CConstaterende datMeierijstad
Koppel je AI →
Document · PDF

Bijlage 1a - Toelichting en regels Lieshoutsedijk 11-11a

Raadsvergadering 26 september 2024, gemeente MeierijstadBij agendapunt: Gewijzigde vaststelling bestemmingsplan 'Buitengebied Sint-Oedenrode, herziening Lieshoutsedijk 11-11a'28.286 woorden

Open het PDF bij de gemeente ↗Naar de vergadering →

Tekst van het document

Uit het bestand gehaald, zonder opmaak, tabellen en afbeeldingen · deel 2 van 4

Hoofdstuk 4

Wanneer groepsrisicoverantwoording? Altijd wanneer binnen invloedsgebied ruimtelijk besluit wordt genomen. Altijd wanneer binnen invloedsgebied een ruimtelijk besluit wordt genomen. Er kan echter worden volstaan met een beperkte verantwoording wanneer: 1) het groepsrisico lager is dan 0,1 keer de orientatiewaarde, of 2) de toename minder is dan 10% en de oriënterende waarde niet wordt overschreden, of

29

Weg, spoorweg of binnenwater (Bevt)

3) personen zich buiten de 100% letaliteitgrens bevinden. Bij een beperkte verantwoording dient een toelichting te worden gegeven op artikel 12 lid 1 onder a, b, f en g van het Bevb. Altijd wanneer binnen invloedsgebied een ruimtelijk besluit wordt genomen. Er kan echter worden volstaan met een beperkte verantwoording wanneer: 1) het groepsrisico lager is dan 0,1 keer de orientatiewaarde, of 2) de toename minder is dan 10% en de oriënterende waarde niet wordt overschreden, of 3) personen zich buiten de 200 meter-zone bevinden. Bij een beperkte verantwoording hoeven alleen zelfredzaamheid en bestrijdbaarheid beschouwd te worden.

Door het uitwerken van de verantwoordingsplicht neemt het bevoegd gezag de verantwoordelijkheid voor het 'restrisico' dat overblijft nadat benodigde de veiligheidsverhogende maatregelen genomen zijn. Doorwerking plangebied Uit een inventarisatie op basis van de atlas leefomgeving zijn de risicobronnen in de omgeving geïnventariseerd die van invloed kunnen zijn op het plangebied (zie figuur 4.1).

Hoofdstuk 4

30

Figuur 4.1 Uitsnede signaleringskaart Lieshoutsedijk 11-11a (rood gemarkeerd) (bron: ODBN, augustus 2023).

Buisleidingen Het plangebied bevindt zich niet binnen de 1%-letaliteitsafstand van een aardgastransportleiding en daarmee ook niet binnen een PR10-6-risicocontour of plasbrandaandachtsgebied van een transportroute van gevaarlijke stoffen. De risico’s ten gevolge van het transport van gevaarlijke stoffen door buisleidingen vormen geen belemmering voor het plangebied. Inrichtingen Er bevinden zich geen inrichtingen met een risicoafstand die gelegen is binnen het plangebied. Transportassen (water, weg, spoor) Ten Noordwesten van het plangebied loopt de A50 en het bijbehorende knooppunt Eerde-Eindhoven, wegvak B132. Over deze transportweg worden stoffen uit de categorieën LF1, LF2 en LT2 vervoerd. LT2 heeft een maximaal invloedsgebied van 880 meter. Het knooppunt ligt op circa 670 meter afstand van het plangebied en valt daarmee binnen dit invloedsgebied. Omdat het plangebied niet binnen 200 meter afstand van de transportroute ligt, kan worden volstaan met een beperkte verantwoording voor het scenario toxisch. Een beperkte verantwoording van het groepsrisico gaat in op de zelfredzaamheid van personen binnen het plangebied bij een calamiteit en de mogelijkheden tot het bestrijden van de gevolgen van een calamiteit binnen het plangebied. In samenwerking met de Veiligheidsregio Brabant-Noord is een standaard verantwoording groepsrisico (beperkt) toxisch opgesteld.

Deze volgt hieronder. Verantwoording groepsrisico (beperkt) toxisch Vanwege de ligging van de planlocatie in het invloedsgebied van een risicobron waarvan een toxische wolk het maatgevende scenario is, dient een beperkte verantwoording van het groepsrisico plaats te

Hoofdstuk 4

31

vinden. Hierbij is de Veiligheidsregio Brabant Noord om advies gevraagd. Het advies is verwerkt in de verantwoording. Scenario(‘s) Het relevante scenario voor het plangebied in relatie tot het transport van gevaarlijke stoffen is het overdrijven van een toxische wolk. Door bijvoorbeeld een incident tijdens de verlading of door een mechanische impact op de tank ontstaat een gat waardoor in korte tijd een groot deel van de toxische stof vrijkomt en met de wind mee wordt verspreid. De kans op een dergelijk ongeval is bijzonder klein. De gevolgen voor personen zijn afhankelijk van de concentratie en blootstellingstijd aan de stof. Mogelijkheden tot bestrijdbaarheid van een calamiteit Bij het scenario toxische wolk zal de brandweer proberen de toxische wolk neer te slaan. Bij een snelle verspreiding van de toxische wolk zal dit echter beperkt effect hebben. De bestrijdbaarheid wordt om deze reden als matig beoordeeld. De mogelijkheden tot zelfredzaamheid Zelfredzaamheid is het zichzelf kunnen onttrekken aan een dreigend gevaar. Het zelfredzame vermogen van personen is een belangrijke voorwaarde om grote aantallen slachtoffers bij een incident te voorkomen. De mogelijkheden voor zelfredzaamheid bestaan globaal uit schuilen binnen bebouwing en ontvluchten van het plangebied. Mogelijkheden zelfredzaamheid De mogelijkheden ten aanzien van de zelfredzaamheid zijn goed.

Er worden geen niet- of verminderd zelfredzame mensen in het plangebied gehuisvest. De aanwezigen zijn normaal gesproken in staat om zelfstandig, conform instructies bijvoorbeeld via NL-Alert te reageren. Het aantal mensen in het plangebied is beperkt. Is het gebied voldoende ingericht om de zelfredzaamheid te kunnen faciliteren? Behalve de vraag of zelfredding mogelijk is, zijn de fysieke eigenschappen van gebouwen en omgeving van invloed op de vraag of die zelfredding optimaal kan plaatsvinden. Vanuit de hierboven geschetste mogelijkheden is het dus van belang, dat (in) het plangebied:  goed te alarmeren is.  goed te schuilen is.  goed te ontvluchten is. Alarmering In geval van een calamiteit zal NL-Alert worden ingezet. NL-Alert is een aanvullend alarmmiddel van de overheid voor de mobiele telefoon. Met NL-Alert kan de overheid mensen in de directe omgeving van een noodsituatie met een tekstbericht informeren. In het bericht staat specifiek wat er aan de hand is en wat je op dat moment het beste kunt doen. Schuilmogelijkheden Schuilen in de afgesloten bebouwing zal in beginsel de beste manier zijn om de calamiteit met het scenario toxische wolk te overleven. Schuilen voor een toxische wolk is mogelijk binnen de bebouwing op de planlocatie. Om veilig schuilen binnen de bebouwing mogelijk te maken, dient de bebouwing aan bepaalde veiligheidseisen te voldoen.

Als gevolg van energieprestatie-eisen zijn nieuwe woningen goed geïsoleerd en bieden daarom een goede bescherming. Eventuele aanwezige ventilatieopeningen moeten afgesloten kunnen worden.

Hoofdstuk 4

32

Vluchtmogelijkheden Mocht vluchten noodzakelijk zijn, dan is het plangebied naar meerdere zijden te ontvluchten. Ontvluchten kan in alle gevallen van de risicobron af. Conclusie Er bestaat vanuit extern veiligheidsoogpunt geen bezwaar tegen de gewenste ontwikkeling. Er is geen reden voor nader advies. De Veiligheidsregio Brabant Noord ziet geen reden tot het geven van een nader advies ten aanzien van de zelfredzaamheid van personen binnen het plangebied en de bestrijdbaarheid van een ramp op de wegen. Verder is het plangebied niet gelegen binnen het invloedsgebied van een spoorlijn of waterweg. Ten zuiden van het plangebied lopen op circa 215 meter afstand de transportwegen Bikkelkampen en Eversestraat. Over deze wegen vindt transport van gevaarlijke stoffen plaats. Omdat het plangebied niet binnen 200 meter van de transportroutes ligt, kan worden volstaan met een beperkte verantwoording voor het scenario BLEVE. In samenwerking met de Veiligheidsregio Brabant-Noord is een standaard verantwoording groepsrisico (beperkt) BLEVE opgesteld. Deze volgt hieronder.

