Bijlage 1d. Toelichting bijlage 4 Flora en fauna onderzoek
Tekst van het document
Maassen Ecologisch Advies en Onderzoek J.F.G. Maassen
Herontwikkeling Hoogstraat 64 te SintOedenrode
Ecologische quickscan
Ecologische quickscan – Herontwikkeling Hoogstraat 64 te Sint-Oedenrode
2
Ecologische quickscan – Herontwikkeling Hoogstraat 64 te Sint-Oedenrode
J.F.G. Maassen
Herontwikkeling Hoogstraat 64 te Sint-Oedenrode Ecologische quickscan Datum 15-3-2022
3
Ecologische quickscan – Herontwikkeling Hoogstraat 64 te Sint-Oedenrode
4
Ecologische quickscan – Herontwikkeling Hoogstraat 64 te Sint-Oedenrode
Maassen ecologisch advies en onderzoek Jan Mosmanslaan 23 5237 BB ’s-Hertogenbosch 06-12571130 maassen36@ziggo.nl K.v.K 64413152 btw-id NL001289728826 rek.no NL55 INGB 0003 0208 71
Projectno. Tekst en samenstelling Foto’s Foto op omslag Wijze van citeren Contactpersoon Status Datum
2202-1 J.F.G. Maassen J.F.G. Maassen J.F.G. Maassen J.F.G. Maassen, Herontwikkeling Hoogstraat 64 te SintOedenrode mw. B. Goertz (Crijns Rentmeesters b.v.) Definitief 15-3-2021
© 2022 Maassen Ecologisch Advies en Onderzoek, ‘s-Hertogenbosch
Dit rapport is vervaardigd op verzoek van de opdrachtgever zoals hierboven aangegeven en is zijn eigendom. Niets uit deze rapportage mag worden vermenigvuldigd of openbaar gemaakt worden door middel van scanning, druk, internet, fotokopie of andere wijze zonder schriftelijke toestemming van de opdrachtgever Maassen Ecologisch Advies en Onderzoek, noch mag het zonder deze toestemming voor een ander doel gebruikt worden dan waarvoor het vervaardigd is. Dit onderzoek is op zorgvuldige wijze uitgevoerd conform de toepasselijke en van kracht zijnde regelgeving ten aanzien van de natuurwetgeving. Het onderzoek betreft een momentopname en geeft een inschatting van de geschiktheid van de onderzoeklocatie voor beschermde soorten. Het incidenteel voorkomen van beschermde soorten is echter nooit met zekerheid te voorspellen. Maassen Ecologisch Advies en Onderzoek is niet aansprakelijk voor vervolgschade, alsmede schade die voortvloeit uit toepassingen van de resultaten van de werkzaamheden of andere verstrekte gegevens. De opdrachtgever vrijwaart Maassen Ecologisch Advies en Onderzoek voor aanspraken van derden in verband met deze toepassing.
5
Ecologische quickscan – Herontwikkeling Hoogstraat 64 te Sint-Oedenrode
6
Ecologische quickscan – Herontwikkeling Hoogstraat 64 te Sint-Oedenrode
Inhoud 1
2
3
4
5
6
7
Inleiding 1.1 Aanleiding 1.2 Doelstelling 1.3 Toetsingskader 1.4 Leeswijzer Het plangebied, beoogde ontwikkeling en ingrepen 2.1 Ligging van het plangebied 2.2 Inrichting en het huidig gebruik van het plangebied 2.3 Beoogde ingrepen en ontwikkelingen Wettelijk kader 3.1 Inleiding 3.2 Soortenbescherming 3.3 Gebiedsbescherming 3.4 Bijzondere provinciale beschermingszones 3.5 Houtopstanden Onderzoeksresultaat 4.1 Methodiek 4.2 Gebiedsbescherming 4.2.1 Natura 2000 4.2.2 Provinciale beschermingszones. 4.3 Soortenbescherming 4.3.1 Vaatplanten 4.3.2 Zoogdieren (grondgebonden) 4.3.3 Zoogdieren (vleermuizen) 4.3.4 Vogels 4.3.5 Reptielen, amfibieën en vissen 4.3.6 Ongewervelden 4.4 Bescherming houtopstanden Conclusie 5.1 Toetsing aan de Wet natuurbescherming en provinciale regelgeving 5.2 Vervolgstappen en samenvatting Voorzorgsmaatregelen, mitigatie en aanbeveling 6.1 Algemene voorzorgsmaatregelen 6.2 Bijzondere voorzorg- en mitigatiemaatregelen 6.2 Aanbeveling en advies Bronnen Bijlage 1 - Toelichting soortenbescherming Bijlage 2 - Soorten van de Vogelrichtlijn Bijlage 3 - Soorten van de Habitatrichtlijn Bijlage 4 - Nationaal beschermde soorten (‘andere soorten’) Bijlage 5 - Soorten met een vrijstelling
7
9 9 9 9 10 11 11 11 14 16 16 16 18 19 20 21 21 22 22 23 25 25 25 27 30 33 35 36 37 37 40 42 42 42 42 44 46 47 48 52 56
Ecologische quickscan – Herontwikkeling Hoogstraat 64 te Sint-Oedenrode
8
Ecologische quickscan – Herontwikkeling Hoogstraat 64 te Sint-Oedenrode
1 INLEIDING 1.1 Aanleiding De initiatiefnemer heeft het voornemen om een intensieve veehouderij op locatie Hoogstraat 64 te Sint-Oedenrode te saneren en de grondgebonden agrarische akkerbouwactiviteiten met als neventak statische opslag, voort te zetten. De bedrijfsgebouwen die een functie hadden voor de intensieve veeteelt worden gesloopt in het kader van de provinciale regeling Ruimte voor Ruimte. Een deel van de bedrijfsgebouwen blijft gehandhaafd voor het voortzetten van de resterende bedrijfsvoering en om de huidige en toekomstige nieuwe woonfuncties te faciliteren. De langgevelboerderij waarin de bedrijfswoning is ondergebracht, blijft voor de woonfunctie behouden en daarvoor gesplitst in twee woonéénheden. De monumentale boerderij wordt gerenoveerd en verbouwd met behoud van de huidige cultuurhistorische waarden. Het plangebied bestaat uit twee percelen die kadastraal geregistreerd staan als gemeente SintOedenrode, sectie N, nummer 707 en nummer 692. Het totale oppervlak van beide percelen is 11.843 m². Om de beschreven ontwikkeling mogelijk te maken wordt de huidige agrarische bestemming met de aanduiding ‘intensieve veehouderij’ omgezet in een grondgebonden agrarische bestemming. Buiten de stalling van de akkerbouwmachines voorziet de nieuwe bestemming van de resterende bedrijfsbebouwing ook een opslagfunctie voor een oppervlak van circa 1.000 m².
Adviesbureau Crijns Rentmeesters te Someren heeft de opdracht om de voorgenomen ontwikkeling mogelijk te maken binnen de gestelde wettelijke kaders. Deze wettelijke kaders eisen ook een ecologisch onderzoek in de vorm van een quickscan flora en fauna om vast te stellen of deze ontwikkeling tot overtredingen van de Wet natuurbescherming of provinciale regelgeving ter bescherming van natuur en landschap kunnen betekenen. Maassen Ecologisch Advies en Onderzoek is aangezocht om deze quickscan uit te voeren.
1.2 Doelstelling Doormiddel van deze quickscan worden aanwezige beschermde natuurwaarden in beeld gebracht en de mogelijke effecten daarop als gevolg van de beoogde herontwikkeling. Het doel van dit onderzoek is het vaststellen/uitsluiten van aanwezigheid van beschermde soorten die zijn opgenomen in paragraaf 3.1, 3.2 en 3.3 van de Wet natuurbescherming. Beoordeeld wordt op welke wijze en in welke mate de beoogde ontwikkeling effect kan hebben op het (mogelijk) voorkomen van beschermde soorten. Aanvullend wordt bepaald of ontwikkelingen effect hebben op beschermde natuurwaarden van nabijgelegen Natura 2000- gebieden, gebieden die behoren tot het Natuurnetwerk Nederland, speciale provinciale beschermingszones en houtopstanden die op basis van de Wet natuurbescherming zijn beschermd. Als de beoogde ontwikkeling kan leiden tot negatieve effecten die een overtreding van verbodsbepalingen uit de Wet natuurbescherming tot gevolg kunnen hebben, wordt de noodzaak voor een ontheffingsaanvraag beoordeeld en/of doet deze quickscan aanbeveling voor vervolgstappen om overtreding van deze verbodsbepalingen te voorkomen.
