Bijlage 2: Ecologische quickscan - Den Dubbelen 4
Tekst van het document
In opdracht van dhr. S. Rooijmans en mevr. M. van der Burgt
Ecologische quickscan Den Dubbelen 4 Veghel In het kader van de Wet natuurbescherming
Colofon Tekst, foto's en samenstelling
S. Bakker
Rapportnummer
EQ2128
Status rapport
Definitief
Datum oplevering rapport
24-3-2021
Aantal pagina's
51
Wijze van citeren
S. Bakker, 2021, Ecologische quickscan Den Dubbelen 4 - Veghel, in het kader van de Wet natuurbescherming, rapportnummer EQ2128
Opdrachtgever Contactgegevens
dhr. S. Rooijmans en mevr. M. van der Burgt Tel: 06-83335559 E-mail: samrooijmans@gmail.com
1
1
Inhoudsopgave
2
Leeswijzer ................................................................................................... 3
3
Inleiding ....................................................................................................... 4
4
Werkwijze .................................................................................................... 5
5
Wet- en regelgeving ................................................................................... 6
6
Omschrijving plangebied ........................................................................ 10
7
Effecten van de ingreep en toetsing aan de wet natuurbescherming 27
8
Conclusies en aanbevelingen ................................................................. 34
9
Gebruikte bronnen ................................................................................... 36
2
Leeswijzer
In hoofdstuk 3 wordt een beschrijving gegeven van de beoogde ruimtelijke ingreep van de opdrachtgever en de doelen van het ecologisch onderzoek. In hoofdstuk 4 wordt ingegaan op de Wet natuurbescherming en wordt in algemene bewoordingen aangegeven waar rekening mee moet worden gehouden bij de uitvoering van ruimtelijke ingreep. In hoofdstuk 5 wordt beschreven welke werkwijze is gevolgd bij het uitvoeren van de ecologische quickscan. In hoofdstuk 6 wordt het plangebied beschreven en de ligging ten opzichte van beschermde natuurgebieden. Er wordt een inschatting gemaakt welke beschermde soorten mogelijk voorkomen op basis van literatuuronderzoek en de fysieke bezoeken aan het plangebied. In hoofdstuk 7 wordt een beschrijving gegeven van de voorgenomen activiteiten van de ingreep en worden de effecten van de voorgenomen ingreep op flora en fauna beschreven. Deze effecten worden vervolgens getoetst aan de wet natuurbescherming. Afsluitend komen in hoofdstuk 8 de conclusies uit de ecologische quickscan aan bod.
3
3
Inleiding
De opdrachtgever heeft het voornemen om een kapschuur, de schuilstal en een loods te slopen op de Den Dubbelen 4 in Veghel. Dit om te voldoen aan de eisen die de gemeente heeft gesteld bij een principeverzoek om de bestemming van een deel van de woonboerderij te wijzigen naar wonen. Omdat de uitvoering van deze ingreep mogelijk negatieve effecten heeft op beschermde soorten en beschermde gebieden heeft de gemeente Meierijstad, waar Veghel onder valt, verzocht om een ecologische quickscan uit te voeren. Met dit rapport wordt aan deze vraag voldaan.
3.1.
•
Is er sprake van een overtreding van de verbodsbepalingen van beschermde gebieden?
Is er eventueel een verdiepend onderzoek noodzakelijk? Zo ja: •
Naar welke soorten en functies dient eventueel aanvullend onderzoek plaats te vinden?
Doel van de ecologische quickscan
In dit oriënterend onderzoek worden de volgende vragen beantwoord: Vindt het initiatief plaats op een locatie waar (mogelijk) beschermde dier- en/of plantensoorten voorkomen of functies voor deze soorten worden vervuld? Zo ja: •
Welke beschermde dier- en/of plantensoorten komen op of rond deze locatie voor?
•
Welk beschermingsregime is van toepassing is op deze soorten?
•
Ondervinden die soorten schadelijke effecten van de ingreep?
•
Kunnen schadelijke effecten worden voorkomen door ingrepen op een aangepaste wijze uit te voeren?
•
Is er sprake van een overtreding van de verbodsbepalingen van beschermde soorten?
Heeft de ingreep negatieve effecten op een beschermd natuurgebied? Zo ja: •
Wat zijn de instandhoudingsdoelen van het gebied?
•
Heeft de handeling significante gevolgen voor dat gebied? 4
4
Werkwijze
4.3.
Er is een ecologische quickscan (verkennende inventarisatie) uitgevoerd om in beeld te brengen of door het voorgenomen initiatief negatieve effecten zijn te verwachten op beschermde soorten en beschermde gebieden.
4.1.
Literatuuronderzoek
Toetsing aan de Wet natuurbescherming
Op grond van de beschreven activiteiten en de daaruit volgende verstoringen is door Natuurlink een inschatting gemaakt van de redelijkerwijs te verwachten negatieve effecten op de (potentieel) aanwezige beschermde soorten en functies. De mogelijke negatieve effecten zijn vervolgens getoetst aan de Wet natuurbescherming. Hierbij is gekeken of er sprake is van een overtreding van de soortbescherming of gebiedsbescherming en hoe een overtreding van de Wet natuurbescherming valt te voorkomen.
Door middel van literatuuronderzoek is onderzocht welke beschermde flora en fauna in de ruime omgeving van het plangebied zijn waargenomen. Hierbij is gebruik gemaakt van de databases waarneming.nl, quickscanhulp.nl van de NDFF (Nationale Databank Flora en Fauna) en relevante recente verspreidingsatlassen. De opgevraagde gegevens dekken het gehele gebied waar de activiteiten plaats gaan vinden, samen met de directe omgeving. Vervolgens is voor deze beschermde soorten onderzocht of op basis van verspreiding, ecologie en de aanwezige ecotopen het aannemelijk is dat een soort in het plangebied of invloedgebied van de ingreep voorkomt.
4.2.
Flora en fauna onderzoek
Het plangebied is bezocht door Sebastiaan Bakker. De weersomstandigheden waren goed om een inspectie uit te voeren (zie tabel 1). Tabel 1. Weersomstandigheden tijdens het veldbezoek.
Datum
Tijd
Weersomstandigheden
09-03-2021 09:00 – 11:00 7 °C, droog, zwaar bewolkt, W3 Tijdens het bezoek is de (potentieel) aanwezige flora en fauna onderzocht, alsook de functies die bepaalde delen van het terrein (kunnen) vervullen. Hierbij is gebruik gemaakt van checklijsten en protocollen (zoals gepubliceerd door het NDFF), kennisdocumenten van BIJ12 en diverse gidsen en websites waarin ecologie van soorten aan bod komt. Aan de hand van deze informatie en opgebouwde ecologische kennis binnen Natuurlink is de potentiële aanwezigheid van beschermde soorten en functies van het plangebied ingeschat. 5
5 5.1.
Wet- en regelgeving Inleiding in de Wet natuurbescherming
De Wet natuurbescherming (Wnb) is in Nederland op 1 januari 2017 in werking getreden. In deze wet staan de beschermingsregels voor de Nederlandse natuurgebieden en planten- en diersoorten. Vanwege de inwerkingtreding van deze wet zijn de Flora- en faunawet, de Natuurbeschermingswet en de Boswet komen te vervallen. De Wet natuurbescherming geeft uitvoering aan de verplichtingen van de Vogelrichtlijn en de Habitatrichtlijn die zowel soortenbescherming als gebiedsbescherming op Europees niveau regelen. Het uitgangspunt van de wet is dat geen schade mag worden toegebracht aan beschermde dieren of planten of beschermde natuurgebieden, tenzij dit uitdrukkelijk is toegestaan.
5.2.
Soortbescherming in de Wet natuurbescherming
De Wet natuurbescherming kent drie verschillende beschermingsregimes om soorten te beschermen: 1.
soorten van de Vogelrichtlijn;
2.
soorten van de Habitatrichtlijn, het Verdrag van Bern en het Verdrag van Bonn;
3.
soorten die vanuit nationaal oogpunt beschermd worden.
Elk van deze beschermingsregimes kent zijn eigen verbodsbepalingen en vereisten voor vrijstelling of ontheffing van de verboden. Verbodsbepalingen mogen niet overtreden worden, tenzij men een ontheffing kan krijgen (het zogenoemde ‘nee, tenzij-principe’). De belangrijkste verbodsbepalingen staan vermeld in tabel 2.
