Bijlage 12 Toelichting Zijtaartseweg 12 (inclusief bijlage)
Tekst van het document
Ruimtelijke onderbouwing buitengebied Sint-Oedenrode
Zijtaartseweg 12
1 Wijzigingsplan Brede Balrouw 48 Hoeven
Colofon
ZLTO Advies Bas Westerveld Adviseur omgeving 06 83238450 Juli 2021 Aanpassing: 27 juni 2022 Projectnummer 2021000079 Kantoor ’s-Hertogenbosch Onderwijsboulevard 225 5223 DE ’s-HERTOGENBOSCH Postbus 100 5201 AC ’s-HERTOGENBOSCH
Ruimtelijke onderbouwing Zijtaartseweg 12
2
INHOUDSOPGAVE
TOELICHTING 1. 1.1 1.2 1.3
Inleiding ................................................................................................................ 5 Aanleiding ............................................................................................................... 5 Ligging en begrenzing plangebied............................................................................... 5 Vigerend bestemmingsplan ........................................................................................ 7
2. 2.1 2.2
Planbeschrijving .................................................................................................... 8 Huidige situatie ........................................................................................................ 8 Voorgenomen ontwikkeling ........................................................................................ 8
3. Beleidstoets ......................................................................................................... 10 3.1 Rijksbeleid ............................................................................................................. 10 3.1.1 Structuurvisie Infrastructuur en Ruimte ............................................................... 10 3.1.2
Besluit algemene regels ruimtelijke ordening ........................................................ 10
3.1.3
Ladder duurzame verstedelijking ......................................................................... 11
3.2 Provinciaal beleid .................................................................................................... 11 3.2.1 Brabantse omgevingsvisie .................................................................................. 11 3.2.2 3.3
Interim omgevingsverordening Noord-Brabant ...................................................... 12
Gemeentelijk beleid ................................................................................................. 16
4. Milieuhygienische en planologische verantwoording ............................................ 18 4.1 M.e.r.-beoordeling ................................................................................................... 18 4.2 Cultuurhistorie en archeologie................................................................................... 18 4.3 Flora en Fauna ........................................................................................................ 19 4.3.1 Gebiedsbescherming .......................................................................................... 19 4.3.2
Soortenbescherming .......................................................................................... 20
4.4 Water .................................................................................................................... 21 4.4.1 Waterschap De Dommel ..................................................................................... 21 4.5 4.6 4.7 4.8 4.9 4.10 4.11 4.12 4.13 4.14
Bodem ................................................................................................................... 23 Technische infrastructuur ......................................................................................... 24 Bedrijven en milieuzonering ..................................................................................... 24 Geur ...................................................................................................................... 25 Akoestiek ............................................................................................................... 26 Luchtkwaliteit ......................................................................................................... 26 Externe veiligheid.................................................................................................... 30 Hoogspanningslijnen ................................................................................................ 31 Spuitzones gewasbescherming .................................................................................. 32 Verkeer en parkeren ................................................................................................ 33
5.
Economische uitvoerbaarheid .............................................................................. 34
6.
Maatschappelijke uitvoerbaarheid ....................................................................... 34
7.
Conclusie.............................................................................................................. 35
Ruimtelijke onderbouwing Zijtaartseweg 12
3
8.
Bijlagen ................................................................................................................ 36
Ruimtelijke onderbouwing Zijtaartseweg 12
4
1.
Inleiding
1.1
Aanleiding
Aan de Zijtaartseweg 12 is een varkenshouderij gelegen. Het bedrijf bestaat uit een bedrijfswoning, drie kleinere naast elkaar gebouwde stallen, een grotere stal en een veldschuur. Het bedrijf doet mee aan de saneringsregeling varkenshouderij en als onderdeel van deelname aan deze regeling is een wijziging van de bestemming ter plaatse noodzakelijk. Onderdeel van de bestemmingswijziging dient in ieder geval te zijn dat het houden van intensieve diersoorten niet langer is toegestaan. Het bedrijf zal agrarisch blijven en na wijziging verder gaan als sierteelt bedrijf. De in de huidige situatie aanwezige gebouwen zijn op de veldschuur na niet geschikt voor de nieuwe situatie. Alle aanwezige stallen worden gesloopt en er zal een loods van 700 m 2 opgericht worden voor de opslag van geoogst product en werktuigen. In het geldende bestemmingsplan ter plaatse is een mogelijkheid opgenomen om de functieaanduidingen met betrekking tot het houden van intensieve veehouderij te verwijderen. Deze ruimtelijke onderbouwing zal gebruik maken van de bevoegdheid zoals opgenomen in het vigerend bestemmingsplan. Binnen de gemeentegrenzen van de gemeente Meierijstad zijn meerdere deelnemers aan de saneringsregeling varkenshouderij. De gemeente heeft ervoor gekozen om een veegplan procedure te starten waarmee alle deelnemers aan de regeling in één keer in behandeling kunnen worden genomen.
1.2
Ligging en begrenzing plangebied
Het plangebied is gelegen ten Oosten van de dorpskern Sint-Oedenrode. Kadastraal is de locatie bekend als gemeente Sint-Oedenrode, sectie K, nummer 50. In figuur 1-1 is de ligging van het plangebied weergegeven. In figuur 1-2 is de begrenzing van het plangebied gelegen, de begrenzing is gelegd op het huidige bouwvlak.
Ruimtelijke onderbouwing Zijtaartseweg 12
5
Figuur 1-1:
Ligging plangebied
Figuur 1-2:
Begrenzing plangebied
Ruimtelijke onderbouwing Zijtaartseweg 12
6
1.3
Vigerend bestemmingsplan
Het plangebied is gelegen binnen het bestemmingsplan “Buitengebied Sint-Oedenrode” en de verschillende herzieningen van dit bestemmingsplan. De meest recente, vierde, herziening is vastgesteld op 29 maart 2018. Het plangebied heeft in het bestemmingsplan de enkelbestemming “Agrarisch met waarden – Landschapswaarden”, de locatie heeft een bouwvlak van circa 1,3 hectare, de functieaanduidingen “intensieve veehouderij” en “specifieke vorm van agrarisch met waarden – veehouderij” zijn van kracht, tot slot is er een gebiedsaanduiding “Overige zone – leefgebied struweelvogels”. Behalve het eerdergenoemde bestemmingsplan “Buitengebied Sint-Oedenrode” is het plangebied ook gelegen binnen het paraplubestemmingsplan parkeren zoals vastgesteld door de gemeenteraad op 31-1-2019 en de “Harmonisatie van diverse regelingen – laaghangend fruit” zoals door de gemeenteraad vastgesteld op 27-1-2021. Laatstgenoemde plannen zien toe op (beperkte) wijzigingen en aanvullingen op de vigerende bestemmingsplannen binnen de gemeente. Het parapluplan vertaald de parkeernormen van de gemeente naar het ruimtelijk beleid en de harmonisatie geeft diverse aanvullingen op de regels van het bestemmingsplan. Meest relevant voor de ontwikkeling op het plangebied zijn de aangepaste bouwregels die het harmonisatieplan geeft voor agrarische bestemmingen.
Ruimtelijke onderbouwing Zijtaartseweg 12
7
2.
Planbeschrijving
2.1
Huidige situatie
Aan de Zijtaartseweg 12 is de varkenshouderij van initiatiefnemer gelegen. Het bedrijf bestaat uit een bedrijfswoning, vier varkensstallen waarvan één grotere moderne stal en een veldschuur. De stallen hebben de volgende oppervlakten: •
Stal 1: 1.000 m2
•
Stal 2: 700 m2
•
Stal 3: 850 m2
•
Stal 4: 2.000 m2
De eerste drie stallen zijn van een eerder bouwjaar dan de laatste, grotere stal. De aanwezige veldschuur heeft een oppervlakte van circa 250 m2. Vanaf de openbare weg zijn er twee opritten naar het bedrijf. Behalve de opritten is er een verharding tussen en voor de stallen aanwezig waar leveranciers en erfbezoekers kunnen parkeren en het bedrijf kunnen bereiken.
