CConstaterende datMeierijstad
Koppel je AI →
Document · PDF

Bijlage 2: notitie beantwoording zienswijzen en ambtelijke wijzigingen

Raadsvergadering 27 januari 2021, gemeente MeierijstadBij agendapunt: Gewijzigde vaststelling bestemmingsplan 'harmonisatie diverse regelingen - laaghangend fruit (1e tranche)15.943 woorden

Open het PDF bij de gemeente ↗Naar de vergadering →

Tekst van het document

Uit het bestand gehaald, zonder opmaak, tabellen en afbeeldingen · deel 1 van 2

NOTITIE BEANTWOORDING ZIENSWIJZEN EN AMBTELIJKE WIJZIGINGEN Ontwerpbestemmingsplan 'Harmonisatie van diverse regelingen ('laaghangend fruit')'

College B&W 3 november 2020 Gemeenteraad 28 januari 2021

Inhoud 1.

Inleiding .......................................................................................................................................................3

2.

De procedure...............................................................................................................................................4

3.

Zienswijzen..................................................................................................................................................4

4.

De ontvankelijkheid ....................................................................................................................................4

5.

Leeswijzer....................................................................................................................................................5

6.

Reactie op de zienswijze............................................................................................................................5 1.

Zienswijze 1, reclamant 1 ....................................................................................................................5

1.1

Het loskoppelen en splitsen van de monumentale bedrijfswoning ......................................................5

2.

Zienswijze 2, Provincie Noord-Brabant................................................................................................6

2.1

De begrenzing van ‘binnen de bebouwde kom’ en ‘buitengebied’ ontbreekt.......................................6

2.2 Oprichten van bouwwerken en bouwwerken, geen gebouw zijnde in het buitengebied binnen een bestaand bouwperceel .....................................................................................................................................6 2.3

Oprichten van bouwwerken voor ruwvoer buiten het bestaande bouwvlak.........................................7

2.4

Uitsluiting van nevenfuncties binnen de Groenblauwe Mantel ............................................................7

2.5

Voorwaarden voor mestbewerking ......................................................................................................7

2.6

Beperken van oprichten van schuilgelegenheden voor dieren tot de kernrandzones .........................8

3.

Zienswijze 3, ZLTO De Meijerij ............................................................................................................8

3.2

Het verzoek tot toestaan van ‘multifunctionele bedrijven’....................................................................8

3.3

Verbreding van toegestane detailhandel met streekgebonden producten (Artikel 8.8 lid c)................9

3.4

Vergroting van de toegestane oppervlakte voor ondersteunende horeca (Artikel 8.8 lid 6) ................9

3.5

Toepassing van een zonneladder (Artikel 10 lid 2)..............................................................................9

4.

Zienswijze 4, Beheersmaatschappij Johema B.V. en Van Cranenbroek Schijndel B.V. ...................10

4.1

Vrees voor een beperking van de bedrijfsvoering van Van Cranenbroek .........................................10

5.

Zienswijze 5, reclamant 5 ..................................................................................................................10

5.1

De afstand van bijgebouwen tot de beeldbepalende woning ............................................................10

5.2 Het verzoek tot verruiming van de mogelijkheden van Bed & Breakfast in het buitengebied naar maximaal 7 kamers ........................................................................................................................................11 5.3

Het uitoefenen van B&B in bijgebouw(en) .........................................................................................12

6.

Zienswijze 6, reclamant 6 ..................................................................................................................12

6.1

De vraag of een correctieve herziening meegenomen moet worden ................................................12

7.

Zienswijze 7, Stichting Schaapskooi Schijndel ..................................................................................13

7.1

De vraag of een correctieve herziening meegenomen moet worden ................................................13

8.

Zienswijze 8, reclamant 8 ..................................................................................................................13

8.1

De definitie van ‘agrarisch bedrijf’ ......................................................................................................13

8.2

De verkoop van ter plaatse geteelde producten ................................................................................14

8.3

De definitie van hobbydieren .............................................................................................................14

Notitie beantwoording zienswijzen Bestemmingsplan 'Harmonisatie van diverse regelingen ('laaghangend fruit')'

1

8.4

Een onterechte beperking van het houden van hobbydieren tot enkel het buitengebied ..................14

8.5

Een onjuiste benaming van artikel 12 (schuilgelegenheden) ............................................................15

8.6

De definitie van nevenfuncties ...........................................................................................................16

8.7

Wenselijkheid van verkoop van reststroken ......................................................................................16

8.8

De definities ‘zone tuin’ en ‘zone erf’ en een fictief bouwvlak voor reststroken .................................17

8.9

Maatvoering van bijbehorende bouwwerken bij woningen ................................................................17

8.10

Het gebruik van (bedrijfs)woningen en bijbehorende bouwwerken ...................................................18

8.11

Huisvesten van personen in de vorm van kamerverhuur ..................................................................18

8.12

Verkeersaantrekkende werking en parkeren bij kamerverhuur .........................................................18

8.13

De gehanteerde minimum afstand tussen locaties voor kamerverhuur.............................................19

8.14

Huisvesten van personen in bijzondere woonvormen .......................................................................19

8.15

De omvang van de oppervlakte die gebruikt mag worden voor Bed & Breakfast..............................20

8.16

De toepassing van parkeernormen....................................................................................................21

8.17

De afstand van bijbehorende bouwwerken tot de (bedrijfs)woning ...................................................21

8.18

Bestaande matenregeling ..................................................................................................................21

8.19

Nevenfuncties zijn ondergeschikte hoofdactiviteiten .........................................................................22

8.20

Relatie met de beleidsregel kruimelgevallen Meierijstad...................................................................22

8.21

Er zou sprake zijn van rechtsonzekerheid en rechtsongelijkheid ......................................................23

8.22

Er zou strijdigheid zijn met het recht ..................................................................................................23

8.23

De wens om te worden gehoord ........................................................................................................23

8.24

Verzoek tot vergoeding van gemaakte kosten op grond van artikel 7:15 Awb ..................................23

9.

Zienswijze 9, TenneT.........................................................................................................................24

9.1

Grondopstellingen voor zonnepanelen ..............................................................................................24

9.2

Windturbines voor eigen gebruik .......................................................................................................24

10.

Zienswijze 10, reclamant 10 ..............................................................................................................25

10.1

Verbreding van de mogelijkheden om schuilgelegenheden voor dieren op te richten ......................25

7.

Ambtelijke wijzigingen .............................................................................................................................26

8.

Conclusie en advies .................................................................................................................................29

Notitie beantwoording zienswijzen Bestemmingsplan 'Harmonisatie van diverse regelingen ('laaghangend fruit')'

2

1. Inleiding Voordat de Omgevingswet in werking treedt per 2022 maken we graag onze regels in orde. Dan gaat het om de huidige bestemmingsplannen van de gemeente die opgaan in het omgevingsplan-van-rechtswege en om de verordeningen die daarnaast blijven gelden. Met het oog op de bestemmingsplannen volgen we een aanpak van laaghangend fruit. Dat houdt in dat we harmoniseren en actualiseren waar dat zonder grote complicaties mogelijk is. Dit ontwerpbestemmingsplan vormt de 1e tranche van laaghangend fruit. Het ontwerpbestemmingsplan ‘Harmonisatie van diverse regelingen – laaghangend fruit’ is een zogenoemd paraplu-bestemmingsplan bestaande uit regelingen zonder eigen verbeelding. Er worden eerdere beleidsregels mee gecodificeerd (geformaliseerd tot algemeen verbindende voorschriften) en er wordt met dit bestemmingplan doorwerking gegeven aan intussen ontwikkeld beleid. Het bestemmingsplan ‘Harmonisatie van diverse regelingen - laaghangend fruit’ bevat nieuwe regelingen voor de volgende onderwerpen: 1. Wonen binnen de bebouwde kom a. Toegestane woonvormen b. Aan huis verbonden bedrijven en beroepen c. Bed & Breakfast 2. Toestaan van extra bebouwing bij maatschappelijke voorzieningen 3. Aanpassing van de bouwregels voor bijbehorende bouwwerken bij diverse bestemmingen van bestemmingsplan 'Centrum, herziening 2013' van de voormalige gemeente Sint-Oedenrode 4.

