CConstaterende datMeierijstad
Koppel je AI →
Document · PDF

Bijlage 11 Toelichting Hoogstraat 65 (inclusief bijlagen)

Raadsvergadering 29 september 2022, gemeente MeierijstadBij agendapunt: Gewijzigde vaststelling bestemmingsplan 'Ontwikkelplan sanering varkenshouderij'18.620 woorden

Open het PDF bij de gemeente ↗Naar de vergadering →

Tekst van het document

Uit het bestand gehaald, zonder opmaak, tabellen en afbeeldingen · deel 2 van 3

Aanleiding en doel

Het doel van de bodemtoets bij ruimtelijke plannen is de bescherming van de bodem. Beoordeeld dient te worden of de bodem geschikt is voor de geplande functie en of sprake is van een eventuele saneringsnoodzaak. Aanleiding van de bodemtoets vormt wijziging van de bestemming ‘agrarisch’ naar ‘Bedrijf ten behoeve van agrarisch technische hulpbedrijven en/of agrarisch verwante bedrijven’.

Huidige situatie en toekomstige situatie

In de bestaande situatie wordt het plangebied gebruikt als ondergrond en erf en gedeeltelijk als landbouwgrond ter plaatse van het teeltveld. In de toekomstige situatie wordt op de locatie een hoveniersbedrijf met teelt van potplanten voor eigen gebruik geëxploiteerd.

23

Bodemloket

In het Bodemloket Brabant Noord is geen informatie over de locatie bekend.

Bodemkwaliteitskaarten

Doordat de bodemkwaliteit voor de ontwikkeling geen dan wel een beperkte invloed heeft, kan er voor de bodemkwaliteit worden volstaan met een verwijzing naar de ontgravingskaarten van de Bodemkwaliteitskaart. Hieronder zijn de uitsneden weer gegeven. Hieruit blijkt dat het plangebied voor wat betreft de bodem in de bodemkwaliteitszone landbouw/natuur ligt. Dit voldoet voor de gewenste ontwikkeling.

Afbeelding 11: Ontgravingskaart bovengrond, bodemloket.odbn.nl

Afbeelding 12: Ontgravingskaart ondergrond, bodemloket.odbn.nl

Bodemonderzoek

Ten behoeve van de ontwikkeling en sloop van stallen wordt een bodemonderzoek uitgevoerd. De resultaten worden hier opgenomen maar zijn nog niet bekend.

4.6 Verkeer en infrastructuur De verkeersbewegingen nemen met de wijziging van een agrarische bestemming naar een ‘Bedrijf ten behoeve van agrarisch technische hulpbedrijven en/of agrarisch verwante bedrijven’ niet toe. In de nieuwe situatie zal sprake zijn van busjes/personenwagens met aanhangers en vrachtverkeer voor de aan- en afvoer van bedrijfsmiddelen. De verkeersbewegingen betreffen in de nieuwe situatie op basis van de CROW cijfers circa 8 voor de woning en tussen 24 en 35 voor het bedrijf. Dit is inclusief vrachtverkeer.

24

De verkeersintensiteit op de Hoogstraat neemt met het plan af. Parkeren en laden en lossen gebeurt op het eigen terrein. Het bedrijf is toegankelijk middels twee aparte inritten. Deze zijn reeds aanwezig. Conform de parkeernormennota van de gemeente is 2,4 parkeerplaats nodig voor de woning. Ten behoeve van het bedrijf geldt 2,5 per 100 m². Dat zou betekenen dat 15 parkeerplaatsen voor het bedrijf aanwezig moeten zijn. Voor het bedrijf geldt echter dat er materiaal geladen en gelost moet worden en het bedrijf bezocht zal worden door vertegenwoordigers en een enkel personeelslid om te carpoolen. Verder vinden de werkzaamheden op locatie plaats en zal geen sprake zijn van bezoekers op Hoogstraat 65. De eigenaar is werkzaam op het bedrijf en woont bij het bedrijf. Hiervoor hoeft dus geen dubbele parkeerplaats geteld te worden. Drie parkeerplaatsen ten behoeve van de woning en vijf ten behoeve van het bedrijf zijn ruim voldoende om te voorzien in de parkeervraag. Op het erf is voldoende ruimte om te parkeren.