2.2
Voorgenomen ontwikkeling
De aanwezige varkenshouderij wordt beëindigd, initiatiefnemer heeft geen bedrijfsopvolger voor de varkenshouderij en de bestaande bedrijfsgebouwen en inventaris dienen op relatief korte termijn gerenoveerd te worden. Met de komst van de saneringsregeling varkenshouderij is de mogelijkheid ontstaan om het bedrijf eerder te stoppen dan gepland en met de ontvangen subsidie een doorstart richting een ander type agrarisch bedrijf te maken. Behalve de gebouwen en het bouwvlak heeft het bedrijf de beschikking over een huiskavel van circa 9 hectare, in de huidige situatie zijn deze gronden in gebruik voor de teelt van snijmais. Het bedrijf zal zich gaan specialiseren in de teelt van sierheesters en sierconiferen, de 9 hectare grond zal ingezet worden voor dit type teelt. Voor de teelt van sierheesters en sierconiferen is een beperkte hoeveelheid gebouwen nodig en de huidige varkensstallen kunnen niet worden omgebouwd. De aanwezige varkensstallen zullen volledig worden gesloopt en in plaats daarvan zal een landbouwloods gebouwd worden die zal dienen voor het opslaan van materialen en verkoopklare heesters en coniferen. De loods zal ongeveer 700 m2 groot worden. De nokhoogte van de nieuwe loods zal maximaal 9,5 meter bedragen, voor de goothoogte wordt 3 meter aangehouden. De nok- en goothoogte komen overeen met de in huidige situatie aanwezige maximale hoogten.
Op de volgende pagina is een luchtfoto van het plangebied weergegeven met de bestaande bedrijfsgebouwen. In roze is de huidige bedrijfswoning weergegeven, deze zal behouden blijven en hetzelfde gebruik kennen in de beoogde situatie. In blauw zijn de aanwezige veldschuur aangegeven (westzijde) en de locatie van de nieuw op te richten loods. Vanuit het concept van compact en geconcentreerd bouwen is bewust gekozen de nieuwe loods in de buurt van de veldschuur gesitueerd.
Ruimtelijke onderbouwing Zijtaartseweg 12
8
Figuur 2: situering nieuwe bedrijfsgebouwen
De beoogde ontwikkeling gaat gepaard met 4.550 m2 sloop. 250 m2 bedrijfsgebouwen (de veldschuur) zal behouden blijven en er wordt een nieuwe loods van 700 m 2 opgericht. Er zal uiteindelijk 950 m2 bedrijfsgebouwen aanwezig zijn na de beoogde ontwikkeling. Voor het nieuwe bedrijf is een bedrijfsplan opgericht waarmee voor initiatiefnemer is doorgerekend dat het bedrijf voorziet in voldoende inkomsten, er zal geen externe arbeid nodig zijn voor de bedrijfsvoering. Alles bij elkaar opgeteld zal er op het plangebied sprake zijn van een afname van bebouwing van 3.600 m2. Er zal een hoeveelheid verharding aanwezig blijven ten behoeve van het laden en lossen en manoeuvreren van voertuigen rond de nieuwe bedrijfsgebouwen, de overige verharding wordt verwijderd. De inrit het meest westelijks gelegen blijft in huidige vorm behouden, de oprit is met klinkers verhard en voldoet aan het gewenste gebruik. De tweede, meer oostelijk, gelegen oprit zal worden ingezet voor toegang tot het landbouwperceel en de klinkerverharding wordt ter plaatste verwijderd. Gelijktijdig met de fysieke ontwikkeling van het plangebied zal het bouwvlak van de locatie worden verkleind. Er blijft een bouwvlak van circa 5.000 m2 behouden. Om het geheel goed in de omgeving in te passen is een landschappelijke inpassing opgesteld, deze inpassing is als bijlage aan deze onderbouwing toegevoegd.
De percelen waar de sierheesters zullen worden geplant behoeven geen aanpassingen in de vorm van drainage of iets dergelijks om de teelt mogelijk te maken.
Ruimtelijke onderbouwing Zijtaartseweg 12
9
3.
Beleidstoets
3.1
Rijksbeleid
3.1.1
Structuurvisie Infrastructuur en Ruimte
De Structuurvisie Infrastructuur en Ruimte (13 maart 2012 vastgesteld) omvat het ruimtelijke rijksbeleid tot 2040. Het uitgangspunt van de structuurvisie is voldoende ruimte te bieden voor het versterken van de Nederlandse concurrentiepositie, bereikbaarheid, leefbaarheid en veiligheid. Deze doelstellingen zijn vertaald in de nationale Ruimtelijke Hoofdstructuur (RHS). Deze RHS beslaat de gebieden in Nederland die een belangrijke functie vervullen op het gebied van economie, infrastructuur en verstedelijking, water, natuur en landschap. Ten aanzien van deze gebieden is beleid geformuleerd om de kwaliteiten ervan te behouden. Naast ruimte maken en het versimpelen en verbeteren van omgevingsrecht wordt er ook geïnvesteerd, met name in de capaciteit van de infrastructuur. Prioriteit krijgen de Mainports, de Brainports en de Greenports, alsmede de achterlandverbindingen. Opgaven van nationaal belang voor de provincies Limburg en Noord-Brabant zijn onder andere: •
Het verbeteren van het vestigingsklimaat van de Brainport Zuidoost Nederland (Brainport Avenue) en Greenport Venlo door het optimaal benutten en waar nodig verbeteren van de (internationale) bereikbaarheid van deze gebieden via weg, water, spoor en lucht (o.a. verdere ontwikkeling Eindhoven Airport).
•
Het borgen van de waterveiligheid en – kwaliteit en zoetwatervoorziening voor de korte termijn (zoals Maaswerken en uitvoering hoogwaterbeschermingsprogramma) en de lange termijn. Binnen het Deltaprogramma wordt deze opgave aangepakt.
•
Het tot stand brengen en beschermen van de natuur (Natuur Netwerk Nederland), inclusief de Natura 2000 gebieden.
Zo lang er geen sprake is van een nationaal belang zal het rijk de beoordeling en uitvoering van ontwikkelingen aan de provincies en gemeenten overlaten. De uitgangspunten uit de SVIR zijn juridisch verankerd in het Besluit algemene regels ruimtelijke ordening (Barro). In het Barro is aangegeven welke gebieden of projecten van nationaal belang zijn en aanvullende toetsing behoeven. Om te bepalen of sprake is van strijdigheid met de belangen uit de SVIR dient daarom verder getoetst te worden aan het Barro.
3.1.2
Besluit algemene regels ruimtelijke ordening
Voor de doorwerking van de rijksbelangen in plannen van lagere overheden is het Besluit algemene regels ruimtelijke ordening (Barro) vastgesteld. . Het Barro is op 30 december 2011 (grotendeels) in werking getreden en omvat alle ruimtelijke rijksbelangen die juridisch doorwerken op het niveau van provinciale verordeningen en gemeentelijke bestemmingsplannen. Belangrijke punten hierin zijn o.a. het zuinig ruimtegebruik, bescherming van kwetsbare (natuur)gebieden en bescherming van het land tegen klimaatverandering, overstroming en wateroverlast, de uitoefening van defensietaken, toekomstige uitbreidingen van de hoofdinfrastructuur. Met het Barro maakt het rijk duidelijk waar provinciale verordeningen en gemeentelijke bestemmingsplannen aan moeten voldoen.
Ruimtelijke onderbouwing Zijtaartseweg 12
10
Op 1 oktober 2012 is aan het Barro een aantal onderwerpen toegevoegd. Het gaat om de eerder aangekondigde onderwerpen Ecologische Hoofdstructuur, elektriciteitsvoorziening, toekomstige uitbreiding hoofd(spoor)wegennet, veiligheid rond rijksvaarwegen, verstedelijking in het IJsselmeer, bescherming van primaire waterkeringen buiten het kustfundament en toekomstige rivierverruiming van de Maastakken.