Bouwen van antennemasten binnen de bebouwde kom 5. Wonen in het buitengebied a. Bouwregels voor (bedrijfs)woningen b. Bouwregels voor bijbehorende bouwwerken en bouwwerken, geen gebouw zijnde c. Regels over (afwijkend) gebruik van woningen en bijbehorende bouwwerken 6. Agrarische bedrijfsmatige activiteiten a. Maatvoering van bedrijfsgebouwen en afwijkingsmogelijkheden b. Bouwregels over bouwwerken, geen gebouw zijnde binnen en buiten het bouwvlak c. Bouwregels over bouwwerken voor opslag van ruwvoer d. Bouw- en gebruiksregels voor nevenfuncties bij een agrarisch bedrijf 7. Uitbreiding van niet-agrarische bedrijven in het buitengebied 8. Bouwregels met betrekking tot energieopwekking in het buitengebied a. grondopstellingen voor zonnepanelen b. windturbines voor eigen gebruik 9. Regels over recreatieve activiteiten in het buitengebied a. Toestaan van kleinschalig kamperen 10. Regels over schuilgelegenheden voor hobbymatig houden van dieren

Notitie beantwoording zienswijzen Bestemmingsplan 'Harmonisatie van diverse regelingen ('laaghangend fruit')'

3

2. De procedure Het ontwerpbestemmingsplan is op 16 juli 2020 bekendgemaakt in het gemeenteblad Meierijstad en de Staatscourant. Vanwege de vermelding van een onjuiste datum is deze bekendmaking op 24 juli 2020 gerectificeerd. In de periode van 27 juli tot en met 6 september 2020 heeft het ontwerpbestemmingsplan ter voldoening aan artikel 3.8 van de Wet op de ruimtelijke ordening voor een ieder ter inzage gelegen. Daarnaast is het ontwerpbestemmingsplan via www.ruimtelijkeplannen.nl digitaal raadpleegbaar geweest. Ook stond hierover een kort bericht op de gemeentepagina’s in de lokale huis-aan-huisbladen van week 30. Gedurende de genoemde termijn van zes weken kon een ieder naar keuze schriftelijk of mondeling een zienswijze op het ontwerpbestemmingsplan kenbaar maken aan de gemeenteraad van Meierijstad.

3. Zienswijzen Er zijn op het ontwerpbestemmingsplan 'Harmonisatie van diverse regelingen ('laaghangend fruit')' de volgende zienswijzen ingediend: 1. Per e-mail van 27 juli 2020, ingekomen op 27 juli 2020, heeft <reclamant 1> een schriftelijke zienswijze ingediend. 2. Per brief van 26 augustus 2020, ingekomen op 27 augustus 2020, heeft de Provincie Noord-Brabant een schriftelijke zienswijze ingediend. 3. Per brief van 26 augustus 2020, ingekomen op 28 augustus 2020, heeft ZLTO De Meierij een schriftelijke zienswijze ingediend. 4. Per brief van 31 augustus 2020, ingekomen op 1 september 2020, heeft Stijl advocaten namens Beheersmaatschappij Johema B.V. en Van Cranenbroek Schijndel B.V. een schriftelijke zienswijze ingediend. 5. Per brief van 2 september, ingekomen op 3 september 2020, heeft <reclamant 5> een schriftelijke zienswijze ingediend. 6. Per brief van 3 september 2020, ingekomen op 3 september 2020, heeft <reclamant 6> een schriftelijke zienswijze ingediend. 7. Per brief van 6 september 2020, ingekomen op 7 september 2020, heeft de Stichting Schaapskooi Schijndel een schriftelijke zienswijze ingediend. 8. Per brief van 4 september 2020, ingekomen op 4 september 2020, heeft <reclamant 8> een schriftelijke zienswijze ingediend. 9. Per brief van 4 september 2020, ingekomen op 8 september 2020, heeft TenneT een schriftelijke zienswijze ingediend. 10.

Per e-formulier van 8 september 2020 heeft <reclamant 10> een schriftelijke zienswijze ingediend. Ter bescherming van de persoonsgegevens van de reclamanten is deze notitie van zienswijzen en ambtelijke wijzigingen geanonimiseerd en worden geen persoonsnamen of adressen genoemd.

4. De ontvankelijkheid Een zienswijze is ontvankelijk als deze uiterlijk de laatste dag van de periode van ter inzage legging is verzonden en binnen één week na deze dag is ingekomen (artikel 6:9 lid 2 Awb). De zienswijzen 1 tot en met 9 zijn binnen deze periode ingekomen en zijn daarom ontvankelijk. Zienswijze 10 is buiten de termijn ingediend, terwijl niet is gebleken van feiten of omstandigheden die het niet tijdig indienen van de zienswijze verschoonbaar maken, en daarom niet ontvankelijk.

Notitie beantwoording zienswijzen Bestemmingsplan 'Harmonisatie van diverse regelingen ('laaghangend fruit')'

4

5. Leeswijzer In onderdeel 6 van deze notitie wordt inhoudelijk ingegaan op de zienswijzen. Indien deze leidt tot aanpassing van het bestemmingsplan zullen de wijzigingen worden aangegeven en zal voorgesteld worden het ontwerp bestemmingsplan overeenkomstig gewijzigd vast te stellen. In onderdeel 7 van deze notitie staan eventuele ambtshalve wijzigingen. Ten slotte wordt in onderdeel 8 een overzicht van de eventueel voorgestelde wijzigingen op het ontwerp bestemmingsplan gegeven.

6. Reactie op de zienswijze 1. Zienswijze 1, reclamant 1 1.1

Het loskoppelen en splitsen van de monumentale bedrijfswoning

De zienswijze het betreft de splitsing van een agrarische bedrijfswoning die is aangeduid als gemeentelijk monument. Het is gelegen aan <adres reclamant 1> te Veghel (Mariaheide). Aan deze woning is decennia lang geen onderhoud gepleegd. Een verder gegeven is dat het bestaande hectare agrarisch bouwblok in stand moet blijven. Het herstel van de woning als gemeentelijk monument vraagt een hele grote investering. Hiervoor zal het 'vier schouder' principe noodzakelijk zijn, aldus splitsing van het monument in 2 zelfstandige woningen. Ten behoeve van de financiering zal een hypothecaire lening nodig zijn. De bank vraagt hiervoor een woonbestemming. In combinatie betekent dit dat het aanmerken van een agrarische bedrijfswoning als gemeentelijk monument onhoudbaar is omdat daarmee de financieringsbasis, die nodig is om het monument in stand te houden, onmogelijk wordt gemaakt. De oplossing kan als volgt worden gevonden: a. Het opsplitsen van het totale agrarische bouwblok in 2 gedeelten: 1. Het boerderijgebouw (het monument) 2. Het restant van het agrarische bouwblok, wat als zodanig in stand blijft b.

Het opsplitsen van het boerderijgebouw in 2 zelfstandige woningen, ieder met een woonbestemming Beantwoording: de Interim omgevingsverordening Noord-Brabant schrijft voor dat als een bestemmingsplan voorziet in het gebruik van een voormalige bedrijfswoning als burgerwoning, er in dat bestemmingsplan geregeld wordt dat overtollige bebouwing wordt gesloopt. Primair wordt er dus vanuit gegaan dat het omzetten van een bedrijfswoning naar ‘burger’woning alleen mogelijk is bij bedrijfsbeëindiging, omdat de agrarische bedrijfsvoering dusdanige gevolgen heeft voor het woon- en leefklimaat, dat een reguliere woonbestemming op die plek vanwege wettelijke normen niet mogelijk is. Het bestemmingsplan voorziet wel in een mogelijkheid om de bedrijfswoning aan te duiden als ‘plattelandswoning’. Daarmee blijft de woning in planologisch opzicht beschouwd worden als ‘bedrijfswoning’, waarvoor minder bescherming geldt, maar mag deze wel bewoond worden door personen die geen relatie hebben met het bedrijf. In dergelijke gevallen zal woningsplitsing echter technisch gezien leiden tot een toename van het aantal bedrijfswoningen, wat niet wenselijk is. De zienswijze geeft geen aanleiding tot het aanpassen van het bestemmingsplan.

