Bijlage 2: notitie beantwoording zienswijzen en ambtelijke wijzigingen
Tekst van het document
8.10 Het gebruik van (bedrijfs)woningen en bijbehorende bouwwerken Ondergetekenden stellen voor artikel 3.1 sub a te wijzigen in de volgend tekst; (bedrijfs)woningen en bijbehorende bouwwerken mogen uitsluitend gebruikt worden in overeenstemming met het begrip woning, tenzij de regels anders bepalen. Bijbehorende bouwwerken behoren ook tot de woning. De (bedrijfs)woning en/of de bijbehorende bouwwerken komen ook in aanmerking om te worden gebruikt voor beroep/ bedrijf aan huis of B&B e.d. daarom de toevoeging, tenzij de regels anders bepalen. Beantwoording: deze formulering van artikel 3.1 (wonen binnen de bebouwde kom) zal in overeenstemming gebracht worden met die van artikel 7.1 (wonen in het buitengebied), zodat er geen strijdigheid meer bestaat met de in de regels rechtstreeks toegestane beroepen en bedrijven aan huis. Het toestaan van het gebruik van de woning als Bed & Breakfast, het gebruik voor kamerverhuur en het gebruik voor bijzondere woonvormen worden gedaan via een afwijking van het rechtstreeks toegestane gebruik.
8.11 Huisvesten van personen in de vorm van kamerverhuur Ter verduidelijking verzoeken ondergetekenden om aan artikel 3.2 onder b van de regels na, worden gehuisvest, toe te voegen; waarvan één in de aanwezige zelfstandige woonruimte. Beantwoording: bij het maximaal in de regels toegestane gebruik van de mogelijkheden voor kamerverhuur (4 kamerhuurders) is er geen sprake meer van wonen conform het begrip ‘woning’, door het ontbreken van een huishouden. Er zal dan in veel gevallen ook geen sprake meer zijn van een zelfstandige woonruimte (zie begripsbepaling 1.58), maar van het delen van álle aanwezige voorzieningen zoals een keuken en sanitaire voorzieningen en wellicht ook andere gemeenschappelijke ruimtes zoals een woonkamer.
8.12 Verkeersaantrekkende werking en parkeren bij kamerverhuur Niet duidelijk is gemaakt wat moet worden verstaan onder een zodanige verkeersaantrekkende werking die leidt of kan leiden tot een nadelige beïnvloeding van de normale afwikkeling van het verkeer dan wel tot een onevenredige parkeerdruk op de openbare ruimte. Niet onderzocht is met welk aantal extra verkeersbewegingen als gevolg van kamerverhuur, zowel binnen als buiten de bebouwde kom, rekening moet worden gehouden. Hierdoor is ook niet duidelijk welke parkeerdruk te verwachten is op de openbare ruimte en of deze al dan niet onevenredig is. Ook is niet duidelijk waar op wordt gedoeld met aantasting van de in geding zijnde belangen. De voorwaarden gesteld bij artikel 3.2 onder e zijn onvoldoende concreet en niet objectief De
Notitie beantwoording zienswijzen Bestemmingsplan 'Harmonisatie van diverse regelingen ('laaghangend fruit')'
18
motivering schiet te kort en de rechtszekerheid is in geding. Ondergetekenden hebben dan ook gegronde vrees voor aantasting van haar woon- en leefklimaat, alsmede aantasting van haar vrijheden. Mede gelet op vorenstaande verzoeken ondergetekenden om de tekst bij art. 3.2 onder e te laten vervallen, en stellen in de plaats daarvan de volgende tekst voor: Parkeren op het terrein van de eigenaar(en) van het perceel, en in alle gevallen, conform het vigerende Paraplubestemmingsplan parkeren Meierijstad. Indien dit onmogelijk is kunnen de benodigde parkeerplaatsen worden aangekocht, (bijvoorbeeld door aankoop van een reststrook. Beantwoording: de verkeersaantrekkende werking bij kamerverhuur zal doorgaans redelijk vergelijkbaar zijn en afhankelijk zijn van het aantal kamerhuurders. De impact op de verkeersafwikkeling zal echter locatie-specifiek zijn. Er is daarom bewust een open criterium opgenomen, zodat per locatie de juiste afweging over de impact op de verkeersafwikkeling gemaakt kan worden. Voor parkeren heeft de gemeente wel vaste normen vastgesteld per functie per deelgebied, in de vorm van de ‘Nota Parkeernormen Meierijstad 2018’ die als beleidsregel is vastgesteld. Deze normen zijn via het ‘Paraplubestemmingsplan Parkeren’ gekoppeld aan de bevoegdheden in de bestaande bestemmingsplannen.
Het verwijzen naar de in de gemeente vastgestelde parkeernormen is een prima aanvulling op de criteria en is mogelijk op grond van artikel 3.1.2, lid 2 onder ‘a’ van het Besluit ruimtelijke ordening. In het plan zal een artikel 15.2 en 15.3 toegevoegd worden, waarin aangegeven wordt hoe er bij de bevoegdheden in dit plan getoetst wordt aan het aspect parkeren (te weten de wijze van parkeren en normstelling die vastgelegd is in de beleidsregel ‘Nota Parkeernormen Meierijstad 2018’). Ook zal daarbij aangegeven worden dat bij wijziging van de parkeernormen, deze nieuwe normen gehanteerd moeten worden en zullen de afwijkingsmogelijkheden uit het ‘Paraplubestemmingsplan parkeren’ opgenomen worden.
8.13 De gehanteerde minimum afstand tussen locaties voor kamerverhuur Ook niet onderbouwd is waarom binnen een straal van 75 meter voor niet meer dan één perceel/ gebouw omgevingsvergunning wordt verleend. Niet duidelijk is gemaakt waar die 75 meter op is gebaseerd. Een deugdelijke motivering ontbeert ook hier. Beantwoording: deze afstand van 75 meter tussen afzonderlijke locaties waar omgevingsvergunning verleend wordt is overgenomen uit de door de raad op 6 juni 2019 vastgestelde beleidsnotitie ‘Huisvesting van arbeidsmigranten, maak er werk van!’. De motivatie daarbij is dat het ruimtelijk gewenst is om kamerbewoning te spreiden, zodat deze niet geconcentreerd wordt in bepaalde straten of delen van een wijk.
8.14 Huisvesten van personen in bijzondere woonvormen Bij art. 3.3 van de regels is sprake van bijzondere woonvormen. In de begrippenlijst van artikel 1 van de regels ontbreekt een definitie, zodat niet duidelijk is welke woonvormen wel of niet worden toegelaten. Ondergetekenden vrezen (gelet op het verleden) voor hun veiligheid en verregaande aantasting van het woonen leefklimaat. Beantwoording: deze definitie is wel degelijk aanwezig (begrip 1.19 van het ontwerpplan).
Notitie beantwoording zienswijzen Bestemmingsplan 'Harmonisatie van diverse regelingen ('laaghangend fruit')'
19
Ondergetekenden verzoeken artikel 3.3 onder b en c te laten vervallen en stellen voor in plaats daarvan de tekst in te lassen die is aangegeven in deze zienswijze onder Parkeren. Deze zienswijze heeft in gelijke mate betrekking op artikel 7.16 van de regels, ook m.b.t. de afstand van 75 meter. Tevens het verzoek om aan art. 3.3 toe te voegen: er moet minimaal 18 m2 gebruiksoppervlak per persoon aanwezig zijn, wat eveneens van toepassing is op artikel 7.16 van de regels, en als minimum is gesteld bij artikel 3.2, sub c. Bij artikel 3.2 sub c is immers ook minimaal 18 m2 aangegeven. Beantwoording: bij de beantwoording zienswijze 8.12 is aangegeven hoe er omgegaan zal worden met de parkeernota bij het toepassen van bevoegdheden. Bij de beantwoording van zienswijze 8.13 is aangegeven wat de grondslag is voor de onderlinge afstand van 75 meter voor afwijkende woonvormen. Het opnemen van een minimale oppervlakte aan niet-gemeenschappelijk verblijfsgebied voor een woonfunctie hoort eigenlijk niet thuis is het bestemmingsplan. Dit zijn namelijk wettelijke eisen vanuit afdeling 4.1 van Bouwbesluit 2012. Bij wijziging van Bouwbesluit 2012 (of vanaf 2022 paragraaf 4.5.2 van het Besluit Bouwwerken Leefomgeving), kan er dus strijdigheid ontstaan van deze normering in het bestemmingsplan met de wettelijke geldende bouweisen.