3.1.3
Ladder duurzame verstedelijking
Op 1 oktober 2012 is aan het Besluit ruimtelijke ordening (Bro) de ‘ladder voor duurzame verstedelijking’ toegevoegd. De Ladder duurzame verstedelijking is een processchema met als doel om mogelijke nieuwe ruimtelijke ontwikkelingen of initiatieven voor stedelijke functies, zoveel mogelijk binnen bestaand stedelijk gebied te laten plaats vinden. De ladder is een toetsingsinstrument voor ontwikkelaars en de overheid dat gevolgd moet worden bij nieuwe stedelijke ontwikkelingen en heeft als doel te komen tot een zorgvuldig ruimtegebruik waarbij goede afwegingen worden gemaakt waar stedelijke ontwikkelingen mogen plaatsvinden. In artikel 1.1.1, eerste lid, onder i van het Bro wordt stedelijke ontwikkeling als volgt omschreven: ‘ruimtelijke ontwikkeling van een bedrijventerrein of zeehaventerrein, of van kantoren, detailhandel, woningbouwlocaties of andere stedelijke voorzieningen’. Het begrip ‘andere stedelijke voorzieningen’ wordt niet nader omschreven in het Bro, maar op basis van uitspraken van de Raad van State kan hier worden gedacht aan maatschappelijke functies of functies op gebied van religie, cultuur, leisure en recreatie. De ladder voor duurzame verstedelijking richt zich op substantiële ontwikkelingen, die qua aard en omvang zodanig zijn, dat voor mogelijke leegstand elders gevreesd zou kunnen worden.
Het doel is om overbodige bouwplannen (kantoren, woningen) te voorkomen en hergebruik te stimuleren. Deze onderbouwing heeft geen gevolgen voor de rijks belangen zoals opgenomen in het Barro. Een laddertoets is eveneens niet aan de orde, er vinden op het plangebied geen stedelijke ontwikkelingen plaats.
3.2
Provinciaal beleid
3.2.1
Brabantse omgevingsvisie
Op 14 december 2018 is de Brabantse omgevingsvisie vastgesteld. Met de omgevingsvisie formuleert de Provincie haar ambitie voor Brabant in 2050. De Provincie ziet een toekomst met een grote verwevenheid tussen stad en land en de bijkomende voor en nadelen die daaraan kleven. Het plangebied ligt in Oost Brabant. De omgevingsvisie ziet hier de verbinding met de steden ’sHertogenbosch, Nijmegen en Eindhoven en de verbinding met greenport Venlo. De regio kent een hoge natuurwaarde en tevens veel agrarische activiteit, de Provincie ziet de agrarische sector in deze regio omvormen tot een sector die meer op kwaliteit produceert. De omgevingsvisie geeft tevens de visie van de Provincie op haar eigen rol en hoe zij de gewenste ontwikkeling naar 2050 wil stimuleren. De provincie ziet zichzelf als verbinder en aanjager waar nodig.
Ruimtelijke onderbouwing Zijtaartseweg 12
11
De ontwikkeling van het plangebied past binnen de Brabantse omgevingsvisie. Het omzetten van een varkenshouderij naar een modern teeltbedrijf voor siersoorten is te kwalificeren als een kwaliteitsimpuls.
3.2.2
Interim omgevingsverordening Noord-Brabant
Naast de Omgevingsvisie kent de Provincie Noord-Brabant de Interim omgevingsverordening Noord Brabant (oktober 2019 vastgesteld). In de omgevingsverordening staan de regels die de provincie stelt aan de bestemmings- en omgevingsplannen van gemeenten. Met de Interim omgevingsverordening bereidt de provincie Noord-Brabant de komst van de Omgevingswet (1 januari 2021) concreet voor en hanteert zij de in de wet aangegeven schrijf- en handelingswijze. De omgevingsverordening is geschreven met oog voor de doelgroep: burgers, gemeenten en waterschappen. Essentieel onderdeel van de verordening is de gedachte dat ontwikkelingen en plannen in gezamenlijkheid uitgevoerd worden en overleg en dialoog worden daarom toegejuicht. De verordening biedt voor ontwikkelaars en gemeenten meer mogelijkheden tot maatwerk, vaste afstanden en grootte maten worden losgelaten en er komt meer nadruk te liggen op het passend maken van initiatieven in hun omgeving. Voor gemeenten is hoofdstuk 3 van de verordening het belangrijkst, het hoofdstuk bevat de instructieregels voor gemeenten. Het plangebied is gelegen binnen het gemengd landelijk gebied zoals dat in de Interim omgevingsverordening. Voor alle ontwikkelingen gelden de Basisprincipes in paragraaf 3.1.2. Verder zijn ten aanzien van de beoogde ontwikkeling van de locatie de relevante bepalingen in afdeling 3.6 ‘Vitaal Platteland’ van belang.
Met name artikel 3.54 “Grondgebonden teeltbedrijf in Gemengd landelijk gebied” is voor de ontwikkeling van belang. Onderstaand zijn de relevante artikelen weergegeven en is cursief aangegeven hoe de ontwikkeling hier aan voldoet. Artikel 3.5 Zorgplicht voor een goede omgevingskwaliteit Lid 1 Een bestemmingsplan geeft bij de evenwichtige toedeling van functies zoals opgenomen in hoofdstuk 3 Instructieregels aan gemeenten invulling aan een goede omgevingskwaliteit met een veilige, gezonde leefomgeving. Lid 2 Voor een goede omgevingskwaliteit en een veilige, gezonde leefomgeving wordt rekening gehouden met: a.
Zorgvuldig ruimtegebruik;
b.
De waarden in het gebied met toepassing van de lagenbenadering;
c.
Meerwaardecreatie.
Zie onder artikel 3.6, 3.7 en 3.8 Artikel 3.6 Zorgvuldig ruimtegebruik Lid 1 Zorgvuldig ruimtegebruik houdt in dat: a.
De toedeling van functies in beginsel plaatsvindt binnen bestaand ruimtebeslag voor bebouwing, behalve in de gevallen dat: 1. Nieuwvestiging mogelijk is op grond van de bepalingen in dit hoofdstuk; 2. Er feitelijk of vanuit kwalitatieve overwegingen onvoldoende ruimte is en uitbreiding, als dan niet gelijktijdig met de vestiging van een functie, op grond van de bepalingen in dit hoofdstuk is toegestaan;
Ruimtelijke onderbouwing Zijtaartseweg 12
12
Niet van toepassing. Er is geen sprake van nieuwvestiging, de ontwikkeling vindt plaats binnen een bestaand bouwvlak. Het bouwvlak wordt als gevolg van de ontwikkeling verkleind. b.
Bij stedelijke ontwikkeling toepassing is gegeven aan artikel 3.1.6, tweede lid, Besluit ruimtelijke ordening (ladder voor duurzame verstedelijking);
Zie paragraaf 3.1.3. Er vindt geen stedelijke ontwikkeling plaats die getoetst moet worden aan de ladder voor duurzame verstedelijking. c.
Gebouwen, bijbehorende bouwwerken en andere permanente voorzieningen worden geconcentreerd binnen een bouwperceel.
Alle gebouwen zijn/worden binnen het bouwvlak gerealiseerd. Lid 2 Onder bestaand ruimtebeslag voor bebouwing wordt verstaan het werkingsgebied Stedelijk Gebied of een bestaand bouwperceel Er is sprake van een bestaand bouwvlak op de locatie. Aanpassing van het bestemmingsplan voor de locatie Zijtaartseweg 12 is nodig in verband met deelname aan de saneringsregeling voor beëindiging van varkenshouderijen. Voorwaarde aan deelname is dat de vestiging van intensieve veehouderijen op deze locatie in de toekomst moet worden uitgesloten, naast het houden van varkens gaat het daarbij ook om het houden van kippen, kalkoenen, eenden, konijnen, vleeskalveren, vleesstieren, geiten en nertsen. Het vigerende bestemmingsplan Buitengebied Sint-Oedenrode staat de vestiging van de grondgebonden plantenkwekerij al toe, hiervoor is geen bestemmingsplanherziening nodig. Nieuwe bebouwing kan worden toegevoegd als sprake is van een reëel agrarisch bedrijf. Aangezien sprake is van een grondgebonden reëel agrarisch bedrijf is een agrarische bestemming de best passende bestemming in deze situatie. In het licht van een evenwichtige toewijzing van functies en een zorgvuldig ruimtegebruik is ook de omvang van het bouwvlak in ogenschouw genomen. Voor het teeltbedrijf voor coniferen is aanzienlijk minder bedrijfsruimte nodig dan voor de varkenshouderij het geval was.
