodzakelijk. Voor alle beschermde, inheemse (ook de algemeen voorkomende) vogelsoorten geldt vanuit de Wet natuurbescherming een verbod op handelingen die nesten of eieren beschadigen of verstoren. Ook handelingen die een vaste rust- of verblijfsplaats van beschermde vogels verstoren zijn niet toegestaan. In de praktijk betekent dit dat verstorende werkzaamheden alleen buiten het broedseizoen uitgevoerd mogen worden. In het kader van de vogelrichtlijn wordt voor het broedseizoen geen standaardperiode gehanteerd. Van belang is of een broedgeval verstoord wordt, ongeacht de datum. Globaal gaat het om de periode 15 maart tot 15 juli. Werkzaamheden binnen het broedseizoen zijn mogelijk indien is vastgesteld dat er met de werkzaamheden geen nesten van broedvogels worden verstoord. In het kader van de zorgplicht dient men tijdens de uitvoering alert te zijn op aanwezige fauna en daarbij, indien noodzakelijk, mitigerende maatregelen te treffen. Deze maatregelen dienen ervoor om negatieve gevolgen voor beschermde soorten te voorkomen of te verzachten. De zorgplicht is altijd van toepassing, op basis waarvan door iedereen voldoende zorg in acht moet worden genomen voor de in het wild levende dieren en hun leefomgeving.
Dit kan bijvoorbeeld door buiten kwetsbare periodes (het voortplantings- en winterslaapseizoen) te starten met werkzaamheden en het gefaseerd werken om dieren de kans te geven om te vluchten. Bij onvoorziene omstandigheden dient daarnaast direct contact opgenomen te worden met een ter zake deskundige. Effecten op het Natuurnetwerk Nederland zijn niet denkbaar. Een nadere toetsing is dus niet aan de orde.
De overige delen van de bestemming ‘Agrarisch’, behoudens de te slopen bebouwing en verharding blijven door de planvorming onveranderd, enkel het bouwvlak wordt onttrokken. Het plan heeft daarmee geen invloed op eventueel aanwezige ruigtes, schuilmogelijkheden, houtwallen etc. hiervoor zal eveneens de Wet Natuurbescherming direct geldend zijn. Conclusie Het aspect ‘flora en fauna’ staat de planvorming niet in de weg. 4.8 Wegverkeerslawaai Toetsingskader Op basis van artikel 76 van de Wet geluidhinder (Wgh) dienen bij de vaststelling van een bestemmingsplan, wijzigingsplan of uitwerkingsplan de waarden als bedoeld in art. 82 t/m 85 van de Wgh in acht te worden genomen, indien dat plan gelegen is in een zone rondom een weg als bedoeld in art. 74 lid 1 Wgh en (het betreffende onderdeel van) dat plan mogelijkheden biedt voor: • de realisatie van woningen, andere geluidsgevoelige gebouwen en van geluidsgevoelige terreinen (functies zoals genoemd in art. 1 Wgh en art 1.2 Bgh – het Besluit geluidhinder zoals gewijzigd op 4 april 2012); • de aanleg van een nieuwe weg en/ of een reconstructie van een bestaande weg; • functiewijzigingen van een niet-geluidsgevoelige functie in een geluidsgevoelige functie (bijvoorbeeld via afwijkings- of wijzigingsbevoegdheid).
Beoordeling Voor de beoogde planontwikkeling is een akoestisch onderzoek uitgevoerd naar het wegverkeerslawaai op de beoogde woningen. Het onderzoek is toegevoegd als bijlage. Uit het onderzoek blijkt dat de voorkeursgrenswaarde van 48 dB alleen wordt overschreden vanwege het Pagina 31 van 56
verkeer op de Morschehoef. De geluidbelasting vanwege het verkeer op het Looieind is lager dan 48 dB. De geluidsbelasting als gevolg van het verkeer op de Morschehoef is op de voorgevel van woning 1: 55 dB en op die van woning 2: 56 dB (incl. aftrek artikel 110g Wgh). Omdat de maximale ontheffingswaarde van 53 dB wordt overschreden, dient van beide woningen de volledige voorgevel ‘doof’ uitgevoerd te worden. Tevens dient een hoge waarde besluit te worden genomen en dient voorafgaand aan de bouw van de nieuwe woningen een gevelweringsonderzoek te worden uitgevoerd. Door het opnemen van voorschriften in de planregels in combinatie met een aanduiding op de verbeelding wordt gewaarborgd dat de voorgevels van beide ruimte-voor-ruimte woningen doof uitgevoerd worden. Conclusie Door het nemen van de juiste maatregelen en het nemen van een hogere waarde besluit vormt het aspect ‘wegverkeerslawaai’ geen belemmering voor onderhavige ontwikkeling. 4.9 Bedrijven en milieuzonering (Geurhinder en veehouderijen) 4.9.1 Bedrijven en milieuzonering Toetsingskader Door het aanbrengen van een zone tussen bedrijvigheid en milieugevoelige bestemmingen (zoals woningbouw) kan de overlast ten gevolge van bedrijfsactiviteiten zo laag mogelijk gehouden worden.
Zonering is met name van toepassing bij nieuwbouw van woningen en andere gevoelige functies in de directe omgeving van een bedrijf en bij vestiging van een nieuw bedrijf in de directe omgeving van gevoelige bestemmingen. Op basis van de VNG-handreiking 'Bedrijven en Milieuzonering 2009' (hierna: VNG-handreiking) wordt onder milieugevoelige functies verstaan: woningen, woongebieden, ziekenhuizen, scholen en verblijfsrecreatie. Sommige functies kunnen zowel milieubelastend als milieugevoelig zijn (bijvoorbeeld ziekenhuizen en scholen). Beoordeling Het planinitiatief omvat het saneren van een intensief veehouderijbedrijf en de realisatie van nieuwe burgerwoningen. Een woning wordt niet gezien als een milieubelastende functie, enkel als een milieugevoelige functie. Zoals afgebeeld hieronder bestaan de milieubelastende functies in de omgeving uit: 1. 2. 3. 4.
Morschehoef 7-7a interieurbouwbedrijf (milieucategorie 3.1); Detailhandel op Morschehoef 12; Agrarisch-technisch hulpbedrijf op Morschehoef 13; Agrarisch bedrijf op Morschehoef 14 (geen geuremissie vergund).
Pagina 32 van 56
Morschehoef 7-7a (reeds omgezet naar interieurbedrijf)
Detailhandel (12)
Agrarisch-technisch hulpbedrijf (13)
Agrarisch bedrijf (14)
Morschehoef 7-7a Op locatie is een interieurbouwbedrijf aanwezig van maximaal milieucategorie 3.1. Hiervoor geldt een adviesafstand van 50 meter. De planlocatie is gelegen op 69 meter van het interieurbouwbedrijf. Hierdoor is het niet aannemelijk dat ter plaatse van de woning Morschehoef 8 sprake is van een onaanvaardbaar woon- en leefklimaat. Tevens wordt het bedrijf op Morschehoef 7-7a niet gehinderd in zijn ontwikkelingsmogelijkheden.
