Bijlage 2: Ruimtelijke onderbouwing tijdelijke huisvesting internationale werknemers - Heidebloemstraat 15
Tekst van het document
Uitgangspunt voor het aantal parkeerplaatsen zijn de parkeernormen zoals opgenomen in de gemeentelijke nota parkeernomen. Een locatie moet bij vergunningverlening onder andere getoetst worden aan de componenten externe veiligheid (omgeving), geluid, lucht, bodem en bedrijven en milieuzonering. In de wetgeving zijn de actuele uitgangspunten en normen opgenomen voor deze toetsing. Indien er sprake is van logies hoeft niet aan al deze componenten getoetst te worden volgens de wetgeving. De gemeente bouwt voor de woningbehoefte en maakt daartoe afspraken met de regio en de provincie. De provincie levert daartoe bevolkings- en woningbehoefteprognoses. In die prognoses is rekening gehouden met immigratie van zowel arbeidsmigranten die langere tijd verblijven als expats en is gebaseerd op statistische gegevens van eerdere jaren. Huisvesting van arbeidsmigranten in reguliere woningen en in zelfstandige wooneenheden (eigen voordeur, huisnummer en alle voorzieningen voor zelfstandige bewoning) tellen mee in de woningbouwprogrammering en vallen daarom binnen de op basis van de provinciale verordening Ruimte te maken regionale woningbouwafspraken. Arbeidsmigranten die zich voor langere tijd vestigen en een beroep doen op reguliere woningen (sociale huur, particuliere huurwoningen of koopwoningen) zijn in de prognoses meegenomen.
Nu de economie harder aantrekt en het aantal arbeidsplaatsen zich sterker ontwikkelt dan verwacht, gaat de gemeente Meierijstad in overleg met de provincie Noord-Brabant en de regiogemeenten om deze prognoses bij te stellen. Grootschalige huisvesting van tijdelijke arbeidsmigranten is bij uitstek een plek waar ook plaats is voor woningzoekenden die op korte termijn voor een beperkte periode een betaalbare huisvesting zoeken (de spoedzoekers). In deze gevallen verkeert een
30
woningzoekende in een situatie waarin zij tijdelijk woonruimte zoeken, bijvoorbeeld na een scheiding of een starter die niet meer bij zijn ouders kan/wil wonen maar nog niet zelf in wonen kan voorzien (te lange wachtlijst sociale huur of te beperkt inkomen). Bij nieuwe plannen is in gesprek gaan met elkaar belangrijk. Een goede communicatie begint al in het begin van het proces, bij de omgevingsdialoog. Aan de omgevingsdialoog nemen alle belanghebbenden deel om individueel of gezamenlijk in gesprek te gaan. Deze dialoog biedt ruimte om de verschillende belangen, zorgen en/ of bezwaren met elkaar te delen. Zo kan de initiatiefnemer tot een plan komen waarbij rekening is gehouden met de omgeving. De gemeente Meierijstad ziet deze dialoog als goede start van de planvorming en legt deze verantwoordelijkheid bij de initiatiefnemer. Als het plan afwijkt van de liggende beleidskaders, dan stelt Meierijstad de omgevingsdialoog verplicht. Dit is ook het geval wanneer het plan binnen de beleidskaders valt, maar mogelijk impact kan hebben op de omgeving. In dit geval wordt verzocht om de desbetreffende wijk- of dorpsraad te betrekken. Richtlijnen omgevingsdialoog: • Stap 1: omgeving bepalen. De omgeving omvat in elk geval de aangrenzende percelen. Verder iedereen van wie de situatie mogelijk beïnvloed wordt door de plannen. • Stap 2: omgeving informeren.
U informeert zelf de omgeving over uw voornemen. U nodigt de geselecteerde uit de vorige stap uit voor een gesprek. • Stap 3: dialoog voeren. Hieronder vindt u de eisen die gesteld worden aan de dialoog die u voert. Ook als de arbeidsmigranten uiteindelijk gehuisvest zijn, moet de omgeving een aanspreekpunt hebben voor haar vragen en/of klachten. Een contactpersoon per huisvestingslocatie wordt daarom verplicht gesteld voor de huisvester of werkgever. Dit geldt ook bij reguliere woningen. Deze contactpersoon moet kenbaar zijn bij de directe omgeving, de dorps- en/of wijkraden en binnen de gemeente Meierijstad. Deze contactpersoon dient namelijk als aanspreekpunt voor al deze belanghebbenden Voor de gemeente Meierijstad is duurzaamheid erg belangrijk. Bij de realisatie van nieuwe projecten moet er rekening gehouden worden met de duurzaamheid. De gemeente Meierijstad prefereert hierdoor hergebruik van bestaand vastgoed of verplaatsbare tijdelijke woningen. Kleinere werkgevers kunnen wellicht geen grootschalige huisvesting realiseren. Het is wenselijk dat de initiatiefnemer hier rekening mee houdt en een deel beschikbaar stelt aan deze kleinere partijen. Doorwerking plan(locatie) Onderhavig planvoornemen betreft de tijdelijke functiewijziging / transformatie van een bestaand kantoorpand op een bedrijventerrein – Molendijk – naar shortstay huisvesting voor arbeidsmigranten.
In de uitgangspunten van de gemeente is opgenomen dat voor huisvesting van meerdere arbeidsmigranten dergelijke locaties de voorkeur hebben.
31
Ten aanzien van het kantoor – hergebruik bestaand vastgoed – óp een bedrijventerreinen hanteert de gemeente het volgende beleid, ten aanzien van de vraag: ‘is huisvesting van arbeidsmigranten mogelijk?’ Cursief genoteerd is per onderdeel een toelichting ten aanzien van onderhavig planvoornemen. Ja mits: 9. Er sprake is van tijdelijke huisvesting – hier wordt aan voldaan, uitgangspunt is een tijdelijke vergunning voor shortstay bewoning; 10. Het gaat om bedrijfsmatige huisvesting – hier wordt aan voldaan; 11. In legale bedrijfspanden met bedrijfsbestemming t.b.v. vigerende bestemmingsplan – hier wordt aan voldaan; 12. Ten minste 10 volwaardige slaapplaatsen – het betreft de functiewijziging / transformatie van een bestaand kantoorpand. Er worden 70 slaapplaatsen gerealiseerd; 13. Voldaan wordt aan actuele SNF norm – hier wordt aan voldaan, zie paragraaf 3.2 onder het kopje ‘Handboek normen - Stichting Normering Flexwonen (SNF)’ 14. Voldoende parkeergelegenheid conform paraplunota parkeren – hier wordt aan voldaan, zie paragraaf 3.4 onder het kopje ‘Paraplubestemmingsplan parkeren / Nota Parkeernormen Meierijstad 2018’ en bijlage 2; 15. Nachtregister wordt bijgehouden – initiatiefnemer zal een nachtregister bijhouden. Niet toegestaan, wanneer: 16. De locatie dezelfde is als waar de arbeidsmigrant werkt – niet van toepassing 17. Bij bedrijfsfuncties die o.b.v.
overgangsrecht zijn toegestaan – niet van toepassing Verder gelden de volgende algemene uitgangspunten: • Er treedt geen zodanige verkeersaantrekkende werking op dat deze leidt of kan leiden tot een onevenredige nadelige beïnvloeding van de normale afwikkeling van het verkeer dan wel tot een onevenredige parkeerdruk op de openbare ruimte. Parkeren geschiedt op eigen terrein en er is sprake van een goede (auto)ontsluiting en verkeersafwikkeling. Voor een inhoudelijke behandeling wordt verwezen naar de paragrafen 3.4 en 4.11. • De privacy en de gebruiksmogelijkheden van aangrenzende percelen worden niet aantoonbaar benadeeld. Verwezen wordt naar de milieu-hygiënische en planologische verantwoording, zoals opgenomen in hoofdstuk 4 van deze ruimtelijke onderbouwing. • Er is geen sprake zijn van een aantoonbare inbreuk op een geordend woon- en leefmilieu in de omgeving (overlast). Zo worden de normen in acht genomen, zoals gesteld vanuit de meest actuele Stichting Normering Flexwonen. De plattegronden, zoals toegevoegd als separate bijlagen, laten zien dat (hoofdzakelijk) inpandig de noodzakelijke voorzieningen en faciliteiten aanwezig zijn. • Het gebruik levert geen (milieu)belemmeringen op voor omliggende bedrijven. Verwezen wordt naar de milieu-hygiënische en planologische verantwoording, zoals opgenomen in hoofdstuk 4 van deze ruimtelijke onderbouwing.