1.3 Toetsingskader Deze quickscan toets aan • Wet natuurbescherming op de onderdelen
9
Ecologische quickscan – Herontwikkeling Hoogstraat 64 te Sint-Oedenrode
o o o
Wnb soortenbescherming Wnb gebiedsbescherming Wnb houtopstanden
•
Provinciale regelgeving op de onderdelen o Groenblauwe mantel o Natuur Netwerk Brabant
•
Gemeentelijke regelgeving op het onderdeel o APV-bomenkap
1.4 Leeswijzer In hoofdstuk 2 worden de inrichting van het plangebied, de ligging van het plangebied in de omgeving en de voorgenomen ingrepen en herontwikkeling beschreven. In hoofdstuk 3 wordt het wettelijk kader geschetst dat de Wet natuurbescherming en de provinciale regelgeving biedt. Hoofdstuk 4 beschrijft in het eerste onderdeel de uitvoering van het onderzoek en de methoden die hierbij gehanteerd worden. In de volgende onderdelen van dit hoofdstuk worden de gebiedsbescherming en soortenbescherming behandeld. Per gebied en soortgroep wordt behandeld welk effect de ingrepen op beschermde soorten en gebieden kunnen hebben. In hoofdstuk 5 worden de mogelijke effecten die tot een overtreding van de Wet natuurbescherming kunnen leiden op beschermde gebieden en soorten kort samengevat. Aangegeven wordt welke overtredingen van wetsartikelen mogelijk zijn en voor welke ingrepen vervolgonderzoek en/of ontheffing nodig zijn. In hoofdstuk 6 wordt aangegeven welk voorzorg- en mitigatiemaatregelen gewenst zijn om overtredingen te voorkomen.
10
Ecologische quickscan – Herontwikkeling Hoogstraat 64 te Sint-Oedenrode
2 HET PLANGEBIED, BEOOGDE ONTWIKKELING EN INGREPEN. 2.1 Ligging van het plangebied Fig.1. Ligging van het plangebied (rood omkaderd) binnen het buitengebied aan de zuidwestkant van Sint-Oedenrode. Luchtfoto: Google Earth
Het plangebied is gelegen in het agrarisch buitengebied van de gemeente Meijerijstad aan de zuidwestkant en op een relatieve korte afstand van de woonkern Sint-Oedenrode. Dit buitengebied kenmerkt zich ter hoogte van het plangebied door een tamelijk dichte bebouwing van verspreidstaande agrarische bedrijven en grote percelen akkerbouwgronden. Naast akkerbouw is sier- en bomenteelt binnen deze omgeving ook een belangrijke agrarische activiteit. Het plangebied ligt binnen de kleine bebouwingsconcentratie van het buurtschap Vernhout op 2 km zuidwestelijk van de bebouwde kom van Sint Oedenrode. Deze bebouwingsconcentratie bestaat uit een cluster van agrarische bedrijven die deels actief zijn als melkveehouderij en deels de indruk maken binnen een saneringsfase te verkeren. Natuurlijke elementen binnen deze omgeving zijn laanboomstructuren, erfbegroeiingen en verpreidstaande versnipperde bosstructuren. Noordelijk van het plangebied toont het landschap kenmerken van een beekdallandschap, waarbij rijen van hoge populieren in het open landschap beeldbepalende elementen zijn. Open water en permanent watervoerende watergangen ontbreken binnen de directe omgeving. Wel zijn er ter hoogte van plangebied kleine sloten aanwezig die ten tijde van het veldbezoek een tijdelijk laag waterpeil voerden.
De bodem binnen de wijdere omgeving bestaat uit een afwisseling van lager gelegen bekeerdgronden en hoger gelegen enkeerd- en podzolgronden. Het plangebied ligt binnen een zone waarbinnen het bodemtype bodemkundig gecategoriseerd wordt als hoge zwarte enkeerdgrond (bodemdata .nl). Een bodem die bestaat uit lemige fijn zand met een humus- en voedselrijke bovenlaag die gevormd is door eeuwenlang landbouwkundig gebruik.
2.2. Inrichting en huidig gebruik van het plangebied Het plangebied betreft het erf van een boerenbedrijf met een groot oppervlak aan bedrijfsbebouwing die deels rijp voor de sloop is en deels uit meer recente en moderne bedrijfsbebouwing bestaat die in goede staat van onderhoud verkeert en nog geheel functioneel is. De bedrijfswoning is gevestigd in de monumentale langgevelboerderij die voor de helft bestaat uit vervallen en deels gesloopte stalruimten. Boven de stalruimten is een grote hooizolder aanwezig. Rond het erf liggen open akkerlanden en aan de westzijde grenst het erf voor een klein deel aan het
11
Ecologische quickscan – Herontwikkeling Hoogstraat 64 te Sint-Oedenrode
erf van een naburige boerderij. Ook dit erf bevat een groot volume aan gedateerde bedrijfsgebouwen die buiten gebruik zijn en rijp voor sanering.
De langgevelboerderij van de voorkant gezien
Zicht op het erf vanaf de straatkant
de langgevelboerderij van de achterkant gezien ter hoogte van (noord)oostelijke kopgevel
Achterkant ter hoogte van (zuid)westelijke kopgevel)
De oudere bedrijfsgebouwen binnen het plangebied die voor sloop in aanmerking komen zijn twee voormalige varkensstallen (geel omkaderd op figuur 2 op bldz.14). De stallen zijn sinds 4 jaar buiten gebruik en buiten wat opgeslagen en gedumpte materialen grotendeels ontdaan van alle losse inventaris. De daken zijn bekleed met asbest(?) golfplaten. De westelijk stal bestaat uit meerdere aan elkaar gekoppelde schuren met een grote verscheidenheid aan grote en kleine ruimten. De isolatiebekleding onder de golfplaten is overal verwijderd en er is veel inval van daglicht. De oostelijke stal is een iets moderner stal die ingericht is voor een meer intensieve vorm van varkenshouderij dan de hiervoor beschreven stal. De binnenruimten bestaat uit een aantal geïsoleerde donkere compartimenten met weinig inval van daglicht die in gebruik waren als varkensstallen. Onder de golfplaten van het dak is hier alle isolatiebekleding nog aanwezig en intact.
De westelijke varkensstal
De westelijk stal inpandig
12
Ecologische quickscan – Herontwikkeling Hoogstraat 64 te Sint-Oedenrode
de oostelijke varkensstal
Schuur no.3
De overige bebouwing, die niet voor sloop in aanmerking komt, is van vele recentere datum en betreffen moderne stenen schuren die ingericht zijn voor stalling van machines en opslag van materialen. De voorgevels worden geheel in beslag genomen door grote roldeuren en hoge schuifbare garagedeuren. Van de twee schuren in noordwesthoek is de zuidelijke schuur (no.2 op figuur 2) in gebruik als magazijn voor opslag van materialen. De overig schuren (no.1 en 3 op fig.2) zijn in gebruik voor stalling van voertuigen, machines en opslag van landbouwgereedschappen en materialen. In gebouw no.3 is een kleine onderhoudswerkplaats aanwezig.
Zicht op schuur 2
Schuur 2 binnenpands
noord(west)rand van het erf. Links schuur 1
Grasland aan de oostrand van het erf.
Rond deze bebouwing is en groot oppervlak aan bestrating aanwezig. Het erf maakt een ordelijke indruk en is aangekleed met goed onderhouden siergroen van wintergroene en vruchtdragende struiken en kleine bomen. Grotere bomen en kleinere fruitbomen staan verspreid langs de terreinranden. Enkele grotere bomen staan meer centraal op het terrein. Aan de voorkant van de
13
Ecologische quickscan – Herontwikkeling Hoogstraat 64 te Sint-Oedenrode
langgevelboerderij is een goed onderhouden siertuin aanwezig. Aan de westelijke kopgevel van de boerderij valt een groepje (wintergroene) naaldbomen op. Verder bevat het erf tussen de bebouwing een moestuin. Langs de gehele westrand van het erf is een verschraalde en tamelijk kruidrijke grasstrook aanwezig. Een groter oppervlak grasland is aanwezig aan de oostrand. Dit grasland is van een tamelijk ruig, verstoord en kruidarmtype dat regelmatig door schapen begraasd wordt. De kleine sloten rond het erf toonde ten tijde van het veldbezoek een laag waterpeil.
