CConstaterende datMeierijstad
Koppel je AI →
Document · PDF

Bijlage 1Wijsstraat ong. te Schijndel_Toelichting

Raadsvergadering 23 mei 2024, gemeente MeierijstadBij agendapunt: Vaststelling bestemmingsplan 'Wijsstraat ong. te Schijndel'16.233 woorden

Open het PDF bij de gemeente ↗Naar de vergadering →

Tekst van het document

Uit het bestand gehaald, zonder opmaak, tabellen en afbeeldingen · deel 2 van 2

4.5.3 Conclusie De voorgenomen ontwikkeling is in overeenstemming met een goede ruimtelijke ordening.

4.6 Geur De Wet geurhinder en veehouderij (Wgv) vormt het toetsingskader voor de milieuvergunning, als het gaat om geurhinder vanwege dierenverblijven van veehouderijen. De Wgv geeft normen voor de geurbelasting die een intensieve veehouderij mag veroorzaken op een geurgevoelig object, bijvoorbeeld een woning. De geurbelasting wordt berekend en getoetst met het verspreidingsmodel V-Stacks vergunning. Dit geldt alleen voor dieren waarvoor geuremissiefactoren zijn opgenomen in de Regeling geurhinder en veehouderij. Voor dieren zonder geuremissiefactor gelden minimaal aan te houden afstanden.

4.6.1 Geurhinder (Wgv) De dichtstbij gelegen veehouderij (aan de Borne) bevindt zich op een afstand van ruim 500 meter. Het voorgenomen plan levert daarmee geen belemmering op voor omliggende bedrijven, ook omdat er bestaande geurgevoelige objecten tussen het plangebied en de veehouderijen in de omgeving liggen. Andere objecten zijn daarmee bepalend voor de mogelijkheden van de veehouderijen.

31/50 - vastgesteld - NL.IMRO.1948.SCH001BP0052021P-VG01 -

4.6.2 Aanvaardbaar woon- en leefklimaat In de directe omgeving van het plangebied zijn geen (intensieve) veehouderijen en andersoortige agrarische bedrijven gelegen. De afstand tot de bestaande veehouderijen is zo groot dat er geen sprake zal zijn van een relevante voorgrondbelasting (de geurbelasting als gevolg van een individuele veehouderij). Om te bepalen of ter plaatse sprake is van een goed woon- en leefklimaat wordt ingegaan op de achtergrondbelasting ter plaatse (de cumulatieve geurbelasting als gevolg van de veehouderijen in de omgeving). De (voormalige gemeente Schijndel heeft in 2007 een 'Quickscan Wet geurhinder en veehouderij' laten uitvoeren waarin de achtergrondbelasting in de gemeente inzichtelijk is gemaakt. In afbeelding 4-1 is de achtergrondbelasting in de omgeving van het plangebied weergegeven.

Afbeelding 4-1 Uitsnede Quickscan Wet geurhinder en veehouderij voor de gemeente Schijndel (2007). De achtergrondbelasting ter plaatse wordt vooral bepaald door de bedrijven gelegen aan de Borne 50, Putsteeg 6, Putsteeg 75, Elde 2 en Elde 3. Op basis van informatie in het Web-BVB van de provincie Noord-Brabant kan worden geconcludeerd dat bij de bedrijven gelegen aan de Borne 50, Putsteeg 6 en Elde 2 sprake is van een afname van de geurbelasting op de omgeving ten opzichte van 2007. Bij de overige bedrijven is de geurbelasting op de omgeving gelijk gebleven. Daarnaast zijn sinds geen nieuwe veehouderij bedrijven met een geurbelasting op de omgeving gevestigd op relatief korte afstand van het plangebied. Er is daarom geen reden om aan te nemen dat de achtergrondbelasting is toegenomen ten opzichte van 2007. Uit voorgaande figuur blijkt dat de achtergrondbelasting ter plaatse 1 tot 3 ouE/m3 bedraagt en de kans op geurhinder minder dan 5% bedraagt. Er is geen sprake van een relevante geurbelasting ter plaatse en daarom is er voor het aspect geur sprake van een goed woon- en leefklimaat.

32/50 - vastgesteld - NL.IMRO.1948.SCH001BP0052021P-VG01 -

4.6.3 Conclusie In de directe omgeving van het plan liggen geen veehouderijen. Het plan vormt daarmee geen belemmering voor veehouderijbedrijven. Op basis van de afstand tot veehouderijbedrijven is er geen sprake van een relevante voorgrondbelasting voor geur. De achtergrondbelasting als gevolg van geur is zo laag dat er sprake is van een goed woon- en leefklimaat ter plaatse.

4.7 Volksgezondheid in relatie tot veehouderijen 4.7.1 Geitenhouderijen Uit het VGO-2 en VGO-3 onderzoek is gebleken dat zich in een straal van circa 2 km rond geitenbedrijven een verhoogd aantal gevallen van longontsteking voordoet. Uit afbeelding 4-2 blijkt dat het plan ligt binnen 2 km van een geitenhouderij aan de Oetelaarsestraat 29, met 480 geiten en binnen 2 km van een geitenhouderij aan de Boxtelseweg 10, met 525 geiten.

Afbeelding 4-2 Locaties van geitenhouderijen met meer dan 50 dieren in de omgeving van Schijndel (plangebied in rode cirkel). Er is daarmee sprake van een verhoogd gezondheidsrisico omdat het plan voorziet in een nieuwe gevoelige bestemming. Initiatiefnemer – de gemeente Meierijstad – heeft kennisgenomen van de volksgezondheidsrisico's voor mensen binnen een afstand van 2 km van geitenhouderijen. In 2018 is ingestemd met een tijdelijke werkwijze voor de beoordeling van de toelaatbaarheid van woningbouw in de omgeving van geitenhouderijen. Het afwegingskader voor het toelaten van woningen is gebaseerd op de volgende punten: a. Er wordt meegewerkt aan kleinschalige woningbouwprojecten (11 woningen of minder) waarbij de gemeente inzet op (1) het voorkomen van een toename van het aantal geiten bij de nabij gelegen veehouderijen en (2) bevordert dat bedrijfsgerichte maatregelen bij de veehouderijen worden getroffen om de uitstoot van stoffen te verminderen; b. De bestaande afstand van woningen tot een geitenhouderij mag niet verkleind worden; 33/50 - vastgesteld - NL.IMRO.1948.SCH001BP0052021P-VG01 -

c. Terughoudendheid is geboden bij bouwplannen die zijn gelegen binnen de 2000 meter zone van meerdere geitenhouderijen of van één geitenhouderij met een ander overlast veroorzakend bedrijf; d. Er wordt binnen een straal van 2000 meter rondom een geitenhouderij in principe niet meegewerkt aan ontwikkelingen gericht op voorzieningen waar grote groepen kwetsbare mensen gebruik van maken.

