CConstaterende datMeierijstad
Koppel je AI →
Document · PDF

Bijlage 1a - Toelichting en regels Lieshoutsedijk 11-11a

Raadsvergadering 26 september 2024, gemeente MeierijstadBij agendapunt: Gewijzigde vaststelling bestemmingsplan 'Buitengebied Sint-Oedenrode, herziening Lieshoutsedijk 11-11a'28.286 woorden

Open het PDF bij de gemeente ↗Naar de vergadering →

Tekst van het document

Uit het bestand gehaald, zonder opmaak, tabellen en afbeeldingen · deel 1 van 4

Bestemmingsplan

Buitengebied Sint-Oedenrode, herziening Lieshoutsedijk 11-11a

Bezoekadres Stadhuisplein 1 5461 KN Veghel Postadres Postbus 10.001 5460 DA Veghel T: 14 0413 E: info@meierijstad.nl W: www.meierijstad.nl IBANnr: NL31 RABO 0171 5811 48

Betreffende

Buitengebied Sint-Oedenrode, herziening Lieshoutsedijk 11-11a

Planstatus

ontwerp

Projectnummer

NL.IMRO.1948.BGO000BP0112023P-ON01

Datum

8 december 2023

Bestemmingsplan Lieshoutsedijk 11-11a Gemeente Meierijstad Ontwerp

Rapportnummer:

P04179

IMRO-identificatienummer:

NL.IMRO.1948.BGO000BP0112023P-ON01

Datum:

8 december 2023

Opdrachtgever:

particulier

Projectteam BRO:

JRi, JvdA, RvD

Concept:

maart 2023, oktober 2023

Voorontwerp:

-

Ontwerp:

november 2023, december 2023

Vaststelling: Bron foto kaft:

BRO, abstract

BRO Hoofdvestiging Bosscheweg 107 5282 WV Boxtel T +31 (0)411 850 400 E info@bro.nl

TOELICHTING

Inhoudsopgave

pagina

1.INLEIDING 1.1Aanleiding 1.2Plangebied 5 1.3Vigerend bestemmingsplan 1.4Leeswijzer

4 4 4

2.Planbeschrijving 2.1Huidige situatie 2.2Toekomstige situatie

8 8 8

3.BELEIDSKADER 3.1Rijksbeleid 3.2Provinciaal beleid 3.3Gemeentelijk beleid

13 13 15 17

4.OMGEVINGSASPECTEN 4.1Geluid 4.2Luchtkwaliteit 4.3Bedrijven en milieuzonering 4.4Geur agrarisch 4.5 Externe veiligheid 4.6Volksgezondheid in relatie tot veehouderijen 4.7Ecologie 4.8Bodem 4.9 Kabels en leidingen 4.10Water 4.11Archeologie 4.12Cultuurhistorie 4.13 Verkeer en parkeren 4.14 Spuitzones gewasbeschermingsmiddelen 4.15 Hoogspanningslijnen 4.16M.e.r.-beoordeling

22 22 23 24 27 28 35 37 40 41 41 43 46 46 47 47 48

5.JURIDISCHE PLANOPZET 5.1Algemene opzet 5.2Toelichting op de verbeelding 5.3Toelichting op de bestemmingen 5.4Toelichting op de regels

49 49 49 50 50

Inhoudsopgave

5 7

2

6.UITVOERBAARHEID 6.1Economische uitvoerbaarheid 6.2Maatschappelijke uitvoerbaarheid

52 52 52

SEPARATE BIJLAGEN Bijlage 1: Landschappelijke inpassing Bijlage 2: Akoestisch onderzoek Bijlage 3: Geuronderzoek Bijlage 4: Notitie volksgezondheid i.r.t. veehouderijen Bijlage 5: Quickscan Flora en fauna Bijlage 6: Verkennend bodemonderzoek Bijlage 7: Wateraspect Bijlage 8: Archeologisch bureau- en verkennend booronderzoek Bijlage 9 Selectieadvies en besluit Archeologie Bijlage 10: Stikstofonderzoek

Inhoudsopgave

3

1.

INLEIDING 1.1 Aanleiding Initiatiefnemer is eigenaar van de locatie Lieshoutsedijk 11-11a in Sint-Oedenrode, gemeente Meierijstad. Het betreft een woonboerderij met bijbehorende schuur/opslag met tuin en weide. De aldaar gevestigde boerderij (agrarische bestemming met bouwvlak t.b.v. de intensieve veehouderij) staat leeg en initiatiefnemer wenst om deze te slopen en er een woning voor terug te bouwen. Ook zijn er wensen voor een loods/schuur voor de uit te voeren hoveniersactiviteiten (oppervlakte max. 100 m²). Het planvoornemen betreft daarmee ter plaatse een nieuwe woonboerderij op te richten met bijbehorende bijgebouw en de bestemming geldend ten plaats van de woonboerderij om te zetten van een agrarische naar woonbestemming. Met de ontwikkeling zal de huidige woonboerderij en bijgebouw geamoveerd worden en nieuwbouw gerealiseerd worden op het terrein. Om onderhavige ontwikkeling juridisch planologisch mogelijk te maken is voorliggend bestemmingsplan opgesteld. Hiermee wordt aangetoond dat het plan in het kader van een goede ruimtelijke ordening voldoet aan de gestelde voorwaarden. Het bestemmingsplan voorziet in het nieuwe planologischjuridische kader voor het plangebied waarin is aangetoond dat het initiatief op de verschillende relevante onderdelen haalbaar is.

1.2 Plangebied Het plangebied betreft de locatie Lieshoutsedijk 11- 11a te Sint-Oedenrode, gemeente Meierijstad. Het plangebied ligt ten noordoosten van de kern Sint-Oedenrode in het buitengebied. Het perceel staat kadastraal bekend onder gemeente Sint-Oedenrode, sectie K, perceelnummers 634, 635 en 563 (gedeeltelijk). Het plangebied heeft totaal een oppervlakte van circa 8.500 m2. De ligging en begrenzing van het plangebied is indicatief weergegeven in de figuur 1.1.

Hoofdstuk 1

4

Figuur 1.1 Ligging en globale begrenzing plangebied

1.3 Vigerend bestemmingsplan Ter plaatse van het plangebied vigeren een aantal verschillende bestemmingsplannen. Het gaat hierbij om de volgende plannen:  Bestemmingsplan ‘Buitengebied Sint-Oedenrode’, vastgesteld door de gemeenteraad van de gemeente Sint- Oedenrode op 15 maart 2012, deels onherroepelijk in werking getreden;  Bestemmingsplan ‘Buitengebied Sint-Oedenrode, herziening 2’, vastgesteld door de gemeenteraad van de gemeente Sint-Oedenrode op 29 september 2016;  Bestemmingsplan ‘Buitengebied Sint-Oedenrode, herziening 3’, vastgesteld door de gemeenteraad van de gemeente Sint-Oedenrode op 16 augustus 2017;  Bestemmingsplan ‘Buitengebied Sint-Oedenrode, herziening 4’, vastgesteld door de gemeenteraad van de gemeente Meierijstad op 29 maart 2018, vervolgens onherroepelijk geworden;  Bestemmingsplan ‘Harmonisatie begrippen wonen, c.s. Sint-Oedenrode 1’, vastgesteld door de gemeenteraad van de gemeente Sint-Oedenrode op 29 januari 2015;  ‘Paraplubestemmingsplan parkeren’, vastgesteld door de gemeenteraad van de gemeente Meierijstad op 31 januari 2019, deels onherroepelijk in werking;  Bestemmingsplan ‘Harmonisatie van diverse regelingen – laaghangend fruit’, vastgesteld door de gemeenteraad van de gemeente Meierijstad op 27 januari 2021.

Hoofdstuk 1

5

Figuur 1.2 uitsnede vigerend bestemmingsplan

Op grond van bestemmingsplan ‘Buitengebied Sint-Oedenrode, herziening 2’ geldt voor het plangebied de enkelbestemming ‘Agrarisch’ met een bouwvlak. Tevens geldt voor het voorste deel van het plangebied een dubbelbestemming ‘Waarde – Archeologie 2’. Op het gehele plangebied zijn daarnaast de functieaanduidingen ‘intensieve veehouderij’, ‘specifieke vorm van agrarisch – persoonsgebonden overgangsrecht’ en ‘specifieke vorm van agrarisch – veehouderij’ van toepassing. Ook is de gebiedsaanduiding ‘overige zone – bebouwingsconcentratie 6’ van toepassing. Het huidige bouwvlak komt overeen met de begrenzing van het plangebied. Binnen de bestemming ‘Agrarisch’ zijn reguliere burgerwoningen niet toegestaan. Dat maakt het herzien van het vigerende bestemmingsplan ‘Buitengebied Sint-Oedenrode, herziening 4’ noodzakelijk. Middels artikel 3.6.21 is er een mogelijkheid om de agrarische bestemming naar een woonbestemming te wijzigen. Artikel 3.6.21 Wijzigen naar Wonen Burgemeester en wethouders zijn bevoegd deze bestemming te wijzigen in de bestemming 'Wonen' voor zover het de voormalige agrarische bedrijfswoning betreft, waarbij moet worden voldaan aan de volgende voorwaarden: A.

