CConstaterende datMeierijstad
Koppel je AI →
Document · PDF

Bijlage 2 SFR Veghel - Uden, Woongebied Veghel_Toelichting

Raadsvergadering 23 juni 2022, gemeente MeierijstadBij agendapunt: Gewijzigde vaststelling bestemmingsplan 'snelfietsroute Veghel, Woongebied Veghel'13.692 woorden

Open het PDF bij de gemeente ↗Naar de vergadering →

Tekst van het document

Uit het bestand gehaald, zonder opmaak, tabellen en afbeeldingen · deel 2 van 2

1,5 meter ten opzichte van huidige situatie) en 31/43 - ontwerp - NL.IMRO.1948.PAR000BP0022022M-ON01 - 25 januari 2022

rechtlijniger. In het advies (Bijlage 19) zijn per locatie de bevindingen beschreven van het uitgevoerde onderzoek. Conclusie Uit het aanvullend inventariserend onderzoek kan worden geconcludeerd dat voor alle acht locaties wordt voldaan aan het behoud van de aanwezige natuurwaarden. Tevens blijkt uit de 'Nee, tenzij toets' dat de wezenlijke kenmerken en waarden van de NNB/EVZ gronden niet significant negatief beïnvloed worden. Derhalve is compensatie in het kader van artikel 3.16 en artikel 3.22 van de Interim Omgevingsverordening niet aan de orde. Hiermee is de duurzame instandhouding van de ecologische verbindingszone gegarandeerd en is sprake van een goede ruimtelijke ordening. Het onderdeel Flora en Fauna vormt derhalve geen belemmering voor het project en het voorliggend bestemmingsplan. Eventuele andere compenserende maatregelen maken geen deel uit van dit bestemmingsplan en zullen indien noodzakelijk middels een ontheffing Wnb van de Provincie worden geregeld.

4.4.2 Soortenbescherming Op grond van de Wet natuurbescherming is het verboden bepaalde beschermde planten- en diersoorten te verstoren. In dit geval kunnen de bouw en het gebruik leiden tot verstoring. Er is een quickscan flora en fauna uitgevoerd (zie Bijlage 14) in 2019 op basis van het schetsontwerp. Naar aanleiding van het definitieve ontwerp van de Snelfietsroute is een actualisatie van deze Quick Scan uitgevoerd om te bepalen of de kans bestaat dat beschermde soorten in het plangebied voorkomen, deze actualisatie is opgenomen in Bijlage 15. In het geval de kans aanwezig is, is nader onderzoek nodig om vast te stellen of de beschermde soorten ook daadwerkelijk aanwezig zijn en of er risico bestaat op verstoring. Op basis van het bureauonderzoek en het oriënterend veldbezoek, uitgevoerd in het kader van de quickscan, kunnen de volgende conclusies worden getrokken ten aanzien van relevante soorten: Algemene, licht beschermde soorten (landzoogdieren) Voor algemene, maar wel beschermde soorten, te weten soorten die op de Vrijstellingslijst van de Provincie Noord-Brabant staan, geldt een vrijstelling bij ruimtelijke ontwikkelingen. Voor alle soorten, inclusief de bedoelde algemene soorten, geldt evenwel altijd de zorgplicht ex art. 1.11 van de Wet natuurbescherming.

Dit artikel is van toepassing op zowel beschermde als onbeschermde dier- en plantensoorten, ongeacht vrijstelling of ontheffing. De zorgplicht houdt in dat, zoveel als redelijkerwijs mogelijk is, schade aan plant voorkomen wordt. In het onderhavige geval betekent dit dat bij graafwerkzaamheden in de rooiwerkzaamheden in delen met bos voorzichtig te werk moet worden gegaan en in een richting moet worden gewerkt, zodat in de bodem aanwezige dieren (muizen) tijdig kunnen ontsnappen. Vleermuizen Het gehele gebied van het projectgebied is van betekenis als foerageergebied en vliegroute voor vleermuizen. Omdat alleen overdag werkzaamheden plaatsvinden en vleermuizen ’s nachts actief zijn, zijn verstorende effecten tijdens de werkzaamheden afwezig. Langs opgaande beplanting kunnen in bomen verblijvende vleermuizen worden verstoord, onder bomen mag geen materieel gestald worden. Wat de verstoring door licht betreft, langs de delen die nog nu donker zijn dient verlichting zo beperkt mogelijk te worden gehouden en amberkleurig licht toe te passen. Indien verblijfplaatsen verloren gaan door het kappen van bomen met holtes die in gebruik zijn , dienen deze gecompenseerd te worden. Hiervoor is nog nader onderzoek nodig. Indien essentiële vliegroutes verloren gaan, dient hiervoor eveneens compensatie plaats te vinden. Hiervoor is nog nader onderzoek nodig.