Notitie beantwoording zienswijzen Bestemmingsplan 'Harmonisatie van diverse regelingen ('laaghangend fruit')'

5

2. Zienswijze 2, Provincie Noord-Brabant 2.1

De begrenzing van ‘binnen de bebouwde kom’ en ‘buitengebied’ ontbreekt

In de Regels van voorliggend plan maakt u onderscheid tussen bepalingen voor activiteiten in de bebouwde kom (bijvoorbeeld in artikelen 3, 4, 5 en 6 van het bestemmingsplan) enerzijds en bepalingen voor activiteiten in het buitengebied (artikelen 7, 10 en 11 van het bestemmingsplan) dan wel agrarisch gebied (artikel 12 van het bestemmingsplan) anderzijds. In de Toelichting en op de Verbeelding ontbreekt de plaatsbepaling en begrenzing van bebouwde kom, buitengebied en agrarisch gebied. Het is dus onduidelijk waar welke regels exact van toepassing zijn. Dit creëert rechtsonzekerheid. Hierdoor kunnen wij niet goed bepalen of provinciale ruimtelijke belangen in het geding zijn, aangezien deze wel via exacte plaatsbepaling aan werkingsgebieden zijn gekoppeld. Wij bevelen u ten zeerste aan de regels van het bestemmingsplan te koppelen aan geometrische plaatsbepalingen. Beantwoording: er zal een bijlage aan de regels toegevoegd worden in de vorm van een kaart waarop de begrenzing van de ‘bebouwde kom’ en ‘buitengebied’ blijkt. In de betreffende artikelen zal daarnaar verwezen worden. Deze begrenzing is gebaseerd op de begrenzing van de geldende bestemmingsplannen van de gemeente Meierijstad en wordt reeds gehanteerd voor de toepassing van de term ‘bebouwde kom’ bij afwijkingen op grond van de ‘kruimellijst’ (art. 2.12 Wabo onder a, 2°).

2.2

Oprichten van bouwwerken en bouwwerken, geen gebouw zijnde in het buitengebied binnen een bestaand bouwperceel

In artikel 7.3 van het plan zijn regels opgenomen ten aanzien van bijbehorende bouwwerken en bouwwerken, geen gebouw zijnde in het buitengebied. Op basis van het principe van zorgvuldig ruimtegebruik, zoals vastgelegd in artikel 3.6, lid 1, sub c IOV, dienen dergelijke voorzieningen te worden opgericht binnen een bestaand bouwperceel. Deze voorwaarde ontbreekt. Wij raden u aan een voorwaarde op te nemen, waarin wordt gesteld dat het oprichten van bijbehorende bouwwerken en bouwwerken, geen gebouw zijnde binnen een bestaand bouwperceel plaats dient te vinden. In artikelen 7.12 en 7.13 van het plan zijn regels opgenomen ten aanzien van een grotere oppervlakte van bijbehorende bouwwerken, alsmede een grotere oppervlakte van bijbehorende bouwwerken voor het hobbymatig houden van vee in het buitengebied. Op basis van het principe van zorgvuldig ruimtegebruik, zoals vastgelegd in artikel 3.6, lid 1, sub c IOV, dienen bijbehorende bouwwerken te worden opgericht binnen een bestaand bouwperceel. Deze voorwaarde ontbreekt. Wij raden u aan een voorwaarde op te nemen, waarin wordt gesteld dat het oprichten van bijbehorende bouwwerken binnen een bestaand bouwperceel plaats dient te vinden.

Beantwoording: aan artikel 7.3 (straks 7.4 door toevoeging van een lid 7.1 over wat verstaan wordt onder ‘buitengebied’), zal de voorwaarde toegevoegd worden dat bouwwerken uitsluitend binnen bestaande bouwvlakken of, bij ontbreken daarvan, bestaande bouwpercelen opgericht mogen worden. In artikel 7.12 en 7.13 (straks 7.13 en 7.14) zal opgenomen worden dat de overige bepalingen (maatvoering en situering) voor deze bouwwerken bij toepassing van de sloop-bonus regelingen om een grotere oppervlakte toe te staan, van toepassing blijven.

Notitie beantwoording zienswijzen Bestemmingsplan 'Harmonisatie van diverse regelingen ('laaghangend fruit')'

6

2.3

Oprichten van bouwwerken voor ruwvoer buiten het bestaande bouwvlak

In artikel 8.5 van het plan zijn regels opgenomen ten aanzien van bouwwerken voor opslag van ruwvoer buiten het agrarisch bouwvlak. Dit artikel verhoudt zich niet met artikel 3.6, lid 1, sub c IOV, waarin wordt bepaald dat alle gebouwen, bijbehorende bouwwerken en andere permanente voorzieningen worden geconcentreerd binnen een bouwperceel, hetgeen betekent dat de genoemde voorzieningen binnen het bouwvlak dienen te worden opgericht. Wij hechten hieraan niet alleen vanuit het principe van zorgvuldig ruimtegebruik belang, maar ook op basis van het beleid voor een zorgvuldige veehouderij, waarbij onder meer het bouwperceel voor een veehouderij begrensd is op 1,5 ha. De uitzondering om af te wijken van de omvang van het bouwperceel voor een veehouderij ten behoeve van ruwvoer, zoals opgenomen in artikel 3.53, lid 3 IOV, biedt de mogelijkheid om het bouwperceel van een veehouderij te vergroten ten behoeve van ruwvoeropslag, maar niet om dergelijke bouwwerken buiten elk bouwperceel dan wel bouwvlak, ongeacht functie en omvang, mogelijk te maken. Bovendien is wijziging van het bouwperceel alleen mogelijk via een bestemmingsplan dan wel een wijzigingsbevoegdheid, maar niet via een binnenplanse afwijkingsbevoegdheid. Artikel 8.5 van het ontwerpplan maakt voorzieningen buiten het bestaande bouwvlak mogelijk via een afwijkingsbevoegdheid.

Dit artikel zal veranderd worden naar een wijzigingsbevoegdheid en in overeenstemming gebracht worden met artikel 3.53, lid 3 IOV, door aan te geven dat het bouwvlak van het agrarische bedrijf niet meer mag bedragen dan 2 ha, nadat toepassing is gegeven aan de wijzigingsbevoegdheid. De volgorde van de regels veranderd omdat deze bevoegdheid opschuift tot ná de afwijkingsbevoegdheden binnen artikel 8.

2.4

Uitsluiting van nevenfuncties binnen de Groenblauwe Mantel

In artikel 8.8, sub d, onderdeel 1 worden mogelijkheden geboden voor de vestiging van agrarisch technisch hulpbedrijven en agrarische verwante bedrijven als nevenfunctie. Ingevolge artikel 3.61 IOV, in samenhang gelezen met artikel 3.3 IOV, dient hierbij de voorwaarde te worden opgenomen dat vestiging van de genoemde nevenfuncties niet mogelijk is op locaties waarop het werkingsgebied Groenblauwe mantel van toepassing is. Beantwoording: aan artikel 8.8 (straks 8.7), sub d, onder 1 zal toegevoegd worden dat de nevenfuncties in de vorm van agrarisch-technische hulpbedrijven en agrarisch verwante bedrijven niet toegestaan worden binnen de Groenblauwe mantel.

2.5

Voorwaarden voor mestbewerking

Artikel 8.11, sub b onderdeel 2 van het plan biedt onder voorwaarde de mogelijkheid tot mestbewerking van elders geproduceerde mest. De daarbij behorende voorwaarden dienen in exacte overeenstemming te worden gebracht met artikel 3.49, lid 3 IOV, waarbij met name aandacht wordt gevraagd aan de voorwaarden benoemd bij onderdelen a en b. Beantwoording: de voorwaarden uit artikel 3.49, lid 3 IOV zullen aan artikel 8.11, sub b onderdeel 2 verbonden worden.