4.7.2 Handreiking veehouderij en volksgezondheid De Handreiking veehouderij en volksgezondheid 2.0 (versie 30 april 2018) bevat een praktisch stappenplan om te beoordelen of er sprake is van een verhoogd gezondheidsrisico en of nadere advisering vanuit de GGD wenselijk is. Stap 1 Endotoxine Op basis van het 'Endotoxine toetsingskader 1.0' kan worden beoordeeld of sprake is van een verhoogd volksgezondheidsrisico ten aanzien van varkenshouderijen en pluimveehouderijen. Voor overige veehouderijbedrijven is de bijdrage aan de endotoxinenorm beperkt. Het plan voldoet aan de endotoxine richtafstanden voor varkensbedrijven van 200 meter en de endotoxine richtafstanden voor pluimveehouderijen van 500 meter. De concentratie endotoxine in het plangebied voldoet aan de adviesnorm van 30 EU/m3 . Er is geen sprake van een verhoogd volksgezondheidsrisico. Stap 2 Emissies De ontwikkeling betreft het bouwen van 3 woningen en leidt niet tot een toename van emissies van geur en/of fijnstof en/of ammoniak. Stap 3a Geur Toetsen aan een aanvaardbaar woon-/leefklimaat aan de hand van het wettelijk kader De ontwikkeling vindt niet plaats in een gebied met een overbelaste geursituatie zie ook paragraaf 4.6). Stap 3b Geur Toetsen aan een aanvaardbaar woon-/ leefklimaat op basis van de gezondheidskundige advieswaarde.

Er is sprake van een aanvaardbaar woon- en leefklimaat als gevolg van de geursituatie in het gebied (zie ook paragraaf 4.6). Stap 4a Meerdere diersoorten in één veehouderij Het plan voorziet niet in de ontwikkeling van veehouderijbedrijven. Bij de geitenhouderij aan de Oetelaarseweg worden tevens runderen en paarden gehouden. Stap 4b De afstand tussen een varkensbedrijf en pluimveebedrijf De afstand tussen het plangebied en de dichtstbijzijnde varkensbedrijf en pluimveebedrijf is groter dan 100 meter. Stap 5a, b en c De afstanden tot veehouderijen De planlocatie is gelegen binnen de straal van 2 km van geitenhouderijen: Oetelaarstraat 29 (1,2 km) en Boxtelseweg 10 (1,5 km). De locatie is niet gelegen binnen een afstand van 1 km van een pluimveebedrijf en evenmin binnen 250 meter van overige veehouderijen. Stap 6 Mestbewerking Er is in de nabijheid geen mestbewerking of verwerking. Stap 7 Ongerustheid over de volksgezondheid Er is in de omgeving geen ongerustheid over de volksgezondheid bij omwonenden.

34/50 - vastgesteld - NL.IMRO.1948.SCH001BP0052021P-VG01 -

4.7.3 Advies GGD Op basis van de handreiking veehouderij en volksgezondheid heeft de gemeente de GGD om advies gevraagd over de planontwikkeling. Het advies is als bijlage 4 bij deze toelichting gevoegd. De GGD concludeert dat voor de meeste milieufactoren voldaan wordt aan de gezondheidskundige advieswaarden (zoals die bijvoorbeeld gelden voor geluid, achtergrondgeurbelasting). Dit geldt niet voor de concentraties PM10, PM2,5 en NO2, deze liggen boven de WHO advieswaarden zoals voor veel plaatsen in Nederland geldt. De te bouwen woningen liggen binnen een straal van 2 km van twee geitenhouderijen, waardoor toekomstige bewoners een verhoogd risico op longontsteking lopen. Hierbij wordt opgemerkt dat de afstand tot de geitenhouderijen meer dan één kilometer bedraagt, waardoor het risico kleiner is dan wanneer ze binnen 500 meter van een geitenhouderij liggen. Daarentegen gaat het om twee geitenhouderijen binnen een straal van 2 km van het plangebied. Dit verhoogt het risico naar verwachting weer, al is dit nog niet te kwantificeren. Het advies is in elk geval de toekomstige bewoners van het verhoogd risico op longontsteking op de hoogte te brengen, zodat zij dit in hun afweging mee kunnen nemen. De combinatie van koeien, paarden en geiten leidt niet tot specifiek grotere zoönose gerelateerde gezondheidsrisico’s voor omwonenden.

4.7.4 Conclusie De planlocatie is gelegen binnen 2 km afstand van 2 geitenhouderijen. Op basis van het beleid van de gemeente Meierijstad is terughoudendheid geboden bij het toestaan van dergelijke plannen. De gemeente heeft de GGD om advies gevraagd. De GGD adviseert toekomstige bewoners te informeren over het verhoogde risico op longontsteking (vanwege mogelijke invloed van de beide geitenhouderijen), zodat men dit in de afweging mee kan nemen. Door het advies van de GGD mee te nemen in de afweging voor het toestaan van de ontwikkeling is de nodige zorgvuldigheid betracht.

4.8 Natuurwaarden 4.8.1 Algemeen De Wet natuurbescherming voorziet in het wettelijk kader voor de bescherming van Natura 2000-gebieden, planten- en diersoorten en houtopstanden. In de Wet natuurbescherming zijn de provincies primair bevoegd gezag voor bescherming van soorten en natuurgebieden. In de Wnb onderdeel soortenbescherming zijn, op basis van internationale afspraken, drie beschermingsregimes opgesteld voor strikt beschermde soorten. Voor de eerste twee beschermingsregimes sluiten deze nauw aan bij de verboden en uitzonderingen uit respectievelijk de Vogelrichtlijn en de Habitatrichtlijn. Voor de andere soorten geldt een minder strikt regime. Elk van de drie beschermingsregimes kent zijn eigen soortenlijsten met daarbij eigen verbodsbepalingen en vereisten voor vrijstelling of ontheffingsverlening. Binnen de categorie andere beschermde soorten (ook wel nationaal beschermde soorten) hebben provincies de bevoegdheid om eigen beleid te voeren. Het onderdeel gebiedsbescherming van de Wnb voorziet in de bescherming van natuurgebieden van Europees belang welke behoren tot het Natura 2000-netwerk. Deze gebieden worden beschermd om de gunstige staat van instandhouding van vogelsoorten, habitattypen en andere planten- en diersoorten te behouden en waar nodig te herstellen.

Naast de wettelijke bescherming van de Natura 2000-gebieden heeft Nederland de bescherming van andere gebieden vastgelegd. Onder de planologische bescherming vallen onder andere weidevogelgebieden en het Natuurnetwerk Nederland (NNN). De bescherming van het NNN vindt plaats door toetsing van de bestemmingsplannen en omgevingsvergunningen aan het NNN-beleid. In de provincie Noord-Brabant is het natuurbeleid vastgelegd in het Natuurnetwerk Brabant (NNB) dat onderdeel uitmaakt van het NNN.

35/50 - vastgesteld - NL.IMRO.1948.SCH001BP0052021P-VG01 -

4.8.2 Quickscan natuurwetgeving In opdracht van gemeente Meierijstad is een quickscan ecologie uitgevoerd voor het plangebied gelegen aan de Wijsstraat te Schijndel. Dit is gedaan als onderdeel van het voorliggend bestemmingsplan. De quickscan vormt de eerste fase in het kader van toetsing van plannen in de buitenruimte aan de Wet natuurbescherming (hierna Wnb) met betrekking tot soortbescherming en gebiedsbescherming (inclusief NNN en Natura 2000). De voorliggende quickscan leent zich niet direct voor een eventueel noodzakelijke ontheffingsaanvraag voor geplande planontwikkeling en is als Bijlage 5 in de toelichting opgenomen. De quickscan bestaat uit één veldbezoek in combinatie met een bureaustudie. Als basis voor de bureaustudie is gebruik gemaakt van archiefgegevens uit de Nationale Databank Flora en Fauna van de afgelopen 10 jaar binnen een straal van maximaal 2 kilometer rondom het plangebied. De data uit de NDFF is toereikend voor de soortgroepen vogels en grondgebonden zoogdieren. De data van de andere soortgroepen is beperkt. Dit is gezien de oppervlakte, ligging en aard van het plangebied echter wel voldoende om een goed beeld te geven van de mogelijke flora en fauna in het plangebied. Er was daardoor geen aanleiding om meerdere bronnen te raadplegen. Het plangebied is op 10 december 2021 bezocht.