Groepje wintergroene bomen
Ligging van het plangebied in de omgeving. Geheel links: naburig erf
2.3 Beoogde ingrepen en ontwikkelingen. Fig.2. De bestaande situatie. Het gehele plangebied is rood omkaderd. Met de gele lijnen zijn de contouren aangegeven van de te slopen hoofdbebouwing. De bebouwing die genummerd is blijft behouden. 1 en 2. De schuren die behouden blijven en een functie gaan vervullen voor de voortzetting van het bedrijf. 3. Kleine akkerbouwschuur die als bijgebouw van de woning behouden blijft. 4. Langgevelboerderij met bedrijfswoning Luchtfoto: Google Earth
De procedurele ontwikkeling betreft de functieaanduiding “intensieve veehouderij” van het plangebied te verwijderen en voortzetting van de functie van een grondgebonden agrarisch bedrijf met als neventak statische opslag. De bestemming van de huidige bedrijfswoning blijft hierbij gehandhaafd en wordt met een extra woonfunctie uitgebreid. De sloop van de veestallen vindt plaats in het kader van de provinciale regeling Ruimte voor Ruimte. Om deze ontwikkeling mogelijk te maken vinden de volgende ingrepen plaats. -De stallen bestemd voor de intensieve veehouderij worden gesloopt (zie fig.2). -Drie bedrijfsgebouwen (no.1, 2 en 3 op fig.2) blijven gehandhaafd ter facilitering van de resterende bedrijfsmatige activiteiten (gebouw 1 en 2) en woonfuncties (gebouw 3). De bedrijfsmatige
14
Ecologische quickscan – Herontwikkeling Hoogstraat 64 te Sint-Oedenrode
activiteiten die voortgezet worden betreffen akkerbouw en, voor een vloeroppervlak van 1000 m2, statische opslag. -Ook de langgevelboerderij (no.4 op fig.2) met bedrijfswoning en stallen blijft gehandhaafd. Deze wordt gerenoveerd met behoud van cultuurhistorische waarde en hierbij gesplitst in twee woonéénheden. -Voor de ontwikkeling behoeven geen substantiële houtstructuren geamoveerd te worden. Binnen het terreindeel waar de ingrepen plaats vinden ontbreken houtopstanden waarvan verwacht kan worden dat deze kapvergunningsverplichting zijn of als beschermde houtopstand aangemerkt kunnen worden geamoveerd. -Ten behoeve van de voorgenomen ontwikkeling worden er sloopwerkzaamheden (veestallen) en kleinschalige bouwwerkzaamheden (renovatie van de woonboerderij) uitgevoerd. - Na uitvoering verkrijgt het terrein een nieuwe groene inrichting die een versterking van de ecologische en landschappelijke kwaliteiten zal betekenen (zie fig.3). De huidige bomen en fruitbomen langs de terreinranden en die verspreid op het terrein staan, worden in het nieuwe inrichtingsplan ingepast.
Fig.3 De beoogde herinrichting (bron: Crijns Rentmeesters bv)
15
Ecologische quickscan – Herontwikkeling Hoogstraat 64 te Sint-Oedenrode
3. WETTELIJK KADER 3.1. Inleiding Op 1 januari 2017 is de nieuwe Wet Natuurbescherming van kracht geworden. Deze wet vervangt 3 wetten: de Natuurbeschermingswet 1998, de Boswet en de Flora- en Faunawet. Zowel in de voorgaande als nieuwe wetgeving zijn de nationale natuurwetgeving en internationale richtlijnen en verdragen verankerd, zoals Vogelrichtlijn, Habitatrichtlijn, Wetland-Conventie, Conventie van Bern, Cites en Verdrag van Ramsar. De wet is opgesplitst in de bescherming van soorten (soortbescherming) en bescherming van gebieden (gebiedsbescherming).
3.2 Soortenbescherming Bij de Wet Natuurbescherming gelden een aantal verbodsbepaling ter bescherming van planten- en diersoorten (zie bijlage). De wet kent twee beschermingsniveaus waarbij drie categorieën beschermde soorten worden onderscheiden. • Europees beschermde soorten volgens de Vogelrichtlijn • Europees beschermde soorten volgens de Habitatrichtlijn. • Nationaal beschermde soorten. Europees beschermde soorten Het zwaarst beschermingsniveau gelden de Europees beschermde soorten. De bescherming van vogels is op Europees niveau geformaliseerd doormiddel van de Vogelrichtlijn en die van de overige soortgroepen doormiddel van de Habitatrichtlijn. De Europese bescherming middels de Habitatrichtlijn beschermt voornamelijk soorten van de Habitatrichtlijn bijlage IV. Dit betreffen o.a. alle vleermuissoorten die in Nederland en Europa inheems zijn. Op deze soorten is het beschermingsregime van § 3.2 van de Wet natuurbescherming van toepassing. Nationaal beschermde soorten (“andere soorten”) Op deze soorten (zie bijlage 4) is het beschermingsregime van § 3.3 van de Wet natuurbescherming van toepassing. Voor nationaal beschermde soorten geldt een zwakker beschermingsregiem en er kan per provincie en per soort vrijstelling verleend worden voor ingrepen die betreffen ruimtelijke ontwikkeling en bestendig beheer en onderhoud.
Voor alle inheemse diersoorten, beschermt of onbeschermd, geldt de zorgplicht. De zorgplicht wil zeggen dat men deze niet onnodig mag doden, verwonden of beschadigen. Bescherming verblijfplekken Ook verblijfplaatsen van soorten uit beide categorieën die als “vast” kunnen worden aangemerkt zijn beschermd en worden aangeduid als jaarrond beschermde verblijfplekken. Deze bescherming geldt alleen de vaste verblijfplaatsen van vogels en zoogdieren. Een vaste verblijfplek betreft een verblijfplek waarnaar een dier regelmatig terugkeert en niet slechts éénmalig voor een specifieke functie gebruikt wordt, zoals de nesten van de meeste vogels. Voor soorten die onder de Vogelrichtlijn vallen zijn er verschillende gradaties in beschermingsniveau, afhankelijk hoe kwetsbaar de instandhouding van de soort is in relatie tot gebruik van de vaste verblijfplek (zie hoofdstuk 3.3). In samenhang met de verblijfplek wordt ook de leefomgeving beschermd zover deze van belang is om het functioneren van de verblijfplek mogelijk te maken. Voor jaarrond beschermde verblijfplekken en functionele leefomgeving van soorten die onder de Habitatrichtlijn en Vogelrichtlijnen vallen is respectievelijk artikel 3.5 lid 4 en artikel 3.1 lid 2 van toepassing en geldt een verbod om de verblijfplekken en functioneel leefgebied te verstoren.
De wet beschermt jaarrond beschermde verblijfplekken van nationaal beschermde soorten volgens artikel 3.10 lid 1b.
16
Ecologische quickscan – Herontwikkeling Hoogstraat 64 te Sint-Oedenrode
Bij deze categorie is, evenals bij vogels waarvan de nestelplekken niet jaarrond beschermd zijn, het verbod tot opzettelijke verstoring, en daarmee de bescherming van de functionele leefomgeving, niet van toepassing.
Beschermingsregiem soorten vogelrichtlijn §3.1Wnb
Beschermingsregiem soorten Habitatrichtlijn §3.2 Wnb
Beschermingsregiem andere soorten §3.3 Wnb
Art 3.1 lid 1 Het is verboden in het wild levende vogels opzettelijk te doden of te vangen.
Art3.5 lid 1 Het is verboden om soorten in hun natuurlijke verspreidingsgebied opzettelijk te doden of te vangen
Art 3.10 lid 1a Het is verboden om soorten opzettelijk te doden of te vangen
Art 3.1 lid 2 Het is verboden opzettelijk nesten, rustplaatsen en eieren van vogels te vernielen of te beschadigen, of nesten van vogels weg te nemen
Art 3.5 lid 4 Het is verboden voortplantingsplaatsen of rustplaatsen van dieren te beschadigen of te vernielen
Art 3.10 lid 1b Het is verboden de vaste voortplantingsplaatsen of rustplaatsen van dieren opzettelijk te beschadigen of te vernielen
Art 3.1 lid 3 Het is verboden eieren te rapen en deze onder zich te hebben
Art 3.5 lid 3 Het is verboden om eieren van dieren in de natuur opzettelijk te vernielen en te rapen.
Niet van toepassing
Art 3.1 lid 4 en lid 5 Het is verboden vogels opzettelijk te storen, tenzij de storing niet van wezenlijke invloed is op de staat van instandhouding van de desbetreffende vogelsoort.
Art 3.5 lid 2 Het is verboden dieren opzettelijk te verstoren
Niet van toepassing
Niet van toepassing
Art 3.5 lid 5 Het is verboden plantensoorten in hum natuurlijk verspreidingsgebied opzettelijk te plukken en te verzamelen, af te snijden, te ontwortelen of te vernielen.
Art 3.10 lid 1c Het is verboden plantensoorten in hum natuurlijk verspreidingsgebied opzettelijk te plukken en te verzamelen, af te snijden, te ontwortelen of te vernielen.