Pagina 33 van 56
Morschehoef 12 Op locatie is een elektronicazaak bestemd met een maximale bedrijfsoppervlakte van 713 m². In de huidige situatie is deze oppervlakte gerealiseerd. Voor een detailhandelszaak is een richtafstand van 10 meter van toepassing. De beoogde woningen in het planvoornemen zijn gesitueerd buiten de richtafstand van 10 meter ten opzichte van de bestemmingsgrens. Derhalve mag worden aangenomen dat sprake is van een aanvaardbaar woon- en leefklimaat aangaande de locatie Morschehoef 12 én mag worden aangenomen dat de bedrijfslocatie niet in zijn ontwikkelingsmogelijkheden wordt beperkt door het planvoornemen. Morschehoef 13 Op locatie is een agrarisch-technisch hulpbedrijf bestemd met een maximale bedrijfsoppervlakte van 655 m². In de huidige situatie is deze oppervlakte gerealiseerd. Voor de locatie is milieucategorie 3.1 van toepassing. Door de aanwezigheid van de vele bedrijvigheid in de omgeving van het plangebied is de omgeving aan te kenmerken als een ‘gemengd gebied’. Hierdoor mogen de richtafstanden met één afstandstrap worden verlaagd waardoor een ‘vaste afstand’ van 30 meter aangehouden dient te worden. De beoogde woningen in het planvoornemen zijn gesitueerd buiten de richtafstand van 30 meter ten opzichte van de bestemmingsgrens.
Derhalve mag worden aangenomen dat sprake is van een aanvaardbaar woon- en leefklimaat aangaande de locatie Morschehoef 13 én mag worden aangenomen dat de bedrijfslocatie niet in zijn ontwikkelingsmogelijkheden wordt beperkt door het planvoornemen. Tevens mogen op locatie schapen worden gehouden als nevenactiviteit en is productiegebonden detailhandel toegestaan. Morschehoef 14 Op locatie is een intensief agrarisch bedrijf bestemd. Voor de locatie zijn geen milieutoestemmingen gemeld of verleend voor het houden van dieren. Voor agrarische locaties waarbij geen dieren worden gehouden bedraagt de ‘vaste afstand’ voor geluid en stof 30 respectievelijk 10 meter. Door de aanwezigheid van de vele bedrijvigheid in de omgeving van het plangebied is de omgeving aan te kenmerken als een ‘gemengd gebied’. Hierdoor mogen de richtafstanden met één afstandstrap worden verlaagd. Voor de aspecten geluid en stof dient derhalve een ‘vaste afstand’ van 10 meter aangehouden te worden. De twee nieuw te realiseren woningen zijn gelegen op een afstand van ruim 110 meter. Tussen de planlocatie en de bedrijfslocatie Morschehoef 14 is reeds een geurgevoelig object gelegen, namelijk de woning Morschehoef 12. Indien op de bedrijfslocatie een veehouderij wordt beoogd zal het geurgevoelig object Morschehoef 12 het bedrijf eerder beperken in zijn ontwikkeling dan het planvoornemen.
De beoogde woningen in het planvoornemen zijn gesitueerd buiten de richtafstand van 10 meter ten opzichte van de bestemmingsgrens. Derhalve mag worden aangenomen dat sprake is van een aanvaardbaar woon- en leefklimaat aangaande de locatie Morschehoef 14. Gezien reeds een geurgevoelig object aanwezig is tussen de planlocatie en de locatie Morschehoef 14 mag eveneens worden aangenomen dat de bedrijfslocatie niet in zijn ontwikkelingsmogelijkheden wordt beperkt door het planvoornemen. Schuurhoek 5 Op Schuurhoek 5 is een varkenshouderij gelegen. Op grond van VNG-handreiking 'Bedrijven en Milieuzonering 2009' bedraagt de ‘vaste afstand’ voor geur 200 meter. De afstand van geluid en stof bedraag 50 respectievelijk 30 meter. De afstand van de bedrijfsbestemmingsgrens tot de uitterste situering van de gevel van de gevoelige bestemmingen in het plangebied bedraagt 270 meter. Hierdoor Pagina 34 van 56
mag worden aangenomen dat sprake is van een aanvaardbaar woon- en leefklimaat. Het bedrijf wordt daarbij reeds beperkt door meer nabij gelegen burgerwoningen. 4.9.2 Wet geurhinder en veehouderij Bij het opstellen van ruimtelijke plannen moet worden gewaarborgd dat sprake is van een aanvaardbaar woon- en verblijfsklimaat op plaatsen waar het vestigen van een (geur)gevoelig object mogelijk wordt gemaakt. Verder moet worden voorkomen dat bestaande veehouderijen onevenredig in hun belangen worden geschaad. Om de milieucontouren te bepalen moet worden uitgegaan van de ‘omgekeerde werking’ van de milieuregelgeving. In de bestemmingsplantoets wordt daartoe getoetst of ter plaatse van de te bestemmen geurgevoelige objecten voldaan wordt aan de eisen die de milieuregelgeving stelt. In de Handreiking bij Wet geurhinder en veehouderij is beschreven hoe kan worden bepaald hoeveel geurhinder kan worden verwacht in een gebied, gelet op de geurbelasting die daar is berekend. Op grond van de berekende geurbelastingen wordt met behulp van de tabellen A (achtergrondbelasting) en B (voorgrondbelasting) uit bijlage 6 van de Handreiking de te verwachten geurhinderpercentages bepaald. Het hoogste geurhinderpercentage (voorgrondbelasting of achtergrondbelasting) is maatgevend voor de geursituatie.
Deze percentages zijn bedoeld om een vertaalslag te maken tussen de waarden voor de geurbelasting en de milieukwaliteit. De percentages zijn afkomstig uit het ‘Geuronderzoek stallen intensieve veehouderij’ (PRA Odournet, 2001). De geursituatie wordt beschreven in termen van milieukwaliteit, onderverdeeld in acht categorieën van ‘zeer goed’ tot ‘extreem slecht’. Deze termen zijn afkomstig uit de ‘GGD-richtlijn geurhinder (oktober 2002)’. Dit is beschreven in bijlage 7 van de Handreiking. Een overzicht van de geurbelasting in relatie tot de geurhinderpercentages en de milieukwaliteit is te zien in tabel 2. Voorgrondbelasting (oue/m³) < 1,5 1,5 – 3,5 3,5 – 6,5 6,5 – 10 10 – 14 14 – 19 19 - 25 > 25
Achtergrondbelasting (oue/m³) <3 3–7 7 – 13 13 – 20 20 – 28 28 - 38 38 - 50 > 50
Geurgehinderden (%)
Leefklimaat
<5 5 – 10 10- 15 15 – 20 20 – 25 25 – 30 30 - 35 > 35
Zeer goed Goed Redelijk goed Matig Tamelijk slecht Slecht Zeer slecht Extreem slecht
Tabel 2: relatie tussen voor- en achtergrondbelasting conform Wgv
In de directe nabijheid van de planlocatie is één dominante veehouderij gelegen. De veehouderij die het meest van invloed is op de geurbelasting in de omgeving van de planlocatie is Morschehoef 7-7a (16.836 Ou/s). In onderstaande afbeelding is de actueel vergunde situatie van het bedrijf weergeven.