4.7 Bedrijven en milieuzonering Het ruimtelijk ordeningsbeleid regelt de situering van milieubelastende en milieugevoelige functies. Het doel is de kwaliteit van de leefomgeving te beschermen. Goede ruimtelijke ordening voorkomt hinder en gevaar. Dit kan door voldoende afstand te houden tussen milieubelastende activiteiten (zoals bedrijven) en gevoelige functies (zoals woningen). De VNG-brochure "Bedrijven en milieuzonering" is hierbij een belangrijk hulpmiddel. In deze brochure is onderscheid gemaakt in verschillende bedrijfsactiviteiten en gebieden. In de brochure is een lijst opgenomen die snel inzichtelijk maakt welke milieuaspecten van belang zijn en in welke milieucategorie een bedrijf ingedeeld zou kunnen worden. Per bedrijf is in beeld gebracht welke richtafstand aan de orde is voor de aspecten geluid, geur, stof en externe veiligheid. De richtafstanden van de VNG-publicatie gelden tot het gebiedstype ‘rustige woonwijk’. In bepaalde gevallen kan gemotiveerd worden dat er geen sprake is van een ‘rustige woonwijk’, maar een ‘gemengd gebied’. In het gebied waar onderhavige locatie is gelegen zijn verschillende typen agrarische bedrijven maar ook een aantal burgerwoningen gelegen. Het gebied kan getypeerd worden als gemengd gebied. Onderhavige ontwikkeling betreft geen nieuw gevoelig object. Alleen de afstanden vanuit het eigen bedrijf worden getoetst.

Voor een hoveniersbedrijf gelegen in gemengd gebied gelden de volgende richtafstanden: Geur: 10 meter Stof: 0 meter Geluid: 30 meter Gevaar: 0 meter De meest nabijgelegen burgerwoning betreft Hoogstraat 63 en is gelegen op 20 meter van de bouwvlakgrens. Voor het aspect geluid wordt derhalve niet voldaan aan de richtafstand. Dit betreft echter de tuin welke voor privédoeleinden gebruikt wordt. Het bedrijfsgedeelte is gelegen op ruim 30 meter afstand. Dit geldt ook voor de bedrijfsinrit. De grootte van het hovenierbedrijf wordt vastgelegd in het bestemmingsplan. Daarnaast is een hoveniersbedrijf een minder geluid producerend bedrijf als een varkenshouderij. De bedrijfsactiviteiten komen ook niet op een kleinere afstand door de ontwikkeling. De geluidsemissie wordt voornamelijk bepaald door verkeersbewegingen en het laden en lossen van zand, grind en stenen ter plaatse van de sleufsilo. Daarnaast worden op het teeltveld de planten onderhouden. De overige werkzaamheden vinden inpandig plaats. De verkeersbewegingen betreffen in de nieuwe situatie op basis van de CROW cijfers circa 8 voor de woning en tussen 24 en 35 voor het bedrijf. Dit is inclusief vrachtverkeer (gehouden op 10%). De verkeersbewegingen (behoudens enkele privéverkeersbewegingen) vinden overdag tussen 6.00 uur in de ochtend en 19.00 uur in de avond plaats.

25

Ondanks dat de situatie niet aan de richtafstand voor geluid voldoet is de situatie voorstelbaar omdat de situatie met betrekking tot geluid verbeterd.

Afbeelding 13: Situatie met richtafstanden

4.8 Geur Onderhavig bedrijf betreft een meldingsplichtig bedrijf en derhalve dient voor wat betreft geur getoetst te worden aan het Activiteitenbesluit milieubeheer.