In het ontwerp is afdoende ruimte om vliegroute en foerageergebied functies te mitigeren. Dit kan wel invloed hebben op het verlichting en beplantingsplan. Er zijn ook afdoende bomen in de omgeving aanwezig om een uitgebreid kastenplan op te stellen noodzakelijk om de effecten op 32/43 - ontwerp - NL.IMRO.1948.PAR000BP0022022M-ON01 - 25 januari 2022

de staat va instandhouding te kunnen mitigeren bij het verlies van vleermuisverblijfplaatsen in boomholten. Er zijn dus ruimschoots mogelijkheden om de vliegroute en het foerageergebied in tact te laten; op basis daarvan is het de verwachting dat uit nader onderzoek zal blijken dat negatieve effecten voorkomen kunnen en zullen worden. Grondgebonden zoogdieren Er zijn diverse waarnemingen van grondgebonden zoogdieren binnen het onderzoeksgebied. Het terrein biedt geschikte habitats voor algemeen voorkomende soorten, met name diverse muizensoorten, haas, konijn en ree en ook voor kleine marterachtigen zoals de bunzing. Omdat het tracé deels door stedelijk gebied loopt, is ook de steenmarter te verwachten. Verder loopt het tracé mogelijk door actueel dassenleefgebied. Het Duits lijntje zal mogelijk deel uitmaken van de migratieroute van de das, al zijn hierover geen nadere gegevens beschikbaar. Mitigerende maatregelen betreffen met name het plaatselijk beperken van de verlichting. Ook kan de begroeiing in de oeverzones van de te schonen watergangen in tact gelaten worden, zodat er voldoende dekking blijft voor dassen, steenmarter en kleine marterachtigen die hier migreren. Indien vaste rust- en verblijfplaatsen van kleine marters vernietigd worden, dient compensatie plaats te vinden. Hiervoor is nog nader onderzoek nodig.

Er is in het plangebied afdoende ruimte om leefgebied en verblijfplaats mitigatie en compensatie te voorzien. Broedvogels Indien verstorende werkzaamheden in het broedseizoen (15 maart tot 15 juli) nodig zijn, mogen deze alleen in overleg met een ter zake deskundige ecoloog plaatsvinden, die de aanwezige bomen en houtopstanden binnen de verstoringszone controleert op het voorkomen van nesten van vogels. Indien nesten aangetroffen worden, dienen werkzaamheden te worden uitgesteld tot na 15 juli. Vooralsnog zijn mitigerende maatregelen voor vogels niet nodig, omdat geen werkzaamheden in het broedseizoen zijn gepland. Indien jaarrond beschermde nesten (bijvoorbeeld roek, buizerd) aanwezig zijn in de nader te onderzoeken bomen op traject G, dient hiervoor compensatie plaats te vinden Amfibieën en reptielen Om vestiging van rugstreeppadden te voorkomen bij graafwerkzaamheden, voor zover deze plaatsvinden in het eerste kwartaal van 2022, dienen kuilen en plasjes zo snel mogelijk te worden opgeruimd. Het schonen van watergangen mag niet plaatsvinden tussen 1 april en 15 juni, om te voorkomen dat voortplantingsplaatsen van amfibieën worden verstoord of vernietigd. Voor reptielen (hazelworm en levendbarende hagedis) geldt dat op het Duits lijntje waar verharding wordt toegepast mogelijk leefgebied verloren gaat c.q. wordt aangetast. Hiervoor is nog nader onderzoek nodig.

Er is binnen het plangebied afdoende ruimte om in de benodigde compensatie en mitigatie maatregelen te kunnen voorzien. Vaatplanten Uit de gegevens van de NDFF en de veldbezoeken blijkt dat op en op het tracé van de SFR, met name waar het Duits lijntje wordt verhard, een enkele bijzondere soort voorkomt, maar het gaat niet om actueel beschermde soorten. Het voorkomen van beschermde soorten is zeer onwaarschijnlijk, tijdens de veldbezoeken die in een gunstige periode voor het waarnemen van flora zijn uitgevoerd, zijn geen beschermde soorten aangetroffen. Niettemin is het van belang zorgvuldig met vaatplanten om te gaan, ook met het oog op dagvlinders en bijen. Negatieve gevolgen kunnen worden voorkomen door zorgvuldig met de aanwezige zaadbank om te gaan. Bij graafwerkzaamheden dient de bovengrond apart te worden gezet en niet vermengd met de ondergrond. De bovengrond moet na gereedkomen van het pad weer bovenop de ondergrond worden teruggezet. Insecten 33/43 - ontwerp - NL.IMRO.1948.PAR000BP0022022M-ON01 - 25 januari 2022

