Bijlage 12 Toelichting Zijtaartseweg 12 (inclusief bijlage)
Tekst van het document
Ruimtelijke onderbouwing Zijtaartseweg 12
25
Gemeenten mogen bij verordening van de normen van de Wet geurhinder en veehouderij afwijken, binnen bepaalde grenzen (artikel 6 van de wet). In de huidige situatie is er op het plangebied sprake van een varkenshouderij met een geurproductie en daarmee eventuele geurhinder voor de omgeving van het plangebied. Het wijzigen van de bestemming betekend dat eventuele overlast volledig verdwijnt, een grondgebonden agrarisch bedrijf kent geen geurproductie. Geur vormt geen belemmering voor de beoogde ontwikkeling. De beëindiging van de varkenshouderij betekend dat de geurproductie en eventuele hinder daarvan volledig van het plangebied verdwijnen. In de omgeving zijn enkele intensieve veehouderijen aanwezig maar het plangebied is op voldoende afstand gelegen om de invloed van deze bedrijven op het plangebied beperkt in te kunnen schalen.
4.9
Akoestiek
Voor het aspect geluid is binnen het plangebied de Wet geluidhinder van toepassing. De Wet geluidhinder kent voor weg- en railverkeer alsmede voor gezoneerde industrieterreinen voorkeursgrenswaarden op nieuwe bestemmingen. De Wet geluidhinder gaat uit van zones langs (spoor)wegen en zones bij industrieterreinen die aandachtsgebieden voor mogelijke geluidhinder begrenzen. Volgens de Wet geluidhinder gelden voor woningen, andere geluidsgevoelige gebouwen dan woningen en andere geluidsgevoelige objecten binnen de zone van een weg geluidswaarden die niet overschreden mogen worden. Op basis van art. 76 lid 3 Wgh hoeft de geluidsbelasting van een aanwezige weg waar geen wijzigingen optreden op bestaande woningen niet getoetst te worden aan de grenswaarden. Zoals ook in paragraaf 4.7 te zien is wordt de richtafstand voor wat het geluidsaspect betreft bij een omzetting van een varkenshouderij naar een grondgebonden agrarisch bedrijf met 20 meter verkleind. Het bedrijf heeft daarmee een minder grote invloed op de omgeving voor wat betreft geluid. De solitaire ligging op ruim voldoende afstand van omliggende functies maakt dat geluidsoverlast afkomstig van andere locaties niet waarschijnlijk is. Akoestiek vormt geen belemmering voor de beoogde ontwikkeling. De richtafstand voor het nieuwe bedrijf is kleiner dan die van de bestaande varkenshouderij.
Eventuele hinder van omliggende functies is vanwege de aanzienlijke afstand niet te verwachten.
4.10 Luchtkwaliteit Titel 2 van hoofdstuk 5 van de Wet milieubeheer (deze titel wordt ook wel aangeduid als ‘Wet luchtkwaliteit’) voorziet onder meer in een gebiedsgerichte aanpak van de luchtkwaliteit via het Nationaal Samenwerkingsprogramma Luchtkwaliteit (NSL). De programma-aanpak zorgt voor een flexibele koppeling tussen ruimtelijke activiteiten en milieugevolgen. Van bepaalde projecten met getalsmatige grenzen is vastgesteld dat deze ‘niet in betekenende mate’ (NIBM) bijdragen aan de luchtverontreiniging. Deze mogen zonder toetsing aan de
Ruimtelijke onderbouwing Zijtaartseweg 12
26
grenswaarden voor luchtkwaliteit uitgevoerd worden. Een project draagt ‘niet in betekende mate’ bij aan de luchtverontreiniging als de 3% grens niet wordt overschreden. De grens is gedefinieerd als 3% van de grenswaarde voor de jaargemiddelde concentratie van fijn stof (PM10) of stikstofdioxide (NO2). Dit komt overeen met 1,2 µg/m3 voor zowel PM10 als NO2. Er dient met name gekeken te worden naar de emissie van fijn stof (PM10). Op grond van de Wet luchtkwaliteit gelden grenswaarden waaraan voldaan moet worden. De grenswaarden waaraan getoetst wordt zijn: •
Jaargemiddelde concentratie: 40 µg/m3;
•
Daggemiddelde concentratie: 50 µg/m3;
•
Aantal toegestane overschrijdingen daggemiddelde: 35 keer.