Voor ‘reguliere woningen’ op bedrijventerreinen geldt dat de afstand tussen verschillende locaties minimaal 75 meter moet zijn. Dit is bepaald in de beleidsnotitie Huisvesting arbeidsmigranten. Gesteld kan derhalve worden dat deze afstandsnorm niet geldt voor onderhavige planontwikkeling, omdat het niet gaat om een reguliere woning, maar om
32
‘hergebruik van bestaand vastgoed’ c.q. een kantoor. De beleidsnotitie stelt de afstandsnorm van 75 meter niet expliciet als voorwaarde / criterium in het geval van ‘hergebruik van bestaand vastgoed’ c.q. onderhavig kantoor. Dit is ook in lijn met wat hierover is bepaald in subparagraaf 2.2.2 van de beleidsnotitie. Daar staat geschreven dat de afstand tussen ‘de huizen’ waar arbeidsmigranten in gehuisvest worden minimaal 75 meter moet zijn. De doelstelling van de beleidsnotitie Huisvesting arbeidsmigranten is om 2000-2500 extra verblijfsplaatsen voor arbeidsmigranten te realiseren in de komende vijf jaar na vaststelling van dit beleid in juni 2019. Verder geldt dat de feitelijke afstand van de gevel van bedrijfswoning aan de Heidebloemstraat 13a tot de gevel van het kantoor aan de Heidebloemstraat 15 al ruim 60 meter bedraagt. Het bestaande kantoorpand moet enkele (inpandige) verbouwingen ondergaan, maar blijft van de buitenzijde intact. Grofweg betekent dit in de feitelijke situatie dat het pand aan de buitenzijde niet of nauwelijks zal wijzigen en de bestaande kantoorfunctie wordt gewijzigd in een woonfunctie. Om onderhavig planvoornemen voor de huisvesting van arbeidsmigranten mogelijk te maken dient er afgeweken te worden van het bestemmingsplan. Het plan is verder niet van negatieve invloed op de ter plaatse aanwezige (groen)inrichting en infrastructuur.
Conclusie Onderhavige ontwikkeling sluit aan bij c.q. doet geen afbreuk aan de ambities en de (beleids)doelstellingen en -uitgangspunten, zoals gesteld in de beleidsnotitie Huisvesting arbeidsmigranten. Klimaat en duurzaam De gemeente Meierijstad verlangt van iedere bouwer een bijdrage in het milieuverantwoord c.q. energieneutraal bouwen. Uit ruimtelijk oogpunt bezien, is het belangrijk om te komen tot ‘duurzaam bouwen’. Duurzaam bouwen verhoogt de gebruikswaarde (functioneel), de belevingswaarde (vorm) en de toekomst (tijd) voor de bebouwde omgeving. Duurzaam bouwen is in dit geval te onderscheiden in stedenbouwkundig en bouwkundig duurzaam bouwen. Met het realiseren van onderhavig plan wordt rekening gehouden met het uitgangspunt om te komen tot duurzaam bouwen. Bouwkundige duurzaamheid laat zich – concreet voor onderhavig plan – uitdrukken in: • duurzaam materiaalgebruik; • slimme energetische concepten welke resulteren in energiebesparende maatregelen, zoals het toepassen van zonnepanelen, het toepassen van isolerende voorzieningen / dubbelglas e.d.; • afvalreductie.
33
Stedenbouwkundige duurzaamheid komt tot uitdrukking in de ruimtelijke opzet en inpassing van de bebouwing. Ruimtelijke kwaliteit vormt de voorwaarde voor een goed woon- en leefmilieu. Belangrijk hierbij is het om de stedenbouwkundige structuur op een goede manier kenbaar te maken en te behouden.
34
4. MILIEU-HYGIËNISCHE EN PLANOLOGISCHE VERANTWOORDING 4.1 M.e.r.-beoordeling Toetsingskader Het Besluit Mer is per 1 juli 2017 gewijzigd. De nieuwe beoordelingssystematiek moet worden toegepast en worden omschreven. Voor elk besluit of plan dat betrekking heeft op activiteit(en) die voorkomen op de D-lijst die onder de drempelwaarden van kolom 2 vallen moet een toets worden uitgevoerd of belangrijke nadelige milieugevolgen kunnen worden uitgesloten. Voor deze toets wordt de term vormvrije m.e.r.-beoordeling gehanteerd. Dit houdt in dat er voorafgaand aan de vaststelling van een bestemmingsplan een aparte mer-beoordelingsbeslissing moet worden genomen dat geen MER nodig is. Dit beslissingsdocument moet vervolgens in de bijlage van de toelichting opgenomen worden. Een m.e.r.-beoordeling is een toets van het bevoegd gezag om te beoordelen of bij een project belangrijke nadelige milieugevolgen kunnen optreden. Wanneer uit de toets blijkt dat er belangrijke nadelige milieugevolgen kunnen optreden moet er een m.e.r.procedure worden doorlopen. Met andere woorden dan is het opstellen van een m.e.r. nodig. De vormvrije m.e.r.-beoordeling is dus altijd nodig als een besluit of plan wordt voorbereid over activiteiten die voorkomen op de D-lijst en die onder de drempelwaarden liggen. Voor de vormvrije m.e.r.-beoordeling gelden twee voorwaarden: 1.
het gaat over één of meer activiteiten die voorkomen op de D-lijst van het Besluit m.e.r.; 2. de omvang van al die activiteit(en) ligt onder de drempelwaarde (kolom 2 van de D-lijst). Bij besluiten en plannen over activiteiten die niet op de D-lijst staan, is de vormvrije m.e.r.-beoordeling dus niet nodig. In de bijlage bij het Besluit MER is opgenomen welke activiteiten m.e.r.-plichtig zijn (de C-lijst) en welke activiteiten m.e.r.-beoordelingsplichtig zijn (de D-lijst). Bij de vormvrije m.e.r.-beoordeling kan aandacht worden besteed aan het volgende: • een globale beschrijving van de ingreep-effectrelaties en dosis-effectrelaties van de voorgenomen activiteit; • wat zijn maatgevende effecten van de voorgenomen activiteit? Is er sprake van emissies (bijvoorbeeld van geluid, lucht), verkeersaantrekkende werking e.d.? • wat is het ruimtebeslag? • wat is de afstand van de activiteit(en) tot gebieden die gevoelig zijn? • zijn er met betrekking tot de activiteit indicatieve invloedsafstanden bekend? (bijvoorbeeld uit het ‘groene boekje’) • waarvoor zijn de gebieden gevoelig? Heeft de voorgenomen activiteit daar invloed op?
35
Doorwerking plan(locatie) In de bijlage bij het Besluit m.e.r. is opgenomen welke activiteiten m.e.r.-plichtig zijn (de C-lijst) en welke activiteiten m.e.r.-beoordelingsplichtig zijn (de D-lijst). Bij de vormvrije m.e.r.-beoordeling kan aandacht worden besteed aan het volgende: • een globale beschrijving van de ingreep-effectrelaties en dosis-effectrelaties van de voorgenomen activiteit; • wat zijn maatgevende effecten van de voorgenomen activiteit? Is er sprake van emissies (bijvoorbeeld van geluid, lucht), verkeersaantrekkende werking e.d.? Wat is het ruimtebeslag? • wat is de afstand van de activiteit(en) tot gebieden die gevoelig zijn? • zijn er met betrekking tot de activiteit indicatieve invloedsafstanden bekend? (bijvoorbeeld uit het ‘groene boekje’) • waarvoor zijn de gebieden gevoelig? Heeft de voorgenomen activiteit daar invloed op? Om te bepalen of een m.e.r.-beoordeling noodzakelijk is, dient bepaald te worden (1) of de ontwikkeling de drempelwaarden uit de D-lijst van het Besluit m.e.r. overschrijdt, (2) of de ontwikkeling in een gevoelig gebied ligt en (3) of er belangrijke milieugevolgen zijn. 1. In de planlocatie wordt de huisvesting van arbeidsmigranten (functiewijziging) in een bestaand kantoorpand mogelijk gemaakt. Er is daarmee geen sprake van een overschrijding van de drempelwaarden uit de D-lijst van het Besluit m.e.r. 2.
