Bijlage 2: Buitengebied Erp herziening Hool 41_Toelichting
Tekst van het document
26
Ad j Door de sloop van de verouderde bebouwing en nieuwbouw bijgebouw gaat onderhavig planvoornemen gepaard met een fysieke verbetering van de kwaliteit in de omgeving. Daarnaast wordt het perceel landschappelijk ingepast. In paragraaf 3.2.2 is deze kwaliteitsimpuls toegelicht Omgevingsdialoog Nieuwe ontwikkelingen moeten bijdragen aan de visie van de gemeente Meierijstad. Hierin speelt het maatschappelijk draagvlak een belangrijke rol. De omwonenden en directe omgeving moeten worden betrokken bij het genereren van draagvlak. De directe omgeving heeft betrekking op iedereen waarop het initiatief effect heeft. In dit geval zijn dat omwonenden aan de Hool X. De initiatiefnemer heeft de omwonenden op de hoogte gebracht van de gewenste ontwikkelingen op de planlocatie. Van de kennisgeving en de reactie van de betrokken personen is een schriftelijke reactie opgesteld. De formulieren van de omgevingsdialoog zijn bijgevoegd als Bijlage 4.
3.3.5 PARAPLUBESTEMMINGSPLAN PARKEREN / NOTA PARKEREN 2018 Vanaf 1 juli 2018 zijn de stedenbouwkundige voorschriften uit de Bouwverordening komen te vervallen. Eén van de consequenties van het vervallen van de stedenbouwkundige voorschriften is dat vanaf dat moment bij het verlenen van een omgevingsvergunning niet meer op basis van de Bouwverordening getoetst kan worden aan de gemeentelijke parkeernormen. De wetgever heeft het mogelijk gemaakt om via het bestemmingsplan regels te stellen over parkeernormen. Het Paraplubestemmingsplan Parkeren is op 31 januari 2019 vastgesteld, waarmee aan Nota Parkeernormen Meierijstad 2018 getoetst dient te worden. Dit betekent dat de parkeernormen bij (bouw)plantoetsing nu aan de bestemmingsplannen gekoppeld gaan worden. Het plan bevat daarnaast een mogelijkheid voor het bevoegd gezag om bij een omgevingsvergunning af te wijken van de normen, mits aangetoond wordt dat dit niet zal leiden tot onvoldoende parkeergelegenheid. Het niet in stand houden van parkeerplaatsen wordt bovendien aangemerkt als zijnde strijdig met het bestemmingsplan. Conclusie plan(gebied) Met onderhavig plan wordt geen afbreuk gedaan aan de maatregelen en doelstellingen die gemeente voor ogen heeft. Volgens het paraplubestemmingsplan Parkeren moeten er 3 parkeerplaatsen aanwezig zijn op de locatie.
In hoofdstuk 4.8 wordt nader ingegaan op de aspecten verkeer en parkeren in relatie tot de onderhavige ontwikkeling. Onderhavig plan sluit aan bij c.q. doet geen afbreuk aan de ambities en de (beleids)doelstellingen en -uitgangspunten zoals verwoord in het Paraplubestemmingsplan parkeren / Nota Parkeren 2018.
27
4. MILIEU- EN OMGEVINGSASPECTEN Ruimtelijke plannen kunnen van invloed zijn op de omgeving. Anderzijds kan ook de zichtbare en soms niet zichtbare omgeving van invloed zijn op de uitvoerbaarheid van de voorgenomen plannen. In dit hoofdstuk worden de omgevingsfactoren beschreven. Daarnaast wordt per omgevingsfactor beoordeeld wat de invloed op het plan kan zijn. 4.1 BEDRIJVEN EN MILIEUZONERING Zowel de ruimtelijke ordening als het milieubeleid stellen zich ten doel een goede kwaliteit van het leefmilieu te handhaven en te bevorderen. Dit gebeurt onder andere door milieuzonering. Onder milieuzonering verstaan we het aanbrengen van een voldoende ruimtelijke scheiding tussen milieubelastende bedrijven of inrichtingen enerzijds en milieugevoelige functies als wonen en recreëren anderzijds. De ruimtelijke scheiding bestaat doorgaans uit het aanhouden van een bepaalde afstand tussen milieubelastende en milieugevoelige functies. Voor het bepalen van de aan te houden afstanden wordt de VNG-uitgave 'Bedrijven en Milieuzonering' uit 2009 gehanteerd. Deze uitgave bevat een lijst, waarin voor een hele reeks van milieubelastende activiteiten (naar SBI-code gerangschikt) richtafstanden zijn gegeven ten opzichte van milieugevoelige functies. De lijst geeft richtafstanden voor de ruimtelijk relevante milieuaspecten geur, stof, geluid en gevaar.
De grootste van de vier richtafstanden is bepalend voor de indeling van een milieubelastende activiteit in een milieucategorie en daarmee ook voor de uiteindelijke richtafstand. De richtafstandenlijst gaat uit van gemiddeld moderne bedrijven. Indien bekend is welke activiteiten concreet zullen worden uitgeoefend, kan gemotiveerd worden uitgegaan van de daadwerkelijk te verwachten milieubelasting, in plaats van de richtafstanden. De afstanden worden gemeten tussen enerzijds de grens van de bestemming die de milieubelastende functie(s) toelaat en anderzijds de uiterste situering van de gevel van een milieugevoelige functie die op grond van het bestemmingsplan mogelijk is. 4.1.1 GEBIEDSTYPEN In de VNG-uitgave 'Bedrijven en Milieuzonering' is een tweetal gebiedstypen te onderscheiden; 'rustige woonwijk' en 'gemengd gebied'. Een rustige woonwijk is een woonwijk die is ingericht volgens het principe van functiescheiding. Overige functies komen vrijwel niet voor. Langs de randen is weinig verstoring van verkeer. Op basis van de VNG-uitgave wordt het buitengebied gerekend tot een met het omgevingstype 'rustige woonwijk' vergelijkbaar omgevingstype. Het omgevingstype 'gemengd gebied' wordt in de VNG-uitgave 'Bedrijven en milieuzonering' als volgt omschreven: 'Een gemengd gebied is een gebied met een matige tot sterke functiemenging.
Direct naast woningen komen andere functies voor zoals winkels, horeca en kleine bedrijven. Ook lintbebouwing in het buitengebied met overwegend agrarische en andere bedrijvigheid kan als gemengd gebied worden beschouwd. Gebieden die direct langs de hoofdinfrastructuur liggen, behoren eveneens tot het omgevingstype gemengd gebied. Hier kan de verhoogde milieubelasting voor geluid de toepassing van kleinere richtafstanden rechtvaardigen. Geluid is voor de te hanteren afstand van milieubelastende activiteiten veelal bepalend.' De richtafstanden (met uitzondering van het aspect gevaar) uit het omgevingstype rustige woonwijk kunnen, zonder dat dit ten koste gaat van het woon- en leefklimaat, met één afstandsmaat worden verlaagd indien sprake is van gemengd gebied. Daarbij wordt in de VNG-uitgave 'Bedrijven en milieuzonering' opgemerkt dat het vanuit het oogpunt van efficiënt ruimtegebruik de voorkeur verdient functiescheiding niet verder door te voeren dan met het oog op een goed woon- en leefklimaat noodzakelijk is.
28
Het plangebied is gelegen in het buitengebied, waar geen sprake is van sterke menging van functies. Daarom wordt in dit geval uitgegaan van het omgevingstype 'rustige woonwijk'. Onderstaande tabel geeft de richtafstanden weer voor de verschillende omgevingstypes.
