CConstaterende datMeierijstad
Koppel je AI →
Document · PDF

Bijlage 2: RO woningen Pastorietuin, fase 1 Boskant

Raadsvergadering 12 december 2024, gemeente MeierijstadBij agendapunt: Afgifte ontwerpverklaring van geen bedenkingen omgevingsvergunning woningbouw pastorietuin en dorpspark Boskant16.606 woorden

Open het PDF bij de gemeente ↗Naar de vergadering →

Tekst van het document

Uit het bestand gehaald, zonder opmaak, tabellen en afbeeldingen · deel 2 van 2

betrokken. Samen met de hoogte van het groepsrisico moeten andere

blauwe omlijning.

kwalitatieve aspecten worden meegewogen in de beoordeling van het groepsrisico. Onder deze aspecten vallen zelfredzaamheid en bestrijdbaarheid.

Besluit externe veiligheid inrichtingen (Bevi), het Besluit externe veiligheid buisleidingen (Bevb) en het Besluit externe veiligheid transportroutes (Bevt) vloeit de verplichting voort om in ruimtelijke plannen in te gaan op de risico’s in het plangebied ten gevolge van handelingen met gevaarlijke

1

Zoals bedoeld in artikel 1 van het Besluit externe veiligheid inrichtingen.

Ruimtelijke onderbouwing Tijdelijke woningen Dorpspark, Boskant

17

Inrichtingen

A50

Er zijn in de nabijheid van het plangebied geen risicovolle bedrijven / in-

Het plangebied ligt op ca. 3.800 meter van de rijksweg A50. Over deze

richtingen aanwezig die van invloed zijn op het planvoornemen.

Rijksweg worden GF3, LF1, LF2 en LT2 stoffen vervoerd. Van deze stoffen heeft LT2 het grootste invloedsgebied, namelijk 880 meter. Daarmee

Buisleidingen

ligt het plangebied niet binnen het invloedsgebied van deze stof.

Ten zuidwesten op een afstand van circa 220 meter zijn twee buisleidingen van de N.V. Rotterdam-Rijn Pijpleiding Maatschappij gelegen. Uit de

4.7.3

Signaleringskaart-EV blijkt dat beide buisleidingen een 1% letaliteits-

Het aspect externe veiligheid vormt geen belemmering voor het plan. Er

grens hebben van 55 meter. Het plangebied ligt op ruim 170 meter af-

zijn enkele lokale leidingen gesitueerd binnen het plangebied (laagspan-

stand en daarmee buiten het invloedsgebied van deze buisleidingen. Dit

ningsleiding) deze zullen worden her gesitueerd.

aspect vormt geen belemmering voor het planvoornemen. Hoogspanningslijnen

Conclusie

4.8

Ecologie

4.8.1

Toetsingskader en onderzoek

De bescherming van de natuur is vastgelegd in de Wet natuurbescher-

De planlocatie is gelegen op een afstand van circa 2,7 kilometer afstand

ming (Wnb). De Wet natuurbescherming (Wnb) geeft het wettelijke kader

van de dichtstbijzijnde hoofspanningslijn waardoor er geen belemmerin-

voor de bescherming van natuurgebieden en voor soortenbescherming.

gen bestaan voor het beoogde planvoornemen.

Bij de voorbereiding van een ruimtelijk plan dient onderzocht te worden of de Wnb ten aanzien van de bescherming van dier- en plantensoorten en

Er zijn enkele lokale leidingen gesitueerd binnen het plangebied (laag-

gebieden de uitvoering van het plan niet in de weg staan. De provincie is

spanningsleiding) deze zullen worden her gesitueerd met de realisatie

bevoegd gezag voor de toetsing van handelingen met mogelijke gevolgen

van beoogd planvoornemen.

voor beschermde dier- en plantensoorten (de soortenbeschermingsbepalingen) én voor Natura 2000-gebieden (de ge-biedenbeschermingsbepa-

Transport A2

lingen). Alleen bij ruimtelijke ingrepen waarmee grote nationale belangen zijn gemoeid, blijft het Rijk bevoegd gezag. Daarnaast vindt beleidsmatige

Het plangebied ligt op ca. 3.000 meter van de rijksweg A2. Op grond van

gebiedsbescherming plaats door middel van het Natuurnetwerk Nederland

de afstand levert de PR 10-6 -risicocontour en het plasbrandaandachts-

(NNN), de voormalige Ecologische Hoofdstructuur (EHS). Ook in dit kader

gebied geen belemmering op voor het plan. Over deze Rijksweg worden

zijn de provincies het bevoegd gezag.

GT3, LT1 en LT2 stoffen vervoerd. Van deze stoffen heeft LT2 het grootste invloedsgebied, namelijk 880 meter. Het plangebied ligt niet binnen

Figuur 8: Uitsnede risico kaart, plangebied omlijnd in blauw (Bron: atlasleefomgeving.nl)

het invloedsgebied van deze stof.

Ruimtelijke onderbouwing Tijdelijke woningen Dorpspark, Boskant

18

Om een beeld te krijgen van de natuurwaarden is op 13 juni 2023 tussen

2000-gebied is niet uit te sluiten. Vervolgonderzoek in de vorm van een

13.00 – 14.00 uur door een ecoloog van BRO2 een verkennend veldbe-

AERIUS-berekening voor zowel de aanlegfase als de gebruiksfase is uit-

zoek gebracht aan het plangebied en de directe omgeving hiervan. Er is

gevoerd op stikstofdepositie uit te sluiten.

een quickscan flora en fauna uitgevoerd voor het totaalplan, dus alle 3 de fasen, waaronder ook onderhavig plangebied (fase 1). De volledige

Uit de uitgevoerde berekeningen blijkt dat er bij zowel de bouwfase als de

quickscan flora en fauna is opgenomen als bijlage 3 bij deze plantoelich-

gebruiksfase geen rekenresultaten hoger zijn dan 0,00 mol/ha/j. Daarmee

ting. Onderstaand zijn de belangrijkste conclusies opgenomen die van toe-

kunnen op voorhand negatieve effecten op Natura 2000-gebieden van-

passing zijn op het plangebied.

wege stikstofdepositie uitgesloten worden. De notitie stikstofberekening is opgenomen in bijlage 4 bij deze plantoelichting, inclusief de door AERIUS

4.8.2

Wettelijke gebiedsbescherming

gegenereerde rapportages voor de aanlegfase en gebruiksfase.

De Wet natuurbescherming, heeft voor wat betreft gebeid bescherming betrekking op de Europees beschermde Natura 2000- gebieden. De Vo-

4.8.3

Toetsing Gebiedsbescherming vanuit provinciaal beleid

gelrichtlijn- en Habitatrichtlijngebieden worden in Nederland gecombineerd

Conform artikel 1.12 van de Wet natuurbescherming dragen Gedeputeer-

als Natura 2000-gebieden aangewezen. Als er naar aanleiding van pro-

den Staten in hun provincie zorg voor de totstandkoming en instandhou-

jecten, plannen en activiteiten mogelijkerwijs significante effecten optre-

ding van een samenhangend landelijk ecologisch netwerk, genaamd

den, dienen deze vooraf in kaart gebracht en beoordeeld te worden. Pro-

‘’Natuurnetwerk Nederland’. Zij wijzen daartoe in hun provincie gebieden

jecten, plannen en activiteiten die mogelijk een negatief effect hebben op

aan die tot dit netwerk behoren. Het Natuurnetwerk Nederland (NNN0,

de beschermde natuur in een Natura 2000-gebied zijn vergunning plichtig.