In onderdeel A van de bijlage bij het Besluit m.e.r is bepaald wat verstaan wordt onder een ‘gevoelig gebied’. Als gevoelig gebied zijn gebieden aangewezen die beschermd worden op basis van de natuurwaarden, landschappelijke waarden, cultuurhistorische waarden en waterwingebieden. De planlocatie behoort niet tot een waterwinlocatie, waterwingebied of grondwaterbeschermingsgebied. Ook behoort de planlocatie niet tot een gebied waarbinnen een Rijksmonument ligt of een Belvédèregebied. 3. In dit hoofdstuk worden de milieueffecten beschouwd, zoals geluid en luchtkwaliteit. Hieruit blijkt dat er door onderhavig bestemmingsplan geen sprake zal zijn van nadelige milieugevolgen. Een stedelijk ontwikkelingsproject als bedoeld in het Besluit m.e.r. is iets anders is dan een stedelijke ontwikkeling als bedoeld in artikel 3.2.1 van het Besluit ruimtelijke ordening, alsmede dat de aard en omvang van een stedelijke ontwikkeling op zichzelf dienen te worden bezien voor het antwoord op de vraag of sprake is van een stedelijk ontwikkelingsproject als bedoeld in het Besluit m.e.r.
Vanwege het gegeven dat de beoogde ontwikkeling plaatsvindt in een stedelijke zone en een reeds voor stedelijke activiteiten bestemde locatie, met de aanwezigheid van ontsluitingswegen, zijn de milieugevolgen van het project beperkt zijn, wordt de aard en de omvang van de voorziene (wijziging van de) stedelijke ontwikkeling als beperkt aangemerkt, zodat géén sprake is van een stedelijk ontwikkelingsproject als bedoeld in het Besluit m.e.r.
36
Conclusie Onderhavige planontwikkeling valt in beginsel onder onderdeel D (stedelijk ontwikkelingsproject, categorie D.11.2) van de bijlage bij het Besluit m.e.r. Gelet op het kleinschalige karakter van het plan in vergelijking met de plandrempels uit het Besluit m.e.r., de ligging van het plangebied (niet in de buurt van een Natura 2000 gebied) en de kenmerken van de potentiële effecten, wordt dit niet gezien als een stedelijk ontwikkelingsproject in de zin van het Besluit m.e.r. en is een aanmeldnotitie (vormvrije m.e.r.-beoordeling) niet noodzakelijk. Dit blijkt ook uit de milieutoets van de verschillende milieuaspecten, zoals deze in de overige paragrafen zijn opgenomen. In het kader van de planprocedure is dan ook geen m.e.r.-procedure of m.e.r.beoordelingsprocedure noodzakelijk conform het Besluit m.e.r. 4.2 Archeologie en cultuurhistorie Toetsingskader Belangrijk bij de afweging of er gebouwd kan worden is het nagaan of in of rondom de planlocatie belangrijke archeologische en, cultuurhistorische waarden aanwezig zijn. Het voorkomen van deze waarden wil niet per definitie zeggen dat er ter plaatse niet gebouwd kan worden, maar geeft aan dat zorgvuldig omgaan met deze waarden vereist is. Doel van het archeologische onderzoek is het waar nodig beschermen van archeologische waarden en het streven naar behoud van de waarden in de bodem (in situ).
De essentie van het archeologische onderzoek is het verkrijgen van gegevens over de archeologische resten in de bodem teneinde in een vroeg stadium een goede afweging te kunnen maken van alle bij een ruimtelijk besluit betrokken belangen. Het archeologische onderzoek is verankerd in de Wet op de Archeologische Monumentenzorg uit 2007. De uitgangspunten van de wet zijn: • archeologische waarden zoveel mogelijk in de bodem bewaren en alleen opgraven als behoud in de bodem (in situ) niet mogelijk is; • de initiatiefnemer van een ruimtelijke ontwikkeling moet in een vroegtijdig stadium aangeven hoe met eventuele archeologische waarden bij bodemverstorende ingrepen zal worden omgegaan. Dit houdt in een verplichting tot vooronderzoek bij werkzaamheden die de grond gaan verstoren; • bodemverstoorders betalen archeologisch onderzoek en mogelijke opgravingen. De kosten voor noodzakelijke archeologische werkzaamheden komen ten laste van de initiatiefnemer. Op 5 juli 2011 is een wijziging van het Bro gepubliceerd. Vanaf 1 januari 2012 moet ieder nieuw bestemmingplan een analyse van cultuurhistorische waarden bevatten. In aansluiting op de vaststelling van de Wet tot wijziging van de Monumentenwet 1988 en de Wet algemene bepalingen omgevingsrecht in mei 2011 zijn op 17 juni 2011 het Bro, het Besluit omgevingsrecht (Bor) en het Besluit archeologische monumentenzorg (Bamz) aangepast.
Door een wijziging van het Bro moeten cultuurhistorische waarden voortaan
37
vooraf in het proces van ruimtelijke ordening worden meegenomen, met name bij de voorbereiding en vaststelling van bestemmingsplannen. Het Bro bevat eisen waaraan de voorbereiding van een bestemmingsplan moet voldoen. In de toelichting van de ruimtelijke onderbouwing dient een beschrijving te worden opgenomen hoe met de in het gebied aanwezige cultuurhistorische waarden en in de grond aanwezige of te verwachten monumenten rekening is gehouden. De opsteller van de ruimtelijke onderbouwing is daarmee dus verplicht om breder te kijken dan alleen naar het facet archeologie. Ook de facetten historische (steden)bouwkunde en historische geografie dienen te worden meegenomen in de belangenafweging. Hierbij gaat het om zowel beschermde als niet formeel beschermde objecten en structuren. In de provincie Noord-Brabant dienen in het kader van het behoud van waardevolle cultuur-historische elementen en archeologische vindplaatsen, bestemmingsplannen te worden getoetst aan de provinciale Cultuurhistorische Waardenkaart (CHW). Hierop staan de bepalende cultuurhistorische elementen aangeven. Bij de afweging of een ruimtelijke ontwikkeling mogelijk is, dient nagegaan te worden of er binnen of rondom de planlocatie cultuurhistorische waarden aanwezig zijn.
Het eventueel aanwezig zijn van deze waarden wil niet per definitie zeggen dat een bepaalde ruimtelijke ontwikkeling niet realiseerbaar is, maar geeft wel aan dat zorgvuldig omgaan met deze waarden vereist is. Doorwerking plan(locatie) De planlocatie, het pand waarop onderhavig planvoornemen betrekking heeft, bezit behalve de dubbelbestemming 'Waarde - Archeologie 4', geen monumentale status of een anderszins vastgelegde beeldbepalende kwaliteit bezit. Ten behoeve van onderhavig planvoornemen worden geen uitpandige bouwwerkzaamheden verricht. Een onderzoek naar archeologische en cultuurhistorische waarden is hiermee niet meer noodzakelijk. In algemene zin geldt altijd wel een meldingsplicht, indien er tijdens eventuele toekomstige bouwgraafwerkzaamheden alsnog archeologische indicatoren aangetroffen worden. Daarmee kan worden geconcludeerd dat de aspecten archeologie en cultuurhistorie niet aan de realisatie van het planvoornemen in de weg staan. Conclusie Uit archeologisch en cultuurhistorisch perspectief zijn er geen belemmeringen voor het (bouw)plan. 4.3 Flora en fauna en stikstofdepositie Toetsingskader Op 1 januari 2017 is de Wet natuurbescherming (Wnb) ingegaan. In het Decentralisatieakkoord Natuur (PS2011-778) is afgesproken dat de wetgever de decentralisatie van rijkstaken in het landelijk gebied naar provincies formaliseert.
Met de Wnb geeft het Rijk invulling aan de decentralisatieafspraken uit het
38
Decentralisatieakkoord Natuur en het Natuurpact (PS2013-797). De Wnb is daarmee het sluitstuk van de decentralisatie van het natuurbeleid. Het huidige wettelijke stelsel voor de natuurbescherming, zoals neergelegd in de Natuurbeschermingswet 1998, de Floraen faunawet en de Boswet, is vervangen door deze wet. Als (een wijziging van) een bestemmingsplan negatieve gevolgen heeft voor de Natura 2000-gebieden kan het plan in beginsel niet worden vastgesteld. In dat geval moet het bevoegd gezag volgens artikel 2.8 van de Wnb eerst een passende beoordeling opstellen. Uit de passende beoordeling moet blijken dat de instandhoudingsdoelstellingen van de betreffende gebieden niet aangetast worden door het plan. Eventueel worden maatregelen opgenomen die getroffen worden om dit te bereiken. Als niet aangetoond wordt dat aan de instandhoudingsdoelstellingen voldaan wordt, kan het plan geen doorgang vinden. Met behulp van een voortoets kan het bevoegd gezag bepalen of op voorhand negatieve gevolgen uit te sluiten zijn. Hierbij moet voor de gewenste situatie worden uitgegaan van de maximale planologische mogelijkheden. Voor plannen die ten opzichte van de uitgangssituatie op het referentiemoment geen significante toename in stikstofdepositie veroorzaken, zijn negatieve effecten ten aanzien van dit aspect uit te sluiten. In dat geval hoeft geen passende beoordeling te worden opgesteld.