Dit betekent in de praktijk dat het bij ruimtelijke ingrepen gaat om het effect van activiteiten op beschermde soorten en gebieden. Als activiteiten zodanig worden uitgevoerd dat er geen schade wordt toebracht, dan is toetsing aan de Wet natuurbescherming niet nodig. Soms is het echter onvermijdelijk dat of onduidelijk of schade wordt toegebracht. In die situaties is het noodzakelijk om aanvullend ecologisch onderzoek te laten uitvoeren en te bepalen of er een vrijstelling geldt voor de activiteiten of dat een ontheffing moet worden aangevraagd. De gemeente is het eerste aanspreekpunt voor de aanvraag van een Omgevingsvergunning. De bevoegdheid om te toetsen aan de Wet natuurbescherming ligt in de meeste gevallen bij de provincie.
6
Tabel 2. Overzicht belangrijkste verbodsbepalingen uit de Wet natuurbescherming.
Beschermingsregime soorten Vogelrichtlijn
Beschermingsregime soorten Habitatrichtlijn § 3.2 Wnb
Beschermingsregime andere soorten
Art. 3.1 lid 1 Het is verboden in het wild levende vogels opzettelijk te doden of te vangen.
Art. 3.5 lid 1 Het is verboden soorten in hun natuurlijke verspreidingsgebied opzettelijk te doden of te vangen.
Art. 3.10 lid 1a Het is verboden soorten opzettelijk te doden of te vangen.
Art. 3.1 lid 2 Het is verboden opzettelijk nesten, rustplaatsen en eieren van vogels te vernielen of te beschadigen, of nesten van vogels weg te nemen1
Art. 3.5 lid 4 Het is verboden de voortplantingsplaatsen of rustplaatsen van dieren te beschadigen of te vernielen1.
Art. 3.10 lid 1b Het is verboden de vaste voortplantingsplaatsen of rustplaatsen van dieren opzettelijk te beschadigen of te vernielen1.
Art. 3.1 lid 3 Het is verboden eieren te rapen en deze onder zich te hebben.
Art. 3.5 lid 3 Het is verboden eieren van dieren in de natuur opzettelijk te vernielen of te rapen.
Niet van toepassing.
Art. 3.1 lid 4 en lid 5 Het is verboden vogels opzettelijk te storen, tenzij de storing niet van wezenlijke invloed is op de staat van instandhouding van de desbetreffende vogelsoort2
Art. 3.5 lid 2 Het is verboden dieren opzettelijk te verstoren.
Niet van toepassing.
Niet van toepassing.
Art. 3.5 lid 5 Het is verboden plantensoorten in hun natuurlijke verspreidingsgebied opzettelijk te plukken en te verzamelen, af te snijden, te ontwortelen of te vernielen.
Art. 3.10 lid 1c Het is verboden plantensoorten in hun natuurlijke verspreidingsgebied opzettelijk te plukken en te verzamelen, af te snijden, te ontwortelen of te vernielen.
§ 3.1 Wnb
§ 3.3 Wnb
1 Een zodanige verstoring van een van het nest dat deze wordt verlaten dient volgens de Afdeling Bestuursrechtspraak van de Raad van State (ABRvS) ook te worden meegenomen in een overtreding van de verbodsbepaling.
2 Het opzettelijk storen geldt dan met name in kwetsbare perioden zoals het broedseizoen, overwintering en trek.
7
De term ‘verstoring’.
Vrijstelling, ontheffing en vergunning.
Er is sprake van een verstoring ingeval een activiteit een verontrusting van een soort veroorzaakt ten gevolge waarvan sprake is van een wezenlijke invloed op de gunstige staat van instandhouding van de soort. Zo is er sprake van een verstoring indien de functie van een voortplantings- of rustplaats van een soort, al dan niet voorlopig, door een activiteit niet of minder goed kan worden vervuld, ook al blijft die plaats fysiek in stand. Verstoringen moeten per soort worden beoordeeld in het licht van de intensiteit, duur en frequentie van herhaling van de verstoring.
Voor een besluit waarbij een uitzondering op een wettelijk verbod of gebod wordt gemaakt voor een categorie van gevallen, wordt de term "vrijstelling" gebruikt.
Bron: BIJ12
Voor een beschikking waarbij in een individueel geval een uitzondering op een wettelijk verbod of gebod wordt gemaakt, wordt de term "ontheffing" gebruikt. Voor een beschikking waarbij een bepaalde handeling wordt toegestaan, wordt de term "vergunning" gebruikt.
5.2.1. Afwijkingen van de verbodsbepalingen
5.2.2. Gedragscode
Om af te mogen wijken van de verbodsbepalingen via een ontheffing of vrijstelling moet aan drie criteria zijn voldaan:
De verboden, bedoeld in de artikelen 3.1, 3.5 of 3.10 Wnb zijn niet van toepassing op handelingen die zijn beschreven in en aantoonbaar worden uitgevoerd overeenkomstig een goedgekeurde gedragscode (art. 3.31 lid 1 Wnb). Werken volgens een gedragscode heeft als voordeel dat geen ontheffingsprocedure hoeft te worden doorlopen. Mogelijke uitzonderingen hierop staan in de gedragscode omschreven. Hierdoor kan het gebruik van een gedragscode zorgen voor een sterke vermindering van administratieve lasten en voor kortere proceduretijden.
1.
Ten eerste mag alleen van de verbodsbepaling worden afgeweken als er geen andere bevredigende oplossing voor de handeling mogelijk is.
2.
Ten tweede moet tegenover de afwijking van het verbod een in de wet genoemd belang staan. De wet geeft voor de verschillende beschermingsregimes aan wat die belangen zijn zoals volksgezondheid of openbare veiligheid.
3.
Tenslotte mag de ingreep geen afbreuk doen aan de staat van instandhouding van de soort.
Als aan deze drie vereisten is voldaan, kan een ontheffing worden verleend. Voor een aantal handelingen zijn bovendien vrijstellingen mogelijk, bijvoorbeeld in de vorm van een provinciale verordening of een gedragscode.
Een gedragscode geldt voor heel Nederland, dus niet voor één bepaald gebied of plaats. En ze mogen door alle organisaties in dezelfde sector gebruikt worden als de belangen en activiteiten op u van toepassing zijn. De provincies ontvangen graag een melding als een ruimtelijke ingreep onder een gedragscode soortenbescherming wordt uitgevoerd. Dit is niet verplicht maar de provincies stellen dit erg op prijs. Het voorkomt bijvoorbeeld onnodige handhavingsacties.
8
5.3.
Gebiedsbescherming in de Wet natuurbescherming
Binnen de Wet natuurbescherming worden ook natuurgebieden en de daarin voorkomende natuurlijke waarden en wezenlijke kenmerken beschermd. Dit zijn de Natura 2000-gebieden, het Natuurnetwerk Nederland (NNN), bijzondere provinciale natuurgebieden en landschappen, bijzondere nationale natuurgebieden en de nationale parken. Deze gebieden zijn geselecteerd op grond van in deze gebieden voorkomende bijzondere natuurwaarden of om een samenhangend ecologisch netwerk te creëren. De Natura 2000-gebieden worden direct beschermd via de Wnb, de overige gebieden via het besluit algemene regels ruimtelijke ordening (Barro) en provinciale verordeningen. Als er naar aanleiding van een initiatief mogelijkerwijs significante effecten optreden, dienen deze vooraf in kaart te worden gebracht en te worden beoordeeld. Projecten, plannen en overige handelingen die mogelijk een negatief effect hebben op de beschermde natuurgebieden zijn vergunningsplichtig.
5.5.
Houtopstanden in de Wet natuurbescherming
Naast het soortenbeschermingsregime en gebiedsbeschermingsregime zijn in hoofdstuk 4 van de Wet natuurbescherming ook de bepalingen ter bescherming van houtopstanden opgenomen. Onder houtopstand wordt verstaan: een zelfstandige eenheid van bomen, boomvormers, struiken, hakhout of griend, die een oppervlakte grond beslaat van 10 are of meer, of bestaat uit een rijbeplanting die meer dan 20 bomen omvat, gerekend over het totaal aantal rijen. Als een houtopstand moet worden gekapt, dan moet de initiatiefnemer dit melden bij het bevoegd gezag en moet er herplant plaatsvinden. Het bevoegd gezag kan een kapverbod opleggen ter bescherming van bijzondere natuur- of landschapswaarden.
Binnen deze ecologische quickscan wordt daarom bepaald of het initiatief mogelijk negatieve effecten heeft op de doestellingen van Natura 2000-gebieden en overige beschermde gebieden. Als er sprake is van negatieve effecten, dan dient als eerste stap een voortoets te worden uitgevoerd. Dit is een oriënterend onderzoek naar mogelijk negatieve effecten op de instandhoudingsdoelstellingen van het Natura 2000-gebied. Als hieruit blijkt dat er een kans bestaat op een negatief, maar geen significant effect, dan moet vervolgens een verslechteringstoets worden uitgevoerd. Zijn deze effecten mogelijk wel significant, dan moet er een passende beoordeling worden opgesteld.