De eis van 18 m2 gebruiksoppervlakte per kamerhuurder in de artikelen 3.2 onder ‘c’ en 7.15 onder ‘c’ komt te vervallen omdat de landelijke geldende bouwregels daarin al voorzien.
8.15 De omvang van de oppervlakte die gebruikt mag worden voor Bed & Breakfast In art. 3.5 van de regels wordt onder punt 4 aangegeven dat in geval van een Bed & Breakfast maximaal 40% van het vloeroppervlak van het hoofdgebouw en de daarbij behorende bouwwerken daarvoor mogen worden gebruikt, met een maximum van 60 m2. Ondergetekenden verzoeken de tekst iets te verduidelijken door na hoofdgebouw en/of te schrijven. Immers het hoofdgebouw kan worden gebruikt voor B&B of alleen een bijbehorend bouwwerk, dan wel beide. Onder punt 4 van art 3.5 van de regels is aangegeven dat maximaal 60 m2 mag worden gebruikt voor een B&B. Niet duidelijk is gemaakt waarom bij kamerverhuur minimaal 18 m2 gebruiksoppervlak per persoon aanwezig moet zijn en bij een B&B met maximaal 4 bedden, wat resulteert in 4 personen, maar maximaal 60 m2 vloeroppervlak mag worden gebruikt. Ondertekenden stellen voor het vloeroppervlak/ gebruiksoppervlak te verhogen tot tenminste maximaal 4 x 18 = 72 m2. Ondergetekenden verzoeken verder om de tekst onder sub 12 van artikel 3.5 te laten vervallen en stellen in de plaats daarvan voor de tekst in te lassen die is aangegeven bij deze zienswijze onder Parkeren. Niet duidelijk is waarom in art.7.6 van de regels geen maximum is gesteld aan het gebruiksoppervlak/ vloeroppervlak, terwijl het aantal bedden hetzelfde is als bij art. 3.5. Dit is meten met twee maten.
Ondergetekenden verzoeken dit te corrigeren. Ook hier ontbeert een (deugdelijke) motivering. Beantwoording: voor de toepassing van de parkeernormen verwijzen we naar de beantwoording die gegeven is bij zienswijze 8.12. Terecht wordt opgemerkt dat beleidsmatig akkoord is dat het uitoefenen van een Bed & Breakfast in de woning en/of de bijbehorende bouwwerken plaats kan vinden (zie ook de beantwoording bij zienswijze 5.3). De tekst zal daarvoor aangepast worden.
Notitie beantwoording zienswijzen Bestemmingsplan 'Harmonisatie van diverse regelingen ('laaghangend fruit')'
20
Voor een logiesfunctie gelden, in tegenstelling tot woonfuncties, geen wettelijke minimum vereisten aan het niet-gemeenschappelijke gebruiksoppervlakte, alleen een minimum oppervlakte van verblijfsgebieden van 4 m2 (artikel 4.3 Bouwbesluit 2012). Voor de woonfunctie en voor een logiesfunctie wordt dus inderdaad (letterlijk) gemeten met twee maten, omdat het verschillende gebruiksfuncties betreft. Het hanteren van een maximum van 40% van het vloeroppervlakte voor Bed & Breakfast om zo de ondergeschiktheid aan de woonfunctie te garanderen achten we dan ook niet onredelijk of inconsistent met de overige regels in het bestemmingsplan. Het criterium dat (binnen de bebouwde kom) een absoluut maximum van 60 m2 geldt voor Bed & Breakfast , zou wel kunnen komen te vervallen. Met het beperken tot 40% van het vloeroppervlakte van woning en/of bijbehorende bouwwerken en maximaal 2 slaapkamers en 4 bedden wordt de omvang immers al zodanig beperkt, dat het opnemen van een absoluut maximum aantal m2 geen directe meerwaarde heeft voor het ondergeschikt houden van de logiesfunctie aan de woonfunctie.
8.16 De toepassing van parkeernormen Ondergetekenden verzoeken om aan artikel 5.1 en de artikelen onder 7 en 8 alsmede 9 en 10 van hoofdstuk 2 van de regels waarbij sprake is van parkeren of parkeren nodig of noodzakelijk is of wordt, als gevolg van (andere) activiteiten, de tekst in te lassen die is aangegeven bij punt 8 tweede alinea van deze zienswijze onder Parkeren. Voor het overige verwijzen ondergetekenden naar punt 8 van deze zienswijze, laatste alinea, die hier als herhaald en ingelast moet worden beschouwd. Niet duidelijk is waarom het Paraplu bestemmingsplan Parkeren Meierijstad, wat wel objectieve maatstaven bevat niet als voorwaarde is opgenomen. Een deugdelijke motivering ontbeert. Beantwoording: deze opmerking is terecht (zie zienswijze 8.12). In het plan zal een koppeling gelegd worden met de beleidsregel ‘Nota Parkeernormen Meierijstad 2018’.
8.17 De afstand van bijbehorende bouwwerken tot de (bedrijfs)woning Bij artikel 7.3 van de regels staat onder sub e een afstand van 15 meter aangegeven. Ondergetekenden stellen voor deze afstand te vergroten tot maximaal 30 meter omdat het erf is ingericht op bestaande bouwwerken en beplanting. Bestaande bouwwerken hebben vaak al een grotere afstand tot het hoofdgebouw dan 15 meter. Daarmee wordt sloop van bestaande bijbehorende bouwwerken voorkomen, door hergebruik van (agrarische)bebouwing op meer dan 15 meter van het hoofdgebouw. Beantwoording: voor de beantwoording van deze zienswijze verwijzen we naar de beantwoording die gegeven is bij zienswijze 5.1
8.18 Bestaande matenregeling Ondergetekenden verzoeken om artikel 7.19 sub a van de regels te wijzigen en stellen het volgende voor: bestaande maten die meer bedragen dan in artikel 7.2; 7.3 en 7.4 zijn voorgeschreven ter plaatse van de afwijking als ten hoogste toelaatbaar te achten. Onder sub b, het laatste zinsdeel te vervangen door: niet mogen worden vergroot, maar wel worden verhoogd tot de in deze artikelen gestelde bouwhoogtes. Dan wel een soortgelijke tekst. Niet in te zien valt waarom bouwwerken niet zouden mogen worden verhoogd tot de in voormelde artikelen gestelde bouwhoogte(s). Ondergetekenden stellen voor sub d van art. 7.19 geheel te laten vervallen. Niet duidelijk is gemaakt waarom het overgangsrecht niet van toepassing blijft? Ook bij dit punt ontbeert een deugdelijke motivering.