Verantwoording groepsrisico (beperkt) BLEVE Vanwege de ligging van de planlocatie in het invloedsgebied van een risicobron waarvan een BLEVE ( "boiling liquid expanding vapour explosion" (kokendevloeistof-gasexpansie-explosie)) het maatgevende scenario is, dient een beperkte verantwoording van het groepsrisico plaats te vinden. Hierbij is de Veiligheidsregio om advies gevraagd. Het advies is verwerkt in de verantwoording. Scenario(‘s) Een BLEVE wordt veroorzaakt doordat een aanwezige brand de druk in de tank doet oplopen. Hierdoor verzwakt en bezwijkt de tank. Propaan komt vrij en ontsteekt. Er ontstaat een vuurbal en een drukgolf. Het plangebied ligt op circa 215 meter. Het invloedsgebied strekt zich uit tot 355 meter voor GF3. De ernst van de effecten van een BLEVE nemen bij een afstand van >200 meter sterk af en blijven beperkt tot herstelbare schade en niet levensbedreigende verwondingen. Vanwege deze reden kan volstaan worden met deze standaard verantwoording van het groepsrisico. Mogelijkheden tot bestrijdbaarheid van een calamiteit De bestrijdbaarheid van een BLEVE is matig. Propaan wordt vervoerd in niet- geïsoleerde tankwagens. Als gevolg van externe hittestraling kan deze na ca.12 minuten ontploffen. De brandweer zal om deze reden defensief optreden en zich richten op het ontruimen van de omgeving. De bestrijdbaarheid wordt om deze reden als slecht beoordeeld.

De mogelijkheden tot zelfredzaamheid Zelfredzaamheid is het zichzelf kunnen onttrekken aan een dreigend gevaar. Het zelfredzame vermogen van personen is een belangrijke voorwaarde om grote aantallen slachtoffers bij een incident te voorkomen. De mogelijkheden voor zelfredzaamheid bestaan globaal uit schuilen binnen bebouwing en ontvluchten van het plangebied. Mogelijkheden zelfredzaamheid Voor de scenario BLEVE is vluchten het beste handelingsperspectief. Dit betekent dat aanwezigen op tijd gealarmeerd en geïnstrueerd moeten worden en er voldoende vluchtwegen van de risicobron aflopend aanwezig moeten zijn. Nabij het plangebied kan van de risicobron af gevlucht worden.

Hoofdstuk 4

33

De mogelijkheden ten aanzien van de zelfredzaamheid zijn goed. Er worden geen niet- of verminderd zelfredzame mensen in het plangebied gehuisvest. De aanwezigen zijn normaal gesproken in staat om zelfstandig conform instructies bijvoorbeeld via NL-Alert te reageren. Het aantal mensen in het plangebied is beperkt. Conclusie De Veiligheidsregio adviseert om de volgende maatregelen te nemen om de bestrijdbaarheid en zelfredzaamheid in het plangebied te verhogen. Informeer de initiatiefnemers c.q. de toekomstige bewoners actief over het aanwezige risico en handelingsperspectief. Deze informatie kan worden meegenomen in het besluit om zich op deze locatie te vestigen. Hiermee wordt in optimale vorm invulling gegeven aan het risicobewustzijn van en het nemen van een eigen verantwoordelijkheid door de burger. Deze informatie zorgt er ook voor dat de bewoners op het moment dat een incident plaats vindt direct weten hoe te handelen, dit heeft een positieve invloed op de mate van zelfredzaamheid. Beknopte verantwoording groepsrisico Groepsrisico Vanwege de ligging en de omvang van de ontwikkeling zal een toename van personendichtheden niet significant doorwerken in de rekenkundige hoogte van het groepsrisico. Het betreft de sloop en ongeveer even groot herbouw van een woonboerderij met bijgebouwen. Er zal hiermee geen toename in personendichtheid plaatsvinden.

Bestrijdbaarheid In geval van een calamiteit zal de brandweer ingezet worden aan de bron ter beperking van de effecten van de calamiteit. De locatie is daarnaast via verschillende wegen te bereiken en is goed ontsloten. Het bestrijdbaarheidsvraagstuk in relatie tot de ontwikkeling op deze grote afstand van de risicobron wordt niet verder beschouwd. Zelfredzaamheid Blootstelling aan een toxisch gas en vloeistof is het bepalende scenario. In geval van een calamiteit dienen personen te schuilen. De mate waarin deze bouwwerken afsluitbaar zijn tegen de indringing van toxisch gas of vloeistof en de tijdsduur dat deze bouwwerken worden blootgesteld zijn hierbij parameters. Het bouwwerk is goed geïsoleerd, waardoor het een goede bescherming bieden tegen het binnendringen van het toxisch gas. Verder dient in geval van een calamiteit tijdig gewaarschuwd te worden De Veiligheidsregio wordt om advies gevraagd. Er zal worden gehandeld naar eventuele beschreven maatregelen of adviezen van de Veiligheidsregio. Het bestemmingsplan voldoet aan de grenswaarde voor het plaatsgebonden risico. Uit het voorgaande blijkt dat het aspect externe veiligheid geen belemmering vormt voor onderhavige ontwikkeling.

Hoofdstuk 4

34

4.6 Volksgezondheid in relatie tot veehouderijen Er bestaat geen landelijk geldend toetsingskader voor het beoordelen van het aspect volksgezondheid in relatie tot veehouderijen. In de meeste gevallen wordt gebruik gemaakt van de ‘Handreiking veehouderij en volksgezondheid 2.0’ van het Bestuurlijk Platform Omgevingsrecht d.d. 30 april 2018. Die handreiking bevat een stappenplan waarmee beoordeeld kan worden of volksgezondheid in relatie tot veehouderijen een dusdanig knelpunt vormt, waardoor advies bij de GGD moet worden opgevraagd. Hieronder wordt het plan beoordeeld aan de hand van bovengenoemd stappenplan. Voor het gehele rapport wordt verwezen naar de bijlage. Stap 1. Endotoxine Op basis van het endotoxine toetsingskader 1.0 kunnen voor de diercategorieën vleeskuikens, leghennen en varkens de aan te houden afstanden worden bepaald op basis van de totale jaarlijkse fijnstofemissie. Door deze afstanden aan te houden wordt een te hoge blootstelling aan endotoxine voorkomen. Ten aanzien van de beoogde woning zijn van belang:  de varkenshouderij aan Lieshoutsedijk 9a met een fijnstofemissie van 368,773 kg/jr, waarmee sprake is van een endotoxine-afstand van 123 meter;  de pluimveehouderij aan Zijtaartseweg 17 met een fijnstofemissie van 1.245,680 kg/jr, waarmee sprake is van een endotoxine-afstand van 134 meter.

De afstand tussen de beoogde woning en het dichtstbijzijnde emissiepunt van de veehouderij aan Lieshoutsedijk 9Aa bedraagt 126 meter. Er wordt voldaan aan de endotoxineafstand. Het bouwvlak van de veehouderij aan Zijtaartseweg 17 ligt op 209 meter van de beoogde woning. Ook voor deze veehouderij wordt voldaan aan de endotoxine-afstand. Stap 2. Emissies Onderzocht moet worden of de ontwikkeling leidt tot een toename in de emissie voor geur en/of fijnstof en/of ammoniak. Een toename van geur, fijnstof en/of ammoniak (via vorming van secundair fijnstof) kan mogelijk leiden tot een negatief effect op de volksgezondheid. Het plan leidt niet tot een relevante toename van geur-, ammoniak- en fijnstofemissies. Plangebieden met woningbouw tot 1.500 woningen per ontsluitingsweg zijn conform de Regeling niet in betekenende mate (NIBM) niet van invloed op de luchtkwaliteit (fijn stof in dit geval). Daarnaast blijkt uit de kaarten bij de NSL-monitoringstool dat de luchtkwaliteit ter plaatse van het plangebied aanvaardbaar is. Stap 2 vormt geen knelpunt. Stap 3a. Geur, milieukundige advieswaarden Onderzocht moet worden of sprake is van een aanvaardbaar woon- en leefklimaat aan de hand van de milieukundige advieswaarden.

Daarnaast moet onderzocht worden of voldaan wordt aan de afstandseis van 100 meter tussen een veehouderij en een geurgevoelig object binnen de bebouwde kom en 50 meter tussen een veehouderij en een geurgevoelig object buiten de bebouwde kom.