Doorwerking plan(locatie) De planlocatie zal wat bebouwing, vorm en omvang betreft niet worden gewijzigd. Onderhavig planvoornemen heeft enkel een functiewijziging plaats, waarbij huisvesting wordt gerealiseerd in een bestaand (kantoor)pand. Er vinden in ieder geval geen significante wijzigingen op het gebied van flora en fauna plaats, ten opzichte van de bestemde situatie. Daarbij kan tevens worden vermeld dat het planvoornemen niet voorziet in uitpandige sloopwerkzaamheden. Hierdoor worden eventueel aanwezige waarden op het gebied van de flora en fauna niet aangetast. Ten behoeve van het planvoornemen is door De Roever Omgevingsadvies een stikstofdepositie-onderzoek uitgevoerd. Het integrale rapport is als bijlage 3 toegevoegd. De conclusies luiden letterlijk als volgt:
In dit stikstofdepositieonderzoek is voor het gewenste plan de te verwachten stikstofdepositie ter plaatse van de Natura 2000-gebieden berekend. Uit de berekeningen blijkt dat de stikstofdepositie op de Natura 2000-gebieden niet hoger is dan 0,00 mol/ha/jaar. Er is geen sprake van vergunningplicht op grond van de Wet natuurbescherming.
Conclusie De realisatie van het bouwplan leidt niet tot aantasting van beschermde natuurwaarden en/of beschermde gebieden. Vanuit het oogpunt van flora en fauna en stikstofdepositie zijn er geen belemmeringen voor het plan.
39
4.4 Waterparagraaf Toetsingskader Bij de watertoets gaat het om het verantwoorden van de waterhuishoudelijke aspecten bij ruimtelijke plannen en besluiten. Met behulp van de watertoets wordt er naar gestreefd om het waterhuishoudkundig aspect in combinatie met het ruimtelijke beleid toe te passen op de beoogde planlocatie, waarbij op basis van de voorgenomen ontwikkelingen gezocht is naar een hydrologisch neutrale oplossingsrichting. De watertoets is wettelijk verankerd in artikel 3.1.6, eerste lid, sub b van het Besluit ruimtelijke ordening. Dit besluit verplicht tot het opnemen van ‘een beschrijving van de wijze waarop in het bestemmingsplan rekening is gehouden met de gevolgen voor de waterhuishouding’ in de toelichting van ruimtelijke plannen van provincies, regionale openbare lichamen en gemeenten in het kader van de Wro. Vanuit verschillende overheidsniveaus zijn beleid en uitgangspunten geformuleerd voor wat betreft de omgang met afstromend hemelwater. De belangrijkste uitgangpunten hierbij zijn het hydrologisch neutraal ontwikkelen en het doorlopen van de volgorde ‘hergebruik-vasthouden-berging-afvoer’. De planlocatie valt binnen het beheersgebied van Waterschap Aa en Maas. Ook voor het Waterschap Aa en Maas is hydrologisch neutraal ontwikkelen speerpunt bij ruimtelijke ingrepen in haar beheersgebied.
Het waterschap heeft een beleidsnota met uitgangspunten ten behoeve van de watertoets. Hierbij staan de volgende principes centraal: • wateroverlastvrij bestemmen; • gescheiden houden van vuil water en schoon hemelwater; • doorlopen van de afwegingsstappen: ‘hergebruik - infiltratie - buffering - afvoer’; • hydrologisch neutraal bouwen; • water als kans; • meervoudig ruimtegebruik; • voorkomen van vervuiling • rekening houden met waterschapsbelangen. De voornoemde principes liggen in lijn met het landelijke beleid ten aanzien van de watertoets. Gestreefd dient te worden naar een waterhuishoudkundig minimaal gelijkwaardige situatie. Het belangrijkste gegeven is het geohydrologisch compenseren van een eventuele toename van verharde oppervlakte, waardoor hemelwater versneld kan worden afgevoerd. Doorwerking plan(locatie) Op de planlocatie vindt geen uitbreiding van verhard oppervlak plaats. Het gehele terrein is immers reeds bebouwd c.q. verhard. Vanuit hydrologisch oogpunt vinden er geen wijzigingen plaats. Conclusie
40
Vanuit het oogpunt van hydrologie zijn er geen belemmeringen voor het (bouw)plan. 4.5 Bodem Toetsingskader Het doel van de bodemtoets bij ruimtelijke plannen is de bescherming van de bodem. Een bodemonderzoek moeten worden uitgevoerd om te kunnen beoordelen of de bodem geschikt is voor de geplande functie en of er sprake is van een eventuele saneringsnoodzaak. De wet bepaalt dat bij een ruimtelijk plan rekening gehouden moet worden met de bodemkwaliteit ter plaatse. De reden hiervoor is dat eventueel aanwezige bodemverontreiniging van groot belang kan zijn voor de keuze van bepaalde bestemmingen en/of voor de uitvoerbaarheid van het bestemmingsplan. Doorwerking plan(locatie) Op de planlocatie vindt geen uitbreiding van verhard oppervlak plaats ten opzichte van de reeds bestemde situatie. Mocht dat in een later stadium toch de wens zijn (in de vorm van oprichting van een bouwwerk of uitbreiding van bestaande bouwwerken), dan zal daar eventueel een vergunning voor moeten worden aangevraagd. Te zijner tijd kan dan een omgevingsvergunningprocedure worden doorlopen om een aanbouw of oprichting van een bijgebouw mogelijk te maken. Een bodemonderzoek zou dan één van de vereisten van bevoegd gezag kunnen zijn om dergelijke ontwikkelingen mogelijk te maken. Tot die tijd is met onderhavige ontwikkeling een geologisch neutrale situatie ter plaatse van de planlocatie gewaarborgd.
Verder geldt dat in de bestaande situatie ook al mensen gedurende 2 uur of langer ter plaatse verbleven. In dergelijke situaties is een bodemonderzoek niet noodzakelijk. Conclusie Geconcludeerd kan worden dat het aspect bodem geen belemmering vormt voor onderhavige ontwikkeling. 4.6 Bedrijven en milieuzonering Toetsingskader Het doel van milieuzonering is om te komen tot een optimale kwaliteit van de leefomgeving. Instrumenten van ruimtelijke ordening en milieu kunnen elkaar daarbij ondersteunen. Om tot een optimale invulling van de ruimte te komen, onderscheidt de Vereniging van Nederlandse Gemeenten (VNG) in haar brochure Bedrijven en Milieuzonering (editie 2009) twee omgevingstypen: 1. omgevingstype rustige woonwijk of rustig buitengebied; 2. omgevingstype gemengd gebied.
Ad. 1 Een ‘rustige woonwijk’ is een woonwijk die is ingericht volgens het principe van functiescheiding. Afgezien van wijkgebonden voorzieningen komen vrijwel geen andere functies
41
(zoals bedrijven of kantoren) voor. Langs de randen (in de overgang naar mogelijke bedrijfsfuncties) is weinig verstoring door verkeer. Een vergelijkbaar omgevingstype qua aanvaardbare milieubelasting is een ‘rustig buitengebied’ (eventueel inclusief verblijfsrecreatie), een stiltegebied of een natuurgebied. Ad. 2 Een ‘gemengd gebied’ is een gebied met een matige tot sterke functiemenging. Direct naast woningen komen andere functies voor, zoals winkels, horeca en kleine bedrijven. Geluid is voor de te hanteren afstand van milieubelastende activiteiten veelal bepalend. Vervolgens worden in de brochure, op basis van een aantal factoren (geur, stof, geluid en gevaar), richtafstanden genoemd tussen verschillende bedrijfstypen en omgevingstype ‘rustige woonwijk’ of ‘rustig buitengebied’, waarmee gemeenten bij ruimtelijke ontwikkelingen rekening kunnen houden. Indien sprake is van het omgevingstype ‘gemengd gebied’, dan kunnen de richtafstanden – zonder dat dit ten koste gaat van het woon- en leefklimaat en het functioneren van bedrijven – met één afstandsstap worden verlaagd. Doorwerking plan(locatie) Geurhinder (Wgv) In de directe omgeving van de planlocatie zijn geen (intensieve) veehouderijen en andersoortige agrarische bedrijven gelegen.