Woon- en leefklimaat

Met de ontwikkeling wordt geen nieuw geurgevoelig object gerealiseerd, het betreft kortdurend verblijf. De woning is reeds bestaand. Doordat deze voorheen tot een veehouderij behoorde gelden dezelfde normen ten opzichte van andere bedrijven, namelijk de vaste afstanden. De afstanden blijven ongewijzigd. Bij uitbreidingen van nabijgelegen woningen zal ook de voorgrondbelasting niet getoetst hoeven worden, enkel de vaste afstanden en achtergrondbelasting. Het heeft dus geen meerwaarde deze te berekenen. Met V-stacks gebied is de achtergrond ter plaatse van de vier hoekpunten van de hoekpunten berekend. Deze is maximaal 18,2 OU.

In onderstaande tabel, afkomstig uit de bijlagen van de Handreiking Wet geurhinder en veehouderij, is af te lezen dat deze geurbelasting overeenkomt met circa 19% geurgehinderden. Dit betekent dat het woon- en leefklimaat te beoordelen is als ‘matig’. De locatie is gelegen in een gebied met veehouderijen. Enige geur is derhalve te verwachten. De situatie is dan ook te kwalificeren als aanvaardbaar. In het kader van de provinciale verordening wordt dit tevens gezien als aanvaardbaar.

26

Tabel: Relatie tussen achtergrondbelasting en geurhinder, bron: Handreiking Wet geurhinder en veehouderij

Tabel: Milieukwaliteit, bron: GGD-richtlijn geurhinder oktober 2002

4.9 Geluid Bij de vaststelling van een bestemmingsplan dient de Wet geluidhinder in acht te worden genomen. De Wet geluidhinder biedt geluidsgevoelige bestemmingen (zoals woningen) bescherming tegen geluidhinder van wegverkeerlawaai, spoorweglawaai en industrielawaai door middel van zonering. De Wet geluidhinder richt zich vooral op de ruimtelijke inpassing van geluidsgevoelige bestemmingen (zoals woningen) in relatie met belangrijke geluidsbronnen zoals (spoorweg)verkeer en gezoneerde industrieterreinen. Met de invoering van geluidproductieplafonds voor hoofd(spoor)wegen op 1 juli 2012 (opgenomen in de Wet milieubeheer) geldt de Wet geluidhinder niet meer voor de aanleg/wijziging van hoofd(spoor)wegen, maar nog wel voor de bouw van gevoelige bestemmingen langs deze wegen. Het betreft een bestaande woning waardoor verder onderzoek niet noodzakelijk is.

27

4.10 Luchtkwaliteit In het kader van onderhavige ruimtelijke ontwikkeling is het noodzakelijk aan te tonen dat de ontwikkeling niet tot een onevenredige verslechtering van de luchtkwaliteit leidt. De ontwikkeling vormt geen probleem ten aanzien van het aspect luchtkwaliteit indien er geen sprake is van een overschrijding van de gestelde normen of de ontwikkeling per saldo niet leidt tot een verslechtering van de luchtkwaliteit danwel het project ‘Niet In Betekenende Mate’ bijdraagt aan de verslechtering van de luchtkwaliteit. In het kader van de Wet milieubeheer zijn het Besluit en de Regeling “Niet In Betekenende Mate bijdrage” (NIBM) op 15 november 2007 in werking getreden. Een plan is NIBM, als aannemelijk is dat het plan een toename van de concentratie veroorzaakt van maximaal 3% van de grenswaarde voor NO2 en PM10. Er is sprake van een afname van verkeersbewegingen; de huidige intensieve veehouderij bestemming genereert meer verkeersbewegingen dan de beoogde situatie. De NIBM-tool is ingevuld om de verkeersbewegingen te toetsen. Hierbij is het maximaal aantal verkeersbewegingen meegenomen. Zie de afbeelding hieronder. De ontwikkeling is NIBM.