Er wordt een bestemmingsvlak en bouwvlak op maat gerealiseerd, waarbij rekening wordt gehouden met de te slopen voormalige agrarische bedrijfsbebouwing en het bestemmingsvlak wordt verkleind tot de voormalige agrarische bedrijfswoning en bijbehorende tuinen, erven en verhardingen. B. De oppervlakte aan bijgebouwen en overkappingen bij de voormalige agrarische bedrijfswoning dient door sloop van overtollige bedrijfsbebouwing teruggebracht te worden tot een gezamenlijke oppervlakte van 100 m², tenzij toepassing wordt gegeven aan de regeling in lid c of sprake is van een situatie als bedoeld in lid d.

Hoofdstuk 1

6

C. Bij sloop van alle overtollige bedrijfsbebouwing, mag ofwel 25% van de oppervlakte van de overtollige bedrijfsgebouwen worden toegevoegd aan de inhoud van de woning tot een maximum van 900 m³ ofwel 25% van de oppervlakte van de overtollige bedrijfsgebouwen mag worden toegevoegd aan de gezamenlijke maximale oppervlakte aan bijgebouwen en overkappingen tot een maximum van 200 m² waarbij alle bijgebouwen en overkappingen, met een oppervlakte groter dan 100 m², dienen te worden gesloopt. D. Cultuurhistorisch waardevolle gebouwen dienen te allen tijde gehandhaafd dienen te blijven. E. De woning dient aanvaardbaar te zijn uit een oogpunt van een milieuhygiënisch verantwoord woon- en leefklimaat. F. Het agrarisch bedrijf ter plaatse is beëindigd en agrarisch hergebruik is niet langer mogelijk. G. Er is geen sprake van onevenredige milieuhygiënische belemmeringen. H. De woning leidt niet tot onevenredige aantasting van gebruiks- en ontwikkelingsmogelijkheden van de naastgelegen percelen. I. De wijziging gaat gepaard met een aantoonbare en uitvoerbare fysieke verbetering van de aanwezige of potentiële kwaliteiten van bodem, water, natuur, landschap of cultuurhistorie of van extensieve recreatieve mogelijkheden van het plangebied overeenkomstig de regeling kwaliteitsverbetering landschap Sint-Oedenrode zoals opgenomen in Bijlage 6 van de planregels. J.

Aan de gronden die met toepassing van deze wijziging vallen buiten het bestemmingsvlak wonen, wordt de gebiedsbestemming 'Agrarisch' toegekend. Op grond van artikel 7.4, onderdeel b, van bestemmingsplan ‘Harmonisatie van diverse regelingen – laaghangend fruit’ is 150 m² aan bijgebouwen toegestaan. Het voornemen is echter om niet 150 m² maar 200m² aan bijgebouwen te realiseren, zoals in het gemeentelijke kruimelgevallenbeleid als mogelijkheid is voorzien, mits sprake is van voldoende kwaliteitsverbetering. Hierdoor kan de geciteerde wijzigingsbevoegdheid niet worden toegepast op dit initiatief. Er is gekozen voor een bestemmingsplanherziening, waarbij tevens de regels van het bestemmingplan ‘Harmonisatie van diverse regelingen – Laaghangend fruit’ zijn opgenomen. Voorliggend bestemmingsplan voorziet in het nieuwe planologisch-juridische kader voor het plangebied waarin is aangetoond dat het initiatief voldoet aan de wijzigingsvoorwaarden, met uitzondering van de hiervoor vermelde maximale oppervlakte van bijgebouwen. Tevens wordt aangetoond dat het initiatief past binnen het beginsel van een goede ruimtelijke ordening.

1.4 Leeswijzer Na dit inleidende hoofdstuk volgt hoofdstuk 2 waarin een beschrijving van het plan is opgenomen. De daaropvolgende hoofdstukken vormen de verantwoording van de ontwikkeling die dit wijzigingsplan mogelijk maakt. In hoofdstuk 3 wordt het Rijks-, provinciaal-, regionaal- en gemeentelijk beleid beschreven. In hoofdstuk 4 wordt inzicht gegeven in diverse planologische aspecten die van belang zijn voor het voorliggende wijzigingsplan. In hoofdstuk 5 is de juridische toelichting op de planopzet gegeven. In het laatste hoofdstuk komt de financiële en maatschappelijke uitvoerbaarheid aan de orde.

Hoofdstuk 1

7

2.

PLANBESCHRIJVING 2.1 Huidige situatie De projectlocatie is gelegen buiten de bebouwde kom van de kern Sint-Oedenrode in een open gebied met weilanden en akkers met voornamelijk agrarische activiteiten. De omgeving van het perceel Lieshoutsedijk 11-11a bestaat overwegend uit agrarisch gebied. In de huidige situatie is op het perceel een woonboerderij en bijgebouwen aanwezig. Daarnaast is er al veel groen aanwezig op het perceel. De bijgebouwen worden in de huidige situatie gebruikt als opslagruimte en garage. Juridisch-planologisch gezien gaat het om een agrarische bedrijfswoning behorende bij een reeds gesaneerde intensieve veehouderij. De betreffende boerderij heeft een inhoud van circa 590 m³. Bij de huidige boerderijwoning horen twee bestaande bijgebouwen. Deze bijgebouwen hebben oppervlakte van 145,7 m² en 12,1 m². In totaal gaat het daarmee om 157,8 m² (afgerond 158 m²) aan bestaande bijgebouwen.

Figuur 2.1 zijaanzicht huidige woonboerderij

2.2 Toekomstige situatie Het voornemen is om de boerderij (agrarische bestemming) aan de Lieshoutsedijk 11-11a te Sint-Oedenrode te slopen en over te gaan tot het oprichten van een nieuwe burgerwoning op hetzelfde perceel. Daarbij zullen ook de twee bestaande bijgebouwen gesloopt worden en één nieuw bijgebouw worden opgericht. Het bijgebouw wordt gerealiseerd in de vorm van een loods/schuur die zowel dienst doet als berging bij de woning als gebruikt kan worden voor opslag voor de door de initiatiefnemer geexploiteerd hoveniersbedrijf. De nieuwe woning zal met een inhoud van maximaal 750 m³ worden opgericht. Het bijgebouw (garage/berging) zal bestaan met een oppervlakte van maximaal 200 m², waarvan totaal 170 m2 aan schuur en 30 m2 aan overkapping. Onderstaande afbeelding geeft een impressie van de gevels en plattegrond van de voorgenomen nieuwe situatie.

Hoofdstuk 2

8

Figuur 2.2 gevelimpressie en plattegronden voorlopig ontwerp

Hoofdstuk 2

9

Landschappelijke inpassing Kenschets landschap De projectlocatie aan de Lieshoutsedijk 11-11a te Sint-Oedenrode betreft een landschapstype, welke op de overgang ligt van de oude zandontginningen (westzijde) en de jonge zandontginningen (oostzijde). De Lieshoutsedijk vormt hier de scheidingslijn tussen deze twee landschapstypen. De projectlocatie zelf behoort tot de jonge ontginningen en bestaat uit jonge zandontginningen die grotendeels pas na 1900 als heide zijn ontgonnen. De woeste gronden werden tot begin 20 e eeuw hoofdzakelijk gebruikt als begrazingsgebied. Ook werd de heide afgeplagd ten behoeve van de bemesting van de enkeerdgronden (potstalsysteem). In dit deelgebied is momenteel hoofdzakelijk sprake van agrarisch gebruik. Door de jonge ontginningen is het kleinschalige karakter verdwenen en is er een rationele verkavelingsstructuur ontstaan. Deze draagt bij aan een efficiënte bedrijfsvoering. Het landschap typeert zich door de afwisseling van open zones tot halfopen zones met opgaand groen en verspreid liggende bebouwingsstructuren.

Landschapskenmerken  Weinig tot geen reliëf (vlak), soms lichte welvingen;  Bodem bestaande uit zand;  Rechte wegen;  Een regelmatige blokverkaveling  Beplanting in de vorm van lanen en bomenrijen (veelal eiken), landschapselementen als bosjes, singels, heggen en erfbeplantingen;  Bebouwing in de vorm van losse boerderijen, aaneengeregen bebouwing tot clusters en lintachtige bebouwing. Huidige situatie Het huidige perceel aan de Lieshoutsedijk wordt begrensd door een sterke laanstructuur. Veelal bestaat deze laanstructuur uit eiken bomen. Aan de rand van het perceel staan echter enkele berken. De bebouwing die op het perceel aanwezig is kent een agrarisch karakter. Deze bebouwing zal met het oog op de ontwikkeling worden gesloopt. Hiermee worden de oude opstallen verwijderd, waarbij er ruimte wordt vrijgemaakt ter realisatie van een nieuwe woonhuis (max. 750 m³) met bijgebouw (max. 200 m²). Verder is eer een sterke oostwest gerichte verkavelingsstructuur aanwezig, waarbij de relatie met het achterland waarneembaar is. Ter versterking van het landschap dienen de inpassingsmaatregelen bij te dragen aan het landschapstype, waarin de projectlocatie voorkomt. Hierbij is het van belang gebiedseigen sortiment toe te passen. Hiermee wordt er naadloos aangesloten op de voorkomende landschapselementen en draagt het tevens bij aan de biodiversiteit in het gebied.