voorheen Ecologische Hoofdstructuur (EHS) is een samenhangend net-

Figuur 9: Uitsnede Groen Kaart gemeente Meierijstad

werk van bestaande en te ontwikkelen natuurgebieden. De planologische

Doorwerking plangebied

Doorwerking plangebied

begrenzing en beschermingsregimes van het Natuurnetwerk loopt via het

Het plangebied is niet gelegen binnen het NNB. Het dichtstbijzijnde onder-

Het plangebied is niet gelegen binnen de grenzen van een gebied dat

traject van de provinciale ruimtelijke structuurvisies en verordeningen. Bin-

deel van het NNB ligt ongeveer 50 meter ten zuiden van het plangebied.

aangewezen is als Natura 2000-gebied. Het meest nabijgelegen Natura

nen de provincie Noord-Brabant bestaat het NNN uit het Natuurnetwerk

2000-gebied, “Kampina en Oisterwijkse Vennen”, bevindt zich op circa 9

Gezien de aard van de voorgenomen plannen zullen de omgevingscondi-

Brabant (NNB) en Ecologische Verbindingszones (EVZ). Daarnaast wordt

ties redelijkerwijs gelijk blijven, waardoor de wezenlijke kenmerken en

kilometer afstand ten oosten van het projectgebied. Indien er sprake zou

ook de groenblauwe mantel beleidsmatig beschermd. Het netwerk wordt

waarden van het NNB niet worden aangetast. Vervolgonderzoek in het ka-

zijn van een effect, betreft dit een extern effect als gevolg van storingsfac-

gevormd door kernen en verbindingszones. Activiteiten in deze gebieden

der van het NNB wordt dan ook niet noodzakelijk geacht

toren als toename van geluid, licht of depositie van stikstof. Mede gezien

zijn alleen toegestaan als ze geen negatieve effecten hebben op de we-

de afstand tot het plangebied zijn externe effecten als gevolg van aspec-

zenlijke kenmerken of waarden of als deze kunnen worden tegengegaan

4.8.4

ten als licht, geluid en trillingen uitgesloten.

met mitigerende maatregelen.

De Wet natuurbescherming heeft, voor wat betreft soortenbescherming,

Toetsing Houtopstanden en Soorten bescherming

betrekking op alle in Nederland in het wild voorkomende zoogdieren, Daar de voorgenomen ontwikkeling betreft, is een toename aan stikstofuit-

(trek)vogels, reptielen en amfibieën, een aantal vissen, libellen en vlinders,

stoot te verwachten. Een toename van stikstofdepositie op een Natura

2

BRO is lid van het Netwerk Groene Bureaus (NGB). Het NGB is de brancheorganisatie voor groene adviesbureaus en heeft als doel kwaliteitsbevordering en belangenbehartiging. Onze werkzaamheden voeren wij dan ook uit volgens de door het NGB vastgestelde gedragscode (versie juni 2008, laatst aangevuld 11 februari 2021). De medewerkers binnen de discipline ecologie voldoen aan de door het Ministerie van EZ genoemde voorwaarden voor ter zake deskundigen op het gebied van ecologisch onderzoek.

Ruimtelijke onderbouwing Tijdelijke woningen Dorpspark, Boskant

19

enkele bijzondere en min of meer zeldzame ongewervelde dierensoorten

pastorietuin. Scheuren en holtes bieden schuilplaatsen voor vleermuizen

Vissen, ongewervelde dieren, vaatplanten

en een aantal vaatplanten. De beschermde soorten zijn ingedeeld in drie

waardoor het kappen van de bomen mogelijk tegen de wet zijn. Het op-

Vanwege het ontbreken van geschikt habitat binnen het plangebied kun-

categorieën:

gaand groen blijft als lijn structuur behouden, wel zal er rekening gehou-

nen deze soortengroepen buiten beschouwing worden gelaten. Negatieve

Vogels (artikel 3.1 Wet natuurbescherming);

den moeten worden met de hoeveelheid licht die wordt gerealiseerd in de

effecten en overtredingen ten aanzien van bovengenoemde beschermde

Europees beschermde soorten (artikel 3.5 Wnb);

hofjes. Het gebied is nu donker en kan daardoor de functie als foerageer-

soorten zijn op voorhand uitgesloten.

Nationaal beschermde soorten (artikel 3.10 Wnb).

gebied mogelijk wordt verstoord, verlichting gericht of uitstralend op opgaand groen dient te worden vermeden.

4.8.5

Aanvullend onderzoek marterachtigen

Middels een verkennend flora- en faunaonderzoek (quickscan), uitgevoerd

Doorwerking plangebied Houtopstanden

Grondgebonden zoogdieren

door BRO1, is vastgesteld dat het plangebied geschikt leefgebied biedt

Aangezien het plangebied zich binnen de bebouwde kom is gelegen is

Het voorkomen van kleine marterachtigen, steenmarter en eekhoorn bin-

voor bunzing en de steenmarter. Naar aanleiding hiervan is onderzoek

toetsing aan het onderdeel houtopstanden conform de Wet natuurbe-

nen het plangebied kan niet worden uitgesloten. Vervolgonderzoek naar

naar de aanwezigheid van de bunzing en steenmarter uitgevoerd in het

scherming bij dit plan niet aan de orde.

de aanwezigheid van deze soorten/soortgroepen dient uitgevoerd te wor-

seizoen van 2023/2024, om vast te stellen dan wel met voldoende zeker-

den. Met de ontwikkeling binnen het plangebied gaan mogelijk leefgebied

heid uit te sluiten dat het plangebied leefgebied voor deze soorten biedt.

Binnen het plangebied liggen meerdere eenheden opgaand groen aanwe-

of verblijfplaatsen van deze soorten verloren. Inbreuk op de gunstige staat

De volledige rapportage is opgenomen in bijlage 5. Hieronder zijn de be-

zig die op de groene kaart van de Gemeente Meierijstad als waardevol

van instandhouding van lokale populaties van soorten en overtreding van

langrijkste waarnemingen opgenomen.

zijn aangeduid. Indien deze eenheden opgaand groen worden gekapt,

de Wnb is mogelijk aan de orde. Bunzing

aangetast of gerooid, en de te kappen bomen aan de criteria van de Bomenverordening van Gemeente Meierijstad voldoen, dient een omge-

Reptielen

Middels het onderzoek is de aanwezigheid van de bunzing aangetoond. In

vingsvergunning aangevraagd te worden.

Volgens verspreidingsgegevens van RAVON zijn in de omgeving van het

dit geval moet ervan worden uitgegaan dat het plangebied onderdeel is

plangebied waarnemingen bekend van hazelworm en levendbarende ha-

van het leefgebied van deze soort, en dat alle geschikte potentiële verblijf-

Vogels

gedis. De waarnemingen hebben betrekking op de natuurgebieden in de

plaatsen voor deze soorten in de directe omgeving, en dus ook binnen het

Binnen de pastorietuin zijn veel grote, oudere bomen met volle kroon aan-

omgeving. Het plangebied zelf en de directe omgeving biedt geen geschikt

plangebied gebruikt kunnen worden. De bunzing is beschermd onder arti-

wezig. Tijdens het veldbezoeken waren veel bomen reeds volledig in blad.

habitat voor beide soorten. Het voorkomen ervan binnen het plangebied is

kel 3.10 Wnb. Mogelijk worden bij de werkzaamheden de voortplantings-

Het is hierdoor niet uit te sluiten dat hier een nest jaarrond beschermd

daarmee dan ook uitgesloten.

plaats en rustplaats van deze soort beschadigd of vernield. Dit betreft een overtreding van artikel 3.10 lid 1 onderdeel b. Aangezien bij de werkzaam-

nesten van vogels als buizerd, sperwer en ransuil aanwezig zijn binnen of rond het plangebied. Een veldbezoek in het bladerloze seizoen moet uit-