Vanuit de rijksoverheid worden er via het RIVM grootschalige concentratie- en depositiekaarten beschikbaar gesteld. De kaarten geven voor PM10, NO2 en PM2,5 achtergrond concentraties in de lucht. In figuur 4-2, 4-3 en 4-4 zijn uitsneden gegeven van de betreffende kaarten. De kaartgegevens zijn op gemeenteniveau uit te lezen, met een cirkel is globaal de ligging van het plangebied weergegeven. Te zien is dat er ter plaatse sprake is van een goede luchtkwaliteit. Het beëindigen van de intensieve veehouderij betekent automatisch een verbetering ten aanzien van de luchtkwaliteit. Varkenshouderijen kennen een behoorlijke uitstoot van fijnstof en een beperkte uitstoot van stikstofdioxide.
Figuur 4-2: uitsnede RIVM No2
Ruimtelijke onderbouwing Zijtaartseweg 12
27
Figuur 4-3: uitsnede RIVM fijnstof pm2,5
Figuur 4-4: uitsnede RIVM fijnstof pm10
NIBM Het Besluit ‘niet in betekenende mate bijdragen’ staat bouwprojecten toe wanneer de bijdrage aan de luchtkwaliteit van het desbetreffende project niet in betekenende mate is. De afkorting NIBM staat voor ‘Niet in betekenende mate bijdragen' aan de luchtverontreiniging. Hiermee worden ruimtelijke projecten of (te vergunnen) activiteiten bedoeld die slechts een zeer geringe bijdrage
Ruimtelijke onderbouwing Zijtaartseweg 12
28
hebben aan de luchtverontreiniging. In deze gevallen is een toetsing aan de grenswaarden luchtkwaliteit niet nodig. Belangrijk bij toepassing van NIBM is dat aannemelijk gemaakt moet worden, dat de 3% grens niet wordt overschreden (artikel 2 van het Besluit NIBM). Wanneer gesteld kan worden dat het aannemelijk is dat de grens niet wordt overschreden, dan is het project al ‘NIBM’. Behalve de getalsmatige onderbouwing geeft de regeling NIBM aan dat een woningbouwplan met minder dan 1500 woningen per definitie niet in betekenende mate bijdragen aan de luchtverontreiniging. Een project is ‘NIMB’ wanneer maximaal 3% van de jaargemiddelde grenswaarde bijdraagt aan de concentraties fijnstof (PM₁₀) of stikstofdioxide (NO₂). Dit komt overeen met een toename van maximaal 1,2 µg/m3 voor zowel PM₁₀ als NO₂. Het project is wel in betekende mate (IMB) indien de toename voor één of beide stoffen hoger is. Er zijn twee mogelijkheden om aannemelijk te maken dat een project binnen de NIBM-grens blijft: 1.
Motiveren dat het project binnen de getalsmatige grenzen van een categorie uit de
Regeling NIBM valt. Het gaat dan bijvoorbeeld om het realiseren van kantoor- en woningbouwlocaties. Het project is dan NIBM als ze onder de vastgestelde omvang blijft. 2.