Tijdens dat veldbezoek is gezocht naar beschermde natuurwaarden en is een inschatting gemaakt van de mogelijk aanwezige beschermde soorten op basis van een habitatbeoordeling. In de quickscan is naar de soortenbescherming en gebiedsbescherming op en rondom het plangebied gekeken. De constateringen zijn hieronder per onderdeel opgenomen.

4.8.3 Soortenbescherming Vogels Uit de verspreidingsgegevens van NDFF blijkt dat verschillende algemene vogelsoorten aanwezig zijn in de omgeving van het plangebied. Tijdens het veldbezoek zijn individuen waargenomen van de kauw en houtduif. In de omgeving is een nestlocatie van een ekster waargenomen en in de coniferenhaag aan de noordzijde van het plangebied kunnen merels en mezen tot broeden komen. Het plangebied is uitgesloten als broedlocatie voor weidevogels. Uit de verspreidingsgegevens van de NDFF blijkt dat in de omgeving van het plangebied een aantal soorten met jaarrond beschermde nesten voorkomen. Tijdens het veldbezoek zijn geen vogels met jaarrond beschermde nesten waargenomen. De aanwezige coniferen heg is geschikt als winterverblijfplaats voor de huismus, het plangebied is tevens geschikt als foerageergebied voor de huismus. Daarnaast kan het plangebied een niet essentieel onderdeel zijn van het foerageergebied van elders verblijvende uilen. Het plangebied heeft gene functie als nestlocatie voor de grote gele kwikstaart, gierzwaluw, buizerd, (bos)uil en andere boom- en gebouw bewonende soorten. Algemene Broedvogels Nesten van de meeste soorten vogels zijn beschermd tijdens het gebruik ervan. Voor deze vogelsoorten volstaat om rekening te houden met het broedseizoen (globaal de periode 15 maart tot en met 15 juli).

In het geval het niet mogelijk is om buiten de broedperiode te werken, moet in overleg met een ecoloog bepaald worden hoe overtreding van het eerdergenoemde verbodsartikel voorkomen kan worden. Dit kan bijvoorbeeld door de werkzaamheden te starten buiten het broedseizoen of door uitvoering van broedvogelcontroles door de ecoloog. Daarnaast kan de aanwezige vegetatie voor het broedseizoen verwijderd worden zodat het plangebied ongeschikt is voor broedvogels. Bij 36/50 - vastgesteld - NL.IMRO.1948.SCH001BP0052021P-VG01 -

het plangebied is de aanwezige coniferenhaag van belang gezien dit een geschikte nestplaats is voor algemene vogelsoorten zoals merel en mees. Daarnaast kan het grasland verwilderen als de voor nu aanwezige paarden worden verplaatst. Hierdoor kan het grasland geschikt worden als broed- en foerageerplaats. Als de genoemde maatregelen zijn uitgevoerd kunnen de werkzaamheden tijdens het broedseizoen worden uitgevoerd. Vogels met een jaar rond beschermde nestplaats Naast algemene broedvogels zijn er ook vogels waarvan het nest jaarrond beschermd is. Deze vogelsoorten keren jaarlijks terug naar hetzelfde nest, of nestplek. Dit betekent dat het verwijderen of aantasten van deze nesten leidt tot overtreding van de Wnb, ook al worden de werkzaamheden buiten het broedseizoen uitgevoerd. Tevens is de functionele leefomgeving rondom de nestlocatie van deze broedvogels beschermd. Het plangebied vervult een functie voor vogels met jaarrond beschermde nestplaatsen. De coniferenhaag is geschikt als winterverblijfplaats voor huismussen en deze moet in stand worden gehouden. Dit wordt via een voorwaardelijke verplichting in de planregels verwerkt. Daarnaast is het plangebied geschikt als foerageergebied. Als men woningen op de percelen bouwt zal een deel van dit foerageergebied verdwijnen, maar ook weer terugkomen in de vorm van tuinen.

De voorgenomen ontwikkelingen zullen niet leiden tot het overtreden van verbodsartikelen, mits de coniferenhaag niet wordt beschadigd of verwijderd. Planten en dieren (met uitzondering van vogels) Uit de literatuurstudie blijkt niet dat in de omgeving van het plangebied beschermde plantensoorten voorkomen. Ook bij het veldbezoek zijn geen groeiplaatsen van beschermde plantensoorten aangetroffen. Op basis van de aangetroffen planten, de ligging en het gebruik van de percelen wordt vastgesteld dat de locatie geen functie heeft als groeiplaats voor beschermde plantensoorten. In de omgeving van het plangebied zijn waarnemingen gedaan van eekhoorn, egel, konijn en huisspitsmuis. Tijdens het veldbezoek zijn geen sporen van grondgebonden zoogdieren waargenomen. Het is uitgesloten dat het plangebied dient als verblijfplaats of foerageergebied voor eekhoorn of kleine marterachtigen. Het plangebied is wel geschikt voor als foerageergebied voor konijn en huisspitsmuis. In de NDFF zijn enkele meldingen van gewone dwergvleermuizen bekend. Het plangebied is niet geschikt als verblijfplaats voor vleermuizen, wel kan het plangebied een zeer klein onderdeel zijn van het foerageergebied van vleermuizen. Het vormt echter gene essentieel onderdeel van het foerageergebied. In de literatuur zijn drie meldingen van de bruine kikker bekend.

Het plangebied biedt geen geschikt voortplantingswater voor de bruine kikker of andere amfibieën en is ook geen essentieel onderdeel van het leefgebied voor deze soorten. De aanwezigheid van reptielen of vissen in het plangebied is uitgesloten. Geschikt leefgebied voor beschermde ongewervelde soorten is eveneens niet aanwezig in het plangebied. Habitatrichtlijnensoorten Onder dit beschermingsregime vallen meerdere soortgroepen, waaronder alle soorten vleermuizen. Ten aanzien van de voorgenomen ontwikkeling zijn er geen raakvlakken met het voorkomen van soorten die beschermd zijn onder de habitatrichtlijn. Vleermuizen komen mogelijk voor in de directe omgeving van het plangebied, maar de voorgenomen ontwikkelingen leiden niet tot het overtreden van de Wnb omdat geen essentieel leefgebied wordt verwijderd/vernietigd. Nationaal beschermde soorten Onder dit beschermingsregime vallen meerdere soortgroepen, waaronder diverse grondgebonden zoogdieren en amfibieën.