Pagina 35 van 56
Pagina 36 van 56
Omliggende veehouderijbedrijven Op onderstaande afbeelding zijn de omliggende veehouderijbedrijven weergeven.
Schuurhoek 5 41.562 Ou/s
Morschehoef 7 0 Ou/s
Morschehoef 13 1.771 Ou/s
Belangen omliggende veehouderijen De bestemmingswijziging mag de reguliere bedrijfsvoering van de omliggende veehouderijen niet schaden, c.q. het juridisch-planologisch toegestane gebruik niet belemmeren. Tussen de omliggende veehouderijbedrijven en de planlocatie zijn reeds burgerwoningen van derden gelegen (Morschehoef 9, Morschehoef 11). Hierdoor worden de veehouderijbedrijven eerder beperkt in hun ontwikkeling dan door het planvoornemen. Beoordeling Het planvoornemen schaadt de belangen van omliggende veehouderijen niet. Woningen van derden zijn immers korter gelegen tot de veehouderijbedrijven. Achtergrond geurbelasting Op basis van de gemeentelijke geurverordening en gebiedsvisie geldt een streefwaarde van 20,0 ouE/m³ voor de achtergrondbelasting. Op basis van de geurkaart met achtergrondbelasting van de ODZOB, zie onderstaand, volgt dat de achtergrondbelasting ter plaatse van de kwaliteit ‘redelijk goed’ is (de te saneren veehouderij op Morschehoef is hier nog in meegenomen, na uitvoering van het plan Pagina 37 van 56
zal de achtergrondbelasting dus nog verder dalen). Het woon- en leefklimaat wordt daarmee aanvaardbaar geacht in het kader van de gemeentelijke gebiedsvisie.
Conclusie Uit het bovenstaande is te concluderen dat de bestaande omliggende bedrijven niet onevenredig worden beperkt in hun gebruiks- en ontwikkelmogelijkheden. Het planinitiatief heeft geen nadelig effect op deze omliggende bedrijven. Daarbij is aangetoond dat ter plaatse van de geurgevoelige objecten binnen de plangebieden sprake is van een aanvaardbaar woon en leefklimaat. Het aspect ‘bedrijven en milieuzonering’ en de Wet geurhinder veehouderij staat de ontwikkeling daarom niet in de weg. Voorgrond geurbelasting Voor de locatie Morschehoef 7-7a is conform de Wgv een vaste afstand van 50 meter van toepassing voor het houden van dieren waarvoor geen emissiefactor is vastgesteld. Deze afstand geldt ten opzichte van het dichtst gelegen emissiepunt. Aan deze afstand wordt voldaan. De voorgrondbelasting van de omliggende dominante veehouderijbedrijven aan Morschehoef 13 en Schuurhoek 5 is in beeld gebracht middels V-Stacks Vergunning op basis van standaardparameters op de hieronder weergeven immissiepunten van het plangebied.
Pagina 38 van 56
Morschehoef 8 170497 / 402554
Morschehoef 8A 170492 / 402524 Morschehoef 8B 170492 / 402539 Morschehoef 8C 170487 / 402528 Morschehoef 8D 170487 / 402515
Hiervoor is gebruik gemaakt van onderstaande uitgangspunten. Gezien beide locaties reeds worden beperkt door omliggende burgerwoningen hoeft niet te worden uitgegaan van het worst-case emissiepunt van het bouwvlak, voor de overzichtelijkheid is dit ten aanzien van Morschehoef 13 wél gedaan en is voor de Schuurhoek 5 uitgegaan van het centraal emissiepunt van de schapenstal, zie onderstaande afbeelding.
Schuurhoek 5 170676 / 402772
Morschehoef 13 170575 / 402365
Pagina 39 van 56
Naam van het bedrijf: Schuurhoek 5 Berekende ruwheid: 0,19 m Meteo station: Eindhoven Brongegevens: Volgnr.
BronID
X-coord.
Y-coord.
EP Hoogte
Gem.geb. hoogte
EP Diam.
EP Uittr. snelh.
E-Aanvraag
1
Schuurhoek 5
170 676
402 772
5,0
5,0
0,50
4,00
41 562
Geur gevoelige locaties: Volgnummer 2 3 4 5 6
GGLID Morschehoef 8 Morschehoef 8A Morschehoef 8B Morschehoef 8C Morschehoef 8D
Xcoordinaat 170 497 170 492 170 492 170 487 170 487
Ycoordinaat 402 554 402 524 402 539 402 528 402 515
Geurnorm 14,0 14,0 14,0 14,0 14,0
Geurbelasting 6,2 5,6 5,9 5,5 5,2
Pagina 40 van 56
Naam van het bedrijf: Morschehoef 13
Berekende ruwheid: 0,26 m Meteo station: Eindhoven Brongegevens: Volgnr.
BronID
X-coord.
Y-coord.
EP Hoogte
Gem.geb. hoogte
EP Diam.
EP Uittr. snelh.
E-Aanvraag
1
Morschehoef 13
170 575
402 365
5,0
5,0
0,50
4,00
1 771
Geur gevoelige locaties: Volgnummer 2 3 4 5 6
GGLID Morschehoef 8 Morschehoef 8A Morschehoef 8B Morschehoef 8C Morschehoef 8D
Xcoordinaat 170 497 170 492 170 492 170 487 170 487
Ycoordinaat 402 554 402 524 402 539 402 528 402 515
Geurnorm 14,0 14,0 14,0 14,0 14,0
Geurbelasting 0,4 0,5 0,5 0,5 0,6
Pagina 41 van 56
Beoordeling Uit de berekening van de voorgrondbelasting blijkt een geurbelasting van 5,2 tot 5,6 odourunits voor de nieuw te bouwen woningen. Voor de voormalige bedrijfswoning is een belasting van 6,2 berekend. van toepassing. Ter plaatse van de te realiseren woning is derhalve sprake van een ‘redelijk goed’ en daarmee aanvaardbaar woon- en leefklimaat ten aanzien van de voorgrondbelasting. Tevens is sprake van een redelijk goed, en daarmee aanvaardbaar, woon- en leefklimaat op basis van de achtergrondbelasting. 4.10 Gezondheid Voorafgaand aan de realisatie van de beoogde situatie dient onderzocht te worden of er ter plaatse van de beoogde woning geen sprake is van aantasting van de volksgezondheid, daarom is het onderwerp volksgezondheid meegenomen in deze ruimtelijke ordening. 4.10.1 Endotoxinen (varkens- en pluimveehouderijen) De intensieve veehouderijen binnen de agrarische sector dragen bij aan de emissies van fijn stof PM10 in Nederland. Dit geëmitteerde fijn stof bestaat uit een aantal stoffen, waarvan endotoxinen onderdeel uit (kunnen) maken. Op 7 juli 2016 zijn onderzoeksrapporten gepubliceerd waarin wordt aangetoond dat omwonenden rond veehouderijen gezondheidsrisico’s lopen door de blootstelling aan emissies uit veehouderijen. Endotoxine is voor luchtwegklachten een relevante component in de (fijn)stof emissie uit veehouderijen.