5.4.
Zorgplicht voor dieren en planten
De Wet natuurbescherming kent een zorgplicht (art. 1.11 Wnb). Iedereen moet voldoende zorg in acht nemen voor Natura 2000-gebieden, bijzondere nationale natuurgebieden en voor in het wild levende planten en dieren en hun directe leefomgeving. Of dier- en plantensoorten en gebieden nu wettelijk beschermd zijn of niet, iedereen die redelijkerwijs kan vermoeden dat door zijn of haar handelen nadelige gevolgen kunnen worden veroorzaakt, laat deze handelingen achterwege, neemt maatregelen om die te voorkomen of probeert deze zoveel mogelijke te beperken of ongedaan te maken.
9
6
Omschrijving plangebied
Het plangebied bevindt zich aan de Den Dubbelen in Veghel dat onder de gemeente Meierijstad valt (zie figuur 1 en figuur 2). Het plangebied betreft het kadastrale perceelnummer VHL00-R-165 en is 7350 m2 groot.
Figuur 1. Ligging van het plangebied. De uitsnede is weergegeven in figuur 2.
Het plangebied isingesloten tussen de Eerdsebaan (N622) in het zuiden en de A50 in het noorden. De omgeving ten noorden en oosten van het plangebied heeft een kleinschalig tot open karakter. In het zuidwesten is de dorpskern van Eerde te vinden. In het plangebied staan diverse gebouwen. Naast de woonboerderij staan er nog twee lange schuren, een oud, klein en vervallen schuurtje midden op het perceel en een oude kapschuur. Op de volgende pagina isn een aantal foto’s toegevoegd die een impressie geven van het plangebied.
Figuur 2. Ligging van het plangebied (geel omkaderd).
10
Figuur 3. Beeld van de woonboerderij.
Figuur 5. Beeld van het open gebied gezien vanaf de kruising met De Horstjens
Figuur 4. Beeld van ‘loods 2’ (links) en loods 1 (rechts). De linker loods zal worden gesloopt.
Figuur 6. Beeld van loods 2 aan de zijde van de woonboerderij aan de oostzijde.
11
Figuur 7.Beeld van het weiland met een klein vervallen schuilstal (zie ook links onder) en een oude kapschuur (zie ook rechts onder).
12
Figuur 8. Beeld van de steenuilenkast naast het kleine vervallen gebouw. Figuur 9. Beeld van tuin van de woonboerderij
Figuur 10. Beeld van loods 1. Deze zal in de toekomst mogelijk verdwijnen, maar blijft voorlopig behouden. Figuur 11. Beeld van loods 2 aan de westzijde.
13
6.1.
Afstand tot beschermde natuurgebieden
Om te bepalen of geplande activiteiten invloed kunnen hebben op beschermde natuurgebieden is als eerste onderzocht op welke afstand deze gebieden zich bevinden. Natura 2000-gebieden Het dichtstbijzijnde Natura 2000-gebied is de ‘Kampina & Oisterwijkse Vennen’. De afstand vanaf het plangebied tot dit gebied bedraagt ongeveer 14,5 kilometer. Verder weg liggen de gebieden ‘Vlijmens Ven, Moerputten & Bossche Broek’ en de ‘Loonse en Drunense Duinen & Leemkuilen‘ (zie ook figuur 3 en tabel 3). Al deze gebieden zijn aangewezen als Habitatrichtlijngebied (HR). ‘Kampina & Oisterwijkse Vennen‘ is ook aangewezen als Vogelrichtlijngebied (VR). Tabel 3. Afstand van het plangebied ten opzichte van beschermde Natura 2000-gebieden en het Natuurnetwerk Nederland. Mogelijke negatieve effecten
Aanwijzing
Afstand (km)
Kampina & Oisterwijkse Vennen Vlijmens Ven, Moerputten & Bossche Broek Loonse en Drunense Duinen & Leemkuilen
HR+VR HR HR
14,5 15 20
Figuur 12. Ligging van het plangebied ten opzichte van het Natura 2000 gebieden.
14
Natuurnetwerk Nederland (NNN) Het plangebied valt buiten het Natuurnetwerk Nederland. Het dichtstbijzijnde deel van het Natuurnetwerk Brabant is de Biezenloop langs de A50 op 450 meter ten noorden van het plangebied. Ten zuidwesten van het plangebied zijn de Eerdse Bergen te vinden op ongeveer 500 meter. Verder weg ten noordwesten ligt het Wijboschbroek (zie figuur 13 en tabel 4). Het Wijboschbroek is ook aangewezen als natte natuurparel. Tabel 4. Afstand van het plangebied ten opzichte van beschermde Natura 2000-gebieden en het Natuurnetwerk Nederland. Mogelijke negatieve effecten
Aanwijzing
Afstand (km)
Biezenloop Eerdse bergen Wijboschbroek
NNB NNB NNB
0,4 0,5 1,5
Natte natuurparels (NNP) Natte natuurparels zijn hydrologisch gevoelige gebieden binnen het Natuurnetwerk Brabant die vanwege specifieke omstandigheden van bodem en water hoge natuurwaarden vertegenwoordigen. Rondom de natte natuurparels liggen attentiegebieden. De meeste natte natuurparels hebben nu last van verdroging. Het herstel van een goede waterhuishouding door méér en langer water vast te houden, is een belangrijke voorwaarde om de gewenste natuur te behouden of terug te laten keren. Ruimtelijke initiatieven mogen daarom geen negatieve effecten hebben op deze gebieden. Figuur 13. Ligging van het plangebied ten opzichte van het Natuurnetwerk Brabant
15
6.2.
Geluidscontouren
De Den Dubbelen is een matig intensief bereden weg (zie figuur 14). De geluidsbelasting van alle bronnen gedurende de dag ligt onder de 60 decibel en daardoor zijn de geluidsnormen als matig tot slecht te kwalificeren (zie figuur 15). In de nacht is het beeld vergelijkbaar.
Figuur 15. Geluid van alle bronnen gedurende de dag (boven) en van alleen het verkeer in de nacht (onder). Let op: de kaart geeft alleen een globaal beeld van de hoeveelheid geluid in Nederland. Voor het toetsen van geluidniveaus aan de normen, bijvoorbeeld voor 'geluidbelasting op de gevel' is deze kaart niet geschikt. Figuur 14. Beeld van Den Dubbelen (links) en De Horstjens (rechts). De Den Dubbelen is een relatief matig intensief bereden weg.
Bron: Rijksinstituut voor Volksgezondheid en Milieu
16
6.3.
Aanwezige ecotopen
Bodemclassificatie De bodem kan grotendeel worden geclassificeerd als een laarpodzolgrond (zie figuur 17). Een laarpodzolgrond heeft een 30 - 50 cm dikke, deels door de plaggenbemesting opgebrachte donkere bovengrond. Laarpodzolgronden komen vrij veel voor in de Pleistocene zandgebieden van Nederland. Ze worden vrij veel aangetroffen in oude ontginningen waar door eeuwenlange plaggenbemesting een matig dikke donkere bovengrond is ontstaan. De naam laarpodzolgronden is ontleend aan het toponiem laar, dat staat voor een vaak wat lager gelegen open plek in het bos. Weiland Het weiland heeft een soortenarme vegetatiesamenstelling. Het is regelmatig bemest en werd vorig jaar beweid met drie koeien. Het komende jaar zullen er naar verwachting paarden of schapen op grazen.
Figuur 17. Bodemkaart van het plangebied. Bron: Wageningen UR.
Figuur 16. Beeld van het weiland
17
Struweel Rondom het perceel is struweel te vinden dat het weiland landschappelijk afscheidt van de omliggende bebouwing (figuur 18). Aan de achterzijde (zuidzijde) van het perceel is een houtsingel te vinden met daarin vooral knotelzen. Hierachter bevindt zich een groot bedrijf voor de opslag van luifels. De loodsen op het eigen terrein worden afgeschermd door een haag van laurier.
Figuur 18. Beeld van het struweel aan de achterzijde van het weiland.
Sloot Aan de voorzijde van het weiland loopt een smalle sloot (zie figuur 19). Hier was tijdens het veldbezoek al veel draadalg in te vinden wat een indicatie is van zeer voedselrijke omstandigheden.
Figuur 19. Langs de De Horstjens loopt een smalle en ondiepe sloot. De draadalg wijst op zeer voedselrijke omstandigheden.
18
Figuur 20. Beeld van de loods 2 die gesloopt gaat worden.
Figuur 21. Beeld van de achterzijde van loods 2 die gesloopt gaat worden.