Ontheffingsplicht Onder de Wet natuurbescherming is niet altijd een ontheffing nodig bij handelingen met gevolgen voor beschermde plant- en diersoorten. Vaak kunnen maatregelen getroffen worden zodat verbodsbepalingen niet worden overtreden, zoals de werkzaamheden uitvoeren buiten de kwetsbare periode, het aanpassen van de werkvolgorde of de werkzaamheden faseren in ruimte en tijd. In sommige gevallen kan er gebruik gemaakt worden van vrijstelling. Een vrijstelling is een uitzondering op een wettelijk verbod, die wordt vastgelegd voor een van tevoren bepaalde categorie van gevallen. Een toegepaste vorm van vrijstelling is onder meer door het werken met een door het ministerie van LNV goedgekeurde gedragscode. Vrijstelling doormiddel van een goedgekeurde gedragscode geldt voor alle vogelsoorten en nationaal beschermde soorten, zowel voor werkzaamheden in het kader van bestendig beheer en onderhoud als voor werkzaamheden in het kader van ruimtelijke inrichting en ontwikkeling (een verschil met voorgaande wetgeving van de Flora- en faunawet). Als dergelijke garanties niet kunnen worden gegeven moet men afhankelijk van de soort en ingreep ontheffing aanvragen van artikelen geformuleerd in de Vogelrichtlijn (§3.1 Wnb), of Habitatrichtlijn (§ 3.2 Wnb) of het beschermingsregiem “Andere soorten” (nationaal beschermde soorten) (§3.3 Wnb).
In tegenstelling met de voorgaande Flora en Faunawet is de bescherming in mindere mate individueel en dient bij de ontheffingsaanvraag de staat van instandhouding van de gehele populatie meer in aanmerking genomen te worden. Een ontheffingsaanvraag wordt o.a. beoordeeld op de volgende punten:
17
Ecologische quickscan – Herontwikkeling Hoogstraat 64 te Sint-Oedenrode
• aanwezigheid van aanvaardbare alternatieve mogelijkheden • aanwezigheid van een wettelijk belang • de staat van instandhouding van de soort en behoud van functionaliteit van de verblijfplek. Het wettelijk belang betreft, afhankelijk van de status van de soort, een Nationaal wettelijk belang (Vrijstellingsbesluit) of een Europees wettelijk belang (Habitatrichtlijn of Vogelrichtlijn). Deze wettelijke belangen hebben o.a. betrekking op de openbare veiligheid, volksgezondheid, veiligheid luchtvaart en bescherming van flora en fauna.
Zorgplicht In de Wet natuurbescherming is in artikel 1.11 een zorgplicht opgenomen: Iedereen dient voldoende zorg in acht te nemen voor de in het wild levende dieren en planten, en ook voor hun directe leefomgeving. De zorg houdt in ieder geval in dat een ieder die weet of kan vermoeden dat door zijn handelen of nalaten nadelige gevolgen voor flora of fauna kunnen worden veroorzaakt, verplicht is alle maatregelen te nemen die redelijkerwijs van hem kunnen worden gevergd om die gevolgen te voorkomen of, voor zover die gevolgen niet kunnen worden voorkomen, deze zoveel mogelijk te beperken of ongedaan te maken. De zorgplicht geldt altijd, en voor alle planten en dieren, of ze beschermd zijn of niet, en in het geval dat ze beschermd zijn ook als er ontheffing of vrijstelling is verleend.
3.3 Gebiedsbescherming De gebiedsbescherming onderscheidt twee typen beschermde natuurgebieden •
•
Europees beschermde gebieden (Wet natuurbescherming §2.1 t/m §2.5.) De gebieden die op Europees niveau een bescherming genieten en aangewezen zijn in het kader van de Habitatrichtlijn (HR), Vogelrichtlijn (VR) en Verdrag van Ramsar (wetlands). Deze gebieden vallen onder de noemer van Natura 2000 en betreffen gebieden van grote ecologische waarde. Deze gebieden zijn beschermd middels de Wet natuurbescherming §2.1 t/m §2.5. Nationaal/provinciaal beschermde gebieden (provinciale omgevingsverordening). Dit zijn natuurgebieden en verbindingsstructuren die op landelijke basis zijn ingesteld en vallen onder het Natuurnetwerk Nederland (NNN) vallen. Deze natuurgebieden en hun onderlinge verbindingen vormen een samenhangend ecologisch netwerk. De bescherming van deze gebieden is op provinciaal niveau geregeld via de provinciale omgevingsverordeningen.
Europees beschermd gebied (Natura 2000-gebied) Ook hier genieten de gebieden die onder een Europees beschermingsregime vallen de meest strikte bescherming. Voor beide categorieën van beschermde gebieden geldt dat activiteiten die een negatief effect hebben op de kwaliteit van de gebieden in het algemeen verboden zijn. Uitgezonderd zijn activiteiten binnen Natura 2000 gebied die uitgevoerd worden in het kader van vastgelegde beheersplannen ten behoeve van Natura 2000 doelen. Een ontheffing wordt alleen verleend als er geen reële alternatieven zijn, de staat van instandhouding van soorten niet in gevaar komt en er sprake is van een groot openbaar belang, dat o.a. de volksgezondheid en openbare veiligheid kan betreffen.
18
Ecologische quickscan – Herontwikkeling Hoogstraat 64 te Sint-Oedenrode
De ontheffingsverlening gaat veelal gepaard onder strikte voorwaarden en beperkingen en er is altijd sprake van een compensatieplicht. Bij Natura 2000 gebied wordt doormiddel van een voortoets beoordeeld of er negatieve effecten verwacht kunnen worden en in hoeverre deze als significant beoordeeld kunnen worden. Bij niet-significante negatieve effecten volgt een “lichte “beoordeling doormiddel van een Verslechteringtoets. Bij significante negatieve effecten wordt de “zware” route gevolgd doormiddel van een Passende beoordeling en ADC-toets. Nationaal en provinciaal beschermd gebied (NNN-gebied) Het uitgangspunt voor de bescherming van gebieden die vallen onder Natuurnetwerk Nederland is de eis dat de wezenlijke kenmerken en waarden van deze gebieden niet door een ingreep worden aangetast. In of in de directe nabijheid van een NNN-gebied zijn in principe zijn geen ontwikkelingen toegestaan die de ‘wezenlijke kenmerken of waarden’ aantasten zoals die in het beheerplan zijn vastgelegd. In de Interim omgevingsverordeningen van de provincie 2020 van de provincie is de doelstelling en regelgeving met betrekking tot NNN/NNB-gebied vastgelegd. Overige provinciale beschermingszones Voor behoud en versterking van de kwaliteiten van het landelijk gebied zijn door de pronvicie NoordBrabant de agrarische structuur en de groenblauwe structuur ingesteld.
De groenblauwe structuur bestaat uit de Groenblauwe mantel en het kerngebied Groenblauw. De Groenblauwe mantel is een buffer tussen het kerngebied Groenblauw met het agrarisch en verstedelijkt gebied. Het kerngebied Groenblauw bestaat uit de ecologische hoofdstructuur (NNN) inclusief de ecologische verbindingszones en de gebieden voor behoud en herstel van watersystemen.
3.4 Bescherming houtopstanden De Wet natuurbescherming § 4.1. Houtopstanden vervangt de voormalige Boswet, waarbij dezelfde voorwaarden grotendeels gelden. Evenals de Boswet betreft de bescherming in het algemeen houtopstanden buiten de bebouwde kom zover deze een groter oppervlak van 10 are hebben of een rij van meer dan 20 bomen betreffen, geen deel uitmaken van begroeiingen op erven of in tuinen en geen aanplant voor cultuurdoeleinden en houtwinning betreffen. Er geldt een meld- en heraanplant plicht.
19
Ecologische quickscan – Herontwikkeling Hoogstraat 64 te Sint-Oedenrode
4. ONDERZOEKSRESULTAAT 4.1 Methodiek Literatuuronderzoek In het kader van deze quickscan heeft een bronnenonderzoek plaatsgevonden, waarbij is gekeken naar gebiedsgerichte bescherming en mogelijke aanwezigheid van beschermde soorten in het plangebied en directe omgeving. Er is voor het soortenonderzoek gebruikgemaakt van gegevens van diverse websites, o.a. van de nationale databank (NDFF), kennisdocumenten en diverse verspreidingsatlassen. Voor de gebiedsgerichte bescherming is gekeken naar de ligging van het Natuurbeschermingswet-gebieden als Habitat- en Vogelrichtlijngebieden en Natuurnetwerk Nederland (NNN), en bijzonder provinciale beschermingszones (Groenblauwe mantel). Daarvoor is o.a. gebruik gemaakt van de website van het Ministerie van Landbouw, Natuur en Voedselkwaliteit en die van de provincie Noord- Brabant. Bron van de NDFF-gegevens die in het verslag vermeld worden is: NDFF - quickscanhulp.nl; d.d.28-2-2022. Veldonderzoek Het veldbezoek vond plaats op 4-3 -2021 tussen 10.30 en 12.00 uur en werd uitgevoerd door dhr. J. Maassen. Tijdens het veldbezoek was het rond de graden 6- C, weinig wind, droog en geheel onbewolkt. In de voorgaande nacht had het licht gevroren. Een weertype dat als fris maar aangenaam en bijzonder zonnig lenteweer kan worden getypeerd. Tijdens de uitgevoerde veldonderzoeken zijn de aanwezige biotopen in het plangebied vastgesteld.