Amfibieën

heden potentiële verblijfplaatsen verloren gaan (blad/takkenhopen) dient

wijzen of er een nest aanwezig is binnen het plangebied. Ook dient het

De voorgenomen plannen zullen geen afname van geschikt essentieel ha-

hiervoor een ontheffing te worden verkregen.

verwijderen van het opgaand groen buiten het broedseizoen wordt uitge-

bitat van een amfibieënsoort veroorzaken, inbreuk op de gunstige staat

voerd, zodat er redelijkerwijs geen overtredingen plaats zullen vinden met

van instandhouding van populaties en overtreding van de Wnb is dan ook

De voorgenomen plannen, waarbij het groen binnen het plangebied wordt

betrekking tot broedvogels.

uitgesloten. In het kader van de algemene zorgplicht is het wel noodzake-

verwijderd, zijn ontheffingsplichtig met betrekking tot de bunzing. Hiervoor

lijk om voldoende zorg te dragen voor eventueel passerende individuen.

dient een ontheffing aangevraagd te worden bij het bevoegd gezag, in dit geval de Omgevingsdienst Brabant-Noord (ODBN).

Vleermuizen In de winter, als de bomen geen blad hebben, zal moeten worden gekeken naar scheuren en holtes die mogelijk in de bomen zitten gelegen in de

Ruimtelijke onderbouwing Tijdelijke woningen Dorpspark, Boskant

20

Steenmarter

27 november 2018. Dit omdat waardevolle houtopstanden regelmatig (ern-

De BEA heeft betrekking op 43 bomen ten hoogte van de pastorietuin en

Er zijn geen waarnemingen van de steenmarter gedaan tijdens het onder-

stig) of vernietigd worden door bouw en aanleg van huizen, wegen, riole-

omgeving te Boskant. De aanwezige bomen zijn beoordeeld op conditie,

zoek. Een overtreding met betrekking tot deze soortgroep is daarmee re-

ringen of kabels en leidingen. Vaak gebeurt dit ongewenst en onbedoeld,

boomkwaliteit en toekomstverwachting.

delijkerwijs uitgesloten.

omdat er te laat is gekeken naar de gevolgen voor de bomen, waardoor ze niet ingepast of (onherstelbaar) beschadigd raken.

Ten behoeve van de ontheffingsaanvraag is er een activiteitenplan opge-

Conditie Van de 43 bomen verkeren 41 bomen in een voldoende tot goede condi-

steld waar de mitigerende maatregelen in zijn opgenomen, deze is opge-

4.9.2

nomen in bijlage 6.

Voorgenomen ontwikkeling is gelegen binnen waardvol gebied opgeno-

zame groei van deze bomen, het kroonvolume zal jaarlijks toenemen.

men in de Groen Kaart van de gemeente Meierijstad. Perceel 4433 is ge-

Boom 43 heeft een uitdunnende kroon en dood hout, wat tekenen zijn van

legen binnen het gebied ‘Waardevol Kerkhof’, perceel 4526 is gelegen bin-

een onvoldoende conditie. Echter zijn de volledige stam en het begin van

Met betrekking tot de uitvoering van Fase 1 is gebleken dat vervolgonder-

nen ‘Waardevol Park’. Het overige perceel 3096 is niet gelegen binnen

de kroon begroeid met klimop, waardoor het niet mogelijk was om overige

zoek naar kleine marters en steenmarter uitgevoerd diende te worden.

waardevol gebied, zie figuur 9.

gebreken vast te stellen. Wij adviseren daarom om de klimop op deze

4.8.6

Conclusie

Onderzoek

Het aanvullend onderzoek naar marterachtigen is uitgevoerd. Uit het on-

tie. Er zijn nauwelijks tot geen beperkingen waargenomen voor de duur-

boom te verwijderen, en dan opnieuw de boom te keuren, en het dode

derzoek is naar voren gekomen dat er binnen het plangebied bunzingen

Waardevol kerkhof

hout te snoeien. De conditie van de boom kan na deze handelingen nog

aanwezig zijn, hiervoor dient ontheffing te worden aangevraagd bij de om-

Het waardevol kerkhof is onderdeel van de wijkgroenstructuur. Voor het

verbeteren. Boom 10 staat dicht op andere bomen, en is daardoor onder-

gevingsdienst Brabant-Noord.

kappen, aantasten of rooien van bomen die in het structuurvlak staan en

standig aan de omringende bomen. Hierdoor is de boom aan het afster-

die bovendien voldoen aan de criteria in de Bomenverordening van Meie-

ven, en heeft daardoor een zeer slechte conditie.

Algemeen  

rijstad dient een vergunning voor worden aangevraagd.

Ten aanzien van vleermuizen dient licht gericht of uitstralend op op-

Boomkwaliteit

gaand groen te worden vermeden.

Waardevol park

In het opgestelde rapport geldt de duurzame handhaving van bomen met

Ten aanzien van broedvogels dient, om overtreding op voorhand rede-

Het waardevol park is onderdeel van de wijkgroenstructuur, cultuurhistori-

een goede of voldoende boomkwaliteit als uitgangspunt. Bij deze bomen

lijkerwijs te voorkomen, het verwijderen van nestgelegenheid buiten

sche waarde, natuurwaarde en recreatieve waarde. Dit betreft een histo-

is sprake van geen/beperkte boomtechnische beperkingen die een nega-

het broedseizoen te worden uitgevoerd, of een controle moet de aan-

risch boslocatie met hoge cultuur- en ecologische waarde. Voor het kap-

tieve invloed hebben op de duurzame handhaving van de boom. De

wezigheid van een broedgeval kunnen uitsluiten.

pen, aantasten of rooien van bomen die in het structuurvlak staan en die

meeste bomen hebben een goede kwaliteit, bij deze bomen zijn geen ge-

In het kader van de algemene zorgplicht is het noodzakelijk om vol-

bovendien voldoen aan de criteria in de Bomenverordening van Meierij-

breken aangetroffen. Bij bomen 4, 5, 6, 17 en 21 is de boomkwaliteit

doende zorg te dragen voor aanwezige individuen. Dit houdt in dat al

stad dient een vergunning voor worden aangevraagd.

voldoende gebleken, deze bomen hebben zwaar dood hout in de kroon en

het redelijkerwijs mogelijke gedaan dient te worden om het doden van individuen te voorkomen.

4.9

Bomen

4.9.1

Toetsingskader

losse of afgescheurde takken in de kroon. Deze gebreken zijn middels een Ten behoeve van het beoogde planinitiatief is een bomeneffectanalyse

snoeiingreep weg te nemen. De gebreken die deze bomen hebben

(BEA) uitgevoerd. Het onderzoek is uitgevoerd door onderzoeksbureau

vormen geen belemmering voor de duurzame handhaving.

Pius Floris. De volledige rapportage is opgenomen in bijlage 7. Hieronder

Boom 43 heeft een onvoldoende kwaliteit door de uitdunnende kroon en

zijn de belangrijkste waarnemingen opgenomen.

dood hout. Deze boom bevat dus boomtechnische beperkingen voor een

De gemeente beschikt over een bomenbeleid. Dit hebben ze vastgelegd aan de hand van een Bomenverordening, deze is in werking getreden op

Ruimtelijke onderbouwing Tijdelijke woningen Dorpspark, Boskant

duurzame handhaving.