37/50 - vastgesteld - NL.IMRO.1948.SCH001BP0052021P-VG01 -

Vrijstelling en zorgplicht Ten aanzien van een aantal algemeen voorkomende soorten grondgebonden zoogdieren en amfibieën geldt een vrijstelling voor het uitvoeren van onder andere ruimtelijke ontwikkelingen. De soorten die zijn vrijgesteld verschillen per bevoegd gezag. In deze situatie geldt de vrijstelling ten aanzien van de meeste voorkomen algemene grondgebonden zoogdieren (egel, konijn, spitsmuis, etc.) en amfibieën (gewone pad, bruine kikker, etc.) De zorgplicht blijft echter van kracht, ook al zijn soorten vrijgesteld of niet opgenomen in de lijsten van de verschillende beschermingsregimes. De zorgplicht houdt in dat met de voorkomende soorten rekening wordt gehouden in zoverre dit redelijkerwijs mogelijk is. Om te voldoen aan de zorgplicht is het niet nodig om te werken conform een goedgekeurde gedragscode of een verleende ontheffing. Voldoen aan de zorgplicht kan als volgt: Biedt de voorkomende soorten de gelegenheid te kunnen vluchten bij het aantreffen ervan. Minder mobiele soorten als egel of gewone pad te verplaatsen tot buiten de invloedssfeer van het werk. Als de percelen braak komen te liggen zijn bovenstaande maatregelen in het bijzonder relevant tijdens het verwijderen van het aanwezige groen.

Niet vrijgestelde soorten of soorten die periodiek in het jaar zijn vrijgesteld Het voorkomen van niet vrijgestelde soorten (zoals de eekhoorn, wild zwijn, steenmarter, hermelijn en wezel) is uitgesloten binnen het plangebied.

4.8.4 Gebiedsbescherming Natura 2000 Het plangebied heeft geen status als Natura-2000 gebied. Het dichtstbijzijnde Natura 2000-gebied 'Vlijmens ven, moerputten & Bossche Hoek' ligt 9,6 kilometer ten noordwesten van het plangebied. Gezien de ruime afstand van het plangebied doet het voornemen geen afbreuk aan de instandhoudingsdoelen van het Natura 2000-gebied. Externe effecten zoals trilling, geluid en beweging beperken zicht tot enkele honderden meters en zijn daarom op voorhand uitgesloten. Stikstofdepositie kan zich echter ook over een grotere afstand voordoen. In de volgende paragraaf wordt ingegaan op de mogelijke effecten als gevolg van stikstofdepositie. Natuurnetwerk Nederland (NNN) Het plangebied maakt geen onderdeel van het Natuurnetwerk Nederland (NNN). Tevens overlapt het plangebied niet met gebieden die zijn aangesloten bij Nationaal Natuurnetwerk Brabant (NNB). Van externe werking van effecten is evenmin sprake. Een nadere toetsing ('nee, tenzij'-toets) is daarom niet noodzakelijk.

4.8.5 Stikstofdepositie Algemeen In het kader van het plan is een onderzoek uitgevoerd naar de mogelijke toename van de stikstofdepositie op nabij gelegen Natura 2000-gebieden als gevolg van de bouw en het gebruik van 3 grondgebonden woningen die met het bestemmingsplan Wijsstraat ong. te Schijndel mogelijk worden gemaakt. Het doel van het stikstofdepositie-onderzoek is het beoordelen of de toekomstige activiteiten die mogelijk worden op basis van de planologische situatie mogelijk significante gevolgen hebben op kwalificerende natuurwaarden in nabij gelegen Natura 2000-gebieden én of het op basis van de stikstofdepositie noodzakelijk is een passende beoordeling op te stellen. Depositie-onderzoek In het kader van het bestemmingsplan is een onderzoek uitgevoerd met behulp van de AERIUS Calculator. De gehanteerde uitgangspunten en de berekeningsresultaten zijn opgenomen in bijlage 5. Uit het onderzoek blijkt dat de bouw en het gebruik van de woningen niet leidt tot een toename van de stikstofdepositie op Natura 2000-gebieden. Het plan heeft geen significant negatieve gevolgen voor de instandhoudingsdoelstellingen van 38/50 - vastgesteld - NL.IMRO.1948.SCH001BP0052021P-VG01 -

habitats en soorten in Natura 2000-gebieden.

4.8.6 Conclusie De voorgenomen ontwikkeling heeft geen effecten op Natura 2000-gebieden of gebieden die onderdeel zijn van het Natuurnetwerk Brabant. In het plangebied zijn vogels met een jaarrond beschermde nestplaats aangetroffen. Daarom mag de aanwezige coniferenhaag niet worden verwijderd/beschadigd. Daarnaast moet bij het uitvoeren van werkzaamheden rekening worden gehouden met het broedseizoen. Voor de grondgebonden zoogdieren en amfibieën geldt dat er moet worden voldaan aan de zorgplicht. Indien rekening wordt gehouden met de bovengenoemde punten, zijn geen vervolgstappen noodzakelijk. Daarmee vormt het aspect natuurwaarden geen belemmering voor het voorliggen plan.

4.9 Bodemkwaliteit 4.9.1 Algemeen In het kader van een nieuw bestemmingsplan dient te worden aangetoond dat de bodem geschikt (of geschikt te maken) is voor de nieuwe of aangepaste bestemming. Dit vloeit voort uit artikel 3.1.6 Besluit ruimtelijke ordening (Bro). De bodemkwaliteit kan namelijk van invloed zijn op de beoogde functie van het plangebied. De gemeente heeft opdracht gegeven om de milieu-hygiënische bodemkwaliteit inzichtelijk te maken met behulp van het bodeminformatiesysteem van de gezamenlijke omgevingsdiensten in Noord-Brabant.

39/50 - vastgesteld - NL.IMRO.1948.SCH001BP0052021P-VG01 -

4.9.2 Bodemonderzoek In het kader van het bestemmingsplan is een 'historische toets vrijstelling bodemonderzoek' uitgevoerd. Deze vrijstelling is middels het bijgevoerd formulier (zie Bijlage 6) en daarbij behorende omgevingsrapportage (zie Bijlage 7) in de toelichting opgenomen. Op dit moment heeft het plangebied een woonbestemming, echter zonder bouwvlak. In de periode tussen 1992 en 2013 was conform het bestemmingsplan 'Borne, deelplan 1992' een 2 onder 1 kapwoning mogelijk. Met de vaststelling van het vigerende bestemmingsplan 'Kom Schijndel 2013' is deze bouwmogelijkheid vervallen. Het voorliggend bestemmingsplan is een 'reparatieplan' met dien verstande dat in plaats van 2 grote woningen, nu 3 kleinere woningen mogelijk gemaakt worden, hetgeen beter past binnen de huidige volkshuisvestelijke beleidsdoelstellingen. Voor 1992 was ter plaatse het bestemmingsplan 'De Borne' uit de jaren '70 van toepassing. Daarin had de locatie een bosbestemming. In de omgeving van het plangebied (Bunderstraat 30) is in het verleden een verkennend bodemonderzoek uitgevoerd. De resultaten van dit onderzoek zijn onbekend. Uit het formulier 'Historische toets vrijstelling bodemonderzoeken' blijkt dat op basis van de bodemkwaliteitskaart ter plaatse sprake is van de kwaliteitsklasse achtergrondwaarde (AW2000).

Er is ter plaatse geen sprake van een geval van ernstige bodemverontreiniging waarvoor de provincie bevoegd gezag is. Voor zover bekend is op deze locatie nooit een bedrijf, opslagtank of leiden voor vloeibare brandstoffen aanwezig geweest. Het is onbekend of op de locatie (opstallen met) asbesthoudende materialen aanwezig zijn geweest of momenteel waarneembaar zijn op het maaiveld. Ook in de omgeving van het plangebied vinden geen activiteiten plaats die kunnen leiden tot bodemverontreiniging in het plangebied. Gelet op de beschikbare informatie kan worden geconcludeerd dat de bodemkwaliteit in het plangebied geschikt is voor de beoogde functie. Een verkennend bodemonderzoek is niet noodzakelijk.