Hierdoor kan ook worden volstaan met een kleiner bouwvlak. Het bouwvlak is in het bestemmingsplan ‘ontwikkelplan sanering varkenshouderij’ dan ook fors verkleind (bestaand ca. 1,3 hectare, nieuw 4315 m2). Bij de begrenzing van het bouwvlak is rekening gehouden met de te behouden bebouwing; de bedrijfswoning en een schuur van ca. 250m2 en de gewenste nieuwbouw van ca. 700 m2. Ten behoeve van het teeltbedrijf zal een nieuwe loods worden opgericht. Deze loods wordt gebruikt voor de opslag en stalling van materialen en werktuigen en verkoopklare heesters en coniferen. Hergebruik van de stallen van het varkensbedrijf is niet mogelijk aangezien deze op grond van deelname aan de saneringsregeling afgebroken moeten worden. De omvang van bouwvlak biedt voldoende ruimte voor benodigde bedrijfsruimte en buitenruimte (manoeuvreren/ laden en lossen). Het bouwvlak wordt verder voorzien van een landschappelijke inpassing. Artikel 3.7 Toepassing van de lagenbenadering Lid 1 De toepassing van de lagenbenadering omvat het effect van de ontwikkeling op de lagen in onderlinge wisselwerking met elkaar en het actief benutten van de factor tijd. Zie onderstaand.
Ruimtelijke onderbouwing Zijtaartseweg 12
13
Lid 2 De lagenbenadering omvat de effecten op: a.
De ondergrond, zoals bodem, het grondwater en archeologische waarden;
b.
De netwerklaag zoals infrastructuur, natuurnetwerk energienetwerk, waterwegen waaronder een goede, multimodale afwikkeling van het personen- en goederenvervoer;
c.
De bovenste laag zoals cultuurhistorische en landschappelijke waarden, de omvang van de functie en de bebouwing, de effecten op bestaande en toekomstige functies de effecten op volksgezondheid, veiligheid en milieu.
Vanuit bovenstaande aspecten zijn geen belemmeringen voor het initiatief. In hoofdstuk 4 van deze toelichting worden de effecten van de ontwikkeling op bovenstaande aspecten verder toegelicht. Lid 3 Door de factor tijd actief te benutten wordt rekening gehouden met de herkomstwaarde, vanuit het verleden, de (on)omkeerbaarheid van optredende effecten en de toekomstwaarde gelet op duurzaamheid en toekomstbestendigheid. Op deze locatie was al een agrarisch bouwvlak aanwezig waar een intensieve veehouderij mocht worden gevestigd. De saneringsregeling varkenshouderij is vooral in het leven geroepen om geuroverlast te verminderen. Voor het houden van vee (anders dan intensieve veehouderij) is deze locatie dan ook minder geschikt, nog afgezien daarvan beschikt initiatiefnemer over onvoldoende grond, voor het grondgebonden houden van dieren. Melkveebedrijven en paardenhouderijen worden in het nieuwe plan ook uitgesloten. Het telen van planten is een passend gebruik van de landbouwgronden die in het bezit zijn van de initiatiefnemer. De bodem is hiervoor ook geschikt. Er zijn verder geen bijzondere landschappelijke waarden of cultuurhistorische waarden die zich verzetten tegen dit voorgenomen gebruik. Hiervoor zijn ook geen ingrepen in het landschap vereist, zoals de aanleg van drainage of andere voorzieningen.
In het vigerende plan is wel de gebiedsaanduiding ‘overige zone – leefgebied struweelvogels’ opgenomen. Dergelijke vogelsoorten, zoals grasmussen, fitissen, zwartkoppen en vinkachtigen, zijn voor hun leefgebied afhankelijk van een afwisselende begroeiing met struiken en verspreide bomen. De teeltvelden met coniferen en heesters met hun relatief lage hoogte sluiten beter aan bij het gewenste biotoop van deze vogelsoorten, dan de meer open akker- of weidegebieden. Artikel 3.8 Meerwaardecreatie Lid 1 Meerwaardecreatie omvat een evenwichtige benadering van de economische, ecologische en sociale aspecten die in een gebied en bij een ontwikkeling zijn betrokken, waaronder: a.
de mogelijkheid om opgaven en ontwikkelingen te combineren waardoor er een meerwaarde ontstaat;
b.
de bijdrage van een ontwikkeling aan andere opgaven en belangen dan rechtstreeks met de ontwikkeling gemoeid zijn.
Lid 2 De fysieke verbetering van de landschappelijke kwaliteit, bedoeld in artikel 3.9 Kwaliteitsverbetering landschap kan deel uitmaken van de meerwaardecreatie. De meerwaarde van deze ontwikkeling zit vooral in het beperken van de huidige gebruiksmogelijkheden ten aanzien van intensieve veehouderij en andere vormen van het houden van dieren (melkvee / paarden). Deze vormen van agrarische bedrijvigheid worden geheel uitgesloten. Ook de bouwmogelijkheden worden door het verkleinen van het bouwvlak beperkt. Het verminderen van de bouw- en gebruiksmogelijkheden heeft ook op milieugebied positieve effecten, doordat de uitstoot van schadelijke stoffen en geurhinder verdwijnt. Het uit de markt
Ruimtelijke onderbouwing Zijtaartseweg 12
14
nemen van de dierrechten als gevolg van deelname aan de saneringsregeling, draagt ook bij aan het terugdringen van het mestoverschot. Artikel 3.9 Kwaliteitsverbetering landschap Lid 1 Een bestemmingsplan dat een ruimtelijke ontwikkeling mogelijk maakt in Landelijk Gebied bepaalt dat die ruimtelijke ontwikkeling gepaard gaat met een fysieke verbetering van de landschappelijke kwaliteit van het gebied of de omgeving. Lid 2 Het bestemmingsplan motiveert dat de verbetering past binnen de gewenste ontwikkeling van het gebied én op welke wijze de uitvoering is geborgd door dat: a.
dit financieel, juridisch en feitelijk is geborgd in het plan; of
b.
de afspraken uit het regionaal overleg, bedoeld in afdeling 5.4 Regionaal samenwerken, worden nagekomen.
Lid 3 Een verbetering van de landschappelijke kwaliteit kan mede de volgende aspecten omvatten: a.
de op grond van deze verordening verplichte landschappelijke inpassing;
b.
het toevoegen, versterken of herstellen van landschapselementen die een bijdrage leveren aan de versterking van de landschapsstructuur of de relatie stad-land;
c.
het behoud of herstel van cultuurhistorisch waardevolle bebouwing of terreinen;
d.
het wegnemen van verharding;
e.
het slopen van bebouwing;
f.
de realisering van het Natuur Netwerk Brabant en ecologische verbindingszones;
g.
het aanleggen van extensieve recreatieve mogelijkheden.
De regio Noordoost-Brabant heeft de bepalingen in de IOV verder uitgewerkt in een regionaal afsprakenkader. Onderhavige ontwikkeling is volgens het afsprakenkader een categorie 2 ontwikkeling. Voor categorie 2 ontwikkelingen geldt dat er een goede landschappelijke inpassing op basis van een goedgekeurd landschapsplan met borging van uitvoering en beheer overlegd dient te worden. Voor de locatie is een landschappelijk inpassingsplan opgesteld, het inpassingsplan is opgenomen in de bijlage. Ook worden oude stallen en een deel van de bijbehorende verharding gesloopt. Hiermee draagt de ontwikkeling bij aan de kwaliteitsverbetering van het landschap. Uitgangspunt is dat de basisinspanning voor landschappelijke inpassing 10% van het bouwvlak bedraagt. In onderhavig gevalt betekend dit dat 431,5 m2 aan landschappelijke inpassing gerealiseerd moet worden. Artikel 3.54 Grondgebonden teeltbedrijf in Gemengd landelijk gebied Een bestemmingsplan van toepassing op Gemengd landelijk gebied kan voorzien in een uitbreiding van, vestiging van of omschakeling naar een grondgebonden teeltbedrijf als: a.
dit vanuit een goede agrarische bedrijfsvoering nodig is; Er is op het plangebied sprake van de vestiging van een grondgebonden teeltbedrijf. De huidige varkenshouderij is niet langer toekomstbestendig te noemen en daartoe is vestiging van een grondgebonden teeltbedrijf vanuit een goede agrarische bedrijfsvoering nodig.
b.
de bouw of uitbreiding van een kas is beperkt tot ten hoogste 5.000 m². Het bedrijf zal gebruik maken van teelt in de volle grond, er zijn geen kassen nodig voor de teelt. Dit artikel is voor het plangebied niet van toepassing.