De ontwikkeling van een landelijk toetsingskader voor endotoxine door het Rijk, op advies van de Gezondheidsraad, is nog niet afgerond. Vooruitlopend daarop is door het Ondersteuningsteam Veehouderij en Volksgezondheid van het Bestuurlijk Platform Omgevingsrecht de ‘Notitie Handelingsperspectieven Veehouderij en Volksgezondheid: Endotoxine toetsingskader 1.0’ opgesteld. Inmiddels is ook de Handreiking veehouderij en volksgezondheid 2.0 vastgesteld. Deze handreiking verwijst op zijn beurt weer naar de notitie die inhaakt op de lopende ontwikkeling van het landelijke endotoxinetoetsingskader en maakt gebruik van de daaruit voortkomende onderzoeksresultaten. De voorlopige onderzoekresultaten zijn voor de Gezondheidsraad in 2012 aanleiding geweest om voor de algemene bevolking een gezondheidskundige advieswaarde voor endotoxine van 30 EU/m³ aan het Rijk te adviseren. Deze advieswaarde wordt tevens gehanteerd in de notitie. Uitgangspunt in de ruimtelijke ordening is dat sprake moet zijn van een aanvaardbaar woon- en leefklimaat en derhalve de advieswaarde van 30 EU/m³ niet wordt overschreden. Door de Omgevingsdienst Zuidoost-Brabant (ODZOB) is een berekeningsmodel opgesteld waarmee de individuele afstandscontour of endotoxine-risicocontour van 30 EU/m³ eenvoudig bepaald kan worden.
Gemeenten adviseren bij een situatie waarbij binnen een afstand van 250 meter van het te realiseren kwetsbare object een varkenshouderij of binnen een afstand van 500 meter een pluimveehouderij gelegen is, gebruik te maken van de afstandsbepalingen uit de ‘Notitie Handelingsperspectieven Veehouderij en Volksgezondheid: Endotoxine toetsingskader 1.0’. Alsook de laatste Handreiking veehouderij en volksgezondheid 2.0 verwijst naar deze ‘richt-afstand’. Beoordeling Binnen 500 meter van de nieuwe gevoelige bestemmingen zijn onderstaande veehouderijen gelegen (exclusief geitenhouderijen): - Morschehoef 7-7a Pagina 42 van 56
-
Schuurhoek 5 Morschehoef 13 Morschehoef 14
Hieronder wordt voor de veehouderijen getoetst aan het Stappenplan 2.0. 1. Endotoxine Aan de hand van de endotoxine ‘richt-afstand’ (VGO-1) bepalen of omliggende varkens/pluimveehouderijen op voldoende afstand zijn gelegen: Morschehoef 7-7a, betreft geen varkens- of pluimveehouderij, door naar stap 2 Schuurhoek 5, betreft een varkenshouderij waarvan de grens van het agrarisch bouwvlak op 290 meter van de nieuwe gevoelige objecten is gelegen, hiermee wordt voldaan aan de endotoxine ‘richtafstand’, gezien het minimum van 250 meter wordt overschreden. Morschehoef 13, betreft geen varkens- of pluimveehouderij, door naar stap 2 Morschehoef 14, betreft een varkenshouderij waarvan de grens van het agrarisch bouwvlak op 110 meter van de nieuwe gevoelige objecten is gelegen, gezien op locatie 0 kilo fijnstof is vergund, wordt voldaan aan de endotoxine ‘richt-afstand’, 2. Emissies De ontwikkeling leidt niet tot een toename van emissies. Door naar stap 3 ten aanzien van alle veehouderijlocaties. 3a. Geur, toetsen aan aanvaardbaar woon-/leefklimaat a.d.h.v. wettelijk kader Voldoet ten aanzien van alle veehouderijlocaties, zie voorgaande paragraaf. Door naar stap 4. 3b. Geur, toetsen aan aanvaardbaar woon-/leefklimaat a.d.h.v. gezondheidskundige advieswaarde I.
voor dieren met emissiefactor: Schuurhoek 5, norm van 5 ou/m3 wordt op basis van de rekenresultaten van voorgaande paragraaf overschreden omdat daar gebruik is gemaakt van het worst-case emissiepunt. Indien de vergunde situatie wordt gehanteerd zal dit zorgen voor meer verspreiding van geur over meerdere emissiepunten en op verdere afstand van de planlocatie. Het is hierdoor aannemelijk dat de geurbelasting op de planlocatie zal afnemen tot beneden 5 ou/m3. Morschehoef 13, voldoet, zie vorige paragraaf Morschehoef 14, voldoet gezien 0 Ou/s zijn vergund op locatie II. voor dieren zonder emissiefactor: Morschehoef 7-7a, voldoet niet, bedrijf is binnen 100 meter legen van gevoelige locatie. 4a. Binnen één veehouderij (1 adres of 1 ondernemer) worden bedrijfsmatig meerdere diersoorten Gehouden Niet van toepassing voor alle veehouderijlocaties. Enkel op Morschehoef 13 wordt een combinatie van paarden en schapen gehouden. 4b. De afstand tussen de inrichtingsgrenzen van een varkensbedrijf en een pluimveebedrijf bedraagt in de nieuwe situatie minder dan 100 meter. Niet van toepassing voor alle veehouderijlocaties. Pagina 43 van 56
5a. Geitenhouderij: binnen een afstand van 2 kilometer liggen woon- en verblijfsruimten van derden. Zie de navolgende paragraaf. 5b. Pluimveebedrijven: binnen een afstand van 1 kilometer liggen woon- en verblijfsruimten van derden. Niet van toepassing, de initiële toetsingsafstand voor pluimveehouderijen bij ruimtelijke planvorming bedraagt enkel 500 meter, zie stap 1. 5c. Overige veehouderijen: binnen een afstand van 250 meter ligt een bebouwde kom. Niet van toepassing, het betreft geen plan voor de uitbreiding van een bebouwde kom. 6. Er is sprake van mestbe- of ververwerking als nevenactiviteit of als zelfstandige activiteit. Niet van toepassing 7. Bij omwonenden is sprake van ongerustheid over de volksgezondheid; Niet van toepassing Uit het doorlopen stappenplan blijkt dat niet voldaan wordt aan de afstand van 100 meter tussen het veehouderijbedrijf op Morschehoef 7-7a (overige veehouderij) en de nieuwe gevoelige objecten op de planlocatie. Echter uit de meest recente VGO-onderzoeken, gepubliceerd ná VGO-2, blijkt geen negatieve relatie tussen overige veehouderijen en de nabijheid van gevoelige objecten. Een advies van de GGD wordt derhalve niet noodzakelijk geacht voor onderhavige kleinschalige ontwikkeling.