Het Duits lijntje bevat allerlei ‘microstructuren’, die voor diverse soorten graafwespen en zandbijen geschikt zijn als nestplaats. Er zijn geen beschermde soorten bij betrokken, maar wel geldt ook voor deze soorten dat de zorgplicht in acht moet worden genomen. Het verwijderen van vegetatie dient buiten de voortplantingsperiode (mei t/m september) plaats te vinden. De maatregelen genoemd onder ‘vaatplanten’, met name het in tact laten van de zaadbank, gelden ook voor insecten als geschikte maatregelen, aangezien deze gericht zijn op overleving van waardplanten. Oplegnotitie actualisatie Quickscan Flora en Fauna Aanvullend op de actualisatie van de Quickscan Flora en Fauna is een oplegnotitie gemaakt waarin geduid is wat de optimalisaties van het ontwerp van de Snelfietsroute voor gevolg hebben voor de bevindingen die gedaan zijn in de Quickscan. De oplegnotitie is opgenomen in Bijlage 16. Conclusie In het plangebied zijn een aantal relevante en beschermde soorten aangetroffen. Op basis van de geïnventariseerde mitigerende maatregelen wordt geconcludeerd dat een eventuele ontheffing te verkrijgen is. Ten aanzien van de vleermuis dient hier nog nader onderzoek naar plaats te vinden, maar ook ten aanzien van deze soort wordt geconcludeerd dat er in het plangebied voldoende ruimte en mogelijkheden zijn om hier afdoende mitigerende maatregelen te treffen.

Op basis hiervan is het de verwachting dat er met de voorgenomen mitigerende maatregelen voldaan kan worden aan de Wet Natuurbescherming.

4.5 Externe veiligheid Dit bestemmingsplan maakt het aanleggen van een Snelfietsroute mogelijk. Omdat het hier gaat om personen buitenshuis op de openbare weg is externe veiligheid niet van toepassing. Conclusie Externe veiligheid hoeft niet te getoetst en vormt geen belemmering voor dit bestemmingsplan.

4.6 Bedrijven en milieuzonering Bij milieuzonering is er sprake van een interne en externe werking. Indien door middel van een plan nieuwe functies mogelijk worden gemaakt, moet worden aangetoond dat de nieuwe functie in het plangebied geen hinder ondervindt van bestaande functies in de omgeving (interne werking). Anderzijds dient te worden aangetoond dat functies in de directe omgeving van het plangebied niet negatief worden beïnvloed door de ontwikkeling die mogelijk wordt gemaakt (externe werking). Een fietspad is geen milieubelastende functie voor de omgeving. Een snelfietsroute zal niet zorgen voor extra geluid, geur, gevaar en stof. Er is dan ook geen sprake van een aantasting van het woon- en leefklimaat van omwonenden. Anderzijds is een fietspad ook geen milieugevoelige functie, waardoor geen beoordeling hoeft plaats te vinden over de effecten van omliggende functies op het fietspad. Conclusie Het aspect bedrijven en milieuzonering vormt daarmee geen belemmering voor dit bestemmingsplan.

34/43 - ontwerp - NL.IMRO.1948.PAR000BP0022022M-ON01 - 25 januari 2022

4.7 Geur Met voorliggend plan wordt geen nieuwe geurgevoelige functie mogelijk gemaakt. Anderzijds is een fietspad geen geurbron. Hierdoor hoeft er geen geuronderzoek te worden uitgevoerd voor voorliggend plan. Conclusie Het voorliggend plan heeft geen negatieve gevolgen voor de geurbelasting op de omgeving en vormt daarmee geen belemmering voor dit bestemmingsplan.

4.8 Archeologie en cultuurhistorie 4.8.1 Algemeen Op basis van het Besluit ruimtelijke ordening dient in de toelichting bij elk ruimtelijk plan een beschrijving te worden gegeven van de aanwezige cultuurhistorische en archeologische waarden van het plangebied.

4.8.2 Cultuurhistorie Duits lijntje Door het ontwikkelen van de snelfietsroute te koppelen aan het Duits lijntje, ontstaan mogelijkheden om dit spoor meer zichtbaar en kenbaar te maken als industrieel erfgoed en als waardevol cultuurhistorisch element.

4.8.3 Archeologie Op grond van de Wet op de Archeologische Monumentenzorg (Wamz) zijn de belangrijkste bevoegdheden aangaande de archeologie bij de gemeente neergelegd. De gemeenteraad is op grond van de Monumentenwet verplicht bij de vaststelling van ruimtelijke plannen rekening te houden met de in de grond aanwezige of te verwachten archeologische waarden. De gemeente heeft in verband met de verplichting tot het inzichtelijk maken van de archeologische waarden binnen de gemeente een archeologische waardenkaart en beleidsadvieskaart laten opstellen. Archeologisch onderzoek In het kader van het bestemmingsplan is een archeologisch bureauonderzoek uitgevoerd (zie Bijlage 9) om een gespecificeerde archeologische verwachting te kunnen opstellen. Uit het onderzoek blijkt het volgende. Aangezien de Snelfietsroute zoals het er nu uitziet voor het grootste gedeelte wordt aangelegd op en binnen bestaande infrastructuur, wordt daar geen verder archeologisch onderzoek geadviseerd. In het gedeelte waar sprake is van een geheel nieuw fietspad - het gedeelte vanaf de weg Driehuizen/Udenseweg naar het oosten (naar Uden) - is echter sprake van een lage verwachting; behalve voor een deel rond de Achterheide Nieuwe Veldenweg, dat een middelhoge verwachting heeft meegekregen. Maar daar is dan weer sprake van aanleg op bestaande infrastructuur.