21

Toekomstverwachting

4.9.3

De duurzame toekomstverwachting van de bomen, met uitzondering van

Aan de hand van de uitgevoerde BEA analyse kunnen 20 bomen duur-

mengmonsters van de druipzone van de asbestverdachte daken zijn geen

bomen 10 en 43, op het perceel is goed en is vastgesteld op >15 jaar.

zaam worden gehandhaafd mits de opgestelde adviezen en randvoor-

verhoogde gehalten aan PCB aangetoond. Het freatisch grondwater is

Door de verminderde kwaliteit van boom 43 is een toekomstverwachting

waarden worden gehandhaafd. De aannemer is verantwoordelijk voor het

licht verhoogd met barium.

van 5-15. Wanneer maatregelen worden uitgevoerd om de conditie te ver-

behoud van de kwaliteit van de bomen en de kwaliteit van de groeiplaats

beteren, kan de toekomstverwachting mogelijk worden bijgesteld naar >

van de bomen gedurende de uitvoering van de bouwwerkzaamheden. De

Uit de resultaten van het onderzoek naar asbest in de bodem blijkt dat in

15 jaar.

aannemer verzorgt de boombescherming zoals aangegeven in de BEA.

de druipzones van de schuurtjes met asbestverdachte golfplaten geen

BEA-Advies In het voorgenomen plan wordt uitgegaan van behoud van 24 bomen binnen de invloedssfeer van de ontwikkeling. Zie onderstaande tabel X. In totaal kunnen er 20 van deze bomen duurzaam worden gehandhaafd door het volgen van de opgestelde randvoorwaarden. Deze randvoorwaarden zijn opgenomen op p.21 van de onderzoek rapportage (bijlage 7).

Conclusie

4.10

Bodem

4.10.1

Toetsingskader

In het Besluit ruimtelijke ordening (artikel 3.1.6. lid 1 onder d) is bepaald dat voor de uitvoerbaarheid van een plan rekening gehouden moet worden met de bodemgesteldheid in het plangebied. Bij functiewijzigingen dient te worden bepaald of de bodemkwaliteit voldoende is voor de beoogde functie en moet worden bepaald of nader onderzoek en eventueel saneringen noodzakelijk zijn. In de Wet bodembescherming is bepaald dat zij kan worden gebruikt door de desbetreffende functie (functiegericht

Tabel 3:

saneren). Nieuwe bestemmingen dienen bij voorkeur op schone grond te

BEA-advies

Boomnummers

Aantal

Goed

++

11, 13, 15, 22

4

Voldoende

+

8, 9, 12, 17, 19, 21

6

Onvoldoende

-

6, 14, 16, 20

Slecht

--

Zeer slecht

X

worden gerealiseerd. 4.10.2

Onderzoek

is plaatselijk licht verhoogd met cadmium en zink. In de geanalyseerde

verhoogde asbestconcentraties zijn aangetoond. De resultaten van het bodemonderzoek geven geen aanleiding tot het uitvoeren van een nader bodemonderzoek. Bodem- en asbestonderzoek perceel H-3096 In het eerder uitgevoerde bodemonderzoek is het perceel H-3096 niet meegenomen. Der volledigheidshalve is een apart bodem- en asbestonderzoek uitgevoerd voor dit perceel. De volledige rapportage is opgenomen in bijlage 9, hieronder zijn de belangrijkste conclusies opgenomen. Verkennend bodemonderzoek Grond Tijdens de werkzaamheden zijn zintuiglijk geen bijmengingen of andere

Er is een verkennend bodem- en asbestonderzoek uitgevoerd voor de

bijzonderheden waargenomen. In de bovengrond zijn licht verhoogde ge-

4

planlocatie Pastorietuin in Boskant, perceelnummers 4526 en 4433. De

halten zink en PAK aangetoond. In de ondergrond is een licht verhoogd

4, 5, 23, 25, 26, 43

6

volledige onderzoeksrapportage is opgenomen als bijlage 8 bij deze ruim-

gehalte nikkel gemeten. Er is geen duidelijke verklaring voor de verhoogde

1, 2, 3, 7, 10, 18, 24, 27, 28, 29, 30, 31, 32, 33, 34, 35, 36, 37, 38, 39, 40, 41, 42

23

telijke onderbouwing. Onderstaand worden de belangrijkste conclusies

gehalten. De aangetroffen gehaltes zijn gering en vormen geen aanleiding

vermeld.

tot vervolgonderzoek.

Totaal

43

Bij de uitvoering van de veldwerkzaamheden zijn in het opgeboorde bo-

Grondwater

demmateriaal van de bovengrond en ondergrond geen bijzonderheden/af-

Verontreiniging van het grondwater. In het grondwater zijn geen ver-

wijkingen aangetroffen. Op het maaiveld en in het uitgegraven materiaal

hoogde concentraties aangetoond. De analyseresultaten komen overeen

uit de asbestinspectiegaten zijn visueel geen asbestverdachte materialen

met de zintuiglijke waarnemingen en de verwachting op basis van het

waargenomen. Uit de analyseresultaten blijkt dat de bovengrond licht ver-

vooronderzoek. Vervolgonderzoek is niet noodzakelijk.

++ Geen ‘noemenswaardige’ maatregelen nodig voor een duurzame handhaving van de boom; + Beperkte maatregelen nodig voor een duurzame handhaving van de boom; - Specifieke maatregelen noodzakelijk voor een duurzame handhaving van de boom; - - Ingrijpende maatregelen noodzakelijk voor een duurzame handhaving van de boom; X Fatale belemmeringen voor een duurzame handhaving van de boom.

hoogd is met minerale olie, PAK, cadmium en OCB. De ondergrond

Ruimtelijke onderbouwing Tijdelijke woningen Dorpspark, Boskant

22

Asbest

hypothese niet nodig. De aangetoonde bodemkwaliteit geeft geen belem-

Provinciaal is naast een omgevingsvisie het Regionaal Water en Bodem-

Er is op de locatie sprake van een geval van ernstige bodemverontreini-

mering voor de voorgenomen herontwikkeling en toekomstig gebruik van

programma (RWP) van de provincie Noord-Brabant op 22 december 2021

ging met asbest waarbij humane risico’s aanwezig zijn. De locatie valt vol-

de locatie voor wonen met tuin.

in werking getreden. Doel van dit nieuwe RWP is een klimaatadaptief Bra-

gens de risicobeoordeling in de categorie ‘onaanvaardbare risico’s buiten’.

bant met veilig, schoon en voldoende water en een vitale bodem. Deze

Er dienen spoedig saneringsmaatregelen te worden getroffen op dat deel

Sanering

opgaven zijn ook van belang voor vrijwel alle andere provinciale opgaven:

van de locatie waar sprake is van onaanvaardbare risico’s ten gevolge van

Ten behoeve van het planvoornemen dient de verontreinigde bodem te

wonen en werken, infrastructuur en mobiliteit, landbouw en voedsel, na-

de aanwezigheid van de bodemverontreiniging met asbest.

worden gesaneerd. Hiervoor is – in opdracht van Woonmeij – door Belas

tuur en biodiversiteit, erfgoed, een concurrerende en duurzame economie,

een saneringsplan opgesteld. Tevens is opdracht gegeven tot uitvoering

en de energietransitie. In aansluiting op de Omgevingsvisie is de Interim

van dit saneringsplan.

Omgevingsverordening (IOV) vastgesteld waarbij een aantal urgente on-

Nader onderzoek wordt niet zinvol geacht. Op basis van de vastgestelde milieuhygiënische bodemkwaliteit wordt geacht dat, met uitzondering van

derwerpen doorgevoerd zijn vanwege het uitstel van de inwerkingtreding

het geval van ernstige asbestverontreiniging, geen belemmering aanwezig

4.10.3

Conclusie

is voor het huidige en toekomstige gebruik van de locatie.