Milieuzonering (categorie-indeling bedrijven) Ten behoeve van het planvoornemen is door De Roever Omgevingsadvies een ‘onderzoek bedrijven en milieuzonering’ uitgevoerd. Het integrale rapport is als bijlage 4 toegevoegd. De conclusies luiden letterlijk als volgt:
In dit onderzoek is de milieuzonering ten aanzien van het plan om het huidige kantoor aan de Heidebloemstraat 15 in Schijndel om te zetten naar huisvesting voor arbeidsmigranten onderzocht. In hoofdstuk 3 is een overzicht gegeven van milieubelastende bedrijven in de omgeving. De beoogde huisvesting ligt binnen de richtafstanden van twee bedrijven die om die reden mogelijk hinder kunnen veroorzaken. Zo is de geplande huisvesting gelegen binnen de richtafstand voor het aspect geluid van het hoofdkantoor van het bedrijf Dortmans (maatgevende activiteit: Touringcarbedrijf) gevestigd op Heidebloemstraat 15a. Naar aanleiding hiervan wordt er bij de ruimtelijke onderbouwing een akoestisch onderzoek industrielawaai aangeleverd waarin onderzocht is in welke mate het aspect geluid het woon- en leefklimaat onacceptabel negatief beïnvloedt en/of het bestaande bedrijf voor het aspect geluid door deze ontwikkeling onevenredig in zijn belangen geschaad wordt. De geplande huisvesting is ook gelegen binnen de richtafstand voor het aspect geluid van Dortmans goederenvervoer. Echter vallen er geen verblijfsruimtes binnen de
42
richtafstand, waardoor het woon- en leefklimaat ter plaatse van de geplande huisvesting niet negatief beïnvloed zal worden. Daarnaast geldt dat op een afstand van circa 12 meter vanaf Dortmans goederenvervoer reeds een bestaand geluidgevoelig object aanwezig is (bedrijfswoning aan de Heidebloemstraat 13a). De geplande huisvesting zal niet zorgen voor een onevenredige belemmering voor Dortmans goederenvervoer. Gesteld kan worden dat met uitzondering van het aspect geluid van het hoofdkantoor van Dortmans ten aanzien van milieubelastende functies in de omgeving er sprake is van een aanvaardbaar woon- en leefklimaat ter plaatse van het plangebied en dat door het plan de belangen van die functies niet worden geschaad
Ten behoeve van het planvoornemen is door De Roever Omgevingsadvies een akoestisch onderzoek naar de invloed van het industrielawaai uitgevoerd. Het integrale rapport is als bijlage 5 toegevoegd. De conclusies luiden als volgt:
Langtijdgemiddeld beoordelingsniveau Activiteitenbesluit Uit hoofdstuk 4 blijkt dat ter plaatse van beoordelingspunt TP09 niet voldaan wordt aan de grenswaarde uit het Activiteitenbesluit (55 dB(A) etmaalwaarde). Wanneer het gebouw aangemerkt wordt als geluidsgevoelig én sprake is van te openen delen in de desbetreffende gevel, dan zijn maatwerkvoorschriften (mogelijk) nodig om het naastgelegen bedrijf niet onevenredig in zijn/haar belangen te schaden. Maatwerkvoorschriften zijn niet nodig wanneer het gebouw niet als geluidgevoelig object wordt aangemerkt en/of als de desbetreffende gevel uitgevoerd wordt als zijnde ‘dove gevel’. Daarnaast kunnen overdrachtsmaatregelen (SilentAir-systeem) ervoor zorgen dat de berekende overschrijdingen worden opgelost. Dit dient dan vastgelegd te worden in de voorschriften van de omgevingsvergunning. Woon- en leefklimaat Uit hoofdstuk 4 blijkt dat ter plaatse van en aantal beoordelingspunten niet voldaan wordt aan de richt- en grenswaarden uit stap 2 en 3 van de Handreiking Bedrijven en milieuzonering. In paragraaf 5.4.1 (tabel 8) is de benodigde gevelwering (cumulatieve geluidbelasting) berekend om binnen in de gewenste huisvesting een aanvaardbaar woon- en leefklimaat te kunnen garanderen. Deze gevelwering zal worden vastgelegd in de voorschriften van de omgevingsvergunning.
Verder geldt dat ter plaatse van de gezamenlijke buitenruimte een geluidniveau heerst van circa 60 dB (cumulatief). De gezamenlijke buitenruimte is gelegen in een gebied met de kwalificatie ‘matig’ tot ‘tamelijk slecht’, zie paragraaf 5.5. Maximaal geluidniveau
43
Activiteitenbesluit Uit hoofdstuk 4 blijkt dat ter plaatse van een groot aantal beoordelingspunten niet voldaan wordt aan de grenswaarden uit het Activiteitenbesluit in de avond- en nachtperiode. Wanneer het gebouw aangemerkt wordt als geluidsgevoelig én sprake is van te openen delen in de desbetreffende gevel(s), dan zijn (mogelijk) maatwerkvoorschriften nodig om het naastgelegen bedrijf niet onevenredig in zijn/haar belangen te schaden. Maatwerkvoorschriften zijn niet nodig wanneer het gebouw niet als geluidgevoelig object wordt aangemerkt en/of als de desbetreffende gevel(s) uitgevoerd worden als zijnde ‘dove gevels’. Daarnaast kunnen overdrachtsmaatregelen (SilentAir-systeem) ervoor zorgen dat de Akoestisch onderzoek industrielawaai, Heidebloemstraat 15 Schijndel 30 Datum: 25 maart 2022; Referentie: 20210063.v02 berekende overschrijdingen worden opgelost. Dit dient dan vastgelegd te worden in de voorschriften van de omgevingsvergunning. Woon- en leefklimaat Uit hoofdstuk 4 blijkt dat ter plaatse van en aantal beoordelingspunten niet voldaan wordt aan de richtwaarden uit stap 2 van de Handreiking Bedrijven en milieuzonering. De overschrijdingen in zowel de dag, avond- als nachtperiode worden veroorzaakt door dichtslaande portieren en optrekkende voertuigen op het buitenterrein. Deze piekgeluiden vallen onder de categorie ‘piekgeluiden door aan- en afrijdend verkeer’.
Bij toetsing aan stap 3 van de Handreiking Bedrijven en milieuzonering vallen dergelijke piekgeluiden buiten het toetsingskader, zie paragraaf 2.1 uit deze rapportage. In paragraaf 5.4.2 (tabel 9) is de benodigde gevelwering (piekgeluiden) berekend om binnen in de gewenste huisvesting een aanvaardbaar woon- en leefklimaat te kunnen garanderen. Deze gevelwering zal worden vastgelegd in de voorschriften van de omgevingsvergunning. Verder geldt dat ter plaatse van de gezamenlijke buitenruimte een maximaal geluidniveau heerst van circa 75 dB (dag, avond- en nachtperiode). Indirecte hinder In het kader van indirecte hinder wordt aan de richtwaarde voldaan. Indirecte hinder vormt geen belemmering voor het gewenste plan. Er is sprake van een aanvaardbaar woon- en leefklimaat ter plaatse van de gewenste huisvesting
Voor dit plan is derhalve belangrijkste vraag of de toekomstige functie wordt gezien als een geluidgevoelig object of niet. Is er sprake van een geluidgevoelig object, dan is het belangrijk dat de omliggende bedrijven niet worden belemmerd in hun bedrijfsvoering. Hiervoor zullen dan maatregelen bij de ontvanger (dove gevels) en/of eventueel maatwerkvoorschriften in het kader van het Activiteitenbesluit nodig zijn. Maatwerkvoorschriften zijn enkel nodig wanneer geen sprake is van een dove gevel. Als de toekomstige functie niet gezien wordt als een geluidgevoelig object, worden omliggende bedrijven niet belemmerd in hun bedrijfsactiviteiten en zijn maatwerkvoorschriften of het vastleggen van dove gevels niet nodig. In het kader van
44
een goede ruimtelijke ordening is het dan van belang te onderzoeken hoe ter hoogte van de planlocatie een aanvaardbaar woon- en leefklimaat behaald kan worden. Aansluitend bij nieuw te bouwen verblijven is sprake van een aanvaardbaar woon- en leefklimaat als het geluidniveau in de verblijven niet hoger is dan: • 33 dB voor wegverkeerslawaai • 35/30/25 dB(A) voor industrielawaai vanwege het langtijdgemiddeld beoordelingsniveau in respectievelijk de dag-, avond- en nachtperiode • 55/50/45 dB(A) voor industrielawaai vanwege het maximale geluidniveau in respectievelijk de dag-, avond- en nachtperiode Omdat het gaat over een verbouwsituatie zou afgeweken kunnen worden van de normstelling met ten hoogste 5 dB(A). In dat geval zal moeten worden gemotiveerd dat aanvullende maatregelen om te komen tot bovengenoemde niveaus niet haalbaar of doelmatig zijn. Milieugevoelige functies zijn volgens de VNG brochure ‘Bedrijven en milieuzonering’ woningen, ziekenhuizen, scholen en verblijfsrecreatie. Migrantenhuisvesting behoort niet rechtstreeks tot deze functies. Het gebouw wordt geen geluidgevoelig object als bedoeld in de Wet geluidhinder. Zoals aangegeven, gaat het om een logiesfunctie. Een logiesfunctie is geen geluidgevoelig object. Het gaat hier om een logiesfunctie voor huisvestiging van arbeidsmigranten op tijdelijke basis, waarbij de personen hun hoofdverblijf elders hebben.