Notitie beantwoording zienswijzen Bestemmingsplan 'Harmonisatie van diverse regelingen ('laaghangend fruit')'
21
Beantwoording: de zienswijze stoelt op een onjuiste interpretatie van de regeling door de reclamant. Het doel van deze regeling is niet om beperkingen aan te brengen ten aanzien van de bouwregels, maar juist om te regelen dat de bestaande afwijkende maatvoering geacht wordt in overeenstemming te zijn met het plan. Dus voor bebouwing met een grotere oppervlakte of hoogte of voor bebouwing waarbij er bijvoorbeeld een kleinere minimale afstand gehanteerd is, dan door de bouwregels wordt voorgeschreven. Een aanpassing van dergelijke reeds aanwezige bebouwing, zoals een verhoging, is gewoon mogelijk mits de voorgeschreven hoogtes niet (verder) overschreden worden. Het overgangsrecht is niet van toepassing, omdat deze bouwwerken door gebruikmaking van de ‘bestaande maten’ regeling niet strijdig geacht worden met het nieuwe bestemmingsplan. Dat is voor de volledigheid expliciet gemaakt is in artikel 7.19 onder ‘d’. Indien deze bebouwing wel onder het overgangsrecht voor bouwwerken (artikel 15.1) zouden komen te vallen, zouden de mogelijkheden voor aanpassing beperkt worden tot slechts het gedeeltelijk veranderen of vernieuwen en éénmalig vergroten van de inhoud met maximaal 10%. Door de ‘bestaande maten’ regeling wordt dat vermeden voor deze bouwwerken.
Voor de duidelijkheid zal in de ‘bestaande maten’ regeling aangegeven worden dat deze bouwwerken wel vergroot of verhoogd mogen worden, als daarmee binnen de in het plan opgenomen maatvoering gebleven wordt. Ook zal de regeling verplaats worden naar de algemene bouwregels, zodat deze niet alleen van toepassing is op artikel 7 (wonen in het buitengebied), maar op alle in het plan opgenomen bouwmogelijkheden.
8.19 Nevenfuncties zijn ondergeschikte hoofdactiviteiten Bij artikel 8.8 van de regels onder sub d punt 1 staat ‘de volgende nevenfuncties zijn toegestaan’: 1. Agrarisch technische hulpbedrijven, agrarisch verwante bedrijven enz. Echter genoemde bedrijven vallen niet sec onder nevenfunctie maar zijn primair hoofdfuncties. Bij uitoefening van genoemde functie(s) naast een agrarisch bedrijf als (hoofdfunctie) is sprake van nevenfuncties. Om duidelijkheid te krijgen en misverstanden te voorkomen is dus de definitie noodzakelijk van agrarisch bedrijf. Ondergetekenden verwijzen naar de tekst bij punt 1 en 5 van deze zienswijze, die hier als herhaald en ingelast is. Beantwoording: voor de beantwoording van deze zienswijze verwijzen we naar de beantwoording die gegeven is bij zienswijze 8.6
8.20 Relatie met de beleidsregel kruimelgevallen Meierijstad Onder punt 2.3.1 van de toelichting is aangegeven dat na vaststelling van het bestemmingsplan door de gemeenteraad, er nog een nadere toelichting komt welke onderdelen van de beleidsregel Kruimelgevallen Meierij stad worden ingetrokken. Ondergetekenden merkwaardige handelwijze die niet anders kan worden opgevat als onbehoorlijk bestuur. De gemeenteraad krijgt hierdoor wel een bestemmingsplan ter goedkeuring voorgelegd wat ongewis is en wat onvoldoende is onderbouwd. Wat er van de Beleidsregel Kruimelgevallen Meierijstad van 08 mei 2020 al dan wordt ingetrokken is een zaak van het college van B&W. Het ontwerpplan is door de gekozen handelwijze rechtsonzeker en strekt niet tot een goede ruimtelijke ordening. Beantwoording: er staat niet dat de toelichting na vaststelling nog aangevuld zal worden, maar dat er na de vaststelling van het bestemmingsplan onderdelen van de kruimelgevallenregeling zullen gaan vervallen. Deze paragraaf in de toelichting is bedoeld om te beschrijven welke onderdelen van de ‘beleidsregel kruimelgevallen’ door het college van B&W ingetrokken zullen gaan worden en op welk
Notitie beantwoording zienswijzen Bestemmingsplan 'Harmonisatie van diverse regelingen ('laaghangend fruit')'
22
moment. Omdat enkele regelingen ‘permanent’ gemaakt worden in onderhavig bestemmingsplan, kunnen onderdelen van de beleidsregel Kruimelgevallen Meierijstad 2020 ingetrokken worden. De beschrijving in de toelichting maakt het voor de lezer duidelijk tot op welk moment er een bepaalde grondslag (de beleidsregel kruimelgevallen dan wel nieuwe bestemmingsplan) door het bevoegd gezag (het college van B&W) gebruikt zal worden om medewerking te verlenen aan omgevingsvergunningen. De toelichting wordt op dit punt aangevuld voordat het plan ter vaststelling aangeboden wordt aan de gemeenteraad.
8.21 Er zou sprake zijn van rechtsonzekerheid en rechtsongelijkheid Het ontwerpplan is onvoldoende en ondeugdelijk gemotiveerd, de toelichting schiet tekort en/of is onjuist. Het ontwerpplan is strijdig met het recht, is rechtsonzeker, en strekt niet tot een goede ruimtelijke ordening. De (bouw)regels en/of voorwaarden voor afwijking van het bestemmingsplan zijn binnen de bebouwde kom niet gelijk aan die van buiten de bebouwde kom, en zelfs binnen de bebouwde kom zijn de (bouw)regels niet gelijk, waardoor rechtsongelijkheid en onvrede ontstaat. Beantwoording: deze mening dat het plan rechtsonzeker en rechtsongelijk is, zijn wij niet toegedaan. Gelijke gevallen worden gelijk behandeld, maar ongelijke gevallen ongelijk naar de mate waarin zij verschillen. Dit volgt uit artikel 1 van de Grondwet. In het kader van de goede ruimtelijke ordening kan het dus zonder meer voorkomen dat regels binnen de bebouwde kom anders zijn dan de regels buiten de bebouwde kom. Dat soms de regels ook in vergelijkbare situaties niet overal gelijk zijn wordt onderkent, dat is immers de voornaamste reden om het paraplubestemmingsplan 'Harmonisatie van diverse regelingen ('laaghangend fruit')' in procedure te brengen.
8.22 Er zou strijdigheid zijn met het recht Voorts voldoet het ontwerpplan niet aan de thans geldige Interim Omgevingsverordening N-Brabant, artikel 1 van de grondwet, de Wro, het Bro, de Wabo, en het BOR met bijlagen. In de regels en/of voorwaarden voor afwijking van het bestemmingsplan is het vigerende Paraplubestemmingsplan Parkeren, ten onrechte niet als voorwaarde opgenomen en is kleinschalige (detailhandel) verkoop van ter plaatse geteelde (gewassen) producten onvoldoende in de regels gewaarborgd. Beantwoording: de geconstateerde strijdigheden met de Interim Omgevingsverordening worden gecorrigeerd (zie zienswijze 2), het bestemmingsplan discrimineert niet op grond van godsdienst, levensovertuiging, politieke gezindheid, ras, geslacht of op welke grond dan ook (artikel 1 Grondwet), er is ons inziens geen sprake van strijdigheid met de goede ruimtelijke ordening of overige wetgeving.
8.23 De wens om te worden gehoord Ondergetekenden wensen gebruik te maken van het recht om te worden gehoord. Beantwoording: de gemeente kent geen hoorzittingen bij plannen waarbij zienswijzen ingediend kunnen worden. Reclamant heeft binnen de termijn geen gebruik gemaakt om de zienswijzen mondeling in te dienen, maar is alsnog schriftelijk in de gelegenheid gesteld om de ingediende zienswijzen mondeling toe te lichten.
8.24 Verzoek tot vergoeding van gemaakte kosten op grond van artikel 7:15 Awb Verzoek om vergoeding van gemaakte kosten op grond van artikel 7:15 Awb.