Ook is onderzoek gedaan naar biotopen en natuurwaarden in de directe aangrenzende omgeving waarop ontwikkelingen binnen het plangebied van invloed op kunnen zijn. Aan de hand van de aanwezige biotopen kan worden bepaald of er mogelijk beschermde soorten voorkomen. Naast de biotopen zijn directe en indirecte aanwijzingen opgenomen, die kunnen duiden op het voorkomen van beschermde soorten. Behalve het fysiek aantreffen van exemplaren van soorten is er ook gelet op bijv. holen, uitwerpselen, prooiresten, braakballen vraat-, loop- en veegsporen. Deze waarnemingen zijn bij de beoordeling betrokken. De aanwezige biotopen zijn vergeleken met de habitateisen van beschermde planten- en diersoorten. Op basis van deze vergelijking is beoordeeld welke van deze soorten in het plangebied kunnen voorkomen. De bevindingen van het veldbezoek en het literatuuronderzoek zijn verwerkt in onderstaande notitie. Opmerking De quickscan flora en fauna is een toets van de ecologische potenties van de plangebied en directe omgeving en betreft geen volwaardig specifiek soortenonderzoek. Er zijn in dit onderzoek geen inventarisaties uitgevoerd van soorten en soortgroepen. Een ecologische inventarisatie bestaat uit meerdere veldbezoeken gedurende de voor de soortgroep meest gunstige periode van het jaar.
20
Ecologische quickscan – Herontwikkeling Hoogstraat 64 te Sint-Oedenrode
4.2 Gebiedsbescherming 4.2.1 Natura 2000 Ligging Het dichtst nabije Natura 2000-gebied betreft Kampina & Oisterwijkse vennen hemelsbreed op 7 km westelijk van het plangebied; een uitgestrekt heide- en bosgebied met zure en zwak gebufferde vennen. Dit gebied is onderdeel van een ring van Natura 2000 - gebieden rond Eindhoven die zich uitstrekt vanuit de noordwestelijk van Eindhoven gelegen regio rond ’s-Hertogenbosch tot de zuidoostelijke regio rond Weert. Deze gebieden liggen op een grotere afstand van 17 tot 25 km hemelsbreed vanaf het plangebied. Alle genoemde gebieden bevatten o.a. stikstofgevoelige natuur van natte heide, vochtige bossen, hoogveen en zwak gebufferde waters. Fig.4 Ligging van het plangebied (rode stip waar de pijl naar wijst) ten opzichte van Natura 2000 gebied (rood gearceerd. Bron: Bron: Natuurbeheerplan Provincie NoordBrabant
Toelichting wettelijk kader Externe werking De Wet natuurbescherming onderscheid naast een directe aantasting, de interne werking, ook een indirecte aantasting door factoren die op afstand van invloed zijn, de zgn. externe werking. Effecten-beoordeling Oppervlak Het plangebied en omliggende gebied maakt geen deel uit van Natura2000-gebied. Van een directe aantasting en afname van areaal aan beschermd natuurgebied is daarom geen sprake. Externe werking op korte afstand Alle Natura 2000 gebieden liggen op voldoende ruime afstand om geen negatieve invloeden verwacht worden van factoren met een externe werking die met een korte reikwijdte op afstand werken, als bodemtrillingen, geluids- en lichtbelasting. Stikstof De factor stikstofuitstoot is in dit geval de enige mogelijke factor die in principe een externe werking op grotere afstand kan genereren. Bij ingang van de nieuwe Stikstofwet per 1 juli 2021 geldt wettelijk bij projecten en werken alleen de uitstoot die in de gebruiksfase structureel plaats vindt en niet de uitstoot die van tijdelijk aard is voor de uitvoering van een project of het werk. In dit geval als gevolg van de sloop- en verbouwingswerkzaamheden. Na de uitvoerende fase kan verwacht worden
21
Ecologische quickscan – Herontwikkeling Hoogstraat 64 te Sint-Oedenrode
dat de nieuwe functies van het plangebied en de verkeersbewegingen die deze genereren, een nieuwe en meer structurele bron van stikstofuitstoot is. Deze dient wel in de beoordeling worden betrokken. Echter de ontwikkeling betreft de sanering van en intensieve veehouderij met en hoge mate van stikstofuitstoot. De nieuwe functies die het plangebied verkrijgt is van en dusdanige aard en schaal dat verwacht kan worden een sterke afname van de factor stikstof uitstoot ten opzichte van de periode dat de het plangebied bedrijfsmatig als veeteeltbedrijf in gebruik was. De sloop van de bedrijfsgebouwen en het vervallen van de bestemming “intensieve veehouderij” garandeert dat deze ontwikkeling een blijvend positief effect heeft op de vermindering van de factor stikstofuitstoot. Conclusie Negatieve effecten op Natura 2000 gebied die tot kwaliteitsverlies en overschrijding van de gestelde drempelwaarden betekenen worden op basis wat betreft omvang, aard, ligging en de door de Rijksoverheid gestelde normen wat betreft depositiewaarden van stikstofverbindingen niet verwacht. Een afname van de factor stikstofuitstoot ten opzichte van de voormalige bedrijfsvoering ligt eerder voor de hand. Mogelijk eist het bevoegd gezag ter onderbouwing van deze conclusie een Aeriusbereking om aan te tonen dat een en toetsing aan de Natura 2000 wetgeving niet noodzakelijk is.
4.2.2 Provinciale beschermingszones. Ligging NNN-gebied De dichtst nabije NNB-structuur betreft een ecologische verbindingszone op 0,5 km afstand noordelijk van het plangebied. Op iets grotere afstand van rond 1 km zuidelijk en noordelijk liggen verspreid snippers NNB-gebied met als dominerende beheertypen van N16.03 Droog bos met productie en N16.04 van Vochtig bos met productie. Groter en aanééngesloten NNB-gebied ligt op een afstand van rond de 3 km westelijk en oostelijk van het plangebied. Deze gebieden betreffen respectievelijk het Velders Bos en het Dommeldal. Overige provinciale beschermingszones De Interim omgevingsverordening NB 2021 duidt het plangebied aan als gelegen buiten de landschappelijke structuur van de ‘Groenblauwe mantel’ en buiten de zones ter bescherming van de waterhuishouding. Fig.6 Ligging ten opzichte van NNN-gebied. Het plangebied ligt binnen de rode cirkel. Groen: nationaal NNN-gebied. Oranje: provinciaal NNN/NNB-gebied. Rode arcering: ecologische verbindingszone. Bron: Natuurbeheerplan Provincie NoordBrabant
Beleidskader Interim omgevingsverordening NB §3.2.3 artikel 3.15 en 3.16
22
Ecologische quickscan – Herontwikkeling Hoogstraat 64 te Sint-Oedenrode
NNN-gebied De Interim omgevingsverordening NB stelt in §3.23 artikel 3.16 lid 1 en 3, dat als een bestemmingsplan gelegen buiten het Natuur Netwerk Brabant leidt tot een aantasting van de wezenlijke ecologische waarden en kenmerken van het Natuur Netwerk Brabant anders dan door de verspreiding van stoffen in lucht of water, negatieve effecten waar mogelijk worden beperkt en de overblijvende, negatieve effecten worden gecompenseerd. Interim omgevingsverordening NB §3.23 artikelen 3.26 en 3.27 Waterhuishouding In §3.23 artikel 3.26 en 3.27 van de Interim omgevingsverordening NB worden regels gesteld ter bescherming van de waterhuishouding binnen NNB-gebied met betrekking tot grondwerkzaamheden, aanleggen van drainagesystemen en oppervlakte verharding voor projecten gelegen binnen de daarvoor aangewezen attentiezones. Interim omgevingsverordening NB §3.2.4 art.3.32 Blauwgroene mantel Paragraaf 3.2.4 art.3.32 lid 1 en 2 van de Interim omgevingsverordening NB stelt regels binnen de Groenblauwe mantel voor versterking en bescherming van samenhangende ecologische, hydrologische en landschappelijke waarden.