4.10.2 Geitenhouderijen Uit het onderzoek veehouderij en gezondheid omwonenden (VGO) van het RIVM onderzoek in 2017 is gebleken dat zich in een straal tot tussen 1,5 en 2 kilometer rond geitenbedrijven een verhoogd aantal gevallen van longontsteking voordoet. Het is nog onbekend waardoor dit precies komt. Van belang is wat nog toegestaan kan worden binnen de invloedssfeer van een geitenhouderij. Zolang nog niet duidelijk is waardoor het verhoogde risico bij geitenhouderijen ontstaat heeft het Bestuurlijk Platform Omgevingsrecht een advies memo opgesteld. Daarin wordt gesteld dat de goede ruimtelijke ordening vraagt om aanhouding van besluitvorming over het toevoegen van gevoelige functies binnen 2 km van een geitenhouderij totdat meer duidelijk is over de oorzaak van de gezondheidsrisico’s. Met de voorgenomen ontwikkeling is er sprake van het toevoegen van gevoelige functies. Binnen de gemeente Meierijstad zijn de volgende geitenhouderijen aanwezig, met daarbij de afstand tot de planlocatie: • Boxtelseweg 10 (13 km) • Oetelaarsestraat 29 (14 km) • Schootsedijk 47 (14 km) • Pastoor Smitsstraat 55 (14,8 km) Aan de Duifhuizerweg 24 te Uden bevindt zich tevens een geitenhouderij op circa 2,5 kilometer van de planlocatie.
Pagina 44 van 56
De afstand tot de dichtstbijzijnde geitenhouderij tot het plangebied bedraagt hierdoor circa 2,5 kilometer. 4.10.3 Conclusie Gezien de plangebieden op basis van de geadviseerde afstanden voor endotoxinen en geitenhouderijen op voldoende afstand liggen, kan worden geconcludeerd dat het aspect ‘gezondheid’ de gewenste ontwikkeling niet in de weg staat. 4.11 Externe veiligheid 4.11.1 Inleiding Externe veiligheid heeft betrekking op de risico's die mensen lopen als gevolg van mogelijke ongelukken met gevaarlijke stoffen bij bedrijven, transportroutes (wegen, spoorwegen en waterwegen) en buisleidingen. Omdat de gevolgen van een ongeluk met gevaarlijke stoffen groot kunnen zijn, zijn de aanvaardbare risico's vastgelegd in diverse besluiten. De belangrijkste zijn: ➢ Besluit externe veiligheid inrichtingen (Bevi); ➢ Besluit externe veiligheid buisleidingen (Bevb); ➢ Besluit externe veiligheid transportroutes (Bevt). Binnen de beleidskaders voor deze drie typen risicobronnen staan altijd twee kernbegrippen centraal: het plaatsgebonden risico en het groepsrisico. Hoewel beide begrippen onderlinge samenhang vertonen zijn er belangrijke verschillen. Hieronder worden beide begrippen verder uitgewerkt.
Risiconormering In het beoordelingskader voor externe veiligheid staan twee kernbegrippen centraal: het plaatsgebonden risico en het groepsrisico: Plaatsgebonden risico (PR) Het plaatsgebonden risico geeft de kans, op een bepaalde plaats, om te overlijden ten gevolge van een ongeval bij een risicovolle activiteit. Het PR kan op de kaart van het gebied worden weergeven met zogeheten risicocontouren: lijnen die punten verbinden met eenzelfde PR. Binnen de 10-6 contour (welke als wettelijk harde norm fungeert) mogen geen kwetsbare objecten geprojecteerd worden. Voor beperkt kwetsbare objecten geldt de 10-6 contour niet als grenswaarde, maar als een richtwaarde. Groepsrisico (GR) Het groepsrisico is een maat voor de kans dat bij een ongeval een groep slachtoffers valt met een bepaalde omvang (10 personen of meer). Het GR wordt bepaald binnen het invloedsgebied van een risicovolle activiteit en kent geen vaste norm, maar een oriëntatiewaarde (= ‘1’). Voor het groepsrisico geldt een verantwoordingsplicht. Dit houdt in dat iedere wijziging met betrekking tot planologische keuzes moet worden onderbouwd én verantwoord door het bevoegd gezag. Verantwoordingsplicht groepsrisico Met het invullen van de verantwoordingsplicht wordt antwoord gegeven op de vraag in hoeverre externe veiligheidsrisico's in het plangebied worden geaccepteerd en welke maatregelen getroffen zijn Pagina 45 van 56
om het risico zoveel mogelijk te beperken. Het invullen van de verantwoordingsplicht is een taak van het bevoegd gezag (veelal de gemeente). Door de verantwoordingsplicht worden gemeenten gedwongen het externe veiligheidsaspect mee te laten wegen bij het maken van ruimtelijke keuzes. Deze verantwoording is kwalitatief en bevat verschillende onderdelen die aan bod kunnen of moeten komen. Ook bestaat er een adviesplicht voor de regionale brandweer. In de Handreiking verantwoordingsplicht groepsrisico zijn de onderdelen van de verantwoording nader uitgewerkt en toegelicht. Wanneer verantwoorden?
Door het uitwerken van de verantwoordingsplicht neemt het bevoegd gezag de verantwoordelijkheid voor het 'restrisico' dat overblijft nadat benodigde de veiligheidsverhogende maatregelen genomen zijn. Overige wet- en regelgeving Tot slot wordt in het kader van een ‘goede ruimtelijke ordening ‘ (art. 3.1 Wro) onder andere getoetst aan eventueel van toepassing zijnde veiligheidsafstanden uit het Activiteitenbesluit, het Barro, de effectafstanden uit de ‘Circulaire effectafstanden LPG-tankstations’. 4.11.2 Inventarisatie Met behulp van de risicokaart is beschouwd of risicobronnen in de omgeving van het plangebied een risico vormen voor de voorgenomen ontwikkeling. In navolgend figuur is een uitsnede weergegeven van de risicokaart.
Pagina 46 van 56
Uitsnede Risicokaart. Bron: Risicokaart.nl
Uit de risicokaart blijkt, dat er geen inrichtingen met externe veiligheidsrisico’s in de omgeving van het plangebied zijn gelegen, welke een risicocontour over de plangebieden hebben liggen. Ten oosten en westen van de planlocatie liggen op circa 1,9 en 2,1 kilometer gasleidingen van Gasunie. De A50 is gelegen op circa 4 kilometer. Er zijn geen buisleidingen, wegen en vaarwegen aanwezig, waarover of waardoor gevaarlijke stoffen worden vervoerd, in de omgeving met een risicocontour (veiligheidscontour, PR-10-6 contour en/of invloedsgebied) over het plangebied. 4.11.3 Beoordeling De planlocatie is niet gelegen in een PR-contour of invloedsgebied. Het aspect ‘externe veiligheid’ staat het planvoornemen derhalve niet in de weg. 4.12 Luchtkwaliteit 4.12.1 Effect op de luchtkwaliteit (NIBM) Toetsingskader
Pagina 47 van 56
In het kader van een planologische procedure dient te worden aangetoond dat voldaan wordt aan de wettelijke normen voor wat betreft luchtkwaliteit. Hierbij dient het effect op de luchtkwaliteit in de omgeving als gevolg van een nieuwe ontwikkeling, als ook de toetsing aan de 'Wet luchtkwaliteit' in beeld te worden gebracht. De 'Wet luchtkwaliteit' van 15 november 2007, opgenomen in hoofdstuk 5, onder titel 5.2 van de Wet milieubeheer (Wm) gaat in op luchtkwaliteitseisen. In Bijlage 2 van de Wm zijn wettelijke grenswaarden vastgelegd van onder andere de stoffen stikstofdioxide (NO2), fijn stof (PM10), benzeen (C6H6), zwaveldioxide (SO2), lood (Pb) en koolmonoxide (CO). Voor PM10 geldt voor het jaargemiddelde een grenswaarde van 40 µg/m3 . Het 24- uursgemiddelde van 50 µg/m3 mag maximaal 35 dagen per kalenderjaar worden overschreden. Voor NO2 geldt voor het jaargemiddelde een grenswaarde van 40 µg/m3 . Het 24-uursgemiddelde van 200 µg/m3 mag maximaal 18 dagen per kalenderjaar worden overschreden. De 'Wet luchtkwaliteit' voorziet onder meer in een gebiedsgerichte aanpak van de luchtkwaliteit via het Nationaal Samenwerkingsprogramma Luchtkwaliteit (NSL).