Gebouwen. Op het terrein bevinden zich naast de woonboerderij verschillende bijgebouwen. Allen bevinden zich in een slechte staat. De schuilstal is al grotendeels ingestort (zie figuur 7 op pagina 12). Loods 1 blijft voorlopig behouden omdat deze nog in de beste staat verkeerd en nog kan worden gebruikt voor opslag van materialen (zie figuur 23). Wel hoopt men in de toekomst ook deze loods te slopen en een nieuwe loods te plaatsen. Daarom wordt ook voor deze loods een effectbeoordeling opgenomen in dit rapport. Loods 2 zal worden gesloopt. Deze loods bevindt zich in een zeer slechte staat. De loods bestaat uit twee delen en heeft een zeer open structuur (zie figuur 22). Er zijn tal van mogelijkheden voor dieren om het gebouw in te komen. Er zijn echter alleen veel sporen van bruine rat (Rattus norvegicus) aangetroffen, zowel op de vloer als in het dak.
19 Figuur 22. Beeld van de open daken van loods 2.
Loods 1 blijft voorlopig behouden. Ook in deze loods zijn er mogelijkheden voor soorten om het gebouw in te komen. Er zijn openingen te vinden onder de asbest golfplaten en aan de oostgevel is een grote opening te vinden in de muur. In tegenstelling tot loods 2 zijn hier geen sporen van ratten waargenomen. Het dak heeft een meer dichte structuur doordat er plafondplaten onder het dak zijn aangebracht. Hierdoor ontstaat er een kleine ruimte boven de plafondplaten.
Figuur 24. Beeld van loods 1 die voorlopig behouden blijft.
Figuur 23. Beeld van de oostzijde van loods 1.
Figuur 25. Beeld van de achterzijde van loods 1.
20
De vervallen schuilstal is een kleine ruïne (zie figuur 26). Alleen de muren staan nog overeind. De loods staat vlak naast een fruitboom met daarin een steenuilenkast. Hier broedt al 6 jaar aaneengesloten een steenuil (zie figuur 27). Aan de binnenzijde wordt het gebouw overwoekerd door onkruid en de eerste opslag van struiken en is nog een hoop puin te vinden. Hierdoor is er wel een structuur ontstaan waar kleine zoogdieren een verblijfplaats kunnen vinden. Sporen van dieren zijn hier echter niet gevonden.
Figuur 27. De schuilstal staat vlak naast een bezette steenuilenkast.
Figuur 26. Beeld van de binnenzijde van schuilstal.
Figuur 28. De rommelige structuur biedt goede schuilmogelijkheden.
21
De kapschuur is net als de overige gebouwen vervallen (zie figuur 30). Door de open structuur is het gebouw wel erg geschikt voor vogels om te schuilen en te broeden. In de kap is een nest gevonden van holenduif (Columba oenas) en op diverse plekken zijn uilenballen en veren gevonden van steenuil (Athene noctua) (zie figuur 31). Er is slechts één gemetselde muur. De kapschuur is verder opgebouwd uit hout en heeft een dak van metalen dakplaten.
Figuur 30. De schuilstal staat vlak naast een bezette steenuilenkast.
Figuur 29. Beeld van de binnenzijde van schuilstal.
Figuur 31. In de kapschuur zijn sporen gevonden van steenuil.
22
6.4.
Voorkomende beschermde soorten uit het literatuuronderzoek.
Via quickscanhulp.nl en waarnemingen.nl en het gebruik van diverse verspreidingsatlassen is nagegaan welke beschermde soorten rond het plangebied de afgelopen vijf jaar zijn waargenomen. Een volledig overzicht van alle beschermde soorten die binnen een straal van 10 kilometer rond het plangebied zijn waargenomen is te vinden in bijlage 4. In deze paragraaf wordt alleen ingegaan op de soorten waarvan is beoordeeld dat deze voorkomen of verwacht kunnen worden binnen de invloedsfeer va het initiatief. Van soorten die niet worden verwacht is de onderbouwing terug te vinden in bijlage 4.
6.4.1. Vogels Algemeen voorkomende broedvogels Op en rond het plangebied kunnen allerlei algemeen voorkomende broedvogels worden verwacht in de hagen, bomen en het struweel. Soorten als zwartkop (Sylvia atricapilla), vink (Fringilla coelebs), tjiftjaf (Phylloscopus collybita), roodborst (Erithacus rubecula), winterkoning (Troglodytes troglodytes), en merel (Turdus merula) kunnen hier bijvoorbeeld broeden. In de kapschuur is een nest aangetroffen van holenduif (Columba oenas). Vanwege de aanwezigheid van een paartje is het aannemelijk dat dit nest nog gebruikt wordt. In het struweel waren diverse nesten van houtduif (Columba palumbus) te vinden. Soorten met een ongunstige staat van instandhouding (SVI) Er is beoordeeld of rondom de planlocatie soorten aanwezig zijn of kunnen worden verwacht die gevoelig zijn voor verstoring en zich al in een ongunstige staat van instandhouding bevinden. Deze soorten zijn niet aangetroffen of verwachten binnen de invloedsfeer van de werkzaamheden.
Jaarrond beschermde nesten Tijdens het veldbezoek is gericht gezocht naar mogelijke nestlocaties en holen van soorten met een jaarrond beschermd nest (zie bijlage 4) in en rondom het plangebied. Gebouwbewonende soorten Er waren rondom het perceel verschillende huismussen (Passer domesticus) te horen. Deze bevonden zich bij de boerderij aan de overzijde van De Horstjens. Hier zijn ook veel hagen te vinden die voldoende dekking bieden voor huismussen. Huismussen zijn tijdens het veldbezoek niet binnen het plangebied waargenomen. Huismussen hebben een voorkeur voor het broeden onder dakpannen, maar worden ook veel onder asbestgolfplaten aangetroffen. Er worden geen huismussen verwacht in de schuren die worden gesloopt. De kapschuur en de vervallen schuilstal konden vanwege de open structuur goed worden gecontroleerd op mogelijke nesten. Deze zijn niet aangetroffen. In loods 2 worden ook geen huismussen verwacht. Enerzijds bevinden de in- en uitvliegopeningen zich zeer laag (op ongeveer 2 meter), maar het is vooral een onveilige plek voor huismussen om te broeden. Bruine rat (Rattus norvegicus) kan bijvoorbeeld met gemak bij mogelijke nestlocaties komen. Tussen de balken en de golfplaten of dakpannen zijn ook geen nesten aangetroffen. In loods 1 die behouden blijft kunnen huismussen niet op voorhand worden uitgesloten.
Vaak wordt de ruimte tussen asbestgolfplaten en de plafondplaten gebroed. Omdat hier geen sporen van bruine rat zijn aangetroffen en de ruimte onder het dak ook moeilijker bereikbaar lijkt voor deze soort zou hier wel veilig kunnen worden gebroed. Het zelfde geldt voor zwarte roodstaart (Phoenicurus ochruros). Het nest van zwarte roodstaart valt echter binnen categorie 5 (zie bijlage 2) De spreeuw (Sturnus vulgaris) kan wel worden uitgesloten. De spreeuw zorgt altijd voor veel overlast door uitwerpselen. Deze zijn in het geheel niet gevonden. Een nestlocatie is dan niet waarschijnlijk.
23
Uilen
6.4.2. Zoogdieren
Er broedt een koppeltje steenuilen (Athene noctua) in de fruitboom naast de vervallen schuilstal.
Hieronder volgt een beschrijving van zoogdieren die mogelijk zijn te verwachten op of in de directe omgeving van het plangebied.
Steenuilen hebben relatief kleine territoria. Het activiteitsgebied rond nestplaatsen van steenuilen is in de regel slechts enkele honderden meters, waarbij de meeste activiteit wordt waargenomen binnen een straal van 50 – 100 meter van de nestlocaties. Het perceel is geschikt voor steenuilen om te foerageren en er kan dus met grote zekerheid worden gesteld dat het gehele perceel als essentieel foerageergebied kan worden beschouwd. Er is ook contact opgenomen met de uilenwerkgroep NMC Schijndel om na te gaan of er nesten van uilen en roofvogels binnen de invloedsfeer van de ingreep bekend zijn. Er is hiervoor contact gelegd met dhr. M. v.d. Wijst. Hij gaf aan dat overige nesten van de steenuilen en kerkuilen zich op ruime afstand van het plangebied bevinden (> 1 km). Nestlocaties van de bosuil (Strix aluco) en ransuil (Asio otus) zijn ook niet bekend direct rond het plangebied en worden, ook door de uilenwerkgroep, rond het plangebied niet verwacht. Er zijn geen geschikte oude, niet gebruikte, nesten van kraaien en eksters waar de ransuil in kan broeden en oude bomen met grote holen waar bosuil in kan rusten of broeden ontbreken. Overige soorten In het uiterste noordoosten van het weiland broedt wel een paartje ekster (Pica pica) in de hoge laanbomen. Het nest van de ekster is jaarrond beschermd en valt binnen categorie 5 (zie bijlage 2).