Effectenbeoordeling NNN-gebied Het plangebied en omliggende gebied maakt geen onderdeel uit van NNN/EHS -gebied of Ecologische verbindingszones. Van een directe aantasting en afname van areaal aan NNN-gebied is daarom geen sprake. De dichtstbijzijnde gebieden die vallen onder het Natuurnetwerk Brabant (NNB) en liggen op voldoende afstand om negatieve effecten die de wezenlijke waarden en kenmerken van NNB-gebied ten gevolge van de voorgenomen ontwikkeling aantasten geheel uit te sluiten. Overige provinciale beschermingszones -Het plangebied ligt buiten de Attentiezone waterhuishouding en zones voor Behoud en herstel van watersystemen waardoor een overtredingen van de artikelen 3.26 en 3.27 ter bescherming van de waterhuishouding binnen NNB-gebied uitgesloten kunnen worden. - Door de ligging van het plangebied buiten de landschappelijke provinciale beschermingszone van Groenblauwe mantel kunnen overtredingen van §3.2.4 art.3.32 van de Interim omgevingsverordening NB ook uitgesloten kunnen worden. Conclusie Zowel tijdens de uitvoerende fase als in de gebruiksfase, worden geen overtredingen verwacht met betrekking tot §3.2.3 artikel 3.15 en 3.16 (NNB-gebied), NB §3.2.3 artikel 3.26 (Attentiezone waterhuishouding) en §3.2.4 art.3.32 lid 1 en 2 van de Interim omgevingsverordening NB.
23
Ecologische quickscan – Herontwikkeling Hoogstraat 64 te Sint-Oedenrode
4.3 Soortenbescherming 4.3.1 Vaatplanten Bescherming en voorkomen Habitatrichtlijn Een viertal inheemse plantensoorten zijn strikt beschermd middels bijlage 4 van de Habitatrichtlijn. Deze vaatplanten betreffen de drijvende waterweegbree, kruipend moerasscherm, groenknolorchis en zomerschroeforchis. Voor bijlage 4-soorten geldt de strikte bescherming ook buiten hun prioritair aangewezen habitatgebieden. Genoemde soorten zijn te strikt gebonden aan een hoogwaardig natuurlijk milieu van water, moerassen en vochtige heide en blauwgraslanden om buiten natuurlijk gebied te verwachten. Nationale bescherming Onder de nationale bescherming vallen 76 soorten vaatplanten waarvan de meeste uiterst zeldzaam zijn. Onder deze beschermingscategorie een hoog aandeel van zeldzame akkeronkruiden die als gevolg van de intensivering van de akkerbouw vrijwel uit het agrarisch landschap verdwenen zijn. In tegenstelling tot de voormalige Flora- en Faunawet zijn door de Wet natuurbescherming niet alle orchideeënsoorten meer beschermd. Onder de nationale bescherming vallen zo’n 8 soorten die allen in de provincie Noord-Brabant uiterst zeldzaam of uitgestorven zijn.
Bronnenonderzoek en veldwaarnemingen Bronnenonderzoek Binnen de 0- 5 km-straal vermelden de NDFF-gegevens geen beschermde plantensoorten. Waarnemingen Langs terreinranden, tussen bestrating en andere marginale plekken werden algemene onkruiden waargenomen die men op een erf als dit verwachten kan, zoals o.a. straatgras, herderstasje, Canadese fijnstraal, klein kruiskruid en glad vingergras. Aan de westrand is en tamelijke kruidrijke verschraalde strook grasland aanwezig met veel soorten van verstoorde bodem als winterpostelein, paarse dovenetel, kleine veldkers en zachte ooievaarsbek. Aan de oostrand is een groter oppervlak ruig, kruidarm en verstoord grasland dat zich heeft ontwikkeld onder invloed van bemesting. Het forse gras kropaar domineert hier over het gehele oppervlak. Effectenbeoordeling Het grootse oppervlak binnen het plangebied is bestraat en onbegroeid en voor een kleiner oppervlak aangeplant als siertuin. Natuurlijk (gras)begroeiingen zijn voornamelijk langs de terreinranden aanwezig. De begroeiing is van een te algemeen soort om bijzondere botanische waarden te verwachten. Natuurlijke en duurzame standplaatsen van beschermde plantensoorten en van andere soorten die enige botanische waarden vertegenwoordigen, kunnen geheel uitgesloten worden binnen het plangebied en aanliggend terrein.
Conclusie Negatieve effecten op beschermde plantensoorten en groeiplekken ten gevolge van de voorgenomen ontwikkelingen kunnen uitgesloten worden.
4.3.2 Zoogdieren (grondgebonden) Voorkomen en bescherming Habitatrichtlijn Onder de Europese bescherming van de Habitatrichtlijn vallen een aantal zeezoogdieren, die vanzelfsprekend binnenlands uitgesloten kunnen worden. Binnenlands kunnen als Europees
24
Ecologische quickscan – Herontwikkeling Hoogstraat 64 te Sint-Oedenrode
beschermde zoogdieren wel bever, otter, noordse woelmuis en verschillende soorten vleermuizen verwacht worden. De groep van vleermuizen wordt in een apart hoofdstuk behandeld. Nationaal bescherming zonder vrijstelling Voor soorten die onder de nationale bescherming vallen gelden ruimere mogelijkheden voor ontheffing en vrijstelling dan voorgaande categorie van strikt beschermde soorten. Een verbod tot verstoring, zoals dit vastgelegd is in art.3.5 lid 4 voor zoogdiersoorten die vallen onder de Habitatrichtlijn is voor deze beschermingsgroep niet van toepassing. Dit impliceert daar de verblijfplekken alleen beschermd zijn tegen een directe fysieke aantasting en voor het functioneel leefgebied voor de instandhouding van de verblijfplekken, geen strikte bescherming geldt. Voor een aantal zeer algemene soorten uit deze categorie geldt een vrijstelling en is alleen de zorgplicht van toepassing. Deze vrijstelling geldt o.a. kleine zoogdieren als bosspitsmuis, huisspitsmuis, bosmuis, veldmuis en egel en grotere dieren als ree, vos, haas en konijn. Een bescherming zonder vrijstelling van kleine marterachtigen, als wezel, bunzing en hermelijn geldt sinds 2017 (bij ingang Wet natuurbescherming) binnen de provincies Noord-Brabant en Noord-Holland en wordt sindsdien steeds meer nagevolgd door andere provincies (Overijssel, Drenthe en Zeeland).
Deze soorten komen vrij algemeen voor en zijn moeilijk vast te stellen. Voor alle soorten uit deze middelzware beschermingsregiem, al of niet vrijgesteld, geldt de zorgplicht. Dit impliceert dat onnodig doden of schade te berokkenen niet is toegestaan. Bronnenonderzoek en waarnemingen Bronnenonderzoek De NDFF-gegeven vermelden binnen de 0-1 km-straal geen zoogdieren. Binnen de 1-5 km straal worden meerdere soorten vermeldt waaronder buiten vleermuizen de bever als enige habitatrichtlijnsoort. De volgende habitatrichtlijnsoort, de otter, wordt pas binnen de 10-25 kmstraal vermeld. Uit het middelzware beschermingsregiem van andere soorten waarvoor geen vrijstelling geldt vermelden de NDFF-gegevens binnen de 1-5 km-straal edelhert, damhert, das, steenmarter, eekhoorn, wezel en bunzing. Waarnemingen Er werden tijdens het veldbezoek geen waarnemingen van zoogdieren gedaan. Effectenbeoordeling Habitatrichtlijn De bever is gebonden aan een habitatgebied van stromende water met begeleidende ooi- en moerasbossen. Daar dit milieu geheel binnen de omgeving ontbreekt is het plangebied van geen enkel belang voor deze soort. Uitgezonderd van vleermuizen ligt het plangebied in het algemeen te ver buiten het landelijk verspreidingsgebied en specifiek habitatgebied van soorten waarvoor het strikte beschermingsregime van de Habitatrichtlijn geldt om deze te verwachten.