4.9.3 Conclusie Het aspect bodem vormt geen belemmering voor het voorliggend bestemmingsplan.

4.10

Waterparagraaf

4.10.1

Algemeen

Sinds 1 november 2003 is voor alle ruimtelijke plannen de watertoets verplicht. Het doel van de watertoets is waterbelangen evenwichtig mee te nemen in het planvormingsproces van Rijk, Provincies en gemeenten. Hiermee wordt een veilig, gezond en duurzaam watersysteem nagestreefd. De toets omvat het gehele proces van vroegtijdig informeren, adviseren, afwegen en uiteindelijk beoordelen van de in ruimtelijke plannen voorkomende waterhuishoudkundige aspecten.

40/50 - vastgesteld - NL.IMRO.1948.SCH001BP0052021P-VG01 -

4.10.2

De Watertoets

In de toelichting bij het voorliggend bestemmingsplan zal moeten worden aangetoond dat het plan niet voor een onevenredige aantasting van de 'waterbelangen' ter plaatse zorgt. Daarom is een waterparagraaf opgesteld, die als Bijlage 8 bij deze toelichting is gevoegd. Deze waterparagraaf is opgesteld op basis van beschikbare gegevens en op basis van richtlijnen van het waterschap en de gemeente. Het VGPR+ (verbreed gemeentelijk rioleringsplan) met als titel 'Waardevol water in Meierijstad 2017 – 2022' is het beleidsdocument van de gemeente op het vlak van water. De gemeente Meierijstad hanteert een voorkeursvolgorde en stelt de eis dat 60 mm hemelwater op verhard terrein in het plangebied moet kunnen worden opgevangen, en dat deze voorzieningen binnen 24 uur leeg moeten zijn. Het waterschap Aa en Maas hanteert de uitgangspunten uit de Keur. Daarin is in een algemene regel een gevoeligheidsfactor opgenomen die afhankelijk is van de kenmerken van het gebied dat door de ruimtelijke ontwikkeling wordt beïnvloedt. Volgens de kaarten bij de Keur bevindt het plangebied zich niet binnen een beschermd gebied. Uit de kaart 'algemene regel versnelde afvoer regenwater door verhard oppervlak' blijkt dat voor Schijndel een compensatiefactor 1 geldt.

Het plan moet hydrologisch neutraal ontwikkeld worden en de voorkeursvolgorde hergebruik of vasthouden, bergen en tot slot afvoeren is van toepassing.

4.10.3

Wateropgave en dimensionering

Bij een te bergen hoeveelheid regenwater van 60 mm wordt de wateropgave als volgt berekend: Bebouwd oppervlak: bij een afvloeïingscoëfficiënt van 0,95 en een bebouwd oppervlak van 250 m2 bedraagt wateropgave 15 m3. Verhard oppervlak: bij een afvloeïingscoëfficiënt van 0,8 en een verhard oppervlak van 175 m2 bedraagt de wateropgave 9 m3. Bij een onbebouwd/onverhard oppervlak van 575 m2 en een afvloeïingscoëfficiënt van 0,1 bedraagt de wateropgave 3,5 m3. De totale binnen het plangebied te realiseren wateropgave is daarmee 28 m3. Gezien het uitgangspunt van de gemeente dat de voorkeur uitgaat naar oppervlakkige en zichtbare voorzieningen, die ook goed en goedkoop zijn te onderhouden, ligt een maaiveld-verlaging in de vorm van een greppel voor de hand. De dimensies daarvan worden bepaald door de wateropgave (28 m3) en de maximaal haalbare diepte (het verschil tussen maaiveld en de GHG bedraagt ongeveer 1,25 m). Het oppervlak van een dergelijke voorziening is dan 22,5 m2. Nabij de bebouwing is een minder diepe voorziening meer wenselijk en beter inpasbaar. Meerdere, eventueel gekoppelde, voorzieningen zijn natuurlijk ook mogelijk. Uiteraard is de plaats van de voorziening een aandachtspunt, daar hemelwater van het bebouwde en bestrate oppervlak hierheen moet worden geleid Verschijningsvormen voor een dergelijke voorziening zijn een greppel of sloot, of een wadi.

Drie langgerekte ondiepe greppels met een breedte van 0,6 m en een diepte van 0,3 m kunnen ongeveer 9 m3 hemelwater bergen. Een wadi in het groene gebied achter de woningen met een eventuele diepte van 0,75 m zou een oppervlak moeten hebben van 37 m2 (ruim 6 bij 6 m). Uiteraard kunnen greppels en wadi ook worden gecombineerd tot en totale capaciteit van 28 m3. Gezien de inrichting van het plangebied zijn de bovengeschetste alternatieven haalbaar. In de huidige situatie is een gemengd riool aanwezig. Wanneer er gekozen wordt (buiten de 60mm berging per verhard oppervlak) voor een vertraagde afvoer naar het riool, moet op de perceelsgrens het hemelwater gescheiden aangeboden worden van het vuil water. 41/50 - vastgesteld - NL.IMRO.1948.SCH001BP0052021P-VG01 -

4.10.4

Conclusie

In deze waterparagraaf is de wateropgave berekend, en is ervan uit gegaan dat het merendeel van het hemelwater afkomstig van bebouwde en verharde oppervlakken kan worden geborgen in ondiepe greppels en een wadi of een combinatie van beide. Hemelwaterberging is dus mogelijk. In een vervolgstap kunnen deze worden ingepast in het ontwerp, waarbij aandacht dient te worden besteed aan de afvoer van hemelwater van daken en verharding naar deze voorzieningen. Uit de waterparagraaf is gebleken dat het mogelijk is om hydrologisch neutraal te ontwikkelen. Het is echter van belang dat de voorzieningen die worden aangelegd voor hemelwaterberging en het transport van dit hemelwater vanaf daken en verharde oppervlakken worden onderhouden en beheerd. De beoogde bergingsomvang (28m3) wordt in een voorwaardelijke verplichting in de planregels vastgelegd. Geconcludeerd kan worden dat het project vanuit waterbelangen gezien haalbaar is en geen belemmering voor het voorliggend bestemmingsplan vormt.

4.11

Archeologie en cultuurhistorie

4.11.1

Algemeen

Op basis van het Besluit ruimtelijke ordening dient in de toelichting bij elk ruimtelijk plan een beschrijving te worden gegeven van de aanwezige cultuurhistorische en archeologische waarden van het plangebied.

4.11.2

Cultuurhistorie

Op of in de directe nabijheid van de betreffende percelen is geen bebouwing aanwezig die is aangewezen als gemeentelijk of rijksmonument. Tevens zijn geen cultuurhistorisch waardevolle elementen in het plangebied en de directe omgeving aanwezig te zijn die speciale regeling in het bestemmingsplan behoeven. Conclusie Het aspect cultuurhistorie vormt derhalve geen belemmering voor het voorliggend bestemmingsplan.