Daarom wordt het niet noodzakelijk geacht voor het fietspad zelf nu nader onderzoek uit te voeren. De gemeente Meijerijstad heeft de conclusies uit het onderzoek overgenomen en aangevuld met de nuancering dat er wijzigingen aan het tracé en/of de kunstwerken worden aangebracht, dit aanleiding kan zijn om het bureauonderzoek uit te breiden (selectieadvies, Bijlage 10). Dit geldt ook voor grondwerkzaamheden die op het moment van het beoordelen van het onderzoek (augustus 2019) nog niet bekend waren. Conclusie 35/43 - ontwerp - NL.IMRO.1948.PAR000BP0022022M-ON01 - 25 januari 2022

Het aspect cultuurhistorie en archeologie, onder het gestelde voorbehoud, vormen geen belemmering voor de beoogde ontwikkeling.

4.9 Conventionele explosieven Door de aanleg van de snelfietsroute wordt de bodem geroerd. In de bodem kunnen nog resten van explosieven aanwezig zijn, afkomstig uit bijvoorbeeld de tweede wereldoorlog. Om veilig te kunnen werken, is een onderzoek uitgevoerd naar de mogelijke aanwezigheid van conventionele explosieven (zie Bijlage 11, Bijlage 12 en Bijlage 13). Uit het onderzoek blijkt dat het gehele plangebied wordt verdacht op de aanwezigheid van (verschoten) geschutmunitie van verschillende kalibers. Dergelijke munitie kan worden aangetroffen tot een diepte van 1,5 meter onder maaiveld (of: 7,10+NAP). Verder geldt een achtergrondrisico in het gehele gebied in verband met achtergelaten geschutmunitie, klein-kalibermunitie, hand- en geweergranaten en munitie voor granaatwapens en achtergelaten wapens en toebehoren. Nabij de spoorbrug over de Zuid-Willemsvaart zijn in het verleden verschillende geschutopstellingen aangelegd. Hier kan achtergelaten munitie worden aangetroffen tot 2,5 m onder maaiveld (of: 6,10+NAP). Nabij de spoorbrug over de Aa zijn in het verleden ook wapenopstellingen en/of schuttersputten aangelegd. Hier kunnen ook verschillende soorten explosieven zijn achtergebleven, tot een diepte van 2,5 m onder maaiveld (of: 6,10+NAP).

Het advies is om voorafgaand aan werkzaamheden binnen verdacht gebied een Projectleiderssamenvatting CE (PLS-CE) of een Projectgebonden Risicoanalyse (PRA) uit te voeren. Conclusie Het plangebied is verdacht op de aanwezigheid van verschillende soorten explosieven. Voorafgaand aan de fysieke werkzaamheden wordt hier verder naar gekeken. De beoogde ontwikkeling is daarom uitvoerbaar.

4.10

Waterparagraaf

4.10.1

Algemeen

In het kader van een ruimtelijke ontwikkeling is het noodzakelijk een beschrijving te geven van de manier waarop rekening is gehouden met de gevolgen van het plan voor de waterhuishouding. De 'watertoets' is een instrument dat waterhuishoudkundige belangen op een evenwichtige wijze laat meewegen bij het opstellen van ruimtelijke plannen en besluiten. In dit kader is vooral van belang of er een relevante toename van verharding optreedt en of het hemelwater dat daarop terecht komt op een goede wijze wordt afgevoerd, dan wel geborgen, binnen het projectgebied. De toets omvat het gehele proces van vroegtijdig informeren, adviseren, afwegen en uiteindelijk beoordelen van de in ruimtelijke plannen voorkomende waterhuishoudkundige aspecten.

36/43 - ontwerp - NL.IMRO.1948.PAR000BP0022022M-ON01 - 25 januari 2022

4.10.2

De Watertoets

De snelfietsroute wordt grotendeels over bestaande verharding aangelegd. De toevoeging van verharding is beperkt. Daarbij wordt de route zo aangelegd dat rekening wordt gehouden met de afvoer van hemelwater. In de Memo Waterhuishouding (Bijlage 20) is exact uitgewerkt hoeveel verharding toegevoegd wordt door realisatie van de Snelfietsroute. De hierin uitgewerkte compensatie is ook opgenomen in het definitieve ontwerp (tekeningenset CA190022.004-DO-SIT-T04, blad 1 t/m 14)