Hoofdstuk 4

35

Het plangebied betreft geen bebouwde kom. Uit het ‘Onderzoek geurhinder veehouderijen Lieshoutsedijk 11-11A Sint-Oedenrode’ d.d. 2 november 2023 met het kenmerk 20221390.v02’ blijkt dat de voorgrondbelasting ter plaatse van de beoogde woning maximaal 13,7 ouE/m3 bedraagt en de achtergrondbelasting maximaal 16,3 ouE/m3 bedraagt. Er wordt niet aan de milieukundige advieswaarden voor de voor- en achtergrondbelasting voldaan. Echter, het aantal woningen neemt niet toe, omdat het gaat om een verplaatsing van de woning. Het bevoegd gezag beslist of sprake is van een aanvaardbare gezondheidssituatie. Stap 3b. Geur, gezondheidskundige advieswaarden Onderzocht moet worden of sprake is van een aanvaardbaar woon- en leefklimaat aan de hand van de gezondheidskundige advieswaarden. Daarnaast moet onderzocht worden of voldaan wordt aan de afstandseis van 100 meter tussen een veehouderij en een geurgevoelig object binnen de bebouwde kom of buiten de bebouwde kom. Het plangebied betreft geen bebouwde kom. Uit het ‘Onderzoek geurhinder veehouderijen Lieshoutsedijk 11-11A Sint-Oedenrode’ d.d. 2 november 2023 met het kenmerk 20221390.v02’ blijkt dat de voorgrondbelasting ter plaatse van de beoogde woning maximaal 13,7 ouE/m3 bedraagt en de achtergrondbelasting maximaal 16,3 ouE/m3 bedraagt. Er wordt niet aan de gezondheidskundige advieswaarden voor de voor- en achtergrondbelasting voldaan.

Echter, het aantal woningen neemt niet toe, omdat het gaat om een verplaatsing van de woning. Het bevoegd gezag beslist of sprake is van een aanvaardbare gezondheidssituatie. Stap 4. Meerdere diersoorten Onderzocht moet worden of er veehouderijen van invloed zijn waar meerdere diersoorten worden gehouden, namelijk a) varkens en pluimvee; of b) rundvee en kleine herkauwers (schapen/geiten); of c) kleine herkauwers onderling Ook moet onderzocht worden of er varkenshouderijen en pluimveehouderijen op een afstand van maximaal 100 meter van elkaar liggen en van invloed zijn op het plangebied. In de directe omgeving van het plangebied liggen geen veehouderijen met verschillende diersoorten op korte onderlinge afstand van elkaar en op korte afstand van het plangebied. Stap 4 vormt geen knelpunt. Stap 5. Afstanden Onderzocht moet worden of: a. geitenhouderijen binnen 2 km van geurgevoelige objecten zijn gelegen; b. pluimveebedrijven binnen 500 meter van geurgevoelige objecten zijn gelegen; c. overige veehouderijen binnen 250 m van geurgevoelige objecten in een bebouwde kom zijn gelegen. Er liggen geen relevante geitenhouderijen binnen 2 km van het plangebied. Wel liggen pluimveehouderijen binnen 1 km van het plangebied. Dit betreft de pluimveehouderijen aan de Bikkelkampen 3, (vleeskuikens), en Zijtaartseweg 17 (leghennen).

De locatie is wel gelegen binnen een afstand van 250 meter van overige veehouderijen: Lieshoutsedijk 13 (paardenhouderij) en Eversestraat 57 (melkveehouderij). Echter wordt ten aanzien van geur en endotoxine ten aanzien van deze pluimveehouderijen aan de grenswaarden voldaan. Het bevoegd gezag is van oordeel; dat sprake is van een aanvaardbare gezondheidssituatie.

Hoofdstuk 4

36

Stap 6. Mestbe- of verwerking Onderzocht moet worden of in de directe omgeving sprake is van mestbe- of verwerking als zelfstandige activiteit of als nevenactiviteit. In de directe omgeving van het plangebied zijn geen bedrijven waarbij sprake is van mestbe- of -verwerking. Stap 7. Ongerustheid omwonenden In stap 7 van het stappenplan uit de Handreiking veehouderij en volksgezondheid 2.0 wordt ingegaan op ongerustheid bij omwonenden. Mocht sprake zijn van ongerustheid bij omwonenden (of toekomstige bewoners) dan kan dat een aanleiding zijn om advies in te winnen bij de GGD. Conclusie Uit het onderzoek blijkt dat niet wordt voldaan aan elke stap uit het stappenplan uit de ‘Handreiking veehouderij en volksgezondheid 2.0’. Uit de beperkte toetsing op afstanden blijkt dat de stappen 5b en 5c leiden tot de conclusie dat advies dient te worden opgevraagd bij de GGD. De gemeente moet een zorgvuldige afweging maken of sprake is van een aanvaardbaar volksgezondheidsrisico. In dit geval speelt mee dat de locatie reeds bewoond is en dat er uitsluitend sprake is van een wijziging van wonen in een bedrijfswoning naar wonen in een te herbouwen burgerwoning. Het aantal personen dat blootgesteld wordt aan de geconstateerde gezondheidsaandachtspunten wijzigt niet. Hiermee acht de gemeente een nader advies van de GGD niet noodzakelijk.

4.7 Ecologie De bescherming van de natuur is per 1 januari 2017 in Nederland vastgelegd in de Wet natuurbescherming (Wnb). Deze wet vormt voor wat betreft soortenbescherming en gebiedsbescherming een uitwerking van de Europese Vogelrichtlijn en Habitatrichtlijn. Omtrent houtopstanden is de voormalige nationale Boswet eveneens in de Wet natuurbescherming opgenomen. Daarnaast vindt beleidsmatige gebiedsbescherming plaats door middel van het Natuurnetwerk Nederland (NNN), de voormalige Ecologische Hoofdstructuur (EHS). Gebiedsbescherming Wettelijke gebiedsbescherming De Wet natuurbescherming, heeft voor wat betreft gebiedsbescherming, betrekking op de Europees beschermde Natura 2000-gebieden. De Vogelrichtlijn- en Habitatrichtlijngebieden worden in Nederland gecombineerd als Natura 2000-gebieden aangewezen. Als er naar aanleiding van projecten, plannen en activiteiten mogelijkerwijs significante effecten optreden, dienen deze vooraf in kaart gebracht en beoordeeld te worden. Projecten, plannen en activiteiten die mogelijk een negatief effect hebben op de beschermde natuur in een Natura 2000-gebied zijn vergunningsplichtig. Toetsing wettelijk gebiedsbescherming Het plangebied is niet gelegen binnen de grenzen van een gebied dat aangewezen is als Natura 2000-gebied.

De meest dichtgelegen Natura 2000 gebieden zijn: Kampina en Oistewijkse vennen (ligging op circa 14 km), Strabrechtse heide en Beuven (ligging op circa 19 km) en Loonse en Drunense duinen & Leemkuilen (ligging op circa 21 km). Indien er sprake zou zijn van een effect, betreft dit een extern effect als gevolg van storingsfactoren als toename van geluid, licht of depositie van stikstof.

Hoofdstuk 4

37

Mede gezien de afstand tot het plangebied zijn externe effecten als gevolg van aspecten als licht, geluid en trillingen uitgesloten. Daar de voorgenomen ontwikkeling de realisatie van een woning betreft, is een toename aan stikstofuitstoot in de bouwfase te verwachten. Aangezien de voorgenomen ontwikkeling de sloop en bouw van een woningen betreft, kan een significante toename aan stikstofdepositie tijdens de bouwfase op omliggende Natura 2000-gebieden vanwege het planvoornemen niet op voorhand worden uitgesloten. Derhalve is er een stikstofdepositieberekening uitgevoerd. Zie voor de volledige Aerius berekening de bijlage. Uit de uitgevoerde Aerius berekeningen blijkt dat bij de bouwfase geen rekenresultaten hoger zijn dan 0,00 mol/ha/j. Daarmee kunnen op voorhand negatieve effecten op Natura 2000-gebieden vanwege stikstofdepositie uitgesloten worden. Omdat significant negatieve gevolgen zijn uitgesloten, hoeft voor de ontwikkeling geen passende beoordeling opgesteld te worden. Omdat er van het project geen significant negatieve gevolgen te verwachten zijn, geldt ook geen vergunningplicht van de Wet natuurbescherming.