De beoogde ontwikkeling voldoet aan de gestelde voorwaarden uit de interim omgevingsverordening Noord-Brabant. De ontwikkeling betreft het oprichten van een grondgebonden teeltbedrijf dat vanwege een goede agrarische bedrijfsvoering noodzakelijk is.
Ruimtelijke onderbouwing Zijtaartseweg 12
15
3.3
Gemeentelijk beleid
Zoals ook in paragraaf 1.3 is genoemd is het plangebied gelegen binnen het bestemmingsplan “Buitengebied Sint-Oedenrode 4e herziening” het paraplubestemmingsplan parkeren en de Harmonisatie van diverse regelingen – laaghangend fruit”. Behalve het bestemmingsplannen heeft de beoogde ontwikkeling geen invloed op andere beleidsvlakken waar de gemeente Meierijstad beleid voor heeft vastgesteld. De beoogde ontwikkeling is conform het vigerende bestemmingsplan mogelijk zonder dat een wijziging noodzakelijk is. De agrarische bestemming en het agrarisch gebruik na beëindiging van de veehouderij zijn passend conform het huidige bestemmingsplan. Deelname aan de saneringsregeling veehouderij (SRV) vereist echter dat aangetoond wordt dat deelnemer de mogelijkheid tot het houden van (intensieve) dieren uit het bestemmingsplan laat verwijderen. In het bestemmingsplan is onder artikel 4.7.7. de mogelijkheid geboden tot het verwijderen van de benodigde aanduidingen voor het houden van intensieve diersoorten. Het artikel heeft een aanvullende voorwaarde dat het bouwvlak op de locatie verkleind wordt conform het benodigde na wijziging. Onderstaand is het betreffende artikel weergegeven.
4.7.7 Wijzigen ten behoeve van het verwijderen van de aanduiding 'intensieve veehouderij', 'specifieke vorm van agrarisch met waarden - veehouderij', ‘glastuinbouw’, ‘intensieve kwekerij’ en het verkleinen van het bouwvlak Burgemeester en wethouders zijn bevoegd deze bestemming te wijzigen in die zin dat de aangegeven aanduiding 'intensieve veehouderij', 'specifieke vorm van agrarisch met waarden veehouderij', ‘glastuinbouw’, ‘intensieve kwekerij’ wordt verwijderd en tevens indien noodzakelijk het bouwvlak wordt verkleind, indien de betreffende bedrijfsvoering ter plaatse is beëindigd en/of is omgeschakeld naar grondgebonden agrarische bedrijfsvoering, en/of veehouderij, niet zijnde intensieve veehouderij. Voor de beoogde ontwikkeling worden de voorwaarden zoals genoemd in artikel 4.7.7. aangehouden en wordt het bouwvlak verkleind naar het formaat dat noodzakelijk is voor het bedrijf dat resteert. Behalve de relevante artikelen zoals genoemd in het bestemmingsplan “Buitengebied SintOedenrode herziening 4” zijn de bouwregels die genoemd zijn in de harmonisatie van 2021 ook van belang.
Onderdeel van de beoogde ontwikkeling is het slopen van de momenteel aanwezige gebouwen en het herbouwen van een loods zodat het bedrijf kan worden voorgezet, voor de maximale goot- en nokhoogte van deze nieuwe loods zullen de gestelde regels en voorwaarden uit de harmonisatie van 2021 aangehouden worden. Uiteraard worden de parkeernormen van de gemeente zoals vertaald in het paraplubestemmingsplan aangehouden. Na wijziging van het bedrijfstype ontstaat op het plangebied een vollegrondsteeltbedrijf dat zich richt op de teelt van sierheesters op naastgelegen percelen. Dit type bedrijf voldoet aan de in artikel 1.23 van het bestemmingsplan weergegeven definitie van agrarisch bedrijf, vollegrondsteelbedrijf: 1.23 agrarisch bedrijf, vollegrondsteeltbedrijf een agrarisch bedrijf waarvan de productie geheel of hoofdzakelijk afhankelijk is van het voortbrengend vermogen van onbebouwde grond in de directe omgeving van het bedrijf,
Ruimtelijke onderbouwing Zijtaartseweg 12
16
niet zijnde een glastuinbouwbedrijf, niet zijnde een akkerbouwbedrijf. Het gaat hier om bedrijven met boomteelt/laanboomteelt, fruitteelt en vollegrondstuinbouw. Er is gekozen voor dit type bedrijf omdat er een beperkte hoeveelheid gronden bij de locatie aanwezig is en om te kunnen voorzien in een passend jaarinkomen zal de grond optimaal benut worden. Nieuwe bedrijfsgebouwen is enkel toegestaan als sprake is van een reëel agrarisch bedrijf. Om te bepalen of sprake is van een reëel agrarisch bedrijf kan worden getoetst aan de definitie die de gemeente heeft gesteld aan een reëel agrarisch bedrijf. De meest recent opgenomen definitie is afkomstige uit de Harmonisatie van diverse regelingen – laaghangend fruit: 1.48 reëel agrarisch bedrijf een agrarisch bedrijf dat jaarrond een arbeidsbehoefte of -omvang heeft van ten minste één halve arbeidskracht, met een daarbij passend jaarinkomen; Het bedrijf heeft de beschikking over ca. 9 hectare grond welke gebruikt zal worden voor de teelt van sierheesters en sierconiferen. Een globale berekening via de rekenmodule van de Wageningen university & research, wijst uit dat het bedrijf kan voorziet in een arbeidsbehoefte en inkomen van tenminste één halve arbeidskracht.
Ruimtelijke onderbouwing Zijtaartseweg 12
17
4.
Milieuhygienische en planologische verantwoording
In dit hoofdstuk wordt het initiatief getoetst aan alle relevante omgevingsaspecten
4.1
M.e.r.-beoordeling
Op grond van hoofdstuk 7 van de Wet milieubeheer en het Besluit milieueffectrapportage (Besluit m.e.r.) is het noodzakelijk om ten behoeve van een bestemmingsplan dat kaderstellend is voor projecten met grote milieugevolgen, een plan-m.e.r. op te stellen. Onderdeel D van de bijlage Besluit m.e.r. geeft de omvang van dergelijke projecten weer. Hierbij geldt sinds de aanpassing van het Besluit m.e.r. per 1 april 2011 de omvang als richtwaarde en niet als absolute drempelwaarde. Daarom is altijd een toets noodzakelijk om na te gaan of sprake is van een project met grote milieugevolgen. Deze toets dient plaats te vinden aan de hand van de criteria van Bijlage III, van de EU-richtlijn m.e.r. De hoofdcriteria waaraan moet worden getoetst zijn: -
kenmerken van de projecten;
-
plaats van de projecten;
-
kenmerken van het potentiële effect.
Het mag duidelijk zijn dat wanneer een project ruim beneden de omvang uit de bijlage van het Besluit m.e.r. blijft, deze beoordeling beknopt kan zijn. Het is voor de beoogde ontwikkeling op de locatie niet noodzakelijk een milieu effect rapportage op te stellen. Het initiatief kan immers niet worden aangemerkt als een activiteit die voorkomt in een van de categorieën uit bijlagen C en D van het Besluit m.e.r. In het kader van de voorliggende ontwikkeling zijn verderop in dit hoofdstuk diverse milieuaspecten zorgvuldig afgewogen. Per aspect is bepaald of de ontwikkeling gevolgen heeft voor de (milieu)aspecten bedrijven‐ en milieuzonering, geluid, luchtkwaliteit, externe veiligheid, bodemgeschiktheid, flora‐ en fauna, water, archeologie, cultuurhistorie, verkeer en parkeren. Uit de afweging is gebleken dat de effecten niet van dien aard zijn dat een m.e.r.‐beoordeling aan de orde is. Op grond van het voorgaande zijn belangrijke nadelige milieueffecten uitgesloten, waardoor het uitvoeren van een m.e.r.‐beoordeling of MER niet zinvol wordt geacht. Er is voor de beoogde ontwikkeling geen M.E.R. beoordeling of vormvrije M.E.R. beoordeling noodzakelijk.