Andere soorten Op basis van de verspreidingsgegevens, habitatgebruik en landschapskenmerken kunnen met enige kans binnen de omgeving van het plangebied eekhoorn, steenmarter en kleine marterachtigen als bunzing en wezel verwacht worden uit de middelzware beschermingscategorie van ‘Andere soorten’ waarvoor geen vrijstelling geldt. Damhert en edelhert zijn weinig relevant voor het plangebied op basis van hun breed en specifiek landschap gebruik. Verblijfplekken van de das kunnen op basis van hun zichtbaarheid en de ongeschiktheid van het plangebied als vestgingsplek geheel uitgesloten worden. De voorkeurshabitat voor eekhoorn bestaat uit gemengde bossen, bosrijke tuinen, parken en houtwallen, daar waar voedselmogelijkheden voorhanden zijn. Het plangebied ligt binnen een open landschap buiten de optimale habitatgebieden van de eekhoorn die in een bosrijker omgeving liggen. De enige substantiële houtbegroeiing binnen het plangebied waarbinnen deze soort
25
Ecologische quickscan – Herontwikkeling Hoogstraat 64 te Sint-Oedenrode
nestgelegenheid kan vinden is het groepje boomhoge wintergroene heesters in de zuidwesthoek van het terrein. Nestelplaatsen werden, zoals te verwachten was, hier niet aangetoond. Het plangebied is van een te marginale betekenis voor deze soort om deze met enige kans te verwachten. De steenmarter vindt vaste verblijfplaatsen in oude schuurtjes met weinig menselijke activiteit of woningen met toegankelijke zolder-, en of kruipruimten. De steenmarter laat gewoonlijk duidelijke sporen na als uitwerpselen, prooiresten, stank en krabsporen. Ook zullen de kippen die op het erf gehouden worden niet ongedeerd blijven bij aanwezigheid van steenmarter. Voor alsnog is dit niet het geval. Kleine marterachtigen leiden een meer verborgen leven en zijn daarom moeilijker op te sporen tijdens een éénmalig veldbezoek. Tijdens het veldbezoek werden gaan waarnemingen gedaan van sporen die wijzen op aanwezigheid van marterachtigen. Het erf en de meeste gebouwen tonen een ordelijk inrichting die deze soorten weinig ongestoorde schuilgelegenheid geeft. Op basis van het sporenonderzoek en algehele inrichting van het plangebied worden de verwachtingskans van stabiele verblijfplekken als uiterst klein beoordeeld.
Het plangebied voldoet niet aan de afmeting van minimaal 1 ha die het overheidsuitgave ‘Handreiking kleine marterachtigen’ (uitgave Bij 12) stelt om nader onderzoek naar kleine marterachtigen te vereisen. Een nationale bescherming met vrijstelling geldt voor een aantal algemene zoogdieren die in de meeste gevallen als uitgesproken cultuurvolger gelden. Uit deze beschermingscategorie kunnen in het bijzonder binnen de bebouwde omgeving in het algemeen een aantal kleine zoogdiersoorten als gewone bosspitsmuis, huisspitsmuis, bosmuis, veldmuis en egel verwacht worden. Deze zullen zich voornamelijk op terreindelen waar voldoende schuilgelegenheid is in bebouwing, afvalbergen, houtstapels en dichte begroeiing. Voor deze soorten dient uitsluitend de zorgplicht in acht worden genomen bij het aantreffen daarvan. Dat betekent dat doden en verwonden voorkomen moet worden en de dieren veilige vluchtwegen geboden dient te worden. Voor de bosmuis en huisspitsmuis geldt deze zorgplicht niet bij het aantreffen van in bebouwing. Conclusie Negatieve effecten op verblijfplekken van beschermde landgebonden zoogdiersoorten waarvoor geen vrijstelling geldt worden binnen de invloedsfeer van de ingrepen niet verwacht, noch aantasting van beschermd functioneel leefgebied voor de instandhouding van jaarrond beschermde verblijfplekken.
Kleine beschermde zoogdieren waarvoor een vrijstelling en alleen de zorgplicht geldt, als huisspitsmuis, egel, veldmuis en bosmuis, kunnen nooit geheel uitgesloten worden. Voor deze soorten dient uitsluitend de zorgplicht in acht worden genomen.
4.3.3 Zoogdieren (vleermuizen) Bescherming en voorkomen Alle in Nederland voorkomende vleermuizen staan vermeld in Tabel 3 bijlage IV van de Europese habitatrichtlijn en zijn daardoor op Europees niveau beschermd. Deze bescherming betreft ook de vaste rust- en verblijfplaatsen. Onder deze vaste rust- en verblijfplaatsen wordt verstaan:” het gehele systeem waarvan een populatie gebruik maakt tijdens de jaarcyclus van de soort”. Vleermuizen onderhouden verschillende type verblijfplekken als paarverblijven, winterverblijven, kraamverblijven en zomerverblijven. Voor de staat van instandhouding van de lokale populatie van de soort zijn de kraamverblijven en de grote winterverblijven van het grootst belang. In gebruik van paarverblijven zijn vleermuizen het meest flexibel. In de loop van het seizoen wisselen vleermuizen regelmatig van verblijfplaats waarbij gebruik wordt gemaakt van vaste routes tussen de verblijfplekken. Eveneens tussen foerageergebieden en verblijfplaatsen onderhouden vleermuizen vaste routes. Bij het gebruik van deze routes oriënteren vleermuizen zich op lijnvormige elementen in het landschap zoals bomenlanen, kanalen en houtwallen. Dit gehele systeem van verbindingsroutes en foerageergebieden die het functioneren van de verblijfplaatsen voor hun specifieke functies mogelijk maakt wordt de functionele leefomgeving genoemd.
Ingrepen binnen de functionele leefomgeving die het functioneren van de verblijfplaatsen aantasten worden door de wetgever gelijkgesteld
26
Ecologische quickscan – Herontwikkeling Hoogstraat 64 te Sint-Oedenrode
aan de aantasting van verblijfplekken zelf. In deze zin is de functionele leefomgeving even strikt beschermd als de verblijfplekken.
Bronnenonderzoek en geschiktheid De NDFF-gegevens melden binnen de 1 km-straal geen vleermuizen. Binnen de 1-5 km worden een aantal algemene vleermuissoorten vermeld: gewone dwergvleermuis, laatvlieger, gewone grootoorvleermuis, rosse vleermuis en watervleermuis. Een plangebied als het onderhavige toont op basis van zijn inrichting geschiktheid om de gewone dwergvleermuis zowel foeragerend als verblijvend te verwachten. Soorten als laatvlieger, watervleermuis en gewone grootoorvleermuis kunnen verblijfsmogelijkheden vinden binnen de bebouwing maar zullen buiten het erf foerageren. De gewone dwergvleermuis is de meest algemene vleermuis in Nederland die vrijwel overal binnen de bebouwde omgeving voorkomt en vrijwel zeker ook binnen of nabij het plangebied zal foerageren. De meeste waarnemingen hebben betrekking op deze soort. De laatvlieger is ook binnen de bebouwde omgeving ook een algemene soort, maar minder talrijk. De soort verblijft evenals de gewone dwergvleermuis uitsluitend in bebouwing maar foerageert minder nabij bebouwing en meer langs boomrijen en boven open terrein. Watervleermuis en gewone grootoorvleermuis verblijven zowel in bebouwing als in bomenholten maar vinden binnen het plangebied weinig geschikt foerageergebied.
De algemene rosse vleermuis is een specifiek bewoner van holten in bomen en daardoor voor zijn verblijfplekken afhankelijk van oude bomen van lanen, bossen en stadsparken. De soort kan zeker overvliegend verwacht worden en foeragerend langs de laanbomen van de Hoogstraat. Waarneming Het onderzoek vond plaats op een tijd van de dag en een tijd van het jaar waarop vleermuizen niet actief zijn. Tijdens het veldbezoek kon daarom alleen onderzoek gedaan naar verblijvende vleermuizen, verblijfssporen, verblijfsmogelijkheden en de algehele gebiedsgeschiktheid voor vleermuizen. Er werden geen verblijvende vleermuizen geconstateerd, noch verblijfssporen. Toelichting Tijdens de veldbezoeken wordt onderzoek gedaan naar verblijfplekken, verblijfssporen en verblijfsmogelijkheden in en aan bebouwing en bomen. Vleermuisverblijfplaatsen in bebouwing kunnen in het algemeen aangetroffen worden onder dakpannen, tussen dakbeschot, boeiboorden, onder gevelbekleding, in spleten en kieren in muren of in de spouw door open stootvoegen. In bomen kan verblijf gevonden in holtes, gaten en diepe spleten en achter loshangende schors. Tijdens inspecties op zicht worden zelden verblijvende vleermuizen aangetroffen. Ook sporen die wijzen op vleermuizenverblijf zijn meestal schaars. De verblijfplekken worden meestal ontdekt op basis van het gedrag van vleermuizen na het verlaten van de verblijfplek.