Aan de hand van de uitgevoerde bodemonderzoeken kan worden gecon-

van de Omgevingswet. De definitieve verordening wordt tegelijk met de Omgevingswet van kracht.

cludeerd dat op basis van de bodemkwaliteit er geen belemmeringen aanAanvullend bodemonderzoek percelen 3096, 4433 (ged.) en 4526 (ged.)

wezig zijn voor het beoogde gebruik, dan wel uitvoerbaarheid van het

Waterschap de Dommel

In opdracht van BRO is door Milon een aanvullend onderzoek uitgevoerd

plan. Echter is er wel ernstige asbestverontreiniging aangetroffen op per-

Voor het grotere oppervlaktewater zijn er in Nederland diverse water-

naar de aanwezigheid van bestrijdingsmiddelen binnen de beoogde pro-

ceel 3096, deze verontreiniging zal moeten worden gesaneerd, hiervoor is

schappen actief die zich richten op een veilig en goed bewoonbaar land

jectlocatie. De rapportage is opgenomen in bijlage 10.

een saneringsplan opgesteld.

met gezonde, duurzame watersystemen. Het plangebied valt onder het

Uit de toetsing van de analyseresultaten blijkt dat ter plaatse van perceel H 3096 in de bovengrond licht verhoogde gehalten OCB aanwezig zijn. De licht verhoogde gehalten OCB zijn naar alle waarschijnlijkheid veroorzaakt door het gebruik van de locatie in het verleden (gebruik bestrijdingsmiddelen bij de boomgaard). De gehalten overschrijden de interventiewaarde niet. De interventiewaarde bodemkwaliteit is een waarde voor bodemverontreiniging waarboven mogelijke risico's bestaan voor mens, plant of dier. Door de aangetoonde licht verhoogde gehalten in de grond dient de hypothese ‘verdachte locatie’ voor perceel H 3096 gehandhaafd blijven. Ter plaatse van het onderzochte gedeelte van de percelen H 4433 en H 4526 (ged.) zijn in de bovengrond, de ondergrond en het grondwater zijn geen verhoogde waarden aangetroffen. Omdat er geen verhoogde waarden zijn aangetoond kan de hypothese ‘onverdachte locatie’ aangenomen worden. Op basis van de resultaten

4.11

Waterparagraaf

4.11.1

Toetsingskader

Op grond van het Besluit ruimtelijke ordening (artikel 3.1.6 lid 1 onder b van het Bro) dient inzicht te worden gegeven in de gevolgen voor de waterhuishouding die samenhangen met de ruimtelijke ontwikkeling die mogelijk wordt gemaakt. Het waterbeleid in Nederland wordt van Europees niveau vertaald via rijks-, provinciaal en waterschaps-beleid, naar gemeentelijk beleid om samen de waterproblematiek in Nederland aan te pakken. Dit resulteert in de verplichting een watertoets uit (te) laten voeren. De voorschriften zijn vastgelegd in onder andere de Europese Kaderrichtlijn Water (22 december 2004) en zijn verder geïmplementeerd in het Rijksbeleid om te komen door samenwerking met de verschillende bevoegdheden te komen tot een duurzaam watersysteem.

beheer van Waterschap De Dommel. De doelen van het waterschap voor de periode 2022-2027 staan beschreven in het waterbeheerprogramma ‘Water als basis voor een toekomstbestendige leefomgeving’. In het plan voor de komende jaren kiest het waterschap voor een aanzienlijke wijziging en aanscherping van doelstellingen om de watertransitie mogelijk te maken. Dit heeft ook gevolgen voor gemeentelijke ruimtelijke plannen. In 2050 wil De Dommel een leefomgeving die klaar is voor de toekomst en een watersysteem dat daarbij past. Dat laatste wil zeggen: een waterhuishouding die robuust, flexibel en in balans is met de natuur en de omgeving, én zorgt voor een goede waterkwaliteit. Deze grote veranderopgave heet de watertransitie waarbij drie principes gehanteerd worden die inhoudelijke sturing geven aan de watertransitie: 

Elke druppel vasthouden en infiltreren waar deze valt.

Functies passen zich aan het bodem- en watersysteem aan.

Wat schoon is moet schoon blijven.

van dit onderzoek is een aanvullend onderzoek met een aangepaste

Ruimtelijke onderbouwing Tijdelijke woningen Dorpspark, Boskant

23

Bij ruimtelijke ontwikkelingen, waaronder ver- en nieuwbouwplannen, han-

Bij nieuwbouw is voldoende ontwateringsdiepte benodigd om het risico op

Hemelwater

teert het waterschap een aantal uitgangspunten ten aanzien van het duur-

grondwateroverlast in de toekomst te vermijden. Hierbij is o.a. de be-

Momenteel is de onderzoekslocatie behoudens een verhard wandelpad en

zaam omgaan met water, die van belang zijn als vertrekpunt bij het over-

staande hoogteligging van belang. Het plangebied kent kleine hoogtever-

bijgebouwtje onverhard. Ter plaatse is geen infiltratie onderzoek uitge-

leg tussen initiatiefnemer en waterbeheerder. Bij planontwikkelingen wordt

schillen en heeft een hoogteligging van circa 10,5 – 11,1 m +NAP. Het

voerd maar op basis van de verwachte bodemsamenstelling, grondwater

tevens de gemeente betrokken omdat deze het beheer over het lokale op-

plangebied is deels iets lager gelegen dan het omliggend stedelijke ge-

en de hogere grondwaterstand is infiltratie binnen het plangebied naar ver-

pervlaktewater en ruimtelijke ordening hebben.

bied. De woningen in de directe omgeving liggen op ca. 10,9-11,1 m +

wachting slechts beperkt mogelijk (voornamelijk horizontaal). Door de aan-

NAP. De nabijgelegen straten liggen op ca. 10,7-10,9 m+NAP. Binnen het

getroffen leemlaag is infiltratie naar de diepere ondergrond ter plaatse niet

Programma Water en Riolering, gemeente Meierijstad

plangebied bevinden zich enkele grachten. Deze zijn naar verwachting

toepasbaar geacht.

De gemeente Meierijstad heeft een programma water en riolering (PWR)

aangelegd voor voldoende ontwatering en om wateroverlast te voorko-

2022-2026. Vooruitkijken naar uitdagingen is essentieel in waterbeheer. In

men.

het PWR zijn er twee rode draden te herkennen. Eerst en vooral is er de

Bij nieuwbouw is vanuit het geldend beleid 60 mm hemelwaterverwerking op eigen perceel verplicht. Door het lokaal verwerken van hemelwater

wettelijk verplichte invulling van de klassieke zorgplichten voor afvalwater,

Oppervlaktewater

wordt hydrologisch neutraal ontwikkeld, mits de juiste milieuhygiënische

hemelwater en grondwater aangevuld met de verantwoordelijkheid die de

Op de onderzoekslocatie welke ingesloten is door woonbebouwing en de

maatregelen worden getroffen (zie hoofdstuk 3 van de onderzoekrappor-

gemeente heeft voor het oppervlaktewater. De tweede rode draad is de

Heilige Rita kapel zuidoostelijk zijn diverse overige watergangen aanwe-

tage).

aanstaande Omgevingswet.

zig. Het oppervlaktewater stroomt lokaal in zuidelijke richting en vervolgens in oost- en westelijke richting via de sloten parallel aan de Boskant-

Op basis van het aangeleverde planvoornemen is een inschatting ge-

Dit PWR is zo opgezet dat bij de inwerkingtreding van de Omgevingswet

seweg naar de primaire watergangen rondom. Binnen het onderzoeksge-

maakt van de toekomstige verharding. In onderstaande tabel is een over-

eenvoudig aansluiting kan worden gevonden bij de omgevingsvisie en het

bied is geen primair of secundair oppervlaktewater aanwezig

zicht van de wijzigingen in verhard oppervlak ten opzichte van de be-

omgevingsprogramma. Daarmee levert het PWR zijn bijdrage aan een

staande situatie opgenomen.

schone, gezonde, veilige en klimaatbestendige leefomgeving.