4.1.2 SITUATIE PLANGEBIED De VNG uitgave 'Bedrijven en Milieuzonering' geeft een eerste inzicht in de milieuhinder van inrichtingen. Zoals reeds hiervoor genoemd, wordt bij het realiseren van nieuwe functies gekeken naar de omgeving waarin de nieuwe functies gerealiseerd worden. Hierbij spelen twee vragen een rol: 1. past de nieuwe functie in de omgeving? (externe werking); 2. laat de omgeving de nieuwe functie toe? (interne werking). Externe werking Hierbij gaat het met name om de vraag of de voorgenomen ruimtelijke ontwikkeling leidt tot een situatie die, vanuit hinder of gevaar bezien, in strijd is te achten met een goede ruimtelijke ontwikkeling. Daarvan is sprake als het woon- en leefklimaat van omwonenden in ernstige mate wordt aangetast. In de nieuwe situatie is sprake van een woonbestemming. Dit betreft een functie waarbij geen sprake is van het veroorzaken van hinder. Door de functieverandering worden de intensieve agrarische bedrijfsactiviteiten opgeheven, wat het woon- en leefklimaat voor omwonenden doet verbeteren. Interne werking Hierbij gaat het om de vraag of de nieuwe (gevoelige) functie binnen het plangebiedgebied hinder ondervindt van bestaande functies in de omgeving. De directe omgeving van het projectgebied wordt gekenmerkt door voornamelijk burgerwoningen. Het dichtstbijzijnde agrarische bedrijf ligt op circa 157 meter.
Dit betreft het bedrijf op de locatie Hool 39 te Erp. In de onderstaande tabel is het dichtstbijzijnde agrarisch bouwvlak opgenomen. In de tabel zijn tevens de VNG-richtafstanden en de daadwerkelijke afstand tussen de nieuwe woonbestemmingsvlakken binnen het plangebied en het betreffende agrarische bouwvlak opgenomen. De overige bouwvlakken liggen buiten de 200 meter, de richtafstand voor agrarische bedrijven. Adres
Omschrijving
Milieucategorie
Hool 39
paardenhouderij
3.1
Max. richtafstand (rustige woonwijk) 50
Werkelijke afstand tot bouwvlak 157
29
4.1.3 CONCLUSIE De gewenste ontwikkeling past op grond van de Brochure Bedrijven en Milieuzonering op de locatie van de initiatiefnemer en dat omliggende woningen en bedrijven zullen geen overlast ondervinden van het initiatief.
4.2 GELUID De Wet geluidhinder (Wgh) vormt een belangrijk juridisch kader voor het Nederlandse geluidbeleid. De wet biedt geluidsgevoelige gebouwen en terreinen (zoals woningen, ziekenhuizen, verpleeghuizen, psychiatrische inrichtingen en de terreinen daaromheen) bescherming tegen geluidhinder van wegverkeerslawaai, spoorweglawaai en industrielawaai door middel van zonering. Voor de geluidsgevoelige objecten moeten bepaalde grenswaarden in acht worden gehouden.
4.2.1 SITUATIE PLANGEBIED Wegverkeerslawaai Het wijzigen van de intensieve veehouderij naar Wonen kan niet gerealiseerd worden binnen het huidige bestemmingsplan. Voor de locatie is een nieuw bestemmingsplan opgesteld. Voor de omzetting van een agrarische bedrijfswoning naar een burgerwoning is een geluidbeoordeling nodig. Omdat de bestemming ligt in de geluidzone van de weg Hool (60 km/h) moet er getoetst worden of er voldaan wordt aan de Wet geluidhinder. Toetsing van de berekende geluidbelastingen aan de voorkeursgrenswaarde en maximale ontheffingswaarde dient per geluidbron (weg) afzonderlijk te geschieden op de gevels van de geluidgevoelige bestemming. De voorkeursgrenswaarde bedraagt bij nieuwe bestemmingen met een woonfunctie 48 dB. Verder is bij aanwezige wegen en nog niet geprojecteerde geluidgevoelige woonfunctie onder bepaalde voorwaarden een ontheffing tot maximaal 53 (wegen buiten bebouwde kom) mogelijk. Voor dit project is voor de geluidbeoordeling een akoestisch onderzoek uitgevoerd. De conclusie uit het akoestisch onderzoek is hieronder weergegven. “Geconcludeerd kan worden dat ten gevolge van het Hool de voorkeursgrenswaarde van 48 dB op de voorgevel wordt overschreden. Maatregelen aan de bron en in de overdracht zijn niet reëel. De hoogste geluidsbelasting op de woning bedraagt 51 dB.
De geluidsbelastingen zijn inclusief de wettelijke aftrek conform artikel 3.4 van het Reken- en meetvoorschrift geluidhinder 2012. Ruimtelijke ordening. De hoogste cumulatieve geluidsbelasting op de gevels van de nieuwe woning bedraagt 56 dB. De binnenwaarde in de verblijfsruimten wordt getoetst / gewaarborgd door de vereisten uit het Bouwbesluit, te weten 33 dB. Om deze binnenwaarde te halen, moet bij onderhavig project met deze geluidsbelasting op de gevel een minimale geluidsisolatie van (56-33=) 23 dB worden bereikt. Met de toegepaste bouwkundige maatregelen aan de woning (spouwmuur, dubbel glas, dakisolatie) zal hieraan ruimschoots worden voldaan. Hierdoor is een goed woon- en leefklimaat ook in de woning gegarandeerd. Op het terras / tuin van de woning is eveneens sprake van een goed woon- en leefklimaat.” Railverkeerslawaai en industrielawaai Het plangebied ligt niet in de nabijheid van een gezoneerd bedrijventerrein of van een spoorlijn. Hierdoor is dit aspect niet relevant. Het onderdeel industrielawaai vormt daarom geen belemmering.
30
4.2.2 CONCLUSIE Er kan worden geconcludeerd dat de aspecten geluid en wegverkeerslawaai geen belemmeringen vormen voor het planvoornemen. Wel dient er gelijktijdig met het vaststellen van het bestemmingsplan een hogere waarde procedure doorlopen te worden voor het toestaan van een hogere geluidsbelasting dan de voorkeursgrenswaarde. 4.3 BODEMKWALITEIT Het landelijk beleid gaat uit van het principe dat de bodem geschikt dient te zijn voor de beoogde functie. Met andere woorden, de bodemkwaliteit mag geen onaanvaardbaar risico opleveren voor de gebruikers van de bodem. De gewenste functie bepaalt als het ware de gewenste bodemkwaliteit. Op alle locaties waar een ingrijpende functiewijziging wordt voorzien dient een bodemtoets te worden uitgevoerd. Indien op grond van historische informatie blijkt dat in het verleden bodembedreigende activiteiten hebben plaatsgevonden, dan dient een verkennend bodemonderzoek te worden uitgevoerd. Op basis van de onderzoeksresultaten moet vervolgens worden nagegaan of er vervolgmaatregelen getroffen moeten worden, zoals een nader onderzoek of eventueel een bodemsanering. Om te kunnen bepalen of de bodemkwaliteit geschikt is voor de woonfunctie dient er eerst een verkennend bodemonderzoek conform de NEN 5740 in het plangebied met de toekomstige bestemming wonen te worden uitgevoerd.
Ook waar in het plangebied sprake is (geweest) van bodembedreigende activiteiten dient de bodemkwaliteit bepaald te worden. Tevens dient er een asbestonderzoek in bodem conform de NEN 5707 voorafgaand aan de sloop ter plaatse van de met asbest(vezels)verdachte toplaag van de onverharde drupzones en infiltratieplekken van het hemelwater bij de te slopen stallen, veldschuur en opslagloods te worden uitgevoerd. Indien er sprake is van gecoate asbesthoudende golfplaten op de daken, dan dient de toplaag van de onverharde drupzones en de infiltratieplekken van het hemelwater naast asbest ook op PCB te worden onderzocht.
4.3.1 SITUATIE PLANGEBIED Bodemonderzoek is uitgevoerd. Zie bijlage 5. De conclusie van het onderzoek is hieronder ingevoegd. ” In uw opdracht is een onderzoek uitgevoerd op een bodemmonster gemerkt als: “Hool 41 Keldonk”. Het doel van het onderzoek is een beeld te geven van de milieukwaliteit door middel van een analyse op het standaard milieu pakket ”schone grond” volgens NEN 5740. De analyseresultaten zijn als bijlage bijgevoegd en zijn alle geaccrediteerd door de R.v.A. (Raad van Accreditatie, voorheen STERLAB). Dit monster van deze grond blijkt niet verontreinigd. Er zijn in het geheel geen stoffen aangetroffen boven de streefwaarde, dat wil zeggen dat dit monster niet als verontreinigd wordt beschouwd. Er is in deze bodemlaag op deze (dit) locatie(deel) geen nader onderzoek noodzakelijk. Zie verder de tabel geschiktheidsbeoordeling voor de verschillende soorten van grondgebruik.”