De term tijdelijk kan je meer specificeren naar bijvoorbeeld maximaal 6 maanden. Uit jurisprudentie volgt dat een verblijfsduur van maximaal 6 maanden niet als woonkarakter gedefinieerd wordt (ABRvS 23 oktober 2013, ECLI:NL:RVS:2013:1633). Dat wordt anders als het gaat over een verblijfsduur van meer dan 6 maanden. In dat geval kan een zodanige duurzaamheid worden aangenomen dat sprake is van een woonkarakter (Rb. Limburg 21 november 2019, ECLI:NL:RBLIM:2019:10515). Artikel 2.17 lid 3 van het Activiteitenbesluit (grenswaarde geluidgevoelige bestemming op bedrijventerrein) is niet van toepassing. Deze lijn wordt ook gevolgd in een uitspraak van de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State met kenmerk 201710138/1/A1 t.a.v. Altenaweg 18 te Waalwijk, d.d. 12 december 2018. In deze uitspraak heeft het college zich in redelijkheid op het standpunt kunnen stellen dat de verleende omgevingsvergunning de gebruiksmogelijkheden van omliggende functies niet onevenredig belemmert. De Afdeling bestuursrechtspraak stelt bovendien dat voor de eventuele uitbreidingsplannen van bedrijven geen verdergaande belemmering gelden dan de belemmering die reeds wordt veroorzaakt door de aanwezigheid van bedrijfswoningen op het bedrijventerrein.
Dit neemt niet weg dat duidelijk is dat deze vorm van (tijdelijke) huisvesting wél een zekere bescherming geniet vanuit het oogpunt van een goede ruimtelijke ordening. De uitwerking van technische zaken voor de transformatie van het pand naar tijdelijke huisvesting dient nog plaats te vinden en wordt door ons beoordeeld. Daarbij is de isolatie van geluid van buiten een belangrijke factor omdat het aannemelijk is dat, vanwege de omliggende bedrijvigheid en wegverkeerslawaai, wel sprake moet zijn van een aanvaardbaar woon- en leefklimaat.
45
Nu duidelijk is dat geen sprake is van een geluidgevoelig object, worden de omliggende bedrijven niet beperkt in hun bedrijfsactiviteiten. De akoestische onderzoeken industrielawaai en wegverkeerslawaai (zie paragraaf 4.7) van De Roever Omgevingsadvies zijn in dat geval enkel bedoeld om aan te tonen welke geluidisolatiewaarde de gevels moeten hebben om in de toekomstige verblijven een aanvaardbaar woon- en leefklimaat te behalen. Daarbij zal worden uitgegaan van de hoogste waarde uitgaande van de gecumuleerde geluidbelasting wegverkeerslawaai en industrielawaai, zie paragraaf 5.3 uit de rapportage industrielawaai óf de maximale waarde van met maximaal geluidniveau. In de directe omgeving zijn verder geen locaties gelegen waar gewasbeschermingsmiddelen worden gebruikt. Daarmee vormt dit onderdeel ook geen belemmering voor het plan. Conclusie Dit betekent dat er vanuit de aspecten milieuzonering en industrielawaai / hinderlijke bedrijvigheid – na het treffen van de noodzakelijke maatregelen en voorzieningen – geen belemmeringen zijn voor het plan. Er is dan sprake van een aanvaardbaar woon- en verblijfsklimaat ter plaatse van de te realiseren wooneenheden en de functies in de omgeving worden niet in de belangen geschaad.
4.7 Akoestiek Toetsingskader Bij de realisatie van geluidgevoelige bestemmingen, zoals woningen, in de nabijheid van wegen dient in het bestemmingsplan aandacht besteed te worden aan de akoestische omstandigheden. De gevels van de woningen ondervinden namelijk een geluidbelasting ten gevolge van het wegverkeer in de omgeving. De verplichting tot uitvoering van een akoestisch onderzoek is vastgelegd in de Wet geluidhinder. De Wet geluidhinder bevat geluidnormen en richtlijnen over de toelaatbaarheid van geluidniveaus als gevolg van rail- en wegverkeerslawaai, industrielawaai en luchtvaartlawaai. De Wet geluidhinder geeft aan dat een akoestisch onderzoek moet worden uitgevoerd bij het voorbereiden van de vaststelling van een bestemmingsplan, indien het plan een geluidgevoelig object mogelijk maakt binnen een geluidzone van een bestaande geluidbron of indien het plan een nieuwe geluidbron mogelijk maakt. De Wet geluidhinder bepaalt in hoeverre het bouwen op een locatie is toegestaan, het Bouwbesluit bevat onder meer eisen die aan de geluidwering van de uitwendige scheidingsconstructie van het gebouw worden gesteld. Deze worden onder meer bepaald door de hoogte van de geluidbelasting, het type buitengeluid en de gebruiksfunctie.
46
Doorwerking plan(locatie) Wegverkeerslawaai Ten behoeve van het planvoornemen is door De Roever Omgevingsadvies een akoestisch onderzoek naar de invloed van het wegverkeerslawaai uitgevoerd. Het integrale rapport is als bijlage 6 toegevoegd. De conclusies luiden als volgt:
In dit onderzoek is de geluidbelasting vanwege het wegverkeerslawaai berekend voor het gewenste complex voor huisvesting van arbeidsmigranten aan de Heidebloemstraat in Schijndel. Hogere waarden Een hogere waarde is nodig voor de Structuurweg wanneer sprake is van een geluidgevoelig object. De berekende geluidbelasting bedraagt maximaal 61 dB. Maatregelen zijn niet doelmatig, zie paragraaf 3.6. Het verlenen van hogere waarden wordt mogelijk geacht. Een hogere waarde is niet nodig wanneer het gebouw niet als geluidgevoelig object wordt aangemerkt en/of als de desbetreffende gevel(s) uitgevoerd worden als zijnde ‘dove gevels’. Bouwbesluit en woon- en leefklimaat Benodigde gevelwering (wegverkeerslawaai) De gecumuleerde geluidbelasting bedraagt ten hoogste 63 dB. Voor de geveldelen van de gewenste studio’s bedraagt de vereiste karakteristieke geluidwering Ga;k dan maximaal 63 - 33 = 30 dB. In dit specifieke geval is er sprake van transformatie van een bestaand kantoor naar huisvesting voor arbeidsmigranten. Het Bouwbesluit gaat bij transformatie uit van het ‘rechtens verkregen niveau’. Om in de nieuwe woonvertrekken een aanvaardbaar woon- en leefklimaat te behalen, wordt uitgegaan van een geluidniveau van maximaal 38 dB gebaseerd op de gecumuleerde geluidbelasting wegverkeerslawaai en industrielawaai. Hierbij wordt aangesloten bij de normstelling voor saneringssituatie.
Een geluidniveau van 38 dB wordt bij saneringssituaties als aanvaardbaar geacht. Dit zal in het akoestisch onderzoek industrielawaai nader worden toegelicht. Door middel van een onderzoek geluidwering gevels zal worden bepaald welke voorzieningen nodig zijn om binnen in de gewenste wooneenheden een aanvaardbaar woon- en leefklimaat te kunnen garanderen. Daarbij zal worden uitgegaan van de gecumuleerde geluidbelasting wegverkeerslawaai en industrielawaai, zie rapportage industrielawaai2 . Woon- en leefklimaat De milieukwaliteit wordt geclassificeerd als ‘Zeer Goed’ tot ‘Slecht’. Het woon- en verblijfsklimaat ter plaatse van het geplande complex kan evenwel als acceptabel worden aangemerkt. Op basis van de toelichting in paragraaf 3.5.1 en 3.5.2 kan gesteld worden
47
dat de cumulatieve geluidbelasting (wegverkeer) een aanvaardbaar woon- en verblijfsklimaat niet in de weg staat.