Gebiedsbescherming vanuit provinciaal beleid Conform artikel 1.12 van de Wet natuurbescherming dragen Gedeputeerde Staten in hun provincie zorg voor de totstandkoming en instandhouding van een samenhangend landelijk ecologisch netwerk, genaamd ‘Natuurnetwerk Nederland’. Zij wijzen daartoe in hun provincie gebieden aan die tot dit netwerk behoren. Het Natuurnetwerk Nederland (NNN, voorheen Ecologische Hoofdstructuur (EHS)) is een samenhangend netwerk van bestaande en te ontwikkelen natuurgebieden. De planologische begrenzing en beschermingsregimes van het Natuurnetwerk loopt via het traject van de provinciale ruimtelijke structuurvisies en verordeningen. Binnen de provincie Noord-Brabant bestaat het NNN uit het Natuurnetwerk Brabant (NNB) en Ecologische Verbindingszones (EVZ). Daarnaast wordt ook de groenblauwe mantel beleidsmatig beschermd. Het netwerk wordt gevormd door kerngebieden, natuurontwikkelingsgebieden en ecologische verbindingszones met als doel natuurgebieden beter met elkaar en met het omringende agrarisch gebied te verbinden. Activiteiten in deze gebieden zijn alleen toegestaan als ze geen negatieve effecten hebben op de wezenlijke kenmerken of waarden of als deze kunnen worden tegengegaan met mitigerende maatregelen. Toetsing gebiedsbescherming vanuit provinciaal beleid Het plangebied is niet gelegen binnen het NNB.

Gezien de aard van de voorgenomen plannen zullen de omgevingscondities redelijkerwijs gelijk blijven, waardoor de wezenlijke kenmerken en waarden van het NNB niet worden aangetast. Vervolgonderzoek in het kader van het NNB wordt dan ook niet noodzakelijk geacht. Beschermde houtopstanden Wanneer houtopstanden worden geveld, niet vallende onder artikel 4.1 van de Wet natuurbescherming, geldt een meldingsplicht bij Gedeputeerde Staten van desbetreffende provincie (artikel 4.2 Wnb). Indien er geen bezwaar is om de houtopstanden te kappen, verplicht artikel 4.2 van de Wet natuurbescherming om binnen 3 jaar na het vellen of tenietgaan van de houtopstand op dezelfde grond houtopstanden opnieuw aan te planten. Er geldt een algehele vrijstelling van de herplantplicht voor houtopstanden die gekapt worden in het kader van natuurbeheer en natuurbehoud. Daar alle bomen binnen voorgenomen plannen behouden blijven is toetsing aan het onderdeel houtopstanden conform de Wet natuurbescherming bij dit plan niet aan de orde.

Hoofdstuk 4

38

Soortenbescherming Er is door RKS Advies een ecologische onderzoek uitgevoerd voor het plangebied. In deze toelichting worden de belangrijkste conclusies vermeld, voor het gehele onderzoek wordt verwezen naar de bijlagen. Grondgebonden zoogdieren: Er zijn op de projectlocatie geen rust- en voortplantingsplaatsen van beschermde grondgebonden zoogdieren aangetroffen. Een aanvullend onderzoek is niet noodzakelijk. Vleermuizen: Er zijn geen vaste- en/of tijdelijke voortplantingsplaatsen van de vleermuis aangetroffen. Een aanvullend onderzoek in het kader van de soortenbescherming binnen de Wet natuurbescherming is niet noodzakelijk. Vogels: Er zijn geen vaste rust- en voortplantingsplaatsen van vogels aangetroffen op de projectlocatie. Door de voorgenomen activiteiten worden geen nesten beschadigd. Een aanvullen onderzoek is niet noodzakelijk. Reptielen, amfibieën en vissen: Er zijn geen reptielen, amfibieën en vissen waargenomen. De instandhoudingsdoelen komen niet in het gedrang. Een aanvullen onderzoek is niet noodzakelijk. Overige soortgroepen: (libellen, insecten, vlinders) Er zijn geen kenmerkende deelleefgebieden voor deze soortgroep aangetroffen derhalve is een aanvullend onderzoek niet noodzakelijk. Flora: Er is geen bijzondere flora aangetroffen op de projectlocatie en de directe omgeving hiervan. Een aanvullend onderzoek is niet noodzakelijk.

Toetsing soortenbescherming Uit de QuickScan is naar voren gekomen dat bij de uitvoering van de in de inleiding omschreven voorgenomen activiteiten geen onevenredig negatief effect uitgeoefend wordt op de in de zoals in de Wet natuurbescherming omschreven beschermde Flora en Fauna op de projectlocatie en directe omgeving. In en rondom de woning, de woonboerderij en het bijgebouw zijn geen vaste rust- en voortplantingsplaatsen aangetroffen. Het bijgebouw dient bij voorkeur te worden gesloopt buiten het broedseizoen. Er behoeft geen aanvullend onderzoek uitgevoerd te worden. Een ontheffing noodzakelijk bij een negatief effect op beschermde soorten is niet noodzakelijk. Incidenteel kunnen de voorgenomen activiteiten een negatief effect hebben op algemene soorten. Van toepassing hierop is een provinciale vrijstelling op basis van de Verordening natuurbescherming voor ruimtelijke ontwikkeling. Plaatselijk kunnen deze aanwezige algemene soorten de projectlocatie verlaten en eventueel tijdelijk een vervangend deelleefgebied opzoeken. De algemene Zorgplicht opgenomen in de Wet natuurbescherming blijft onverminderd van toepassing.

Hoofdstuk 4

39

4.8 Bodem In het Besluit ruimtelijke ordening (artikel 3.1.6 lid 1 onder d) is bepaald dat voor de uitvoerbaarheid van een plan rekening gehouden moet worden met de bodemgesteldheid in het plangebied. Bij functiewijzigingen dient te worden bepaald of de bodemkwaliteit voldoende is voor de beoogde functie en moet worden bepaald of nader onderzoek en eventueel saneringen noodzakelijk zijn. In de Wet bodembescherming is bepaald dat indien de desbetreffende bodemkwaliteit niet voldoet aan de norm voor de beoogde functie, de grond zodanig dient te worden gesaneerd dat zij kan worden gebruikt door de desbetreffende functie (functiegericht saneren). Nieuwe bestemmingen dienen bij voorkeur op schone grond te worden gerealiseerd. Doorwerking plangebied Er is door Milon een verkennend bodemonderzoek uitgevoerd voor het plangebied. In deze toelichting worden de belangrijkste conclusies vermeld, voor het gehele onderzoek wordt verwezen naar de bijlagen Het onderzoek is uitgevoerd volgens de Nederlandse Normen NEN 5725 en NEN 5740. Op basis van het vooronderzoek is de hypothese dat op de locatie geen bodemverontreiniging aanwezig is. Ter plaatse van één boring is een betonverharding van circa 0,10 meter aanwezig. Hieronder is een laag volledig betongranulaat aanwezig. De dikte van deze verharding bedraagt 0,10 meter.

Het betongranulaat is beoordeeld als niet asbestverdacht op basis van het soort bijmenging en het zeer plaatselijk voorkomen. Specifiek wordt vermeld dat geen asbestverdacht materiaal is aangetroffen. Verder is plaatselijk een klinkerverharding aanwezig en is siergrind en split aangetroffen. De bovengrond bestaat overwegend uit zwak siltig, zwak humeus, matig fijn zand. De ondergrond bestaat overwegend uit zwak siltig, matig fijn zand. Zintuiglijk is in de bovengrond van boringen 3 en 7 een beperkte bijmenging van respectievelijk betonresten en baksteen waargenomen. Op basis van het soort bijmenging en het voorkomen zonder een duidelijke kern of bron is de bodem beoordeeld als niet verdacht op het voorkomen van asbestverontreiniging als gevolg van de bodemvreemde bijmengingen. Specifiek wordt vermeld dat geen asbestverdacht materiaal is aangetroffen. Verder zijn er geen bodemvreemde bijmengingen waargenomen of waarnemingen gedaan die kunnen duiden op een bodemverontreiniging. Uit de toetsing van de analyseresultaten blijkt dat slechts zeer licht verhoogde gehalten PAK in de grond en zeer licht verhoogde concentraties xylenen en naftaleen in het grondwater aanwezig zijn. Getoetst aan het Besluit bodemkwaliteit is de grond beoordeeld als ‘Altijd toepasbaar’. Het onderzoek heeft geleid tot een goed beeld van de bodemkwaliteit ter plaatse van de onderzoekslocatie.