4.3.2 CONCLUSIE Geconcludeerd kan worden dat het aspect bodem – na het na de sloop doorlopen van een aanvullend asbest in bodemonderzoek en het treffen van eventueel noodzakelijke vervolgacties – geen belemmering vormt voor onderhavige ontwikkeling.
31
4.4 LUCHTKWALITEIT Om een goede luchtkwaliteit in Europa te garanderen heeft de Europese Unie een viertal kaderrichtlijnen opgesteld. De hiervan afgeleide Nederlandse wetgeving is vastgelegd in hoofdstuk 5, titel 2 van de Wet milieubeheer. Deze wetgeving staat ook bekend als de Wet luchtkwaliteit. In de Wet luchtkwaliteit staan onder meer de grenswaarden voor de verschillende luchtverontreinigende stoffen. Onderdeel van de Wet luchtkwaliteit zijn de volgende Besluiten en Regelingen: • Besluit en de Regeling niet in betekenende mate bijdragen (luchtkwaliteitseisen); • Besluit gevoelige bestemmingen (luchtkwaliteitseisen); 4.4.1 BESLUIT EN DE REGELING NIET IN BETEKENENDE MATE BIJDRAGEN Het Besluit niet in betekenende mate bijdragen (NIBM) staat bouwprojecten toe wanneer de bijdrage aan de luchtkwaliteit van het desbetreffende project niet in betekenende mate is. Het begrip “niet in betekenende mate” is gedefinieerd als 3% van de grenswaarden uit de Wet milieubeheer. Het gaat hierbij uitsluitend om stikstofdioxide (NO2) en fijn stof (PM10). Toetsing aan andere luchtverontreinigende stoffen uit de Wet luchtkwaliteit vindt niet plaats. In de Regeling NIBM is een lijst met categorieën van gevallen (inrichtingen, kantoor- en woningbouwlocaties) opgenomen die niet in betekenende mate bijdragen aan de luchtverontreiniging.
Enkele voorbeelden zijn: • woningen: 1.500 met een enkele ontsluitingsweg; • woningen: 3.000 met twee ontsluitingswegen; • kantoren: 100.000 m² bruto vloeroppervlak met een enkele ontsluitingsweg. Als een ruimtelijke ontwikkeling niet genoemd staat in de Regeling NIBM kan deze nog steeds niet in betekenende mate bijdragen. De bijdrage aan NO2 en PM10 moet dan minder zijn dan 3% van de grenswaarden. 4.4.2 BESLUIT GEVOELIGE BESTEMMINGEN Dit besluit is opgesteld om mensen die extra gevoelig zijn voor een matige luchtkwaliteit aanvullend te beschermen. Deze 'gevoelige bestemmingen' zijn scholen, kinderdagverblijven en verzorgings-, verpleeg- en bejaardentehuizen. Woningen en ziekenhuizen/ klinieken zijn geen gevoelige bestemmingen. De grootste bron van luchtverontreiniging in Nederland is het wegverkeer. Het Besluit legt aan weerszijden van rijkswegen en provinciale wegen zones vast. Bij rijkswegen is deze zone 300 meter, bij provinciale wegen 50 meter. Bij realisatie van 'gevoelige bestemmingen' binnen deze zones is toetsing aan de grenswaarden die genoemd zijn in de Wet milieubeheer nodig. 4.4.3 SITUATIE PLANGEBIED Plannen hebben pas een negatief effect op de luchtkwaliteit, zodra de verkeersgeneratie in ruime mate toeneemt.
Ter vergelijking; een effect op de luchtkwaliteit hoeft pas aangetoond te worden als de bouw van 1.500 woningen of 66.667 m² kantoor en de daarmee gepaard gaande verkeersgeneratie plaatsvindt. Onderhavig plan heeft uiteraard een veel lagere verkeersaantrekkende functie dan 1.500 nieuwe woningen of 66.667 m² nieuw kantooroppervlakte. Hierdoor valt het plan ruim onder de 3% grens voor PM10 of NO2. Het plan draagt dan ook ‘niet in betekenende mate’ (NIBM) bij aan de luchtverontreiniging. 32
Gesteld kan worden dat de luchtkwaliteit zal voldoen aan de grenswaarden en dat de luchtkwaliteit verder geen belemmeringen vormt voor de te volgen procedure. Het plan voldoet aan de uitvoeringsregels uit het Besluit NIBM en de Regeling NIBM. Aanvullende berekeningen zijn in het kader van het aspect luchtkwaliteit niet aan de orde. Het aspect luchtkwaliteit levert derhalve geen beperking en/of belemmeringen op aan de planontwikkeling. Verder geldt dat het plangebied niet is gelegen binnen een zone van 300 meter vanaf de rand van een Rijksweg of een zone van 50 meter vanaf de rand van een provinciale weg. Op basis hiervan kan geconcludeerd worden dat het Besluit gevoelige bestemmingen niet van toepassing is. 4.4.4 CONCLUSIE Het bestemmingsplan zelf biedt daarmee geen mogelijkheden om overschrijdingen teniet te doen, noch staat het plan het bereiken van de algemene doelstelling voor luchtkwaliteit in de weg. De realisatie van het bestemmingsplan houdt geen juridisch relevante verslechtering in voor de luchtkwaliteit, er is sprake van een project wat niet-in-betekenende-mate bijdraagt aan de luchtkwaliteit. 4.5 EXTERNE VEILIGHEID Externe veiligheid is een beleidsveld dat is gericht op het beheersen van risico's die ontstaan voor de omgeving bij de productie, de opslag, de verlading, het gebruik en het transport van gevaarlijke stoffen.
Bij nieuwe ontwikkelingen moet worden voldaan aan strikte risicogrenzen. Een en ander brengt met zich mee dat nieuwe ruimtelijke ontwikkelingen moeten worden getoetst aan wet- en regelgeving op het gebied van externe veiligheid. Concreet gaat het om risicovolle bedrijven, vervoer gevaarlijke stoffen per weg, spoor en water en transport gevaarlijke stoffen via buisleidingen. Op de diverse aspecten van externe veiligheid is afzonderlijke wetgeving van toepassing. Voor risicovolle bedrijven gelden onder meer: • het Besluit externe veiligheid inrichtingen (Bevi); • de Regeling externe veiligheid inrichtingen (Revi); • het Registratiebesluit externe veiligheid; • het Besluit risico's zware ongevallen 2015 (Brzo 2015); • het Vuurwerkbesluit. Voor vervoer van gevaarlijke stoffen geldt de 'Wet Basisnet vervoer gevaarlijke stoffen' (Wet Basisnet). Dat vervoer gaat over water, spoor, wegen of door de lucht. De regels van het Basisnet voor ruimtelijke ordening zijn vastgelegd in: • het Besluit externe veiligheid transportroutes (Bevt); • de Regeling basisnet; • de (aanpassing) Regeling Bouwbesluit (veiligheidszone en plasbrandaandachtsgebied). Het vervoer van gevaarlijke stoffen per buisleiding is geregeld in het Besluit externe veiligheid buisleidingen (Bevb).
Het doel van wetgeving op het gebied van externe veiligheid is risico's waaraan burgers in hun leefomgeving worden blootgesteld vanwege risicovolle inrichtingen en activiteiten tot een aanvaardbaar minimum te beperken. Het is noodzakelijk inzicht te hebben in de kwetsbare en beperkt kwetsbare objecten en het plaatsgebonden en het groepsrisico.