Inpassingsmaatregelen Ter inpassing van het nieuwe woonhuis inclusief bijgebouw wordt de reeds aanwezige (gemengde) haag geoptimaliseerd, ook wordt er een gemengde haag toegevoegd aan de noordzijde van het perceel. Deze hagen staan beiden haaks op de Lieshoutsedijk, waardoor de zichtrelatie naar het achterland wordt versterkt. Aan de representatieve zijde (voortuin) worden er lagen knip- en scheerhagen aangeplant. Deze hagen hebben een hoogte van ca 1.20 meter (snoeihoogte 1 meter). Hiermee blijft de beeldkwaliteit van de woning gewaarborgd. Zie voor de Landschappelijke inpassing schets met daarop de ingetekende (inpassings) maatregelen de bijlage.

Hoofdstuk 2

10

Figuur 2.3 Landschappelijke inpassing (bron: BRO november 2023).

Kwaliteitsbijdrage Ter realisatie van het bijgebouw dient er aan kwaliteitsverbetering te worden gedaan. Hierbij gaat het om een vergroting van bijgebouwen bij een (bedrijfs)woning groter dan 150 m². Aangezien het bijgebouw een oppervlakte kent van 200 m² dient er 50 m² te worden gecompenseerd. Dit wordt gedaan aan de hand van de aanleg van een poel, het optimaliseren van de reeds aanwezige hagen en de

Hoofdstuk 2

11

aanplant van solitaire landschapsbomen/ boomgroepen. Ook wordt er een ingezet op de ontwikkeling van bloem- en kruidenrijk grasland ter versterking van de biodiversiteit. Hiermee draagt de ontwikkeling bij aan landschapsversterking en worden er geen landschapsstructuren aangepast. Daarnaast wordt een stukje kleinschaligheid teruggebracht door de toevoeging van verschillende groenelementen, waaronder de gemengde hagen langs de perceelsgrenzen. De maatregelen zijn in balans met de door de gemeente gevraagde ruimtelijke kwaliteitsbijdrage.

Hoofdstuk 2

12

3.

BELEIDSKADER In dit hoofdstuk wordt het beleidskader dat relevant is voor het plan toegelicht en wordt het plan hieraan getoetst. Er is sprake van een doorwerking van beleid dat is vastgesteld op verschillende niveaus van bestuur.

3.1 Rijksbeleid Nationale omgevingsvisie In het kader van de invoering van de Omgevingswet, die nu gepland staat voor 1 januari 2024, heeft het Rijk de Nationale Omgevingsvisie (NOVI) opgesteld. Welke op 11 september 2020 naar de Tweede Kamer gestuurd is. Met de Nationale Omgevingsvisie geeft het Rijk een langetermijnvisie op de toekomst en de ontwikkeling van de leefomgeving in Nederland. De intentie van het Rijk is om met de NOVI een perspectief te bieden om grote maatschappelijke opgaven aan te pakken. Bij die opgaven kan worden gedacht aan grote en complexe opgaven met betrekking tot klimaatverandering, energietransitie, circulaire economie, bereikbaarheid en woningbouw. Een centraal aspect van de NOVI is de focus op een nieuwe aanpak van vraagstukken in de fysieke leefomgeving. Werken op basis van integraliteit met betrekking tot verschillende vraagstukken in plaats van sectorale aanpakken voor individuele vraagstukken vormt de kern van deze nieuwe aanpak. Het streven naar integraliteit dat onderdeel is van de NOVI valt samen in vier verschillende prioriteiten waartussen een onderscheid wordt gemaakt in de NOVI, te weten:  Ruimte voor klimaatadaptatie en energietransitie;  Duurzaam economisch groeipotentieel;  Sterke en gezonde steden en regio’s;  Toekomstbestendige ontwikkeling van het landelijk gebied.

Binnen de NOVI worden drie afwegingsprincipes gehanteerd om te komen tot weloverwogen beleidskeuzes. Welke zouden moeten helpen bij het afwegen en prioriteren van verschillende belangen en opgaven. De drie afwegingsprincipes zijn:  Combinaties van functies gaan voor enkelvoudige functies;  Kenmerken en identiteit van een gebied staan centraal;  Afwentelen wordt voorkomen. Gemeenten, waterschappen, provincies en het Rijk zijn samen verantwoordelijk voor de fysieke leefomgeving. Sommige belangen en opgaven overstijgen het lokale, regionale en provinciale niveau en vragen om nationale aandacht, welke ‘nationale belangen’ genoemd worden. De NOVI richt zich op 21 nationale belangen. Deze worden geografisch weergegeven via de Nationale hoofdstructuur. Doorwerking plangebied De NOVI heeft, gezien de aard en de beperkte omvang van het project, geen specifieke betekenis voor dit bestemmingsplan. Het project speelt zich af op lokaal niveau en er zijn geen nationale belangen in het geding.

Hoofdstuk 3

13

Besluit algemene regels ruimtelijke ordening (Barro) Het Besluit algemene regels ruimtelijke ordening (Barro) geeft richtlijnen voor de inhoud van bestemmingsplannen voor zover het gaat om ruimtelijke ontwikkelingen van nationaal belang. In de NOVI wordt bepaald welke kaderstellende uitspraken zodanig zijn geformuleerd dat deze bedoeld zijn om beperkingen te stellen aan de ruimtelijke besluitvormingsmogelijkheden op lokaal niveau. Het Barro bevestigt in juridische zin die kaderstellende uitspraken. Doorwerking plangebied Zoals al in voorgaande paragraaf bij de NOVI is aangegeven, is er geen sprake van nationale belangen in het plangebied. Het Barro bevat daarom ook geen kaderstellende uitspraken voor het plangebied. Ladder voor duurzame verstedelijking Om zorgvuldig ruimtegebruik te bevorderen is per 1 oktober 2012 de ladder voor duurzame verstedelijking in het Besluit ruimtelijke ordening (artikel 3.1.6 Bro) opgenomen. De ladder ziet op een zorgvuldige afweging en transparante besluitvorming bij alle ruimtelijke en infrastructurele besluiten. De ladder is een motiveringsinstrument dat verplicht moet worden toegepast bij elk ruimtelijk besluit dat een ‘nieuwe stedelijke ontwikkeling’ mogelijk maakt.

Wat er onder een nieuwe stedelijke ontwikkeling wordt verstaan, is in artikel 1.1.1 Bro bepaald: “De ruimtelijke ontwikkeling van een bedrijventerrein of zeehaventerrein, of van kantoren, detailhandel, woningbouwlocaties of andere stedelijke voorzieningen.” Uit de jurisprudentie komt naar voren dat het wel een nieuwe stedelijke ontwikkeling van enige omvang moet zijn.1 Per 1 juli 2017 is een gewijzigde Ladder in werking getreden. Hierin is de tekst van de Ladder teruggebracht naar de essentie, namelijk de noodzaak om aan te geven dat de voorgenomen nieuwe stedelijke ontwikkeling voorziet in een behoefte plus een motivering indien de stedelijke ontwikkeling niet binnen bestaand stedelijk gebied kan worden gerealiseerd: “De toelichting bij een bestemmingsplan dat een nieuwe stedelijke ontwikkeling mogelijk maakt, bevat een beschrijving van de behoefte aan die ontwikkeling, en, indien het bestemmingsplan die ontwikkeling mogelijk maakt buiten het bestaand stedelijk gebied, een motivering waarom niet binnen het bestaand stedelijk gebied in die behoefte kan worden voorzien.” (artikel 3.1.6 lid 2 Bro). Doorwerking plangebied Met deze ontwikkeling is sprake van het herbestemmen van een agrarische bedrijfswoning naar een woonboerderij met bijgebouwen. Of er sprake is van een stedelijke ontwikkeling wordt bepaald door de aard en omvang van de ontwikkeling in relatie tot de omgeving.

De herbestemming van een bedrijfswoning tot woonboerderij wordt niet gezien als een stedelijke ontwikkeling (art. 1.1.1. Bro). Het aantal woningen blijft immers gelijk. Een toetsing aan de Ladder voor Duurzame Verstedelijking is derhalve niet noodzakelijk.

1

O.a. ABRS 1 juni 2016 (ECLI:NL:RVS:2016:1503), ABRS 18 februari 2015 (ECLI:NL:RVS:2015:428) en ABRS 24 augustus 2016 (ECLI:NL:RVS:2016:2319).