Ter plaatse zijn ten hoogste licht verhoogde gehaltes of concentraties aangetoond. Vervolgonderzoek wordt niet zinvol geacht. Op basis van de vastgestelde milieuhygiënische bodemkwaliteit wordt geacht dat geen belemmeringen aanwezig zijn voor het huidige gebruik van de locatie en de voorgenomen herinrichting van de locatie.

Hoofdstuk 4

40

4.9 Kabels en leidingen In het plangebied zijn geen kabels of leidingen gelegen die zorgen voor een belemmering van het initiatief. Er zijn voor zover bekend ook geen kabels en leidingen in het plangebied gelegen die een beschermingszone vereisen en die in dit bestemmingsplan geregeld moet worden. Wanneer graafwerkzaamheden worden uitgevoerd zal een klic-melding worden aangevraagd om ervoor te zorgen dat geen kabels worden beschadigd.

4.10 Water Op grond van het Besluit ruimtelijke ordening (artikel 3.1.6 lid 1 onder b van het Bro) dient inzicht te worden gegeven in de gevolgen voor de waterhuishouding die samenhangen met de ruimtelijke ontwikkeling die mogelijk wordt gemaakt. Het waterbeleid in Nederland wordt van Europees niveau in onder andere de Europese Kaderrichtlijn Water (22 december 2004) vertaald via rijks-, provinciaal, waterschaps- naar gemeentelijk beleid om zo samen de waterproblematiek in Nederland aan te pakken. Dit resulteert in de verplichting een watertoets uit te (laten) voeren en door samenwerking met de verschillende bevoegdheden te komen tot een duurzaam watersysteem. Provinciaal beleid In het Regionaal Water en Bodemprogramma (RWP) van de provincie Noord-Brabant op 22 december 2021 in werking getreden. Doel van dit nieuwe RWP is een klimaatadaptief Brabant met veilig, schoon en voldoende water en een vitale bodem. Deze opgaven zijn ook van belang voor vrijwel alle andere provinciale opgaven: wonen en werken, infrastructuur en mobiliteit, landbouw en voedsel, natuur en biodiversiteit, erfgoed, een concurrerende en duurzame economie, en de energietransitie. In aansluiting is een Omgevingsvisie vastgesteld waarbij in de Interim Omgevingsverordening (IOV) al veel wijzigingen doorgevoerd zijn.

Vanwege het uitstel van de inwerkingtreding van de Omgevingswet en daarmee ook de Omgevingsverordening, zijn een aantal urgente onderwerpen alvast verwerkt in de Interim Omgevingsverordening. De definitieve verordening wordt tegelijk met de Omgevingswet van kracht. Beleidskader Het plangebied valt onder het beheer van Waterschap De Dommel. De doelen van het waterschap voor de periode van 2022 tot 2027 staan beschreven in het waterbeheerprogramma ‘Water als basis voor een toekomstbestendige leefomgeving’ en zijn gericht op een veilig en bewoonbaar beheergebied met voldoende, schoon, natuurlijk en recreatief water. In het plan voor de komende jaren kiest het waterschap voor een aanzienlijke wijziging en aanscherping van de doelstellingen om de watertransitie mogelijk te maken. Dit heeft ook gevolgen voor gemeentelijke ruimtelijke plannen. In 2050 wil De Dommel een leefomgeving die klaar is voor de toekomst en een watersysteem dat daarbij past. Dat laatste wil zeggen: een waterhuishouding die robuust, flexibel en in balans is met de natuur en de omgeving, én zorgt voor een goede waterkwaliteit. Voor deze watertransitie worden drie principes gehanteerd die inhoudelijke sturing geven:  Elke druppel vasthouden en infiltreren waar deze valt.  Functies passen zich aan het bodem- en watersysteem aan.  Wat schoon is moet schoon blijven.

Hoofdstuk 4

41

Deze programma’s zijn verder uitgewerkt in het WBP naar concrete doelstellingen. Deze doelstellingen vinden onder andere een doorwerking in de beschikbare instrumenten van het waterschap; Keur, legger, communicatie en stimuleringsmiddelen. De Keur is een waterschapsverordening en omvat samen met de Waterwet alle gebods- en verbodsbepalingen met betrekking tot ingrepen of activiteiten die consequenties hebben voor de waterkwantiteit, waterkwaliteit en waterveiligheid. De Keur is verder uitgewerkt in beleids- en algemene regels. De Keur verwijst in de gebods- en verbodsbepalingen tevens naar de legger. De legger legt de status en afmetingen behorende bij de regels van de Keur vast in een overzichtskaart van het waterbeheersgebied. Op deze kaart zijn onder andere dijken, waterlopen en bijbehorende beschermingszones aangegeven. Iedereen die werkzaamheden uitvoert of activiteiten plant in en om waterlopen of dijken, heeft met de Keur te maken en moet afhankelijk van de werkzaamheden of activiteiten een vergunning aanvragen. De gemeente Meierijstad heeft een Programma Water en Riolering voor de periode 2022-2026, waarin het beleid ten aanzien van vuil-, grond- en hemelwater is vastgelegd. Dit is grotendeels overeenkomstig met het beleid van het waterschap.

De gemeente Meierijstad heeft aanvullend beleid vastgesteld in de Verordening fysieke leefomgeving Meierijstad voor een klimaatbestendig en aantrekkelijkere gemeente. Het doel van de regels in dit hoofdstuk is het tegen gaan van de verdroging en het ontlasten van riolering en rioolwaterzuiveringsinstallaties. Daartoe worden regels gesteld om de opvang van regenwater op eigen terrein te bevorderen en het lozen van hemel- en grondwater op de openbare riolering te voorkomen. Bij ruimtelijke ontwikkelingen, waaronder ver- en nieuwbouwplannen, worden een aantal uitgangspunten gehanteerd ten aanzien van het duurzaam omgaan met water, die van belang zijn als vertrekpunt bij het overleg tussen initiatiefnemer en de waterbeheerders. Inrichtingen van waterhuishoudingen voor nieuw(her/ver)bouwplannen worden door het bevoegd gezag getoetst en gekeurd. De 'watertoets' is een instrument dat waterhuishoudkundige belangen op een evenwichtige wijze laat meewegen bij het opstellen van ruimtelijke plannen en besluiten. Doorwerking plangebied Er is door Aeres Milieu een onderbouwing van het wateraspect opgesteld voor de voorgenomen herontwikkeling van een perceel aan de Lieshoutsedijk 11 te Sint-Oedenrode. Hieronder worden de belangrijkste conclusies beschreven. Voor het gehele rapportage zie de bijlagen.

Op basis van de verwachte bodemopbouw zal er een matig tot goede doorlatendheid aanwezig zijn in de toplaag. Verticale infiltratie in de diepere ondergrond wordt belemmerd door het verwachte lemige laagpakket van Liempde op ca. 2,8 m-mv. Op basis van de gekende grondwatergegevens is de GHG westelijk/centraal op 0,95-1,1 m-mv. te verwachten en oostelijk op ca. 0,7 m-mv. De GLG is op ca. 1,8-2 m-mv te verwachten overeenkomend met een grondwaterstand van ca. 10-11 m +NAP. Uitgangspunt is hydrologisch neutraal bouwen, waarbij de huidige grondwaterstanden en het oppervlaktewatersysteem in het gebied worden gehandhaafd. Door bij de nieuwbouw een vloerpeil zoals bestaand aan te houden van ca. 12,3 m +NAP is geen grondwateroverlast of instroming van hemelwater te verwachten. Hierbij wordt net als bestaand voldaan aan de geadviseerde ontwateringsdiepte. Binnen het plangebied bevindt zich geen oppervlaktewater maar wel direct aangrenzend aan het plangebied. De bestaande bebouwing is reeds afgekoppeld door de ligging in het buitengebied. Het afvalwater is onder vrij verval aangesloten op het gemeentelijk drukrioolstelsel onder de Lieshoutsedijk.