33
4.5.1 SITUATIE PLANGEBIED Aan de hand van de Risicokaart is een inventarisatie verricht van risicobronnen in en rond het plangebied. In afbeelding 7 is een uitsnede van de Risicokaart met betrekking tot het plangebied en omgeving weergegeven.
Afbeelding 7: Uitsnede risicokaart (bron: www.risicokaart.nl)
4.5.2 CONCLUSIE Uit de inventarisatie blijkt dat het plangebied: • zich niet bevindt binnen de risicocontour van Bevi- en Brzo-inrichtingen danwel inrichtingen die vallen onder het Vuurwerkbesluit (plaatsgebonden risico); • zich niet bevindt binnen een gebied waarbinnen een verantwoording van het groepsrisico nodig is; • niet is gelegen binnen de veiligheidsafstanden van het vervoer gevaarlijke stoffen; • niet is gelegen binnen de veiligheidsafstanden van buisleidingen voor het vervoer van gevaarlijke stoffen.
34
4.6 ECOLOGIE Natura 2000-gebieden Bescherming in het kader van de natuur wet- en regelgeving is op te delen in gebieds- en soortenbescherming. Sinds 1 januari 2017 is het wettelijk kader ten aanzien van gebieds- en soortenbescherming vastgelegd in de Wet natuurbescherming. Bij gebiedsbescherming heeft men te maken met Natura 2000-gebieden en het Natuurnetwerk Nederland (NNN). Soortenbescherming gaat uit van de bescherming van dier- en plantensoorten. In afbeelding 8 is de ligging van het plangebied ten opzichte van de Natura 2000 gebieden weergegeven.
Afbeelding 8: Ligging plangebied t.o.v. Natura 2000 (bron: www.aerius.nl)
Het plangebied bevindt zich op circa 17,6 kilometer afstand van het dichtstbijzijnde Natura 2000gebied Strabrechtse Heide & Beuven. Gezien de afstand tot Natura 2000-gebieden en de aard en omvang van de ontwikkeling ten opzichte van de huidige situatie, kan worden geconcludeerd dat er geen sprake is van significant negatieve effecten op Natura 2000-gebieden. Stikstof Daarnaast zal door de beëindiging van de veehouderij de uitstoot van ammoniak en stikstofoxiden vrijwel in zijn geheel worden beëindigd. Dit betekent een verbeterde situatie voor natuurgebieden met voor stikstof gevoelige leefgebieden en/of soorten. De beëindiging van de veehouderij betekent
35
daarmee een mindere belasting van natuurgebieden in de omgeving, waarmee wordt bijgedragen aan de doelstellingen van de overheid voor een verminderde uitstoot van stikstof op belangrijke natuurgebieden. Het voorgenomen initiatief heeft daarmee een positief effect op de natuur. Om bovenstaande te kunnen motiveren is een Aerius-berekening gemaakt. In deze berekening is uitgegaan van de maximale planologische mogelijkheden die het plan biedt, inclusief flexibiliteitsbepalingen. De Aerius-berekening is toegevoegd in bijlage 7. De conclusie van deze berekeningen is: “Op basis van de AERIUS berekeningen is er sprake van geen stikstofdepositie in Natura 2000gebieden in de aanleg- en gebruiksfase. Dit betekent dat er geen negatieve effecten plaatsvinden op Natura 2000-gebieden als gevolg van dit project.”
Natuurnetwerk Nederland (NNN) Het Natuurnetwerk Nederland (NNN) is de kern van het Nederlands natuurbeleid. Het NNN is in provinciale structuurvisies uitgewerkt. In of in de directe nabijheid van het NNN geldt het 'nee, tenzij'principe. In principe zijn er geen ontwikkelingen toegestaan als zij de wezenlijke kenmerken of waarden van het gebied aantasten. In afbeelding 9 is de ligging van het plangebied ten opzichte van het NNB weergegeven. In de interim omgevingsverordening Noord-Brabant is een kaart opgenomen met de Natuur Netwerk Brabant gebieden (NNB). In afbeelding 9 is de ligging van het plangebied ten opzichte van het NNB weergegeven.
36
Afbeelding 9: Ligging plangebied t.o.v. NNB
Het plangebied behoort niet tot het NNB. Gronden die tot het NNB behoren liggen op ruim 280 meter afstand van het plangebied. Gezien de aard en omvang van de ontwikkeling en de onderlinge afstand tot het NNN is geen sprake van een aantasting van de wezenlijke kenmerken en waarden.
4.6.1 SOORTENBESCHERMING Wat betreft de soortbescherming is de Wet natuurbescherming van toepassing. Hierin wordt onder andere de bescherming van dier- en plantensoorten geregeld. Bij ruimtelijke ontwikkelingen dient te worden getoetst of er sprake is van negatieve effecten op de aanwezige natuurwaarden. Als hiervan sprake is, moet ontheffing of vrijstelling worden gevraagd.
4.6.2 SITUATIE PLANGEBIED In de beoogde situatie worden de agrarische opstallen gesloopt en wordt een nieuw bijgebouw gerealiseerd waardoor dient te worden aangetoond dat in de te slopen bebouwing geen beschermde soorten worden verstoord. Om te onderzoeken welke flora en fauna aanwezig zijn in het plangebied is een quickscan Wet natuurbescherming uitgevoerd; het rapport behorend bij deze quickscan is in bijlage 3 gevoegd. De conclusie uit de quickcan Wet natuurbescherming is hieronder weergegeven. “Op basis van uitgevoerd onderzoek zijn geen effecten met werkzaamheden te verwachten die van negatieve invloed zijn op de gunstige staat van instandhouding van de waargenomen soorten of mogelijk aanwezige soorten en hun functioneel leefgebied. De te slopen bedrijfsgebouwen zijn volledig afgesloten voor eventuele toegang voor beschermde diersoorten. Natuurgebieden worden niet aangetast door de ontwikkeling in het plangebied. Nader onderzoek of een ontheffingsaanvraag is dan ook niet nodig.” 4.6.3 CONCLUSIE Geconcludeerd wordt dat er geen sprake is van negatieve effecten op de ecologische waarden. Nader onderzoek is niet noodzakelijk. Ecologie vormt geen belemmering voor de procedure van dit bestemmingsplan. 4.7 ARCHEOLOGIE & CULTUURHISTORIE 4.7.1 ARCHEOLOGIE Op grond van de Erfgoedwet dient er in ruimtelijke plannen rekening gehouden te worden met archeologische waarden.
In de Erfgoedwet is bepaald dat gemeenten een archeologische zorgplicht hebben en dat initiatiefnemers van projecten waarbij de bodem wordt verstoord, verplicht zijn rekening te houden met de archeologische relicten die in het plangebied aanwezig (kunnen) zijn. Hiervoor is onderzoek noodzakelijk: het archeologisch vooronderzoek. Als blijkt dat in het plangebied behoudenswaardige archeologische vindplaatsen aanwezig zijn, dan kan de initiatiefnemer verplicht worden hiermee rekening te houden. Dit kan leiden tot een aanpassing van de plannen, waardoor de vindplaatsen behouden blijven, of tot een archeologische opgraving en publicatie van de resultaten.
4.7.2 SITUATIE PLANGEBIED De voormalige gemeente Veghel heeft haar archeologiebeleid verwerkt in het vigerende bestemmingsplan. Ter plaatse van de planlocatie is sprake van een lage archeologische verwachtingswaarde op basis waarvan de dubbelbestemming 'Waarde-archeologie 4' is vastgesteld. Archeologisch onderzoek is noodzakelijk bij een bodemverstoring van 10.000 m² en dieper dan 0,3
37
meter. Vanwege het initiatief wordt op de planlocatie de bodem niet geroerd op plekken waar de bodem niet reeds is geroerd. In onderhavig bestemmingsplan wordt de huidige archeologische dubbelbestemming ‘Waarde – Archeologie 4’ gehandhaafd. Op deze manier worden de mogelijke archeologische waarden te allen tijde beschermd. 4.7.3 CULTUURHISTORIE Onder cultuurhistorische waarden worden alle structuren, elementen en gebieden verstaan die cultuurhistorisch van belang zijn. Zij vertellen iets over de ontstaansgeschiedenis van het Nederlandse cultuurlandschap. Vaak is er een sterke relatie tussen aardkundige aspecten en cultuurhistorische aspecten. In het Bro is sinds 1 januari 2012 (artikel 3.1.6, vijfde lid, onderdeel a) opgenomen dat een bestemmingsplan “een beschrijving van de wijze waarop met de in het gebied aanwezige cultuurhistorische waarden en in de grond aanwezige of te verwachten monumenten rekening is gehouden” dient te bevatten.