INSECTENETERS De egel (Erinaceus europaeus) leeft in bijna alle landschappen. In sommige gebieden zijn ze echter algemener dan in andere. Tuinen, bosranden, struweel en loofbos, liefst met ondergroei, zijn goede leefgebieden. Het is aannemelijk dat de egel (Erinaceus europaeus) in het plangebied foerageert en de kans op de aanwezigheid van een verblijfplaats in directe omgeving is aannemelijk. De mol (Talpa europaea) komt overal voor waar de grond geschikt is om in te graven. Voorwaarden zijn dat de bodem niet te zandig, te vochtig of te stenig is en dat er voldoende regenwormen aanwezig zijn. De bodem mag daarom ook niet te zuur zijn. De mol heeft een voorkeur voor rulle, humusrijke grond met een niet te hoge grondwaterstand en permanente begroeiing. Er zijn veel molshopen gevonden waarmee de aanwezigheid van deze soort is vastgesteld. Spitsmuizen Er kan een aantal spitsmuizen worden verwacht op of direct rondom het plangebied. De meeste spitsmuizen zijn echter vrijgesteld volgens de Verordening natuurbescherming Noord-Brabant. Dit zijn (dwergspitsmuis (Sorex minutus), gewone bosspitsmuis (Sorex araneus), huispitsmuis (Crocidura russula) en tweekleurige bosspitsmuis (Sorex coronatus)). Overige spitsmuizenmuizen zijn niet te verwachten (zie bijlage 4).
Overige soorten met een jaarrond beschermd nest worden niet verwacht (zie bijlage 2 en bijlage 4).
24
VLEERMUIZEN Verblijfplaatsen van vleermuizen worden niet verwacht.
Overige woelmuizen zijn op basis van hun verspreidingsgegevens niet te verwachten. Ware muizen
De kapschuur heeft een hele open structuur en kon daardoor goed worden geïnspecteerd. Er zijn geen geschikte plekken om beschut weg te kruipen. De metalen dakplaten nemen snel warmte op en geven snel warmte af en bieden daardoor ook geen stabiel microklimaat. In de kapschuur zijn ook geen uitwerpselen of resten van prooien gevonden die duiden op foeragerende dieren.
Er kan een aantal ware muizen worden verwacht op het terrein. Alle te verwachten ware muizen (bruine rat (Rattus norvegicus), zwarte rat (Rattus rattus), bosmuis (Apodemus sylvaticus), huismuis (Mus musculus), dwergmuis (Micromys minutus)) zijn echter vrijgesteld volgens de Verordening natuurbescherming Noord-Brabant.
De schuilstal bestaat uit enkele muren zonder mogelijkheden om weg te kruipen. Ook deze kon goed worden geïnspecteerd vanwege de open structuur.
Overige ware muizen zijn op basis van hun actuele verspreidingsgegevens niet te verwachten.
Loods 2 heeft een zeer open structuur en is daardoor toegankelijk voor vleermuizen. De daken hebben echter een open structuur (zie figuur 22 op pagina 19). Omdat er veel sporen zijn gevonden van bruine rat en deze vrijwel op alle plekken kan komen zal de loods ook geen veilig verblijfplaats bieden. In de loods zijn ook geen sporen aangetroffen die wel verwacht zouden worden als hier een verblijf aanwezig zou zijn. Door de open structuur biedt de loods ook geen stabiel binnenklimaat.
HAASACHTIGEN Konijn (Oryctolagus cuniculus) en haas (Lepus europaeus) kunnen in de directe omgeving worden verwacht. Konijnenholen en legers zijn niet gevonden. Beide soorten zijn vrijgesteld volgens de Verordening natuurbescherming Noord-Brabant.
Hetzelfde geldt min of meer voor loods 1 die niet zal worden gesloopt. Tussen de golfplaten en deze plafondplaten is sprake van een continue luchtstroom. Vleermuizen houden niet van locaties met onstabiele klimatologische omstandigheden.
ROOFDIEREN
KNAAGDIEREN
Hondachtigen zijn op basis van hun habitateisen niet te verwachten (zie ook bijlage 4).
Knaagdieren zijn op basis van hun actuele verspreidingsgegevens en habitateisen niet te verwachten (zie ook bijlage 4).
Marterachtigen
Woelmuizen, ware muizen en spitsmuizen Er kan een aantal woelmuisachtigen worden verwacht op het terrein en er zijn ook sporen van muizen aangetroffen. Alle te verwachten woelmuisachtigen (aardmuis (Microtus agrestis), rosse woelmuis (Myodes glareolus), ondergrondse woelmuis (Microtus subterraneus) en veldmuis (Microtus arvalis) zijn echter vrijgesteld volgens de Verordening natuurbescherming Noord-Brabant.
Hondachtigen
Van de marterachtigen zijn steenmarter (Martes foina), wezel (Mustela nivalis), bunzing (Mustela putorius) en das (Meles meles) in de directe omgeving waargenomen. Alle marters hebben gemeen dat ze een netwerk aan vaste verblijfsplaatsen hebben. Voorbeelden van rustplaatsen zijn: holen, houtstapels, holle bomen, drainagepijpen, takkenrillen, hooi- en strobalen, stapels stenen en puin, gaten en holten, schuurtjes, stallen, kelders en hooizolders. Rond en in de gebouwen zijn mogelijkheden voor de aanwezigheid van verblijfplaatsen en er zijn geleidende groenstructuren aanwezig waarin deze soorten zich door het landschap kunnen verplaatsen. Er zijn echter zowel in de gebouwen als op het perceel geen sporen (prooiresten, voedselvoorraden,
25
graafsporen, wissels, uitwerpselen etc.) aangetroffen die zouden wijzen op een mogelijke verblijfplaats van deze soorten. De meeste leden van deze familie verspreiden een sterke geur via de anaalklieren of kliertjes in de voetkussentjes van de achterpoten. Met deze geurstof worden de grenzen van een territorium gemarkeerd. Deze geur is nergens waargenomen. Er is ook geen overlast van stank (welke door latrines in gebouwen kan worden veroorzaakt). Ook zijn de gebouwen die worden gesloopt goed te controleren op mogelijke verblijfplaatsen. Deze zijn niet gevonden. Kleine marterachtigen en steenmarter kunnen daarom worden uitgesloten in de gebouwen.
EENHOEVIGEN
Vaste rust- en/of verblijfplaats van eenhoevigen kunnen worden uitgesloten. Er zijn hiervoor geen geschikte rustplaatsen aanwezig (zie ook bijlage 4).
6.4.5. Amfibieën In de sloot kunnen algemene soorten als bastaardkikker (Pelophylax kl. esculentus), kleine watersalamander (Lissotriton vulgaris) en wellicht alpenwatersalamander (Ichthyosaura alpestris) kunnen worden verwacht. De plaatsen (zowel land als waterhabitat) waar deze soorten zich op kunnen houden zullen buiten de invloedsfeer van de werkzaamheden liggen Ook mobiele soorten als gewone pad (Bufo bufo) en bruine kikker (Rana temporaria) kunnen worden verwacht in het struweel en verscholen onder allerlei objecten op het terrein. Overige amfibieën kunnen op basis van hun habitateisen of lokale verspreiding worden uitgesloten (zie bijlage 4).
6.4.6. Reptielen Beschermde reptielen kunnen op basis van hun habitateisen of lokale verspreiding worden uitgesloten (zie bijlage 4).
6.4.3. Vaatplanten, mossen en korstmossen Er zijn geen beschermde vaatplanten, mossen en korstmossen waargenomen. Er zijn enkel algemeen voorkomende soorten aanwezig. Het veldbezoek vond echter plaats buiten het groeiseizoen van de meeste planten en daarom kan op basis van enkel het veldbezoek de afwezigheid van beschermde vaatplanten niet worden bepaald. De kans op de aanwezigheid van beschermde soorten is vanwege de bemesting en historische landbewerking erg laag. Alle beschermde soorten die in de directe omgeving zijn waargenomen (zie bijlage 4) kunnen op basis van de standplaatscondities worden uitgesloten.
6.4.4. Vissen en zoetwaterweekdieren
6.4.7. Libellen, dagvlinders en macro-nachtvlinders Beschermde libellen (zie bijlage 4) zijn op basis van hun habitateisen niet te verwachten in de sloot en kunnen op basis hiervan worden uitgesloten. Voor beschermde dagvlinders en macro-nachtvlinders (zie bijlage 4) zijn de waardplanten of waardbomen afwezig. Op basis hiervan kunnen deze soorten worden uitgesloten.