42/50 - vastgesteld - NL.IMRO.1948.SCH001BP0052021P-VG01 -

4.11.3

Archeologie

Op grond van de Wet op de Archeologische Monumentenzorg (Wamz) zijn de bevoegdheden aangaande de archeologie bij de gemeente neergelegd. De gemeenteraad is op grond van de Monumentenwet verplicht bij de vaststelling van ruimtelijke plannen rekening te houden met de in de grond aanwezige of te verwachten archeologische waarden. De gemeente Meierijstad heeft in verband met de verplichting tot het inzichtelijk maken van de archeologische waarden binnen de gemeente een archeologische waardenkaart en beleidsadvieskaart laten opstellen. Op deze gemeentelijke archeologische beleidskaart ligt het plangebied echter binnen een zone waarvoor geen archeologische verwachting geldt. Deze verwachting stamt uit de tijd toen Schijndel nog een zelfstandige gemeente was. Waarschijnlijk heeft de gemeente Meierijstad later besloten, op grond van de aangrenzende kaarteenheden, dat aan het plangebied een hoge archeologische verwachting moet worden toegekend. Archeologisch onderzoek Omdat op de locatie aan de Wijsstraat in Schijndel een bestemmingsplanwijziging voor de nieuwbouwplannen van drie woningen is voorzien, is een archeologisch bureauonderzoek en inventariserend veldonderzoek, verkennende fase (IVO-(O)verig); booronderzoek) uitgevoerd. Het doel van het archeologische bureauonderzoek was het opstellen van een gespecificeerde archeologische verwachting voor het plangebied.

Dit onderzoek is als Bijlage 9 in de toelichting opgenomen. Uit historisch kaartmateriaal blijkt dat het plangebied buiten de historische dorpskern van Schijndel ligt. Het plangebied is tot op heden onbebouwd en in gebruik geweest als landbouwgrond, er zijn geen (ondergrondse) bouwhistorische resten binnen het plangebied bekend. Ook op basis van de monumentenlijst wordt vastgesteld dat er geen (ondergrondse) bouwhistorische resten aanwezig zijn in het plan gebied. Op grond van historisch kaartmateriaal en archeologische gegevens worden deze ook niet verwacht. Op basis van het bureauonderzoek is een gespecificeerde archeologische verwachting opgesteld. Gespecificeerde archeologische verwachting Op basis van de landschappelijke ligging binnen een zone met dekzandwelvingen met vrijwel geen gradiëntverschillen en de archeologische onderzoeks- en vondstlocaties uit de omgeving is aan het plangebied een lage verwachting toegekend voor vuursteenvindplaatsen uit het Laat-Paleolithicum tot en met het Neolithicum, een middelhoge verwachting voor nederzettingsresten uit het Neolithicum tot en met de Volle Middeleeuwen (tot in de 13e eeuw) en een lage verwachting voor bewoningsresten uit de Late Middeleeuwen (vanaf de 13e eeuw) tot en met de Nieuwe Tijd. Het advies is om deze hoge verwachting te toetsen door middel van een Inventariserend Veldonderzoek, verkennende fase.

Met dit onderzoek wordt de bodemopbouw in kaart gebracht en wordt de intactheid van de bodem en het potentiële archeologische niveau vastgesteld. Inventariserend Veldonderzoek, verkennende fase Uit booronderzoek is gebleken dat het plangebied niet ligt binnen een zone met dekzandwelvingen, maar binnen een vlakte met verspoelde dekzanden. Er is geen sprake van een hoge zwarte enkeerdgrond, maar van een lage zwarte enkeerdgrond die pas in de 18e dan wel 19e eeuw is ontstaan. De oorspronkelijke bodem is een zwarte beekeerdgrond, dit duidt op zeer natte landschappelijke omstandigheden waardoor het plangebied niet geschikt was voor bewoning. De lage verwachting voor vuursteenvindplaatsen uit het Laat-Paleolithicum tot en met het Neolithicum en de lage verwachting voor bewoningsresten uit de Late Middeleeuwen (vanaf de 13e eeuw) tot en met de Nieuwe Tijd. Blijft gehandhaafd. De middelhoge verwachting voor nederzettingsresten uit het Neolithicum tot en met de Volle Middeleeuwen wordt bijgesteld naar een lage verwachting. Op grond van de lage archeologische verwachting voor alle perioden 43/50 - vastgesteld - NL.IMRO.1948.SCH001BP0052021P-VG01 -

wordt geen archeologisch vervolgonderzoek geadviseerd. Selectieadvies- en besluit Bovenstaand advies vormt een zogenaamd selectieadvies. De resultaten van het archeologisch onderzoek zijn beoordeeld worden door de bevoegde overheid (gemeente Meierijstad), die een selectiebesluit heeft genomen (zie bijlage 10): de gemeente neemt het selectieadvies over. Er is geen vervolgonderzoek noodzakelijk vanwege de lage archeologische verwachting voor alle perioden. Daarnaast worden de lokale amateurs (van de heemkundekring) in de gelegenheid gesteld om bij het uitgraven van de bouwput aanwezig te zijn zodat zij enkele observaties kunnen doen om de nu gepresenteerde interpretatie mogelijk nader te onderbouwen. Daarnaast blijft het voorkomen van zogenoemde ‘toevalsvondsten ’ alsnog mogelijk, daarvoor geldt dan conform de Erfgoedwet, art. 5.10 een wettelijke meldingsplicht. Conclusie Het doel van het archeologische bureauonderzoek was het opstellen van een gespecificeerde archeologische verwachting voor het plangebied. Op basis van de landschappelijke ligging is aan het plangebied een lage tot middelhoge verwachting toegekend. Vervolgens is deze verwachting getoetst door middel van een inventariserend veldonderzoek, verkennende fase. Op basis hiervan blijft de lage verwachting gehandhaafd en is de middelhoge verwachting voor naar laag bijgesteld.

Tijdens een booronderzoek kan geen archeologische vindplaats worden aangetroffen, ten hoogste archeologische indicatoren die wijzen op de aanwezigheid van een archeologische vindplaats. Op grond van de lage archeologische verwachting voor alle perioden wordt geen archeologisch vervolgonderzoek geadviseerd.

4.11.4

Conclusie

Er zijn geen cultuurhistorische waardevolle elementen in het plangebied of de directe omgeving aanwezig. De archeologische verwachtingswaarde voor het gebied is op basis van een bureaustudie en het vervolgens uitgevoerde booronderzoek vastgesteld op laag. Archeologisch vervolgonderzoek wordt niet noodzakelijk geacht. Het plan heeft geen gevolgen voor de cultuurhistorische of archeologische waarde van het gebied.

4.12

Parkeren en ontsluiting

4.12.1

Parkeren

Behalve naar een goede ontsluiting streeft de gemeente Meierijstad naar een goede parkeerbalans op nieuw te ontwikkelen percelen. Voor het plangebied betekent dit dat er voldoende parkeergelegenheid op eigen terrein gerealiseerd moet en kan worden. Het aantal op eigen terrein te realiseren parkeerplaatsen bedraagt in beginsel 7. Dit aantal is gebaseerd op de Nota Parkeernormen Meierijstad 2018. Voor de planlocatie is aangehouden de typering ‘rest bebouwde kom; matig stedelijk’. De norm voor tussen/hoek koopwoningen bedraagt hier 2,2 parkeerplaats per woning. Daarvan geldt 0,3 p.p. als bezoekersparkeren dat voorzien kan worden in het openbaar gebied. Volgens het parkeerbeleid tellen 2 pp achter elkaar maar als 1,5 plaats. Dit betekent dat er dus 8 parkeerplaatsen (inclusief garages) moeten worden gerealiseerd. Hierbij geldt de inrichtingstekening op onderstaande afbeelding als uitgangspunt. De strook aan de voorzijde wordt ingericht als openbare ruimte, met parkeren en groen, maar dan op eigen terrein. In de planregels is een voorwaardelijke verplichting voor de parkeervoorziening opgenomen, gekoppeld aan de inrichtingstekening. 44/50 - vastgesteld - NL.IMRO.1948.SCH001BP0052021P-VG01 -

Het plan voorziet in (ruim) voldoende opstalmogelijkheden/parkeerplaatsen. Daarmee leidt het bouwplan niet tot een onaanvaardbare parkeersituatie en wordt voldaan aan de parkeernormen.