Worst-case berekening voor de bijdrage van het extra verkeer als gevolg van een plan op de luchtkwaliteit Jaar van planrealisatie

2021

Extra voertuigbewegingen (weekdaggemiddelde)

43

Aandeel vrachtverkeer

10,0%

NO2 in μg/m

3

0,06

PM10 in μg/m

3

0,01

Extra verkeer als gevolg van het plan

Maximale bijdrage extra verkeer Grens voor "Niet In Betekenende Mate" in μg/m

3

1,2

Conclusie De bijdrage van het extra verkeer is niet in betekenende mate; geen nader onderzoek nodig Afbeelding 14: NIBM-tool

Op de afbeeldingen hieronder is de achtergrondconcentratie van (zeer) fijnstof en stikstofdioxide te zien. De waarden voldoen aan de grenswaarden, 40 μg/m³ voor NO2 (is 16,95) en PM10 (16,24) en 20 μg/m³ voor PM2,5 (9,2). Voor het aspect luchtkwaliteit kan dan ook geconcludeerd worden dat er sprake is van een goed woon- en leefklimaat ter plaatse van de woning. De bedrijven in de omgeving hebben nog voldoende uitbreidingsmogelijkheden wat luchtkwaliteit betreft.

28

Afbeelding 15: Achtergrondconcentratie PM10 gegevens 2020, bron: RIVM

Afbeelding 16: Achtergrondconcentratie PM2,5 gegevens 2020, bron: RIVM

29

Afbeelding 17: Achtergrondconcentratie stikstofdioxide gegevens 2020, bron: RIVM

4.11 Externe veiligheid Externe veiligheid heeft betrekking op de risico's die mensen lopen als gevolg van mogelijke ongelukken met gevaarlijke stoffen bij bedrijven, transportroutes (wegen, spoorwegen en waterwegen) en buisleidingen. Omdat de gevolgen van een ongeluk met gevaarlijke stoffen groot kunnen zijn, zijn de aanvaardbare risico's vastgelegd in diverse besluiten. De belangrijkste zijn:  Besluit externe veiligheid inrichtingen (Bevi);  Besluit externe veiligheid-buisleidingen (Bevb);  Besluit externe veiligheid transportroutes (Bevt). Binnen de beleidskaders voor deze drie typen risicobronnen staan altijd twee kernbegrippen centraal: het plaatsgebonden risico en het groepsrisico. Hoewel beide begrippen onderlinge samenhang vertonen zijn er belangrijke verschillen. Hieronder worden beide begrippen verder uitgewerkt. Risiconormering In het beoordelingskader voor externe veiligheid staan twee kernbegrippen centraal: het plaatsgebonden risico en het groepsrisico:

Plaatsgebonden risico (PR)

Het plaatsgebonden risico geeft de kans, op een bepaalde plaats, om te overlijden ten gevolge van een ongeval bij een risicovolle activiteit. Het PR kan op de kaart van het gebied worden weergeven met zogeheten risicocontouren: lijnen die punten verbinden met eenzelfde PR. Binnen de 10-6 contour (welke als wettelijk harde norm fungeert) mogen geen kwetsbare objecten geprojecteerd worden. Voor beperkt kwetsbare objecten geldt de 10-6contour niet als grenswaarde, maar als een richtwaarde.

Groepsrisico (GR)

Het groepsrisico is een maat voor de kans dat bij een ongeval een groep slachtoffers valt met een bepaalde omvang (10 personen of meer). Het GR wordt bepaald binnen het invloedsgebied van een risicovolle activiteit en kent geen vaste norm, maar een oriëntatiewaarde (= '1'). Voor het groepsrisico 30

geldt een verantwoordingsplicht. Dit houdt in dat iedere wijziging met betrekking tot planologische keuzes moet worden onderbouwd én verantwoord door het bevoegd gezag.

Verantwoordingsplicht groepsrisico

Met het invullen van de verantwoordingsplicht wordt antwoord gegeven op de vraag in hoeverre externe veiligheidsrisico's in het plangebied worden geaccepteerd en welke maatregelen getroffen zijn om het risico zoveel mogelijk te beperken. Het invullen van de verantwoordingsplicht is een taak van het bevoegd gezag (veelal de gemeente). Door de verantwoordingsplicht worden gemeenten gedwongen het externe veiligheidsaspect mee te laten wegen bij het maken van ruimtelijke keuzes. Deze verantwoording is kwalitatief en bevat verschillende onderdelen die aan bod kunnen of moeten komen. Ook bestaat er een adviesplicht voor de regionale brandweer. In de Handreiking verantwoordingsplicht groepsrisico zijn de onderdelen van de verantwoording nader uitgewerkt en toegelicht. Bron Inrichtingen (Bevi) Buisleidingen (Bevb)