Notitie beantwoording zienswijzen Bestemmingsplan 'Harmonisatie van diverse regelingen ('laaghangend fruit')'

7

2.6

Beperken van oprichten van schuilgelegenheden voor dieren tot de kernrandzones

In artikel 12.2 van het plan zijn regels opgenomen ten aanzien van schuilgelegenheden voor dieren in het buitengebied. Onderdeel f van voornoemd artikel verhoudt zich niet met artikel 3.45 IOV waarin wordt bepaald dat schuilgelegenheden voor dieren alleen in kernrandzones mogen worden opgericht. De opgenomen mogelijkheid om in alle bebouwingsconcentraties in het landelijk gebied, deze op te richten, achten wij te ruim. Wij raden u aan dit artikel als zodanig aan te passen. Beantwoording: de voorwaarde (toepassingsbereik) van artikel 12.2, onder ‘f’ zal gewijzigd worden van ‘bebouwingsconcentratie’ naar ‘kernrandzone dan wel een gebied dat gezien de ligging en het feitelijk gebruik gerekend kan worden tot de kernrandzone’ conform 3.45, sub b onder ‘1’ IOV.

3. Zienswijze 3, ZLTO De Meijerij 3.1

Voorwaarden voor het toestaan van plattelandswoningen (Artikel 7.18 d)

U geeft aan dat een plattelandswoning alleen kan bij een volwaardig agrarisch bedrijf. Wij redeneren graag andersom. Als het een volwaardig toekomst gericht bedrijf is wil de ondernemer niet dat zijn woning een plattelandswoning wordt. Een plattelandswoning kan namelijk toekomstige ontwikkelingen toch in de weg staan, zo blijkt uit jurisprudentie. Hier moet de ondernemer alleen voor kunnen kiezen als het zeker is dat er geen nieuwe ontwikkelingen meer plaats vinden of alleen ontwikkelingen die leiden tot minder hinder. Beantwoording: er kan per definitie alleen sprake zijn van een plattelandswoning als er sprake is van een bedrijfswoning. Dat is immers de strekking van de wetgeving: het bewonen van bedrijfswoningen door derden. Dat zou inderdaad kunnen leiden tot een beperking van de bedrijfsvoering, maar dat is dan de keuze van de ondernemer die de woning verkoopt aan derden. Het alternatief is dat de ondernemer zelf de woning bewoont. In andere gevallen moet er volgens de jurisprudentie handhavend opgetreden wordt tegen bewoning van een bedrijfswoning door derden, omdat dit in strijd is met de agrarisch bedrijfsmatige bestemming.

3.2

Het verzoek tot toestaan van ‘multifunctionele bedrijven’

ZLTO vindt het belangrijk dat andersoortige activiteiten op een agrarisch bedrijf als volwaardig worden gezien. Een bovenmaat van maximaal 1200 m2 voor al deze activiteiten doet daar bijvoorbeeld geen recht aan. Daarom willen wij ervoor pleiten om bedrijven, waar het meer wordt dan een nevenactiviteit, de bestemming multifunctioneel agrarisch bedrijf krijgt. Deze bedrijven veranderen regelmatig hun activiteiten bijvoorbeeld vanwege veranderende marktvraag. We vinden dat het eenvoudiger moet worden om nieuwe multifunctionele activiteiten onder deze hoofdactiviteit te realiseren. Beantwoording: het bestemmingsplan voorziet niet in het toekennen van nieuwe (vormen van) bestemmingen, alleen in een harmonisatie van bestaande regels. Het opnemen van verbrede mogelijkheden in de vorm van een bedrijfsvoering die uit meerdere hoofdactiviteiten bestaat achten we om die reden niet passen in deze parapluherziening. Wel kan dit verzoek op termijn bekeken worden bij het formuleren van regels voor bedrijvigheid in het buitengebied in het omgevingsplan dat vanaf 2022 van kracht wordt.

Notitie beantwoording zienswijzen Bestemmingsplan 'Harmonisatie van diverse regelingen ('laaghangend fruit')'

8

3.3

Verbreding van toegestane detailhandel met streekgebonden producten (Artikel 8.8 lid c)

Alleen productie gebonden detailhandel is toegestaan. Wij pleiten dat verkoop van andere streekproducten ook mogelijk moet zijn. Beantwoording: in de Detailhandelsvisie en -beleid van de gemeente Meierijstad (vastgesteld door de gemeenteraad op 19 september 2019) is op pagina 24 een passage opgenomen over detailhandel in het buitengebied. Hierin staat expliciet dat de detailhandel in directe relatie staat met de aanwezige bedrijfsvoering en dat het de verkoop van door het bedrijf zelf geproduceerde of bewerkte producten betreft. De term ‘streekproducten’ is dermate breed uit te leggen dat bij ieder agrarisch bedrijf een winkel gestart zou kunnen worden met een assortiment dat niets met de bedrijfsvoering ter plaatse van doen heeft. Dat achten we –mede gezien de onder druk staande kernwinkelgebieden- niet wenselijk.

3.4

Vergroting van de toegestane oppervlakte voor ondersteunende horeca (Artikel 8.8 lid 6)

Bij ondersteunende horeca is 100 m2 voor een multifunctioneel agrarisch bedrijf, aan de kleine kant. We vragen om 200 m2 voor het binnen gedeelte. Beantwoording: op 19 september 2019 heeft de gemeenteraad de nieuwe Horecavisie en -beleid voor Meierijstad vastgesteld. Hierin staat op pagina 20 dat, in lijn met het advies van Koninklijke Horeca Nederland, ondersteunende horeca in het buitengebied wordt beperkt tot 100 m2 binnenruimte en 100 m2 terras. We zien vooralsnog geen aanleiding om deze oppervlaktes te verruimen.

3.5

Toepassing van een zonneladder (Artikel 10 lid 2)

We missen het toepassen van een zonneladder in het bestemmingsplan. Dat betekent in onze ogen dat eerst gekeken moet worden of energieopwekking op daken en of in het stedelijk gebied kan plaatsvinden. Daarnaast ontbreekt ook een afwegingscriterium dat de agrarische structuur en goede agrarische gronden niet aangetast mogen worden. Ook is er geen afwegingscriterium of het opwekken van zonne-energie meerwaarde heeft voor de omgeving. Dat moet ons inziens toegevoegd worden. Beantwoording: het bestemmingsplan maakt uitsluitend kleinschalige opstellingen van zonnepanelen voor eigen gebruik van particulieren of bedrijven in het buitengebied mogelijk. In zekere zin zit er een zonneladder in de regels, want als voorwaarde (art. 10.2, onder b) wordt gesteld dat door de aanvrager aangetoond wordt dat de rechtstreeks toegestane mogelijkheden (plaatsing op een dak of via grondopstelling op het erf) niet mogelijk zijn. Omdat hierbij sprake is van energieopwekking voor uitsluitend eigen gebruik, is een criterium van een meerwaarde voor de omgeving naar onze mening niet aan de orde. De regeling bevat genoeg voorwaarden om te kunnen borgen dat in het gebied aanwezige waarden en belangen niet aangetast worden.

Notitie beantwoording zienswijzen Bestemmingsplan 'Harmonisatie van diverse regelingen ('laaghangend fruit')'

9

4. Zienswijze 4, Beheersmaatschappij Johema B.V. en Van Cranenbroek Schijndel B.V. 4.1

Vrees voor een beperking van de bedrijfsvoering van Van Cranenbroek

Beheersmaatschappij Johema B.V. is eigenaar van de percelen kadastraal bekend Gemeente Schijndel, sectie D, nummers 6655, 6297, 6244 (adres Duinweg 24), 7904 (adres Duinweg 22), 6656 (adres Huygensweg 19C) en 6457 (adres Huygensweg 21), alsmede van de zich daarop bevindende bedrijfsgebouwen ten behoeve van de winkelvestiging van de firma Van Cranenbroek. Van Cranenbroek Schijndel B.V. is de exploitant van het op voormelde percelen gevestigde winkelbedrijf. In de planregels (artikel 9) van het ontwerpbestemmingsplan worden uitbreiding van (niet-agrarische) bedrijfsgebouwen en gebruikswijzigingen verboden. Uit de titel van het planvoorschrift blijkt dat bedoeld is deze beperkingen op te leggen voor het buitengebied. Echter, dit staat zo niet verwoord in de planregels. Bovendien staat nergens in de planregels, en ook niet in de plantoelichting, omschreven, wat wordt verstaan onder het buitengebied. Onduidelijk is of ook het bedrijfsterrein waar Van Cranenbroek is gevestigd, daaronder valt. Het lijkt er dus op dat met dit ontwerpbestemmingsplan bestaande bouw- en gebruiksmogelijkheden van Van Cranenbroek - wil veronderstellen onbedoeld - op slot worden gezet en/of beperkt. Dat kan niet de bedoeling zijn. Van Cranenbroek wenst zijn planologische bouw- en gebruiksmogelijkheden te behouden en dient dan ook hierbij zekerheidshalve een zienswijze in tegen dit ontwerpbestemmingsplan.