4.7.4 SITUATIE PLANGEBIED Er bevinden zich in het plangebied zelf geen rijks- dan wel gemeentelijke monumenten, zie de cultuurhistorische verwachtingskaart in afbeelding 10.
Afbeelding 10: Cultuurhistorische verwachtingskaart
38
In het plangebied of in de directe nabijheid van het plangebied is er ook geen sprake van bijzondere cultuurhistorische waarden. Daarom is er geen sprake van nadelige gevolgen voor de cultuurhistorische waarden in de omgeving van het plangebied. 4.7.5 CONCLUSIE Geconcludeerd wordt dat er geen archeologisch onderzoek benodigd is en er geen sprake is van negatieve effecten op de cultuurhistorische waarden. De aspecten archeologie en cultuurhistorie vormen geen belemmering voor de procedure van dit bestemmingsplan.
4.8 VERKEER EN PARKEREN Bij het opstellen van bestemmingsplannen moet rekening worden gehouden met de parkeerbehoefte en de verkeersgeneratie die ontstaan door een nieuwe ontwikkeling. 4.8.1 SITUATIE PLANGEBIED Verkeer Met de beëindiging van de veehouderij zal het aantal verkeersbewegingen fors afnemen. De afname van het aantal verkeersbewegingen als gevolg van de beëindiging van de intensieve veehouderij en het wegvallen van de verkeersbewegingen doormiddel van vrachtverkeer en/of zwaar landbouwverkeer leidt eveneens tot een verminderde verkeersdruk in de omgeving. Parkeren Naast een goede ontsluiting streeft de gemeente Meierijstad naar een goede parkeerbalans op nieuw te ontwikkelen percelen. Het “Paraplubestemmingsplan Parkeren” is op 31 januari 2019 vastgesteld, waarmee aan Nota Parkeernormen Meierijstad 2018 getoetst dient te worden. Voor het plangebied betekent dit dat er voldoende parkeergelegenheid aanwezig moet zijn. Minimaal 3,0 parkeerplaatsen voor een vrijstaande woning, dat op eigen terrein gerealiseerd moet en kan worden. De parkeerbehoefte moet namelijk volledig op eigen terrein worden ingevuld. Op de planlocatie is in de nieuw situatie ruim voldoende parkeergelegenheid aanwezig voor drie auto’s.
4.8.2 CONCLUSIE Het aspect verkeer en parkeren vormt geen belemmering voor het onderhavige initiatief.
4.9 KABELS EN LEIDINGEN Transport van gevaarlijke stoffen vindt plaats over de weg, het spoor, het water en door buisleidingen. Tijdens het transport kunnen dingen misgaan waardoor de gevaarlijke lading kan ontbranden of exploderen of waardoor er bijvoorbeeld giftige gassen ontsnappen via een lek of breuk. Bij risicovolle buisleidingen kan gedacht worden aan (hogedruk) transport van aardgas, maar ook van olie, benzine, kerosine, chemische producten en industriële gassen. Deze stoffen kunnen giftig, lichtontvlambaar, of brandbaar zijn. Buisleidingen lopen meestal ondergronds, maar kunnen soms ook bovengronds voorkomen. De grootste kans op een beschadiging aan een buisleiding ontstaat door graafwerkzaamheden. Denk hierbij aan werkzaamheden aan gas-, olie- en waterleidingen in de grond, of kabels voor stroom, TV, telefoon en internet. De risicokaart toont alle aardgasleidingen vanaf een diameter van 50 mm en een druk van 16 bar, alle buisleidingen voor brandbare vloeistoffen vanaf een diameter van 100 mm en alle overige buisleidingen waarvan geldt dat er een overschrijding van de wettelijke norm is op 5 meter afstand van de buis. Deze wettelijke norm is het plaatsgebonden risico 10 -6. 39
Het Besluit Externe Veiligheid Buisleidingen (Bevb) is op 1 januari 2011 in werking getreden. In het Besluit externe veiligheid buisleidingen zoals dit per 1 januari 2011 geldt, staan veiligheidseisen voor de exploitant en de gemeente. Exploitanten hebben een zorgplicht en moeten ervoor zorgen dat hun buisleidingen veilig zijn. Gemeenten moeten buisleidingen in hun bestemmingsplan opnemen en bij nieuwbouw zorgen voor genoeg afstand tot de buisleidingen. 4.9.1 SITUATIE PLANGEBIED Teneinde een goede belangenafweging mogelijk te maken voor de vele functies binnen het plangebied is het noodzakelijk om inzicht te hebben in de ligging en eigenschappen van binnen het plangebied voorkomende kabels en leidingen. Sommige van deze kabels en leidingen vereisen een bepaalde afstand tot gevoelige functies. Voor het plan is met name de ligging van de hoofdtransportleidingen van belang, aangezien deze gekoppeld zijn aan een bepaalde afstand die aangehouden dient te worden waarbinnen geen bebouwing mag plaatsvinden. Besluit externe veiligheid buisleidingen Er bevindt zich geen (hoge druk) gasleiding binnen of op korte afstand van het plangebied. Overige kabels en (buis)leidingen Nutsbedrijven eisen dat kabels en leidingen in het openbaar gebied (komen te) liggen.
De initiatienemer van onderliggend bouwplan is verplicht zorg te dragen voor een door gemeente en nutsbedrijven geaccordeerde wijze van aansluiting. Verder ligt er geen 150 kV hoogspanningslijn in de nabijheid van het plangebied. De kleinere leidingen worden voorafgaand aan de bouwwerkzaamheden middels een KLIC-melding in kaart gebracht. Overige zonering Er zijn in en nabij het plangebied geen ondergrondse leidingen, waterkeringen, straalpaden, invliegfunnels of molenbiotopen aanwezig waarvan de aanwezigheid van invloed kan zijn op de voorgenomen ontwikkeling in het plangebied. 4.9.2 CONCLUSIE Geconcludeerd kan worden dat het voorgenomen plan, beschouwd vanuit de aspecten ondergrondse infrastructuur, kabels en leidingen, geen problemen oplevert. Nader onderzoek is niet nodig. 4.10 WATERPARAGRAAF Bij de watertoets gaat het om het verantwoorden van de waterhuishoudelijke aspecten bij ruimtelijke plannen en besluiten. Met behulp van de watertoets wordt er naar gestreefd om het waterhuishoudkundig aspect in combinatie met het ruimtelijke beleid toe te passen op het beoogde plangebied, waarbij op basis van de voorgenomen ontwikkelingen gezocht is naar een hydrologisch neutrale oplossingsrichting. Vanuit verschillende overheidsniveaus zijn beleid en uitgangspunten geformuleerd voor wat betreft de omgang met afstromend hemelwater.
De belangrijkste uitgangpunten hierbij zijn het hydrologisch neutraal ontwikkelen en het doorlopen van de volgorde ‘hergebruik-vasthouden-berging-afvoer’. Het waterschap heeft een beleidsnota met uitgangspunten ten behoeve van de watertoets. Hierbij staan de volgende principes centraal: • wateroverlastvrij bestemmen; • gescheiden houden van vuil water en schoon hemelwater; • doorlopen van de afwegingsstappen: ‘hergebruik - infiltratie - buffering - afvoer’; 40
• • • • •
hydrologisch neutraal bouwen; water als kans; meervoudig ruimtegebruik; voorkomen van vervuiling rekening houden met waterschapsbelangen.