Wanneer groepsrisicoverantwoording? Altijd wanneer binnen invloedsgebied ruimtelijk besluit wordt genomen. Altijd wanneer binnen invloedsgebied een ruimtelijk besluit wordt genomen. Er kan echter worden volstaan met een beperkte verantwoording wanneer:

1) het groepsrisico lager is dan 0,1 keer de oriëntatiewaarde, of 2) de toename minder is dan 10%en de oriënterende waarde niet wordt overschreden, of 3) personen zich buiten de 100%letaliteitgrens bevinden. Weg, spoorweg of binnenwater (Bevt)

Bij een beperkte verantwoording hoeven alleen zelfredzaamheid en bestrijdbaarheid beschouwd te worden. Altijd wanneer binnen invloedsgebied een ruimtelijk besluit wordt binnenwater (Bevt) genomen. Er kan echter worden volstaan met een beperkte verantwoording wanneer:

1) het groepsrisico lager is dan 0,1 keer de oriëntatiewaarde, of 2) de toename minder is dan 10% en de oriënterende waarde niet wordt overschreden, of 3) personen zich buiten de 200 meter-zone bevinden.

Bij een beperkte verantwoording hoeven alleen zelfredzaamheid en bestrijdbaarheid beschouwd te worden.

Door het uitwerken van de verantwoordingsplicht neemt het bevoegd gezag de verantwoordelijkheid voor het 'restrisico' dat overblijft nadat benodigde veiligheidsverhogende maatregelen genomen zijn. Overige wet- en regelgeving Tot slot wordt in het kader van een 'goede ruimtelijke ordening' (art. 3.1 Wro) getoetst aan eventueel van toepassing zijnde veiligheidsafstanden uit het Activiteitenbesluit, Barra, effectafstanden uit de 'Circulaire effectafstanden LPG-tankstations', enz. Het ‘Besluit externe veiligheid inrichtingen’ heeft geen betrekking op de activiteiten welke plaatsvinden op de locatie aan Hoogstraat 65 te Sint-Oedenrode. De provinciale Risicokaart geeft een beeld van de risico's in de woon- en leefomgeving. In provincies, gemeenten en regio’s worden risico-inventarisaties en risicoanalyses uitgevoerd. De provinciale Risicokaart geeft een beeld van deze inventarisaties en analysen. Met onderhavig initiatief wordt geen nieuw gevoelig object gerealiseerd.

31

Afbeelding 18: Uitsnede provinciale risicokaart

Het plangebied ligt direct aan de Hoogstraat waar GF3 stoffen over worden vervoerd. GF3 heeft een invloedsgebied van 355 meter. Omdat het plangebied binnen 200 meter vanaf de transportroute af ligt, dient er volgens art. 8 van het Bevt een volledige verantwoording van het groepsrisico afgelegd te worden. De volledige verantwoording kan achterwege gelaten worden indien er aangetoond kan worden dat de oriëntatiewaarde niet overschreden wordt en het groepsrisico niet met 10% toeneemt. De vuistregels van de handleiding risicoanalyse transport kunnen worden gebruikt om te bepalen of een risicoberekening noodzakelijk is.

Toetsing plaatsgebonden risico

De Hoogstraat is een weg buiten de bebouwde kom (60 km/uur). Vuistregel 1: Een weg buiten de bebouwde kom heeft geen 10-5-contour. Vuistregel 2: Wanneer het aantal GF3 transporten per jaar lager is dan 500 heeft een weg buiten de bebouwde kom geen 10-6-contour. Over deze weg gaan 16 GF3 transporten per jaar. Deze weg heeft dus geen 10-6-contour.