Een toename in verharding zal zorgen voor een versnelde afstroming van regenwater en daarmee een verhoogde piekbelasting van het watersysteem in het gebied. Omdat water niet kan indringen in de bodem waar dit voorheen wel kon, zal dit water versneld afstromen (bv. via verharding of via een rioleringsstelsel). Dit zorgt voor een piekbelasting op het oppervlaktewatersysteem. Om wateroverlast te voorkomen dient een toename in verharding daarom gecompenseerd te worden. Het project ligt binnen het beheersgebied van het waterschap Aa en Maas, welke via de Keur en bijbehorende uitvoeringsregels regels stelt aan de verhardingstoename en bijbehorende compensatie: Voor toenames kleiner dan 2.000 m2, voor groene daken en voor afkoppelplannen tot 10.000m2 geld een vrijstelling tot compensatie; Voor toenames tussen de 2.000m2 en 10.000m2 geld de algemene rekenregel watercompensatie door toename verharding; Voor toenames groter dan 10.000m2 is maatwerk vereist en geldt beleidsregel 13: Afvoer door toename en afkoppelen van verhard oppervlak. Planspecifiek De toename van verharding is bepaald op 16.500m2. Omdat dit boven de 10.000m2 ligt is er maatwerk vereist en is er contact opgenomen met het waterschap Aa en Maas om het concept DO ontwerp door te spreken. In het concept DO is een greppel ingepast om in de compensatie te voorzien.

Als reactie op dit concept DO heeft het waterschap aangegeven dat de algemene rekenregel voor watercompensatie gevolgd mag worden: Benodigde compensatie (in m3) = Toename verhard oppervlak (in m2) * Gevoeligheidsfactor * 0,06 (in m) Als benodigde gevoeligheidsfactor moet op advies van het waterschap factor 1 aangehouden worden omdat het maaiveld vrij laag ligt in vergelijking met andere gedeelten van het beheersgebied, omdat de compensatie relatief dicht bij bebouwing ligt en het over een grote lengte is uitgesmeerd. Compensatieplicht en invulling In de toekomstige situatie is er een verhardingstoename van 16.500 m2 verspreid over de volledige lengte van het fietspad. Volgens de algemene rekenregel van het waterschap komt dit neer op een compensatieplicht van: 16.500*1*0.06= 990 m3. Voor de uitwerking van de locatie van de watercompensatie is er zoveel mogelijk gekeken naar de bestaande afwateringsmethode. Indien mogelijk wordt de bestaande afwateringsmethode gehandhaafd (bestaand = nieuw), of waar bestaand via kolken afwatert, met een watergang ernaast is er gekozen voor vrije afwatering. Bij stukken met een bestaande watergang dient deze opgeschoven/aangepast te worden om plaats te bieden voor het in te passen profiel. Op 37/43 - ontwerp - NL.IMRO.1948.PAR000BP0022022M-ON01 - 25 januari 2022

de stukken nieuw fietspad, wordt een greppel voorzien (mits deze nog niet aanwezig is in bestaand terrein). Deze watercompensatie greppel bestaat uit twee delen: 150m (zuid van Hintelstraat tot aan tunnel) + 510m (noord van Hintelstraat) = 660m greppel. Deze is weergegeven op blad 11 t/m 13. De inhoud van de zuidelijke greppel is bepaald op 198m3, uitgaande van 80% vulling van de greppel. Voor de noordelijke greppel is de inhoud bepaald op 877m3 bij 80% vulling. Gecombineerd is de inhoud van de greppel 1075m3, terwijl er volgens de rekenregel 990m3 benodigd is. Met de aanleg van de greppels wordt dus voorzien in de gestelde compensatieopgave. De greppels worden gecompartimenteerd door middel van een schot met een doorlaat (gat). Afhankelijk van het bodemverloop zijn één of meerdere schotten opgenomen in het ontwerp (bij hoogteverschil van 10 cm). Conclusie Door aanleg van de snelfietsroute zijn wijzigen van het watersysteem noodzakelijk. Met de uitvoering van de voorgeschreven compensatieverplichtingen is de capaciteit van de waterhuishouding voldoende aangepast zodat het hemelwater niet tot wateroverlast zal leiden. Voor het wijzigen van het watersysteem is een watervergunning noodzakelijk. Deze zal separaat en buiten dit bestemmingsplan om worden geregeld.

4.11

Parkeren

Als gevolg van de omvorming van bestaande wegen in woonkernen tot fietsstraat, vervallen enkele bestaande parkeerplaatsen. Er is onderzoek gedaan naar het vereiste aantal parkeerplaatsen en de ruimte hiervoor in de nieuwe situatie. Uit het onderzoek blijkt dat er aanvullende parkeerplaatsen nodig zijn, in totaal ca. 36, verdeeld over delen van het tracé. Parkeerplaatsen per straat: Moerven: 10 parkeerplaatsen + 3 extra parkeerplaatsen ter plekke van parkeerterrein tegenover huisnummer 59. Rietven: 7 parkeerplaatsen; Spoorven: 12 parkeerplaatsen Geerbosch: er wordt een Loop- parkeerstrook gerealiseerd Burgemeester Schrevensingel: 7 parkeerplaatsen Conclusie Hiermee is vormt het aspect parkeren geen belemmering voor het project en het voorliggend bestemmingsplan.