Afvalwater

Inrichtingen van waterhuishoudingen voor nieuw(her/ver)bouwplannen

Uit het vGRP van de gemeente blijkt dat in de omliggende straten een he-

worden door het bevoegd gezag getoetst en gekeurd. Eventuele compen-

melwaterstelsel aanwezig is waarop de ingesloten watergangen tevens

satie dient plaats te vinden volgens de voorkeursvolgorde: infiltreren, re-

kunnen overlopen. Westelijk is een gescheiden rioolstelsel aanwezig,

tentie binnen plangebied, retentie buiten plangebied of berging in be-

noord- en oostelijk is nog een gemengd stelsel aanwezig. Bij nieuwbouw

staand watersysteem.

dient en zal op eigen perceel een gescheiden stelsel aangelegd worden waarbij het afvalwater separaat op het gemeentelijk stelsel wordt aange-

4.11.2

Onderzoek

sloten. Door de voorgenomen nieuwbouw is er een toename aan vuilwa-

Naar aanleiding van de beoogde ontwikkeling is er een waterparagraaf op-

terhoeveelheid te verwachten van ca. 0,43 m 3/uur. Voor de aansluiting op

gesteld. De volledige waterparagraaf is opgenomen als bijlage 11 bij deze

het gemeentelijk stelsel (oostelijk) dient te zijner tijd een aanvraag inge-

ruimtelijke onderbouwing. Onderstaand zijn de belangrijkste conclusies

diend te worden bij de gemeente Meierijstad.

Tabel 4: Overzicht wijzigingen verhard opperlak door planvoornemen

Type oppervlak

Huidige situatie (m2)

Toekomstige situatie (m2)

Dakoppervlak, circa

200

1.171

Overig verhard (oprit, paden, wegen, etc.), circa

443

1.010

Totaal, circa

643

2.181 (+ 1.538)

Door de voorgenomen planontwikkeling neemt de verharding toe. Voor de planontwikkeling is derhalve aanvullende hemelwatercompensatie binnen

vermeld.

het terrein vereist van ca. (2.181 m2 x 60mm=) 130.9 m3 nodig.

Ruimtelijke onderbouwing Tijdelijke woningen Dorpspark, Boskant

24

Binnen het plangebied zijn reeds enkele greppels/waterlopen aanwezig.

4.12

Archeologie

4.13

Cultuurhistorie

Voor het planvoornemen worden enkele mogelijke verplaatst. Te dempen

4.12.1

Toetsingskader

4.13.1

Toetsingskader

greppels dienen 1 op 1 gecompenseerd te worden en eventuele be-

De bescherming van archeologisch erfgoed in Nederland is vastgelegd in

Op grond van het Besluit ruimtelijke ordening (artikel 3.1.6, tweede lid, on-

staande afstroming van de belendende percelen dient behouden te blijven

de Erfgoedwet, die op 1 juli 2016 in werking is getreden. De Erfgoedwet is

derdeel a Bro) dient in het plan rekening gehouden te worden met cultuur-

zodat door de demping geen wateroverlast ontstaat. Voor deze wijzigin-

in de plaats gekomen van zes wetten en regelingen op het gebied van cul-

historie. Cultuurhistorie heeft onder andere betrekking op de historische

gen in overige watergangen is geen watervergunning noodzakelijk geacht.

tureel erfgoed, waaronder de Monumentenwet 1988. Onderdelen van de

stedenbouwkundige en historisch geografische waarden in het gebied. In

Monumentenwet die van toepassing waren op de fysieke leefomgeving

het plan moet beschreven worden hoe met de in het gebied aanwezige

Ter compensatie van de nieuwbouw gaat de voorkeur uit naar de uitbrei-

gaan naar de Omgevingswet die in 2024 van kracht wordt. Voor deze on-

waarden en de aanwezige of te verwachten monumenten wordt omge-

ding van het lokaal bergend vermogen in de reeds aanwezige greppels in

derdelen is daartoe in de Erfgoedwet voor de periode 2016-2024 een

gaan. De Erfgoedwet bevat de wet- en regelgeving voor behoud en be-

het gebied. Dit kan door verbreding of aanleg van bijkomend oppervlakte-

overgangsregeling opgenomen.

heer van het cultureel erfgoed en archeologie in Nederland. Het is op basis hiervan verplicht om de facetten historische (steden)bouwkunde en

water. Als alternatief kan ook gekozen worden voor de aanleg van een De basis van de bescherming van archeologisch erfgoed in de Erfgoedwet

historische geografie mee te nemen in de belangenafweging. Hierbij gaat

is het verdrag van Valletta (ook wel het verdrag van Malta). De bescher-

het om zowel beschermde als niet formeel beschermde objecten en struc-

In de huidige planvoornemens is er ca. 310 m2 aan nieuw bijkomende

ming heeft als doel om archeologisch erfgoed zoveel mogelijk in situ, dus

greppel voorzien in het noordelijke deel van het plangebied. Door deze

in de grond, te behouden. Dankzij het principe van “de verstoorder betaalt”

turen. 4.13.2

aanlegdiepte van ca. 0,6 meter te geven wordt ruim voldaan aan de beno-

uit het verdrag van Valletta worden meer archeologische resten in situ be-

Op basis van de Cultuurhistorische Waardenkaart van de provincie Noord-

digde bergingsgrens van 130.9 m3. De toekomstige beringsvoorziening

houden.

Brabant is het plangebied gelegen in ‘De Meierij’: een regio van provinci-

wordt verbonden met de reeds aanwezige greppels binnen het plange-

Indien ruimtelijke ontwikkelingen plaatsvinden dient te worden beoordeeld

aal cultuurhistorisch belang. De Meijerij bestaat uit verschillende dekzand-

bied. De bergingsvoorziening wordt gerealiseerd middels het aanbrengen

of archeologische waarden in het geding raken.

ruggen, beekdalen en dekzandvlaktes; en het Groen Woud: een cultuur-

wadi.

Onderzoek

historisch landschape van cultuurhistorisch belang. Tevens is de projectlo-

van een wadi. Wel zal deze wadi volledig gevuld moeten zijn voordat 4.12.2

riool (dus eerst 60 mm bergen en dan pas afvoeren).

In het vigerende bestemmingsplan ‘Boskant’ is voor alle gebieden met een

Nationaal Landschap. Kenmerkend is de opbouw van het gebied in beek-

verhoogde kans op archeologische vondsten een dubbelbestemming toe-

dalen en dekzandplateaus en de inrichting die nauw gerelateerd is aan de

Hiervoor is op het perceel genoeg ruimte aanwezig. Gezien de aanwezige

gekend. Ter plaatse van de planlocatie is conform het vigerende bestem-

terreingesteldheid.

beplanting is verbreding van de watergangen moeilijk inpasbaar en gaat

mingsplan geen dubbelbestemming opgenomen. Op basis van de Archeo-

de voorkeur uit naar de aanleg van een wadi noordelijk van de bouwont-

logische beleidskaart (2007) van de voormalige gemeente Sint-Oedenrode

In het plangebied zijn geen waardevolle panden, lijnen en/of bomen gele-

wikkeling.

geldt voor de planlocatie een lage archeologische verwachting. Hiervoor

gen. Het plan doet geen afbreuk aan de cultuurhistorische waarden in en

geldt het volgende (Archeologiebeleid 2011): "geen onderzoek noodzake-

in de omgeving van het plangebied. Zie hiervoor de figuren 10 en 11.