Beantwoording: het bedrijventerrein ‘Duin’, waar de genoemde percelen van reclamant zich bevinden, ligt binnen de stedenbouwkundige bebouwde kom van Schijndel. Artikel 9 van onderhavig bestemmingsplan betreft bestaande niet-agrarische bedrijvigheid in het buitengebied. Voor de bedrijfsvoering van Van Cranenbroek heeft het bestemmingsplan dus geen gevolgen. Zoals aangegeven in de beantwoording van zienswijze 2.1 zal de begrenzing verduidelijkt worden in de vorm van een bijlage bij de regels van het bestemmingsplan.

5. Zienswijze 5, reclamant 5 Wij zijn eigenaar van een perceel dat in uw plangebied ligt. Het gaat om het perceel <adres reclamant 5> in het buitengebied van Eerde. Op dit moment is ons perceel nog een voormalige agrarische bedrijfslocatie. Met uw gemeente is reeds contact geweest over de omschakeling van 'Agrarisch met waarden’ naar 'Wonen’. Vooruitlopend op de omschakeling reageren wij op uw ontwerpbestemmingsplan 'Harmonisatie van diverse regelingen - laaghangend fruit’.

5.1

De afstand van bijgebouwen tot de beeldbepalende woning

Artikel 7.3 onder e (Bouwen van bijbehorende bouwwerken), stelt dat vrijstaande bijbehorende bouwwerken maximaal 15 meter van het hoofdgebouw af mogen staan. In het huidige bestemmingplan ‘Buitengebied’ is deze afstand 30 meter. De mogelijkheden worden duidelijk ingeperkt. In het kader van zorgvuldig ruimtegebruik is deze nieuwe bepaling niet vreemd, echter wordt dit in de toelichting niet gemotiveerd. Daarnaast wordt voorbijgegaan aan de mogelijkheid tot maatwerk. Onze woning is door de gemeente Meierijstad aangemerkt als beeldbepalend. Wij vinden het afbreuk doen aan het pand als we bij de realisatie van een eventueel bijgebouw worden verplicht deze op korte afstand (maximaal 15 meter) van de woning te plaatsen. Het aanzicht van een karakteristieke boerderij zoals die van ons wordt in

Notitie beantwoording zienswijzen Bestemmingsplan 'Harmonisatie van diverse regelingen ('laaghangend fruit')'

10

de toekomst potentieel vervuild door een bijgebouw, door de nieuwe regels, dicht tegen de boerderij geplaatst moet worden. Door meer afstand tussen hoofd- en bijgebouwen toe te laten wordt het mogelijk bijgebouwen op een passende manier ten opzichte van hoofdgebouwen te plaatsen. Het verdient aanbeveling om - zeker in situaties zoals onderhavige - in ieder geval de mogelijkheid te bieden tot maatwerk door een afwijkingsbevoegdheid m.b.t de afstand op te nemen tot de huidige 30 meter. Relateer dit aan de typering 'beeldbepalend’ of denk aan een relatie hiervan met de perceels-/korrelgrootte. Liever nog zien wij dat u de huidige regeling in stand laat. Beantwoording: de motivatie achter een minimale afstand tussen woningen en vrijstaande bijgebouwen ligt inderdaad in het compact houden van de bouwmogelijkheden in het buitengebied. In het huidige bestemmingsplan ‘Buitengebied’ van de voormalige gemeente Veghel is deze afstand 30 meter, in ‘Landelijk Gebied’ van de voormalige gemeente Schijndel is dit 15 meter en in bestemmingsplan ‘Buitengebied’ van de voormalige gemeente Sint-Oedenrode is geen maximum afstand opgenomen. Het belangrijkste is dat bijbehorende bouwwerken en bouwwerken, geen gebouw zijnde binnen het bestaande bouwperceel opgericht worden. Hiervoor wordt op grond van zienswijze 2.2 van de Provincie Noord-Brabant een voorwaarde opgenomen.

Voor de maximale afstand tussen de woning en bijbehorende bouwwerken zal daarom de maximale afstand van 15 meter gehandhaafd blijven, maar er zal een afwijkingsbevoegdheid opgenomen worden om een afstand van maximaal 30 meter toe te staan als er gegronde redenen zijn van stedenbouwkundige, architectonische, cultuurhistorische of bouwtechnische aard.

5.2

Het verzoek tot verruiming van de mogelijkheden van bed & breakfast in het buitengebied naar maximaal 7 kamers

Artikel 7.6 onder a (Afwijkingsbevoegdheid voor het uitoefenen van een bed & breakfast), stelt dat een bed & breakfast (hierna te noemen B&B) maximaal 4 bedden en 2 slaapkamers mag hebben. Voor zowel het buitengebied als de bebouwde kom zijn dezelfde regels opgenomen. Ook hier worden de mogelijkheden ingeperkt. De huidige regeling gaat uit van maatwerk waarbij de omgeving mee wordt genomen in de afweging, terwijl in de nieuwe regeling een beperkt maximum wordt opgenomen en indien men 'meer’ wil moet overschakelen naar de bestemming 'Horeca'. Wij vinden de nieuwe bepaling niet passend voor het buitengebied. Een meer gebiedsgerichte benadering zou wenselijk zijn. Een perceel alsook de aanwezige bebouwing in het buitengebied biedt veel meer ruimte dan in de kom. Daarbij komt dat in het buitengebied het effect van een B&B op de omgeving heel anders is dan in de bebouwde kom. Zo is de verkeersgeneratie op de bestaande wegen vaak lager en kan best wat meer hebben, is er voldoende parkeerruimte op eigen terrein beschikbaar en ervaren omwonenden minder snel overlast omdat de percelen groter zijn en verder uit elkaar liggen. Voor u is een kleinschalige overnachtingsaccommodatie een ondergeschikte nevenfunctie bij maximaal vier bedden en twee slaapkamers. Dit wordt echter door u verder niet gemotiveerd. Wij vragen u dit alsnog te doen.

Daarbij hopen wij dat u bij uw motivering op andere gedachten wordt gebracht door de beleidsnotitie voor gemeenten hierover die door Stichting Bed and Breakfast is opgesteld (zie bijlage). Hierin worden onder andere de regels van diverse gemeenten ten aanzien van het voeren van een B&B uiteengezet. Op basis van marktgegevens constateren zij dat het omslagpunt van een kleinschalige naar commerciële B&B landelijk gezien bij maximaal 7 kamers ligt. Wij vragen u - in ieder geval voor het

Notitie beantwoording zienswijzen Bestemmingsplan 'Harmonisatie van diverse regelingen ('laaghangend fruit')'

11

buitengebied - dit aantal als ondergeschikte nevenfunctie dan wel als omslagpunt richting omschakeling naar de bestemming ‘Horeca’ in overweging te nemen. Beantwoording: Stichting Bed and Breakfast hanteert een veel ruimer omslagpunt naar ‘commerciële’ B&B dan Koninklijke Horeca Nederland (KHN) hanteert. De op 19 september 2019 door de gemeenteraad vastgestelde ‘Horecavisie en -beleid Gemeente Meierijstad’ (P.17) baseert zich op het advies van de KHN en in het beleid is vastgelegd dat het omslagpunt voor de gemeente Meierijstad ligt bij twee kamers en vier bedden. Dat wil niet zeggen dat er in voorkomende gevallen geen medewerking mogelijk is in de vorm van een bestemmingswijziging naar een horecabestemming, maar dat valt buiten de strekking van dit bestemmingsplan.