6.4.8. Geleedpotigen Beschermde geleedpotigen kunnen op basis van hun habitateisen of lokale verspreiding worden uitgesloten (zie bijlage 4).
Beschermde vissen (zie bijlage 4) zijn op basis van hun habitateisen niet te verwachten in de sloot en kunnen op basis hiervan worden uitgesloten.
26
7
Effecten van de ingreep en toetsing aan de wet natuurbescherming
In dit hoofdstuk wordt ingegaan op de voorgenomen activiteiten en de effecten die deze activiteiten hebben op flora en fauna. Deze effecten worden vervolgens getoetst aan de Wet natuurbescherming
7.1.
Voornemen
De opdrachtgever heeft het voornemen om de kapschuur, de schuilstal en een loods te slopen. Dit om te voldoen aan de eisen die de gemeente heeft gesteld bij een principeverzoek om de bestemming van een deel van de woonboerderij te veranderen naar wonen.
7.2.
Activiteitenoverzicht
Het initiatief bestaat alleen uit de sloop van gebouwen. Drie gebouwen zullen worden gesloopt. In figuur 32 is een kaart te zien waar de sloop zal plaatsvinden. De sloop zal zo worden georganiseerd dat deze zo kort mogelijk duurt om de verstoring op de steenuil zoveel mogelijk te beperken. Een aantal delen zal met de hand worden gesloopt, maar de meeste delen met een shovel. Sloopafval wordt zo dicht mogelijk bij de Horstjens gesorteerd. Het sloopafval zal vervolgens worden afgevoerd met kiepwagens richting de N622. De route die hier bij wordt gevolgd is terug te vinden in figuur 32. Dit traject is ongeveer 300 meter lang. Bij de sloopwerkzaamheden kunnen de volgende verstorende effecten optreden: -
verlies vaste voortplantings- rust- of verblijfplaatsen; directe sterfte; verstoring door beweging van mensen en materiaal; verstoring door trilling; verstoring door geluid.
Figuur 32. Werkgebied en aan- en afvoerroute van sloop- en bouwmateriaal.
27
7.3.
Bepaling invloed van de effecten
Bepalend bij de beoordeling van negatieve effecten van een project is de vraag of er wel of geen wezenlijke negatieve invloed is op de gunstige staat van instandhouding van een beschermde soort. Voor ruimtelijke ontwikkelingen betreft dit vooral het aantasten van de functionaliteit van de vaste rust- en verblijfplaats van de soort. Het betreft de vaste rust- en verblijfplaats zelf, alsook de soortspecifieke omgevingseisen, gekoppeld aan de vaste rust- en verblijfplaats. Hierbij dient ook de actieradius van de soort te worden betrokken. Als er sprake is van permanente vaste rust- en verblijfplaatsen en de soort heeft op basis van een ruimtelijke ontwikkeling geen herstelmogelijkheden, dan is er wel een wezenlijke negatieve invloed Als er sprake is van herstelmogelijkheden van beschermde soorten tijdens en na realisatie van de ruimtelijke ontwikkeling, is er lokaal en regionaal geen wezenlijke negatieve invloed op de gunstige staat van instandhouding van de soort Voorafgaand aan de activiteit dienen effectbeperkende en/of mitigerende maatregelen te worden getroffen om het herstel zo snel mogelijk te laten plaatsvinden.
7.4.
Effecten op de flora en fauna
7.4.1. Vogels Het is zeer aannemelijk dat een aantal algemeen voorkomende vogels broedt op en direct rond het plangebied (zie ook paragraaf 6.4.1). Omdat alle vogels tijdens het broeden beschermd zijn, kunnen activiteiten tijdens het broedseizoen leiden tot een overtreding van de Wet natuurbescherming. Bescherming van vogelnesten Bij de uitvoering van het initiatief moet er rekening worden gehouden met het broedseizoen van vogels. De Wet natuurbescherming kent geen standaardperiode voor het broedseizoen. Het gaat erom of er een broedgeval is. Normaal gesproken loopt het broedseizoen voor de meeste vogelsoorten van 15 maart tot 15 juli, maar er zijn soorten die buiten deze periode broeden. Voorbeelden zijn de steenuil (Athene noctua) die al vanaf februari kan beginnen met broeden en holenduif (Columba oenas) die tot in oktober kan broeden. De meeste vogels maken elk broedseizoen een nieuw nest of zijn in staat om een nieuw nest te maken. Deze vogelnesten voor eenmalig gebruik vallen alleen tijdens het broedseizoen onder de bescherming van art 3.1 Wnb. Voor deze soorten is geen ontheffing nodig voor werkzaamheden buiten het broedseizoen. En ook niet als maatregelen worden getroffen die voorkomen dat deze soorten zich op of rond het werkgebied vestigen tijdens het broedseizoen. Buiten het broedseizoen mogen nesten worden verplaatst of verwijderd, maar daar zijn uitzonderingen op.
Jaarrond beschermde nesten
Uit het onderzoek naar beschermde soorten blijkt dat er beschermde soorten zijn aangetroffen of mogelijkerwijs zijn te verwachten binnen of direct rond het plangebied. In bijlage 4 zijn alle soorten weergegeven die zijn waargenomen, gesorteerd op de afstand ten opzichte van het plangebied. In deze paragraaf wordt ingegaan op de effecten op soorten die daadwerkelijk verwacht kunnen worden binnen de invloedsfeer van de geplande werkzaamheden.
Slechts een beperkt aantal soorten bewoont het nest permanent of keert elk jaar terug naar hetzelfde nest. Verblijfplaatsen van vogels die hun verblijfplaats het hele jaar gebruiken, zijn jaarrond beschermd. Uilen Binnen de invloedsfeer van de werkzaamheden is de nestlocatie van de steenuil (Athene noctua) jaarrond beschermd. De voorgenomen sloop van de schuilstal zal zeer waarschijnlijk verstorend werken als gevolg van het geluid dat hierbij wordt geproduceerd en de aanwezigheid van mensen en machines. 28
De kapschuur wordt door de steenuil gebruikt als rustplaats. Deze rustplaats zal verloren gaan door de sloop. Dit zal leiden tot een overtreding van de verbodsbepaling van art. 3.1 lid 2 Wnb. Hierin wordt gesteld dat het verboden is om opzettelijk nesten, rustplaatsen en eieren van vogels te vernielen of te beschadigen, of nesten van vogels weg te nemen. Ook het opruimen van rommelhoekjes zal een aantasting van het leefgebied betekenen. Dit zijn plaatsen waar prooidieren van de steenuil zich vaak ophouden. Om negatieve effecten te voorkomen moeten specifieke maatregelen worden genomen. Deze zijn samen met de lokale uilenwerkgroep opgesteld. 1. Er wordt zo snel mogelijk (maart/april 2021) een extra steenuilennestkast geplaatst die kan dienen als nieuwe rustplaats. Deze zal door de uilenwerkgroep worden geplaatst. Hierdoor zal de steenuil een voldoende lange gewenningsperiode hebben om deze nieuwe nestkast te ontdekken. 2. De kapschuur en schuilstal worden in de minst kwetsbare periode van de steenuil gesloopt. Als er ook rekening gehouden wordt met het broedseizoen van de holenduif in de kapschuur betekent dit dat de sloop vanaf november tot en met januari kan plaatsvinden. Om te borgen dat er in de juiste periode wordt gesloopt mag hier alleen mee worden aangevangen na schriftelijke toestemming van de uilenwerkgroep of Natuurlink. 3.
De duur van de sloop wordt zo kort mogelijk gehouden om de duur van de verstoring zoveel mogelijk te beperken. Hierop wordt de inzet van mensen en materieel afgestemd. 4. De intensiteit van de sloop dient wat betreft geluid zoveel mogelijk beperkt te worden. Er wordt alleen materiaal ingezet waarbij pieken in geluidsintensiteit worden voorkomen. Er mogen bijvoorbeeld geen boorhamers worden ingezet. Daarnaast moet een shovel bijvoorbeeld niet op volle toeren slopen, maar moet er met beleid worden gesloopt. Dit geldt dan met name voor de sloop van de schuilstal.