Op een andere manier aannemelijk maken dat het project de 3% grens niet
overschrijdt. Hiervoor kunnen berekeningen nodig zijn. Dit mag ook als een project de getalsmatige grenzen van de Regeling NIBM overschrijdt. Het is dan mogelijk om alsnog via berekeningen aannemelijk te maken dat de 3% grens niet wordt overschreden. Soms kan een kwalitatieve beschrijving voldoende zijn. De Regeling NIBM geeft categorieën aan van gevallen en getalsmatige grenzen waarbinnen een project altijd NIBM is, ongeacht de bijdrage ervan op de concentraties. Voor dergelijke gevallen mag er zonder meer van worden uitgegaan dat de bijdrage van het project NIBM is. Verkeer Het plan heeft gelet op de aard van de ontwikkeling mogelijk invloed op de luchtkwaliteit. In de huidige bestemming wordt het bedrijf bezocht door divers verkeer voor de aanvoer van voer, de afvoer van dieren en mest en bezoek van diverse controlerende of ondersteunende instanties. Een aanzienlijk deel van dit verkeer vindt plaats via zwaar vrachtverkeer. Na de beëindiging van de intensieve veehouderij bevindt zich op het plangebied enkel een sierteeltbedrijf. Om toch te bepalen of deze ontwikkeling in betekenende mate gezien kan worden is een berekening uitgevoerd met een worst case situatie. In dit geval zou de bestemmingswijziging 20 extra voertuigbewegingen betekenen van personenauto’s en vrachtverkeer. Het aantal van 20 bewegingen is volledig fictief om een worst-case situatie te simuleren.
Het voorbeeld is gekozen om een extreme situatie te toetsen waarmee kan worden gesteld dat het regulier verkeer in ieder geval niet in betekende mate bijdraagt aan de luchtkwaliteit. In onderstaand figuur is de uitkomst van deze berekening zichtbaar.
Ruimtelijke onderbouwing Zijtaartseweg 12
29
Figuur 4-5: Worst-case NIBM berekening
De luchtkwaliteit vormt geen belemmering voor de beoogde ontwikkeling. Er is in de huidige situatie sprake van een goede luchtkwaliteit en met het beëindigen van de varkenshouderij zal de luchtkwaliteit verbeteren. Het wijzigen naar een grondgebonden agrarisch bedrijf betekend dat de verkeersbewegingen afnemen in de beoogde situatie en de fijnstofproductie van het verder afneemt.
4.11 Externe veiligheid Externe veiligheid richt zich op het beheersen van activiteiten die een risico voor de omgeving kunnen opleveren, zoals milieurisico’s, transportrisico’s en risico’s die kunnen optreden bij de productie, het vervoer en de opslag van gevaarlijke stoffen in inrichtingen. Bij de (her)inrichting van een gebied bepaalt de externe veiligheidsituatie mede de ruimtelijke mogelijkheden. Het wettelijk kader voor externe veiligheid wordt gevormd door diverse besluiten en circulaires: •
Inrichtingen (bedrijven): Besluit externe veiligheid inrichtingen (Bevi);
•
Transportroutes: Besluit transportroutes externe veiligheid (Btev);
•
Buisleidingen: Besluit externe veiligheid buisleidingen (Bevb).
Deze wettelijke kaders gaan uit van een minimum veiligheidsniveau voor locaties via het plaatsgebonden risico (PR) en het beperken van het theoretisch aantal slachtoffers in geval van een incident via het groepsrisico (GR). Plaatsgebonden risico Het plaatsgebonden risico (PR10-6) is een (berekende) afstand vanaf een risicobron waarbinnen de kans om te overlijden door een ongeval met de aanwezig gevaarlijke stoffen meer dan 1 op een miljoen jaar is. Binnen deze afstand mogen geen kwetsbare objecten aanwezig zijn of worden opgericht binnen het bestemmingsplan. Kwetsbare objecten zijn bijvoorbeeld grote kantoren, kinderdagverblijven e.d. Het plaatsgebonden risico wordt weergegeven in de vorm van contouren rond een risicobron.
