Bijlage 1Wijsstraat ong. te Schijndel_Toelichting
Tekst van het document
bestemmingsplan Wijsstraat ong. te Schijndel Gemeente: Meierijstad
Opdrachtgever: Gemeente Meierijstad
Organisatie
Telefoon
Documentnummer
wsp
+31 (0)88 910 20 00
SLM018415
Adres
Gaetano Martinolaan 50 6229 GS Maastricht
Versie Datum
NL.IMRO.1948.SCH001BP0052021P-VG01
Colofon Rapporthistorie Voorontwerp n.v.t. Ontwerp 7 januari 2022 Vastgesteld 23 mei 2024 Onherroepelijk n.v.t. Contactgegevens
Autorisatie Documentnummer
Versie
Status
SLM018415
NL.IMRO.1948.SCH001BP0052021P-VG01
vastgesteld
Opgesteld door
Functie
Datum
Paraaf
Geverifieerd door
Functie
Datum
Paraaf
Akkoord projectleider
Functie
Datum
Paraaf
3/50 - vastgesteld - NL.IMRO.1948.SCH001BP0052021P-VG01 -
Inhoudsopgave Toelichting
2
Hoofdstuk 1 Inleiding
5
1.1 1.2 1.3 1.4 1.5
Aanleiding en doelstelling Ligging plangebied en begrenzing plangebied Het geldende bestemmingsplan De bij het plan behorende stukken Opzet van de toelichting: leeswijzer
Hoofdstuk 2 Planbeschrijving 2.1 2.2
Bestaande situatie Nieuwe situatie
Hoofdstuk 3 Beleid 3.1 3.2 3.3 3.4 3.5
Inleiding Rijksbeleid Provinciaal/regionaal beleid Gemeentelijk beleid Conclusie
Hoofdstuk 4 Planologische en milieutechnische aspecten 4.1 4.2 4.3 4.4 4.5 4.6 4.7 4.8 4.9 4.10 4.11 4.12 4.13 4.14
Milieueffectrapportage Geluid Luchtkwaliteit Externe veiligheid Bedrijven en milieuzonering Geur Volksgezondheid in relatie tot veehouderijen Natuurwaarden Bodemkwaliteit Waterparagraaf Archeologie en cultuurhistorie Parkeren en ontsluiting Klimaat en Duurzaamheid Kabels en leidingen
Hoofdstuk 5 Wijze van bestemmen 5.1 5.2 5.3 5.4 5.5
Algemene juridische opzet Bestemmingsregels Dubbelbestemming Overige regeling Overgangs- en slotregels
Hoofdstuk 6 Uitvoerbaarheid 6.1 6.2
Economische uitvoerbaarheid Maatschappelijke uitvoerbaarheid
4/50 - vastgesteld - NL.IMRO.1948.SCH001BP0052021P-VG01 -
5 5 7 7 8
9 9 11
13 13 13 17 19 25
26 26 27 27 29 30 31 33 35 39 40 42 44 46 46
47 47 47 48 48 48
49 49 49
Hoofdstuk 1 Inleiding 1.1 Aanleiding en doelstelling Bij de actualisering van het gemeentelijke bestemmingsplan 'Kom Schijndel 2013' in 2013 is een bouwmogelijkheid voor een grote 2 onder 1 kapwoning aan de Wijsstraat ongenummerd te Schijndel vervallen. De gemeente wil deze bouwmogelijkheid herstellen, met dien verstande dat er een bouwmogelijkheid voor drie kleinere woningen mogelijk wordt gemaakt. Dit sluit namelijk beter aan bij het gemeentelijk volkshuisvestingsbeleid en past tevens beter in het stedenbouwkundig beeld ter plaatse. Het doel van het voorliggende bestemmingsplan 'Wijsstraat ong. te Schijndel' is dan ook om de beoogde ontwikkeling planologisch-juridisch mogelijk te maken.
1.2 Ligging plangebied en begrenzing plangebied De planlocatie ligt aan de Wijsstraat ongenummerd te Schijndel, kadastraal bekend gemeente Schijndel sectie H, nummers 5818, 5819 en 3843. Op navolgende luchtfoto's zijn de ligging en globale begrenzing van het plangebied rood omlijnd aangegeven.
Afbeelding 1-1 Ligging plangebied Het plangebied wordt aan de noord- en zuidzijde begrenst door respectievelijk de percelen Wijsstraat 32 en Wijsstraat 30. De westelijk grens wordt gevormd door de Wijsstraat. De oostgrens van het plangebied is de achtergelegen weide die grenst aan het perceel Bunderstaat 30a, zoals in de onderstaande afbeelding is weergegeven.
5/50 - vastgesteld - NL.IMRO.1948.SCH001BP0052021P-VG01 -
Afbeelding 1-2 Globale begrenzing plangebied
6/50 - vastgesteld - NL.IMRO.1948.SCH001BP0052021P-VG01 -
1.3 Het geldende bestemmingsplan Op het perceel Wijsstraat is het bestemmingsplan 'Kom Schijndel 2013' van kracht, zoals vastgesteld op 9 oktober 2013. De betreffende gronden hebben de bestemmingen 'Wonen'. Op hierna opgenomen uitsnede van de verbeelding (bron: www.ruimtelijkeplannen.nl) van het vigerende bestemmingsplan zijn de ligging en globale begrenzing van de plangebied het rood omlijnd aangegeven.
Afbeelding 1-3 Locatie plangebied geprojecteerd op bestemmingsplan 'Kom Schijndel 2013' Het plan maakt de realisatie van 3 (geschakelde) woningen mogelijk. Op de percelen is wel een bestemming 'Wonen' aanwezig maar er zijn geen bouwvlakken opgenomen. Het realiseren van woningen is daarom niet mogelijk op basis van het vigerende plan.
1.4 De bij het plan behorende stukken Het bestemmingsplan 'Wijsstraat ong. te Schijndel' met identificatienummer NL.IMRO.1948.SCH001BP0052021P-VG01 bestaat, naast deze toelichting, uit de volgende stukken: verbeelding planregels. De verbeelding en de planregels vormen samen het juridisch bindende plan en kunnen enkel in samenhang met elkaar 'gelezen' worden. Op de verbeelding zijn de bestemmingen van de in het plangebied begrepen gronden aangegeven. Aan deze bestemmingen zijn regels om de uitgangspunten van het plan zeker te stellen.
7/50 - vastgesteld - NL.IMRO.1948.SCH001BP0052021P-VG01 -
De toelichting is niet juridisch bindend, maar is niettemin een belangrijk document bij het bestemmingsplan. De toelichting geeft aan wat de beweegredenen en achtergronden zijn die aan het plan ten grondslag liggen en doet verslag van het onderzoek dat aan het bestemmingsplan vooraf is gegaan. Tot slot is de toelichting van wezenlijk belang voor een juiste interpretatie en toepassing van het bestemmingsplan.
1.5 Opzet van de toelichting: leeswijzer De toelichting is als volgt opgebouwd: Hoofdstuk 2 Planbeschrijving staat stil bij de huidige en toekomstige situatie van het plangebied; in Hoofdstuk 3 Beleid is een beknopt overzicht opgenomen van de belangrijkste beleidsstukken, die relevant zijn voor het plangebied; de gevolgen of effecten op de planologische- en milieutechnische aspecten worden in Hoofdstuk 4 Planologische en milieutechnische aspecten beschreven; in Hoofdstuk 5 Wijze van bestemmen worden de gehanteerde bestemmingen met bijbehorende regeling beschreven; Hoofdstuk 6 Uitvoerbaarheid, heeft betrekking op de maatschappelijke en economische uitvoerbaarheid van het plan.
8/50 - vastgesteld - NL.IMRO.1948.SCH001BP0052021P-VG01 -
Hoofdstuk 2 Planbeschrijving 2.1 Bestaande situatie Het plangebied ligt centraal in de kern Schijndel aan de Wijsstraat en is op dit moment in gebruik als huisweide. Het plangebied, met een oppervlakte van ca. 900 m2, ligt in de woonwijk De Borne. Op de afbeelding hieronder is een luchtfoto te zien, met daarop het plangebied (Google.nl/maps). Ook zijn twee afbeeldingen van het betreffend perceel en de omliggende bebouwing weergegeven (Google Streetview)
Afbeelding 2-1 Situering plangebied
9/50 - vastgesteld - NL.IMRO.1948.SCH001BP0052021P-VG01 -
Afbeelding 2-2 Huidige situatie plangebied
fbeelding 2-3 Bebouwing aan weerzijden van het plangebied
10/50 - vastgesteld - NL.IMRO.1948.SCH001BP0052021P-VG01 -
2.2 Nieuwe situatie De gemeente wil de vervallen bouwmogelijkheid herstellen, met dien verstande dat er een bouwmogelijkheid voor drie kleinere woningen mogelijk wordt gemaakt conform het onderstaande verkavelingsontwerp. Dit past goed in het stedenbouwkundig beeld ter plaatse. Een definitief ontwerp voor de woningen is tijdens het opstellen van dit bestemmingsplan nog niet gereed.