Notitie beantwoording zienswijzen Bestemmingsplan 'Harmonisatie van diverse regelingen ('laaghangend fruit')'
23
Beantwoording: artikel 7:15 Awb is alleen van toepassing op gevallen waarbij door derden verleende rechtsbijstand heeft plaatsgevonden in een zaak waar bezwaar en/of beroep tegen een besluit is ingediend, en waarbij in de procedure vast is komen te staan dat het bevoegd gezag een onrechtmatig besluit genomen heeft. Artikel 7:15 Awb is niet van toepassing bij voorbereidingsprocedures op grond van afdeling 3:4 Awb (het indienen van zienswijzen op een ontwerp). Van een kostenvergoeding van door derden verleende rechtsbijstand zal in dit geval dus geen sprake zijn.
9. Zienswijze 9, TenneT Bij de Elektriciteitswet 1998 (de ‘E-wet’) is TenneT aangewezen als beheerder van het landelijk hoogspanningsnet. Zij is daarmee verantwoordelijk voor een ongestoorde werking van dit net. Een zeer belangrijke kerntaak van TenneT is dan ook het optimaal beheren, onderhouden en veiligstellen van nieuw te realiseren en gerealiseerde assets ten behoeve van een ongestoorde ligging daarvan gedurende de gehele levensfase. Uitgangspunt is dat deze vitale en zware infrastructuur een gepaste bescherming kent, verankerd in een duurzaam liggingsregime. De aanwezigheid van deze hoogspanningsverbindingen kan beperkingen opleveren voor het gebruik van de gronden. Hierbij zijn onder meer aspecten aan de orde waaronder de veiligheid van personen en goederen, de aan te houden veiligheidsafstanden, de bereikbaarheid van de hoogspanningsverbindingen en de benodigde ruimte voor het uitvoeren van onderhouds- en herstelwerkzaamheden. Met bovenstaande assets wordt in de vigerende bestemmingsplannen rekening gehouden. Het ontwerp bestemmingsplan harmoniseert en actualiseert, in zowel de toelichting als de regels, een onderdeel waar wij echter graag op reageren. Hieronder treft u onze opmerkingen op het ontwerp bestemmingsplan aan.
9.1
Grondopstellingen voor zonnepanelen
Ter bescherming van de leveringszekerheid en bereikbaarheid van onze assets zouden wij graag zien dat het aanleggen van grondopstellingen voor zonnepanelen binnen de belemmerde strook van een hoogspanningsverbinding (dubbelbestemming hoogspanningsverbinding binnen de vigerende moederplannen) wordt uitgesloten. Ons verzoek is dan ook om de regels onder 10.2 aan te vullen met: j. geen zonnepanelen zijn toegestaan binnen de belemmerde strook van een hoogspanningsverbinding. Beantwoording: we kunnen instemmen met deze toevoeging
9.2
Windturbines voor eigen gebruik
In de toelichting wordt beschreven dat het mogelijk moet zijn om, bij solitaire agrarische bedrijven, kleine windturbines voor eigen gebruik te realiseren. Windturbines kunnen de leveringszekerheid in gevaar brengen doordat er een kans bestaat dat een falende windturbine (of onderdelen daarvan) de hoogspanningsinfrastructuur van TenneT (deels) beschadigt. Een onderbreking van de leveringszekerheid doordat een falende windturbine of onderdeel hiervan onze hoogspanningsverbinding zou treffen is niet wenselijk en zou inhouden dat een groot gedeelte van de maatschappij in haar dagelijks functioneren wordt belemmerd. TenneT acht het risico van windturbines op hun infrastructuur aanvaardbaar wanneer wordt voldaan aan de afstanden zoals die vermeld staan in het handboek Risicozonering Windturbines (opgesteld in opdracht van Rijksdienst voor Ondernemend Nederland). Kleinschalige windturbines zijn niet gecertificeerd, daarom hanteren wij voor deze turbines een afstand van 2x nominaal toerental. Ons verzoek is dan ook om de regels onder 10.3 aan te vullen met:
Notitie beantwoording zienswijzen Bestemmingsplan 'Harmonisatie van diverse regelingen ('laaghangend fruit')'
24
j. een kleinschalige windturbine dient minimaal 2x nominaal toerental afstand te houden van een hoogspanningsverbinding. Beantwoording: we kunnen instemmen met deze toevoeging
10.
Zienswijze 10, reclamant 10
10.1 Verbreding van de mogelijkheden om schuilgelegenheden voor dieren op te richten Artikel 12.2 regelt een afwijkbevoegdheid voor het bouwen van schuilgelegenheden buiten een bouwvlak voor het hobbymatig houden van dieren. Onder lid. f is opgenomen dat de realisatie van een schuilgelegenheid uitsluitend is toegestaan binnen een bebouwingsconcentratie. Ik ben het hier niet mee eens . Het moet mogelijk zijn om ook buiten een bebouwingsconcentratie een eenvoudige maar noodzakelijke schuilgelegenheid op te richten voor hobbymatig gehouden dieren. Ik heb een paard dat graast op mijn weide van ca 1 hectare. Ik heb geen mogelijkheid om mijn paard elders te houden. In de winter is het noodzakelijk dat mijn paard kan schuilen en droogstaan. Beantwoording: deze zienswijze is buiten de termijn ingediend en is daarom niet ontvankelijk. Desondanks kan aangegeven worden dat er geen medewerking verleend kan worden aan een verruiming van deze regeling. Sterker nog, op grond van de zienswijze van de provincie (zie zienswijze 2.5) zal deze regeling zelfs beperkt moeten gaan worden tot uitsluitend de kernrandzones op grond van de provinciale regels uit de Interim Omgevingsverordening (artikel 3.45) van de provincie NoordBrabant.
Notitie beantwoording zienswijzen Bestemmingsplan 'Harmonisatie van diverse regelingen ('laaghangend fruit')'
25
7. Ambtelijke wijzigingen 1. Het in overeenstemming brengen met de RO Standaarden 2012 van het begrip bestemmingsplan: ‘De geometrisch bepaalde planobjecten met de bijbehorende regels en de daarbij behorende bijlagen’; 2. Het in overeenstemming brengen met het Bouwbesluit 2012 / Besluit Bouwwerken Leefomgeving van het begrip ‘aansluitend terrein’: ‘aan een bouwwerk grenzend onbebouwd gedeelte van een perceel of openbaar toegankelijk gebied’; 3. Om een nadere verduidelijking te geven van het begrip ‘agrarisch verwant bedrijf’ uit de provinciale Interim Omgevingsverordening Noord-Brabant, zijn in de definitie voorbeelden opgenomen: ‘agrarisch verwante bedrijven zijn pensionstalling, dierenasiels, dierenklinieken, groencomposteringsbedrijven, hondenkennels, hoveniersbedrijven, instellingen voor agrarisch praktijkonderwijs en proefbedrijven’; 4. Wijzigen van de begripsbepaling ‘beroep of bedrijf aan huis’ naar een meer gangbare definitie ‘het beroepsmatig of bedrijfsmatig verlenen van diensten of het bedrijfsmatig uitoefenen van ambachtelijke bedrijvigheid, niet zijnde detailhandel (met uitzondering van internetwinkels zonder afhaalpunt of showroom), horeca en seksuele dienstverlening en dat op kleine schaal in een woning en of in het bijbehorend bouwwerk wordt uitgeoefend’; 5. Het begrip ‘bouw- of nokhoogte’ komt te vervallen.