Het Rijk, provincies en gemeenten werken in het NSL-programma samen aan maatregelen om de luchtkwaliteit te verbeteren tot de normen, ook in gebieden waar nu de normen voor luchtkwaliteit niet worden gehaald (overschrijdingsgebieden). De programma-aanpak zorgt voor een flexibele koppeling tussen ruimtelijke activiteiten en milieugevolgen. Kort samengevat dienen projecten te worden beoordeeld op basis van de 'Wet luchtkwaliteit' c.q. artikel 5.16 van de Wet milieubeheer. Luchtkwaliteitseisen vormen onder de 'Wet luchtkwaliteit' geen belemmering voor vergunningverlening als: • er geen sprake is van een feitelijke of dreigende overschrijding van een grenswaarde; • een project, al dan niet per saldo, niet tot een verslechtering van de luchtkwaliteit leidt; • een project 'niet in betekenende mate' bijdraagt aan de luchtverontreiniging; • een project is opgenomen in een regionaal programma van maatregelen of in het NSL, dat op 1 augustus 2009 in werking is getreden. Als een project ervoor zorgt dat de concentratie fijn stof of CO2 met meer dan 3% van de grenswaarde verhoogd, draagt het project in betekenende mate bij aan luchtvervuiling en dient er een luchtkwaliteitsonderzoek uitgevoerd te worden. Deze regel komt voort uit het NSL.
Deze 3%-grens is voor een aantal categorieën projecten in een ministeriële regeling omgezet in getalsmatige grenzen, bijvoorbeeld: - woningbouw: 1.500 woningen netto bij 1 ontsluitingsweg, 3.000 woningen bij 2 ontsluitingswegen; - kantoorlocaties: 100.000 m² bruto vloeroppervlak bij 1 ontsluitingsweg, 200.000 m² bruto vloeroppervlak bij 2 ontsluitingswegen. In onderhavig geval is sprake van woningbouw waarbij twee nieuwe woningen worden gerealiseerd. Uitgaande van het 3% criterium is binnen het plangebied daarmee geen sprake van een project dat in betekenende mate bijdraagt aan de luchtverontreiniging. 4.12.2 Blootstelling aan verontreiniging In de Wet milieubeheer is de Europese richtlijn luchtkwaliteit geïmplementeerd. Het doel van de wet is mensen te beschermen tegen risico’s van luchtverontreiniging. De richtlijn geeft de volgende grenswaarden voor fijn stof: -
de grenswaarde jaargemiddelde concentratie van PM10 is 40 μg/m³. Pagina 48 van 56
-
de grenswaarde daggemiddelde concentratie van PM10 is 50 μg/m³. De concentratie fijn stof mag maximaal 35 dagen per kalenderjaar hoger zijn dan deze waarde. de grenswaarde jaargemiddelde concentratie van PM2,5 is 25 μg/m³.
Navolgende figuren geven de jaargemiddelde concentratie van PM10 en PM2,5 ter plaatse van het plangebied en directe omgeving weer.
Ter plaatse van het plangebied is sprake van jaargemiddelde concentratie PM10 van 16 μg/m³. De jaargemiddelde concentratie PM2,5 bedraagt 9 μg/m³. De achtergrondwaarden van NO2 op rekenpunt 15519908 bedraagt 14,3 μg/m³. Geconcludeerd kan worden dan de beoogde ontwikkeling in het kader van de blootstelling aan luchtverontreiniging geen bezwaar is gezien aan de grenswaarde kan worden voldaan. Pagina 49 van 56
4.13 Kabels en leidingen Toetsingskader De hierna volgende leidingen zijn planologisch relevant, voor zover zij geen deel uitmaken van een inrichting zoals bedoeld in de Wet milieubeheer. a. hoogspanningsverbindingen van 50 kV en hoger; b. buisleidingen voor transport van aardgas met een uitwendige diameter van meer dan 50 mm en een druk van meer dan 16 bar; c. buisleidingen voor transport van aardolieproducten met een uitwendige diameter van meer dan 70 mm en een druk van meer dan 16 bar; d. buisleidingen met een diameter van 400 mm of meer buiten de bebouwde kom; e. buisleidingen voor transport van andere stoffen dan aardgas en aardolieproducten, die risico's met zich meebrengen voor mens en/of leefomgeving wanneer deze leidingen beschadigd raken. Beoordeling Ter plaatse van het plangebieden zijn geen planologisch relevante kabels en leidingen aanwezig. Conclusie Er zijn geen belemmeringen met betrekking tot de aanwezigheid van kabels en leidingen. 4.14 Verkeer en parkeren Toetsingskader Met de inwerkingtreding van de “Reparatiewet BZK” op 29 november 2014 is het verplicht om het parkeren te reguleren middels de bestemmingsregeling. In de bestemmingsregeling kan worden opgenomen dat bij aanvraag om omgevingsvergunning (voor het bouwen en / of afwijken) dient te worden aangetoond dat wordt voldaan aan de van toepassing zijnde parkeernormen.