Ruimtelijke onderbouwing Zijtaartseweg 12
30
Groepsrisico Het groepsrisico is een berekende (oriëntatie-)waarde die aangeeft of er mogelijk sprake is van veel slachtoffers bij een ongeval met gevaarlijke stoffen. Om het groepsrisico te berekenen is inzicht noodzakelijk in de aard van de risicobron en het aantal aanwezige personen binnen het invloedsgebied daarvan. Bij veel ruimtelijke besluiten moet de hoogte van dit groepsrisico verantwoord worden. Dit noemt men de verantwoordingsplicht van het groepsrisico. Het groepsrisico wordt weergegeven in een grafiek: de fN-curve. Deze curve geeft aan hoe groot de kans is op een ongeval met een bepaald aantal slachtoffers. Onderstaand figuur geeft een weergave van de risicokaart voor de omgeving van het plangebied. Het plangebied is centraal aangeduid als bron van twee blauwe lijnen. Te zien is dat het plangebied op ruim 850 m van de A50 en ruim 850 m van een buisleiding is gelegen.
Figuur 4-6: uitsnede risicokaart
De afstanden tussen de A50 ten westen en de buisleiding A-521 ten oosten van het plangebied zijn groot genoeg. Het plangebied is buiten de invloedsgebieden van de risicobronnen gelegen. Externe veiligheid vormt geen belemmering voor de beoogde ontwikkeling. Er is (ruim) voldoende afstand aanwezig tussen het plangebied en de aanwezige risicobronnen.
4.12 Hoogspanningslijnen Vanuit een goede ruimtelijke ordening is het van belang ieder aspect met mogelijke invloed op een plangebied of ontwikkeling te behandelen. De aanwezigheid van hoogspanningslijnen kan een invloed hebben op een goed woon- en leefklimaat en kan beperkend zijn voor bedrijfsvoering, met
Ruimtelijke onderbouwing Zijtaartseweg 12
31
name als gewerkt wordt in hoge gebouwen of met machines met een grote reikwijdte. Er zijn in de directe omgeving van het plangebied geen hoogspanningslijnen gelegen, de dichtstbijzijnde lijn ligt op circa 800 meter. Hoogspanningslijnen vormen geen belemmering voor de beoogde ontwikkeling. Er is sprake van een aanzienlijke afstand tussen het plangebied en aanwezige hoogspanningslijnen.
4.13 Spuitzones gewasbescherming Met name bij het telen van fruit in boomgaarden is het gebruik van gewasbeschermingsmiddelen gebruikelijk. Om de middelen op de bomen te brengen wordt gebruik gemaakt van mobiele spuitinrichtingen die via de lucht de middelen op de gewassen brengen. Met het in de lucht brengen van middelen worden deze bloot gesteld aan de wind en daarmee ontstaat het risico dat middelen meer bereiken dan het gewas alleen. Dit proces wordt ‘drift’ genoemd. Gewasbeschermingsmiddelen vormen een potentieel risico voor de gezondheid van omwonenden, om die reden is het bij ruimtelijke ontwikkelingen inmiddels gebruikelijk om spuitzones en middelengebruik mee te nemen in de verantwoording bij planologische besluitvorming zodat het eventuele risico beoordeeld wordt voor gevoelige locaties. Om handvatten te geven aan de wijze waarop initiatiefnemers en gebruikers rekening dienen te houden met het gebruik en de risico’s van gewasbeschermingsmiddelen heeft de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State (hierna: ‘de Afdeling’) een indicatieve afstand van 50 meter als vuistregel in de ruimtelijke ordening geïntroduceerd. In september 2014 heeft de Afdeling een uitspraak gedaan waarin is overwogen dat de voorgestelde afstand van 50 meter indicatief dient te worden gebruikt en de feitelijke situatie op locatie van groter belang is bij ruimtelijke ontwikkelingen.