5.3

Het uitoefenen van B&B in bijgebouw(en)

U geeft in uw toelichting aan dat u in het bestemmingsplan 'Harmonisatie van diverse regelingen ('laaghangend fruit')’ in aanvulling op het horecabeleid voorziet in de mogelijkheid om een B&B ook uit te oefenen in een bijbehorend bouwwerk die bij de woning hoort. In de regeling die u voor B&B’s heeft opgenomen vinden wij dit slechts half/ half (voor meerdere interpretaties vatbaar) terug. Daarnaast vinden wij dat uw voorgenomen B&Bregeling geen recht doet aan de visie recreatie en toerisme van uw gemeente, waarin u toerisme en goede recreatiemogelijkheden als erg belangrijk beschouwt. Beantwoording: terecht wordt opgemerkt dat uit de regeling niet expliciet blijkt dat het uitoefenen van een Bed & Breakfast in de woning en/of bijbehorende bouwwerken bij de woning plaats mag vinden. De regeling zal op dat punt aangepast worden.

6. Zienswijze 6, reclamant 6 6.1

De vraag of een correctieve herziening meegenomen moet worden

Door ons is geconstateerd dat er een discrepantie in het bestemmingsplan buitengebied zat. We hebben daarop gereageerd en er zijn diverse gesprekken geweest met de gemeente. Dit is uiteindelijk in een hoorzitting d.d. 5-10-2016 aan de orde geweest. Naar aanleiding hiervan hebben we een schrijven gehad dat bij de eerst volgende wijziging van het bestemmingsplan dit gecorrigeerd zou worden. We weten echter niet of dit de bestemmingsplan-correctie is waar vanuit de hoorzitting naar wordt verwezen. Als dat wel zo is lijkt het ons dat het nu meegenomen kan worden. Beantwoording: het bestemmingsplan voorziet niet in een aanpassing van bestemmingen, alleen van de regels die daarop van toepassing zijn. Het bestemmingsplan 'Harmonisatie van diverse regelingen ('laaghangend fruit')' leent zich daarom niet voor een (correctieve) herziening van de bestemming op een specifieke locatie. Daar er in het verleden vergunning verleend is op het (private) tennispark voor een commercieel horecabedrijf, had de gemeente daar bij de vaststelling van de huidige bestemming ‘Sport’ daar rekening mee moeten houden. Er komt een ronde van herzieningen van locaties in het buitengebied aan, daarin kan deze correctie meegenomen worden en in overeenstemming gebracht worden met de vergunde situatie.

Notitie beantwoording zienswijzen Bestemmingsplan 'Harmonisatie van diverse regelingen ('laaghangend fruit')'

12

7. Zienswijze 7, Stichting Schaapskooi Schijndel 7.1

De vraag of een correctieve herziening meegenomen moet worden

Stichting Schaapskooi Schijndel wenst in deze regeling opgenomen te worden zodat alle ruimtelijke regels actueel en kloppend zijn. Daarvoor is nodig dat het bebouwingsoppervlak conform de actuele plattegrond wordt gemaakt, het maximale bebouwingsoppervlak conform de huidige situatie wordt opgenomen en de gebruiksregels op het perceel buiten het bebouwingsvlak conform huidig gebruik worden gedefinieerd. Een kleine wijziging, die voor bestuur, vrijwilligers en bezoekers qua rechtszekerheid van grote betekenis is. Eerder is meermalen met collegeleden gesproken over de situatie. Met name financiële beperkingen hebben het kloppend maken van de actuele situatie met de regels voor ons helaas onmogelijk gemaakt. Een procedureel en financieel aanbod binnen het proces van dit ontwerp bestemmingsplan is voor Stichting Schaapskooi Schijndel ook een grote brug te ver gebleken. Leges en advieskosten in deze omvang kunnen wij helaas niet dragen. Verzoek is derhalve aan uw raad om middels een aantal kleine wijzigingen op kaart en in regels een situatie van overgangsrecht cq handhaving te voorkomen, en de mooiste plek van Meierijstad de mooiste te laten blijven. Via een motie en daarmee aanwijzing uwerzijds is dit mogelijk en qua lasten draagbaar voor onze stichting.

Gelieve uw college op te dragen in samenspraak met ons stichtingsbestuur tot een oplossing te komen tussen deze ter inzage legging en het moment waarop een gewijzigd ontwerp aan uw raad wordt voorgelegd. Beantwoording: het bestemmingsplan voorziet niet in een aanpassing van bestemmingen (waaronder bouwvlakken), alleen van de regels die daarop van toepassing zijn. Het bestemmingsplan 'Harmonisatie van diverse regelingen ('laaghangend fruit')' leent zich daarom niet voor een herziening (legalisatie) van de bestemming op een specifieke locatie. Dat er bij de gemeente bereidheid is om het bestemmingsplan te herzien, staat niet ter discussie. Zoals reclamant zelf aangeeft is er door het college in juni 2020 al een aanbod gedaan om de voor de Stichting Schaapskooi Schijndel benodigde wijzigingen (legalisatie van illegale bebouwing) tegen sterk gereduceerd tarief mee te nemen in een op stapel staand ‘ontwikkelplan/veegplan’, waarin meerdere locaties in het buitengebied herzien worden, mits er door de Stichting een ruimtelijke onderbouwing aangeleverd wordt. Van dat aanbod wenst reclamant gezien de zienswijze om financiële redenen geen gebruik te maken.

8. Zienswijze 8, reclamant 8 8.1

De definitie van ‘agrarisch bedrijf’

<Reclamant 8> exploiteert sinds 1996 ter plaatse een agrarisch bedrijf in de vorm van een boomkwekerij die als zodanig ook in het vigerende bestemmingsplan is opgenomen. In art. 1 (begrippen) is het begrip ‘agrarisch bedrijf’ niet gedefinieerd. De boomkwekerij valt onder het begrip ‘agrarisch bedrijf’. Om voldoende onderscheid te maken tussen een agrarisch bedrijf, een agrarisch technisch hulpbedrijf en een agrarisch verwant bedrijf is het noodzakelijk om het begrip agrarisch bedrijf te definiëren. Temeer omdat als sprake is van een agrarisch verwant bedrijf eerst duidelijk moet zijn wat de definitie van agrarisch bedrijf is, anders kan er geen sprake zijn van verwantschap.

Notitie beantwoording zienswijzen Bestemmingsplan 'Harmonisatie van diverse regelingen ('laaghangend fruit')'

13

Ondergetekenden verzoeken het begrip ‘agrarisch bedrijf’ toe te voegen aan art. 1 van de regels en stellen de volgende tekst voor. Agrarisch bedrijf: bedrijf dat is gericht op het voortbrengen van producten door middel van het telen van gewassen (boomkwekerij gewassen daaronder begrepen) en/of het houden van dieren. Beantwoording: We zullen hiervoor in onderhavig bestemmingsplan voor de volledigheid het algemeen gangbare begrip toevoegen aan de begrippen in artikel 1: agrarisch bedrijf: een bedrijf dat is gericht op het voortbrengen van producten door middel van het telen van gewassen of het houden van dieren.

8.2

De verkoop van ter plaatse geteelde producten

Al sinds 1996 vindt kleinschalige verkoop plaats van de ter plaatse geteelde producten, (boomkwekerij gewassen) die een directe relatie hebben met de agrarische activiteiten. <Reclamant 8> wenst de reeds zeer lange tijd bestaande verkoop voort te zetten. Het is aan te merken als een verworven recht. Voor zover nodig doet <reclamant 8> een beroep op het overgangsrecht, dan wel de hardheidsclausule. Het bestaande voortgezet gebruik dient voldoende te worden gewaarborgd in de regels. <Reclamant 8> stelt voor de navolgende tekst toe te voegen aan artikel 13.1 onder d van de regels: Kleinschalige verkoop van ter plaatse geteelde producten is toegestaan, en wordt niet aangemerkt als strijdig gebruik. Beantwoording: kleinschalige verkoop van ter plaatse geproduceerde producten bij agrarische bedrijven (productiegebonden detailhandel) wordt reeds mogelijk gemaakt onder artikel 8.6 van de regels.