Afbeelding 2-4 Ontwerp verkaveling plangebied De woningen verspringen deels, wat aansluit bij de situering van de woningen in de omgeving van het plangebied. Ook het type woning sluit aan bij de omgeving.
11/50 - vastgesteld - NL.IMRO.1948.SCH001BP0052021P-VG01 -
Afbeelding 2-5 verbeelding nieuw bestemmingsplan
12/50 - vastgesteld - NL.IMRO.1948.SCH001BP0052021P-VG01 -
Hoofdstuk 3 Beleid 3.1 Inleiding Wat betreft de verantwoordelijkheidstoedeling en bevoegdheidsverdeling zijn het Rijk, de provincies en de gemeenten verantwoordelijk voor hun eigen belangen. Er kan slechts sprake zijn van bemoeienis van Rijk of provincie met de gemeente, indien dat noodzakelijk is vanwege een nationaal respectievelijk provinciaal belang. Rijk en provincies beschikken in de Wet ruimtelijke ordening over dezelfde bevoegdheden als gemeenten om hun eigen ruimtelijke belangen te kunnen uitvoeren. Daarnaast kunnen het Rijk en de provincies algemeen verbindende regels uitvaardigen en aanwijzingen geven om hun belangen veilig te stellen. Het beleid van de gemeente Meierijstad vormt dus het kader waarbinnen de functionele en ruimtelijke ontwikkeling wordt vastgesteld. De ruimtelijke ontwikkelingsplannen van Rijk, provincie en regio vormen randvoorwaarden voor het gemeentelijke beleid. Voor zover relevant voor de plannen worden in de volgende paragrafen het Rijks-, provinciaal en gemeentelijk beleid toegelicht.
3.2 Rijksbeleid 3.2.1 Nationale Omgevingsvisie De Nationale Omgevingsvisie (NOVI) komt voort uit de Omgevingswet, die naar verwachting in 2021 in werking treedt. Uitgangspunt in de nieuwe aanpak is dat ingrepen in de leefomgeving niet los van elkaar plaatsvinden, maar in samenhang. Zo kunnen we in gebieden komen tot betere, meer geïntegreerde keuzes. De NOVI is op 15 september 2020 vastgesteld. Vier prioriteiten Aan de hand van een toekomstperspectief op 2050 brengt de NOVI de langetermijnvisie in beeld. Op nationale belangen wil het Rijk sturen en richting geven. Die komen samen in vier prioriteiten: 1. Ruimte voor klimaatadaptatie en energietransitie Nederland moet zich aanpassen aan de gevolgen van klimaatverandering, zoals zeespiegelstijging, hogere rivierafvoeren, wateroverlast en langere perioden van droogte. Nederland is in 2050 klimaatbestendig en waterrobuust. Dit vraagt maatregelen in de leefomgeving, bijvoorbeeld voldoende groen en ruimte voor wateropslag in onze steden. Voordeel is dat daarmee tegelijk de leefomgevingskwaliteit verbeterd wordt en het kansen biedt voor natuur. In 2050 heeft Nederland een duurzame energievoorziening. Dit vraagt ruimte, onder meer voor windmolens en zonnepanelen. Wind op zee heeft de voorkeur, maar ook op land zijn windmolens nodig.
Door deze zoveel mogelijk te clusteren, voorkomen we versnippering over het landschap en benutten we de ruimte zo efficiënt mogelijk. Voorwaarde is steeds dat bewoners echt goed betrokken zijn en invloed hebben op het gebruik, en waar dat kan meeprofiteren in de opbrengsten. De aanleg van zonneparken in het landschap moeten we zoveel mogelijk beperken. Het Rijk plaatst bij voorkeur eerst zoveel mogelijk zonnepanelen op daken en gevels. Het Rijk zet zich in voor het maken van ruimtelijke reserveringen voor het hoofdenergiesysteem op nationale schaal. 2. Duurzaam economisch groeipotentieel Nederland werkt toe naar een duurzame, circulaire, kennisintensieve en internationaal 13/50 - vastgesteld - NL.IMRO.1948.SCH001BP0052021P-VG01 -
concurrerende economie in 2050. Daarmee kan ons land zijn positie handhaven in de top vijf van meest concurrerende landen ter wereld. Dit vraagt goede verbindingen via weg, spoor, lucht, water en digitale netwerken en een nauwe samenwerking met onze internationale partners, zowel met onze directe buren als met andere landen in Europa en over de wereld, ook op defensieterrein. We zetten in op een sterk en innovatief vestigingsklimaat met een goede quality of life: een leefomgeving die de inwoners volop voorzieningen biedt op het gebied van wonen, bewegen, recreëren, ontmoeten en ontspannen. Belangrijk is wel dat onze economie toekomstbestendig wordt, oftewel concurrerend, duurzaam, en circulair. We zetten in op het gebruik van duurzame energiebronnen en op verandering van productieprocessen, zodat we niet langer afhankelijk zijn van eindige, fossiele bronnen. 3. Sterke en gezonde steden en regio’s Er zijn vooral in steden en stedelijke regio’s nieuwe locaties nodig voor wonen en werken. Het liefst binnen de bestaande stadsgrenzen, zodat de open ruimten tussen stedelijke regio’s behouden blijven. Dit vraagt optimale afstemming op en investeringen in mobiliteit. Tegelijk willen we de leefbaarheid en klimaatbestendigheid in steden en dorpen verbeteren.
Schonere lucht, voldoende groen en water en genoeg publieke voorzieningen waar mensen kunnen bewegen (wandelen, fietsen, sporten, spelen), ontspannen en samenkomen. Daarbij hoort een uitstekende bereikbaarheid en toegankelijkheid, ook voor mensen met een handicap. We zorgen dat de leefomgevingskwaliteit en – veiligheid verder toeneemt. Dit betekent dat voorafgaand aan de keuze van nieuwe verstedelijkingslocaties helder moet zijn welke randvoorwaarden de leefomgevingskwaliteit en -veiligheid daar stelt en welke extra maatregelen nodig zijn wanneer er voor deze locaties wordt gekozen. Zo blijft de gezondheid in steden en regio’s geborgd. Niet alleen groei heeft onze aandacht. Ook in gebieden met bevolkingsdaling versterken we de vitaliteit en leefbaarheid. 4. Toekomstbestendige ontwikkeling van het landelijk gebied Er ontstaat een nieuw perspectief voor de Nederlandse landbouwsector als koploper in de duurzame kringlooplandbouw. Een goed verdienpotentieel voor de bedrijven wordt gecombineerd met een minimaal effect op de omgevingskwaliteit van lucht, bodem en water. Dit levert ook een noodzakelijke positieve bijdrage aan het verbeteren van de biodiversiteit. Bodemdaling moet worden aangepakt. Verhoging van het waterpeil is in bepaalde veenweidegebieden op termijn noodzakelijk. Met de betrokken regio’s en gebruikers wordt afgesproken waar en hoe dit zorgvuldig zal gebeuren.
In alle gevallen zetten we in op ontwikkeling van de karakteristieke eigenschappen van het Nederlandse landschap. Dit vertegenwoordigt een belangrijke cultuurhistorische waarde. Verrommeling en versnippering, bijvoorbeeld door wildgroei van distributiecentra, is ongewenst en wordt tegengegaan. Afwegingsprincipes De druk op de fysieke leefomgeving in Nederland is zo groot, dat belangen soms botsen. Het streven is combinaties te maken en win-win situaties te creëren, maar dit is niet altijd mogelijk. Soms zijn er scherpe keuzes nodig en moeten belangen worden afgewogen. Hiertoe gebruikt de NOVI drie afwegingsprincipes: Combinaties van functies gaan voor enkelvoudige functies: In het verleden is scheiding van functies vaak te rigide gehanteerd. Met de NOVI zoeken we naar maximale combinatiemogelijkheden tussen functies, gericht op een efficiënt en zorgvuldig gebruik van onze ruimte; Kenmerken en identiteit van een gebied staan centraal: wat de optimale balans is tussen bescherming en ontwikkeling, tussen concurrentiekracht en leefbaarheid, verschilt van gebied tot gebied. Sommige opgaven en belangen wegen in het ene gebied zwaarder dan in het andere; 14/50 - vastgesteld - NL.IMRO.1948.SCH001BP0052021P-VG01 -
Afwentelen wordt voorkomen: het is van belang dat onze leefomgeving zoveel mogelijk voorziet in mogelijkheden en behoeften van de huidige generatie van inwoners zonder dat dit ten koste gaat van die van toekomstige generaties. De juridische borging van de nationale belangen is vastgelegd in het Besluit algemene regels ruimtelijke ordening.