4.12

Kabels en leidingen

Planologische relevante leidingen zijn leidingen die bescherming in het bestemmingsplan behoeven. Dit zijn bijvoorbeeld rioolwaterpersleidingen met een grote diameter en waterleidingen met een regionale functie. Op deze leidingen zijn geen veiligheidsafstanden van toepassing, maar wordt wel rekening gehouden met een zakelijk rechtstrook van de leidingen. Door binnen deze strook een bouwverbod op te nemen, wordt beschadiging van de leiding voorkomen. In of nabij het plangebied zijn geen planologisch relevante leidingen aanwezig. Conclusie Hiermee is vormt het aspect kabels en leiding geen belemmering voor het project en het voorliggend bestemmingsplan. 38/43 - ontwerp - NL.IMRO.1948.PAR000BP0022022M-ON01 - 25 januari 2022

4.13

Milieueffectrapportage

In de bijlage bij het Besluit m.e.r. zijn activiteiten met drempelwaarden opgenomen op basis waarvan de noodzaak van het wel of niet opstellen van een m.e.r.-beoordeling (onderdeel D) of meteen een milieueffectrapportage (onderdeel C) wordt bepaald. In onderdeel C is aangegeven bij welke activiteiten waarschijnlijk sprake is van belangrijke nadelige milieugevolgen. Hiervoor geldt een directe verplichting voor het doorlopen van de m.e.r.-procedure. Onderdeel D bevat activiteiten waarvoor een m.e.r.-beoordelingsplicht geldt. Als blijkt dat aanzienlijke nadelige milieugevolgen niet zijn uit te sluiten, is alsnog een m.e.r-procedure nodig. De opgenomen drempelwaarden zijn gebaseerd op algemene kenmerken van een activiteit en een globale aanname dat bij gevallen onder de drempelwaarde geen belangrijke nadelige milieugevolgen zullen optreden. Het Besluit m.e.r. (artikel 2, vijfde lid onder b.) schrijft ook bij activiteiten onder de drempelwaarde voor dat een milieu-effectbeoordeling nodig is, waarbij wordt verwezen naar de Europese richtlijn milieueffectrapportage. Ook onder de drempelwaarde zijn nadelige effecten namelijk niet bij voorbaat uit te sluiten. Dit is de zogenaamde vormvrije m.e.r.-beoordeling. De vormvrije m.e.r.-beoordeling wordt gedaan aan de hand van drie hoofdcriteria die zijn opgenomen in bijlage III van de Europese m.e.r.-richtlijn.

Deze drie hoofdcriteria zijn: de kenmerken van het project, onder andere omvang en cumulatie: de plaats van het project, de kenmerken van het plangebied in relatie met kwetsbaarheid van de omgeving; Kenmerken van de potentiële effecten, mogelijke effecten van de activiteit, onder andere bereik, waarschijnlijkheid en omkeerbaarheid. De aanleg van de snelfietsroute, zowel binnen het woongebied van Veghel als de andere twee delen, is geen activiteit die voorkomt op de lijst in bijlage II bij het Besluit m.e.r. Conclusie De activiteit komt niet voor op bijlage II bij het Besluit m.e.r.; een (vormvrije) m.e.r.-beoordeling is niet aan de orde.

39/43 - ontwerp - NL.IMRO.1948.PAR000BP0022022M-ON01 - 25 januari 2022

Hoofdstuk 5 W ijze van bestemmen 5.1 Algemene juridische opzet In dit hoofdstuk worden de van het bestemmingsplan deel uitmakende regels van een nadere toelichting voorzien. De regels geven inhoud aan de aangegeven bestemming. Ze geven aan waarvoor de gronden en opstallen gebruikt mogen worden en of en hoe er gebouwd mag worden. De regels zijn ingedeeld in vier hoofdstukken, conform de systematiek in de SVBP2012, versie 1.3.1 (Standaard vergelijkbare bestemmingsplannen 2012), te weten: 1. Inleidende regels Dit hoofdstuk bevat twee artikelen. In artikel 1 zijn de begrippen omschreven die worden gehanteerd in het plan en die een eenduidige omschrijving behoeven. In artikel 2 is bepaald hoe de diverse maten, als bouwhoogte, goothoogte, inhoud en oppervlakte van bouwwerken worden gemeten. 2. Bestemmingsregels In dit hoofdstuk worden regels gegeven voor de binnen het plangebied toegestane functies. Per bestemming zijn de toegelaten gebruiksvormen van de gronden aangegeven. In beginsel is iedere vorm van bebouwing, die past binnen de desbetreffende bestemming tot een bepaalde omvang rechtstreeks (dus zonder eventuele afwijkingsvergunningen of wijzigingen) toegestaan. Als wordt voldaan aan de voorgeschreven maatvoering (bebouwingspercentage, bouwhoogte en dergelijke) en wordt gebouwd op de aangegeven plaats, kan hiervoor in de regel zonder meer omgevingsvergunning worden verleend.