4.2
Cultuurhistorie en archeologie
Vanwege artikel 3.1.6, vijfde lid, van het Besluit ruimtelijke ordening moet in de toelichting van een ruimtelijk plan een beschrijving worden opgenomen van de wijze waarop met de in het gebied aanwezige cultuurhistorische waarden en in de grond aanwezige of te verwachten monumenten rekening is gehouden. Gemeenten zullen een inventarisatie moeten (laten) maken van alle cultuurhistorische waarden in het besluitgebied, dus niet alleen van de archeologische waarden. Daarnaast moeten ze aangeven welke conclusies ze daaraan verbinden en op welke wijze ze deze waarden borgen in het kader van het planvoornemen. In 1992 is het Verdrag van Malta ondertekend door de lidstaten van de Raad van Europa. Dit verdrag heeft tot doel het cultureel erfgoed wat zich in de bodem bevindt te beschermen en te behouden. Hierbij moet gedacht worden aan archeologische vondsten en resten,
Ruimtelijke onderbouwing Zijtaartseweg 12
18
gebruiksvoorwerpen, restanten van oude nederzettingen en grafvelden etc. Een van de belangrijke aspecten voor onderhavig plan is het kader wat het verdrag stelt t.a.v. ruimtelijke ordening. Dit kader houdt in dat er tijdig rekening gehouden dient te worden met de mogelijke aanwezigheid van archeologische waarden in de bodem. Voorafgaand aan een plan moet inzichtelijk gemaakt worden welke verwachtingen er zijn en in hoeverre rekening gehouden dient te worden met de aanwezige archeologische waarden. In algemene zin blijft altijd artikel 5.10 van de erfgoedwet van kracht. Het artikel ziet toe op toevalsvondsten die een ieder zou kunnen doen bij een opgraving. Artikel 5.10. Archeologische toevalsvondst Degene die anders dan bij het verrichten van opgravingen een vondst doet waarvan hij weet dan wel redelijkerwijs moet vermoeden dat het een archeologische vondst betreft, meldt dit zo spoedig mogelijk bij Onze Minister. Cultuurhistorie en archeologie vormen geen belemmering voor de ontwikkeling op het plangebied. Er vinden geen bodemingrepen plaats op gronden die niet eerder verstoord zijn. De nieuwe loods zal in de plaats van een varkensstal komen en een fundering op dezelfde diepte gebruiken. De huidige stallen hebben geen cultuurhistorische waarde waardoor er geen belemmeringen op dat vlak bestaan voor de sloop van de stallen.
4.3
Flora en Fauna
De bescherming van de natuur in Nederland vindt plaats door Europese en nationale wetgeving. Bij iedere ontwikkeling dienen de eventuele gevolgen t.a.v. de natuurbescherming inzichtelijk gemaakt te worden. Op 1 januari 2017 is de nieuwe Wet natuurbescherming (Wb) in werking getreden. De Natuurbeschermingswet 1998 (gebiedsbescherming), de Flora- en Fauna wet (soortenbescherming (dieren en planten) en de Boswet zijn opgegaan in deze nieuwe wet. De strekking van de wet blijft gelijk; de beschermde gebieden en soorten mogen niet aangetast worden bij ruimtelijke ontwikkelingen. Hierbij wordt onderscheid gemaakt tussen soortbescherming en gebiedsbescherming.
4.3.1
Gebiedsbescherming
Met betrekking tot gebiedsbescherming is de situering ten opzichte van beschermde gebieden (Natura2000 gebieden en beschermde natuurmonumenten) van belang. Ten westen van het plangebied is het Habitat- en Vogelrichtlijngebied Kampina & oisterwijkse vennen gelegen. De afstand tussen het plangebied en dit Natura 2000-gebied bedraagt circa 14 kilometer. Met de uitspraak van de Raad van State van mei 2019 is de methodiek (de PAS) waarmee berekend werd welke invloed projecten hebben op de depositie van stikstof op gevoelige natuur van tafel. Tot de invoer van een alternatieve methode om te komen tot deze berekeningen is het in ruimtelijke projecten van belang zo breed mogelijk te beschouwen welke invloeden de uitstoot van stikstof vanwege een project eventueel heeft op nabijgelegen Natura 2000 gebieden. Belangrijkste ontwikkeling op het plangebied is het beindigen van de varkenshouderij, een varkenshouderij kent een aanzienlijke uitstoot van stikstof. Verminderen van de stikstof uitstoot is een hoofddoel van de regeling sanering varkenshouderij waar het bedrijf aan mee doet.
Ruimtelijke onderbouwing Zijtaartseweg 12
19
Het plan leidt tot significante positieve effecten op omliggende natura 2000 gebieden. Er is namelijk sprake van een behoorlijke afstand tussen de locatie en het gebied (> 10 km.), waardoor er geen sprake is van directe of indirecte effecten in de zin van areaalverlies, verontreiniging of verstoring. |Het beëindigen van de varkenshouderij betekend dat het plangebied in de toekomst aanzienlijk minder stikstof uitstoot produceert ten opzichte van de huidige situatie.
4.3.2
Soortenbescherming
De soortenbescherming is in Nederland geregeld in de Wet Natuurbescherming. Deze heeft betrekking op alle in Nederland in het wild voorkomende diersoorten en vaatplanten. Hiervoor geldt een algemene zorgplicht die inhoudt dat schade aan flora en fauna zoveel mogelijk voorkomen dient te worden. De Wet natuurbescherming deelt soorten in drie beschermingsregimes in: •
Beschermingsregime soorten Vogelrichtlijn. Dit zijn alle van nature in Nederland in het wild levende vogels (zoals bedoelt in artikel 1 van de Vogelrichtlijn).
•
Beschermingsregime soorten Habitatrichtlijn. Dit zijn soorten die genoemd zijn in Bijlage IV van de Habitatrichtlijn, Bijlage I en II van het Verdrag van Bern en Bijlage II van het Verdrag van Bonn. In de Bijlagen van de Verdragen van Bern en Bonn worden ook vogels genoemd.
•
Beschermingsregime andere soorten. Dit zijn soorten die genoemd zijn in Bijlage A van de Wet natuurbescherming. Het gaat hier om de bescherming van zoogdieren, amfibieën, reptielen, vissen, dagvlinders, libellen, kevers en vaatplanten voorkomend in Nederland. De Wet natuurbescherming maakt invulling van de wet door provincies mogelijk, hiertoe kunnen provincies een eigen invulling geven aan de bescherming van soorten.
Vanwege de sloop van de varkensstallen is er opdracht verleend voor een quick scan flora & fauna om te bepalen of er beschermde soorten op het plangebied aanwezig zijn. De uitgevoerde quick scan is in de bijlage van deze onderbouwing opgenomen. De quick scan concludeerd dat het plangebied geen nest of verblijfplaats kan bieden voor de meeste onderzochte soorten en soortengroepen. Het plangebied kan mogelijk wel een nest of verblijfplaats zijn voor de huismus, om gebruik door de huismus vast te kunnen stellen en eventueel te mitigeren is een aanvullend onderzoek uitgevoerd. Tijdens het aanvullend onderzoek zijn er geen nets of verblijfplaatsen van huismussen aangetroffen en het onderzoek concludeert dan ook dat er geen belemmeringen zijn voor de sloop van de aanwezige varkensstallen. Algemene zorgplicht In artikel 1.11 van de Wet natuurbescherming is een algemene zorgplicht opgenomen voor een ieder om voldoende zorg te dragen voor Natura 2000-gebieden, voor bijzondere nationale natuurgebieden en voor alle in het wild levende dieren en planten en hun directe leefomgeving. Om eventueel broedende vogels in en rondom de locatie niet te verstoren dienen verstorende activiteiten plaats te vinden buiten het broedseizoen (15 maart tot en met 15 juli), tenzij wordt aangetoond dat er tijdens deze periode geen vogels aanwezig zijn.