Hoofdstuk 4

42

Door de nieuwbouwontwikkeling zal de hoeveelheid afvalwater niet toenemen. Bij een wijziging aan de rioolaansluiting dient een gewijzigde rioolaansluiting bij de gemeente aangevraagd te worden. Bij een herontwikkeling met nieuwbouw dient het hemelwater geheel op eigen perceel verwerkt te worden. Gezien de bestaande situatie is sprake van een lichte verhardingstoename. Het lokaal verwerken van neerslag levert een positieve hydrologische bijdrage, mits de juiste milieuhygiënische maatregelen worden getroffen . Door de voorgenomen woningbouw met bijgebouw is geen verontreiniging van het hemelwater te verwachten waardoor dit rechtstreeks verwerkt kan worden. Bij een verharding van 500-10.000 m³ is voor het hemelwater de rekenregel van het waterschap van toepassing. Voor de planontwikkeling bedraagt de vereiste hemelwaterberging derhalve (1100 x 60 x ¼=) ca. 16,5 m³. Deze waterhoeveelheid zal ter plaatse verwerkt worden in een poel van ca. 250 m² die oostelijk gepland is. Een poel is water dat niet in verbinding staat met sloten, beken, kanalen en dergelijke. Poelen worden uitsluitend gevoed met regenwater en grondwater. Bij poelen ligt het accent op de ecologische functie. Dergelijke poelen hebben een afmeting van maximaal 5.000 m², gekoppeld aan een diepte die niet dieper is dan de gemiddelde laagste grondwaterstand (GLG) ter plaatse.

Mogelijk is hiervoor een watervergunning benodigd. Daarnaast dient ook alles uitgevoerd te worden volgens de zorgplicht die in artikel 1.3 van de Keur Waterschap De Dommel 2015 staat. Voor de aanleg van een poel is geen vergunning nodig mits voldaan aan de algemene randvoorwaarden. Deze algemene voorwaarden zijn nagevraagd bij waterschap De Dommel. Het is vooralsnog niet bekend hoe diep deze poel uiteindelijk wordt maar als deze watervoerend wordt aangelegd, zal deze minimaal 1,5 meter diep worden. Ter plaatse van de toekomstige poel is het maaiveld ca. 11,7 m +NAP. Met ca. 0,7 meter ruimte boven de verwachte GHG op ca. 11 m +NAP is er afhankelijk van het talud een bergingsruimte ca. 150-175 m³ aanwezig. Dit is ruim voldoende voor de benodigde retentie voor het planvoornemen. Het omliggend terrein dient zo aangelegd te worden dat excessief water oppervlakkig kan afstromen naar de voorziening of aangrenzend oppervlaktewater en niet naar de omliggende percelen. Door rekening te houden met deze punten is door de voorgenomen ontwikkeling geen verhoogd risico op wateroverlast te verwachten en wordt klimaatrobuust ontwikkeld. Conclusie Bij het definitief bouwplan dienen de uiteindelijke afval- en hemelwaterstelsels nader gedimensioneerd en op de definitieve vergunningstekening opgenomen te worden.

Door het voldoende hoog bouwpeil, de aanleg van een gescheiden stelsel, de hemelwatervoorziening voor de nieuwbouw op eigen perceel en rekening te houden met de genoemde aandachtspunten wordt hydrologisch gezien neutraal ontwikkeld en is geen verhoogd risico op wateroverlast te verwachten door de planontwikkeling. Het aspect water vormt geen belemmering voor het planvoornemen.

4.11 Archeologie De bescherming van archeologisch erfgoed in Nederland is vastgelegd in de Erfgoedwet, die op 1 juli 2016 in werking is getreden. De Erfgoedwet is in de plaats gekomen van zes wetten en regelingen op het gebied van cultureel erfgoed, waaronder de Monumentenwet 1988. Onderdelen van de Monumentenwet die van toepassing waren op de fysieke leefomgeving gaan naar de Omgevingswet die in 2024 van kracht wordt. Voor deze onderdelen is daartoe in de Erfgoedwet een overgangsregeling opgenomen.

Hoofdstuk 4

43

De basis van de bescherming van archeologisch erfgoed in de Erfgoedwet is het verdrag van Valletta (ook wel het verdrag van Malta). De bescherming heeft als doel om archeologisch erfgoed zoveel mogelijk in situ, dus in de grond, te behouden. Dankzij het principe van “de verstoorder betaalt” uit het verdrag van Valletta worden meer archeologische resten in situ behouden. Indien ruimtelijke ontwikkelingen plaatsvinden dient te worden beoordeeld of archeologische waarden in het geding raken. Doorwerking plangebied Er is door Aeres Milieu een archeologisch bureau- en verkennend booronderzoek uitgevoerd voor de planontwikkeling. Hieronder worden de belangrijkste conclusies gedeeld. Voor het gehele rapport zie de bijlage. Het plangebied ligt op een overgang van een dekzandrug naar een dekzandvlakte. Het voormalige beekdal van de Dommel ligt op 1,5 kilometer ten zuiden van het plangebied. Er zijn op de dekzandrug dichter bij het beekdal meerdere vondstmeldingen van jager-verzamelaars bekend. Om deze redenen wordt er een middelhoge verwachting toegekend voor vindplaatsen uit het laat-paleolithicum tot en met het mesolithicum. Eventueel aanwezige resten uit de periode laat-paleolithicum en mesolithicum worden onder de verwachte eerdlaag of in de oorspronkelijke bodem verwacht.

De ligging van het plangebied op een overgang van een dekzandrug naar een dekzandvlakte kan voor latere landbouwende samenlevingen ook een aantrekkelijke vestigingslocatie zijn geweest. Vondstlocaties uit deze periodes liggen voornamelijk op de hogere dekzandrug ten zuiden van het plangebied. Toch kan zeker niet uitgesloten worden dat ook de lagere delen in het gebied als vestigingslocatie zijn gekozen. Voor het plangebied geldt daarom een hoge verwachting voor zowel nederzettingsresten uit de periode neolithicum tot en met de vroege middeleeuwen. Het plangebied ligt aan de Lieshoutsedijk 11, ten oosten van het buurtschap Everse. De omgeving van het plangebied was aan het begin van de 19e eeuw onbebouwd en onderdeel van een groter heidegebied. Omstreeks 1870 wordt de huidige woning gebouwd. In de loop van de 20e eeuw worden er meerdere bijgebouwen en stallen gebouwd. Het noordoosten van het plangebied is tot op heden onbebouwd gebleven. Op basis van deze gegevens geldt voor het plangebied een middelhoge verwachting voor de periode late middeleeuwen en nieuwe tijd. Op basis van het uitgevoerd verkennend veldonderzoek middels boringen kan worden gesteld dat in een deel van het plangebied nog een deels intacte natuurlijke bodem aanwezig is.

In het noordoosten van het plangebied en binnen de contouren van de voormalige veestal (gesloopt in 2016) is het archeologisch niveau niet meer intact. Er wordt buiten deze twee zones nog wel een potentieel archeologisch niveau verwacht op een diepte van circa 45 centimeter beneden maaiveld in het westelijk deel van het plangebied en op een diepte van 60 centimeter beneden maaiveld in het oostelijk deel van het plangebied. De toekomstige bodemingrepen beperken zich tot de sloop van de boerderijwoning en de bouw van een nieuwe woning met bijgebouw in het westelijk deel van het plangebied. De geplande graafwerkzaamheden voor een vijver vallen binnen de verstoorde zone van de voormalige veestal. Voor het plangebied wordt om bovenstaande redenen een archeologisch vervolgonderzoek noodzakelijk geacht. Het vervolgonderzoek kan worden beperkt tot het westelijk deel van het plangebied. Hier zullen de toekomstige bodemingrepen het archeologisch niveau zeer waarschijnlijk gaan verstoren. Een eventueel vervolgonderzoek kan in de vorm van een archeologisch proefsleuvenonderzoek

Hoofdstuk 4

44

plaatsvinden. Vooraf aan een dergelijk onderzoek dient er een Programma van Eisen te worden opgesteld en ter goedkeuring aan de bevoegde overheid (gemeente Meierijstad) voor te leggen. De huidige boerderijwoning uit 1870 zal worden gesloopt. De bovengrondse resten hebben mogelijk een beperkte cultuurhistorische waarde. Echter zijn deze waarden niet van dusdanige betekenis dat behoud noodzakelijk is. Gelet op de staat van de bebouwing en het feit dat er vele verbouwingen hebben plaatsgevonden (met name inpandig), ligt sloop in de rede en is in aanvulling op het advies uit het archeologisch onderzoek de afweging gemaakt dat de woning niet meer aan de woonwensen en-kwaliteiten van deze tijd voldoet, waardoor sloop-nieuwbouw de voorkeur verdient. Eventuele ondergrondse resten vallen theoretisch binnen de archeologische reikwijdte. Na de sloop van de boven- en ondergrondse resten kan het archeologisch vervolgonderzoek plaatsvinden. De toekomstige bodemverstoringen in de rest van het plangebied vormen pas een bedreiging voor het potentieel archeologisch niveau als deze dieper reiken dan 60 centimeter beneden maaiveld. Zolang deze hier niet zullen plaatsvinden is het advies om hier een dubbelbestemming archeologie te handhaven met een onderzoeksgrens op 60 centimeter beneden maaiveld.