3.2.2 Besluit algemene regels ruimtelijke ordening (Barro), 2012 Het Besluit algemene regels ruimtelijke ordening (Barro), ook wel de AMvB Ruimte genoemd, is op 22 augustus 2011 vastgesteld en in oktober 2012 aangevuld. Het Barro heeft als doel om vanuit een concreet nationaal belang een goede ruimtelijke ordening te bevorderen. De AMvB is het inhoudelijke beleidskader van het rijk waaraan ruimtelijke besluiten op provinciaal en gemeentelijk niveau moeten voldoen. Dat betekent dat de AMvB regels geeft over bestemmingen en het gebruik van gronden. Daarnaast kan zij aan de gemeente opdragen in de toelichting bij een bestemmingsplan bepaalde zaken uitdrukkelijk te motiveren. De algemene regels bewerkstelligen dat nationale ruimtelijke belangen doorwerken tot op lokaal niveau. Inhoudelijk gaat het om nationale belangen die samenhangen met het beschermen van ruimtelijke functies. Het besluit bevat alleen die nationale ruimtelijke belangen, die via het stellen van regels aan de inhoud of toelichting van bestemmingsplannen (of daarmee vergelijkbare besluiten) beschermd kunnen worden. Doorwerking plan(locatie) De planlocatie is niet gelegen in een gebied waarvoor op basis van het Barro en Rarro een relevante ruimtereservering geldt. Daarnaast wordt niet in een ontwikkeling voorzien die raakt aan een van de nationale belangen zoals verwoord in het NOVI.
Conclusie Het voorliggende plan is niet in strijd met enig nationaal belang uit het Besluit algemene regels ruimtelijke ordening.
3.2.3 Structuurvisie Infrastructuur en Ruimte (SVIR), 2012 De kaders van het rijksbeleid zijn opgenomen in de Structuurvisie Infrastructuur en Ruimte (SVIR) die op 13 maart 2012 door de Minister van I&M is vastgesteld. Deze structuurvisie vervangt de Nota Ruimte en heeft als uitgangspunt 'Nederland concurrerend, bereikbaar, leefbaar en veilig'. De SVIR omvat drie hoofddoelen, die als volgt zijn geformuleerd: 1. Concurrerend Het vergroten van de concurrentiekracht van Nederland door het versterken van de ruimtelijk-economische structuur van Nederland; 2. Bereikbaar Het verbeteren en ruimtelijk zeker stellen van de bereikbaarheid waarbij de gebruiker voorop staat; 3. Leefbaar en veilig Het waarborgen van een leefbare en veilige omgeving waarin unieke natuurlijke en cultuurhistorische waarden behouden zijn. Voor een aanpak die Nederland concurrerend, bereikbaar, leefbaar en veilig maakt, moet het roer in het ruimtelijk en mobiliteitsbeleid om. Het Rijk kiest voor een selectievere inzet van rijksbeleid op slechts 13 nationale belangen. De nationale belangen hebben onder andere betrekking op ruimte voor waterveiligheid, behoud van nationale unieke cultuurhistorische kwaliteiten en ruimte voor een nationaal netwerk van natuur. Doorwerking plan(locatie) 15/50 - vastgesteld - NL.IMRO.1948.SCH001BP0052021P-VG01 -
De voorliggende planlocatie is niet gelegen in een gebied waarvoor van rijkswege een (relevante) ruimtereservering geldt. Uitsluitend het nationale belang van een ‘zorgvuldige afweging en transparante besluitvorming bij alle ruimtelijke en infrastructurele besluiten’, als vervat in de ladder voor duurzame verstedelijking, is van toepassing op het onderhavige bestemmingsplan. Aan dit belang wordt in paragraaf 3.2.4 getoetst. Conclusie Aspecten als water, veiligheid, cultuurhistorie en ruimtelijke kwaliteit vormen onderdeel van de planologische toets. Verder wordt geconcludeerd dat de onderhavige planlocatie niet gelegen is in een gebied waarvoor van Rijkswege een relevante ruimtereservering geldt. Aan de ladder voor duurzame verstedelijking wordt navolgend getoetst. Het plan is niet in strijd met het rijksbeleid.
3.2.4 Besluit ruimtelijke ordening (Bro) Met de inwerkingtreding op 1 oktober 2012 van artikel 3.1.6 lid 2 van het Besluit ruimtelijke ordening (Bro) – de 'ladder voor duurzame verstedelijking' – geldt voor alle juridisch verbindende ruimtelijke plannen van decentrale overheden die (planologisch) nieuwe stedelijke ontwikkelingen mogelijk maken een bijzonder procesvereiste. Het procesvereiste van het doorlopen van de Ladder is gebaseerd op één van de nationale belangen als opgenomen in het NOVI, opgesteld door het Rijk. Dit nationale belang houdt in dat, ten behoeve van een goed systeem van ruimtelijke ordening, een zorgvuldige afweging en transparante besluitvorming bij ruimtelijke besluiten plaats dient te vinden. Deze zorgvuldige afweging heeft tot doel om, vanuit een oogpunt van zuinig en zorgvuldig ruimtegebruik, planologisch ongewenste versnippering en een onaanvaardbare leegstand te voorkomen. Op 1 juli 2017 is het Besluit ruimtelijke ordening (Bro) gewijzigd, waarbij een nieuwe Laddersystematiek geldt.
Artikel 3.1.6, tweede lid, luidt nu als volgt: De toelichting bij een bestemmingsplan dat een nieuwe stedelijke ontwikkeling mogelijk maakt, bevat een beschrijving van de behoefte aan die ontwikkeling, en, indien het bestemmingsplan die ontwikkeling mogelijk maakt buiten het bestaand stedelijk gebied, een motivering waarom niet binnen het bestaand stedelijk gebied in die behoefte kan worden voorzien. De Laddertoets moet worden uitgevoerd wanneer er sprake is van een nieuwe stedelijke ontwikkeling. In artikel 1.1.1 onder i van het Bro is een nadere omschrijving van het begrip stedelijke ontwikkeling vastgelegd. Als stedelijke ontwikkeling wordt genoemd: een ruimtelijke ontwikkeling van een bedrijventerrein of zeehaventerrein, of van kantoren, detailhandel, woningbouwlocaties of andere stedelijke voorzieningen. In het Bro is geen ondergrens voor de minimale omvang vastgelegd. Of er sprake is van een stedelijke ontwikkeling wordt bepaald door de aard en omvang van de ontwikkeling in relatie tot de omgeving. Voor woningbouwlocaties geldt volgens de overzichtsuitspraak dat 'in beginsel' sprake is van een nieuwe stedelijke ontwikkeling als er meer dan 11 woningen gerealiseerd worden. Voor wonen is daarmee de lijn dat er vanaf 12 woningen sprake is van een stedelijke ontwikkeling.
Op grond van het geldende bestemmingsplan was het niet mogelijk om woningen op het perceel te realiseren. Het nieuwe bestemmingsplan heeft tot doel op het perceel 3 woningen mogelijk te maken. Op basis van jurisprudentie van de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State wordt een ontwikkeling van maximaal 11 woningen niet gezien als een nieuwe stedelijke ontwikkeling. Daarom is in de voorliggende situatie geen sprake van een nieuwe stedelijke ontwikkeling en is een laddertoets niet noodzakelijk. Conclusie Het onderhavige plan is niet in strijd met het Besluit ruimtelijke ordening. Toetsing aan de ladder voor duurzame verstedelijking is niet noodzakelijk.
16/50 - vastgesteld - NL.IMRO.1948.SCH001BP0052021P-VG01 -
3.2.5 Wet Voortgang Energietransitie (aardgasloos bouwen) Sinds 1 juli 2018 is de Wet Voortgang Energietransitie (Wet tot wijziging van de Elektriciteitswet 1998 en van de Gaswet, hierna: Wet Vet) van kracht. Bij deze wet is bepaald dat de aardgasaansluitplicht voor nieuwbouw vervalt. Dit betekent dat vanaf 1 juli 2018 projectontwikkelaars, aannemers en gemeenten rekening moeten houden met het feit dat nieuw te bouwen bouwwerken niet meer mogen worden aangesloten op het gasnet. Een uitzondering op aardgasloos bouwen is mogelijk, maar is aan voorwaarden onderhevig. De woningen in het voorliggende plan worden aardgasloos gebouwd. Conclusie Door het aardgasloos realiseren van de woningen wordt voldaan aan de Wet Voortgang Energietransitie.