In het geval van bijbehorende bouwwerken (voorheen: aanbouwen, uitbouwen, bijgebouwen en overkappingen) kan in bepaalde gevallen zonder omgevingsvergunning worden gebouwd (zie artikel 2 en 3, Bijlage II van het Besluit omgevingsrecht). 3. Algemene regels Hier zijn onder andere bepalingen ten aanzien van strijdig gebruik van gronden en bouwwerken opgenomen. 4. Overgangs- en slotregels Dit hoofdstuk bevat de overgangsregels en de slotregel. Het overgangsrecht dient om bouwwerken en gebruiksvormen, die in het verleden legaal zijn gerealiseerd maar nu afwijken van het nieuwe plan, (voorlopig) gehandhaafd respectievelijk voortgezet mogen worden. Zolang voldaan wordt aan de overgangsregels, worden deze bouwwerken en gebruiksvormen gedoogd. In de slotregel is bepaald wat de officiële naam van het plan is.

5.2 Bestemmingsregels Voorliggend bestemmingsplan bestaat uit de volgende bestemmingen. Artikel 3 Groen Deze bestemming geldt ter plaatse van de vigerende bestemming 'Groen'. In dit plan worden op deze gronden primaire watergangen gerealiseerd of gedempt ten behoeve van de realisatie van de snelfietsroute. Het uitvoeren van deze werken en werkzaamheden zijn in de betreffende artikelen uitgezonderd van de Omgevingsvergunningplicht. Artikel 4 Verkeer 40/43 - ontwerp - NL.IMRO.1948.PAR000BP0022022M-ON01 - 25 januari 2022

Deze bestemming geldt voor delen van het plangebied, waar, als gevolg van de aanleg van fietspad/fietsstraat, aangrenzende wegen en groen moeten worden aangepast. Artikel 5 Water Deze bestemming geldt ter plaatse de primaire watergangen conform de legger van het waterschap. Artikel 6 Leiding - Riool Deze bestemming geldt ter plaatse van de vigerende bestemming 'Leiding - Riool'. In dit plan worden op deze gronden greppels ten behoeve van watercompensatie gerealiseerd vanwege de realisatie van de snelfietsroute. Het uitvoeren van deze werken en werkzaamheden zijn in de betreffende artikelen uitgezonderd van de Omgevingsvergunningplicht. Artikel 7 Waarde - Archeologie 2 en Artikel 8 Waarde - Archeologie 3 Deze dubbelbestemmingen zijn opgenomen ten behoeve de archeologische waarden in het plangebied. In de dubbelbestemmingen zijn een omgevingsvergunningenstelsel opgenomen voor het uitvoeren van werken, geen bouwwerk zijnde, of van werkzaamheden die van invloed kunnen zijn op de aanwezige waarden. Artikel 9 Waarde - Archeologie Deze dubbelbestemming is opgenomen ten behoeve de archeologische waarden in het plangebied. In de dubbelbestemming is een omgevingsvergunningenstelsel opgenomen voor het uitvoeren van werken, geen bouwwerk zijnde, of van werkzaamheden die van invloed kunnen zijn op de aanwezige waarden.

Artikel 10 Waarde - Ecologie Deze dubbelbestemming geldt ter plaatse van de vigerende dubbelbestemming 'Ecologie'. In dit plan worden op deze gronden primaire watergangen gerealiseerd of gedempt ten behoeve van de realisatie van de snelfietsroute. Het uitvoeren van deze werken en werkzaamheden zijn in de betreffende artikelen uitgezonderd van de Omgevingsvergunningplicht.

5.3 Overige regeling anti-dubbeltelregel: deze regel is opgenomen om te voorkomen dat, wanneer volgens een bestemmingsplan bepaalde gebouwen en bouwwerken niet meer dan een bepaald deel van een bouwperceel mogen beslaan, het overgebleven terrein nog eens meetelt bij het toestaan van een ander gebouw of bouwwerk, waaraan een soortgelijke eis wordt gesteld. algemene bouwregels: hier zijn algemene regels ten aanzien van het ondergronds bouwen opgenomen met bijbehorende maatvoering. algemene gebruiksregels: in deze regels is opgenomen welke vormen van gebruik in ieder geval als strijdig gebruik worden beschouwd. Algemene aanduidingsregels: De algemene aanduidingsregels bevatten regelingen voor de gebiedsaanduidingen die op de verbeelding zijn opgenomen. Dit betreffen gebiedsaanduidingen die doorwerking hebben op meerdere verschillende (hoofd)bestemmingen. De in dit plan opgenomen gebiedsaanduidingen zijn: 1. Geluidzone – industrie (14.1); 2. Wro-zone – Wro-zone - zoekgebied voor ecologische verbindingszone bevat het zoekgebied voor het realiseren van een nieuwe ecologische verbindingszone. 3. de aanduiding ‘vrijwaringszone – radar’: deze stelt een beperking aan de maximale hoogte van bouwwerken in een straal van 15 kilometer rondom de radarantenne van Volkel (14.3).