Afbeelding 4-3 Inrichtingstekening Parkeervoorzieningen Ter planologische-juridische borging zijn de gehanteerde parkeernormen gekoppeld aan de gebruiksregels. Om deze reden zal er geen sprake zijn van parkeeroverlast en evenmin van een toename van de parkeerdruk in het openbaar gebied.

4.12.2

Ontsluiting

De ontsluiting van de drie woningen zal via de Wijsstraat plaatsvinden. Deze komt in noordelijke richting uit op de Gemondsweg en in zuidelijke richting op de Van Tuijllaan die beide op grotere (hoofd)wegen aansluiten. De drie extra woningen zullen niet leiden tot een onevenredige toename van verkeersbewegingen. Gelet op het bovenstaande kan middels de aanwezige ontsluitingsmogelijkheden worden voldaan aan een goede ontsluiting van de nieuwe woningen.

45/50 - vastgesteld - NL.IMRO.1948.SCH001BP0052021P-VG01 -

4.13

Klimaat en Duurzaamheid

De gemeente Meierijstad verlangt van iedere bouwer een bijdrage met betrekking tot milieuverantwoord c.q. energieneutraal bouwen. De beoogde ontwikkeling maakt het mogelijk binnen bestaand stedelijk gebied te voorzien in een deel van de actuele volkshuisvestingsopgave. Hierdoor wordt voorkomen dat dit in het landelijk gebied moet worden gezocht. Het bouwplan voorziet daarmee in duurzaam ruimtegebruik. Uit ruimtelijk oogpunt bezien, is het belangrijk om te komen tot ‘duurzaam bouwen’. Duurzaam bouwen verhoogt de gebruikswaarde (functioneel), de belevingswaarde (vorm) en de toekomst (tijd) voor de bebouwde omgeving. Duurzaam bouwen is in dit geval te onderscheiden in stedenbouwkundig en bouwkundig duurzaam bouwen. Stedenbouwkundige duurzaamheid komt tot uitdrukking in de ruimtelijke opzet en inpassing van de bebouwing. Ruimtelijke kwaliteit vormt de voorwaarde voor een goed woon- en leefmilieu. Belangrijk hierbij is het om de stedenbouwkundige structuur op een goede manier kenbaar te maken en te behouden. De bouwkundige duurzaamheid laat zich bijvoorbeeld uitdrukken in: duurzaam materiaalgebruik; slimme energetische concepten (welke resulteren in energiebesparende maatregelen); afvalscheiding toepassen van een uitstekend geïsoleerde thermische schil met een grote luchtdichtheid; vastgesteld ambitieniveau.

Ten aanzien van de nieuwe woningen geldt dat deze gasloos moeten worden uitgevoerd. Met het realiseren van onderhavig plan wordt zoveel als mogelijk rekening gehouden met het uitgangspunt om te komen tot duurzaam bouwen.

4.14

Kabels en leidingen

Planologische relevante leidingen zijn leidingen die bescherming in het bestemmingsplan behoeven. Dit zijn bijvoorbeeld rioolwaterpersleidingen met een grote diameter en waterleidingen met een regionale functie. Op deze leidingen zijn geen veiligheidsafstanden van toepassing, maar wordt wel rekening gehouden met een zakelijk rechtstrook van de leidingen. Door binnen deze strook een bouwverbod op te nemen, wordt beschadiging van de leiding voorkomen. In of nabij het plangebied zijn geen planologisch relevante leidingen aanwezig.

46/50 - vastgesteld - NL.IMRO.1948.SCH001BP0052021P-VG01 -

Hoofdstuk 5 Wijze van bestemmen 5.1 Algemene juridische opzet In dit hoofdstuk worden, voor zover dit nodig wordt geacht, de van het bestemmingsplan deel uitmakende regels van een nadere toelichting voorzien. De regels behorende bij dit bestemmingsplan geven inhoud aan de aangegeven bestemming. Ze geven aan waarvoor de gronden en opstallen gebruikt mogen worden en wat en hoe er gebouwd mag worden. De regels van het onderhavige bestemmingsplan zijn ingedeeld in vier hoofdstukken, conform de systematiek in de SVBP2012, versie 1.3.1 (Standaard vergelijkbare bestemmingsplannen 2012), te weten: 1. Inleidende regels Dit hoofdstuk bevat twee artikelen. In artikel 1 zijn de begrippen omschreven die worden gehanteerd in het plan en die een eenduidige omschrijving behoeven. In artikel 2 is bepaald hoe de diverse maten, als bouwhoogte, goothoogte, inhoud en oppervlakte van bouwwerken worden gemeten. 2. Bestemmingsregels In dit hoofdstuk worden regels gegeven voor de binnen het plangebied toegestane functies. Per bestemming zijn de doeleinden en de toegelaten gebruiksvormen van de gronden aangegeven. In beginsel is iedere vorm van bebouwing, die past binnen de desbetreffende bestemming tot een bepaalde omvang rechtstreeks (dus zonder eventuele afwijkingsvergunningen of wijzigingen) toegestaan.

Indien wordt voldaan aan de voorgeschreven maatvoering (bebouwingspercentage, bouwhoogte en dergelijke) en wordt gebouwd op de aangegeven plaats, kan hiervoor in de regel een omgevingsvergunning worden verleend. In het geval van bijbehorende bouwwerken (voorheen: aanbouwen, uitbouwen, bijgebouwen en overkappingen) kan in bepaalde gevallen zonder omgevingsvergunning worden gebouwd (zie artikel 2 en 3, Bijlage II van het Besluit omgevingsrecht). 3. Algemene regels Hier zijn onder andere bepalingen ten aanzien van strijdig gebruik van gronden en bouwwerken opgenomen. 4. Overgangs- en slotregels Dit hoofdstuk bevat de overgangsregels en de slotregel. Het overgangsrecht dient om bouwwerken en gebruiksvormen, die in het verleden legaal zijn gerealiseerd maar nu afwijken van het nieuwe plan, (voorlopig) gehandhaafd respectievelijk voortgezet mogen worden. Zolang voldaan wordt aan de overgangsregels, worden deze bouwwerken en gebruiksvormen gedoogd. In de slotregel is bepaald wat de officiële naam van het plan is.

5.2 Bestemmingsregels Artikel 3 Tuin Deze bestemming is gegeven aan de gronden (globaal bekeken) tussen de voorgevelrooilijn en de weg. Deze gronden zijn bedoeld als tuin, en in dit specifieke geval ook voor parkeervoorzieningen. Hier wordt een deel van de parkeerbehoefte gerealiseerd, in combinatie met groenvoorzieningen. Op deze gronden mogen geen gebouwen worden gerealiseerd, met uitzondering van erkers, als aan bepaalde voorwaarden wordt voldaan. Artikel 4 Wonen 47/50 - vastgesteld - NL.IMRO.1948.SCH001BP0052021P-VG01 -

De gronden met de bestemming ‘Wonen’ zijn bestemd voor het oprichten van drie (geschakelde) woningen. Op de verbeelding zijn hiervoor bouwvlakken opgenomen. Verder zijn in de verbeelding het maximaal aantal toegestane wooneenheden en de maximale goot- en bouwhoogte opgenomen. In de regels wordt hiernaar verwezen. Naast een regeling voor hoofdgebouwen (de woningen) zijn ook regels opgenomen ten aanzien van bijbehorende bouwwerken en overige bouwwerken, geen gebouwen zijnde. Op deze gronden zijn ook verhardingen, parkeervoorzieningen, tuinen, groenvoorzieningen en water en waterhuishoudkundige voorzieningen toegestaan.