3.2.6 Conclusie De beoogde ontwikkeling is niet in strijd met het rijksbeleid.
3.3 Provinciaal/regionaal beleid 3.3.1 Omgevingsvisie Noord-Brabant Provinciale Staten hebben op 14 december 2018 de Brabantse Omgevingsvisie 'De kwaliteit van Brabant' vastgesteld. De Brabantse Omgevingsvisie voegt daar ambities aan toe voor vier hoofdopgaven: de energietransitie, een klimaatproof Brabant, Brabant als slimme netwerkstad en een concurrerende, duurzame economie. Voor elk van deze opgaven geeft de omgevingsvisie aan wat de ambities op lange termijn zijn: wat is er nodig om Brabant in 2050 een gezonde, veilige en prettige leefomgeving te laten zijn? Doorwerking plangebied De beoogde woningbouw heeft geen invloed op de opgestelde ambities. Wel moet deze ontwikkeling in lijn zijn met de basisopgave waarin een veilige, gezonde leefomgeving en een goede omgevingskwaliteit centraal staan. In hoofdstuk 4 wordt onderbouwd waarom de beoogde ontwikkeling geen negatieve invloed heeft op deze drie aspecten en waarom deze aspecten anderzijds geen belemmering vormen voor de ontwikkeling zelf. Conclusie De omgevingsvisie vormt geen belemmering voor onderhavig plan
3.3.2 Interim omgevingsverordening Noord-Brabant Het beleid uit de Omgevingsvisie is verwerkt in de regels die zijn opgenomen in de Interim omgevingsverordening Noord-Brabant. De onderwerpen die in de verordening staan komen dus uit de provinciale structuurvisie. Daarin staat welke belangen de provincie wil behartigen en hoe ze dat wil doen. De verordening is daarbij één van de manieren om die provinciale belangen veilig te stellen. In de verordening is een aantal aspecten opgenomen die van toepassing zijn op onderhavig plan. Deze zullen hierna worden besproken. De provincie wil de ruimtelijke kwaliteit van Noord-Brabant bevorderen. Dit betekent dat nieuwe ontwikkelingen een bijdrage moeten leveren aan de kernkwaliteiten van Noord-Brabant. De provincie biedt ontwikkelingsruimte in het buitengebied, mits een ontwikkeling bijdraagt aan een versterking van de ruimtelijke kwaliteit. Nieuwe ontwikkelingen bieden een kans voor behoud en ontwikkeling van het landschap. Het ontwikkelen van landschap reikt verder dan het behouden wat er is, ontwikkelen van het landschap gaat ook om het toevoegen van nieuwe ruimtelijke kwaliteiten. 17/50 - vastgesteld - NL.IMRO.1948.SCH001BP0052021P-VG01 -
Hierna wordt ingegaan op de relevante thematische kaarten. Landelijke kern – stedelijk gebied Binnen het kaartbeeld ‘landelijk gebied’ is de planlocatie aangeduid als ‘stedelijk gebied’. Dit is geïllustreerd in navolgend kaartbeeld.
Afbeelding 3-1 Interim omgevingsverordening Noord-Brabant - fragment Kaart 3 In de verordening worden algemene regels gegeven waaraan de toelichting bij een gemeentelijk planologisch besluit dat nieuwbouw van woningen mogelijk maakt, moet voldoen. Uiteraard dient gekeken te worden naar de bestaande harde plancapaciteit. Tevens moet uitdrukkelijk een relatie gelegd worden met de afspraken die in het regionaal planningsoverleg zijn gemaakt over de nieuwbouw van woningen. Deze afspraken worden jaarlijks gemaakt en zo nodig herzien. Zij worden gebaseerd op de provinciale bevolkings- en woningbehoefteprognose. De afspraken hebben in ieder geval betrekking op de aantallen te bouwen woningen. Zij kunnen daarnaast betrekking hebben op de aard van de woningen. Daaronder worden onder meer begrepen woningen voor bijzondere doelgroepen, zoals ouderen, personen met een zorgvraag, jongeren en starters op de woningmarkt, in het bijzonder voor zover deze groepen behoren tot de lagere inkomensgroepen. In de verordening is bepaald dat ruimtelijke plannen die voorzien in een stedelijke ontwikkeling in principe alleen in bestaand stedelijk gebied mogen vallen. Bestaand stedelijk gebied is het bestaande ruimtebeslag van een kern voor een samenhangende ruimtelijke structuur van stedelijke functies.
De verordening vereist dat in de gemeentelijke planvorming – zowel in de stedelijke concentratiegebieden als in de kernen in landelijk gebied – wordt verantwoord dat de ruimtelijke mogelijkheden binnen het bestaand stedelijk gebied zo goed mogelijk worden benut. Deze verantwoording dient gebaseerd te zijn op onderzoek dan wel op concreet beleid vastgelegd in een gemeentelijke structuurvisie. Het accent ligt op inbreiden en herstructureren. Ook moet bestaande, nieuwe of te herontwikkelen ruimte intensiever worden benut. Door verschillende functies op een locatie te combineren kan extra ruimtebeslag worden voorkomen of beperkt. Doorwerking plan(locatie) De woonwensen en de leefbaarheid in de dorpen en steden, de behoefte aan gebiedseigenheid en identiteit van stad, dorp en landschap en klimaatverandering staan in de volle aandacht. De 18/50 - vastgesteld - NL.IMRO.1948.SCH001BP0052021P-VG01 -
provincie Noord-Brabant wil blijven ontwikkelen, maar de provincie stelt ook meer eisen aan de kwaliteit van de leefomgeving. Vanwege een zuinig en zorgvuldig ruimtegebruik worden woningen op de eerste plaats binnen de bestaande bebouwde kom geconcentreerd. Voorliggend initiatief ziet op inbreiding en verdichting van een bestaande locatie. Hiermee streeft het plan zuinig en zorgvuldig ruimtegebruik na. Voorts moeten bestaande waarden en kwaliteiten behouden blijven en waar mogelijk worden versterkt. Het provinciale beleid, opgenomen in de provinciale structuurvisie en de verordening, is gericht op het concentreren van stedelijke ontwikkelingen in het bestaand stedelijk gebied. De planlocatie ligt in het bestaand stedelijk concentratiegebied van de provincie Noord Brabant en vormt een inbreidingslocatie. De voorgestane ontwikkeling beantwoordt daarmee aan de provinciale ruimtelijke doelstellingen om te komen tot zuinig ruimtegebruik en concentratie van verstedelijking (inbreiden, transformeren, herstructureren en intensiveren). Conclusie De gemeente Meierijstad streeft naar een evenwichtige woningmarkt met voldoende, goede, betaalbare, gevarieerde en passende woningen. Het plan komt tegemoet aan een actuele behoefte en wordt in bestaand stedelijk gebied gerealiseerd. Dus herstructurering en transformatie vóór uitleg.
Onderhavige ontwikkeling vindt plaats in stedelijk gebied, betreft intensiever ruimtegebruik met een stedelijke functie en is passend binnen de diverse beleidsuitgangspunten waaronder de doelstellingen wat betreft de kwantitatieve en kwalitatieve doeleinden met betrekking tot de woningbouw. De planontwikkeling heeft geen nadelige gevolgen voor de ambities die de provincie nastreeft en heeft geformuleerd in de Omgevingsvisie Noord-Brabant en de Interim omgevingsverordening Noord-Brabant. Er wordt met onderhavige ontwikkeling derhalve geen afbreuk gedaan aan de beleidsdoelstellingen en ambities, zoals opgenomen in de structuurvisie en de verordening. Onderhavig plan sluit aan bij c.q. doet geen afbreuk aan de ambities en de (beleids)doelstellingen en -uitgangspunten zoals verwoord in de Interim omgevingsverordening Noord-Brabant. De ruimtelijk-fysieke, logistieke en milieu-hygiënische aanvaardbaarheid van onderhavige ontwikkeling wordt gemotiveerd in de Hoofdstuk 4.
3.3.3 Conclusie De beoogde ontwikkeling past binnen het beleid van de provincie Noord Brabant.
3.4 Gemeentelijk beleid De provinciale ruimtelijke beleidskaders zijn of moeten worden vertaald in het gemeentelijke ruimtelijke beleid. In deze paragraaf wordt nader ingegaan op de Structuurvisie Ruimte, gemeente Schijndel, de Woonvisie Meierijstad 2018, het Paraplubestemmingsplan parkeren en de Welstandsnota Meierijstad 2018.