De voornoemde principes liggen in lijn met het landelijke beleid ten aanzien van de watertoets. Gestreefd dient te worden naar een waterhuishoudkundig minimaal gelijkwaardige situatie. Het belangrijkste gegeven is het geohydrologisch compenseren van een eventuele toename van verharde oppervlakte, waardoor hemelwater versneld kan worden afgevoerd. 4.10.1 SITUATIE PLANGEBIED De ontwikkeling op de planlocatie heeft tot gevolg dat het verharde oppervlakte afneemt en het aandeel onverharde oppervlakte toeneemt. Door de afname in bebouwing en verharding in de toekomstige situatie zal de infiltratiecapaciteit binnen het plangebied toenemen. Het aanleggen van bergingsvoorzieningen wordt derhalve niet nodig geacht. 4.10.2 CONCLUSIE Het aspect water levert geen belemmeringen op voor de verdere planontwikkeling.
4.11 MILIEUEFFETRAPPORTAGE EN VORMVRIJE M.E.R. -BEROORDELING Behalve aan de uitvoeringsaspecten bedoeld in de Awb en het Bro dient ook te worden getoetst aan de Wet milieubeheer en het Besluit m.e.r. of er sprake is van een mogelijke verplichting tot het opstellen van een milieueffectrapportage. Een milieueffectrapportage (MER), en de bijbehorende procedure (m.e.r.), is een hulpmiddel om de belangen van het milieu volwaardig te betrekken bij de besluitvorming omtrent plannen en projecten. Het gaat hierbij wel enkel om plannen en projecten die kunnen leiden tot initiatieven waarmee het milieu mogelijk nadelig kan worden beïnvloed. Als uitgangspunt geldt voor plannen de onderstaande criteria om te beoordelen of een MER noodzakelijk is: 1. Plannen die kaderstellend zijn voor toekomstige m.e.r.- (beoordelings)plichtige besluiten (boven de grenswaarden uit de C- of D-lijst van het Besluit m.e.r.); 2. Plannen waarvoor een passende beoordeling nodig is in verband met een mogelijk significant negatief effect op Natura 2000 gebieden; 3. Plannen en activiteiten die o.g.v. een provinciale milieuverordening zijn aangewezen als MERplichtig. Per 1 april 2011 is het Besluit m.e.r. gewijzigd.
De belangrijkste aanleidingen hiervoor zijn de modernisering van de m.e.r.-wetgeving in 2010 en de uitspraak van het Europese Hof van 15 oktober 2009 (HvJ EG 15 oktober 2009, zaak C-255/08 – Commissie vs. Nederland). Deze wijziging heeft gevolgen voor eerstgenoemd criterium om te beoordelen of een MER noodzakelijk is. Uit deze uitspraak volgt dat de omvang van een project niet het enige criterium mag zijn om wel of geen m.e.r.(-beoordeling) uit te voeren. Ook als een project onder de drempelwaarde uit de C- of D-lijst blijft, kan een project belangrijke nadelige gevolgen hebben, als het bijvoorbeeld in of nabij een kwetsbaar natuurgebied ligt. Gemeenten en provincies moeten daarom per 1 april van 2011 ook bij 'kleine projecten' (projecten onder de drempelwaarden van de C- of D-lijst) beoordelen of een m.e.r.(beoordeling) nodig is. Dit wordt de 'vormvrije m.e.r.-beoordeling' genoemd. Deze beoordeling houdt in dat er bekeken moet worden of er bij het initiatief sprake is van dusdanig bijzondere omstandigheden of milieueffecten dat er toch een MER moet worden opgesteld. Hierbij wordt gekeken naar de selectiecriteria uit bijlage III bij de m.e.r.-richtlijn (2011/92/EU), welke o.a. de omvang van het project, de cumulatie met andere projecten en het gebruik van natuurlijke hulpbronnen betreffen.
41
4.11.1 SITUATIE PLANGEBIED Een plan is kaderstellend voor een toekomstig m.e.r.-(beoordelings)plichtig besluit indien er sprake is van een overschrijding van de grenswaarden uit de C- of D-lijst van het Besluit m.e.r. In de onderhavige situatie is er sprake van de omschakeling naar wonen. Een dergelijke activiteit wordt niet genoemd op de C-lijst of D-lijst. Geconcludeerd wordt dat het plan derhalve niet kaderstellend is voor een m.e.r.-(beoordelings)plichtig besluit. Wat betreft het eerste criterium geldt er derhalve geen plicht tot het opstellen van een MER. 4.11.2 CONCLUSIE Er kan worden geconcludeerd dat er in het betreffende plan wordt voldaan aan de wettelijke verplichtingen hieromtrent het Milieueffetrapportage en vormvrije m.e.r. -beroordeling
4.12
GEUR
De Wet geurhinder en veehouderij schept het kader voor de onderbouwing van nieuwe plannen voor het aspect geur. De Wgv heeft ook consequenties voor de ontwikkeling van nieuwe ruimtelijke projecten. Dit wordt de omgekeerde werking genoemd. Een geurnorm is bedoeld om mensen te beschermen tegen geurhinder, omgekeerd moet het bevoegd gezag dan ook niet toestaan dat nieuwe projecten gerealiseerd worden op plaatsen waar de geurhinder onaanvaardbaar hoog is of door nieuwe ontwikkelingen te hoog zal worden. De grondslag hiervan ligt in de Wet ruimtelijke ordening (Wro). Bij besluitvorming omtrent een bestemmingsplan moet worden bepaald of er sprake is van een ‘goede ruimtelijke ordening’. Er moet worden nagegaan of een partij onevenredig in haar belangen wordt geschaad. Ook voor geurhinder betekent dit dat de volgende aspecten nader onderzocht moeten worden: − Wordt overigens niet iemand onevenredig in zijn belangen geschaad? (belang veehouderij) (voorgrondbelasting); − Is er ter plaatse een goed woon- en verblijfklimaat gegarandeerd? (belang geurgevoelig object) (achtergrondbelasting). Onder voorgrondbelasting wordt verstaan de individuele geurbelasting op het plangebied van de aanwezige veehouderijen in de omgeving van het plangebied (belang veehouderij).
Onder achtergrondbelasting wordt verstaan de cumulatieve geurbelasting op het plangebied als gevolg van de aanwezige veehouderijen in de omgeving van het plangebied (belang geurgevoelig object). Voor de maximale geurbelasting op geurgevoelige objecten gelden wettelijke geurnormen. Voor een concentratiegebied geldt een maximale geurbelasting van 3 odour units per kubieke meter lucht binnen de bebouwde kom en 14 odour units per kubieke meter lucht buiten de bebouwde kom. Gemeenten mogen bij verordening van de normen in de Wet geurhinder en veehouderij afwijken, binnen bepaalde grenzen. Het hanteren van afwijkende normen moet worden onderbouwd vanuit een ruimtelijke visie op de ontwikkeling van het gebied, de zogenaamde gebiedsvisie.
4.12.1 SITUATIE PLANGEBIED Voorgrondbelasting Op grond van de Wet geurhinder en veehouderij moet de afstand vanuit het dierenverblijf tot aan een geurgevoelig object binnen de bebouwde kom minimaal 100 meter zijn. Als het geurgevoelige object buiten de bebouwde kom ligt, dan geldt een afstand van minimaal 50 meter. Deze afstand wordt gemeten vanuit het emissiepunt van het dierenverblijf. Een buitenbak of uitloop voor paarden is niet het dierenverblijf. Een geurgevoelig object is – kort gezegd – een gebouw bestemd voor menselijk wonen of menselijk verblijf en dat daarvoor permanent wordt gebruikt. Voorbeelden hiervan zijn 42
woningen, ziekenhuizen, recreatiewoningen etc. De afstand van de buitenzijde van het dierenverblijf tot de buitenkant van het geurgevoelig object is ten minste 50 meter als het geurgevoelig object binnen de bebouwde kom ligt. Als het buiten de bebouwde kom ligt, is de afstand minimaal 25 meter. Volgens artikel 3 lid 2 van de Wet geurhinder en veehouderij, bedraagt de afstand tussen een veehouderij en een geurgevoelig object dat onderdeel uitmaakt van een andere veehouderij, of dat op of na 19 maart 2000 heeft opgehouden deel uit te maken van een andere veehouderij buiten de bebouwde kom 50 meter. De bedrijfswoning die omgezet wordt naar een burgerwoning is tot op heden een bedrijfswoning op een locatie met de bestemming Agrarisch – Intensieve veehouderij. Een dergelijke woning moet op 50 meter van een veehouderij zijn gelegen . Aan deze afstand wordt voldaan. In de directe omgeving van het plangebied is het dichtstbijzijnde veehouderijbedrijf: − Hool 39 : afstand circa 157 meter van bouwblok tot bouwblok De afstand van Hool 39 tot Hool 41 (bouwblok-bouwblok) voldoen aan de afstandseis. Achtergrondbelasting De achtergrond belasting wordt veroorzaakt door alle omliggende veehouderijen in een straal van 2 kilometer om de locatie aan de Hool.