Selectiebesluit De gemeente heeft op basis van het selectieadvies uit het archeologisch onderzoek een selectiebesluit genomen. Gezien de marginale ligging van het plangebied aan de rand van de Jekschotse heide, maakt dat omstandigheden voor de vestiging van agrarische nederzettingen of afzonderlijke hoeven ongunstig zijn. Ook het landgebruik in de negentiende eeuw wijst op een late ontginning van het gebied voor agrarisch gebruik. De aanwezigheid van resten van jachtkampjes uit de steentijd is voor dit landschapstype niet uitgesloten. Niettemin blijken grote delen van het plangebied vestoord; door ontgronding (noordoostelijk deel), de bouw en sloop van een stallencomplex (oost) en de bouw van een boerderij in 1870 (west). Het deel van het plangebied waarin de oorspronkelijke bodem nog wel voldoende intact is om dergelijke complexen is evenwel dermate gering dat weliswaar resten kunnen worden gevonden, maar de kans op het aantreffen van voldoende complete ensembles gering is. Dus in afwijking van het advies van AERES stelt de gemeente daarom dat geen verder onderzoek nodig is en dat het plangebied kan worden vrijgegeven ten aanzien van archeologie. De archeologische dubbelbestemming uit het vigerende bestemmingsplan komt daarmee te vervallen.

De marginale ligging van het plangebied aan de rand van de Jekschotse heide, maakt dat omstandigheden voor de vestiging van agrarische nederzettingen of afzonderlijke hoeven ongunstig. Ook het landgebruik in de negentiende eeuw wijst op een late ontginning van het gebied voor agrarisch gebruik. De aanwezigheid van resten van jachtkampjes uit de steentijd is voor dit landschapstype niet uitgesloten. Niettemin blijken grote delen van het plangebied vestoord; door ontgronding (noordoostelijk deel), de bouw en sloop van een stallencomplex (oost) en de bouw van een boerderij in 1870 (west). Het deel van het plangebied waarin de oorspronkelijke bodem nog wel voldoende intact is om dergelijke complexen is evenwel dermate gering dat weliswaar resten kunnen worden gevonden, maar de kans op het aantreffen van voldoende complete ensembles gering is. Conclusie Het aspect archeologie vormt geen belemmering voor de planontwikkeling.

Hoofdstuk 4

45

4.12 Cultuurhistorie Op grond van het Besluit ruimtelijke ordening (artikel 3.1.6, tweede lid, onderdeel a Bro) dient in het plan rekening gehouden te worden met cultuurhistorie. Cultuurhistorie heeft onder andere betrekking op de historische stedenbouwkundige en historisch geografische waarden in het gebied. In het plan moet beschreven worden hoe met de in het gebied aanwezige waarden en de aanwezige of te verwachten monumenten wordt omgegaan. Het beleid van de provincie Noord-Brabant sluit aan op het nationale beleid voor de archeologische monumentenzorg. De provincie richt zich op de bescherming van objecten en de bescherming, benutting en ontwikkeling van structuren en ensembles van een grotere schaal. Het plangebied is gelegen in de ‘Meierij’. De Meierij bestaat uit verschillende dekzandruggen, beekdalen en dekzandvlaktes. Over grote oppervlakten ligt Brabants leem in de ondergrond. Aan de noordkant wordt het gebied begrensd door de grote en brede oost-west lopende dekzandrug tussen Oss en Waalwijk. Het water van de beken (Essche Stroom, Beerze, Dommel en Aa) stroomt in de richting van 's-Hertogenbosch, waar een doorgang in de dekzandrug aanwezig is. In het verleden leidde deze situatie hier en daar tot problemen met de waterafvoer, waardoor natte broekgebieden, vennen en kleine veengebieden ontstonden.

De Meierij wordt gekenmerkt door een kleinschalig mozaïek van oude en jonge ontginningslandschappen en woeste gronden. Doorwerking plangebied Onderhavig planvoornemen doet geen afbreuk aan waarden en kenmerken van de omgeving. Binnen de grenzen en in de omgeving van het plangebied zijn geen rijks- of gemeentelijke monumenten aanwezig. De ontwikkelingen van het plangebied doen geen afbreuk aan omliggende cultuurhistorisch en geografisch waardevolle panden en lijnen. De omliggende wegenstructuren worden niet veranderd. Het initiatief heeft geen negatieve effecten op de cultuurhistorie in de omgeving. Het thema cultuurhistorie zorgt niet voor belemmeringen.

4.13 Verkeer en parkeren Het toevoegen of veranderen van een functie heeft in veel gevallen een effect op de parkeervraag en het aantal verkeersbewegingen. Het is daarom van belang om te kijken welke veranderingen op treden en of dit een effect heeft op de parkeervraag en de verkeersgeneratie. De gemeente Meierijstad heeft haar parkeerbeleid geregeld middels het bestemmingsplan ‘Paraplubestemmingsplan parkeren’, vastgesteld op 31 januari 2019. Het 'Paraplubestemmingsplan parkeren' heeft tot doelstelling om voor de bestemmingsplannen van de gemeente Meierijstad, de juridische link te leggen met “geldend parkeerbeleid” waar gemeentelijke parkeernormen onderdeel vanuit maken. Er dient voldoende parkeergelegenheid op eigen terrein of op openbaar gebied aanwezig te zijn of gerealiseerd te worden, dan wel in stand te worden gehouden. Voor het realiseren van voldoende parkeergelegenheid dienen de normen zoals bedoeld in de beleidsregel 'Nota Parkeernormen Meierijstad 2018' als vastgesteld op 18 december 2018, te worden gevolgd.

Hoofdstuk 4

46

Doorwerking plangebied Parkeren In artikel 2, onderdeel a, van het ‘Paraplubestemmingsplan parkeren’ is opgenomen dat wanneer de functie van een bouwperceel veranderd wordt, er voldoende parkeergelegenheid op eigen terrein of op openbaar gebied beschikbaar moet zijn of moet worden gemaakt. In onderdeel b van dit artikel is opgenomen dat hierbij de parkeernormen uit de ‘Nota Parkeernormen Meierijstad 2018’ (vastgesteld op 18 december 2018) dienen te worden gehanteerd. Op grond van de gemeentelijke parkeernormen geldt voor een woning van het type ‘koop/huur, vrijstaand’ die gelegen is op een locatie die aan te merken is als ‘rest bebouwde kom en buitengebied’ een parkeernorm van 2,4 pp/woning. Ten behoeve van de nieuw op te richten woning zullen daarom 3 parkeerplaatsen dienen te worden gerealiseerd. Op eigen terrein is voldoende ruimte beschikbaar om te kunnen voorzien in voldoende parkeergelegenheid. Verkeer Voor de berekening van de verkeersgeneratie kan gebruik gemaakt van de minimale verkeersgeneratie in de publicatie “Toekomstbestendig parkeren - Kencijfers parkeren en verkeersgeneratie” uitgegeven door het CROW (381). Er is geen sprake van een toename in het aantal woningen binnen het projectgebied. Bovendien zal de te herbouwen van dezelfde typologie zijn als de huidige woning. Om die reden is er geen toename in verkeersgeneratie te verwachten.

Door het vervallen van een agrarische bedrijfsbestemming, neemt de te verwachten hoeveelheid verkeer eerder af dan toe. De ontsluitingswijze blijft gelijk aan de huidige situatie. Conclusie Het aspect verkeer en parkeren vormt geen belemmering voor onderhavig planvoornemen.

4.14 Spuitzones gewasbeschermingsmiddelen Hoewel in geen enkele wettelijke regeling in acht te nemen afstanden zijn opgenomen voor spuitzones tussen gevoelige bestemmingen enerzijds en percelen met open teelt waarop gewasbeschermingsmiddelen worden gebruikt anderzijds, dient op basis van het criterium goede ruimtelijke ordening wel te worden beoordeeld of het gebruik van die middelen onaanvaardbare gevolgen heeft voor het woonen leefklimaat. Uit jurisprudentie van de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State volgt als vuistregel dat een afstand van 50 meter tussen het perceel waarop de teelt plaatsvindt en te realiseren nieuwe gevoelige functies zoals woningen kan worden gehanteerd. De afstand tussen onderhavig plangebied en gronden waarop teelt kan plaatsvinden, bedraagt ruim meer dan 50 meter zodat redelijkerwijs kan worden gesteld dat er binnen het plangebied een aanvaardbaar woon- en leefklimaat is gewaarborgd.