Spoorweglawaai In de directe omgeving van de planlocatie is geen actieve spoorlijn gelegen. Nader onderzoek naar de gevolgen van spoorweglawaai is derhalve niet noodzakelijk. Industrielawaai (Wet geluidhinder) De planlocatie is niet gelegen binnen de geluidzone van een industrieterrein. Nader onderzoek naar industrielawaai in het kader van de Wet geluidhinder is derhalve niet aan de orde. Vliegtuiglawaai De planlocatie is niet gelegen nabij een (militair) vliegveld. Nader onderzoek naar de gevolgen van vliegtuiglawaai is derhalve niet noodzakelijk. Stiltegebieden Blijkens de kaarten, behorend bij de Milieuverordening Noord-Brabant, is de planlocatie niet gelegen in of nabij een stiltecentrum. Conclusie Vanuit het aspect akoestiek zijn er – na het treffen van de noodzakelijke maatregelen en voorzieningen – geen belemmeringen voor het plan. De exact benodigde maatregelen en voorzieningen zullen worden bepaald in een nader onderzoek geluidwering gevels. 4.8 Luchtkwaliteit Toetsingskader Hoewel de luchtkwaliteit de afgelopen decennia in Nederland is verbeterd, voldoet ze nog steeds niet overal aan de normen. Met name fijn stof en stikstofdioxiden leveren problemen op. Het doel van het luchtkwaliteitsonderzoek is het geven van inzicht in de gevolgen van een plan voor de luchtkwaliteit om een goede luchtkwaliteit te kunnen garanderen.
Daarom moet luchtkwaliteit al in een vroeg stadium van de planvorming worden meegewogen. Gegevens over de luchtkwaliteit worden verzameld om vervolgens te kunnen bepalen of er voor het doorgaan van het project al dan niet aanvullende maatregelen nodig zijn. In de praktijk zullen met name fijn stof en stikstofdioxiden moeten worden onderzocht. Daarnaast kan een goede ruimtelijke ordening met zich brengen dat een afweging wordt gemaakt rondom de aanvaardbaarheid van een project op een bepaalde locatie. De luchtkwaliteit hoeft (artikel 5.16 Wet milieubeheer) geen belemmering te vormen voor ruimtelijke ontwikkelingen als: • er geen sprake is van een feitelijke of dreigende overschrijding van een grenswaarde;
48
• • •
een plan of project niet in betekenende mate (NIBM) bijdraagt; een project per saldo niet tot een verslechtering van de luchtkwaliteit leidt; een project is opgenomen in een regionaal programma van maatregelen of in het Nationaal Samenwerkingsprogramma Luchtkwaliteit (NSL) dat tevens voorziet in maatregelen om de luchtkwaliteit te verbeteren.
De luchtkwaliteit komt voort uit Europese wet- en regelgeving en de hoofdlijnen van de regelgeving zijn opgenomen in de Wet milieubeheer. In de Nederlandse wetgeving is opgenomen dat in het geval van ruimtelijke ontwikkelingen beoordeelt moet worden welk effect de gewenste ontwikkeling heeft op de luchtkwaliteit. Er zijn echter situaties waarin een ontwikkeling ‘niet in betekenende mate’ bijdraagt aan (de verslechtering) van de luchtkwaliteit. In het besluit ‘niet in betekenende mate bijdragen’ (Besluit NIBM) en in de regeling ‘niet in betekenende mate bijdragen’ (Regeling NIBM) is aangegeven in welke gevallen hiervan sprake is. In bijlage 2 van de Wet milieubeheer zijn grenswaarden voor de concentratie van luchtverontreinigende stoffen opgenomen. Voor dit project zijn stikstofdioxide (NO 2), fijn stof (PM10) en zeer fijn stof (PM2,5) van belang. De concentratie van de overige luchtverontreinigende stoffen (zwaveldioxide, koolmonoxide, benzeen en lood) in de buitenlucht is van nature zo laag dat voor deze stoffen geen overschrijding van de grenswaarden wordt verwacht. Voor deze stoffen kan zeker worden voldaan aan de grenswaarden uit bijlage 2 de Wm.
Voor de toegestane concentraties NO2 en PM10 gelden de volgende grenswaarden: - voor NO2 geldt een grenswaarde van 40 µg/m3 als jaargemiddelde concentratie; - voor PM10 geldt een grenswaarde van 40 µg/m3 als jaargemiddelde concentratie; - voor PM2,5 geldt een grenswaarde van 25 µg/m3 als jaargemiddelde concentratie. Op basis van het Besluit niet in betekenende mate bijdragen (NIBM) kan worden beoordeeld of een project niet in betekende mate bijdraagt aan de verslechtering van de luchtkwaliteit. Deze projecten hoeven niet getoetst te worden aan de grenswaarden uit de Wet milieubeheer. Projecten met een toename van minder dan 3% van de jaargemiddelde grenswaarde worden als NIBM beschouwd. Voor de stoffen NO2 en PM10 is dit het geval bij een toename van maximaal 1,2 µg/m3. Met berekeningen moet worden aangetoond dat deze maximale toename niet wordt bereikt. Daarnaast zijn in de Regeling NIBM projecten (met een maximale omvang) opgenomen die zonder meer als NIBM kunnen worden beschouwd. Projecten die de vastgestelde maximale omvang niet overschrijden dragen per definitie niet in betekenende mate bij.
Dit hoeft niet te worden aangetoond met berekeningen en er hoeft niet te worden getoetst aan de grenswaarden uit de Wet milieubeheer Op 15 januari 2009 is het Besluit gevoelige bestemmingen (luchtkwaliteitseisen) in werking getreden die toeziet op het beschermen van bepaalde gevoelige groepen mensen (bijvoorbeeld kinderen, ouderen en zieken). De intentie van het Besluit gevoelige bestemmingen is dat bepaalde gebouwen (bijvoorbeeld scholen, kinderdagverblijven,
49
bejaarden- en verzorgingstehuizen) niet meer worden gebouwd in gebieden waar de normen worden overschreden. Daartoe voorziet het besluit in zones waarbinnen luchtkwaliteitsonderzoek nodig is: 300 meter aan weerszijden van rijkswegen en 50 meter langs provinciale wegen, gemeten vanaf de rand van de weg. In de context van het besluit worden ziekenhuizen, woningen en sportaccommodaties niet als ‘gevoelige bestemming’ gezien. Doorwerking plan(locatie) Plannen hebben pas een negatief effect op de luchtkwaliteit, zodra de verkeersgeneratie in ruime mate toeneemt. Ter vergelijking; een effect op de luchtkwaliteit hoeft pas aangetoond te worden als de bouw van 1.500 woningen of 66.667 m² kantoor en de daarmee gepaard gaande verkeersgeneratie plaatsvindt. Onderhavig plan heeft uiteraard een veel lagere verkeersaantrekkende functie dan 1.500 nieuwe woningen of 66.667 m² nieuw kantooroppervlakte. Hierdoor valt het plan ruim onder de 3% grens voor PM10 of NO2. Het plan draagt dan ook ‘niet in betekenende mate’ (NIBM) bij aan de luchtverontreiniging. Verder geldt dat de planlocatie niet is gelegen binnen een zone van 300 meter vanaf de rand van een Rijksweg. Het plan heeft geen negatieve invloed op de heersende achtergrondconcentraties luchtverontreinigende stoffen in de directe omgeving van de planlocatie.