Toetsing groepsrisico

Bij toetsing van de oriëntatiewaarde is vuistregel 1: Wanneer de vervoersstroom gevaarlijke stoffen in tankwagens (bulkvervoer) stoffen bevat uit de categorieën LT3, GT4 of GT5 (ongeacht de aantallen) pas dan RBM II toe. Vuistregel 2: Wanneer GF3 minder is dan 10 maal de drempelwaarde in Tabel 1-6 (eenzijdige bebouwing) of 10 maal de drempelwaarde in Tabel 1-7 (2-zijdige bebouwing) wordt de oriëntatiewaarde van het groepsrisico niet overschreden. Dit is inderdaad minder. Bij de toetsing van 10% van de oriëntatiewaarde zijn dezelfde eisen van toepassing dus ook daar is het aantal GF3 minder. Conclusie Op basis van de vuistregels van het Hart hoeft er geen risicoberekening te worden gemaakt. Dit betekent dat er kan worden volstaan met een beperkte verantwoording van het groepsrisico voor de scenario BLEVE.

Beperkte verantwoording groepsrisico BLEVE

Zelfredzaamheid: Gezien de aard en de activiteiten van de bestemming mag aangenomen worden dat de mate van zelfredzaamheid van de personen van het plangebied goed is. Een ongeval op de Hoogstraat zal snel waargenomen worden. Voor een BLEVE geldt vluchten als beste handelingsperspectief. Via het achterliggende terrein kan afstand van de Hoogstraat worden genomen.

Advies ODBN/veiligheidsregio

Een reden voor het uitbrengen van advies werd niet aanwezig geacht. Zie hiervoor het schrijven in de bijlage.

32

4.12 Gezondheid Volgens de Gezondheidsraad is endotoxine een goede indicator voor de blootstelling van omwonenden van veehouderijen aan stoffen uit stallen die een negatieve invloed hebben op de luchtwegen. Daarom is in de notitie ‘Handelingsperspectieven Veehouderij en Volksgezondheid: Endotoxine toetsingskader 1.0’ de blootstelling aan endotoxine en de advieswaarde van de Gezondheidsraad als insteek gekozen. Het endotoxine toetsingskader 1.0 biedt de mogelijkheid om bij de vergunningverlening aan veehouderijen uit voorzorg bescherming te bieden aan omwonenden. Recentelijk zijn de resultaten van het gezondheids- (VGO) en het endotoxineonderzoek gepubliceerd. Uit het VGO onderzoek is onder andere gebleken dat er een afname is van de longfunctie bij iedereen die woont in een gebied met meer dan 15 veehouderijen binnen een straal van 1000 meter. Het is volgens de onderzoekers het meest waarschijnlijk dat deze effecten veroorzaakt worden door de blootstelling aan stoffen afkomstig van veehouderijen. Uit VGO-2 onderzoek is gebleken dat zich in een straal van circa 2 km rond geitenbedrijven een verhoogd aantal gevallen van longontsteking voordoet. Met het VGO-3 onderzoek is dit bevestigd. Uit VGO-3 onderzoek blijkt verder dat er geen relatie is tussen de aanwezigheid van pluimveehouderijen en het voor komen van longontsteking.

De Handreiking veehouderij en volksgezondheid 2.0 bevat een praktisch stappenplan en richtafstanden om te beoordelen of nadere advisering vanuit de GGD wenselijk is. Dit stappenplan is opgesteld om ontwikkelingen bij veehouderijen te beoordelen. Daarnaast kan het eventueel gebruikt worden bij de afweging om nieuwe gevoelige objecten toe te staan. Met onderhavige ontwikkeling is geen sprake van een nieuw gevoelig object, tevens betreft het geen veehouderij. Derhalve hoeft het stappenplan niet gevolgd te worden en ook geen advies opgevraagd te worden bij de GGD.