8.3

De definitie van hobbydieren

De tekst bij artikel 1.26 van de regels is inhoudelijk tegenstrijdig en onjuist. De meeste in de eerste zin genoemde dieren zijn geen hobbydieren, maar dieren die bedrijfsmatig worden gehouden op een agrarisch bedrijf. Hobbydieren worden gehouden uit liefhebberij door mensen die daar plezier aan beleven en door kinderen als leerproces in de omgaan met dieren. Het gaat om kleine aantallen als hobby en niet als nevenactiviteit. De definitie in artikel 1.26 is dan ook onjuist. In de laatste zin van artikel 1.26 staat: Het houden van hobbydieren is voor de houder een nevenactiviteit die niet kan worden uitgeoefend naast het bedrijfsmatig houden van de genoemde diersoorten. Dit betekent dat buiten een agrarisch bedrijf geen (hobby)dieren meer kunnen worden gehouden omdat het wordt aangemerkt als nevenactiviteit die alleen in het buitengebied mogelijk is. Dit is rechtsongelijkheid en in strijd met het recht. Ondergetekenden houden hobbydieren zoals o.a duiven kippen katten vogels en ganzen en willen dat graag blijven doen. Echter dat wordt feitelijk onmogelijk gemaakt met de laatste zin van artikel 1.26. Om het houden van hobbydieren voort te kunnen zetten verzoeken ondergetekenden nadrukkelijk om de laatste zin van artikel 1.26 te laten vervallen en de overige tekst te herschrijven.

Beantwoording: alhoewel het begrip ‘hobbydier’ opgenomen is, komt deze term verder nergens anders voor in de regels en dient deze begripsbepaling dus geen doel. We zullen begrip ‘1.26 hobbydieren’ derhalve in zijn geheel laten vervallen.

8.4

Een onterechte beperking van het houden van hobbydieren tot enkel het buitengebied

In artikel 1.27 van de regels wordt het hobbymatig houden van dieren als volgt gedefinieerd. Het houden van enkele dieren op een perceel grasland van enige omvang in het buitengebied zonder winstoogmerk. Ondergetekenden zien geen redenen waarom het hobbymatig houden van dieren binnen de bebouwde kom

Notitie beantwoording zienswijzen Bestemmingsplan 'Harmonisatie van diverse regelingen ('laaghangend fruit')'

14

niet gelijk is aan het houden van hobbydieren in het buitengebied. Iedereen is vrij om zelf te kiezen welke hobbydieren men wil houden. Dieren kunnen ook op andere wijze worden gehouden dan op een perceel grasland in het buitengebied. Het is ook mogelijk om dieren hobbymatig te houden in dierenverblijven binnen de bebouwde kom. Ondergetekenden worden door artikel 1.27 van de regels, uitgesloten van het houden van enkele hobbydieren, wat in strijd is met het recht. Het is een vorm van discriminatie waardoor ondergetekenden ernstig in haar vrijheden worden aangetast en beknot. Artikel 1.27 is ondemocratisch en in strijd met de grondwet en het EVRM. In Veghels Buiten Oude Ontginning (kemrandzone) maar ook elders in Meierijstad zijn relatief grote (bouw)percelen aanwezig waar hobbydieren kunnen en ook worden gehouden. Zoals hiervoor al is aangegeven houden ondergetekenden ter plaatse hobbydieren en zouden dat graag blijven doen. Ondergetekenden verzoeken dan ook geen onderscheid te maken tussen het houden van hobbydieren in agrarisch gebied/ buitengebied en de bebouwde kom, mede om rechtsongelijkheid en discriminatie te voorkomen. Daarom stellen ondergetekenden voor de tekst van artikel 1.27 deels te schrappen zodat die als volgt zou kunnen komen te luiden: Het houden van enkele dieren voor educatieve of recreatieve doeleinden of als liefhebberij, zonder winstoogmerk.

Beantwoording: het is niet de intentie van de gemeente geweest deze tweedeling te maken via de begripsbepaling en daarmee het hobbymatig houden van dieren op daarvoor geschikte percelen binnen de stedenbouwkundige bebouwde kom uit te sluiten. Het bestemmingsplan voorziet uitsluitend in de bouwmogelijkheden voor dergelijke functies. Omdat niet voor de productie gehouden dieren niet vallen onder de werking van de Wet milieubeheer, wordt via de APV (art 2:60) mogelijkheden geboden om hinder van dieren te voorkomen. Uw suggestie voor een aanpassing van begrip ‘1:27 hobbymatig houden van dieren’ wordt overgenomen.

8.5

Een onjuiste benaming van artikel 12 (schuilgelegenheden)

Artikel 12 van de regels is strijdig met het uitgangspunt van beleid. In de kop van artikel 12 staat namelijk ‘Regels over schuilgelegenheden in het agrarisch gebied’. De bestemming Agrarisch of Agrarisch gebied is in de gemeente beperkt aanwezig, en betekent dat alleen bij de bestemming(en) agrarisch of bedrijf of wonen (in het agrarisch gebied), binnen het bouwvlak de bouw van schuilgelegenheden voor het hobbymatig houden van dieren mogelijk is gelet op artikel 12.1. Dit is strijdig met het beleid omdat ook in bebouwingsconcentraties en derhalve ook binnen de bebouwde kom schuilgelegenheden mogen worden gerealiseerd, aldus de toelichting bij punt 4.5.6. Van belang is ook dat dieren soms verplicht binnen moet blijven zoals i.v.m. het NH5 virus. Ook voor duiven geldt soms een ophokplicht. Artikel 12.2 biedt geen soelaas mede omdat de voorwaarden daaraan in de weg staan, en met name sub h; sub n en sub p. Ondergetekenden verzoeken de bouw van schuilgelegenheden binnen de bebouwde kom ook rechtstreeks mogelijk te maken door in de kop van artikel 12 de tekst ‘in het agrarisch gebied’ te laten vervallen, zodat deze als volgt kan komen te luiden: Artikel 12 Regels over schuilgelegenheden. Beantwoording: het is niet de intentie geweest om geschikte percelen binnen de stedenbouwkundige bebouwde kom (kernrandzones) uit te sluiten.

Opgemerkt moet worden dat, op grond van zienswijze 2.5 van de provincie Noord-Brabant, de mogelijkheid om schuilgelegenheden in het buitengebied op te richten beperkt zal worden tot “een kernrandzone dan wel een gebied dat gezien de ligging en het feitelijk gebruik gerekend kan worden tot de kernrandzone” in plaats van álle bebouwingsconcentraties in het buitengebied. Daarbij komen ook percelen binnen de stedenbouwkundige bebouwde kom

Notitie beantwoording zienswijzen Bestemmingsplan 'Harmonisatie van diverse regelingen ('laaghangend fruit')'

15

(bijvoorbeeld Veghels Buiten) voor de regeling in aanmerking. Het naam van artikel zelf zal gewijzigd worden naar ‘Artikel 12 Regels over schuilgelegenheden voor dieren’.

8.6

De definitie van nevenfuncties

Onder artikel 1.40 wordt een aantal nevenfuncties opgesomd wat o.i. geen nevenfuncties zijn zoals, agrarisch verwante functies en agrarisch technische functies. Dit zijn echter hoofdfuncties. Ook recreatieve functies zijn vaak hoofdfuncties. Nevenfuncties bij een agrarisch bedrijf zijn aanvullende activiteiten ten opzichte van het agrarisch bedrijf als hoofdfunctie. Voorbeelden zijn een kaasmakerij, ijsmakerij verhuur fietsen, stalling caravans e.d. Ondergetekenden verzoeken artikel 1.40 wegens onduidelijkheid en onjuistheid te herschrijven en stellen hierbij het volgende voor. Nevenactiviteit bij agrarische bedrijven: een aanvullende ondergeschikte activiteit ten opzichte van de hoofdactiviteit. Beantwoording: de huidige bestemmingssystematiek van de geldende bestemmingsplannen gaat uit van één hoofdfunctie binnen een bestemming. Voor de bestemming Agrarisch zijn dat de agrarisch bedrijfsmatige activiteiten. Alle overige activiteiten die niet direct gericht zijn op het voortbrengen van agrarische producten, zo ook de agrarisch verwante en agrarisch technische functies en recreatieve functies, worden derhalve beschouwd als ‘neven’functies.. Er bestaat de wens om in de toekomst naar een meer ‘multifunctionele’ agrarische bestemming te komen, zoals de ZLTO in zienswijze 3.2 heeft aangegeven.