4.15 Hoogspanningslijnen In de directe omgeving van het plangebied zijn geen hoogspanningslijnen aanwezig. De dichtstbij gelegen hoogspanningslijn bevindt zich op 1,2 kilometer afstand van het plangebied. Hoogspanningslijnen vormen geen belemmering voor het plan.

Hoofdstuk 4

47

4.16 M.e.r.-beoordeling In een vormvrije m.e.r.-beoordeling moet de gemeente beoordelen of een milieueffectrapport moet worden opgesteld. Een vormvrije m.e.r.-beoordelingsplicht geldt voor activiteiten die zijn opgenomen in het Besluit m.e.r. bijlage D. Voor deze activiteiten bepaalt het bevoegd gezag of een milieueffectrapport moet worden gemaakt. Achterliggende gedachte hierbij is dat ook kleine projecten het milieu relatief zwaar kunnen belasten en ook bij kleine projecten van geval tot geval moet worden beoordeeld of een m.e.r.-procedure nodig is. Deze vormvrije m.e.r.-beoordeling kan tot twee conclusies leiden:  belangrijke nadelige milieugevolgen zijn uitgesloten: er is geen milieueffectrapportage noodzakelijk;  belangrijke nadelige gevolgen voor het milieu zijn niet uitgesloten: er moet een milieueffectrapportage worden opgesteld. Doorwerking plangebied Het realiseren van woningen valt wel in beginsel wel onder onderdeel D (stedelijk ontwikkelingsproject, categorie D11.2) van de bijlage bij het Besluit m.e.r. Aangezien het gaat om het realiseren van slechts één woning, wordt dit op basis van jurisprudentie niet gezien als een stedelijk ontwikkelingsproject in de zin van het Besluit m.e.r. en is een aanmeldnotitie (vormvrije m.e.r.-beoordeling) niet noodzakelijk.

Hoofdstuk 4

48

5.

JURIDISCHE PLANOPZET Dit hoofdstuk bevat de concrete vertaling van het beleidsgedeelte (voorafgaande hoofdstukken) in het juridisch bindende gedeelte van het bestemmingsplan (de verbeelding en regels).

5.1 Algemene opzet De opzet van het plan Een bestemmingsplan is een juridisch plan, dat bindend is voor de burgers en voor de overheid. Het bestemmingsplan is opgesteld om een specifieke ontwikkeling mogelijk te maken. De bouw- en gebruiksregels stellen daarvoor een juridisch kader. Qua systematiek en inhoud van de regels is zoveel mogelijk aansluiting gezocht bij enerzijds het vigerende bestemmingsplan ‘Buitengebied Sint-Oedenrode’ (incl. herzieningen) en anderzijds het bestemmingsplan ‘Laaghangend fruit – harmonisatie van diverse regelingen’. Het bestemmingsplan bestaat uit de volgende onderdelen: De toelichting In de toelichting wordt het initiatief beschreven en verantwoord, waarbij aangetoond wordt dat er sprake is van een goede ruimtelijke ordening. De toelichting bevat een planbeschrijving, beleidsverantwoording en een toets aan de relevante milieuhygiënische en ruimtelijke aspecten, aangevuld met een toelichting op de juridische opzet en een korte beschrijving van de handhavings- en uitvoeringsaspecten. De toelichting is juridisch niet bindend. De regels In de regels zijn de bouw- en gebruiksmogelijkheden beschreven voor de in het plan opgenomen bestemmingen. Ook zijn regels opgesteld, die binnen het gehele plangebied van toepassing zijn. De regels worden in paragraaf 5.4 nader toegelicht.

De verbeelding Op de verbeelding zijn de bestemmingen en aanduidingen weergegeven, zoals beschreven wordt in paragraaf 5.2.

5.2 Toelichting op de verbeelding Het bestemmingsplan bevat een verbeelding. Deze vervangt de verbeelding van de thans geldende bestemmingsplannen in het plangebied. Op de verbeelding zijn de navolgende bestemmingen opgenomen: ‘Agrarisch’, ‘Wonen’ en ‘Waarde – Archeologie 2’. Ook is er één bouwvlak opgenomen binnen de bestemming ‘Wonen’. Hierna worden deze bestemmingen en de in het plan opgenomen aanduidingen nader toegelicht.

Hoofdstuk 5

49

5.3 Toelichting op de bestemmingen Agrarisch Het oostelijk deel van het plangebied blijft bestemd als ‘Agrarisch’. Deze gronden zijn bestemd voor agrarische doeleinden, grondgebonden agrarische bedrijven en agrarische activiteiten bij wijze van hobby. Ook zijn aanverwante functies, zoals water, groen en extensief recreatief medegebruik toegestaan. Binnen de bestemming is geen bouwvlak opgenomen. Er mogen uitsluitend bouwwerken, geen gebouwen zijnde worden gebouwd. Wonen Het woonerf volgens het beoogde inrichtingsplan is bestemd als ‘Wonen’. Deze gronden zijn bestemd voor wonen (volgens de in het bestemmingsplan opgenomen definitie van ‘woning’), beroepen/bedrijven aan huis, parkeervoorzieningen, tuinen en erven, water en groen. Binnen de bestemming is een bouwvlak opgenomen. Nieuwbouw van woningen (hoofdgebouwen) is alleen binnen dit bouwvlak toegestaan. Verder zijn in de regels maatvoeringen voor onder andere de goot- en bouwhoogte opgenomen. Bij de woning zijn bijbehorende bouwwerken toegestaan binnen de zone ‘bijgebouwen’ op de verbeelding. Binnen de gehele bestemming mogen bouwwerken, geen gebouwen zijnde worden opgericht.

5.4 Toelichting op de regels In deze paragraaf worden de opzet en inhoud van de regels kort toegelicht. Hoofdstuk 1 Inleidende regels Artikel 1 Begrippen In dit artikel is omschreven wat in onderhavig plan met een aantal begrippen wordt bedoeld. Artikel 2 Wijze van meten Deze bepaling geeft aan op welke wijze bijvoorbeeld goot- en bouwhoogte en oppervlakten moeten worden gemeten, zodat de regels eenduidig worden toegepast. Hoofdstuk 2 Bestemmingsregels In dit hoofdstuk zijn de in paragraaf 5.3 beschreven bestemmingen opgenomen met de daarbij behorende bouw- en gebruiksregels.

Hoofdstuk 3 Algemene regels Artikel 6 Anti-dubbeltelregel Deze regel wordt opgenomen om te voorkomen dat, wanneer volgens een bestemmingsplan bepaalde gebouwen en bouwwerken niet meer dan een bepaald deel van een bouwperceel mogen beslaan, het opengebleven terrein niet nog eens meetelt bij het toestaan van een ander gebouw of bouwwerk, waaraan een soortgelijke eis wordt gesteld. Deze regel is in elk bestemmingsplan opgenomen.

Hoofdstuk 5

50

Artikel 7 Algemene bouwregels De hier opgenomen bouwregels gelden voor het gehele plangebied. Deze regels zien onder meer op bestaande afwijkende maatvoeringen en op het bouwen van schuilgelegenheden. Artikel 8 Algemene gebruiksregels In dit artikel zijn gebruiksregels opgenomen, die in het gehele plangebied gelden. Hierbij gaat het om een opsomming van in ieder geval met het plan als strijdig aangemerkt gebruik. Ook is een bepaling omtrent het realiseren van voldoende waterberging opgenomen. Artikel 9 Algemene afwijkingsregels Dit artikel bevat een aantal bevoegdheden voor het college om van het plan af te wijken. Hierbij zijn telkens de criteria om hieraan toepassing te kunnen geven, aangegeven. Artikel 10 Overige regels Dit artikel bevat een regeling omtrent het parkeren. Hoofdstuk 4: Overgangs- en slotregels Artikel 12 Overgangsrecht In deze bepaling is de op grond van de Wro verplichte regeling voor het overgangsrecht van bouwwerken en gebruik opgenomen. Artikel 13 Slotregel Als laatste wordt de slotbepaling opgenomen. Deze bepaling bevat de titel van het bestemmingsplan.

De tekst is automatisch uit het bestand gehaald en kan afwijken van het origineel (kolommen, tabellen en koppen lopen door elkaar). Het officiële stuk bij de gemeente is leidend. Bron: https://api1.ibabs.eu/publicdownload.aspx?site=Meierijstad&id=4504db06-11db-4d44-afc6-af7bed5aefab