4.13 Overig Spuitzones

Hoewel in geen enkele wettelijke regeling in acht te nemen afstanden zijn opgenomen voor spuitzones tussen gevoelige bestemmingen enerzijds en percelen met open teelt waarop gewasbeschermingsmiddelen worden gebruikt anderzijds, dient op basis van het criterium goede ruimtelijke onderbouwing wel te worden beoordeeld of het gebruik van die middelen onaanvaardbare gevolgen heeft voor het woon- en leefklimaat. Uit jurisprudentie van de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State volgt als vuistregel dat een afstand van 50 meter tussen het perceel waarop teelt plaatsvindt en te realiseren nieuwe gevoelige functies kan worden gehanteerd. De landbouwgrond grenzend aan het plangebied betreft grasland. Het gebruik van gewasbeschermingsmiddelen hierop is zeer laag, dit is niet te vergelijken met bijvoorbeeld fruitteelt of akkerbouwgewassen. De spuitvrije zone die aangehouden kan worden bij het contacinerveld bedraagt nul centimeter in verband met de neerwaartse bespuiting en gebruik van emissieschermen.

Hoogspanningslijnen

Op een afstand van ongeveer 1,4 kilometer ligt een hoogspanningslijn. Gelet op de afstand tussen het plangebied en deze lijn vormt dit aspect geen belemmering.

33

5 Juridische planopzet Het college van burgemeester en wethouders heeft bij vergadering van 27 oktober 2020 besloten dat het plan voor Hoogstraat 65 te Sint-Oedenrode met behoud van ca. 200 m² en ca. 400 m² nieuwe bebouwing ten behoeve van een agrarisch verwant bedrijf (hovenier), in principe ruimtelijk voorstelbaar is. Ten behoeve van de wijziging van de bestemming wordt een planologische procedure doorlopen op basis van artikel 3.1 van de Wet ruimtelijke ordening. Op de voorbereiding van het veegplan is afdeling 3.4 van de Algemene wet bestuursrecht van toepassing. Na vooroverleg zijn aanpassingen doorgevoerd en is het Ontwikkelplan in ontwerp ter inzage gelegd. Kennisgeving van het ontwerpbesluit heeft op de formele wijze plaatsgevonden. Gedurende deze periode heeft iedereen de mogelijkheid gehad een zienswijze op het ontwerpbestemmingsplan te geven. Een zienswijze van de provincie is binnengekomen. Zie voor beantwoording de notitie beantwoording zienswijzen. De gemeenteraad beslist binnen twaalf weken na de termijn van terinzagelegging omtrent vaststelling van het bestemmingsplan. Nadat het bestemmingsplan is vastgesteld wordt het plan gepubliceerd. Een kennisgeving van het besluit vindt plaats conform wettelijke voorwaarden. Het besluit tot vaststelling van het bestemmingsplan treedt in werking met ingang van de dag na die waarop de beroepstermijn afloopt.

34

6 Economische uitvoerbaarheid Initiatiefnemer betreft een particuliere partij. Deze particuliere partij draagt zorg voor de kosten welke gepaard gaan met de voorgenomen ontwikkeling. De financiële uitvoering van de ontwikkeling is daarmee geborgd. De Wet ruimtelijke ordening geeft gemeenten meer regie en sturing op de ruimtelijke ontwikkelingen op lokaal niveau. De nieuwe wetgeving maakt het mogelijk voor gemeenten om de kosten met betrekking tot het plan te verhalen op diegene die de ontwikkeling initieert. Hiertoe is een anterieure overeenkomst gesloten. Gezien voorgaande zijn risico’s aangaande dit aspect voor de gemeente dan ook uitgesloten.

35

7 Maatschappelijke uitvoerbaarheid In het kader van de maatschappelijke uitvoerbaarheid vindt een kennisgeving van het besluit volgens formele weg plaats. Het complete bestemmingsplan, regels, verbeelding en toelichting inclusief bijlagen worden voor eenieder ter inzage gelegd. Tevens wordt het ontwerpbesluit toegezonden aan de provincie en het waterschap.

36

8 Conclusie Uit voorgaande toetsing blijkt dat de gewenste ontwikkeling past binnen het rijksbeleid, beleid van de provincie Noord-Brabant en de gemeente Meierijstad. Het plan voldoet tevens aan de gestelde eisen op het gebied van milieu en levert geen beperkingen op ten aanzien van ruimtelijke aspecten. Daarnaast is tevens de uitvoerbaarheid voldoende gegarandeerd. De procedure kan dan ook zonder problemen worden doorlopen.