Om te bezien of er iemand onevenredig in zijn belangen wordt geschaad (belangen veehouderij en derden) en of dat er ter plaatse van het initiatief een goed woonen leefklimaat geldt (belangen geurgevoelig object) is de gebiedsvisie van de gemeente Meierijstad (Veghel) geraadpleegd. Hiervoor zijn de geurcontouren en de vaste afstandscirkels van de omliggende bedrijven alsmede de achtergrondbelasting ter plaatse van het plangebied in beeld gebracht. Navolgende figuur geeft een beeld van de indicatieve achtergrondbelasting voor de planlocatie Hool 41 en omgeving hiervan.
Kaart: achtergrondbelasting geur: matige kwaliteit leefomgeving
Ter plaatse van de woning is thans reeds sprake van een matige leefomgeving, tussen de 13-20 ou/m³. Het leefklimaat als gevolg van de achtergrondbelasting voldoet aan de toetswaarde van 20,0
43
ou/m³ in het buitengebied, derhalve wordt ter plaatse van de beoogde ontwikkeling een aanvaardbaar woon- en leefklimaat gegarandeerd. Echter de planlocatie aan de Hool wordt gesaneerd van intensieve veehouderij naar wonen zodat de geur ter plaatse lager is. Door sanering van de intensieve veehouderij aan De Hool te Erp verbetert de achtergrondbelasting naar een kwaliteit van de directe omgeving welke in ieder geval goed is (3-7 ou/m³).
4.12.2 CONCLUSIE Het aspect geur levert geen belemmeringen op voor onderhavig project
4.13 GEWASBESCHERMINGSMIDDELEN. Kenmerkend voor de land- en tuinbouw zijn de intensieve teeltsystemen met een relatief hoog gebruik van gewasbeschermingsmiddelen. Bij het spuiten van gewasbeschermingsmiddelen komt drift vrij. Drift is een term die gebruikt wordt voor de spuitvloeistof die tijdens de bespuiting buiten het te behandelen gebied terecht komt als gevolg van wind- en luchtstromen. Drift is hoger bij toepassing in fruitteelt dan bij de akkerbouw en lage bomenteelt, waarbij voornamelijk neerwaarts wordt gespoten. Derhalve dient in het kader van een goede ruimtelijke ordening afstand te worden gehouden tussen gevoelige objecten en boomgaarden. Er zijn geen wettelijke bepalingen over de aan te houden afstand. Door de Raad van State wordt bij beoordeling van nieuwe ruimtelijke situaties vanwege drift een afstand van 50 meter aangehouden.
4.13.1 SITUATIE PLANGEBIED Het voornemen heeft geen betrekking op een nieuw gevoelig object. Het betreft een omzetting van een reeds bestaande bedrijfswoning naar een burgerwoning. Daarbij komt dat binnen een straal van 50 meter van de bestaande woning geen boomteelt plaatsvindt. Ook zijn er geen spuitzones opgenomen in het vigerende bestemmingsplan. Omdat geen sprake is van een nieuw gevoelig object vormt dit aspect geen belemmering voor de beoogde ontwikkeling.
4.13.2 CONCLUSIE Het aspect driftzonering levert geen belemmeringen op voor onderhavig project
4.14 VOLKSGEZONDHEID IN RELATIE TOT VEEHOUDERIJEN
4.14.1 VARKENS- EN PLUIMVEEHOUDERIJEN Veehouderijen kunnen mogelijk gezondheidseffecten veroorzaken op omwonenden. Dit speelt met name bij varkenshouderijen, pluimveehouderijen en geitenhouderijen. Effecten van veehouderijen op de volksgezondheid, kunnen op verschillende manieren tot stand komen, bijvoorbeeld via diercontact, via de lucht, via de mest en via voedingsmiddelen van dierlijke oorsprong. Besmettingsgevaar wordt geregeld in de wetgeving voor volksgezondheid.
44
De Wet ruimtelijke ordening (Wro) en Wet algemene bepalingen omgevingsrecht (Wabo) bevatten geen toetsingskader voor onderwerpen die in de wetgeving voor Volksgezondheid zijn geregeld. Mensen kunnen echter in contact komen met de micro-organismen die dieren bij zich dragen door direct contact met de dieren, de mest of stof, of via inademing van de lucht. Daarom dienen de effecten en risico's op de volksgezondheid nader in beeld te worden gebracht.
4.14.2 HANDREIKING VEEHOUDERIJ EN VOLKSGEZONDHEID 2.0 Middels de "Handreiking veehouderij en volksgezondheid" wordt een aanpak aangedragen hoe zorgvuldig en praktisch om te gaan met het aspect volksgezondheid bij de ontwikkeling van veehouderijen of het toepassen van de omgekeerde werking. De Handreiking bevat een praktisch stappenplan waarin de afweging wordt gemaakt of de gemeente zelf de volksgezondheid beoordeelt, of dat een advies van de Gemeentelijke Gezondheidsdienst (GGD) noodzakelijk wordt geacht. Situatie plangebied Ten behoeve van de voorgenomen ontwikkeling is het stappenplan uit de handreiking gevolgd. In het stappenplan wordt aan de reeks van een aantal vragen bepaald of nader advies van de GGD nodig is. De toetsing aan het stappenplan is als volgt: Stap 1: Edotoxinen: Bij de voorgenomen ontwikkeling is geen sprake van het houden van varkens en/of het houden van pluimvee. Wel wordt bij de voorgenomen ontwikkeling een bestaande bedrijfswoning omgeschakeld naar een burgerwoning. Binnen 200 meter van de locatie zijn echter, gemeten vanuit de gewenste bouwvlakken na realisatie van het project, geen varkenshouderijen gelegen. Tevens zijn binnen 500 meter van de locatie geen pluimveehouderijen gelegen. Stap 2: Emissies: De ontwikkeling leidt niet tot een toename in de emissie voor geur en/of fijnstof en/of ammoniak. Er is sprake van de beëindiging van een veehouderij.
De emissies nemen daarmee alleen maar af. Stap 3: Geur: Er is geen sprake van het houden van dieren. Ten aanzien van veehouderijen in de omgeving wordt, zoals nader omschreven in de paragraaf "Geur" (paragraaf 4.12), aan de vaste afstanden en/of geurnormen voldaan. Tevens kan een aanvaardbaar woon- en leefklimaat ten aanzien van geur worden geborgd. Aan het wettelijk kader ten aanzien van geur wordt daarmee voldaan. Aan de gezondheidskundige advieswaarde ten aanzien van geur wordt eveneens voldaan. Stap 4: Gecombineerde diersoorten: Bij de voorgenomen ontwikkeling worden geen dieren meer gehouden. Er is in de nabije omgeving ook geen sprake van een inrichting waarop meerdere diersoorten gecombineerd worden gehouden. Tevens is geen sprake van een kleinere afstand dan 100 meter tot varkens- en/of pluimveehouderijen. Stap 5: Varkens-, pluimvee- en geitenhouderijen: Binnen 2 kilometer van de locatie zijn geen geitenhouderijen gelegen. Tevens zijn binnen 1 kilometer van de locatie geen pluimveehouderij gelegen en binnen 200 meter van de locatie geen varkenshouderijen gelegen. Stap 6: Mestbewerking en/of -verwerking: Er is bij de voorgenomen ontwikkeling geen sprake van de bewerking en/of verwerking van mest.