Gelet op de algemene zorgplicht dienen voorafgaand aan werkzaamheden alle maatregelen te worden getroffen om nadelige gevolgen voor flora en fauna zoveel mogelijk te voorkomen, beperken of ongedaan te maken. Dit geldt altijd en voor alle planten- en diersoorten Ten aanzien van vogelsoorten geldt dat indien de werkzaamheden buiten het broedseizoen plaatsvinden (april tot half juli) geen overtreding plaats zal vinden van de wetgeving ten opzichte van vogels. Het aanvragen van een ontheffing is dan niet aan de orde. Daarbij wordt opgemerkt
Ruimtelijke onderbouwing Zijtaartseweg 12
20
dat de Wet Natuurbescherming geen standaardperiode voor het broedseizoen kent. Het gaat er om of er een broedgeval is. De periode april tot half juli kan wel globaal aangehouden worden voor het niet uitvoeren van werkzaamheden. Bij inachtneming van de hierboven genoemde voorwaarden kan voorkomen worden dat er overtreding van de Wet Natuurbescherming zal plaatsvinden. Er zijn geen beschermde soorten aanwezig en geen sporen van beschermde soorten aangetroffen bij de uitgevoerde quick scan en aanvullend onderzoek. De sloop van de gebouwen en wijziging van de bestemming vormen geen belemmering in het kader van de gebieds en/of soortenbescherming, een ontheffing in het kader van de flora en faunawet is daartoe niet nodig.
4.4
Water
Bij nieuwe ruimtelijke ontwikkelingen dient er op basis van Europees beleid, Rijksbeleid en provinciaal beleid rekening gehouden te worden met de aanwezige watersystemen en waterketens. Het waarborgen en zorgdragen voor een goede afvoer en doorstroming van het water moet verplicht opgenomen worden in ieder plan. Derhalve moet ieder plan voorzien zijn van een waterparagraaf. Rijksbeleid Het Nationaal Waterplan is in december 2009 vastgesteld. In dit plan is het waterbeleid op hoofdlijnen omschreven en zijn de ruimtelijke aspecten die de doelstellingen die hieruit voorkomen opgenomen. Het Rijksbeleid richt zich met name op de waterveiligheid t.a.v. de grote rivieren; de Maas, Waal en Rijn en de kustlijn, de omgang met zoetwatergebieden, de algemene waterkwaliteit en grote watergebieden zoals Rijn-Maas delta, IJsselmeergebied etc. Het Rijksbeleid heeft geen gevolgen c.q. consequenties voor onderhavig plan. Provinciaal waterplan 2016-2021 Provinciale Staten van Noord-Brabant hebben op 30 augustus 2016 het Provinciaal Milieu- en Waterplan 2016-2021 vastgesteld. Met dit waterplan richt de provincie zich de komende 6 jaar op de ontwikkeling van een klimaatbestendig en ecologisch gezond watersysteem en een duurzame watervoorziening. Het Plan richt zich globaal op drie punten: •
Gezonde fysieke omgeving
•
Veilige fysieke omgeving
•
Groene groei
Ten aanzien van gezonde fysieke leefomgeving vormt de Provincie doelen om de bodem en waterkwaliteit te verbeteren en te borgen. Ook gezond zwemwater en oppervlaktewater komt aan de orde. De veilige fysieke omgeving richt zich met name op de meer traditionele rol van mens tegen het water en ziet toe op het beschermen van inwoners tegen het water. Het hoofdstuk groene groei richt zich ten slotte op de transitie naar een meer biobased economy.
4.4.1
Waterschap De Dommel
Waterschap De Dommel is waterbeheerder in het plangebied en is verantwoordelijk voor de waterhuishoudkundige verzorging (waterkwaliteit en waterkwantiteit) binnen het plangebied. Het
Ruimtelijke onderbouwing Zijtaartseweg 12
21
beleid van het waterschap is verwoord in de volgende documenten en wordt hierna kort besproken: Waterbeheerplan 2016-2021 'Waardevol Water'; Handreiking Watertoets; Keur 2015. Waterbeheerplan 2016-2021 'Waardevol Water' Het waterbeheerplan 'Waardevol Water' beschrijft de doelen van Waterschap De Dommel voor de periode 2016-2021. Het plan is afgestemd op de ontwikkeling van het Nationaal Waterplan, het Provinciaal Milieu- en Waterplan en het Stroomgebiedsbeheerplan. Meer dan voorheen wil het waterschap inspelen op initiatieven van derden en kansen die zich voordoen in het gebied. Ten aanzien van de doelen is een indeling gemaakt in de volgende waterthema’s: -
droge voeten: voorkomen van wateroverlast in het beheergebied (onder meer door het aanleggen van waterbergingsgebieden en het op orde brengen van regionale keringen);
-
voldoende water: zowel voor de natuur als de landbouw is het belangrijk dat er niet te veel en niet te weinig water is. Daarvoor reguleert het waterschap het grond- en oppervlaktewater;
-
natuurlijk water: zorgen voor flora en fauna in en rond beken en sloten door deze waterlopen goed in te richten en te beheren;
-
schoon water: zuiveren van afvalwater en vervuiling van oppervlaktewater aanpakken en voorkomen;
-
mooi water: stimuleren dat mensen de waarde van water beleven, door onder meer recreatief gebruik.
Het waterschap staat voor een aantal complexe uitdagingen, die zij in veel gevallen niet alleen kan realiseren. Deze uitdagingen geven invulling aan de verbinding van water met de maatschappelijke ontwikkelingen. Daarom zet het waterschap sterk in op samenwerking. In dit Waterbeheerplan nodigt het waterschap waterpartners, stakeholders, boeren, burgers en bedrijven nadrukkelijk uit om gezamenlijk te werken aan slimme, innovatieve oplossingen voor de complexe wateropgaven. Dit betekent onder meer dat het waterschap de bestaande samenwerking met al de partners in het gebied wil uitbouwen en ‘grenzeloos’ organiseren vanuit de kracht van ieders rol en verantwoordelijkheid. De belangrijkste uitdagingen zijn: -
voldoende water voor landbouw en natuur;
-
wateroverlast en hittestress;
-
kringloop denken;
-
steeds meer ongewenste stoffen in het water, zoals medicijnen;
-
vergroten waterbewustzijn.
Het waterbeheerplan is te vinden op de website van het waterschap: www.dommel.nl. Keur 2015 De Keur is in maart 2015 vastgesteld en dient als een aanvulling op regels uit de Waterwet. De Keur stelt regels t.a.v. de inrichting, het gebruik, beheer en onderhoud en overige werkzaamheden aan rivieren, beken, sloten, grondwater en waterkeringen. Deze regels gelden zowel voor stromen die eigendom zijn van het Waterschap, maar ook die in eigendom zijn van derden (burgers, agrariërs etc.). De Brabantse waterschappen hebben gezamenlijk de Keur overgenomen om te
Ruimtelijke onderbouwing Zijtaartseweg 12
22
zorgen voor uniformiteit in de regelgeving. De voorschriften in de Waterwet en de Keur geven aan wat wel en niet mag en welke plichten er zijn. Denk aan activiteiten zoals het lozen in oppervlaktewater, het onttrekken van grondwater, het dempen van een sloot, of het plaatsen van een duiker of brug. Legger Vanuit de Keur wordt regelmatig verbinding gelegd met de ‘legger’. Een legger is een door het waterschap vastgesteld register en geeft een overzicht van: •
Alle aanwezige waterlopen (sloten) en waterkeringen (dijken) inclusief kunstwerken (bijv. stuwen, bruggen, etc.
•
Wie verantwoordelijk is voor het beheer en onderhoud van sloten en kunstwerken. Dat betekent dat het gaat om de beheertaken en onderhoudsplichten van het waterschap en om de onderhoudsplichten van derden waarop het waterschap toezicht uitoefent.
•
Waar de beschermingszone ligt, die noodzakelijk zijn voor het waterschap om haar beheerstaken te kunnen uitvoeren. Op deze beschermingszone zijn verbodsbepalingen, volgens de keur, van toepassing zijn. Ook is de legger een naslagwerk ten aanzien van waterstaatswerken.