Dit is geen begrip, maar een wijze van meten en is al gedefinieerd in artikel 2.4; 6. Het in overeenstemming brengen met de provinciale Interim Omgevingsverordening Noord-Brabant van het begrip ‘bouwperceel’: ‘aaneengesloten (virtueel) vlak waarop functioneel bij elkaar behorende bebouwing en voorzieningen worden geconcentreerd, bestaande uit een bouwvlak, waarbinnen de gebouwen zijn toegelaten, met de direct daaraan grenzende gronden waar ook bouwwerken geen gebouwen zijnde en vergunningvrije bouwwerken zijn toegestaan’; 7. Met de aanpassing van het begrip ‘bouwperceel’ kan de wijze van meten ‘oppervlakte van een bouwperceel’ vervallen, omdat het ook om een virtueel vlak kan gaan, niet alleen kadastrale begrenzingen; 8. Toevoeging van het begrip ‘grondgebonden woning: ‘woning die rechtstreeks toegankelijk is op het straatniveau en waarvan een van de bouwlagen aansluit op het maaiveld’; 9. Vervanging van de term ‘bestaand stedelijk gebied’ voor de in het bestemmingsplan gehanteerde term ‘de stedenbouwkundige bebouwde kom’ binnen het begrip kernrandzone; 10. De regelingen in artikel 3 en 7 voor ‘bijzondere woonvormen’ zijn overgenomen is uit het paraplubestemmingsplan ‘Harmonisatie begrippen wonen, c.s. Sint-Oedenrode 1’ die geldt binnen het grondgebied van de voormalige gemeente Sint-Oedenrode. De reikwijdte van deze regeling word te groot geacht.
De regelingen maken de huisvesting van (zeer) grote groepen mensen die geen huishouden vormen in bestaande woningen mogelijk via een binnenplanse afwijkingsbevoegdheid, zonder dat er een mogelijkheid is om zienswijzen in te dienen. De regelingen en de begripsbepaling worden verwijderd. Op individuele basis zal afgewogen worden of er medewerking verleend kan worden aan een verzoek om dergelijke bijzondere woonvormen toe te staan; 11. Toevoeging ter verduidelijking van de wijze van meten van het VNG-begrip ‘ondergeschikte bouwdelen’: ‘ondergeschikte delen aan een gebouw zoals trappen, bordessen, funderingen, kelderingangen, overstekende daken, goten, luifels, balkons, balkonhekken, schoorstenen, liftopbouwen en andere ondergeschikte dakopbouwen’; 12. In de wijze van meten ‘inhoud van een bouwwerk’ worde de tekst ‘de onderzijde van’ verwijderd, omdat anders bij het verlenen van omgevingsvergunningen (dikke) isolatiepakketten meetellen in de woninginhoud, wat niet wenselijk is; 13. In de wijze van meten ‘ondergrondse bouwdiepte van een bouwwerk’ wordt gesproken over ‘bouwkundig peil’. Hier kan volstaan worden met verwijzing naar het begrip ‘peil’;
Notitie beantwoording zienswijzen Bestemmingsplan 'Harmonisatie van diverse regelingen ('laaghangend fruit')'
26
14. Het begrip ‘reëel agrarisch bedrijf’ wordt toegevoegd aan de begripsbepalingen om in artikel 8 (agrarisch bedrijfsmatige activiteiten) te kunnen toetsen of gebouwd wordt ten behoeve van een volwaardig agrarisch bedrijf; 15. Het aantal werkzame personen bij een beroep of bedrijf aan huis wordt beperkt tot 2 personen, waaronder de eigenaar van de woning, conform de ‘Beleidsregel kruimelgevallen gemeente Meierijstad 2020’; 16. Artikel 4 betreft specifieke bouwmogelijkheden binnen enkele bestemmingen binnen het centrum van Sint-Oedenrode. In de regeling staat dat het bevoegd gezag kan ‘afwijken van’ de betreffende bestemming, maar beoogd was deze bouwregeling een rechtstreekse werking te geven. De tekst wordt aangepast van ‘afwijken van de bestemmingen’ in ‘binnen de bestemmingen’; 17. Een tekstuele aanpassing van artikel 5 (extra bijbehorende bouwwerken bij maatschappelijke voorzieningen): ‘hoofdactiviteit’ wordt gewijzigd in ‘hoofdfunctie’, omdat hier een verwijzing naar het doel van een locatie beoogd werd, niet een feitelijk handelen; 18. In de afwijkingsbevoegdheden in voor het toestaan van kamerverhuur en bijzondere woonvormen wordt als voorwaarde gesteld ‘Het karakter van de woning mag niet wijzigen’. De toetsing van deze voorwaarde is problematisch, omdat niet aangegeven wordt wat daarmee bedoeld wordt.
In artikel 3.2 onder a en 3.3 onder a en 7.15 onder a en 7.16 onder a wordt deze zinsnede daarom verwijderd; 19. Toevoegen van de mogelijkheid om ondergronds bouwen van één bouwlaag van maximaal 3,5 meter diep en bouwwerken, geen gebouw zijnde tot 6 m diep mogelijk te maken bij woningen in het buitengebied. Ook worden afwijkingsmogelijkheden geboden om ondergronds bouwen van één ondergrondse bouwlaag van 3,5 m diep onder voorwaarden in beperkte mate toe te staan buiten de grenzen van de gevels van de bovengrondse bouwwerken en voor bouwwerken, geen gebouw zijnde tot 10 m diep; 20. In artikel 7 (wonen in het buitengebied) wordt aangegeven dat bijbehorende bouwwerken niet dichter dat 5 meter van de ‘bestemmingsgrens’ af gebouwd mogen worden. Deze situeringsvereiste wordt niet gehanteerd in de huidige plannen en komt te vervallen. Situering van bijbehorende bouwwerken binnen het bouwvlak of bestaand bouwperceel volstaat; 21. Met het vervallen van de minimum afstand van bijbehorende bouwwerken bij woningen tot de bestemmingsgrens, komt ook de afwijkingsbevoegdheid die opgenomen was om een kleinere afstand toe te staan te vervallen; 22.
In de sloop-bonus regeling binnen artikel 7 (wonen in het buitengebied) ten behoeve van het oprichten van een gebouw voor het hobbymatig houden van vee, wordt opgenomen dat de regeling niet van toepassing is op cultuurhistorisch waardevolle bebouwing. Dit wordt ook toegevoegd aan de algemene voorwaarden voor de sloop-bonus regelingen; 23. Binnen artikel 7 (wonen in het buitengebied) wordt aan de regeling voor bouwwerken geen gebouw zijnde een ontbrekende bouwregeling voor erfafscheidingen toegevoegd; 24. Aan alle in het plan voorkomende regelingen over erfafscheidingen wordt toegevoegd dat transparante toegangspoorten of penanten in de erfafscheiding tot 3 m hoog toegestaan worden; 25. Binnen de regeling in artikel 7 (wonen in het buitengebied) over overkappingen, vervallen de voorwaarden dat deze volledig zelfstaand gebouwd moeten worden en in het geheel niet voorzien mogen zijn van wanden. Een carport of een overkapping van een terras zal doorgaans juist aan de woning vastzitten; 26. In de afwijkingsbevoegdheid voor herbouw van woningen in het buitengebied buiten de bestaande fundamenten, wordt de voorwaarde gesteld dat de herbouw vindt plaats binnen hetzelfde bestemmingsvlak. Voor agrarische bedrijfswoningen is dat geen juiste begrenzing. De tekst ‘hetzelfde bestemmingsvlak’ wordt vervangen door ‘het bestaande bouwvlak of bouwperceel’;
Notitie beantwoording zienswijzen Bestemmingsplan 'Harmonisatie van diverse regelingen ('laaghangend fruit')'
27
27. In het plan waren afwijkingsbevoegdheden opgenomen voor het bouwen van een 1e bedrijfswoning en voor het splitsen van een woonboerderij in twee woningen. Omdat een toename van het aantal woningen een meer dan ondergeschikte afwijking betreft, is de bevoegdheid omgezet naar een wijzigingsbevoegdheid; 28. Er wordt een afwijkingsbevoegdheid opgenomen voor het afwijken van de maximale inhoud en/of gootof bouwhoogte van bestaande woningen, indien deze afwijking nodig is om de woning te kunnen verduurzamen (isolatie); 29. De regeling in artikel 7 (wonen in het buitengebied) voor het via omgevingsvergunning toestaan van statische opslag bij woningen in het buitengebied (niet zijnde bedrijfswoningen) wordt in het kader van het stimuleren van de sloop van overtollige bebouwing te ruim geacht. De afwijkingsbevoegdheid wordt gewijzigd van 1.000 m2 naar 400 m2; 30. In de voorwaarden voor toekennen van de aanduiding ‘plattelandswoning’ wordt de voorwaarde onder ‘b’ dat de situatie voldoet aan de wettelijke kaders geschrapt. Hiermee wordt immers de beoordeling van een aanvaardbaar woon- en leefklimaat verstaan, die reeds als voorwaarde opgenomen is. Voor de normering van geur en geluid, waarbij het bevoegd gezag een mate van beleidsvrijheid heeft, is aangegeven dat een beleidslijn opgesteld wordt ten behoeve van de toetsing; 31.