4.11.3

Onderzoek

catie gelegen in ‘Het Groene Woud’. Het Groene Woud is aangewezen als

een noodoverlaat in werking treedt richting het gemeentelijke regenwater-

lijk behalve bij MER-plichtige projecten". Er is geen sprake van een MER-

Conclusie

Bij een verhardingstoename is vanuit het geldend beleid 60 mm hemelwa-

plichtig project. Hieruit is de concluderen dat er geen onderzoeksplicht

4.13.3

terverwerking op eigen perceel verplicht. Door het lokaal verwerken van

geldt.

Op basis van de Cultuurhistorische Waardenkaart van de provincie NoordBrabant is geconstateerd dat er geen waardevolle panden, lijnen en/of bo-

hemelwater wordt hydrologisch neutraal ontwikkeld. Het aspect water vormt geen belemmering voor het planvoornemen.

Conclusie

4.12.3

Conclusie

Het aspect archeologie vormt geen belemmering voor het plan.

Ruimtelijke onderbouwing Tijdelijke woningen Dorpspark, Boskant

men gelegen zijn in het plangebied. Het aspect cultuurhistorie vormt geen belemmeringen voor het planinitiatief.

25

4.14

Gezondheid

Stap 4a

4.14.1

Volksgezondheid i.r.t. veehouderijen

Binnen een veehouderij worden bedrijfsmatig niet meerdere diersoorten

Handreiking veehouderij en volksgezondheid 2.0

gehouden.

De Handreiking veehouderij en volksgezondheid 2.0 (versie mei 2018) be-

Figuur 10: Uitsnede cultuurhistorische waardenkaart Noord-Brabant, plangebied globaal aangeduid middels zwarte omlijning (Bron: Provincie Noord-Brabant)

vat een praktisch stappenplan om te beoordelen of nadere advisering van-

Stap 4b

uit de GGD wenselijk is. Deze stappen zijn doorlopen om na te gaan of er

De afstand tussen de inrichtingsgrenzen van een varkensbedrijf en een

knelpunten zijn.

pluimveebedrijf bedraagt meer dan 100 meter.

Stap 1 Endotoxine (varkens-/pluimveehouderijen)

Stap 5a Geitenhouderij

Toetsing aan het stappenplan wijst uit dat de planlocatie buiten de endo-

Uit het VGO-2 onderzoek is gebleken dat zich in een straal van circa 2 km

toxine richtafstanden ligt die aangehouden moeten worden rondom var-

rond geitenbedrijven een verhoogd aantal gevallen van longontsteking

kens- en pluimveehouderijen.

voordoet. Binnen 2 km van het plangebied liggen geen geitenhouderijen. Er is geen sprake van een verhoogd volksgezondheidsrisico.

Stap 2 Emissies De ontwikkeling leidt niet tot een toename in emissie voor geur en/of fijn-

Stap 5b Pluimveebedrijven

stof en/of ammoniak.

De locatie is niet gelegen binnen een afstand van 1 km van een pluimveebedrijf.

Stap 3a Geur, toetsen aan aanvaardbaar woon-/leefklimaat a.d.h.v. wettelijk kader

Stap 5c Overige veehouderijen

In de beoogde situatie wordt aan de geldende wet- en regelgeving vol-

De locatie is niet gelegen binnen een afstand van 250 meter van overige

daan en is er geen sprake van een overbelaste situatie voor geur (voor-

veehouderijen. Op basis van het ‘Endotoxine toetsingskader 1.0’ kan wor-

grond en/of achtergrond). Tevens is de afstand vanaf de rand van nabij-

den beoordeeld of sprake is van een verhoogd volksgezondheidsrisico

gelegen veehouderijen tot de beoogde woningen groter dan 100 meter.

ten aanzien van varkenshouderijen en pluimveehouderijen. In de nabijheid

De planlocatie is gelegen in een gebied met een acceptabele geurbelas-

van het plangebied zijn meerdere veehouderijen aanwezig ten aanzien

ting, zie ook paragraaf 4.5.

van varkenshouderij, waarbij het dichts gelegen veebedrijf op een afstand van circa 933 meter is gesitueerd.

Stap 3b Geur, toetsen aan aanvaardbaar woon-/leefklimaat a.d.h.v. gezondheidskundige advieswaarde De voor- en/of achtergrondgeurbelasting is lager dan de odour-unit waarden uit het onderzoek van Geelen et al. (2015). Tevens is de afstand vanaf de rand van het bedrijf tot de gevel van de woningen groter dan 100 Figuur 11: Uitsnede Welstandsnota kaart 2018 gemeente Meierijstad (Bron; gemeente Meierijstad)

meter.

Ruimtelijke onderbouwing Tijdelijke woningen Dorpspark, Boskant

26

Tabel 5: Varkenshouderijen in omgeving

Adres

Type

Afstand

Donderdonksedijk 4 5492VK Sint-Oedenrode

Vleesvarkens

Ca. 933 meter

Vernhout 5 5492VN Sint-Oedenrode

Vleesvarkens

Ca. 1350 meter

Liempdseweg 37 5492SM Sint-Oedenrode

Vleesvarkens

belemmering. Volgens de Netkaart van het RIVM geldt langs deze hoog-

van het geval, waarbij onder meer aspecten als aard en omvang van de

spanningslijn een indicatieve zone van 100 meter. Het plangebied ligt hier-

voorziene wijzigingen van de stedelijke ontwikkeling een rol spelen.

buiten. Hoogspanningslijnen vormen geen belemmering. De concrete omstandigheid in dit geval is het ontwikkelen van 12 wonin4.14.3

Ca. 1500 meter

Spuitzones

gen. Voorts ligt de locatie niet in of nabij een beschermd natuurgebied en

In de directe omgeving van het plangebied zijn geen percelen aanwezig

is er geen risico op verontreiniging. Ook leidt de ontwikkeling niet tot hin-

met een spuitzone gewasbescherming. Spuitzones vormen geen belem-

der voor omliggende functies. Er worden geen gevaarlijke stoffen gebruikt

mering voor het plan.

en/of –technologieën toegepast, waardoor er geen sprake is van risico op ongevallen. Ook blijkt uit deze ruimtelijke onderbouwing dat er geen

4.14.4

Het plangebied ligt buiten de richtafstanden die aangehouden moeten worden rondom de varkenshouderijen, geitenhouderijen en pluimveehou-

Conclusie

sprake is van nadelige gevolgen voor het milieu. Voorgaande maakt dat

Het aspect gezondheid vormt geen belemmeringen voor het planvoorne-

de ontwikkeling in het plangebied niet kan worden aangemerkt als een

men.

stedelijk ontwikkelingstraject in de zin van categorie 11.2 van het Besluit

derijen in de omgeving. Tevens is in paragraaf 4.4 aangetoond dat er

4.15

M.e.r-beoordeling

sprake is van een goed woon- en leefklimaat omtrent geur. Voor de locatie

4.15.1

Toetsingskader

geldt dat er geen sprake is van een verhoogd volksgezondheidsrisico.

Een ruimtelijke ontwikkeling kan leiden tot een m.e.r.(beoordelings)-plicht.

milieueffectrapportage. Derhalve is het niet noodzakelijk een (vormvrije) m.e.r.-beoordeling uit te voeren.