Omdat in het paraplubestemmingsplan geen aanpassing van de bestemmingen zelf plaatsvindt, zal aan deze systematiek op dit moment niets gewijzigd worden. De huidige begripsbepaling van nevenfuncties past bij de aanwezige systematiek van bestemmen in de bestemmingsplannen. Nevenfuncties zijn daarbij álle aanvullende aan de hoofdfunctie ondergeschikte functies. De begripsbepaling zal daarom niet aangepast worden.

8.7

Wenselijkheid van verkoop van reststroken

In artikel 3.6 van de regels behorende bij het ontwerp bestemmingsplan harmonisatie diverse regelingen is een afwijkingsbevoegdheid opgenomen en zijn B&W bevoegd in afwijking van bestaande bestemmingen omgevingsvergunning te verlenen voor het bouwen van een bijbehorend bouwwerk of een erfafscheiding bij een (bedrijfs)woning onder de voorwaarden genoemd onder a t/m c. Voor erfafscheidingen zijn helemaal geen voorwaarden opgenomen? Hierdoor wordt bebouwing mogelijk gemaakt in reststroken maar ook in groenstroken zoals bij artikel 3.6 onder punt c van de regels is aangegeven. Het kleine beetje groen wat binnen het stedelijk gebied zoals bijvoorbeeld in woonwijk De Bunders nog aanwezig is dient om vele redenen behouden te blijven en niet in de laatste plaats om de opwarming van de aarde tegen te gaan en C02 uitstoot te beperken. Beantwoording: het bestemmingsplan voorziet niet in een beleidswijziging ten aanzien van de gemeentelijke groenvoorzieningen en het verkopen daarvan, zoals verwoord in de gemeentelijke Nota Grondzaken. In de praktijk komt het voor dat ‘reststroken’ in het openbaar gebied waarvan een duidelijke functie ontbreekt of waarbij het geen probleem vormt om de grond niet meer als openbaar gebied te gebruiken, verkocht worden aan particulieren.

Indien de grond wel een duidelijke functie groen, parkeren, infrastructuur, bereikbaarheid, speelveld/speelvoorzieningen, stedenbouw, water, ecologie, flora en fauna, archeologie of cultuurhistorie heeft, wordt deze grond volgens het beleid niet verkocht. Wanneer grond een dergelijke openbare functie moet blijven behouden, is uitgifte van de grond niet mogelijk en is alleen adoptie van het beheer mogelijk. Indien de reststrook wél verkocht

Notitie beantwoording zienswijzen Bestemmingsplan 'Harmonisatie van diverse regelingen ('laaghangend fruit')'

16

wordt, wordt daarbij wenselijk geacht dat de nieuwe eigenaar deze grond ook kan gebruiken ten behoeve van de woonfunctie, dus ook voor het oprichten van bouwwerken. Op grond van zienswijze 8.8 en 8.9 wordt geconstateerd dat de in het bestemmingsplan opgenomen regeling voor bebouwing van reststroken niet goed tot zijn recht komt. Dit geeft aanleiding om artikel 3.6 in zijn geheel te laten vervallen in dit bestemmingsplan en in voorkomende gevallen een omgevingsvergunning voor een afwijking te verlenen.

8.8

De definities ‘zone tuin’ en ‘zone erf’ en een fictief bouwvlak voor reststroken

Ondergetekenden verzoeken art. 1.58 en 1.59 van de regels te laten vervallen en te vervangen door achtererfgebied respectievelijk voorerfgebied, conform de algemene bepalingen in hoofdstuk 1, art. 1 van bijlage II van het Besluit Omgevingsrecht (BOR). Zone erf en zone tuin zijn, behoudens het al bestaande bouwvlak niet wezenlijk anders dan achtererfgebied en voorerfgebied. De begrippen zone erf en zone tuin dragen niet bij aan eenheid en duidelijkheid en zeker niet aan het voeren van een consistent beleid. Binnen de ‘zone erf’ inclusief groen- of reststrook wordt een (fictief) bouwvlak gecreëerd wat vervolgens bij de eerst komende herziening van het bestemmingsplan wordt aangemerkt als bouwvlak Wonen of Bedrijf. Op dat (fictieve) bouwvlak, met een oppervlakte van 0 tot 750 m2, van 750 tot 1000 m2 en groter dan 1000 m2, mogen dan met omgevingsvergunning, 200; 225; respectievelijk 250 m2 aan bijbehorende bouwwerken worden opgericht. Dit betekent dat op het gecreëerd bouwvlak van stel 300 m2 dus 200 m2 aan bijbehorende bouwwerken kan worden opgericht zonder dat er reële en objectieve normen en voorwaarden zijn opgenomen, zoals de zone erf of achtererfgebied mag niet meer dan voor 50% worden bebouwd, parkeren op eigen terrein en/of conform het vigerende Paraplubestemmingsplan parkeren Meierijstad alsmede de voorwaarden genoemd in de beleidsregel Kruimelgevallen Meierijstad 2020.

Beantwoording: geconstateerd mag worden dat de afwijkingsregeling uit de ‘beleidsregel Kruimelgevallen Meierijstad 2020’ voor bebouwing zich lastig één op één laten vertalen in een generieke regeling van een paraplubestemmingsplan, omdat deze uitgaat van fictieve zones voor bouwvlak, erf en tuin. Ook zit er in de bestaande regeling een sterke koppeling met overige afwijkingsmogelijkheden van art. 3 en 4 van bijlage II van het Besluit omgevingsrecht, die niet tot zijn recht komt in de bestemmingsregeling. Omdat het toestaan van bebouwing op reststroken erg locatie specifiek is en maar relatief weinig voorkomt, kiezen we er daarom voor om deze regeling niet meer op te nemen in het bestemmingsplan, maar deze in de beleidsregel Kruimelgevallen Meierijstad 2020 te laten staan. Artikel 3.6 komt in zijn geheel te vervallen.

8.9

Maatvoering van bijbehorende bouwwerken bij woningen

Afwijken van het bestemmingsplan genoemd in artikel 3.6 van de regels is dan ook in strijd met de Wro. Er is sprake van eigen belang, immers de meeste groen- en reststroken zijn in eigendom van de gemeente. Binnen de bebouwde kom is maximaal 150 m2 aan bijbehorende bouwwerken toegestaan. Niet gemotiveerd is waarom in het geval genoemd onder 3.6 van de regels wordt afgeweken van het maximum van 150 m2 en 250 m2 wordt toegestaan. Dat laat onverlet dat ondergetekenden ook aanspraak maken op gelijke bouwmogelijkheden binnen de zone erf of achtererfgebied in afwijking van het bestemmingsplan. Ondergetekenden verzoeken ook elders binnen de bebouwde kom de bouw van bijbehorende bouwwerken mogelijk te maken van 200; 225; respectievelijk 250 m2 bij (bedrijfs)woningen met bouwvlakken van 0 tot 750 van 750 tot 1000 respectievelijk groter dan 1000 m2.

Notitie beantwoording zienswijzen Bestemmingsplan 'Harmonisatie van diverse regelingen ('laaghangend fruit')'

17

Beantwoording: de gemeente bezit weliswaar veel openbaar gebied, waaronder grond die als ‘reststrook’ geclassificeerd kan worden, maar bezit weinig woningen. Het belang bij een regeling voor het mogen bebouwen van reststroken zal dus met name liggen bij de nieuwe eigenaren van deze gronden. Terecht wordt echter opgemerkt dat de regeling zoals opgenomen was in het bestemmingsplan gebrekkig is. Dat komt met name omdat de samenhang met andere bouwregelgeving uit het Besluit omgevingsrecht verloren is gegaan bij de vertaling van de ‘beleidsregel kruimelgevallen’ naar een generieke bestemmingsplanregeling. Omdat het toestaan van bebouwing op reststroken erg locatie specifiek is en maar relatief weinig voorkomt, kiezen we er daarom voor om deze regeling niet meer op te nemen in het bestemmingsplan, maar deze in de beleidsregel Kruimelgevallen Meierijstad 2020 te laten staan. Artikel 3.6 komt in zijn geheel te vervallen.

De tekst is automatisch uit het bestand gehaald en kan afwijken van het origineel (kolommen, tabellen en koppen lopen door elkaar). Het officiële stuk bij de gemeente is leidend. Bron: https://api1.ibabs.eu/publicdownload.aspx?site=Meierijstad&id=6480fdde-0dac-4839-b9ea-d0cba18210e9