In het kader van ‘een goede ruimtelijke ordening’ dient echter al bij vaststelling van een bestemmingsplan inzichtelijk te worden gemaakt dat redelijkerwijs in de aldus benodigde parkeerplaatsen feitelijk duurzaam kan worden voorzien (ECLI:NL:RVS:2017:1036, r.o. 5.3). Het aantal benodigde parkeerplaatsen wordt bepaald door het geldende parkeerbeleid. Nota Parkeernormen Meierijstad 2018 De Nota Parkeernormen Meierijstad 2018 hanteert voor vrijstaande woningen in het buitengebied bij iedere kern een parkeernorm van 2,4. Beoordeling Door het planvoornemen neemt de parkeerbehoefte toe door en voor twee vrijstaande woningen. Bij iedere woning wordt een dubbele oprit gecreëerd met een minimale breedte van 5 meter. Daarbij zijn de opritten minimaal 10,5 meter diep. Conform de rekenwaarden in de Nota is dan sprake van twee keer een ‘Lange oprit’ ofwel 3 gerealiseerde parkeerplaatsen per woning. Ontsluiting van de woning vindt plaats via de Morschehoef. De woningen worden gesitueerd op ruime afstand van de weg en van het fietspad. Hierdoor blijft het overzicht bewaard en worden geen verkeersonveilige situaties verwacht. 4.15 Milieueffectrapportage en vormvrije m.e.r.-beoordeling Toetsingskader
Pagina 50 van 56
Behalve aan de uitvoeringsaspecten bedoeld in de Awb en het Bro dient ook te worden getoetst aan de Wet milieubeheer en het Besluit m.e.r. of er sprake is van een mogelijke verplichting tot het opstellen van een milieueffectrapportage. Een milieueffectrapportage (MER), en de bijbehorende procedure (m.e.r.), is een hulpmiddel om de belangen van het milieu volwaardig te betrekken bij de besluitvorming omtrent plannen en projecten. Het gaat hierbij wel enkel om plannen en projecten die kunnen leiden tot initiatieven waarmee het milieu mogelijk nadelig kan worden beïnvloed. Als uitgangspunt geldt voor plannen de onderstaande criteria om te beoordelen of een MER noodzakelijk is: 1. Plannen die kaderstellend zijn voor toekomstige m.e.r.- (beoordelings)plichtige besluiten (boven de grenswaarden uit de C- of D-lijst van het Besluit m.e.r.); 2. Plannen waarvoor een passende beoordeling nodig is in verband met een mogelijk significant negatief effect op Natura 2000 gebieden; 3. Plannen en activiteiten die o.g.v. een provinciale milieuverordening zijn aangewezen als MERplichtig. Per 1 juli 2017 is het Besluit m.e.r. gewijzigd. Uit deze wijziging blijkt dat de omvang van een project niet het enige criterium is om wel of geen m.e.r.(- beoordeling) uit te voeren.
Ook als een project onder de drempelwaarde uit de C- of D-lijst blijft, kan een project belangrijke nadelige gevolgen hebben, als het bijvoorbeeld in of nabij een kwetsbaar natuurgebied ligt. Gemeenten en provincies moeten daarom ook bij 'kleine projecten' (projecten onder de drempelwaarden van de C- of D-lijst) beoordelen of een m.e.r.(-beoordeling) nodig is. Dit wordt de 'vormvrije m.e.r.-beoordeling' genoemd. Deze beoordeling houdt in dat er bekeken moet worden of er bij het initiatief sprake is van dusdanig bijzondere omstandigheden of milieueffecten dat er toch een MER moet worden opgesteld. Hierbij wordt gekeken naar de selectiecriteria uit bijlage III bij de m.e.r.-richtlijn (2011/92/EU), welke o.a. de omvang van het project, de cumulatie met andere projecten en het gebruik van natuurlijke hulpbronnen betreffen. Beoordeling De activiteit waar het bouwen van woningen onder kan vallen is een stedelijk ontwikkelingsproject onder categorie D11.2. Gezien het plan slechts twee woningen mogelijk maakt is er geen sprake van een stedelijk ontwikkelingsproject en is het Besluit milieueffectrapportage hier niet van toepassing.
Ten aanzien van het tweede criterium inzake een mogelijke MER-plicht, geldt dat er bij onderhavige situatie geen sprake is van een plan waarvoor een passende beoordeling nodig is in verband met een mogelijk significant negatief effect op Natura 2000-gebieden. Onderhavige ontwikkeling heeft met zekerheid geen mogelijk significant effect op de Natura 2000-gebieden. Conclusie Zoals beschreven is er bij onderhavig plan geen sprake van een verplichting tot het opstellen van een MER en het doorlopen van de m.e.r.-procedure o.g.v. het Besluit m.e.r. of de Wet natuurbescherming. 4.16 Spuitzone’s In het kader van een goede ruimtelijke ordening moet een afweging worden gemaakt tussen het gebruik van gewasbeschermingsmiddelen en de volksgezondheid. Welke afstand (minimaal) aangehouden moet worden, is niet in een wettelijke regeling voorgeschreven. Uit jurisprudentie blijkt dat de Raad van State een afstand van 50 meter, tussen gevoelige functies en agrarische bedrijvigheid bij bedrijven met vaste planten en heesters, boomkwekerijen of fruitboomgaarden waarbij gewasbeschermingsmiddelen worden gebruikt, in het algemeen niet onredelijk vindt. Volgens vaste rechtspraak kan een kortere afstand ook aanvaardbaar zijn, mits hieraan een goede onderbouwing ten grondslag ligt waarbij onder andere het gewas en de windrichting een rol spelen. Pagina 51 van 56
Windrichting De meest gangbare windrichting is zuidwest. De achterliggende gronden in deze richting vanaf de planlocatie zijn in eigendom van initiatiefnemer en momenteel in gebruik als paardenwei. Op de gronden wordt niet gewerkt met gewasbeschermingsmiddelen. De kans op drift ter plaatse van de planlocatie is derhalve niet aanwezig. DRT 75 In de ‘tweede Nota Duurzame Gewasbescherming’ zijn maatregelen opgenomen om de vervuiling van oppervlakte water door gewasbeschermingsmiddelen te verminderen. Eén maatregel is alleen nog maar spuittechnieken toe te staan met een minimale driftreductie van 75% (DRT 75), deze maatregel geld voor het gehele perceel. De maatregel is per 1 januari 2018 opgenomen in het Activiteitenbesluit. Hierdoor wordt drift al bij de bron beperkt. De kans op mogelijke drift bij de planlocatie neemt daardoor verder af. Beoordeling Op omliggende gronden wordt niet gewerkt met gewasbeschermingsmiddelen. Het aspect ‘spuitzone’s’ is derhalve niet van invloed voor de beoogde ontwikkeling. 4.17 Hoogspanningslijnen Binnen 1 kilometer van de plangebieden zijn geen hoogspanningslijnen gelegen. Hierdoor worden geen nadelige gezondheidsgevolgen verwacht door het planvoornemen.
Pagina 52 van 56
5 UITVOERBAARHEID De uitvoerbaarheid van de planontwikkeling dient in relatie tot de gemeentelijke financiën te zijn gewaarborgd. Daarbij dient ook te worden onderzocht of en in hoeverre de voorgenomen afwijkingen ten opzichte van het vigerende bestemmingsplan aanleiding kunnen geven tot aanspraken om planschade als bedoeld in artikel 6.1 van de Wet ruimtelijke ordening. 5.1 Financiële haalbaarheid Op 1 juli 2008 is als onderdeel van de Wet ruimtelijke ordening de Grondexploitatiewet in werking getreden. In de Grexwet is bepaald dat de gemeente verplicht is, om bij het vaststellen van een ontwikkelingsgericht bestemmingsplan, maatregelen te hebben genomen die verzekeren dat alle kosten, die gepaard gaan met de ontwikkeling van de locatie, worden verhaald op de initiatiefnemer van het plan. Dit betekent dat voor de gemeente een verplichting bestaat om haar kosten, die gepaard gaan met een bouwplan, te verhalen op de exploitant. Tussen gemeente Meierijstad en de initiatiefnemer is een anterieure overeenkomst opgesteld. De voorliggende procedure heeft betrekking op een particulier initiatief, waarbij de financiële consequenties uitsluitend door die initiatiefnemer zullen worden gedragen. Daar de kosten voor de planontwikkeling geheel voor rekening zijn van de initiatiefnemer, heeft onderhavig plan géén gevolgen voor de gemeentelijke begroting en/of gemeentelijke financiën.