Daarbij dienen eventuele te treffen voorzorgsmaatregelen meegenomen te worden in de afweging. In een klein land als Nederland kunnen veel fruitteelt bedrijven niet uit de voeten met de voorgestelde afstand van 50 meter en is maatwerk noodzakelijk om een goed woon- en leefklimaat te garanderen en de bedrijfsvoering van de bedrijven niet te negatief te beïnvloeden. Gebruikelijk is om bij de beoordeling van situaties te verwijzen naar verschillende onderzoeken uitgevoerd door de Wageningen universiteit. Deze onderzoeken gaan in eerste instantie uit van de gestelde 50 meter veilige afstand en door middel van het toepassen van verschillende maatregelen kan deze veilige afstand worden teruggebracht. Globaal zijn er 3 belangrijke punten waarmee drift kan worden gereduceerd: • • •
Plaatsen van een ‘windhaag’, een gewas om drift uit de lucht op te vangen Het vergroten van de fysieke afstand tot een boomgaard Het toepassen van drift reducerende spuitmiddelen
Sinds 1 januari 2018 is het op grond van het Activiteitenbesluit verplicht voor ondernemers om drift reducerende maatregelen te nemen wanneer men fruit teelt. De percelen die grenzen aan De Bleken hebben een agrarische bestemming maar fruitteelt is niet direct mogelijk gemaakt. Het aspect spuitzones vormt geen belemmering voor de beoogde ontwikkeling. De percelen grenzend aan het plangebied hebben een agrarische bestemming en zijn in gebruik als grasland.
Ruimtelijke onderbouwing Zijtaartseweg 12
32
Fruitteelt of andere typen teelten waar gewasbeschermingsmiddelen gebruikelijk zijn worden in de huidige situatie niet direct mogelijk gemaakt.
4.14 Verkeer en parkeren Het plangebied is ontsloten via de Zijtaartseweg, ter hoogte van het plangebied kent de Zijtaartseweg een maximaal toegestane snelheid van 60 kilometer per uur. De Zijtaartseweg laat zich kenmerken als een typische weg in het Brabants buitengebied, een tweerichtingsweg met aan beide kanten plaats voor fietsers. Aannemelijk is dat de weg hoofdzakelijk in gebruik is voor bestemmingsverkeer. Het verkeer dat in de huidige situatie het plangebied bezoekt zal in aard vergelijkbaar zijn met het verkeer in de beoogde situatie, de frequentie zal afnemen. Een grondgebonden agrarisch bedrijf kent in de regel minder verkeersbewegingen omdat de frequentie van aan en afvoer van middelen beduidend lager ligt dan een intensieve varkenshouderij. De Zijtaartseweg is in staat om het verkeer van en naar het plangebied te verwerken, op het plangebied zelf zal een gedeelte van de verharding behouden blijven om het parkeren voor bezoekers en eigen voortuigen te kunnen verwerken. Het laden en lossen van goederen en middelen zal op eigen terrein plaatsvinden. Mobiliteit en parkeren vormen geen belemmering voor de beoogde ontwikkeling. De verkeerskundige situatie wijzigt in die zin dat een grondgebonden agrarisch bedrijf minder verkeersbewegingen behoeft dan een intensieve veehouderij. Er is voldoende verharding aanwezig om het parkeren op het plangebied zelf op te lossen.
Ruimtelijke onderbouwing Zijtaartseweg 12
33
5.
Economische uitvoerbaarheid
Het plan zal geheel in particuliere handen uitgevoerd worden. Voor de gemeente zijn er geen financiële consequenties aan verbonden. Met de initiatiefnemer wordt een zogenaamde anterieure overeenkomst afgesloten waarin de afspraken over plankosten en planschade zijn geregeld. Gezien het karakter van het plan is er op voorhand geen aanleiding te veronderstellen dat er sprake is van planschade ten gevolge van het plan.
6.
Maatschappelijke uitvoerbaarheid
Onderdeel van de procedure is het aan gaan van vooroverleg met de desbetreffende partners.
Ruimtelijke onderbouwing Zijtaartseweg 12
34
7.
Conclusie
Er bestaan geen belemmeringen voor de beoogde ontwikkeling. De ontwikkeling heeft een positief effect op de omgeving en een bron van eventuele hinder wordt weggenomen. Met het oprichten van een sierteelt bedrijf blijft de locatie economisch waardevol.
Ruimtelijke onderbouwing Zijtaartseweg 12
35
8.