Hoofdstuk 3

14

3.2 Provinciaal beleid 3.2.1 Omgevingsvisie ‘Kwaliteit van Brabant’ Provinciale Staten van Noord-Brabant hebben op 14 december 2018 de Brabantse Omgevingsvisie De kwaliteit van Brabant: Visie op de Brabantse Leefomgeving vastgesteld. Tot de invoering van de Omgevingswet heeft dit document de status van structuurvisie onder de Wet ruimtelijke ordening (Wro). Vanaf de inwerkingtreding van de Omgevingswet zal de visie officieel de juridische status van omgevingsvisie krijgen. Voor het handelen van de provincie zijn kernwaarden geformuleerd. Het gaat achtereenvolgens om de volgende kernwaarden:  gaan voor meerwaarde-creatie;  gaan voor technische én sociale innovatie;  gaan voor kwaliteit boven kwantiteit;  gaan voor steeds beter;  gaan voor proactief en preventief boven gevolgbeperking en herstel. De provincie heeft tevens een basisopgave opgenomen in haar omgevingsvisie. Centraal hierbij staat het werken aan veiligheid, gezondheid en omgevingskwaliteit. Hoewel er gesproken wordt over één basisopgave, is deze opgave in feite tweeledig, aangezien voor zowel het jaar 2030 als voor het jaar 2050 een basisopgave geformuleerd is. Een en ander is als volgt geformuleerd:  Doel 2050: “Brabant heeft een goede leefomgevingskwaliteit doordat wij op alle aspecten beter presteren dan wettelijk als minimumniveau is bepaald.

Brabant staat met zijn TOP-landschap van oude en nieuwe landschappen in de top 5 van Europa. De biodiversiteit binnen en buiten de natuurgebieden is op orde, de lucht- en waterkwaliteit voldoet en de bodem is vitaal”.  Doel 2030: “Brabant heeft een aanvaardbare leefomgevingskwaliteit doordat wij voor alle aspecten voldoen aan de wettelijke normen. Natuurgebieden zijn ingericht, de afname van biodiversiteit is naar een positieve trend omgebogen, waardevolle cultuurhistorische landschappen zijn behouden en er is breed draagvlak voor de nieuwe energie- en klimaatadaptieve landschappen door de ontwerpende aanpak”. De basisopgave ligt – zoals al in de naam besloten ligt – aan de basis van vier hoofdopgaven. De volgende hoofdopgaven worden benoemd:  werken aan de Brabantse energietransitie;  werken aan een klimaatproof Brabant;  werken aan de slimme netwerkstad;  werken aan een concurrerende, duurzame economie. Doorwerking plangebied De voorgenomen ontwikkeling heeft geen wezenlijke invloed op de opgestelde ambities, gelet op de kleinschalige omvang en de aard van de ontwikkeling. Wel moet deze ontwikkeling in lijn zijn met de basisopgave waarin een veilige, gezonde leefomgeving en een goede omgevingskwaliteit centraal staan.

In hoofdstuk 4 wordt onderbouwd waarom de beoogde ontwikkeling geen negatieve invloed heeft op deze aspecten en waarom deze aspecten anderzijds geen belemmering vormen voor de ontwikkeling zelf. Op basis hiervan kan geconcludeerd worden dat de Omgevingsvisie ‘Kwaliteit van Brabant’ geen belemmering vormt voor onderhavig plan.

Hoofdstuk 3

15

3.2.2 Interim Omgevingsverordening Noord-Brabant Op 25 oktober 2019 is de Interim omgevingsverordening (IOV) vastgesteld. Daarna zijn diverse herzieningen van de IOV vastgesteld. De Interim Omgevingsverordening vormt het toetsingskader voor nieuwe ontwikkelingen in de provincie Noord-Brabant. De provincie wil met haar regels aansluiten op de werkwijze van de Omgevingsvisie en de Omgevingswet. Daarom is er gekozen om de verschillende provinciale verordeningen voor de fysieke leefomgeving samen te voegen tot een interim Omgevingsverordening. Het is een ‘interim’ Omgevingsverordening om zo te benadrukken dat dit een tussenstap is naar de ‘definitieve’ omgevingsverordening gebaseerd op de Omgevingswet. De Interim Omgevingsverordening is gebaseerd op de huidige wetgeving en moet aan de wettelijke bepalingen van die wetgeving voldoen. Dat betekent nieuwe mogelijkheden uit de Omgevingswet en de voorwaarden voor een omgevingsverordening. De Interim Omgevingsverordening vervangt zes provinciale verordeningen, waaronder de Verordening Ruimte 2014. De Interim omgevingsverordening is beleidsneutraal van karakter. Dat betekent dat er geen nieuwe beleidswijzigingen zijn doorgevoerd, behalve als deze voortvloeien uit vastgesteld beleid, zoals de omgevingsvisie.

De verordening bestaat uit kaartmateriaal en regels waarmee gemeenten rekening moeten houden bij het opstellen van ruimtelijke plannen. Doorwerking plangebied Het plangebied is in de i.o.v. aangeduid als ‘landelijk gebied’ en specifiek binnen het ‘gemengd landelijk gebied’. De beoogde ontwikkeling voorziet in de omschakeling van een bedrijfsbestemming in een woonbestemming. Artikel 3.68 en 3.69 geven de regels voor wonen in het landelijke gebied. Artikel 3.68 wonen in landelijk gebied Lid 1 Een bestemmingsplan van toepassing op Landelijk gebied bepaalt dat: a) Alleen bestaande burgerwoningen en bedrijfswoningen zijn toegestaan; b) Zelfstandige bewoning van bedrijfsgebouwen, recreatiewoningen en andere niet voor bewoning bestemde gebouwen is uitgesloten. Lid 2 Een bestemmingsplan kan bij een bestaande woning de vestiging van een andere functie toelaten, als: a. Dit past binnen de voorwaarden die voor die functie zijn opgenomen in deze paragraaf; b. In geval nieuwe bebouwing wordt opgericht, er elders feitelijk en juridisch een gelijkwaardige oppervlakte aan gebouwen is gesloopt. Artikel 3.69 afwijkende regels wonen In afwijking van artikel 3.68 Wonen in Landelijk gebied kan een bestemmingsplan voorzien in: a) de bouw van een woning ter vervanging van een bestaande woning binnen het bouwperceel , 1. als is verzekerd dat: de bestaande woning feitelijk wordt opgeheven; 2.

overtollige bebouwing wordt gesloopt. b) een inpandige splitsing van een beeldbepalende woonboerderij als: 1. een fysieke tegenprestatie wordt geleverd aan het versterken van de omgevingskwaliteit vergelijkbaar met de tegenprestatie voor een ruimte voor ruimtekavel;

Hoofdstuk 3

16

2. en de beeldbepalende woonboerderij wordt behouden. c) de vestiging van of de splitsing in meerdere woonfuncties in cultuurhistorisch waardevolle bebouwing als dat bijdraagt aan het behoud of herstel van deze bebouwing . d) in het gebruik van een voormalige bedrijfswoning als burgerwoning, als is verzekerd dat: 1. er geen splitsing in meerdere woonfuncties plaatsvindt; 2. overtollige bebouwing wordt gesloopt. In onderhavige ontwikkeling gaat het om de sloop van de huidige (bedrijfs)woning en bijgebouwen en de realisatie van een nieuwe woonboerderij met bijbehorende bijgebouw en de bestemming geldend ten plaats van de woonboerderij om te zetten van een agrarische naar woonbestemming (artikel 3.69 sub a. en d.). Met de ontwikkeling zal geen splitsing plaatsvinden in meerdere woningen. Daarnaast zal de aanwezige bebouwing gesloopt worden en hiervoor een woonboerderij en bijgebouw voor in de plaats komen. Voor ontwikkelingen in het buitengebied is het belangrijk dat dat de ruimtelijke ontwikkeling gepaard gaat met een fysieke verbetering van de aanwezige of potentiële kwaliteiten van bodem, water, natuur, landschap, cultuurhistorie of van de extensieve recreatieve mogelijkheden van het gebied of de omgeving. In de Interim Omgevingsverordening is hiervoor artikel 3.9 Kwaliteitsverbetering landschap opgenomen.

Ten behoeve van de verbetering van de landschappelijke kwaliteit is een landschappelijk inpassingsplan opgesteld en is een berekening van de kwaliteitsbijdrage bepaald. Dit landschappelijk inpassingsplan is reeds besproken in hoofdstuk 2 en is opgenomen in bijlage 1 bij deze toelichting (inclusief berekening). Daarmee is het initiatief in lijn met artikelen 3.9 (kwaliteitsverbetering landschap) van de Interim Omgevingsverordening. De Interim Omgevingsverordening geeft verder aan dat voor alle ontwikkelingen toepassing moet worden gegeven aan het principe van zorgvuldig ruimtegebruik. De woning en bijgebouw die met dit bestemmingsplan mogelijk wordt gemaakt, voldoet aan deze criteria. Het gaat namelijk om de herbouw van al een bestaande woning en bebouwing.