5.2 Maatschappelijke uitvoerbaarheid Artikel 6.4a Wro bepaalt dat de gemeente de mogelijkheid heeft om met een initiatiefnemer van een planontwikkeling een overeenkomst te sluiten. De strekking van dergelijke planschadeovereenkomst is dat de door derden geleden schade, geheel (of gedeeltelijk) voor rekening komt van de initiatiefnemer, omdat de schade voortvloeit uit het op zijn of haar verzoek ten behoeve van een planontwikkeling wijzigen van het bestemmingsplan of verlenen van een omgevingsvergunning. Tussen gemeente Meierijstad en de initiatiefnemer is een anterieure overeenkomst opgesteld. Het voorliggende bestemmingsplan voorziet niet in grote c.q. ingrijpende veranderingen, waarbij de belangen van derden geschaad zouden kunnen worden. Het plan zal de gebruikelijke procedure doorlopen, waarbij belanghebbenden de mogelijkheid krijgen om hun zienswijzen ten aanzien van het bestemmingsplan kenbaar te maken. 5.3 Omgevingsdialoog Initiatiefnemer is zelf woonachtig op de planlocatie. In de principeverzoekfase (2018-2020) is het plan afgestemd in een buurtdialoog. Het verslag hiervan is ingediend met het principeverzoek. Gezien initiatiefnemer zelf woonachtig is op de planlocatie zijn gedurende de voortgang de omwonenden op Morschehoef 7-7a, 9, 11, 13 en 12 indien gewenst op natuurlijke momenten bijgepraat.
Gezien de scope van het plan (saneren intensieve veehouderij en het realiseren van twee burgerwoningen) is daarmee voldaan aan het minimale niveau van participatie. Tevens zijn omwonenden geïnformeerd door de terinzagelegging van het bestemmingsplan in de ontwerpfase en zijn daarop geen zienswijzen binnengekomen.
Pagina 53 van 56
6 JURIDISCHE ASPECTEN Het bestemmingsplan bestaat uit een toelichting, regels en een verbeelding. De toelichting van het bestemmingsplan heeft geen rechtskracht, maar is wel een belangrijk onderdeel van het totale plan. De toelichting geeft namelijk een weergave van de beweegredenen, de onderzoeksresultaten en de beleidsuitgangspunten zoals deze aan het bestemmingsplan ten grondslag liggen. Tot slot is de toelichting een belangrijk hulpmiddel bij de interpretatie van het bestemmingsplan. De regels en verbeelding vormen tezamen het juridisch bindende gedeelte van het bestemmingsplan. Beide planonderdelen dienen in onderling verband te worden bezien. De regels en de verbeelding zijn namelijk onlosmakelijk met elkaar verbonden, aangezien op de verbeelding de bestemmingen visueel zijn weergegeven en de regels onder andere het gebruik en de bouwmogelijkheden bij deze bestemmingen geven.
Pagina 54 van 56
7 PROCEDURE 7.1 Wettelijke procedure De bestemmingsplanprocedure wordt beschreven in afdeling 3.4 van de Algemene wet bestuursrecht. In de Wet ruimtelijke ordening zijn hierop nog enkele wijzigingen beschreven. Samengevat is de bestemmingsplanprocedure als volgt: - het ontwerpbestemmingsplan ligt gedurende 6 weken ter inzage; - - gedurende deze periode kan een ieder schriftelijke of mondelinge zienswijzen naar voren brengen aan de gemeenteraad; - binnen twaalf weken na de terinzagelegging van het ontwerpbestemmingsplan stelt de gemeenteraad het bestemmingsplan vast; de vaststelling van het bestemmingsplan dient binnen twee weken na de vaststelling bekend gemaakt te worden behoudens de hieronder genoemde uitzonderingen; o Gedeputeerde Staten hebben een zienswijzen ingediend en deze zienswijzen is niet of niet volledig door de gemeenteraad meegenomen in het vastgestelde bestemmingsplan; o De gemeenteraad heeft bij de vaststelling van het bestemmingsplan ten opzichte van het ontwerpbestemmingsplan met uitzondering van het overnemen van de zienswijzen van Gedeputeerde Staten wijzigingen aangebracht. Is één van bovenstaande twee gevallen aan de orde, dan mag het besluit tot vaststelling van het bestemmingsplan pas bekend zijn gemaakt nadat zes weken zijn verstreken.
7.2 Overleg Artikel 3.1.1 van het Besluit op de ruimtelijke ordening geeft aan dat bij de voorbereiding van een wijzigingsplan burgemeester en wethouders overleggen met het bestuur van de bij het plan betrokken waterschap. Waar nodig plegen zij tevens overleg met besturen van andere gemeenten, met de provincie en met eventuele andere diensten van Rijk en provincie die belast zijn met de behartiging van belangen die in het plan in het geding zijn. Dit bestemmingsplan is aangeboden in het kader van het wettelijk vooroverleg aan de Provincie NoordBrabant en Waterschap Aa en Maas. In navolging van dit vooroverleg is de berekening van de tegenprestatie voor de bouw van de woningen aangepast en het beleidskader voor de wateraspecten verduidelijkt. 7.3 Zienswijzen en ambtshalve wijzigingen Het ontwerpbestemmingsplan is op 10 februari 2023 gepubliceerd in het gemeenteblad Meierijstad. Het ontwerp van het bestemmingsplan ‘Morschehoef 8 te Erp’ en de bijbehorende stukken hebben met ingang van maandag 13 februari 2023 tot vrijdag 24 maart 2023 voor een ieder ter inzage gelegen in het gemeentehuis. Daarnaast is het ontwerpbestemmingsplan via www.ruimtelijkeplannen.nl digitaal raadpleegbaar geweest. Gedurende de genoemde termijn van zes weken kon een ieder naar keuze schriftelijk of mondeling een zienswijze op het ontwerpbestemmingsplan kenbaar maken aan de gemeenteraad van Meierijstad.
Er is enkel een zienswijze van provincie Noord-Brabant binnengekomen. Hoe dit bestemmingsplan is aangepast is weergegeven in de Nota van Zienswijzen en ambtshalve wijzigingen, dat als bijlage bij dit bestemmingsplan is gevoegd.
Pagina 55 van 56
BIJLAGEN Bijlage 1 Landschappelijk inpassingsplan Bijlage 2 AERIUS-berekening Bijlage 3 Quick-scan Flora en Fauna Bijlage 4 Verkennend bodemonderzoek Bijlage 5 Onderzoek wegverkeerslawaai Bijlage 6 Bodemonderzoek Bijlage 7 Rekenmodule beleidsregel maatwerk omgevingskwaliteit Noord-Brabant
Pagina 56 van 56