3.4.1 Structuurvisie Ruimte, gemeente Schijndel In 2005 heeft de gemeenteraad de strategische visie “Op weg naar 't skonste plekske in 2020” vastgesteld. Deze visie biedt een samenhangend toekomstbeeld van de algemene ambities. Deze vragen om een verdere uitwerking voor wat betreft de ruimtelijke ontwikkeling van Schijndel. Dit gebeurt via de structuurvisie Ruimte. De 'Analyse structuurvisie Schijndel' vormt de voorbereiding voor de structuurvisie Ruimte en is hiermee onlosmakelijk verbonden. 19/50 - vastgesteld - NL.IMRO.1948.SCH001BP0052021P-VG01 -
De structuurvisie Ruimte brengt de mogelijke 'routes' in beeld en de keuzes die daaraan verbonden zijn. Zeker voor de eerste tien jaar en als doorkijk voor de daaropvolgende tien jaar. Een visie dus voor de komende 20 jaar. De structuurvisie maakt het daarnaast mogelijk om lopende en gewenste ruimtelijke ontwikkelingen met elkaar in verband te brengen. Via de structuurvisie legt de gemeente, voor wat betreft de ruimtelijke ontwikkeling, de lange termijndoelen vast. De volgende vier kernwaarden waren het uitgangspunt bij de totstandkoming van deze structuurvisie Ruimte: verdieping van de Strategische Visie; behoud en versterken van bestaande kwaliteiten voor een complete gemeente; regierol voor de gemeente Schijndel; transparantie en toegankelijkheid van ruimtelijke keuzes.
Afbeelding 3-2 Kaart Structuurvisie Ruimte Schijndel (Plangebied rood omcirkeld) Toegenomen bevolking en welvaart zorgen voor steeds meer tegengestelde belangen en ruimteclaims. Om de ruimtelijke ontwikkeling van Schijndel in goede banen te leiden, vindt er dan ook een complexe belangenafweging plaats. Ook liggen er ambities op diverse vlakken, te weten een evenwichtige (volks)huisvesting, een stabiele en sterke sociaal-economische positie, behoud van cultuurhistorie, een gezonde en robuuste natuur, adequate waterhuishouding, een acceptabele en aantrekkelijke woon- en leefomgeving met voldoende ruimte voor recreatie. De 'Analyse structuurvisie Schijndel' geeft een actueel beeld van de verschillende ruimtelijke thema's. Daarnaast geeft de analyse een overzicht van de stappen die reeds genomen zijn. Ook komt de analyse tot een onderscheid in laagdynamische en hoogdynamische gebieden. Zo maakt de structuurvisie Ruimte inzichtelijk welke (groene) ruimte wordt beschermd en waar verdere bebouwing is toegestaan. Ook zet de structuurvisie de lijn uit voor de ontwikkeling van de bedrijventerreinen en het centrum. Doorwerking plan(locatie) Het plan voorziet in de bouw van 3 woningen in bestaand stedelijk gebied. Er is gekozen voor een woningtype dat aansluit bij de reeds bestaande woningen. De woningen sluiten in massa maar ook in beeldkwaliteit aan bij de bestaande bebouwing.
Conclusie Het bestemmingsplan is in overeenstemming met de Structuurvisie Ruimte gemeente 20/50 - vastgesteld - NL.IMRO.1948.SCH001BP0052021P-VG01 -
Schijndel.
3.4.2 Duurzaamheid De concrete doelstellingen op het gebied van duurzaamheid voor de gemeente Meierijstad zijn vastgelegd in het Uitvoeringsprogramma voor de duurzaamheidsvisie. Hierin staat centraal dat duurzaamheid geen afzonderlijk beleidsveld meer is binnen de gemeente, maar integraal terug moet komen in de werkzaamheden en projecten van de gemeente. Het algemene ruimtelijke uitgangspunt van gemeenten is er verder op gericht om te komen tot 'duurzaam bouwen'. Duurzaam bouwen verhoogt de gebruikswaarde (functioneel), belevingswaarde (vorm) en de toekomst (tijd) voor de bebouwde omgeving. Duurzaam bouwen is in dit geval te onderscheiden in stedenbouwkundig en bouwkundig duurzaam bouwen. Een goed stedenbouwkundig plan draagt bij aan een duurzame toekomst en voorkomt onder andere verloedering en leegstand. Stedenbouwkundige duurzaamheid komt tot uitdrukking in de ruimtelijke opzet en inpassing van de bebouwing. Ruimtelijke kwaliteit vormt de voorwaarde voor een goed woon- en leefmilieu. Belangrijk hierbij is het om de stedenbouwkundige structuur op een goede manier kenbaar te maken en te behouden. Bouwkundige duurzaamheid laat zich onder andere uitdrukken in: duurzaam materiaalgebruik; slimme energetische concepten (welke resulteren in energiebesparende maatregelen); afvalreductie; vastgesteld ambitieniveau (GPR).
Doorwerking plan(locatie) Het ontwerp van het plan zorgt ervoor dat het plan aansluit op de reeds aanwezige bebouwing. In de planuitwerking kan dit met een passende keuze van bouwmaterialen nog versterkt worden. Aangezien het gebouw gasloos wordt gerealiseerd ligt het voor de hand dat bij het ontwerp rekening wordt gehouden met het energieverbruik van de woning. Conclusie Het plan voldoet daarmee aan de doelstellingen op het gebied van duurzaamheid.
3.4.3 Woonvisie Meierijstad 2018 Meierijstad wil een stad zijn met een aantrekkelijk woonklimaat en een woningaanbod voor iedereen. Gestreefd wordt, naast vitale wijken en kernen, naar een gevarieerd woningaanbod in aantrekkelijke, leefbare buurten om ruimte en kansen te bieden aan alle bevolkingsgroepen en leefstijlen. Waar de vergrijzing, de gezinsverdunning en de inclusieve samenleving, waar iedereen meedoet en tot zijn recht komt, om aandacht vragen. Waar de gemeente duurzaam en zorgvuldig gebruik maakt van de ruimte en bestaand vastgoed. Een woonbeleid wat toekomstbestendig is en haar basis vindt in de woningbehoefte van de woningzoekenden. Om te voorzien in de diversiteit van woningbehoeften en wensen van eigen inwoners en van hen die zich in Meierijstad al dan niet tijdelijk willen vestigen, geeft de gemeente ruimte aan woningbouwplannen. Het uitgangspunt uit de Woonvisie 2018 is het evenredig verdelen van de woningbouwprognose over de kernen. Voor de woningbehoefte wordt niet alleen gekeken naar de korte maar ook naar de lange termijn. Waar het goede van het landelijk wonen wordt behouden en de meer stedelijke kern aantrekkelijker wordt gemaakt en wordt versterkt. En waar de gemeente samenwerkt met plaatselijke partners en inwoners, maar ook met de regio.
De gemeente richt de aandacht op vier thema’s en de realisatiekracht van deze visie: 21/50 - vastgesteld - NL.IMRO.1948.SCH001BP0052021P-VG01 -
1. de dynamiek van de woningmarkt: een continue afstemming van de vraag naar passende woningen en het aanbod (bestaand en nieuw) in relatie tot de behoefte op de langere termijn onder wisselende omstandigheden; 2. wonen, welzijn en zorg: de samenhang tussen demografische ontwikkelingen (de vergrijzing en toename van eenpersoonshuishoudens), de transitie in het sociale domein gericht op een inclusieve samenleving waar iedereen meedoet en de invloed daarvan op de leefomgeving; 3. duurzaamheid: aandacht voor de energetische uitdagingen en het zo optimaal mogelijk gebruik maken van bestaande infrastructuur en vastgoed; 4. leefbaarheid: een juiste balans tussen enerzijds de specifieke woonkwaliteiten en anderzijds een divers woningaanbod wat de kracht en eigenheid van wijken en kleine kernen recht doet. De gemeente Meierijstad geeft in de Woonvisie prioriteit aan inbreidingsplannen boven uitbreidingsplannen. De gemeente heeft aanvullend op deze woonvisie een actieplan Woningbouw vastgesteld (zie volgende paragraaf). Daarin worden potentiële inbreidings- en transformatielocaties in kaart gebracht en wordt een afwegingskader opgenomen. De gemeente geeft tevens aan meer ruimte te willen bieden aan nieuwe woonvormen voor ouderen die willen doorstromen. Daarbij wil de gemeente de doorstroming van ouderen, eventueel met een zorgbehoefte, naar meer geschikte woningen stimuleren.
De gemeente legt het accent op het bouwen voor de doorstroming door goede alternatieven te realiseren voor ouderen (de woonwensen van ouderen in met name de kleinere kernen) en dure scheefwoners (in met namen de grotere kernen). Daarbij wordt ingezet op inbreiding in bestaande kernen met aandacht voor kwaliteitsverbetering en zorgvuldig ruimtegebruik en behoud van de kracht van de kern. Een dergelijke kwaliteitsverbetering, die ook kan resulteren in unieke woonconcepten op unieke plekken is bijvoorbeeld wenselijk voor vastgoed dat niet meer voor het oorspronkelijke doel wordt gebruikt, leeg staat of al gesloopt is.