Aan de algemene voorwaarden van artikel 8 (agrarisch bedrijfsmatige activiteiten) wordt toegevoegd dat er uitsluitend gebouwd mag worden ten behoeve van een bestaand of nog te ontwikkelen ‘reëel agrarisch bedrijf’ en dat de aanwezigheid van statische opslag niet mag leiden tot cumulatie van bebouwing; 32. In artikel 8 (agrarisch bedrijfsmatige activiteiten) zijn bij de regels over bouwwerken, geen gebouw zijnde regels opgenomen over reclame-uitingen die overgenomen zijn uit hoofdstuk 6 van de Welstandsnota 2018 Meierijstad. Omdat deze nota bepalend is voor het reclamebeleid en niet het bestemmingsplan, wordt volstaan met een verwijzing naar de Welstandsnota 2018 Meierijstad; 33. Voor de toegestane hoogte van lichtmasten in artikel 8 (agrarisch bedrijfsmatige activiteiten) wordt aangesloten bij de regeling in artikel 7 (wonen in het buitengebied). De toegestane hoogte wordt gewijzigd van 12 m naar 6 m; 34. De opzet van artikel 8 (agrarisch bedrijfsmatige activiteiten) is om bouwregels te stellen voor bouwwerken binnen het agrarische bouwvlak. De regeling over bouwwerken, geen gebouw zijnde buiten het bouwvlak vervalt; 35.
Een tekstuele aanpassing van artikel 8.3 (nevenactiviteiten die rechtstreeks toegestaan zijn) van ‘Binnen deze bestemming’ naar ‘Bij agrarische bedrijven’, omdat niet naar specifieke bestemmingen verwezen wordt, maar deze van toepassing is op alle agrarische bedrijven; 36. De bouwregeling in artikel 9 (niet-agrarische bedrijfsmatige activiteiten in het buitengebied) voor bouwwerken, geen gebouw zijnde is in overeenstemming gebracht met die van artikel 8 (agrarisch bedrijfsmatige activiteiten.
Notitie beantwoording zienswijzen Bestemmingsplan 'Harmonisatie van diverse regelingen ('laaghangend fruit')'
28
8. Conclusie en advies De zienswijzen geven aanleiding tot aanpassing van het ontwerp bestemmingsplan 'Harmonisatie van diverse regelingen ('laaghangend fruit')' op de volgende punten van de regels: Begripsbepalingen en wijze van meten 1. Het in overeenstemming brengen van het begrip ‘bestemmingsplan’ met de RO Standaarden 2012: ‘De geometrisch bepaalde planobjecten met de bijbehorende regels en de daarbij behorende bijlagen’; 2. Het in overeenstemming brengen met het Bouwbesluit 2012 / Besluit Bouwwerken Leefomgeving van het begrip ‘aansluitend terrein’: ‘aan een bouwwerk grenzend onbebouwd gedeelte van een perceel of openbaar toegankelijk gebied’; 3. Toevoegen van het begrip ‘agrarisch bedrijf: een bedrijf dat is gericht op het voortbrengen van producten door middel van het telen van gewassen, waaronder agrarische houtteelt, en/of het houden, fokken of veredelen van dieren’ aan de begripsbepalingen; 4. Om een nadere verduidelijking te geven van het begrip ‘agrarisch verwant bedrijf’ uit de provinciale Interim Omgevingsverordening Noord-Brabant, zijn in de definitie voorbeelden opgenomen: ‘agrarisch verwante bedrijven zijn pensionstalling, dierenasiels, dierenklinieken, groencomposteringsbedrijven, hondenkennels, hoveniersbedrijven, instellingen voor agrarisch praktijkonderwijs en proefbedrijven’; 5.
Wijzigen van de begripsbepaling ‘beroep of bedrijf aan huis’ naar een meer gangbare definitie ‘het beroepsmatig of bedrijfsmatig verlenen van diensten of het bedrijfsmatig uitoefenen van ambachtelijke bedrijvigheid, niet zijnde detailhandel (met uitzondering van internetwinkels zonder afhaalpunt of showroom), horeca en seksuele dienstverlening en dat op kleine schaal in een woning en of in het bijbehorend bouwwerk wordt uitgeoefend’ 6. Verwijderen van het begrip ‘bijzondere woonvormen’ omdat de betreffende regelingen in artikel 3 en 7 vervallen; 7. Het begrip ‘bouw- of nokhoogte’ komt te vervallen. Dit is geen begrip, maar een wijze van meten en is al gedefinieerd in artikel 2.4; 8. Het in overeenstemming brengen met de provinciale Interim Omgevingsverordening Noord-Brabant van het begrip ‘bouwperceel’: ‘aaneengesloten (virtueel) vlak waarop functioneel bij elkaar behorende bebouwing en voorzieningen worden geconcentreerd, bestaande uit een bouwvlak, waarbinnen de gebouwen zijn toegelaten, met de direct daaraan grenzende gronden waar ook bouwwerken geen gebouwen zijnde en vergunningvrije bouwwerken zijn toegestaan’; 9. Met de aanpassing van het begrip ‘bouwperceel’ kan de wijze van meten ‘oppervlakte van een bouwperceel’ vervallen, omdat het ook om een virtueel vlak kan gaan, niet alleen kadastrale begrenzingen; 10.