Of een m.e.r.-procedure of m.e.r-beoordeling noodzakelijk is, hangt af van Stap 6

het feit of de ontwikkeling (activiteit) is opgenomen in lijst C en D van het

Er is geen sprake van een mestbewerking of mestverwerking als nevenac-

Besluit milieueffectrapportage (Besluit m.e.r.). Per 7 juli 2017 is een wijzi-

tiviteit of zelfstandige activiteit.

ging van het Besluit m.e.r. in werking getreden. Wanneer de voorgenomen de ontwikkeling (activiteit) is opgenomen in lijst C en D van het Besluit mili-

Stap 7

eueffectrapportage (Besluit m.e.r.) moet getoetst worden of er sprake is

Er is bij toekomstige bewoners of omwonenden geen ongerustheid over

van nadelige milieugevolgen en moet wanneer hier sprake van is een

de volksgezondheid.

vormvrij m.e.r.-beoordelingsbesluit genomen worden.

Uit het bovenstaande blijkt dat advisering door de GGD niet noodzakelijk is. Of daadwerkelijk advies wordt ingewonnen bij de GGD is een afweging

4.15.2

Conclusie

van het bevoegd gezag. Het bevoegd gezag neemt het advies van de

De ontwikkeling van 12 compacte woningen in de vorm twee woonhofjes

GGD mee in haar overwegingen of medewerking kan worden verleend

valt niet onder categorie D 11.2 van het Besluit m.e.r. (stedelijk ontwikke-

aan een ontwikkeling en of zo nodig extra voorschriften moeten worden

lingsproject). Het kan echter zijn dat de ontwikkeling wel kan worden be-

opgenomen.

schouwd als een stedelijk ontwikkelingsproject. Volgens de Raad van State (201609536/1/A1) is het antwoord op de vraag of er sprake is van

4.14.2

Hoogspanningslijnen

De meest dichtstbijzijnde hoogspanningslijn ligt op ca. 2,7 kilometer af-

een (wijziging van een) stedelijk ontwikkelingsproject in de zin van het Besluit milieueffectrapportage, afhankelijk van de concrete omstandigheden

stand van het plangebied. Gelet op deze afstand vormt dit aspect geen

Ruimtelijke onderbouwing Tijdelijke woningen Dorpspark, Boskant

27

5

Haalbaarheid

Op 22 juni 2023 is er een tweede informatieavond georganiseerd door de initiatiefnemers van het dorpspark.

Dit hoofdstuk gaat in op de uitvoerbaarheid, waarbij eerst de economische uitvoerbaarheid aan bod komt en vervolgens de maatschappelijke uitvoer-

Op 7 maart 2024 is er een derde informatieavond georganiseerd. Hiervoor zijn alle direct omwonenden aan de Pastoor Teurlingsstraat, Ritaplein, Po-

baarheid.

pulierenlaan, Beukenstraat en Wilgenstraat, totaal 72 adressen, uitgeno-

5.1

Economische haalbaarheid

digd.

De uitvoering van de ontwikkeling is volledig voor rekening en risico van een de woningcorporatie. Met deze partij zal de gemeente een anterieure

Totaal hebben de bewoners van 25 adressen de inloopbijeenkomst be-

overeenkomst sluiten. Met die overeenkomst is verzekerd dat alle wettelijk

zocht en zijn er tijdens de avond 6 schriftelijke reacties achtergelaten.

te verhalen kosten die de gemeente maakt, worden verhaald op de initia-

Door de bewoners van de Pastoor Teurlingsstraat is gevraagd de hogere

tiefnemer. Eventuele kosten voor de inrichting en overige voorzieningen

woning wat verder van de erfgrens te plaatsen en om te ruilen met een

zijn voor rekening van de initiatiefnemer. De economische uitvoerbaarheid

lage woning om daarmee inkijk in de achtertuinen te voorkomen. Verder is

is hiermee in voldoende mate aangetoond.

aandacht gevraagd voor een groene erfafscheiding tussen de achtertuin en het plangebied.

5.2

Maatschappelijke haalbaarheid

Het realiseren van 12 woningen voor een termijn van maximaal 10 jaar is

Naar aanleiding van de omgevingsdialoog is het plan aangepast door een

in strijd met de regels van het geldende bestemmingsplan ‘Boskant’. De

hoge en een lage woning te wisselen. Daarmee wordt de inkijk in de ach-

beoogde ontwikkeling wordt juridisch-planologisch geregeld door op grond

tertuinen beperkt. Verder wordt er aan de rand van het park aan de zijde

van art 2.12, lid 1 onder a, sub 2 Wabo met een omgevingsvergunning af

van de Pastoor Teurlingsstraat een afscheiding met leibomen gemaakt om

te wijken van het bestemmingsplan. Het gaat hierbij om de zogenaamde

inkijk in de achtertuinen te beperken.

kruimelgevallen die in Bijlage II, artikel 4 Besluit omgevingsrecht (Bor) zijn opgenomen.

Omdat de bestaande sloot achter de Pastoor Teurlingsstraat bereikbaar moet blijven om onderhoudswerkzaamheden uit te voeren is het niet mo-

Er moet gemotiveerd worden dat de omgevingsvergunningsaanvraag vol-

gelijk om een erfafscheiding te maken. Aan dit verzoek kan niet tegemoet

doet aan een goede ruimtelijke ordening. Derhalve moet de aanvraag

worden gekomen.

voorzien zijn van een ruimtelijke onderbouwing. Voorliggend document voorziet in deze ruimtelijke onderbouwing.

Het verslag van de omgevingsdialoog en de getoonde presentatie is bijgevoegd in bijlage 12.

5.2.1

Omgevingsdialoog

Ten behoeve van voorgenomen ontwikkeling heeft een omgevingsdialoog

5.2.2

plaatsgevonden. De initiatiefnemers voor het dorpspark hebben via een al-

Op de onderhavige aanvraag is de reguliere procedure van toepassing.

gemene publicatie alle inwoners uitgenodigd op 31 oktober 2022. Tijdens

Binnen zes weken nadat het bevoegd gezag een besluit neemt kan er be-

deze bijeenkomst is het ontwerp gepresenteerd.

zwaar worden gemaakt.

Procedure

Ruimtelijke onderbouwing Tijdelijke woningen Dorpspark, Boskant

28

Separate bijlagen Bijlage 1 - Parkeeronderzoek Bijlage 2 - Akoestisch onderzoek wegverkeerslawaai Bijlage 3 - Quickscan flora en fauna Bijlage 4 - Stikstofnotitie Bijlage 5 - Aanvullend onderzoek ecologie Bijlage 6 - Activiteitenplan bunzing Bijlage 7 - Bomeneffectanalyse Bijlage 8 - Bodemonderzoek perceel 4526 en 4433 Bijlage 9 - Bodemonderzoek perceel 3096 Bijlage 10 - Aanvullend bodemonderzoek Bijlage 11 - Waterparagraaf Bijlage 12 - Omgevingsdialoog

Amsterdam Rhijnspoorplein 38 1018 TX Amsterdam +31 (0)20 506 19 99

‘s-Hertogenbosch Willemsplein 2 5211 AK ’s-Hertogenbosch +31 (0)73 208 91 55

Venlo Industriestraat 94 5931 PK Tegelen +31 (0)77 373 06 01 info@bro.nl www.bro.nl

De tekst is automatisch uit het bestand gehaald en kan afwijken van het origineel (kolommen, tabellen en koppen lopen door elkaar). Het officiële stuk bij de gemeente is leidend. Bron: https://api1.ibabs.eu/publicdownload.aspx?site=Meierijstad&id=c18e1af8-ddec-4f6b-a3ea-f436dfbc3d8d