Verbeteren leefgebied van steenuil Doordat rommelige hoekjes verdwijnen kan de kwaliteit van het leefgebied afnemen. Daarom moeten specifieke op steenuil afgestemde beheermaatregelen of inrichtingsmaatregelen worden genomen om het leefgebied van de steenuil te verbeteren. Deze mitigatie dient voor aanvang van de sloopwerkzaamheden effectief te zijn, omdat ook een tijdelijke verslechtering van het foerageergebied kan leiden tot voedseltekorten. Hierdoor is er een grotere kans op sterfte en is er een grotere kans dat er minder jongen worden grootgebracht. Het beste is om maatregelen nemen om het voedselaanbod te vergroten. Het belangrijkste is hierbij om te richten op het stapelvoedsel van de steenuil. Dat zijn muizen (vooral veld- en bosmuizen) en in muizenarme jaren regenwormen. Verder staan op het menu van de steenuil de volgende soortgroepen: • • • • • • • • • • • • •
kleine vogels (mussen, spreeuwen en merels) meikevers diverse soorten loopkevers mestkevers oorwormen nachtvlinders spinnen larven rupsen kikkers salamanders vleermuizen regenwormen
Concreet betekent dit dat er moet worden gezorgd voor een terrein dat het hele jaar voorziet in voldoende voedsel en veiligheid. De volgende elementen daarin zijn van belang: • •
5. De sloop van de loods vindt plaats op een ander moment dan de sloop van de kapschuur en de schuilstal. Dit om te voorkomen dat aan beide zijden van het perceel gelijktijdig (zelfde dag) verstoring plaatsvindt.
•
6. Er wordt een landschapsontwikkelingsplan opgesteld waarin specifieke maatregelen worden uitgewerkt om het leefgebied van de steenuil te verbeteren.
•
•
Het perceel moeten een open tot halfopen structuur hebben. Er moet een afwisseling zijn tussen korte en verruigde vegetatie, waarbij met name korte vegetatie van belang is voor het zoeken naar voedsel. Er moet een gezonde bodem zijn waarin voldoende regenwormen aanwezig zijn. Er moeten voldoende zit- en uitkijkposten zijn om te foerageren en om te rusten (hekken, palen). Er mag geen gebruik worden gemaakt van insecticiden of andere pesticiden in het territorium of in de directe omgeving. 29
Mogelijke maatregelen om voldoende beschikbaar foerageergebied te realiseren zijn: •
laat het grasland (open of onder fruitbomen) begrazen door schapen of paarden; kort gras vormt geschikt jachtterrein voor de steenuil en mest trekt o.a. mestkevers en regenwormen;
op steenuil. Door het verbeteren van het habitat wordt ook op lange termijn gegarandeerd dat de steenuil hier kan blijven broeden. Overige soorten
•
schep muizenrijke plekken voor bos- en veldmuizen o.a. door extensieve beweiding van graslandjes, taluds, slootkanten en bermen, door het creëren van overhoekjes, de aanleg van ‘muizenruiters’ en het bereikbaar houden van graanopslag;
In het uiterste noordoosten van het weiland broedt wel een paartje ekster (Pica pica) in de hoge laanbomen. Het nest van de ekster is jaarrond beschermd en valt binnen categorie 5 (zie bijlage 2). De ekster is goed aangepast aan menselijke verstoring. Gezien de afstand van het nest tot de werkzaamheden worden geen negatieve effecten verwacht.
•
plant bomen, struiken en/of hagen en houtwallen aan i.v.m. hun aantrekkingskracht op meikevers, overige insecten en muizen;
•
laat zo mogelijk kruidenrijke akkerranden ontstaan; zeker waar deze grenzen aan houtwallen kan een hoog prooiaanbod voor de steenuil en tevens zeer geschikt leefgebied voor andere diersoorten worden gerealiseerd;
Nestlocaties van huismus worden niet verwacht in de te slopen gebouwen. Ook overige gebouwbewonende soorten worden niet verwacht.
•
laat een afgelegen hoekje van gazon of grasland doorgroeien; maai laat of stukjes helemaal niet, vele insecten kunnen daarin prima overwinteren;
•
verwerk snoeihout in een takkenwal;
•
leg een vijver of weidepoel aan met flauwe oevers;
•
laat bladafval waar mogelijk liggen, er leven veel rupsen en larven onder;
Soorten met een ongunstige staat van instandhouding (SVI) Volgens art. 3.1 lid 4 en lid 5 Wnb is het verboden vogels opzettelijk te storen, tenzij de storing niet van wezenlijke invloed is op de staat van instandhouding van de desbetreffende vogelsoort. Soorten die zich in een ongunstige staat van instandhouding bevinden, en gevoelig zijn voor verstoring, worden echter niet verwacht binnen de invloedsfeer van de werkzaamheden.
* Bron: Steenuilenoverleg (STONE): https://www.steenuil.nl/bescherming/maatregelen Een zeer geschikte handleiding die alle mogelijke maatregelen in detail beschrijft is hier te vinden: https://www.steenuil.nl/userfiles/Handboek.pdf Belangrijk om te realiseren is dat het enige tijd duurt voordat de inrichtingsmaatregelen daadwerkelijk leiden tot een kwaliteitsverbetering van het perceel. Ook dient er rekening te worden gehouden met het feit dat veldmuispopulaties sterke schommelingen in aantallen vertonen. Na een piekjaar volgt altijd een daljaar, waarna de populatie in drie jaar tijd weer toeneemt naar een maximum. Door stress, voedselschaarste, regen, vorst, etc. ontstaat vanzelf dan weer een daljaar. Als de hiervoor beschreven maatregelen worden uitgevoerd, dan verwacht zowel de uilenwerkgroep als Natuurlink dat de tijdelijke verstoring niet zal leiden tot het verlaten van de nestlocaties. Er worden daarom geen negatieve effecten verwacht 30
7.4.2. Zoogdieren
HAASACHTIGEN
INSECTENETERS
Vaste rust- en verblijfplaatsen van haasachtigen zijn niet vastgesteld binnen de invloedsfeer van de werkzaamheden. Negatieve effecten zijn hiermee uitgesloten. Daarnaast zijn konijn (Oryctolagus cuniculus) en haas (Lepus europaeus) vrijgesteld volgens de Interim omgevingsverordening Noord-Brabant.
Alle insecteneters die kunnen worden verwacht zijn vrijgesteld volgens de Interim omgevingsverordening Noord-Brabant. Een overtreding van de verbodsbepalingen is daarom niet aan de orde. Wel is de zorgplicht van toepassing. VLEERMUIZEN De aanwezigheid van verblijfplaatsen van vleermuizen is uitgesloten. Gezien de aard van de werkzaamheden wordt ook geen negatief effect verwacht op het foerageergebied van vleermuizen of aanwezige vliegroutes. KNAAGDIEREN Woelmuizen Er kan een aantal woelmuisachtigen worden verwacht op het terrein. Alle te verwachten woelmuisachtigen (aardmuis (Microtus agrestis), rosse woelmuis (Myodes glareolus) en veldmuis (Microtus arvalis)) zijn echter vrijgesteld volgens de Interim omgevingsverordening Noord-Brabant. Een overtreding van de verbodsbepalingen is daarom niet aan de orde. Wel is de zorgplicht van toepassing. Ware muizen Er kan ook een aantal ware muizen worden verwacht op het terrein. Alle te verwachten ware muizen ((bruine rat (Rattus norvegicus), zwarte rat (Rattus rattus), bosmuis (Apodemus sylvaticus), huismuis (Mus musculus), dwergmuis (Micromys minutus)) zijn echter vrijgesteld volgens de Interim omgevingsverordening Noord-Brabant. Een overtreding van de verbodsbepalingen is daarom niet aan de orde. Wel is de zorgplicht van toepassing.
ROOFDIEREN
Marterachtigen Vaste rust- en verblijfplaatsen van bunzing (Mustela putorius), wezel (Mustela nivalis) en steenmarter (Martes foina) kunnen wel in de gebouwen worden uitgesloten maar niet in de groenstructuren op het terrein. Mochten hier verblijfplaatsen aanwezig zijn, dan zullen deze niet fysiek worden vernietigd door de voorgenomen werkzaamheden. Er kan dus alleen mogelijk sprake zijn van verstoring. Kleine marters zijn het meest kwetsbaar in de kraamperiode (periode 15 maart tot 1 september). Hetzelfde geldt voor de steenmarter. Bij mogelijke aanwezigheid van marters mogen in deze periode geen verstorende activiteiten worden uitgevoerd. Marters zijn namelijk gevoelig voor verstoring. Zeker in de periode dat voor jongen moet worden gezorgd, kan verstoring leiden tot negatieve effecten. Dit kan dan leiden tot een overtreding van art 3.5 lid 2 en art 3.5 lid 4 Wnb. Dit betekent dat er buiten de kwetsbare periode moet worden gewerkt en dat betreft de periode van september tot maart. Omdat er ook met andere soortgroepen rekening dient te worden gehouden, wordt deze periode echter beperkt tot de periode november tot februari. Als de werkzaamheden binnen deze periode worden uitgevoerd worden negatieve effecten op marterachtigen uitgesloten. EENHOEVIGEN Vaste rust- en verblijfplaatsen van evenhoevigen zijn niet te verwachten. Negatieve effecten zijn hiermee uitgesloten. 31
7.4.3. Vaatplanten en mossen Er zijn geen beschermde vaatplanten en mossen waargenomen of te verwachten. Negatieve effecten zijn hiermee uitgesloten.