Toevoeging van het begrip ‘grondgebonden woning: woning die rechtstreeks toegankelijk is op het straatniveau en waarvan een van de bouwlagen aansluit op het maaiveld’ aan de begripsbepalingen. 11. Verwijderen van het begrip ‘hobbydieren’ uit de begripsbepalingen, omdat deze term nergens voor komt in de regels; 12. Aanpassing van het begrip ‘hobbymatig houden van dieren’ van het houden van enkele dieren op een perceel grasland van enige omvang in het buitengebied zonder winstoogmerk of commerciële doeleinden naar het houden van enkele dieren voor educatieve of recreatieve doeleinden of als liefhebberij, zonder winstoogmerk. Het begrip was te beperkt geformuleerd met het houden van dieren op uitsluitend grasland en uitsluitend in het buitengebied; 13. Vervanging van de term ‘bestaand stedelijk gebied’ voor de in het bestemmingsplan gehanteerde term ‘de stedenbouwkundige bebouwde kom’ binnen het begrip kernrandzone;
Notitie beantwoording zienswijzen Bestemmingsplan 'Harmonisatie van diverse regelingen ('laaghangend fruit')'
29
14. Toevoeging ter verduidelijking van de wijze van meten van het VNG-begrip ‘ondergeschikte bouwdelen’: ‘ondergeschikte delen aan een gebouw zoals trappen, bordessen, funderingen, kelderingangen, overstekende daken, goten, luifels, balkons, balkonhekken, schoorstenen, liftopbouwen en andere ondergeschikte dakopbouwen’; 15. Het begrip ‘reëel agrarisch bedrijf’ wordt toegevoegd aan de begripsbepalingen om in artikel 8 (agrarisch bedrijfsmatige activiteiten) te kunnen toetsen of gebouwd wordt ten behoeve van een volwaardig agrarisch bedrijf; 16. In de wijze van meten ‘inhoud van een bouwwerk’ worde de tekst ‘de onderzijde van’ verwijderd, omdat anders bij het verlenen van omgevingsvergunningen (dikke) isolatiepakketten meetellen in de woninginhoud, wat niet wenselijk is; 17. In de wijze van meten ‘ondergrondse bouwdiepte van een bouwwerk’ wordt gesproken over ‘bouwkundig peil’. Hier kan volstaan worden met verwijzing naar het begrip ‘peil’;
Bijlage bij de regels 18. Toevoegen van een verwijzing naar een nieuwe bijlage bij de regels ‘Bijlage 1 Stedenbouwkundige bebouwde kom Meierijstad’ om te kunnen duiden wat valt onder ‘stedenbouwkundige bebouwde kom’ en ‘buitengebied’;
Regels Wonen binnen de bebouwde kom 19. Het in overeenstemming brengen van de formulering van het toegestane gebruik van woningen binnen de bebouwde kom (artikel 3.1) met die van woningen buiten de bebouwde kom (artikel 7.1), zodat ook het uitoefenen van een beroep of bedrijf aan huis valt onder het rechtstreeks toegestane gebruik; 20. Het maximeren van het aantal werkzame personen bij een beroep of bedrijf aan huis tot 2 personen, waaronder inbegrepen de eigenaar van de woning, conform de ‘Beleidsregel kruimelgevallen gemeente Meierijstad 2020’; 21. Verwijderen van het criterium dat maximaal 60 m2 aan oppervlakte binnen de woning of bijbehorende bouwwerken gebruikt van worden voor bed & breakfast binnen de bebouwde kom. De omvang van deze functie wordt reeds beperkt met een percentage van 40% van het vloeroppervlak van de gebouwen en door een maximaal aantal kamers en slaapplekken; 22. Verwijderen van de regeling om ‘bijzondere woonvormen’ toe te staan, vanwege een te brede reikwijdte van de regeling; 23. Het in het geheel laten vervallen van de afwijkingsbevoegdheid voor het bebouwen van reststroken (artikel 3.6) vanwege het ontbreken van de samenhang met andere bouwregelgeving uit het Besluit omgevingsrecht; Regeling voor bijbehorende bouwwerken binnen ‘Centrum, herziening 2013’ Sint-Oedenrode 24.
De tekst wordt aangepast van ‘afwijken van de bestemmingen’ in ‘binnen de bestemmingen’ om de regeling rechtstreekse werking te geven; Bijbehorende bouwwerken bij maatschappelijke voorzieningen binnen de bebouwde kom 25. Een tekstuele aanpassing van artikel 5 (extra bijbehorende bouwwerken bij maatschappelijke voorzieningen): ‘hoofdactiviteit’ wordt gewijzigd in ‘hoofdfunctie’, omdat hier een verwijzing naar het doel van een locatie beoogd werd, niet een feitelijk handelen;
Notitie beantwoording zienswijzen Bestemmingsplan 'Harmonisatie van diverse regelingen ('laaghangend fruit')'
30
Wonen in het buitengebied 26. Toevoegen van de mogelijkheid om ondergronds bouwen van één bouwlaag van maximaal 3,5 meter diep en bouwwerken, geen gebouw zijnde tot 6 m diep mogelijk te maken bij woningen in het buitengebied. Ook worden afwijkingsmogelijkheden geboden om ondergronds bouwen van één ondergrondse bouwlaag van 3,5 m diep onder voorwaarden in beperkte mate toe te staan buiten de grenzen van de gevels van de bovengrondse bouwwerken en voor bouwwerken, geen gebouw zijnde tot 10 m diep; 27. Toevoegen van de voorwaarde aan artikel 7 (wonen in het buitengebied) dat bijbehorende bouwwerken bij (bedrijfs)woningen in het buitengebied binnen het bestaande bouwvlak of bestaande bouwperceel gebouwd moeten worden. In de regelingen voor vergroting van de oppervlakte aan bijbehorende bouwwerken via ‘sloop-bonus’ wordt deze voorwaarde ook van toepassing verklaard; 28. In artikel 7 (wonen in het buitengebied) wordt aangegeven dat de afstand tussen hoofdgebouw en bijbehorende bouwwerken niet meer dan 15 meter mag bedragen. Omdat echter bij agrarische bestemmingen de bedrijfsgebouwen als hoofdgebouw aangemerkt worden, wordt ‘hoofdgebouw’ in die regeling vervangen door ‘(bedrijfs)woning’; 29. In artikel 7 (wonen in het buitengebied) wordt aangegeven dat bijbehorende bouwwerken niet dichter dat 5 meter van de ‘bestemmingsgrens’ af gebouwd mogen worden.
Deze situeringsvereiste wordt niet gehanteerd in de huidige plannen en komt te vervallen. Situering van bijbehorende bouwwerken binnen het bouwvlak of bestaand bouwperceel volstaat; 30. Met het vervallen van de minimum afstand van bijbehorende bouwwerken bij woningen tot de bestemmingsgrens, komt ook de afwijkingsbevoegdheid die opgenomen was om een kleinere afstand toe te staan te vervallen; 31. Binnen artikel 7 (wonen in het buitengebied) wordt aan de regeling voor bouwwerken geen gebouw zijnde een ontbrekende bouwregeling voor erfafscheidingen toegevoegd; 32. Aan alle in het plan voorkomende regelingen over erfafscheidingen wordt toegevoegd dat transparante toegangspoorten of penanten in de erfafscheiding tot 3 m hoog toegestaan worden; 33. Binnen de regeling in artikel 7 (wonen in het buitengebied) over overkappingen, vervallen de voorwaarden dat deze volledig zelfstaand gebouwd moeten worden en in het geheel niet voorzien mogen zijn van wanden. Een carport of een overkapping van een terras zal doorgaans juist aan de woning vastzitten; 34. Toevoegen van een afwijkingsbevoegdheid aan artikel 7 (wonen in het buitengebied) om een afstand van maximaal 30 meter tussen een (bedrijfs)woning en bijbehorende bouwwerken toe te kunnen staan als er gegronde redenen zijn van stedenbouwkundige, architectonische, cultuurhistorische of bouwtechnische aard; 35.