45
Stap 7: Ongerustheid bij omwonenden: Er is geen sprake van ongerustheid bij omwonenden. Op basis van voorgaande hoeft vanuit het stappenplan uit de handreiking geen advies van de GGD te worden ingewonnen.
4.14.3 CONCLUSIE Het aspect volksgezondheid levert geen belemmeringen op voor onderhavig project
46
5. JURIDISCHE ASPECTEN EN PLANVERANTWOORDING 5.1 INLEIDING In de voorgaande hoofdstukken is ingegaan op het plangebied, het relevante beleid en de milieu- en omgevingsaspecten. De informatie uit deze hoofdstukken is gebruikt om keuzes te maken bij het maken van het juridische deel van dit plan: de verbeelding en de regels. In dit hoofdstuk wordt dieper ingegaan op de opzet van dit juridische deel. Daarnaast wordt een verantwoording gegeven van de gemaakte keuzes op de verbeelding en in de regels. Dat betekent dat er wordt aangegeven waarom een bepaalde functie ergens is toegestaan en waarom bepaalde bebouwing daar acceptabel is. 5.2 OPZET REGELS In de Wet ruimtelijke ordening (Wro) die op 1 juli 2008 in werking is getreden, is de verplichting opgenomen om ruimtelijke plannen en besluiten digitaal vast te stellen. De digitaliseringsverplichting geldt vanaf 1 januari 2010. In de ministeriële Regeling standaarden ruimtelijke ordening is vastgelegd dat de Standaard Vergelijkbare Bestemmingsplannen (SVBP) de norm is voor de vergelijkbaarheid van bestemmingsplannen. Naast de SVBP zijn ook het Informatiemodel Ruimtelijke Ordening en de Standaard Toegankelijkheid Ruimtelijke Instrumenten normerend bij het vastleggen en beschikbaar stellen van bestemmingsplannen. De SVBP geeft normen voor de opbouw van de planregels en voor de digitale verbeelding van het bestemmingsplan.
Dit bestemmingsplan is opgesteld conform de normen van de SVBP2012. Het juridisch bindend gedeelte van het plan bestaat uit planregels en bijbehorende verbeelding waarop de bestemmingen zijn aangegeven. De verbeelding en de planregels dienen in samenhang te worden bekeken. Het moederplan "Buitengebied" en het Paraplubestemmingsplan Parkeren zijn van toepassing voor wat betreft de bestemming Wonen. Uitsluitend daar waar noodzakelijk om het planvoornemen mogelijk te maken, zijn bepalingen toegevoegd danwel gewijzigd. De regels zijn onderverdeeld in vier hoofdstukken: 1. Inleidende regels (begrippen en wijze van meten); 2. Bestemmingsregels; 3. Algemene regels (o.a. afwijkingen); 4. Overgangs- en slotregels.
47
5.3 VERANTWOORDING VAN DE REGELS Kenmerk van de Nederlandse ruimtelijke ordeningsregelgeving is dat er uitgegaan wordt van toelatingsplanologie. Een bestemmingsplan geeft aan welke functies waar zijn toegestaan en welke bebouwing mag worden opgericht. Bij het opstellen van dit bestemmingsplan zijn keuzes gemaakt over welke functies waar worden mogelijk gemaakt en is gekeken welke bebouwing stedenbouwkundig toegestaan kan worden. Het is noodzakelijk dat een bestemmingsplan een compleet inzicht biedt in de bouw- en gebruiksmogelijkheden binnen het betreffende plangebied. Het bestemmingsplan is het juridische toetsingskader dat bindend is voor de burger en overheid en geeft aan wat de gewenste planologische situatie voor het plangebied is. In deze paragraaf worden de gemaakte keuzes nader onderbouwd. Hierbij zullen de bestemmingen in dezelfde volgorde van toepassing worden verklaard. De voor 'Agrarisch met waarden' aangewezen gronden zijn bestemd voor: a. agrarisch grondgebruik; b. behoud, herstel en/of duurzame ontwikkeling van de ecologische waarden in het algemeen en in het bijzonder voor: c. de levensgemeenschappen van struweel, ter plaatse van de aanduiding 'overige zone struweel'; d. extensief dagrecreatief medegebruik; met de daarbij behorende: e. f. g. h. i. j.
waterpartijen, waterlopen en waterhuishoudkundige voorzieningen; groenvoorzieningen; wegen, paden en verkeersvoorzieningen; parkeervoorzieningen; tuinen, erven en terreinen; voorzieningen van algemeen nut.
De voor 'Wonen' aangewezen gronden zijn bestemd voor: e. het wonen in woningen, al dan niet in combinatie met een beroep aan huis, waarbij het bepaalde in artikel 8.2 van toepassing is; alsmede voor: f. het hobbymatig houden van vee; met de daarbij behorende: g. waterpartijen, waterlopen en waterhuishoudkundige voorzieningen; h. groenvoorzieningen; i. wegen, paden en verkeersvoorzieningen; j. parkeervoorzieningen; k. tuinen, erven en terreinen. l. voorzieningen van algemeen nut. De voor 'Waarde - Archeologie 4' aangewezen gronden zijn, behalve voor de andere daar voorkomende bestemming(en), mede bestemd voor de bescherming en veiligstelling van de op en/of in deze gronden te verwachten archeologische waarden.
48
6. UITVOERBAARHEID 6.1 MAATSCHAPPELIJKE UITVOERBAARHEID 6.1.1 VOOROVERLEG Het Besluit ruimtelijke ordening (Bro) geeft aan dat gemeenten bij de voorbereiding van een ruimtelijke ontwikkeling overleg moeten plegen met de besturen van betrokken gemeenten en waterschappen en met die diensten van provincie en rijk die betrokken zijn bij de zorg voor ruimtelijke ordening of belast zijn met de behartiging van belangen welke in het plan in het geding zijn. Hiertoe wordt het ontwerp bestemmingsplan aan de betreffende instanties toegezonden en worden de gemaakte opmerkingen beoordeeld en zo nodig in het bestemmingsplan verwerkt.
6.1.2 OMGEVINGSDIALOOG In het kader van de omgevingsdialoog is het plan met de direct omwonenden gedeeld. Het verslag is als bijlage 4 bij het bestemmingsplan gevoegd. Er is geen reden om aan te nemen dat dit initiatief tot bezwaren van omwonenden leidt.
6.1.3 ONTWERP Het ontwerp bestemmingsplan zal op grond van het bepaalde in de Algemene wet bestuursrecht gedurende zes weken ter inzage liggen, waarin eenieder een zienswijze naar voren kan brengen. De ingediende zienswijzen worden samengevat, beoordeeld en voorzien van een gemeentelijke reactie in de ‘nota van zienswijzen‘.
6.2 ECONOMISCHE UITVOERBAARHEID Artikel 6.12 van de Wet ruimtelijke ordening stelt dat de gemeenteraad gelijktijdig met de vaststelling van het bestemmingsplan moet besluiten om al dan niet een exploitatieplan vast te stellen. Hoofdregel is dat een exploitatieplan moet worden vastgesteld bij elk bestemmingsplan. Er zijn echter uitzonderingen. Het is mogelijk dat de raad verklaart dat met betrekking tot een bestemmingsplan geen exploitatieplan wordt vastgesteld indien het verhaal van kosten van de grondexploitatie anderszins is verzekerd of het stellen van nadere eisen en regels niet noodzakelijk is. De gemeentelijke kosten zijn beperkt tot de ambtelijke kosten en eventuele planschade. Deze kosten komen voor rekening van de initiatiefnemer. Dit wordt vastgelegd in te sluiten overeenkomst tussen initiatiefnemer en de gemeente. Hiermee is het kostenverhaal anderzins verzekerd en is op grond van artikel 6.12 Wro geen exploitatieplan nodig.
49