5.3 Dubbelbestemming Het voorliggend bestemmingsplan kent geen dubbelbestemmingen.

5.4 Overige regeling anti-dubbeltelregel : deze regel is opgenomen om te voorkomen dat, wanneer volgens een bestemmingsplan bepaalde gebouwen en bouwwerken niet meer dan een bepaald deel van een bouwperceel mogen beslaan, het overgebleven terrein nog eens meetelt bij het toestaan van een ander gebouw of bouwwerk, waaraan een soortgelijke eis wordt gesteld. algemene bouwregels: hier zijn algemene regels voor het bouwen van ondergeschikte bouwdelen opgenomen. algemene gebruiksregels: in deze regels is opgenomen welke vormen van gebruik in ieder geval als strijdig gebruik worden beschouwd. Ook zijn hier voorwaardelijke verplichtingen opgenomen voor parkeren, ecologie (behoud coniferenhaag) en waterberging. algemene afwijkingsregels: deze regels geven het bevoegd gezag de bevoegdheid om met een omgevingsvergunning af te wijken van de regels van dit bestemmingsplan ten behoeve van niet ingrijpende gebruiks- en/of bouwactiviteiten. De criteria, die bij toepassing van de afwijkingsbevoegdheid in acht moeten worden genomen, zijn daarbij aangegeven.

5.5 Overgangs- en slotregels Hieronder zijn het overgangsrecht en de slotregel opgenomen. Deze laatste regel geeft aan op welke wijze de regels van het bestemmingsplan kunnen worden aangehaald.

48/50 - vastgesteld - NL.IMRO.1948.SCH001BP0052021P-VG01 -

Hoofdstuk 6 Uitvoerbaarheid 6.1 Economische uitvoerbaarheid Op grond van het bepaalde in artikel 6.12 lid 1 Wet ruimtelijke ordening is de gemeenteraad verplicht bij de vaststelling van een ruimtelijk plan een exploitatieplan vast te stellen voor gronden waarop een bij algemene maatregel van bestuur aangewezen bouwplan is voorgenomen. In het bestemmingsplan 'Wijsstraat ong. te Schijndel' is een bouwplan als bedoeld in artikel 6.2.1 van het Besluit ruimtelijke ordening voorzien. In afwijking van het bepaalde in artikel 6.12, lid 1 Wet ruimtelijke ordening bepaalt lid 2 van dit artikel dat de gemeenteraad kan besluiten bij de vaststelling van het bestemmingsplan geen exploitatieplan vast te stellen indien: het verhaal van kosten van de grondexploitatie anderszins is verzekerd (bijvoorbeeld via gronduitgifte of een anterieure overeenkomst over grondexploitatie); het niet noodzakelijk is een tijdvak voor de exploitatie, dan wel een fasering in de uitvoering van werken, werkzaamheden, maatregelen en bouwplannen vast te stellen; het stellen van eisen voor de werken en werkzaamheden voor het bouwrijp maken van het exploitatiegebied, de aanleg van nutsvoorzieningen en het inrichten van de openbare ruimte in het exploitatiegebied, dan wel het stellen van regels omtrent het uitvoeren van die werkzaamheden, dan wel een uitwerking van de regels met betrekking tot de uitvoerbaarheid niet

nodig is. De gemeente is initiatiefnemer voor het opstellen van het voorliggend bestemmingsplan. Daarmee is de gemeente verantwoordelijk voor het eventueel ontstaan van planschade als gevolg van het plan. Voor het overige beperkt de gemeente zich enkel tot het verlenen van planologische medewerking aan de uitvoering van het plan. Voor het overige zijn er geen gemeentelijke financiën met het project gemoeid. Overeenkomstig de bepalingen in hoofdstuk 6 van de Wet ruimtelijke ordening is voor voorliggende ontwikkeling geen exploitatieplan noodzakelijk.

6.2 Maatschappelijke uitvoerbaarheid 6.2.1 Vooroverleg ex artikel 3.1.1. Bro Artikel 3.1.1 Besluit ruimtelijke ordening (Bro) bepaalt dat burgemeester en wethouders bij de voorbereiding van een bestemmingsplan, waar nodig, overleg plegen andere betrokken overheden en overheidsdiensten (wettelijke adviseurs). Daarbij moet worden gedacht aan naburige gemeenten, het waterschap, en de diensten van het Rijk en de provincie. Overleg met het waterschap is altijd verplicht, terwijl het tot de verantwoordelijkheid van de gemeente behoort om te beoordelen of overleg met de desbetreffende diensten van het Rijk en de provincie nodig is. Artikel 3:6 van de Algemene wet bestuursrecht (Awb) is van overeenkomstige toepassing. De bedoeling van dit vooroverleg is voornamelijk om de opstellers van het plan tijdig de mogelijkheid te geven het plan desgewenst aan opmerkingen van andere overheden aan te passen. Vanwege de beperkte impact van het plan vindt er geen afzonderlijk vooroverleg plaats, maar wordt het ontwerpbestemmingsplan gelijktijdig met de inzage van het ontwerp aan de provincie en waterschap toegezonden. Inspraak Gezien de beperkte impact van het plan wordt het plan meteen als ontwerp ter inzage gelegd. 49/50 - vastgesteld - NL.IMRO.1948.SCH001BP0052021P-VG01 -

6.2.2 Zienswijzen De ontwerp herziening bestemmingsplan “Wijsstraat ong. te Schijndel” zal conform de procedure in artikel 3.9a van de Wet ruimtelijke ordening zes weken ter inzage worden gelegd. Tijdens de inzagetermijn kan een ieder zijn of haar zienswijzen kenbaar maken. Eventueel wordt het bestemmingsplan aangepast mochten zienswijzen hier toe aanleiding geven. Het bestemmingsplan wordt vastgesteld. De vastgestelde bestemmingsplanherziening wordt vervolgens nog zes weken voor een ieder ter inzage gelegd. Tijdens deze inzagetermijn is een ieder nogmaals in staat zijn of haar bezwaren kenbaar te maken middels een beroep bij de Raad van State. Het ontwerp bestemmingsplan heeft met ingang van 28 december 2023 gedurende zes weken ter inzage gelegen voor een ieder. Gedurende deze periode zijn geen zienswijzen kenbaar gemaakt. Het bestemmingsplan is door de gemeenteraad van Meierijstad in de vergadering van 23 mei 2024 ongewijzigd vastgesteld.

50/50 - vastgesteld - NL.IMRO.1948.SCH001BP0052021P-VG01 -

De tekst is automatisch uit het bestand gehaald en kan afwijken van het origineel (kolommen, tabellen en koppen lopen door elkaar). Het officiële stuk bij de gemeente is leidend. Bron: https://api1.ibabs.eu/publicdownload.aspx?site=Meierijstad&id=d6636e7b-f65a-4f3d-9a3c-c78964705766