algemene afwijkingsregels: deze regels geven het bevoegd gezag de bevoegdheid om met een omgevingsvergunning af te wijken van de regels van dit bestemmingsplan ten behoeve van nietingrijpende gebruiks- en/of bouwactiviteiten. De criteria, die bij toepassing 41/43 - ontwerp - NL.IMRO.1948.PAR000BP0022022M-ON01 - 25 januari 2022

van de afwijkingsbevoegdheid in acht moeten worden genomen, zijn daarbij aangegeven. algemene wijzigingsregels: deze regels geven het bevoegd gezag de bevoegdheid om bestemmingen te wijzigen ten behoeve van kleine overschrijdingen van bestemmingsgrenzen. De criteria, die bij toepassing van de wijzigingsbevoegdheid in acht moeten worden genomen, zijn daarbij aangegeven. overige regels: dit artikel geeft aan dat overtreding van de algemene gebruiksregels een strafbaar feit is (economisch delict).

5.4 Overgangs- en slotregels Hieronder zijn het overgangsrecht en de slotregel opgenomen. Deze laatste regel geeft aan op welke wijze de regels van het bestemmingsplan kunnen worden aangehaald.

42/43 - ontwerp - NL.IMRO.1948.PAR000BP0022022M-ON01 - 25 januari 2022

Hoofdstuk 6 Uitvoerbaarheid 6.1 Economische uitvoerbaarheid Op grond van het bepaalde in artikel 6.12 lid 1 Wet ruimtelijke ordening is de gemeenteraad verplicht bij de vaststelling van een ruimtelijk plan een exploitatieplan vast te stellen voor gronden waarop een bij algemene maatregel van bestuur aangewezen bouwplan is voorgenomen. In het bestemmingsplan 'Snelfietsroute Veghel - Uden, Woongebied Veghel' zijn geen bouwplannen als bedoeld in artikel 6.2.1 van het Besluit ruimtelijke ordening voorzien. De gemeente is initiatiefnemer voor de snelfietsroute. De financiering is geregeld.

6.2 Maatschappelijke uitvoerbaarheid 6.2.1 Participatie Participatie heeft op verschillende manieren plaatsgevonden conform de afspraken met de raad. De interne specialisten (bijvoorbeeld thema's verkeer, economie, waterhuishouding, groen, toerisme en recreatie) zijn hierin betrokken. De uitwerking van de plannen naar definitief ontwerp heeft in samenspraak met de bewoners en belanghebbenden plaatsgevonden (najaar 2019, voorjaar 2020). De inspraakavonden zijn over het algemeen positief ontvangen en waar mogelijk is rekening gehouden met de wensen van bewoners. Vooral in de straten waar woonstraten worden omgebouwd naar fietsstraten is geprobeerd de wensen van bewoners te vertalen in het ontwerp.

6.2.2 Communicatie In februari 2022 volgt een digitale nieuwsbrief waarin de stand van zaken van de snelfietsroute, de aanpak en de planologische procedures opgenomen wordt. Alle geïnteresseerden die zich eerder aangemeld hebben voor deze nieuwsbrief, ontvangen deze.

6.2.3 Vooroverleg ex artikel 3.1.1. Bro In het kader van het vooroverleg zijn door de Omgevingsdienst Brabant Noord, de Gasunie, het Waterschap AA & Maas en de Provincie Noord-Brabant opmerkingen op het plan gemaakt. Deze opmerkingen en de verwerking hiervan zijn opgenomen in de 'nota vooroverleg'(Bijlage 22).

6.2.4 Zienswijzen Het ontwerpbestemmingsplan ‘Snelfietsroute Veghel, deel woongebied Veghel’ is op 16 februari 2022 gepubliceerd in het gemeenteblad Meierijstad en op www.officielebekendmakingen.nl. In de periode van donderdag 17 februari 2022 tot donderdag 31 maart 2022 heeft het ontwerp bestemmingsplan ter voldoening aan artikel 3.8 van de Wet op de ruimtelijke ordening voor een ieder ter inzage gelegen. Daarnaast is het ontwerpbestemmingsplan via www.ruimtelijkeplannen.nl digitaal raadpleegbaar geweest. Gedurende de genoemde termijn van zes weken kon een ieder naar keuze schriftelijk of mondeling een zienswijze op het ontwerpbestemmingsplan kenbaar maken aan de gemeenteraad van Meierijstad. Naar aanleiding van het ontwerp bestemmingsplan zijn 6 zienswijzen ingediend. Een samenvatting van en reactie op deze zienswijzen is opgenomen in Bijlage 23.

43/43 - ontwerp - NL.IMRO.1948.PAR000BP0022022M-ON01 - 25 januari 2022

De tekst is automatisch uit het bestand gehaald en kan afwijken van het origineel (kolommen, tabellen en koppen lopen door elkaar). Het officiële stuk bij de gemeente is leidend. Bron: https://api1.ibabs.eu/publicdownload.aspx?site=Meierijstad&id=5655906d-9c9e-46c6-b001-10d39a1cc2ae