Andersom hebben de heersende achtergrondconcentraties luchtverontreinigende stoffen in Schijndel ook geen negatieve invloed op de planlocatie. Ter toelichting kan worden vermeld dat de huidige luchtkwaliteit nabij de planlocatie globaal afgeleid kan worden uit beschikbare informatie aan de hand van: • het aantal dagen met een daggemiddelde concentratie fijnstof (PM10) boven 50 μg/m3; • de grenswaarde voor jaargemiddelde fijnstofconcentratie van 40 μg/m3; • de jaargemiddelde concentratie van stikstofdioxide (40 μg NO2/m3). Op navolgende afbeelding, afkomstig van de NSL-monitoringstool, zijn de concentraties NO2, PM10 en PM2,5 nabij het plangebied weergegeven. Uit de afbeelding blijken de volgen maximale concentraties NO2, PM10 en PM2,5: - NO2: 23,4 μg/m3 - PM10: 20,6 μg/m3 - PM2,5: 12,7 μg/m3
50
De immissienormen voor deze stoffen volgen uit titel 5.2 van de Wet milieubeheer en bedragen: - NO2: 40,0 μg/m3 - PM10: 40,0 μg/m3 - PM2,5: 25,0 μg/m3 Qua verkeersgeneratie heeft het CROW kencijfers die gehanteerd moeten worden bij het berekenen van de verkeersgeneratie. Het CROW schrijft voor dat in een matig stedelijke plaats als Schijndel (op basis van omgevingsadressendichtheid) bij kamerverhuur voor zelfstandigen (niet studenten), per kamer minimaal 1,8 en maximaal 2,4 mvt per etmaal worden gegenereerd. Vertaald naar dit plan betekent dit dat er minimaal 126 en maximaal 168 mvt per etmaal gegenereerd worden met de komst van het plan. Uit de ingevulde NIBM-tool blijkt dat een verkeersintensiteit van maximaal 168 mvt/etmaal met licht verkeer niet in betekenende mate (NIBM) van invloed is op de luchtkwaliteit:
51
Uit de GCN-achtergrondconcentratiekaarten van RIVM blijkt dat ter plaatse van het plangebied sprake is van de volgende achtergrondconcentraties: - 14,78 µg/m3 voor NO2; - 17,92 µg/m3 voor PM10; - 11,26 µg/m3 voor PM2,5. Omdat ruimschoots aan de grenswaarden voor luchtkwaliteit wordt voldaan is sprake van een aanvaardbaar woon- en leefklimaat ter plaatse van het plangebied. Het plan zelf biedt daarmee geen mogelijkheden om overschrijdingen teniet te doen, noch staat het plan het bereiken van de algemene doelstelling voor luchtkwaliteit in de weg. De realisatie van het plan houdt geen juridisch relevante verslechtering in voor de luchtkwaliteit. Conclusie Vanuit het oogpunt van luchtkwaliteit zijn er geen belemmeringen voor het plan. 4.9 Externe veiligheid Toetsingskader Het externe veiligheidsbeleid is bedoeld om de risico’s voor de omgeving ten aanzien van handelingen met gevaarlijke stoffen te beperken en te beheersen. De wetgeving is gericht op het gebruiken, opslaan en productie van gevaarlijke stoffen binnen inrichtingen, als wel het transport van gevaarlijke stoffen. In het Besluit externe veiligheid inrichtingen (Bevi) zijn de richtlijnen ten aanzien van inrichtingen opgenomen. Daarnaast zijn er richtlijnen voor het vervoer van gevaarlijke stoffen.
In deze regelgeving is de verplichting opgenomen om in ruimtelijke plannen de ontwikkelingen te toetsen op het plaatsgebonden risico en het groepsrisico. Externe veiligheid heeft dus betrekking op situaties waar iets mis zou kunnen gaan met gevaarlijke stoffen, waardoor mensen gevaar lopen. Voorbeelden van risicobronnen en
52
risicovolle activiteiten zijn: productie, gebruik of opslag en transport van gevaarlijke stoffen (LPG-tankstations en fabrieken, routes voor gevaarlijke stoffen, leidingen). De grootste kans op een beschadiging aan een buisleiding ontstaat door graafwerkzaamheden. Denk hierbij aan werkzaamheden aan gas-, olie- en waterleidingen in de grond, of kabels voor stroom, TV, telefoon en internet. De risicokaart toont alle aardgasleidingen vanaf een diameter van 50 mm en een druk van 16 bar, alle buisleidingen voor brandbare vloeistoffen vanaf een diameter van 100 mm en alle overige buisleidingen waarvan geldt dat er een overschrijding van de wettelijke norm is op 5 meter afstand van de buis. Deze wettelijke norm is het plaatsgebonden risico 10-6. Het Besluit Externe Veiligheid Buisleidingen (Bevb) is op 1 januari 2011 in werking getreden. In het Besluit externe veiligheid buisleidingen zoals dit per 1 januari 2011 geldt, staan veiligheidseisen voor de exploitant en de gemeente. Exploitanten hebben een zorgplicht en moeten ervoor zorgen dat hun buisleidingen veilig zijn. Gemeenten moeten buisleidingen in hun bestemmingsplan opnemen en bij nieuwbouw zorgen voor genoeg afstand tot de buisleidingen. Plaatsgebonden risico Het plaatsgebonden risico is de kans per jaar dat een onbeschermd individu overlijdt als gevolg van een ongeval met gevaarlijke stoffen.
Dit plaatsgebonden risico wordt vertaald naar een risicocontour rondom een risicobron (bijvoorbeeld een inrichting of een weg). De maatgevende grens is de 10-6 contour, dit is de kans van 1 op 1 miljoen dat een onbeschermd persoon omkomt per jaar. Groepsrisico Het groepsrisico is de kans dat een groep van 10 of meer personen gelijktijdig overlijdt door een ongeval met gevaarlijke stoffen. Het groepsrisico is bedoeld om een inschatting te maken ten aanzien van de maatschappelijke ontwrichting in het geval van een calamiteit. Voor het groepsrisico geldt een oriëntatiewaarde in de verantwoording (dit betekent dat er gemotiveerd van mag worden afgeweken). Elke verandering van het groepsrisico in het invloedsgebied van een risicobron moet verantwoord worden. Hierbij moet ingegaan worden op de wijze waarop deze verandering in het groepsrisico is betrokken bij de besluitvorming. Tevens moeten kwalitatieve aspecten beoordeeld worden, zoals zelfredzaamheid en bestrijdbaarheid. In het kader van een ‘goede ruimtelijke ordening‘ (artikel 3.1 Wro) wordt ook getoetst aan eventueel van toepassing zijnde veiligheidsafstanden uit het Activiteitenbesluit en effectafstanden uit de ‘Circulaire effectafstanden LPG-tankstations’.
Doorwerking plan(gebied) Aan de hand van de Risicokaart van de provincie Noord-Brabant kan in de vorm van een quickscan worden vastgesteld welke bronnen mogelijk een belemmering opleveren voor onderhavig plan. De planlocatie is niet omsloten door bestaande bedrijvigheid dat een
53
een risico vormt, en vormt op geen enkele wijze een risico voor kwetsbare objecten in de omgeving.
Op basis van de Risicokaart van de provincie Noord-Brabant kan worden geconcludeerd dat in de directe omgeving van de planlocatie (binnen ruim 250 meter) geen risicovolle inrichting ligt. De planlocatie ligt derhalve niet binnen PR-contouren en GRinvloedsgebieden van risicovolle (Bevi)inrichtingen. Ten behoeve van het planvoornemen is door AVIV nader onderzoek externe veiligheid uitgevoerd. Het integrale rapport is als bijlage 7 toegevoegd. De conclusie luidt letterlijk als volgt:
Voor de bestemmingsplanwijziging is het groepsrisico beschouwd. Het groepsrisico betreffende de Structuurweg ligt onder 0.1 keer de oriëntatiewaarde. De vaststelling van het plan leidt niet tot verhoging van het groepsrisico (uitgaande van de vuistregels). De mogelijkheden voor de brandweer om de gevolgen van een ongeval te bestrijden worden door de planvaststelling niet beïnvloed. Er geldt het volgende: • er is geen overschrijding van de oriëntatiewaarde van het groepsrisico; • de vaststelling van het plan leidt niet tot een verandering van de hoogte van het groepsrisico; • de interventiemogelijkheden van de hulpdiensten en de zelfredzaamheid van de aanwezigen worden niet negatief beïnvloed door het plan. Instructies moeten geschreven zijn in de taal van de aanwezige personen.
54
Gesteld kan worden dat het voorgenomen plan zelf geen extern veiligheidsrisico vormt. Voor wat betreft externe veiligheid zijn er naar de omgeving toe geen belemmeringen te verwachten. Uitgebreid onderzoek naar externe veiligheid is na deze quickscan dan ook niet nodig. Externe veiligheid is geen belemmering voor de ontwikkeling. Overige kabels en (buis)leidingen Nutsbedrijven eisen dat kabels en leidingen in het openbaar gebied (komen te) liggen. De initiatienemer van onderliggend bouwplan is verplicht zorg te dragen voor een door gemeente en nutsbedrijven geaccordeerde wijze van aansluiting. Overige zonering Er zijn in/op en nabij de planlocatie verder geen ondergrondse leidingen, waterkeringen, straalpaden, molenbiotopen of invliegfunnels aanwezig waarvan de aanwezigheid van invloed kunnen zijn op de voorgenomen ontwikkeling. Verder ligt de planlocatie niet in de nabijheid van een 150 kV hoogspanningslijn. Conclusie Vanuit het oogpunt van externe veiligheid zijn er geen belemmeringen voor het (bouw)plan. 4.10 Volksgezondheid in relatie tot veehouderijen Op basis van het ‘Endotoxine toetsingskader 1.0’ kan worden beoordeeld of sprake is van een verhoogd gezondheidsrisico ten aanzien van varkenshouderijen en pluimveehouderijen. Het plangebied ligt niet binnen de afstanden die aangehouden moeten worden rondom de varkens- en pluimveehouderijen in de omgeving.