3.4.4 Actieplan woningbouw 2021 In het Actieplan Woningbouw van 2021 heeft de gemeente Meierijstad een strategische koers bepaald. Dit plan geldt als aanvulling op de Woonvisie 2018 en is gebaseerd op gewijzigde (toegenomen) provinciale woningbouwprognoses en de urgentie op de woningmark, die vraagt om een versnelling van de realisering van de opgave. In de Woonvisie 2018 werd uitgegaan van een toename van 3.940 woningen in de periode 2018 tot 2028. Daarvan waren er in 2018 en 2019 al ruim 1.000 gerealiseerd. Hierdoor resteerden nog een kleine 3.000 woningen voor de jaren 2020 tot 2028. In het Actieplan woningbouw baseert de gemeente zich op de provinciale prognoses voor de periode 2020-2040, die uitgaan van 5.750 benodigde extra woningen voor de gemeente Meierijstad. In deze prognoses is bovendien voorzien dat na 2040 nog meer woningen in de gemeente nodig zijn, als gevolg van een toename van het aantal inwoners en maatschappelijke veranderingen (gemiddeld kleinere huishoudens). De provinciale prognoses houden ook rekening met de extra woningen die nodig zijn voor de huisvesting van long-stay arbeidsmigranten. Op basis van de provinciale cijfers staat vast dat er voorlopig nog geen einde komt aan de groei van de woningbehoefte in Meierijstad. De nieuwbouw voor binnenstedelijke permanente woningen betreft voornamelijk de harde en zachte plannen in de bestaande bouwplannen.
De actie is hier vooral gericht op continue doorbouwen en doorstroming houden in de plannen, zoals de voorgenomen ontwikkeling aan de Wijsstraat. De gemeente wil daarbij het huidige gemiddelde van zo’n 400 woningen per jaar handhaven voor de komende jaren en bevorderen dat dit aantal in elk geval wordt gehaald. Het doel is verder om dit voor zeker vijf jaar uit te breiden tot minimaal 600 woningen per jaar. Om deze versnellingsdoelstelling mogelijk te maken, wordt in dit actieplan de focus gelegd op nieuwbouw door middel van uitbreidingslocaties (instrument 1). Daarnaast wordt gekeken naar 22/50 - vastgesteld - NL.IMRO.1948.SCH001BP0052021P-VG01 -
sturingsmogelijkheden bij nieuwbouw door huidige knelpunten in het traject van bouwaanvragen weg te nemen (instrument 2). De gemeente gaat hierbij voor een actievere grondpolitiek, waarbij wordt ingezet op het benutten van gemeentelijke grondposities om de woningbouwopgave te realiseren. Met de inzet van gemeentelijke grondposities kan de gemeente optimaal sturen op programmering én kwaliteit.
3.4.5 Woningbouwprogramma 2023 Voor de woningbouwprogrammering volgt de gemeente de koers zoals vastgelegd in het Actieplan Woningbouw uit 2021. Per kern is hierin de behoefte bepaald en een koers opgenomen. Daarnaast is opgenomen dat er flexibeler met de verdeling van de woningaantallen wordt omgaan en zo in te spelen op lokale kansen en ontwikkelingen. Wel is het uitgangspunt dat in alle kernen gebouwd wordt.
Afbeelding 3-3 Woningbouwprogrammering Schijndel: Behoefte en capaciteit.
23/50 - vastgesteld - NL.IMRO.1948.SCH001BP0052021P-VG01 -
Afbeelding 3-4 kwalitatief programma Doorwerking plan(locatie) De woningbehoefte in Schijndel is, gezien de woonvisie en het actieplan, een gegeven. De drie woningen die in dit bestemmingsplan mogelijk worden gemaakt komen kwantitatief en kwalitatief tegemoet aan de eisen uit het woningbouwbeleid en vormen bovendien de invulling van een inbreidingslocatie. Conclusie Het plan sluit aan bij de ambities en de (beleids)doelstellingen en -uitgangspunten van het gemeentelijke woningbouwbeleid.
3.4.6 Nota Parkeernormen Meierijstad 2018 De gemeente heeft in 2018 de Nota Parkeernormen Meierijstad vastgesteld. Via een zogenaamd paraplubestemmingsplan zijn de parkeerregels uit de Nota voor het gehele grondgebied van de gemeente van toepassing verklaard. In bestemmingsplannen die na dit parapluplan worden vastgesteld, zoals het voorliggende bestemmingsplan, worden de parkeerregels uit het parapluplan rechtstreeks opgenomen in de planregels. Het voorliggende bestemmingsplan biedt de mogelijkheid om woningen te bouwen. Hiervoor moeten voldoende parkeerplaatsen worden gerealiseerd, op basis van de Nota Parkeernorm. Dit is in de planregels vastgelegd en wordt gewaarborgd met een voorwaardelijke verplichting. De regels bevatten de mogelijkheid om af te wijken van de normen, mits door middel van een parkeeronderzoek aangetoond wordt dat er voldoende parkeergelegenheid is in de directe omgeving zodat de parkeerbehoefte kan worden opgevangen in het openbaar gebied. Doorwerking plan(locatie) In paragraaf 4.11 wordt verder ingegaan op de vereiste hoeveelheid parkeerplaatsen in relatie tot de bouwmogelijkheden. Conclusie 24/50 - vastgesteld - NL.IMRO.1948.SCH001BP0052021P-VG01 -
Het parkeerbeleid zoals verwoord in de Nota Parkeernormen Meierijstad is in dit bestemmingsplan doorvertaald. De regels bevatten een voorwaardelijke verplichting.
3.4.7 Welstandsnota Meierijstad 2018 De Welstandsnota Meierijstad 2018 is vastgesteld op 5 juli 2018. De welstandsnota heeft de ambitie om bij te dragen aan een hoogwaardige woon- en leefomgeving voor iedereen in Meierijstad en geeft daarom nuttige aanwijzingen bij nieuw- en verbouwplannen. De nota is gebaseerd op bestaand welstandsbeleid uit de nota’s van Schijndel, Veghel en Sint-Oedenrode, aangevuld met het actuele thema duurzaamheid. De verschillen in de nota’s zijn genivelleerd door nog meer delen van het grondgebied welstandsvrij te verklaren. In die gebieden is voor nieuwe bouwinitiatieven, zoals die in het voorliggende bestemmingsplan mogelijk worden gemaakt, wel een welstandsbeoordeling van toepassing. De welstandsbeoordeling wordt niet volledig afgeschaft, maar wel overal waar het verantwoord is. De welstandsbeoordeling blijft beperkt tot: 1. 2. 3. 4. 5. 6.
de centrumgebieden van Schijndel, Veghel, Sint-Oedenrode en Erp; monumenten; beeldbepalende en cultuurhistorisch waardevolle panden; bijzondere bebouwing en ensembles; gebieden met een beeldkwaliteitseisen; nieuwbouw in de overige gebieden.
Doorwerking plan(locatie) Specifiek voor de planlocatie geldt dat de nog te ontwerpen woningen bij de aanvraag om een omgevingsvergunning ter beoordeling aan de welstandscommissie zullen worden voorgelegd. Conclusie De nieuwe woningen worden in het kader van een aanvraag om omgevingsvergunning beoordeeld door de welstandscommissie.
3.4.8 Conclusie De beoogde ontwikkeling past binnen het gemeentelijke beleid op verschillende beleidsvelden.
3.5 Conclusie Het bestemmingsplan Wijsstraat ong. past binnen de kaders van het rijksbeleid, provinciale beleid en het gemeentelijke beleid.
25/50 - vastgesteld - NL.IMRO.1948.SCH001BP0052021P-VG01 -
Hoofdstuk 4 Planologische en milieutechnische aspecten Het milieubeleid is primair bedoeld om een optimale leefomgeving te realiseren. Dit kan er soms toe leiden dat beperkingen worden opgelegd aan gewenste ruimtelijke ontwikkelingen. In onderstaande worden de conclusies voor de verschillende aspecten beschreven.