Bijlagen 1. Landschappelijke inpassing
Ruimtelijke onderbouwing Zijtaartseweg 12
36
Landschappelijke inpassing Zijtaartseweg 12 Sint Oedenrode
Erfinrichtingsplan Zijtaartseweg 12, Sint Oedenrode
1
Colofon
ZLTO Advies
Februari 2021
Kantoor ’s-Hertogenbosch Onderwijsboulevard 225 5223 DE ’s-HERTOGENBOSCH Postbus 100 5201 AC ’s-HERTOGENBOSCH
Erfinrichtingsplan Zijtaartseweg 12, Sint Oedenrode
2
Inhoudsopgave 1.
Aanleiding ................................................................................................................. 4
2.
Beschrijving gebied ................................................................................................... 5
3.
Gemeentelijk beleid ................................................................................................... 6
4.
Erfinrichtingsplan ...................................................................................................... 7
Erfinrichtingsplan Zijtaartseweg 12, Sint Oedenrode
3
1.
Aanleiding
Aan de Zijtaartseweg 12 is de varkenshouderij van initiatiefnemer gelegen. Het bedrijf doet mee aan de saneringsregeling varkenshouderij. Onderdeel van de regeling is een wijziging van de bestemming ter plaatse, waarbij de aanduiding intensieve veehouderij op de locatie wordt verwijderd. Het bedrijf zal de agrarische bestemming blijven houden en na wijziging verder gaan als sierteelt bedrijf. De huidige bebouwing, op de veldschuur na, is niet geschikt voor gebruik in de beoogde situatie. De aanwezige stallen worden daarom gesloopt en er wordt een nieuwe loods van 700 m 2 opgericht voor de opslag van het product en werktuigen. Een belangrijk onderdeel bij ruimtelijke ontwikkelingen is een goede landschappelijke inpassing. In onderhavig document zijn de landschappelijke kwaliteiten van de omgeving in beeld gebracht. Op basis van de landschappelijke kwaliteiten is een erfinrichtingsplan opgesteld waarmee een goede landschappelijke inpassing van de locatie wordt gewaarborgd.
Figuur 1-1: beoogde situatie (links is bestaande schuur, rechts is beoogde schuur)
Erfinrichtingsplan Zijtaartseweg 12, Sint Oedenrode
4
2.
Beschrijving gebied
Het plangebied is gelegen in het buitengebied van de gemeente Meierijstad ten Oosten van het dorp Sint-Oedenrode. Het gebied is gelegen in de Meierij dat bestaat uit dekzandruggen, beekdalen en dekzandvlaktes. De Meierij wordt gekenmerkt door een kleinschalig mozaïek van oude en jonge ontginningslandschappen en woeste gronden. De locatie aan de Zijtaartseweg is gelegen in het jonge ontginningslandschap, tot begin jaren 50 bestond de locatie nog uit woeste heidegronden. Het jonge ontginningslandschap kenmerkt zich door de relatief grootschalige en rationele verkaveling en ontwatering.
Figuur 2-2: Uitsnede historische kaart 1950
Figuur 2-1: Uitsnede historische kaart 1980
Figuur 2-4: Uitsnede topografische kaart 2021
Figuur 2-3: Luchtfoto locatie
De omgeving van de locatie bestaat grotendeels uit weilanden en akkers met verspreid gelegen agrarische bedrijven. De groenstructuren in de omgeving bestaan met name uit bomenlanen en erfbeplantingen. Het gebied heeft daardoor een relatief open karakter.
Erfinrichtingsplan Zijtaartseweg 12, Sint Oedenrode
5
3.