3.3 Gemeentelijk beleid 3.3.1 Visie De Rooi(se) draad Versterkt De visie Rooi(s)e Draad Versterkt is een herijking van de Rooi(s)e Draad (2005) en is een strategisch document van de voormalige gemeente Sint-Oedenrode waarin de hoofdkoersen op ruimtelijk, sociaal en economisch gebied bepaald zijn. Strategische visies zijn momentopnamen. Zo ook “De Rooi(s)e draad”. Deze is opgesteld in 2005, het document heeft veel bouwstenen aangedragen voor de verdere ontwikkeling van de gemeente. In 2012 is de visie uit 2005 geëvalueerd en is vastgesteld dat er zaken tot stand zijn gekomen, maar er ook zaken veranderd zijn. Op 27 september 2012 is een herijking van de visie uit 2005 door de raad vastgesteld. De Rooi(s)e Draad onderscheidt een aantal opgaven, waaronder:  Behouden van de vitaliteit in het buitengebied;  Reconstructie van het landelijk gebied;  Behouden van het groene karakter;  Aandacht voor behoud/versterken van cultuurhistorie in aanpalende beleidsvelden;

Hoofdstuk 3

17

Evenwichtige (gedifferentieerde) woningbouw in alle kernen en wijken, met aandacht voor bouwen voor alle doelgroepen.

Doorwerking plangebied Met onderhavige ontwikkeling wordt een bestaande bedrijfswoning herstemd naar een burgerwoning. De ontwikkeling leidt niet tot een toename van woningen of een verslechtering van de leefbaarheid. De ontwikkeling heeft ook geen negatieve invloed op de vitaliteit van het platteland. De planontwikkeling ligt in lijn met de structuurvisie. 3.3.2 Woonvisie Meierijstad De gemeente Meierijstad heeft een Woonvisie opgesteld, deze is vastgesteld op 5 juli 2018. Met deze visie wordt meer houvast geboden voor het analyseren van knelpunten en het benutten van mogelijkheden. De visie is opgebouwd uit vier verschillende thema’s met elk een eigen ambitie. Zo wordt er ingespeeld op de dynamiek van de woningmarkt en is er aandacht voor belangrijke trends zoals duurzaamheid, zorg en welzijn, en de leefbaarheid. Om te kunnen voorzien in de woningbehoeften en -wensen die binnen de inwoners van de gemeente leven, wordt ruimte gegeven aan de ontwikkeling van woningbouwplannen. Daarbij wordt zowel naar de korte als de lange termijn gekeken en zijn de volgende vier thema’s leidend: 1. De dynamiek van de woningmarkt: afstemming van de vraag naar een passend aanbod en het aanbod in relatie tot de behoefte op de lange termijn; 2.

Wonen, welzijn en zorg: samenhang tussen demografische ontwikkelingen, transitie in het sociale domein gericht op een inclusieve samenleving waar iedereen meedoet en de invloed daarvan op de leefomgeving; 3. Duurzaamheid: aandacht voor de energetische uitdagingen en het zo optimaal mogelijk gebruik maken van bestaande infrastructuur en vastgoed; 4. Leefbaarheid: een juiste balans tussen enerzijds specifieke woonkwaliteiten en anderzijds een divers woningaanbod wat de kracht en eigenheid van wijken en kleine kernen recht doet. Doorwerking plangebied Onderhavig plan voorziet in het amoveren van de huidige bebouwing en de realisatie van een nieuwe woonboerderij en bijgebouw. Het gaat hierbij om het amoveren van een leegstaande bedrijfswoning op een bedrijfskavel zonder perspectief tot duurzame agrarische bedrijfsvoering en de realisatie van een wenselijke en stedenbouwkundig goed inpasbare nieuwe woonboerderij voor burgerbewoning. Daarmee is het ruimtelijk initiatief passend in de Woonvisie Meierijstad 2018. 3.3.3 Voorwaarden wijzigingsbevoegdheid bestemmingsplan “Buitengebied Sint-Oedenrode, herziening 4“ Ondanks dat niet gebruik wordt gemaakt van de wijzigingsbevoegdheid zoals opgenomen in artikel 3.6.21 van het bestemmingsplan ‘Buitengebied Sint-Oedenrode, herziening 4’, is wel van belang dat het planvoornemen past binnen de voorgenomen voorwaarden.

Hieronder zijn deze voorwaarden opgenomen en is op hoofdlijn aangegeven op welke wijze hieraan wordt voldaan: a) Er wordt een bestemmingsvlak en bouwvlak op maat gerealiseerd, waarbij rekening wordt gehouden met de te slopen voormalige agrarische bedrijfsbebouwing en het bestemmingsvlak wordt

Hoofdstuk 3

18

b)

c)

d)

e)

f)

g) h)

i)

j)

verkleind tot de voormalige agrarische bedrijfswoning en bijbehorende tuinen, erven en verhardingen. Voldoet, Het planvoornemen heeft alleen betrekking op de voormalige agrarische bedrijfswoning en bijbehorende tuinen, erven en verhardingen. het bestemmingsvlak zal ook hieruit bestaat. De oppervlakte aan bijgebouwen en overkappingen bij de voormalige agrarische bedrijfswoning dient door sloop van overtollige bedrijfsbebouwing teruggebracht te worden tot een gezamenlijke oppervlakte van 100 m², tenzij toepassing wordt gegeven aan de regeling in lid c of sprake is van een situatie als bedoeld in lid d. Op dit punt wordt afgeweken van de voorwaarden. De twee bestaande bijgebouwen zullen gesloopt worden en er wordt één nieuw bijgebouw van 200 m² opgericht. Zoals eerder aangegeven is in beginsel al 150 m² aan bijgebouwen toegestaan op grond van artikel 7.4, onderdeel b, van het tevens van toepassing zijnde bestemmingsplan ‘Harmonisatie van diverse regelingen – laaghangend fruit’. De extra m² (tot maximaal 200 m²) zijn in het gemeentelijke kruimelgevallenbeleid als mogelijkheid voorzien, mits sprake is van voldoende kwaliteitsverbetering. Deze extra investering in landschapsversterking wordt gepleegd, zie hiervoor de landschappelijke inpassingmaatregelen en kwaliteitsbijdrage in hoofdstuk 2.

Bij sloop van alle overtollige bedrijfsbebouwing, mag ofwel 25% van de oppervlakte van de overtollige bedrijfsgebouwen worden toegevoegd aan de inhoud van de woning tot een maximum van 900 m³ ofwel 25% van de oppervlakte van de overtollige bedrijfsgebouwen mag worden toegevoegd aan de gezamenlijke maximale oppervlakte aan bijgebouwen en overkappingen tot een maximum van 200 m² waarbij alle bijgebouwen en overkappingen, met een oppervlakte groter dan 100 m², dienen te worden gesloopt. Er is sprake van circa 158 m² aan bijgebouwen in de huidige situatie. Deze worden gesloopt. Gezien de mogelijkheden uit het tevens van toepassing zijnde bestemmingsplan ‘Harmonisatie van diverse regelingen – laaghangend fruit’ en de afweging voor het toestaan van maximaal 200 m² vanuit het kruimelgevallenbeleid is geen gebruik gemaakt van deze sloop-bonus optie. Cultuurhistorisch waardevolle gebouwen dienen te allen tijde gehandhaafd dienen te blijven. Voldoet. De te slopen bebouwing bevat geen cultuurhistorisch waardevolle bebouwing. De herontwikkeling van het plangebied doet geen afbreuk aan (omliggende) cultuurhistorisch en geografisch waardevolle panden of structuren. De woning dient aanvaardbaar te zijn uit een oogpunt van een milieuhygiënisch verantwoord woon- en leefklimaat. Voldoet, wordt toegelicht in onderhavige toelichting, zie hiervoor hoofdstuk 4.

Het agrarisch bedrijf ter plaatse is beëindigd en agrarisch hergebruik is niet langer mogelijk. Voldoet, agrarisch bedrijf is niet langer in gebruik en de bestemming wordt omgezet naar een woonbestemming. Er is geen sprake van onevenredige milieuhygiënische belemmeringen. Voldoet, wordt toegelicht in onderhavige toelichting, zie hiervoor o.a. hoofdstuk 4. De woning leidt niet tot onevenredige aantasting van gebruiks- en ontwikkelingsmogelijkheden van de naastgelegen percelen. Voldoet, wordt toegelicht in onderhavige toelichting o.a. in paragraaf 4.3. De wijziging gaat gepaard met een aantoonbare en uitvoerbare fysieke verbetering van de aanwezige of potentiële kwaliteiten van bodem, water, natuur, landschap of cultuurhistorie of van extensieve recreatieve mogelijkheden van het plangebied overeenkomstig de regeling kwaliteitsverbetering landschap Sint-Oedenrode zoals opgenomen in Bijlage 6 van de planregels. Voldoet, zie hiervoor de landschappelijke inpassingsmaatregelen en kwaliteitsbijdrage beschreven in hoofdstuk 2. Aan de gronden die met toepassing van deze wijziging vallen buiten het bestemmingsvlak wonen, wordt de gebiedsbestemming 'Agrarisch' toegekend. Voldoet, de gronden van de erf en tuin die buiten de bestemming ‘wonen’ vallen zullen de bestemming ‘agrarisch’ hebben.