4.1 Milieueffectrapportage In de bijlage bij het Besluit m.e.r. zijn activiteiten met drempelwaarden opgenomen op basis waarvan de noodzaak van het wel of niet opstellen van een m.e.r.-beoordeling (onderdeel D) of meteen een milieueffectrapportage (onderdeel C) wordt bepaald. In onderdeel C is aangegeven bij welke activiteiten waarschijnlijk sprake is van belangrijke nadelige milieugevolgen. Hiervoor geldt een directe verplichting voor het doorlopen van de m.e.r.-procedure (onderdeel C). Onderdeel D bevat activiteiten waarvoor een m.e.r.-beoordelingsplicht geldt. Als blijkt dat aanzienlijke nadelige milieugevolgen niet zijn uit te sluiten, is alsnog een m.e.r-procedure nodig. De opgenomen drempelwaarden zijn gebaseerd op algemene kenmerken van een activiteit en een globale aanname dat bij gevallen onder de drempelwaarde geen belangrijke nadelige milieugevolgen zullen optreden. Het Besluit m.e.r. (artikel 2, vijfde lid onder b.) schrijft ook bij activiteiten onder de drempelwaarde voor dat een milieu-effectbeoordeling nodig is, waarbij wordt verwezen naar de Europese richtlijn milieueffectrapportage. Dit is de zogenaamde vormvrije m.e.r.-beoordeling. In deze m.e.r.-beoordeling moet aandacht worden besteed aan alle criteria die zijn opgenomen in Bijlage III bij de Europese richtlijn 'betreffende de milieubeoordeling van bepaalde openbare en particuliere plannen'; dit zijn: a.
kenmerken van het project; b. plaats van het project; c. kenmerken van het potentiële effect. Eén van de activiteiten die wordt genoemd in bijlage D van het Besluit m.e.r. is 'de aanleg, wijziging of uitbreiding van een stedelijk ontwikkelingsproject met inbegrip van de bouw van winkelcentra of parkeerterreinen' (activiteit D11.2). Deze activiteit is m.e.r.-beoordelingsplichtig indien deze betrekking heeft op een oppervlakte van 100 hectare of meer, een aaneengesloten gebied en 2.000 of meer woningen omvat of een bedrijfsvloeroppervlakte van 200.000 m2 of meer omvat. De voorgenomen wijziging, waarbij planologisch gezien drie woningen worden toegevoegd, is op basis van de aard en omvang van het plan niet aan te merken als een stedelijke ontwikkeling. Het opstellen van een aanmeldnotitie is niet verplicht. Conclusie Het plan is naar aard en omvang beperkt, drie woningen, en wordt niet beschouwd als een stedelijke ontwikkeling in de zin van het Besluit milieueffectrapportage. Een (vorm)vrije m.e.r.-beoordeling is niet aan de orde.
26/50 - vastgesteld - NL.IMRO.1948.SCH001BP0052021P-VG01 -
4.2 Geluid 4.2.1 Algemeen De Wet geluidhinder (Wgh) beoogt de burger te beschermen tegen te hoge geluidbelastingen. In deze wet zijn onder meer de normen voor geluid als gevolg van weg- en railverkeerslawaai en industrielawaai vastgelegd. Bij ruimtelijke plannen dient rekening gehouden te worden met de in de Wgh opgenomen grenswaarden en bepalingen. In de Wgh gelden voorkeursgrenswaarden en maximaal toelaatbare grenswaarden voor de geluidbelasting op de gevel van een geluidgevoelige bestemming binnen de zones van (spoor)wegen of industrieterreinen. Tot de geluidgevoelige bestemmingen worden gerekend, woningen, andere geluidsgevoelige gebouwen en geluidsgevoelige terreinen. De nieuwe woningen in het plangebied Wijsstraat ong. zijn niet gelegen binnen de geluidszone van een (spoor)weg of industrieterrein. De Wet geluidhinder is daarom niet van toepassing. Wel is in het kader van een goede ruimtelijke ordening de geluidbelasting op de woningen inzichtelijk gemaakt als gevolg van de wegen in de omgeving met een wettelijke rijsnelheid van 30 km/uur.
4.2.2 Akoestisch onderzoek Ter beoordeling van het toekomstig woon- en leefklimaat is in het kader van het bestemmingsplan een akoestisch onderzoek uitgevoerd. Het volledige onderzoek is als Bijlage 1 in de toelichting opgenomen. Uit de berekeningsresultaten blijkt dat de gecumuleerde geluidbelasting ter plaatse van de woningen ten hoogste 42 tot 43 dB Lden (exclusief aftrek conform art. 110 g Wgh) bedraagt. Op basis van deze geluidbelasting is sprake van een goed akoestisch woon- en leefklimaat ter plaatse.
4.2.3 Conclusie De toekomstige woningen zijn niet gelegen binnen de wettelijke zone van (spoor)wegen of industrieterreinen. De Wet geluidhinder is daarom niet van toepassing. In het kader van een goede ruimtelijke ordening is de gecumuleerde geluidbelasting als gevolg van de 30 km/uur wegen in de omgeving van het plangebied bepaald. Deze geluidbelasting bedraagt ten hoogste 42 tot 43 dB Lden, er is daarmee sprake van een goed woon- en leefklimaat ter plaatse.
4.3 Luchtkwaliteit 4.3.1 Niet in betekenende mate Bij de besluitvorming in het kader van een ruimtelijk plan dient het bevoegd gezag de luchtkwaliteitsaspecten die samenhangen met het plan in acht te nemen. Dit betekent dat de gevolgen voor de luchtkwaliteit die samenhangen met de nieuwe functies getoetst dienen te worden aan de luchtkwaliteitseisen uit de Wet milieubeheer ook wel de Wet luchtkwaliteit genoemd. Ingevolge de systematiek van deze wet vormen de luchtkwaliteitseisen in ieder geval geen belemmering voor een ontwikkeling indien deze niet in betekenende mate (hierna NIBM) bijdraagt aan de concentraties luchtverontreinigende stoffen. Dit is het geval indien aan één van de volgende voorwaarden is voldaan: er is geen sprake van een feitelijke of dreigende overschrijding van een grenswaarde; een project leidt - al dan niet per saldo – niet tot een verslechtering van de luchtkwaliteit; een project draagt “niet in betekenende mate” bij aan een verslechtering van de luchtkwaliteit, hetgeen inhoudt dat door het project de luchtkwaliteit met minder dan 3% 27/50 - vastgesteld - NL.IMRO.1948.SCH001BP0052021P-VG01 -
verslechtert; een project past binnen het NSL (Nationaal Samenwerkingsprogramma Luchtkwaliteit), of binnen een regionaal programma van maatregelen. De 3%-grens van een project dat 'niet in betekenende mate bijdraagt', is ook omgezet in een getalsmatige grens. Als deze getalsmatige grens (hieronder) niet wordt overschreden, wordt deze 3%-grens gerespecteerd. kantoorlocaties: 100.000 m2 bruto vloeroppervlak bij 1 ontsluitingsweg, 200.000 m2 bruto vloeroppervlak bij 2 ontsluitingswegen. (voorschrift 3A.1); woningbouw: 1.500 woningen netto bij 1 ontsluitingsweg, 3.000 woningen bij 2 ontsluitingswegen (voorschrift 3A.2). In dit geval worden 3 woningen gerealiseerd. Deze ontwikkeling valt ruim onder de hiervoor vermelde drempel, wat betekent dat het project de luchtkwaliteit met minder dan 3% verslechtert. Conclusie Op grond van artikel 5.16 lid 1 onder c. Wm jo. artikel 5.16 lid 4 Wm jo. artikel 4 lid 1 Besluit niet in betekenende mate jo. bijlage 4a voorschrift 3A.2, draagt de bouw van 3 woningen niet in betekenende mate bij aan een verslechtering van de luchtkwaliteit.
4.3.2 Woon- en leefklimaat De ontwikkeling van de woningen draagt niet in betekenende mate bij aan een verslechtering van de luchtkwaliteit. Vanuit een goede ruimtelijke onderbouwing moet echter ook worden aangetoond dat het verantwoord is om te bouwen in deze omgeving en dat de toekomstige bewoners een goed woon- en leefklimaat wordt geboden. Uit de grootschalige concentratiekaart Nederland (GCN versie 2021) blijkt dat de concentratie luchtverontreinigende stoffen ter plaatste 12 µg/m3 bedraagt voor NO2. Daarmee wordt ruim voldaan aan de wettelijke grenswaarde van 40 µg/m3. Met behulp van de GCN is bepaald dat de concentratie PM10 ter plaatse 16 µg/m3 bedraagt. Ook hiervoor geldt dat deze concentratie ruim lager is dan de wettelijke grenswaarde van 40 µg/m3. Tot slot is met de GCN bepaald dat de concentratie PM2,5 ter plaatste 9 µg/m3 bedraagt. Ook voor PM2,5 geldt dat ruim wordt voldaan aan de wettelijke grenswaarde van 25 µg/m3. De luchtkwaliteit ter plaatse van het plangebied is ruim lager dan de wettelijke voorschriften en daarmee wordt voldaan aan een goed woon- en leefklimaat.
4.3.3 Conclusie Met betrekking tot het aspect luchtkwaliteit is sprake van een goed woon- en leefklimaat voor de toekomstige bewoners van het plangebied.