In de sloop-bonus regeling binnen artikel 7 (wonen in het buitengebied) ten behoeve van het oprichten van een gebouw voor het hobbymatig houden van vee, wordt opgenomen dat deze regeling niet van toepassing is op cultuurhistorisch waardevolle bebouwing. Dit wordt ook toegevoegd aan de algemene voorwaarden voor de sloop-bonus regelingen; 36. Er wordt een afwijkingsbevoegdheid opgenomen voor het afwijken van de maximale inhoud en/of gootof bouwhoogte van bestaande woningen, indien deze afwijking nodig is om de woning te kunnen verduurzamen (isolatie); 37. Het maximeren van het aantal werkzame personen bij een beroep of bedrijf aan huis tot 2 personen, waaronder inbegrepen de eigenaar van de woning, conform de ‘Beleidsregel kruimelgevallen gemeente Meierijstad 2020’; 38. De voorwaarde dat minimaal 18 m2 gebruiksoppervlakte per te huisvesten kamerhuurder aanwezig zijn vervalt omdat de minimum gebruiksoppervlakte wettelijk is geregeld in het Bouwbesluit 2012;
Notitie beantwoording zienswijzen Bestemmingsplan 'Harmonisatie van diverse regelingen ('laaghangend fruit')'
31
39. Verwijderen van de regeling om ‘bijzondere woonvormen’ toe te staan, vanwege een te brede reikwijdte van de regeling; 40. In de afwijkingsbevoegdheid voor herbouw van woningen in het buitengebied buiten de bestaande fundamenten, wordt de voorwaarde gesteld dat de herbouw vindt plaats binnen hetzelfde bestemmingsvlak. Voor agrarische bedrijfswoningen is dat geen juiste begrenzing. De tekst ‘hetzelfde bestemmingsvlak’ wordt vervangen door ‘het bestaande bouwvlak of bouwperceel’; 41. In het plan waren afwijkingsbevoegdheden opgenomen voor het bouwen van een 1e bedrijfswoning en voor het splitsen van een woonboerderij in twee woningen. Omdat een toename van het aantal woningen een meer dan ondergeschikte afwijking betreft, is de bevoegdheid omgezet naar een wijzigingsbevoegdheid; 42. De regeling in artikel 7 (wonen in het buitengebied) voor het via omgevingsvergunning toestaan van statische opslag bij woningen in het buitengebied (niet zijnde bedrijfswoningen) wordt in het kader van het stimuleren van de sloop van overtollige bebouwing te ruim geacht. De afwijkingsbevoegdheid wordt gewijzigd van 1.000 m2 naar 400 m2; 43. In de voorwaarden voor toekennen van de aanduiding ‘plattelandswoning’ wordt de voorwaarde onder ‘b’ dat de situatie voldoet aan de wettelijke kaders geschrapt.
Hiermee wordt immers de beoordeling van een aanvaardbaar woon- en leefklimaat verstaan, die reeds als voorwaarde opgenomen is. Voor de normering van geur en geluid, waarbij het bevoegd gezag een mate van beleidsvrijheid heeft, is aangegeven dat een beleidslijn opgesteld wordt ten behoeve van de toetsing; Agrarisch bedrijfsmatige activiteiten 44. Aan de algemene voorwaarden wordt toegevoegd dat er uitsluitend gebouwd mag worden ten behoeve van een bestaand of nog te ontwikkelen ‘reëel agrarisch bedrijf’ en dat de aanwezigheid van statische opslag niet mag leiden tot cumulatie van bebouwing; 45. Toevoegen van de voorwaarde aan artikel 8 (agrarisch bedrijfsmatige activiteiten) dat nevenfuncties in de vorm van agrarisch verwante bedrijvigheid en agrarisch-technische hulpbedrijven niet toegestaan zijn binnen de Groenblauwe mantel; 46. Een tekstuele aanpassing van artikel 8.3 (nevenfuncties die rechtstreeks toegestaan zijn) van ‘Binnen deze bestemming’ naar ‘Bij agrarische bedrijven’, omdat niet naar specifieke bestemmingen verwezen wordt, maar deze van toepassing is op alle agrarische bedrijven; 47. In artikel 8 (agrarisch bedrijfsmatige activiteiten) zijn bij de regels over bouwwerken, geen gebouw zijnde regels opgenomen over reclame-uitingen die overgenomen zijn uit hoofdstuk 6 van de Welstandsnota 2018 Meierijstad.
Omdat deze nota bepalend is voor het reclamebeleid en niet het bestemmingsplan, wordt volstaan met een verwijzing naar de Welstandsnota 2018 Meierijstad; 48. Voor de toegestane hoogte van lichtmasten in artikel 8 (agrarisch bedrijfsmatige activiteiten) wordt aangesloten bij de regeling in artikel 7 (wonen in het buitengebied). De toegestane hoogte wordt gewijzigd van 12 m naar 6 m; 49. De opzet van artikel 8 (agrarisch bedrijfsmatige activiteiten) is om bouwregels te stellen voor bouwwerken binnen het agrarische bouwvlak. De regeling over bouwwerken, geen gebouw zijnde buiten het bouwvlak vervalt; 50. Omzetten binnen artikel 8 (agrarisch bedrijfsmatige activiteiten) van de afwijkingsbevoegdheid voor het toestaan van bouwwerken voor opslag van ruwvoer buiten het bouwvlak middels omgevingsvergunning, naar een wijzigingsbevoegdheid voor vergroting van het bouwvlak voor de opslag van ruwvoer; 51. Het in overeenstemming brengen van de regels binnen artikel 8 (agrarisch bedrijfsmatige activiteiten) over mestverwerking bij agrarische bedrijven met de voorwaarden die de provinciale Interim Omgevingsverordening daar aan verbindt;
Notitie beantwoording zienswijzen Bestemmingsplan 'Harmonisatie van diverse regelingen ('laaghangend fruit')'
32
Niet-agrarische bedrijven in het buitengebied 52. De bouwregeling in artikel 9 (niet-agrarische bedrijfsmatige activiteiten in het buitengebied) voor bouwwerken, geen gebouw zijnde is in overeenstemming gebracht met die van artikel 8 (agrarisch bedrijfsmatige activiteiten); Energieopwekking voor eigen gebruik in het buitengebied 53. Toevoegen aan artikel 10.2 (grondopstellingen van zonnepanelen voor eigen gebruik) de voorwaarde dat geen zonnepanelen zijn toegestaan binnen de belemmerde strook van een hoogspanningsverbinding; 54. Toevoegen aan artikel 10.3 (bouwen van windturbines voor eigen gebruik) de voorwaarde dat een kleinschalige windturbine minimaal 2x nominaal toerental afstand dient te houden van een hoogspanningsverbinding; Schuilgelegenheden voor dieren 55. Het in overeenstemming brengen van de regeling over het oprichten van schuilgelegenheden voor dieren (artikel 12) met de provinciale Interim omgevingsverordening, door deze mogelijkheid te beperken tot de kernrandzone dan wel een gebied dat gezien de ligging en het feitelijk gebruik gerekend kan worden tot de kernrandzone, in plaats van binnen alle bebouwingsconcentraties in het buitengebied; Algemene bouwregels: bestaande maten 56. Toevoeging van de ‘bestaande maten’ regeling aan een nieuw artikel ‘algemene bouwregels’.
Deze regeling zorgt ervoor dat bestaande of vergunde bouwwerken die op één of meerdere punten afwijken van de maatvoering (oppervlaktes, hoogtes of situering) die voorgeschreven worden in dit plan, deze bestaande afwijkende maatvoering mogen blijven houden en uitgebreid of verhoogd mogen worden, mits de overige maatvoering uit het plan daarbij in acht genomen wordt. Omdat het algemene regeling wordt, vervalt de specifieke regeling die opgenomen was bij ‘wonen in het buitengebied’ (artikel 7.21); Algemene gebruiksregels 57. Toevoeging van een voorwaardelijke verplichting voor parkeren (artikel 15.2 en 15.3) aan de regels, voor omgevingsvergunningen voor bouwen van een gebouw of gebruikswijziging van een gebouw of bouwperceel die op grond van de regels van het bestemmingsplan verleend kunnen worden. Ook wordt een afwijkingsbevoegdheid opgenomen, conform het paraplubestemmingsplan Parkeren, voor situaties waarbij parkeren niet op eigen terrein plaats kan vinden maar er voldoende openbare parkeerplaatsen zijn en voor situaties waarin volstaan kan worden met een lagere norm;
Notitie beantwoording zienswijzen Bestemmingsplan 'Harmonisatie van diverse regelingen ('laaghangend fruit')'
33