Hoofdstuk 3

19

3.3.4 Beleidsregel Kruimelgevallen gemeente Meierijstad (8 maart 2021) Voor toepassing van de kruimelgevallenregeling gelden de minimale vereisten dat: a. de stedenbouwkundig-ruimtelijke structuur van de omgeving wordt niet onevenredig aangetast; b. de parkeercapaciteit dient na realisering voldoende te zijn, waarbij wordt getoetst aan geldend gemeentelijk parkeerbeleid; c. de verkeersveiligheid dient in voldoende mate te zijn geborgd; d. het woon- en leefmilieu van de omgeving wordt niet onevenredig aangetast; e. de natuurlijke en / of landschappelijke waarden worden niet onevenredig aangetast; f. belangen van derden worden niet onevenredig geschaad; g. er ontstaan geen (onevenredige) privaatrechtelijke belemmeringen. Voor een bijbehorend bouwwerk of uitbreiding daarvan buiten de bebouwde kom gelden voorwaarden met betrekking tot omvang en oppervlakte. De totale oppervlakte waaraan op grond van het geldende bestemmingsplan en met dit kruimelgevallenbeleid medewerking kan worden verleend bedraagt niet meer dan 200 m² aan bijgebouwen per bouwperceel. Het gaat daarbij om de oppervlakte van de vrijstaande bijgebouwen samen met de oppervlakte van bijgebouwen die gerealiseerd worden aan de woning met deze afwijkingsmogelijkheid. Hiervoor gelden aanvullend nog de volgende bepalingen: 1. goothoogte maximaal 3,30 meter; 2. bouwhoogte maximaal 5,00 meter; 3.

de onderlinge afstand op een perceel tussen bijgebouwen moet minimaal 1 meter en tussen bijgebouw en hoofdgebouw minimaal 3,00 meter bedragen, tenzij aaneengebouwd; 4. de vergroting van de oppervlakte aan bijgebouwen tot 200 m² per bouwperceel dient gepaard te gaan met kwaliteitsverbetering van het landschap. Doorwerking besluitgebied Hoewel sec geen toepassing van de kruimelgevallenregeling wordt gevraagd, vormt deze wel een afwegingskader om de met onderhavig bestemmingsplan mogelijk gemaakte 200 m² aan bijgebouwen te verantwoorden. De in deze regeling opgenomen criteria en beleidsafwegingen zijn betrokken bij de ruimtelijke motivering van onderhavig plan. Binnen een bestemmingsvlak voor ‘Wonen’ is op grond van het bestemmingsplan ‘Harmonisatie van diverse regelingen - laaghangend fruit’ 150 m² aan bijgebouwen toegestaan met een toegestane goothoogte van 3,30 meter en bouwhoogte van 6 meter. Het nieuw op te richten bijgebouw zal een maatvoering kennen van 200 m² met een maximale goothoogte van 3,30 meter en een maximale bouwhoogte van 6 meter. Voor dit bijgebouw zou dus voor wat betreft de afwijking van het te bebouwen oppervlak (200 m², in plaats van 150 m²) een beroep gedaan kunnen worden op de kruimelgevallenregeling.

Immers, voorziet het bouwplan tevens in een landschappelijk inpassingsplan met voldoende kwaliteitsverbetering om tot een totaal maximum van 200 m² aan bijgebouwen te komen. Slechts van de maximale bouwhoogte wordt afgeweken (6 meter in plaats van maximaal 5 meter) om zo aan te sluiten op de maatvoeringsregels qua hoogte voor bijgebouwen vanuit ‘Harmonisatie van diverse regelingen - laaghangend fruit’. Op die manier kan een eenduidige bouwmassa zonder ‘sprong’ in de nokhoogte opgericht worden. Ook aan de algemene voorwaarden vanuit het beleid kan worden voldaan. Immers, is sprake van een goede inpassing waarbij de ruimtelijke en landschappelijke structuren worden gerespecteerd en versterkt. Er is geen sprake van een toename parkeerbehoefte. Er wordt gebruik gemaakt van een bestaande inrit en de beoogde functie geen milieugevoelige functie waardoor het woon- en leefmilieu en belangen van derden niet onevenredig worden aangetast.

Hoofdstuk 3

20

Met bovenstaande motivatie van de beoogde situatie wordt aangegeven op welke wijze aan de gestelde voorwaarden vanuit het beleid is voldaan.

Hoofdstuk 3

21

4.

OMGEVINGSASPECTEN In dit hoofdstuk worden de diverse relevante omgevingsaspecten aangehaald en wordt het plan hieraan getoetst.

4.1 Geluid In de Wet geluidhinder (Wgh) is vastgesteld dat, indien in het plangebied geluidgevoelige functies (zoals woningen) zijn voorzien binnen de invloedssfeer van (weg)verkeerslawaai, akoestisch onderzoek uitgevoerd dient te worden bij vaststelling of herziening van het bestemmingsplan. Dit geldt voor alle straten en wegen, met uitzondering van:  wegen die in een als ‘woonerf’ aangeduid gebied liggen;  wegen waarvoor een maximumsnelheid van 30 km/uur geldt. Doorwerking plangebied Er is door de Roever een akoestisch onderzoek wegverkeerslawaai uitgevoerd In dit onderzoek is de geluidbelasting vanwege het wegverkeerslawaai berekend voor de gewenste woning op het perceel. Onderstaand worden de belangrijkste bevindingen omschreven. Voor het gehele rapport wordt verwezen naar de bijlage. Hogere waarden Een hogere waarde is niet nodig omdat alle berekende geluidsniveaus komend van de gedoneerde wegen in de omgeving onder de voorkeursgrenswaarde van 48 dB liggen. Bouwbesluit en woon- en leefklimaat Benodigde gevelwering (wegverkeerslawaai) De gecumuleerde geluidbelasting bij de geplande woning bedraagt ten hoogste 50 dB op de westgevel op de begane grond en 1e etage van de woning. De vereiste karakteristieke geluidwering Ga;k bedraagt dan 20 dB (standaardeis uit het bouwbesluit). Nader onderzoek naar de geluidwering van de gevels is niet nodig.

Woon- en leefklimaat De milieukwaliteit wordt bij de woning wordt geclassificeerd als ‘Zeer Goed’ tot ´Goed´. Het woon- en verblijfsklimaat ter plaatse van de woning wordt als acceptabel aangemerkt. Geconcludeerd kan worden dat de cumulatieve geluidbelasting (wegverkeer) een aanvaardbaar woon- en verblijfsklimaat niet in de weg staat. Conclusie Het aspect geluid vormt geen belemmering voor het planvoornemen.

Hoofdstuk 4

22

4.2 Luchtkwaliteit De hoofdlijnen voor regelgeving rondom luchtkwaliteitseisen staan beschreven in de Wet milieubeheer (hoofdstuk 5, titel 5.2 Wm). Hierin zijn grenswaarden opgenomen voor luchtvervuilende stoffen. Voor ruimtelijke projecten zijn fijn stof (PM10 en PM2,5) en stikstofdioxide (NO2) de belangrijkste stoffen. Een project is toelaatbaar als aan één van de volgende voorwaarden wordt voldaan:  er is geen sprake van een feitelijke of dreigende overschrijding van een grenswaarde;  het project leidt per saldo niet tot een verslechtering van de luchtkwaliteit;  het project draagt alleen niet in betekenende mate bij aan de luchtverontreiniging;  het project is opgenomen in het Nationaal Samenwerkingsprogramma Luchtkwaliteit (NSL) of een regionaal programma van maatregelen. Om te bepalen of een project "niet in betekenende mate" bijdraagt aan de luchtkwaliteit is een algemene maatregel van bestuur 'Niet in betekenende mate' (Besluit NIBM) en een ministeriële regeling NIBM (Regeling NIBM) vastgesteld waarin de uitvoeringsregels zijn vastgelegd. Een project kan in twee situaties NIBM bijdragen aan de luchtkwaliteit:  het project behoort tot de lijst met categorieën van gevallen (inrichtingen, kantoor- en woningbouwlocaties) die is opgenomen in de Regeling NIBM;  het project heeft een toename van minder dan 3% van de jaargemiddelde concentratie NO 2 en PM10 (1,2μg/m3).

Doorwerking plangebied Voorgenomen planvoornemen heeft betrekking op de realisatie van een woning ter vervanging van een bestaande bedrijfswoning. De ontwikkeling valt hiermee onder de drempelwaarde in de regeling NIBM opgenomen lijst met categorieën van gevallen (de realisatie van 1.500 woningen met één ontsluitingsweg). De onderhavige ontwikkeling draagt dan ook niet in betekenende mate bij aan de verslechtering van de luchtkwaliteit Ook wanneer een project niet in betekenende mate bijdraagt aan luchtverontreiniging, moet in het kader van een goede ruimtelijke ordening worden bekeken of er ter plaatse van het projectgebied sprake is van een aanvaardbaar woon- en leefklimaat met betrekking tot luchtkwaliteit. Over luchtkwaliteit kunnen uitspraken gedaan worden aan de hand van achtergrondwaarden voor NO2, PM10 en PM2.5. Die waarden kunnen worden achterhaald aan de hand van de kaarten ‘Stikstofdioxide 2020 (NO2)’, ‘Fijnstof 2020 (PM10)’ en ‘Fijnstof 2020 (PM2,5)’ uit de Atlas Leefomgeving . Betreffende achtergrondwaarden voor het besluitgebied zijn opgenomen in de navolgende tabel, samen met de voor deze stoffen geldende normen.