Afkoppelen afval- en hemelwater Afvalwater Het huishoudelijk afvalwater van de bedrijfswoning is aangesloten op het bestaande rioleringssysteem. Hemelwater De nieuwe loods zal voorzien worden van dakgoten en het daarmee opgevangen hemelwater zal apart infiltreren en afgekoppeld worden van het aanwezige riool. De hoeveelheid verharding op het plangebied neemt aanzienlijk af en daarmee is in voldoende mate voorzien in lokale infiltratiemogelijkheden voor het hemelwater op het plangebied. Bodemdoorlatendheid De doorlatendheid van de bodem is bepalend voor de infiltratiecapaciteit hiervan. Bij een goede bodemdoorlatendheid kan het water sneller infiltreren in de bodem. Bij nieuwe ontwikkelingen is het belangrijk dat infiltratievoorzieningen bij een slechte bodemdoorlatendheid voldoende opvangcapaciteit hebben. De bodem van het plangebied betreft een zandgrond met voldoende bodemdoorlatendheid. Een nader onderzoek naar de infiltratiecapaciteit van de bodem wordt derhalve niet noodzakelijk geacht Water vormt geen belemmering voor de beoogde ontwikkeling. Er is sprake van een aanzienlijke verlaging van het bebouwd oppervlak op het plangebied waardoor de waterkundige situatie verbetert. Er zal op het plangebied meer onbebouwde grond zijn waardoor het voor hemelwater makkelijker is om lokaal te infiltreren.
4.5
Bodem
In het Besluit ruimtelijke ordening (artikel 3.1.6 lid 1 onder d) is bepaald dat voor de uitvoerbaarheid van een plan rekening gehouden moet worden met de bodemgesteldheid in het plangebied. Bij functiewijzigingen dient te worden bepaald of de bodemkwaliteit voldoende is voor de beoogde functie en moet worden bepaald of nader onderzoek en eventueel saneringen noodzakelijk zijn. In de Wet bodembescherming is bepaald dat indien de desbetreffende
Ruimtelijke onderbouwing Zijtaartseweg 12
23
bodemkwaliteit niet voldoet aan de norm voor de beoogde functie, de grond zodanig dient te worden gesaneerd dat zij kan worden gebruikt door de desbetreffende functie (functiegericht saneren). Nieuwe bestemmingen dienen bij voorkeur op schone grond te worden gerealiseerd. De nieuwe bebouwing is gesitueerd binnen het bestaande bouwvlak op de plek van een voormalige varkensstal. Tijdens de sloop worden de bestaande putten onder de varkensstallen verwijderd en onstaat daardoor een bouwput van circa 1,5 tot 2 meter diep. Puin afkomstig uit de bouwput wordt gezeefd en afgevoerd. Om de ontstane bouwput weer te dichten is grond aangekocht voorzien van een schone grond verklaring. Door opbrengen van schone grond en in feite sanering van directe omgeving van het varkensbedrijf wordt de bodemgesteldheid verzekerd voor de toekomstige situatie. In 1992 is vanwege een brand de destijds aanwezige asbest op de bedrijfsgebouwen gesaneerd en sindsdien is er op het plangebied dan ook geen asbest meer aanwezig. Eventuele asbest in de bodem de druppelzones is destijds ook verwijderd bij de renovatie en gedeeltelijke vervanging van de bedrijfsgebouwen. De bodem vormt geen belemmering voor de beoogde ontwikkeling. Eventuele bedreigingen in de vorm van zware metalen en asbest zijn uit te sluiten.
Asbest is in 1992 gesaneerd en door uitgraven van de putten en vervangen van de grond door grond met een schone grond verklaring is de bodem verzekerd van een goede kwaliteit en gesteldheid.
4.6
Technische infrastructuur
De locatie is reeds aangesloten op alle gangbare technische infrastructuur zoals drukriolering en andere nutsvoorzieningen. Hiervoor hoeven geen structurele aanpassingen plaats te vinden. Technische infrastructuur vormt geen belemmering voor de beoogde ontwikkeling. Er zijn voor het nieuwe gebruik als grondgebonden teeltbedrijf geen nieuwe aansluitingen noodzakelijk.
4.7
Bedrijven en milieuzonering
Om tussen bedrijven en woningen een goede ruimtelijke afstemming te maken wordt in de ruimtelijke ordening veelal een milieuzonering gehanteerd. Deze dient er voor te zorgen dat door het in acht nemen van voldoende afstand tussen bedrijven en gevoelige objecten (zoals woningen), geen overlast, hinder of schade ontstaat. Deze ruimtelijke zonering is gebaseerd op het in acht nemen van voldoende fysieke afstand. Afhankelijk van bedrijfstype en sector gelden verschillende afstanden. Om gemeenten te ondersteunen in het keuzeproces welke bedrijven gewenst en welke bedrijven ongewenst geacht worden heeft de vereniging Nederlandse gemeenten (VNG) een Handreiking Bedrijven en milieuzonering uitgebracht. De Handreiking, in de vorm van een gids, geeft voor verschillende bedrijfstypen richtafstanden op de onderdelen geur, stof, geluid en gevaar. Voor ruimtelijke ontwikkelingen is het goed en verstandig om de situatie voor de ontwikkeling te toetsen aan de situatie na de beoogde ontwikkeling. In het geval van de ontwikkeling op het plangebied zijn er richtafstanden bekend voor een varkenshouderij en richtafstanden voor
Ruimtelijke onderbouwing Zijtaartseweg 12
24
akkerbouwbedrijven. In onderstaand figuur zijn de twee bedrijfstypen en richtafstanden gegeven voor een akkerbouwbedrijf en varkenshouderij.
Figuur 4-1: uitsnede VNG gids bedrijven en milieuzonering
Te zien in figuur 4-1 is dat een varkenshouderij op alle benoemde aspecten (geur, stof en geluid) een grotere richtafstand kent dan een akkerbouwbedrijf. Algemeen aan te nemen is dat de gevolgen van een akkerbouwbedrijf voor de omgeving marginaal zijn, zeker als vergeleken wordt met de huidige situatie. Behalve toetsen of een ontwikkeling eventueel negatieve effecten heeft op omliggende functies is het eveneens van belang om invloed van omliggende functies op het plangebied te bepalen. In de directe omgeving zijn hoofdzakelijk agrarische bestemmingen gelegen. Het plangebied is op voldoende afstand (>200 meter) gelegen om eventuele hinder of overlast uit te kunnen sluiten. Bedrijven en milieuzonering vormen geen belemmering voor de beoogde ontwikkeling. Er is sprake van voldoende afstand tussen het plangebied en omliggende functies. De afstand in combinatie met de minder zware agrarische bestemming maken dat er geen significante negatieve ontwikkeling aan de orde is.
4.8
Geur
De Wet geurhinder en veehouderij geeft het wettelijk kader inzake geurhinder in relatie tot veehouderijen. De Wet geurhinder en veehouderij heeft tot doel het beschermen van mens en milieu tegen de negatieve effecten van geurbelasting, onder andere als gevolg van emissies door bedrijven. Indirect heeft de Wgv ook consequenties voor de totstandkoming van geurgevoelige objecten en dus voor de ruimtelijke ordening, dit wordt ‘omgekeerde werking’ genoemd. Voor wat betreft geurhinder van veehouderijen betekent dit dat de volgende aspecten in ogenschouw moeten worden genomen: •
Leidt een plan tot belemmeringen voor de bedrijfsvoering of ontwikkelingsmogelijkheden
van nabij gelegen veehouderijen? •
Is ter plaatse van de woning een goed woon- en leefklimaat gegarandeerd?
Belemmeringen Op grond van artikel 3.2 van de Wet geurhinder en veehouderij moet de afstand tussen de gevel van het dichtstbijzijnde dierenverblijf behorende tot een veehouderij en een geurgevoelig object dat onderdeel uitmaakt van een andere veehouderij, of dat op of na 19 maart 2000 heeft opgehouden deel uit te maken van een andere veehouderij, gelegen binnen de bebouwde kom, tenminste 100 meter te bedragen. Buiten de bebouwde kom is deze afstand minimaal 50 meter.