Hiervoor is uitgebreider onderzoek nodig tijdens de uren dat vleermuizen actief zijn
Effectenbeoordeling Verblijfplekken De bebouwing die voor sloop in aanmerking komt is onderzocht op verblijfsmoglijkheden. In het algemeen kan vastgesteld worden op basis van veldervaring, dat stallen die voor een functie voor de intensieve veeteelt gebouwd zijn en daarvoor in gebruik zijn geweest, zelden verblijfplekken bevatten. Naast de inrichting, afwerking en de veel verstorende elementen die met de intensieve veehouderij gepaard gaan als luchtstromen, geluid van ventilatoren en ammoniakdampen speelt hierbij ook een rol dat de stallen geen hooggelegen verblijfmogelijkheden bieden waar vleermuizen veilig zijn voor predatie of aanknagen door ongedierte dat deze stallen in grote mate bevolkt indien geen bestrijding plaats vindt. De stallen die gesloopt worden werden over het algemeen als weinig geschikt beoordeeld voor verblijf van vleermuizen. Hierbij werd onder meer ook het volgende in aanmerking genomen. De daken van alle stallen zijn bekleed met golfplaten van een materiaal dat voor vleermuizen onvoldoende buffering tegen temperatuurextremen biedt bij verblijf direct onder de dakbekleding. Voor het grootste oppervlak van de daken ontbreken bovendien door
27
Ecologische quickscan – Herontwikkeling Hoogstraat 64 te Sint-Oedenrode
isolatiemateriaal en plafonds afgeschermde verblijfsmogelijkheden onder de daken. De spouwruimten van de lage muren zijn alleen toegankelijk vanaf de bovenrand en daardoor niet direct aanvliegbaar. De spouwruimten zijn ook overal geheel opgevuld met isolatiemateriaal en bieden in het algemeen onveilige verblijfplekken; door hun geringe hoogte zijn deze goed bereikbaar zijn voor van predatoren en ongedierte. Aan de buitengevels van de stallen ontbreekt gevelbetimmering die enige bijzondere geschiktheid voor verblijf van vleermuizen toont. De langgevelboerderij wordt niet gesloopt, maar aan het gebouw vinden wel bouwkundige ingrepen plaats, waarvan de aard niet exact bekend is. Binnenpands zijn de stalruimten en de bovenliggende hooizolder onderzocht. De rest van de boerderij wordt te intensief bewoond om verblijfplekken te verwachten. De stalruimten zijn van buitenaf nauwelijks toegankelijk: er zijn geen sporen geconstateerd die erop wijzen dat hier recent vleermuizen verbleven. De zolder is wel goed toegankelijk. Hooizolders zijn in het algemeen bijzonder geschikt voor verblijf van vleermuizen en bij uitstek voor grootoorvleermuizen. Echter deze zolder kent veel inval van daglicht en biedt daarvoor nauwelijks beschutte verblijfsmogelijkheden voor daglicht. Ook hier heeft intensief sporenonderzoek hier niet kunnen aantonen dat er vleermuizen verblijfmogelijkheden vinden.
Aan de buitenkant van de woonboerderij is er en dakbekleding van platte dakpannen aanwezig en gevelbetimmering. De platte dakpannen bieden geen verblijfsruimten direct onder de pannen en geen goede aanvliegmogelijkheden naar mogelijke verblijfplekken binnen het onderliggend timmerwerk. De beste mogelijkheden kunnen bij dit type daken bij de dakranden ter hoogte van kopgevels gevonden worden. De aansluitruimten tussen de randpannen en de onderliggende muren worden meestal afgedicht met cement. Deze cementvullingen zijn bijzonder slijtage gevoelig en er ontstaan vaak gaten die toegangen geven tot ruimten onder de dakpannen indien deze aanwezig zijn. Er kunnen ook door verschuivende randpannen die niet meer door cement op hun plaats gehouden worden, geschikte ruimten, of toegangen daartoe direct onder de dakpannen ontstaan. Vleermuizen weten deze vaak snel te vinden. Bij het onderhavige pand zijn de cementvullingen vrijwel intact, alleen aan de westelijke kopgevel zijn deze dusdanig versleten dat er gaten zijn te constateren. Echter deze staan in rechtstreekse verbinding met de open zolder en zijn van binnenuit te zien als gaten waardoor zonlicht naar binnen valt en vleermuizen dus geen beschut verblijf voor daglicht bieden. De gevelbetimmering bestaat uit gevellatten en betimmering rond de dakgoot.
Deze sluit over het algemeen te strak aan om de vleermuizen verblijfsmogelijkheden of toegangen daartoe te bieden.
Afwerking dakrand met cementvullingen
Zolder van langgevelboerderij
Verblijfplekken aan of binnen de bebouwing waar de ingrepen aan plaats vinden worden op basis van het veldbezoek niet verwacht. Er ontbreken bomen met geschikte spechten- of rottingsholten die verblijf kunnen bieden; de bedrijfsbebouwing waar geen ingrepen aan plaats vinden is dusdanig modern ingericht, strak afgewerkt en dusdanig in gebruik dat verblijf hier geheel uitgesloten kan worden.
28
Ecologische quickscan – Herontwikkeling Hoogstraat 64 te Sint-Oedenrode
Leefgebied Het plangebied bevat geen groenstructuren die als trek-, migratie- en foerageerroute van bijzonder belang kunnen zijn binnen het leefgebied van vleermuizen. Het plangebied is van en gemiddelde kwaliteit als foerageergebied. Conclusie Verblijfplekken van vleermuizen binnen het plangebied en invloedsfeer van de voorgenomen ontwikkeling worden niet direct verwacht en daarmee geen negatieve effecten op jaarrond beschermde verblijfsplaatsen van vleermuizen. Op basis van inrichting wordt het plangebied momenteel van hooguit van een gemiddelde betekenis geacht binnen het leefgebied van vleermuizen. De voorgenomen nieuwe groene inrichting zal naar verwachting de kwaliteit daarvan aanzienlijk verhogen.
4.3.4 Vogels Bescherming en voorkomen Alle vogels zijn Europees beschermd door middel van de Vogelrichtlijn. In de Wet natuurbescherming worden alle broedende vogels strikt beschermd. De wet kent geen standaardperiode voor het broedseizoen. Het gaat erom of er een broedgeval aanwezig is. Van een aantal vogelsoorten worden de nesten ook buiten het broedseizoen beschermd (zie overzicht hieronder). Voor een verdere toelichting zie ook bijlage2.
Bescherming categorieën Soorten uit categorieën 1, 2, 3 en 4 (waarvoor een ontheffingsaanvraag altijd noodzakelijk is). Nesten jaarrond beschermd, vaste rust- en verblijfplaatsen jaarrond beschermd. Soorten: Boomvalk, Buizerd, Gierzwaluw, Grote gele kwikstaart, Havik, Huismus, Kerkuil, Oehoe, Ooievaar, Ransuil, Roek, Slechtvalk, Sperwer, Steenuil, Wespendief en Zwarte wouw Soorten uit de categorie 5, jaarrond bescherming verblijfplekken optioneel Soorten: Blauwe reiger, Boerenzwaluw, Bonte vliegenvanger, Boomklever, Boomkruiper, Bosuil, Brilduiker, Draaihals, Eidereend, Ekster, Gekraagde roodstaart, Glanskop, Grauwe vliegenvanger, Groene specht, Grote bonte specht, Hop, Huiszwaluw, IJsvogel, Kleine bonte specht, Kleine vliegenvanger, Koolmees, Kortsnavelboomkruiper, Oeverzwaluw, Pimpelmees, Raaf, Ruigpootuil, Spreeuw, Tapuit, Torenvalk, Zeearend, Zwarte kraai, Zwarte mees, Zwarte roodstaart en Zwarte specht. Overige soorten: verblijfplekken alleen beschermd indien sprake is van een daadwerkelijk broedgeval Soorten: overige soorten
Categorie 1, 2, 3 en 4 Voor soorten uit deze beschermingscategorie zijn niet alleen de nesten, maar ook de rust en andersoortige verblijfplekken als rust- en winterverblijven jaarrond beschermd. Ook bij tijdelijke afwezigheid geldt deze bescherming. Deze bescherming geldt niet alleen tegen de directe fysieke aantasting van de verblijfplekken maar ook tegen de verstoring daarvan. De bescherming geldt tevens het functionele leefgebied voor de instandhouding van de verblijfplekken, zoals foerageergebied en trek- en verplaatsingsroutes. Uit deze zwaarste (strikte) beschermingscategorie vallen een aantal soorten die als uitgesproken cultuurvolgers gelden en voor hun verblijfsmogelijkheden geheel afhankelijk van bebouwing zijn. Binnen een landelijke omgeving met kleinschalige bebouwing betreffen dit huismus, kerkuil en steenuil. Deze soorten zullen het grote oppervlak aan landbouwgronden vermijden en zich verplaatsen en voedsel zoeken binnen de beschutting van de bebouwde linten en langs groenstructuren. Andere soorten als Gierzwaluw en slechtvalk zijn meer afhankelijk van stedelijk gebied waar ze huisvesting zoeken onder dakpannen, achter gevelbekleding en in nissen in of aan de bebouwing. Als snelle en behendige vlieger die grote afstanden kunnen afleggen is het landschapsgebruik breed. Naast soorten die in of aan bebouwing