Plangebied Norm

NO2 μg/m³ 13,42 40

PM10 μg/m³ 16,8 40

PM2.5 μg/m³ 9,43 25

Uit bovenstaande tabel kan worden opgemaakt dat de achtergrondwaarden significant lager zijn dan de gestelde normen. Hiermee is aannemelijk gemaakt dat er sprake is van een aanvaardbaar woonen leefklimaat in het besluitgebied.

Hoofdstuk 4

23

Conclusie Het aspect luchtkwaliteit geen belemmering vormt voor het plan.

4.3 Bedrijven en milieuzonering Onder milieuzonering wordt verstaan het waar nodig zorgen voor een voldoende ruimtelijke scheiding tussen enerzijds bedrijven of overige milieubelastende functies en anderzijds milieugevoelige functies zoals woningen. Bij de planontwikkeling dient rekening te worden gehouden met milieuzonering om de kwaliteit van het woon- en leefmilieu te handhaven en te bevorderen en daarnaast bedrijven voldoende zekerheid te bieden dat zij hun activiteiten duurzaam binnen aanvaardbare voorwaarden kunnen uitvoeren. Richtafstanden Bij de milieuzonering wordt gebruik gemaakt van de door de Vereniging van Nederlandse Gemeenten (VNG) opgestelde publicatie ‘Bedrijven en milieuzonering’2. In de publicatie is een lijst opgenomen met bedrijfstypen. Voor de bedrijfstypen zijn indicatieve (richt)afstanden bepaald voor de milieuaspecten geur, stof, geluid en gevaar. De richtafstanden vormen een indicatie van de aanvaardbaarheid in de situatie dat gevoelige functies in de nabijheid van milieubelastende functies worden gesitueerd. Indien bekend is welke activiteiten concreet worden beoogd of aanwezig zijn, kan gemotiveerd worden uitgegaan van de daadwerkelijk te verwachten milieubelasting (in plaats van de richtafstanden).

Omgevingstype De richtafstanden zijn afgestemd op de omgevingskwaliteit zoals die wordt nagestreefd in een rustige woonwijk of een vergelijkbaar omgevingstype (zoals een rustig buitengebied, een stiltegebied of een natuurgebied). Een rustige woonwijk is een woonwijk die is ingericht volgens het principe van functiescheiding. Afgezien van wijkgebonden voorzieningen komen vrijwel geen andere functies (zoals bedrijven en kantoren) voor. Binnen gemengde gebieden heeft men te maken met milieubelastende en milieugevoelige functies die op korte afstand van elkaar zijn gesitueerd. Direct naast woningen komen andere functies voor zoals winkels, horeca en kleine bedrijven. Voorbeelden van gebieden met functiemenging zijn horecaconcentratiegebieden, stadscentra, winkelcentra en winkelgebieden van dorpskernen, woon-werkgebieden met kleinschalige ambachtelijke bedrijvigheid, gebieden langs stadstoegangswegen met meerdere functies en lintbebouwing in het buitengebied met veel agrarische en andere bedrijvigheid. Doorwerking plangebied Het planvoornemen maakt geen milieubelastende activiteiten mogelijk, maar voorziet wel in de realisatie van een gevoelige functie (woning). Wel komt bij deze woning een bedrijf aan huis in de vorm van een hoveniersbedrijf. In de omgeving zijn verschillende agrarische bedrijven gevestigd. Verder liggen er ook enkele woningen in de buurt.

Gezien de aanwezige functies, wonen en agrarische en nietagrarische bedrijven, is er geen sprake van een rustig buitengebied maar van een gemengd gebied. Gelet op het gemengd gebied waarin het plangebied is gelegen kunnen de richtafstanden met één stap verlaagd worden. In onderstaande tabel zijn de agrarische bedrijven in de omgeving weergeven met daarbij de milieucontouren (gebaseerd op de afstanden in een gemengd gebied) en de werkelijke afstand. Hieruit is

2

‘Bedrijven en Milieuzonering’, Uitgave VNG, Den Haag, 2009.

Hoofdstuk 4

24

zichtbaar dat een aantal veehouderijen binnen de geur-contour van het plangebied ligt. Hiervoor is nader onderzoek uit gevoerd, zie hiervoor paragraaf 4.5 geurhinder. Voor de overige aspecten liggen de bedrijven in de omgeving op voldoende afstand van het plangebied en zorgen niet voor belemmeringen voor onderhavig plan. Adres

Bedrijf (*SBI-2008)

Lieshoutsedijk 6

Agrarische bedrijf (intensieve veehouderij, fokken en houden van varkens, 0146*) Agrarische bedrijf (gebruiksgerichte paardenhouderij, fokken en houden van overige graasdieren: - paardenfokkerijen 0143*) Agrarische bedrijf (intensieve veehouderij, fokken en houden van varkens, 0146*) Agrarische bedrijf (intensieve veehouderij, fokken en houden van pluimvee: opfokkippen en mestkuikens, 0147*)

Lieshoutsedijk 13

Lieshoutsedijk 9a

Bikkelkampen 3

Hoofdstuk 4

Milieucategorie4.1

Geur

stof

Geluid

Gevaar

Werkelijke afstand (in meters)

100

10

30

0

300

3.1

30

10

30

0

10

4.1

100

10

30

0

60

4.1

100

10

30

0

200

25

Eversestraat 55

Zijtaartseweg 17

Lieshoutsedijk 10

Bikkelkampen 1

Zijtaartseweg 8

Agrarische bedrijf (intensieve veehouderij, fokken en houden van rundvee, 0141, 0142*) Agrarische bedrijf (intensieve veehouderij, fokken en houden van pluimvee: legkippen, 0147*) Statistisch opslag bedrijf (Opslaggebouwen (verhuur opslagruimte), 52109*) Constructie en montage bedrijf (Bouwbedrijven algemeen: b.o. > 2.000 m2, 41 42 43*) Agrarisch bedrijf (Intensieve kwekerij, 011, 012, 013*)

4.1

50

10

10

0

150

4.1

100

10

30

0

220

2

0

0

10

10

65

3.2

0

10

50

10

105

2

0

0

10

10

125

Invloed initiatief op bedrijven Het plan voorziet in de realisatie van een woning in de vorm van een omzetting van een bestaande bedrijfswoning met herbouw. Woningen kunnen niet gezien worden als milieubelastende functies. Ze zorgen daarom ook niet voor belemmeringen voor omliggende woningen (of gevoelige functies). Ook omliggende bedrijven worden niet onevenredig belemmerd, aangezien de woning niet zorgt voor minder uitbreidingsmogelijkheden van deze bedrijven. De woning ligt buiten de richtafstanden van de be-

Hoofdstuk 4

26

drijven, met uitzondering van de gebruiksgerichte paardenhouderij aan de Lieshoutsedijk 13 en Lieshoutsedijk 9a. Ten opzichte van de veehouderij aan de Lieshoutsedijk 9a zal de nieuwe woning verder van dit bedrijf af komen te staan dan de huidige bedrijfswoning, waarmee deze veehouderij al rekening diende te houden. Voor de nieuwe woning is een strak bouwvlak opgenomen en deze kan in planologische zin niet dichter naar de veehouderij komen. In de huidige planologische situatie staat de bedrijfswoning dicht op de weg en is herbouw van deze woning ook niet rechtstreeks mogelijk buiten de bestaande fundamenten (dit volgt uit artikel 3.3.16 van het bestemmingsplan ‘Buitengebied SintOedenrode, herziening 4’). Het nieuwe regime is daarmee beperkender dan het huidige en legt een exacte locatie voor de gevoelige bestemming vast. Hiermee kan gesteld worden dat er geen nieuwe beperkingen voor de veehouderijen optreden. Daarnaast ligt tussen de veehouderij en de te herbouwen woning aan de Lieshoutsedijk 11 ook nog een andere burgerwoning (Lieshoutsedijk 9b). Deze woning ligt dichterbij dan de te herbouwen woning en daarmee kan worden betoogd dat de woning Lieshoutsedijk 9b maatgevender is dan de te herbouwen woning. De beoogde locatie voor de bedrijfswoning past binnen de uiterste bouwmogelijkheden in de vigerende situatie. De veehouderij aan Lieshoutsedijk 9a wordt niet extra belemmerd.