28/50 - vastgesteld - NL.IMRO.1948.SCH001BP0052021P-VG01 -
4.4 Externe veiligheid 4.4.1 Algemeen Het beleid voor externe veiligheid is gericht op het verminderen en beheersen van risico's van zware ongevallen met gevaarlijke stoffen in inrichtingen en tijdens het transport ervan. Op basis van de criteria zoals onder andere gesteld in het Besluit externe veiligheid inrichtingen (Bevi) worden bedrijven en activiteiten geselecteerd die een risico op zware ongevallen met zich mee (kunnen) brengen. Daarbij gaat het vooral om de grote chemische bedrijven, maar ook om kleinere bedrijven als LPG-tankstations en opslagen van bestrijdingsmiddelen. Daarnaast zijn (hoofd)transportassen voor gevaarlijke stoffen, zoals buisleidingen, spoor-, auto-, en waterwegen, ook als potentiële gevarenbron aangemerkt. Het externe veiligheidsbeleid heeft tot doel zowel individuele burgers als groepen burgers een minimum beschermingsniveau te bieden tegen een ongeval met gevaarlijke stoffen. Om dit doel te bereiken zijn gemeenten en provincies verplicht om bij besluitvorming in het kader van de Wet milieubeheer en de Wet op de ruimtelijke ordening de invloed van een risicobron op zijn omgeving te beoordelen.
Daartoe wordt binnen het werkveld van de externe veiligheid het plaatsgebonden risico en het groepsrisico gehanteerd: Het plaatsgebonden risico (PR) is de kans dat een persoon die zich gedurende een jaar onafgebroken onbeschermd op een bepaalde plaats bevindt, overlijdt als gevolg van een ongeval met gevaarlijke stoffen. Dit risico wordt per bedrijf en transportas vastgelegd in contouren. Er geldt een contour waarbinnen deze kans 1x10-6 (één op de miljoen) bedraagt. Het groepsrisico (GR) is een berekening van de kans dat ten minste 10, 100 of 1.000 personen binnen een bepaald gebied overlijden ten gevolge van een ongeval met gevaarlijke stoffen. De oriëntatiewaarde geeft hierbij de indicatie van een aanvaardbaar groepsrisico. Indien een ontwikkeling is gepland in de nabijheid van een risicobron geldt afhankelijk van de ontwikkeling een verantwoordingsplicht voor het toelaten van gevoelige functies. Besluit externe veiligheid inrichtingen (Bevi) Voor bepaalde risicovolle bedrijven geldt het Besluit externe veiligheid inrichtingen (Bevi). Hierin zijn de risiconormen voor externe veiligheid met betrekking tot bedrijven met gevaarlijke stoffen wettelijk vastgelegd.
Transport van gevaarlijke stoffen (water, spoor, weg) Voor de beoordeling van de risico's vanwege transport van gevaarlijke stoffen geldt het Besluit externe veiligheid transportroutes (Bevt), met als uitvloeisel het zogeheten Basisnet en de bijbehorende regeling Basisnet. Transport van gevaarlijke stoffen door buisleidingen Voor de beoordeling van de risico's van transport van gevaarlijke stoffen door buisleidingen geldt het Besluit externe veiligheid buisleidingen (Bevb). Naast de toetsing aan het plaatsgebonden risico en het groepsrisico is hierin vastgelegd dat aan weerszijden van een buisleiding een bebouwingsvrije afstand moet worden aangehouden voor beheer en onderhoud aan de buisleidingen. In de notitie externe veiligheid, opgenomen in Bijlage 2, wordt ingegaan op de verschillende risicobronnen in de omgeving van het plangebied.
4.4.2 Ongevallen gevaarlijke stoffen In de omgeving van het plangebied is een gasdrukregel- en meetstation gesitueerd, twee tankstations en 2 hogedruk aardgasleidingen. De generieke veiligheidsafstand voor het gasdrukregel- en meetstation bedraagt 15 meter, dit station is op circa 960 meter van het plangebied gesitueerd. Er wordt ruim voldaan een de 29/50 - vastgesteld - NL.IMRO.1948.SCH001BP0052021P-VG01 -
generieke veiligheidsafstand. Ook de risicocontouren van de tankstations met een LPG-vulpunt zijn op ruim voldoende afstand van het plangebied gesitueerd. De risicocontouren van de hogedruk aardgasleiding bedragen 0 meter en vormen daarmee geen belemmering voor het plan. De risicobronnen zijn op ruime afstand van het plangebied gesitueerd. Het plan heeft, gezien de ruime afstand tot de bronnen, geen invloed op het groepsrisico van de diverse bronnen.
4.4.3 Hoogspanningslijnen De meest nabij gelegen hoogspanningslijn bevindt zich op een afstand van circa 2,3 km ten noordoosten van het plangebied. De indicatieve zone waarbuiten hoogspanningslijnen geen risico meer vormen bedraagt 100 meter. Het plan is ruim buiten deze zone gesitueerd.
4.4.4 Zendmasten De meest nabij gelegen zendmasten bevinden zich op een afstand van circa 1 km van het plangebied. Uit steekproefsgewijze veldsterktemetingen blijkt dat de blootstellingslimieten op publiektoegankelijke plaatsen nergens in Nederland worden overschreden.
4.4.5 Conclusie In de omgeving van het plangebied zijn enkele risicobronnen aanwezig. Deze vormen echter geen belemmering voor de realisatie van de woningen aan de Wijsstraat in Schijndel.
4.5 Bedrijven en milieuzonering Door bij de realisatie van gevoelige functies (zoals woningen) voldoende afstand in acht te nemen tot milieubelastende activiteiten (zoals bedrijven) kan hinder en gevaar worden voorkomen. Daarnaast kan worden voorkomen dat bedrijfsbelangen worden geschaad. Door middel van een onderzoek bedrijven en milieuzonering wordt onderzocht of de toekomstige woningen mogelijk een belemmering vormen voor bestaande bedrijven in de omgeving en of sprake is van een goed woon- en leefklimaat. Ten behoeve van de milieuhygiënische afweging in het kader van de ruimtelijke onderbouwing wordt voor de meest nabij gelegen bedrijven aansluiting gezocht bij het stappenplan uit de VNG-publicatie “Bedrijven en milieuzonering”.
4.5.1 Beoordelingssystematiek VNG-publicatie De VNG-publicatie is een algemeen geaccepteerd instrument om na te gaan of er sprake is van een goede ruimtelijke ordening in situaties waar woningen dicht bij bedrijven worden voorzien. De VNG-publicatie geeft richtafstanden per bedrijfscategorie. De afstanden worden gegeven voor een aantal milieuaspecten, met name geur, stof, geluid en gevaar. De afstanden gelden tussen de perceelsgrens van het bedrijf en de gevels van woningen. Indien deze afstanden worden gerespecteerd is er sprake van een milieuhygiënisch te verantwoorden situatie en een goede ruimtelijk ordening. Indien één van deze afstanden niet wordt gerespecteerd is nader onderzoek noodzakelijk om na te gaan of alsnog sprake kan zijn van een milieuhygiënisch verantwoorde situatie. Het toetsingskader bestaat uit 4 stappen. In stap 1 wordt een afweging gemaakt aan de hand van de in de publicatie genoemde richtafstanden. Indien woningen op kleinere afstand zijn gelegen dan de richtafstanden kan voor het betreffende plandeel in stap 2, 3 of 4 gemotiveerd worden afgeweken van de richtafstanden.
30/50 - vastgesteld - NL.IMRO.1948.SCH001BP0052021P-VG01 -
4.5.2 Richtafstanden inrichtingen (stap 1) De richtafstanden voor verschillende bedrijfscategorieën worden vermeld in hoofdstuk 1 (lijst 1) van de VNG-publicatie. De richtafstanden die in de lijst zijn opgenomen gelden voor het gebiedstype rustige woonwijk en rustig buitengebied. In de navolgende tabel worden de richtafstanden weergegeven. Tabel 4-1 Overzicht richtafstanden per bedrijf Milieu categorie
Richtafstand (m)
1
10
2
30
3.1
50
3.2
100
4.1
200
4.2
300
5.1
500
5.2
700
In de omgeving van het plangebied zijn 4 bedrijven gelegen (zie Bijlage 3). De afstand van de bedrijven tot het plangebied varieert van 140 tot 195 meter. Alle bedrijven hebben als grootste richtafstand 10 meter. Er wordt ruim voldaan aan de richtafstand. Ook zijn in omgeving van de bedrijven bestaande woningen op kortere afstand gesitueerd. Deze woningen bepalen de ontwikkelingsmogelijkheden van de bedrijven. Daarnaast zijn in de omgeving van het plangebied kleinschalige, aan de woonfunctie ondergeschikte, beroepsmatige activiteiten toegestaan. Deze hebben echter een zodanig geringe milieubelasting dat deze grenzend aan woningen kunnen worden uitgevoerd.