Gemeentelijk beleid
De gemeente Meierijstad is nog bezig met het opstellen van een natuur- en landschapsvisie voor haar grondgebied. Wel heeft de gemeente Meierijstad haar welstandsbeleid vastgelegd in de ‘Welstandsnota 2018’. Met het welstandsbeleid wil de gemeente de ruimtelijke kwaliteit borgen. Voor agrarische bedrijven in het buitengebied betekend dit dat er bij bouwplannen voor een goede landschappelijke inpassing is vereist. De erfbeplanting moet een visueel afschermende of maskerende functie naar het omliggende gebied hebben. De bestaande erfbeplanting heeft al een visueel afschermende functie naar het omliggende gebied. Om ook de beoogde ontwikkelingen visueel af te schermen van het omliggende gebied zal aan de achterkant van het plangebied een struweelhaag met inheemse beplanting aangeplant worden. In het bestemmingsplan heeft de locatie de aanduiding ‘overige zone - leefgebied struweelvogels’. Er vinden geen ontwikkelingen plaats die invloed hebben op het leefgebied struweelvogels. In het erfbeplantingsplan wordt wel rekening gehouden met inrichting en soorten die een positieve bijdrage leveren aan de kwaliteit van het leefgebied voor struweelvogels met de aanleg van een struweelhaag aan de achterzijde van het perceel.
Figuur 3-1: Beschrijving struweelhaag Stimuleringsregeling Landschap
Erfinrichtingsplan Zijtaartseweg 12, Sint Oedenrode
6
4.
Erfinrichtingsplan
Het erfbeplantingsplan richt zich met name op het behoudt van de bestaande groenstructuren op en rond de locatie. De aanwezige laanbomen aan de noord- en oostzijde van de locatie zijn passend in het landschapstype. Voor de visueel afschermende functie naar de omgeving wordt als extra maatregel een struweelhaag aangaplant achter de huidige en nieuwe schuur. Deze bestaat uit passende inheemse beplanting die een bijdrage leveren aan de kwaliteit van het leefgebied voor struweelvogels. Verder wordt rondom de tuin bij de woning een beukenhaag aangeplant. Verder is het uitgangspunt dat 10% van het bouwvlak ingezet wordt voor landschappelijke inpassing. Het bouwvlak in de beoogde situatie heeft een oppervlakte van 4.315 m2. Dit betekend dat minimaal 431,5 m2 aan landschappelijke inpassing gerealiseerd moet worden.
*De getekende inrichting is indicatief op basis van kadastrale gegevens en luchtfoto Soorten Struweelhaag De struweelhaag wordt aangeplant over een lengte van circa 70 meter en een breedte van circa 5 meter, totaal 350 m2. De planten worden in driehoeksverband aangeplant met een plantafstand van circa 1 meter. Het gemengd struweel bestaat uit de volgende soorten: 55 stuks: Meidoorn
Crataegus monogyna
55 stuks: Sleedoorn
Prunus spinosa
55 stuks: Hondsroos
Rosa canina
55 stuks: Egelantier
Rosa rubiginosa
De haag wordt met groepjes van enkele planten van dezelfde soort bij elkaar aangeplant. Beukenhaag De beukenhaag (Fagus sylvatica) wordt aangeplant over een lengte van 85 meter met een breedte van 85 meter. Er komen circa 6 planten per strekkende meter. De totale oppervlakte van de inpassing bedraagt 435 m2 hiermee voldoet het aan de 10%. Erfinrichtingsplan Zijtaartseweg 12, Sint Oedenrode
7
Beheer Struweelhaag De eerste 3 jaar wordt geen onderhoud gepleegd, de beplanting krijgt de kans om op een natuurlijke manier te volgroeien. Na de eerste drie jaar zal duurzaam en natuurvolgend onderhoud plaatsvinden waarbij verruiging en verstoring word voorkomen door uitdunnen en afzetten van wijkende beplanting. Snoeien langs randen na eerste 3 jaar: 1 x per jaar Dunnen en afzetten: 1 x per 3 jaar De werkzaamheden zullen uitgevoerd worden in de periode december t/m maart om zodoende de flora en fauna zo min mogelijk te verstoren. Beukenhaag De beukenhaag wordt jaarlijks gesnoeid zodat deze de gewenste vorm en dichtheid krijgt.
Erfinrichtingsplan Zijtaartseweg 12, Sint Oedenrode
8