De afstand tussen het beoogde locatie van de bedrijfswoning en de veehouderij aan Lieshoutsedijk 9a bedraagt 57 meter. Er wordt voldaan de richtafstanden voor de aspecten stof, geluid en gevaar. Ten aanzien van deze aspecten is sprake van een aanvaardbaar woon- en leefklimaat en wordt de veehouderij aan Lieshoutsedijk 9a niet belemmerd. De richtafstand voor het aspect geur wordt wel overschreden. Daarom is separaat een geuronderzoek uitgevoerd. Ten opzichte van de gebruiksgerichte paardenhouderij is tussen de initiatiefnemers afgestemd waar de milieubelastende activiteiten en functies van de paardenhouderij gesitueerd zullen worden. Dit is op een afstand van minimaal 50 meter tot de achtergevel van de nieuwe woning. De paardenhouderij kan hierdoor ook na de omzetting zonder problemen functioneren en een aanvaardbaar woon- en leefklimaat in de nieuwe woning is voldoende gegarandeerd. Onderdeel van het plan is de vestiging van een hoveniersbedrijf in de vorm van een bedrijf aan huis. Het betreft een bedrijfsactiviteit ‘Dienstverlening t.b.v. de landbouw: - plantsoenendiensten en hoveniersbedrijven: b.o. < 500 m²’ (016.4). Deze bedrijfsactiviteit valt in milieucategorie 2. In een gemengd gebied geldt een richtafstand van 10 meter ten opzichte van onderliggende gevoelige functies. Ten opzichte van de woningen Lieshoutsedijk 9a en 13 wordt aan de richtafstand voldaan.

In de loods vindt uitsluitend opslag van materiaal en materieel plaats. Er zal geen sprake zijn van onevenredige hinder door deze functie. Gesteld kan worden dat deze activiteit geen relevante geluidbijdrage zal hebben ter plaatse van de bestaande woningen. Er is daarmee sprake van een aanvaardbaar woonen leefklimaat ter hoogte van de omliggende geluidsgevoelige objecten.

4.4 Geur agrarisch De Wet geurhinder en veehouderij (Wvg) vormt sinds 1 januari 2007 het toetsingskader voor de milieuvergunning, als het gaat om geurhinder vanwege dierenverblijven van veehouderijen. De Wgv is bedoeld om mensen te beschermen tegen geuroverlast vanuit veehouderijbedrijven. In principe bepaalt de Wgv de ontwikkelingsmogelijkheden van veehouderijbedrijven op het gebied van geurbelasting. In de Wgv wordt alleen de ontwikkeling of belemmering van veehouderijbedrijven gereguleerd. De Wgv vormt daarmee het toetsingskader van de veehouderijbedrijven, de wet vormt geen toetsingskader van de toelaatbaarheid van andere functies. Vanuit de Wet ruimtelijke ordening (Wro), is aangegeven dat sprake dient te zijn van een acceptabel woon- en leefklimaat. Het is daarom noodzakelijk

Hoofdstuk 4

27

om tweeledig naar dit aspect te kijken. Enerzijds mag de ontwikkeling niet leiden tot een belemmering van veehouderijbedrijven, en anderzijds dient sprake te zijn van een acceptabel woon- en leefklimaat. Doorwerking plangebied Er is door de Roever een geuronderzoek uitgevoerd voor het plangebied. In deze toelichting worden de belangrijkste conclusies vermeld, voor het gehele onderzoek wordt verwezen naar de bijlagen. Uit het onderzoek blijkt dat ter plaatse van beoogde geurgevoelige objecten:  wordt voldaan aan de afstandseis van 50 meter;  de voorgrondbelasting op zijn hoogst 13,7 ouE/m³ bedraagt;  de achtergrondbelasting op zijn hoogst 13,7 ouE/m³ bedraagt. Omdat emissiepunten van dierenverblijven op grote afstand van het plangebied zijn gelegen (meer dan 50 meter) kan worden gesteld dat ten aanzien van afstanden sprake is van een aanvaardbaar woon- en leefklimaat. De hoogst berekende voorgrondbelasting bedraagt 13,7 ouE/m³. Deze waarde voor de voorgrondbelasting komt overeen met een ‘tamelijk slecht’ woon- en leefklimaat.

Omdat er sprake is van het onderstaande acht de gemeente deze waarde in dit geval toch acceptabel:  de geurbelasting niet verder toe kan nemen omdat sprake is van een overbelaste situatie; o wordt voldaan aan de afstandseisen; o er sprake is van een agrarische omgeving; o het woon- en leefklimaat vergelijkbaar is met het eveneens ‘tamelijk slecht’ woon- en  leefklimaat dat op grond van de geurnorm van 14,0 ouE/m3 van toepassing is;  de bewoners de geursituatie kunnen meewegen in hun overweging zich ter plaatse te vestigen (met als voorwaarde dat de bewoners vooraf over de geursituatie geïnformeerd worden). De achtergrondbelasting 13,7 ouE/m³ komt overeen met een ‘matig’ woon- en leefklimaat. De geurnorm voor geurgevoelige objecten binnen het plangebied bedraagt 14,0 ouE/m³. Het woon- en leefklimaat is beter dan het ‘tamelijk slecht’ woon- en leefklimaat dat op grond van de geurnorm aanvaardbaar wordt geacht. Als vuistregel geldt dat de achtergrondbelasting maatgevend is als deze meer dan het dubbele bedraagt van de voorgrondbelasting. Dat is hier niet het geval, de voorgrondbelasting is maatgevend. Ten aanzien van de minimale afstanden tussen geurgevoelige objecten en geur veroorzakende gebouwen wordt verwezen naar paragraaf 4.3 ‘Bedrijven en milieuzonering’.

Conclusie Gezien het bovenstaande is sprake van een aanvaardbaar woon- en leefklimaat met betrekking tot het aspect geur. Dit aspect vormt geen belemmering voor de bestemmingswijziging.

4.5 Externe veiligheid Externe veiligheid heeft betrekking op de risico's die mensen lopen als gevolg van mogelijke ongelukken met gevaarlijke stoffen bij bedrijven, transportroutes (wegen, spoorwegen en waterwegen) en

Hoofdstuk 4

28

buisleidingen. Omdat de gevolgen van een ongeluk met gevaarlijke stoffen groot kunnen zijn, zijn de aanvaardbare risico's vastgelegd in diverse besluiten. De belangrijkste zijn: - Besluit externe veiligheid inrichtingen (Bevi). - Besluit externe veiligheid buisleidingen (Bevb). - Besluit externe veiligheid transportroutes (Bevt). Binnen de beleidskaders voor deze drie typen risicobronnen staan altijd twee kernbegrippen centraal: het plaatsgebonden risico en het groepsrisico. Hoewel beide begrippen onderlinge samenhang vertonen zijn er belangrijke verschillen. Hieronder worden beide begrippen verder uitgewerkt. Risiconormering Plaatsgebonden risico (PR) Het plaatsgebonden risico geeft de kans, op een bepaalde plaats, om te overlijden ten gevolge van een ongeval bij een risicovolle activiteit. Het PR kan op de kaart van het gebied worden weergeven met zogeheten risicocontouren: lijnen die punten verbinden met eenzelfde PR. Binnen de 10-6 contour (welke als wettelijk harde norm fungeert) mogen geen kwetsbare objecten geprojecteerd worden. Voor beperkt kwetsbare objecten geldt de 10-6 contour niet als grenswaarde, maar als een richtwaarde. Groepsrisico (GR) Het groepsrisico is een maat voor de kans dat bij een ongeval een groep slachtoffers valt met een bepaalde omvang (10 personen of meer).

Het GR wordt bepaald binnen het invloedsgebied van een risicovolle activiteit en kent geen vaste norm, maar een oriëntatiewaarde (= ‘1’). Voor het groepsrisico geldt een verantwoordingsplicht. Dit houdt in dat iedere wijziging met betrekking tot planologische keuzes moet worden onderbouwd én verantwoord door het bevoegd gezag. Verantwoordingsplicht groepsrisico Met het invullen van de verantwoordingsplicht wordt antwoord gegeven op de vraag in hoeverre externe veiligheidsrisico's in het plangebied worden geaccepteerd en welke maatregelen getroffen zijn om het risico zoveel mogelijk te beperken. Het invullen van de verantwoordingsplicht is een taak van het bevoegd gezag (veelal de gemeente). Door de verantwoordingsplicht worden gemeenten gedwongen het externe veiligheidsaspect mee te laten wegen bij het maken van ruimtelijke keuzes. Deze verantwoording is kwalitatief en bevat verschillende onderdelen die aan bod kunnen of moeten komen. Ook bestaat er een adviesplicht voor de regionale brandweer. In de Handreiking verantwoordingsplicht groepsrisico zijn de onderdelen van de verantwoording nader uitgewerkt en toegelicht. Bron Inrichtingen (Bevi) Buisleidingen (Bevb)

De tekst is automatisch uit het bestand gehaald en kan afwijken van het origineel (kolommen, tabellen en koppen lopen door elkaar). Het officiële stuk bij de gemeente is leidend. Bron: https://api1.ibabs.eu/publicdownload.aspx?site=Meierijstad&id=4504db06-11db-4d44-afc6-af7bed5aefab