7.4.4. Vissen en zoetwaterweekdieren Beschermde vissen worden niet verwacht binnen de invloedsfeer van de werkzaamheden. Negatieve effecten zijn hiermee uitgesloten.
7.4.5. Amfibieën Beschermde amfibieën worden alleen mogelijk verwacht buiten de invloedsfeer van de werkzaamheden. Een uitzondering vormen mobiele soorten als gewone pad (Bufo bufo) en bruine kikker (Rana temporaria). Deze kunnen worden verwacht verscholen in rommelige hoekjes op het terrein. Deze soorten zijn echter vrijgesteld volgens de Interim omgevingsverordening Noord-Brabant. Een overtreding van de verbodsbepalingen is daarom niet aan de orde. Wel is de zorgplicht van toepassing.
7.4.6. Reptielen Vaste rust- en verblijfplaatsen van reptielen zijn niet vastgesteld en te verwachten. Negatieve effecten zijn hiermee uitgesloten.
7.4.7. Libellen, dagvlinders en macro-nachtvlinders Beschermde libellen, dagvlinders en macro-nachtvlinders zijn niet te verwachten binnen het plangebied. Negatieve effecten op deze soortgroepen zijn hiermee uitgesloten.
7.4.8. Geleedpotigen Overige beschermde insecten zijn niet te verwachten binnen het plangebied. Negatieve effecten op deze soortgroepen zijn hiermee uitgesloten.
32
7.5.
Effecten op beschermde natuurgebieden
Tabel 5. Toetsing van mogelijke negatieve effecten van het project op Natura 2000gebieden
Natura 2000-gebieden
Mogelijke negatieve effecten
Effect kan optreden?
Toelichting
Natura 2000-gebieden worden direct beschermd via de Wnb. Plannen, projecten en overige handelingen mogen geen negatieve effecten hebben op de instandhoudingsdoelen van deze gebieden.
Oppervlakteverlies
Nee
N.v.t.
Versnippering
Nee
N.v.t.
Verzuring door stikstof uit de lucht
Nee
Stikstofdepositie niet significant
Vermesting door stikstof uit de lucht
Nee
Stikstofdepositie niet significant
Verzoeting
Nee
N.v.t.
Verzilting
Nee
N.v.t.
Verontreiniging
Nee
N.v.t.
Verdroging
Nee
N.v.t.
Vernatting
Nee
N.v.t.
Verandering stroomsnelheid
Nee
N.v.t.
Verandering overstromingsfrequentie
Nee
N.v.t.
Verandering dynamiek substraat
Nee
N.v.t.
Verstoring door geluid
Nee
N.v.t.
Verstoring door licht
Nee
N.v.t.
Verstoring door trilling
Nee
N.v.t.
Optische verstoring
Nee
N.v.t.
Verstoring door mechanische effecten
Nee
N.v.t.
Verandering in populatiedynamiek
Nee
N.v.t.
Bewuste verandering soortensamenstelling
Nee
N.v.t.
Gezien de aard van de werkzaamheden en de afstand tot beschermde natura 2000-gebieden kan alleen redelijkerwijs een mogelijk negatief effect worden verwacht door de uitstoot van stikstof (zie ook tabel 5). Voor de sloop worden mobiele werktuigen ingezet. Deze voertuigen stoten stikstof uit. De hoeveelheid stikstof die wordt uitgestoten is afhankelijk van de emissiewaarden van de voertuigen. De stikstofdepositie die hierdoor ontstaat, kan mogelijk negatieve effecten hebben op de instandhoudingsdoelen van de Natura 2000-gebieden. Op basis van de gegevens uit de ‘Handreiking woningbouw en AERIUS’ en de afstand van het plangebied tot beschermde natura 2000-gebieden en de voorgenomen werkzaamheden kan met zekerheid worden gesteld dat er geen significant negatief effect is te verwachten op de instandhoudingsdoelstellingen van de natura 2000-gebieden.
Natuurnetwerk Nederland (NNN) Voor het Natuurnetwerk Nederland (NNN) geldt het toetsingskader van het Besluit algemene regels ruimtelijke ordening (Barro). Hierin is ‘nee, tenzij’ beginsel opgenomen. Directe of indirecte aantasting van de aanwezige natuur- en landschapswaarden door een ingreep binnen het NNN dient waar mogelijk te worden voorkomen. Het plangebied valt niet binnen het NNN, waardoor het hiervoor genoemde toetsingskader niet van toepassing is. Wel is ‘externe werking’ van toepassing in de Provincie Noord-Brabant. Er dient dus te worden beoordeeld of er sprake is van een directe of indirecte aantasting van de aanwezige natuur- en landschapswaarden door de ingreep. Gezien de aard van de ingreep en de afstand tot het NNN is hier geen sprake van en worden geen negatieve effecten op het NNN verwacht.
33
8
Conclusies en aanbevelingen
In dit hoofdstuk worden de conclusies uit de ecologische quickscan beschreven. Hierbij wordt een indeling naar beschermingsregime gebruikt.
Beschermingsregime soorten Vogelrichtlijn Een aantal algemeen voorkomende vogels kunnen mogelijk als broedvogel worden verwacht direct rond het plangebied. Omdat alle vogels tijdens het broeden beschermd zijn, kunnen activiteiten tijdens het broedseizoen die dicht bij mogelijke nestlocaties liggen leiden tot een overtreding van de Wet natuurbescherming. Volgens art. 3.1 lid 2 Wnb is het namelijk verboden opzettelijk nesten, rustplaatsen en eieren van vogels te vernielen of te beschadigen, of nesten van vogels weg te nemen. Hieronder valt ook een dusdanige verstoring dat het nest wordt verlaten. Volgens art. 3.1 lid 4 en lid 5 Wnb is verboden vogels opzettelijk te storen, tenzij de storing niet van wezenlijke invloed is op de staat van instandhouding van de desbetreffende vogelsoort. Vogels die zich in een ongunstige staat van instandhouding bevinden worden echter niet verwacht. Werkzaamheden kunnen daarom het beste worden gestart buiten het broedseizoen. Als de werkzaamheden doorlopen tot in het broedseizoen, dan worden er geen verbodsbepalingen overtreden. Vogels zullen zich ofwel niet vestigen of er is gewenning opgetreden aan de verstoring waardoor negatieve effecten zijn uitgesloten. Voor het broedseizoen stelt de Wnb geen vaste begin- of einddatum. Het gaat er om of er een broedgeval is.
Normaal gesproken loopt het broedseizoen voor de meeste vogelsoorten van 15 maart tot 15 juli, maar er zijn soorten die buiten deze periode broeden. Op het perceel broedt zowel een steenuil (Athene noctua) die al vanaf begin februari kan broeden en holenduif (Columba oenas) en houtduif (Columba palumbus) die tot eind oktober kunnen broeden.
Jaarrond beschermde nesten Binnen de invloedsfeer van de werkzaamheden is de nestlocatie van de steenuil (Athene noctua) jaarrond beschermd. De voorgenomen sloop van de schuilstal zal zeer waarschijnlijk verstorend werken als gevolg van het geluid dat hierbij wordt geproduceerd en de aanwezigheid van mensen en machines. Dit kan er mogelijk toe leiden dat de nestlocatie wordt verlaten. De kapschuur wordt daarnaast door de steenuil gebruikt als rustplaats. Deze rustplaats zal verloren gaan door de sloop. Dit zal leiden tot een overtreding van de verbodsbepaling van art. 3.1 lid 2 Wnb. Hierin wordt gesteld dat het verboden is om opzettelijk nesten, rustplaatsen en eieren van vogels te vernielen of te beschadigen, of nesten van vogels weg te nemen. Ook het gelijktijdig opruimen van rommelhoekjes rond de te slopen schuren zal een aantasting van het leefgebied betekenen. Dit zijn plaatsen waar prooidieren van de steenuil zich vaak ophouden. Om negatieve effecten te voorkomen moeten specifieke maatregelen worden genomen. Deze zijn samen met de lokale uilenwerkgroep opgesteld. 1. Er wordt zo snel mogelijk (maart/april 2021) een extra steenuilennestkast geplaatst die kan dienen als nieuwe rustplaats. Deze zal door de uilenwerkgroep worden geplaatst op een gunstige plek. Hierdoor zal de steenuil een voldoende lange gewenningsperiode hebben om deze nieuwe nestkast te ontdekken. 2.