37

Bijlagen Situatietekening Landschappelijk inpassingsplan Berekening kwaliteitsverbetering Quickscan natuur Invoergegevens geur Advies veiligheidsregio Bodemonderzoek

Situatietekening

SITUATIETEKENING BESTAAND - BEOOGD Dhr. van der Heijden Hoogstraat 65, 5492 VV Sint-Oedenrode SCHAAL 1 : 1000

DATUM : 01-02-2021

FORMAAT : A3

Getekend : G. van de Rijt

Landschappelijk inpassingsplan Sint-Oedenrode ligt tussen de stedelijke gebieden van Eindhoven, Den Bosch en Uden-Veghel. Direct grenzend aan Sint-Oedenrode liggen Schijndel, Veghel, Laarbeek, Nuenen C.A., Son en Breugel, Best, Boxtel en Sint-Michielsgestel. De gemeente maakt onderdeel uit van de Centrale Slenk. Dit is een laaggelegen gebied in Noord-Brabant, dat ligt tussen de Peelhorst of Peelrandbreuk. In de laatste ijstijd is het grootste gedeelte van de Centrale Slenk door dekzand opgevuld. De Dommel behoort samen met de Aa tot de belangrijkste beken in de Centrale Slenk. Het buitengebied van Sint-Oedenrode heeft een landelijk karakter. Het gebied wordt getypeerd door een grote verscheidenheid aan landschappen, variërend van kleinschalige landschappen, zoals het beekdalsysteem van De Dommel, tot meer grootschalige typen, van bijvoorbeeld de open jonge zandontginningen. De gemeente wordt doorsneden door zogenaamde droge infrastructuur. De belangrijkste infrastructuur is hierbij de snelweg A50 tussen Eindhoven en Veghel en de N617 tussen Sint-Oedenrode en Schijndel. Wat betreft natte infrastructuur vormt De Dommel het belangrijkste element. Het overwegend agrarisch gebruik en de natuur- en bosgebieden zijn kenmerkend voor het buitengebied van Sint-Oedenrode. Deze gebieden zijn ook vanuit recreatief oogpunt interessant.

De korte gebiedskarakteristiek wordt hieronder verder uitgewerkt in een nadere beschrijving en analyse van het plangebied. Het buitengebied van Sint-Oedenrode is onder te verdelen in verschillende landschapseenheden. Zo is er een kleinschalig beekdallandschap in het beekdal van De Dommel. In een brede zone rondom dit beekdallandschap bevinden zich oude zandontginningen. Deze strekken zich nog wat verder uit in de richting van Boskant. Rondom Boskant is sprake van een relatief besloten landschap, waarin onderhavige locatie is gelegen. Er is hier sprake van een afwisseling tussen populieren, bos en cultuurland. In Sint-Oedenrode domineert de landbouw, waarbij duidelijk te zien is dat de gebieden nabij de kernen eerder ontgonnen zijn dan de verder afgelegen gebieden. Verspreid tussen de agrarische percelen zijn er bosschages, houtwallen, singels, laanbeplantingen en natuurlijke oevers van beken en sloten, die het natuurlijke aspect van het gebied bepalen. In het kader van de Interim Omgevingsverordening en gemeentelijk beleid wordt de locatie landschappelijk ingepast. In de directe omgeving van de locatie kenmerken de inrichtingen zich door de vele verschillende vormen en ontwikkelingsrichtingen. De verkaveling is variërend en divers. De bebouwing wordt soms (voor een groot deel) omsloten door beplanting maar liggen vaak ook open in het landschap.

De bosschages en laanbeplanting zorgen ervoor dat de bebouwing toch in een meer beschut landschap liggen. Door de losse verkaveling en geenszins strak wegenpatroon wordt gekozen voor een omzoming van de locatie met groen. Een bepaalde landschapsrichting welke geaccentueerd dient te worden, is niet aanwezig. De locatie is gelegen aan twee openbare wegen met aan iedere weg een inrit. De locatie oriënteert zich niet overwegend op één van de twee wegen. Het zicht vanaf de Hoogstraat op het containerveld en de bebouwing wordt gedeeltelijk weggenomen door de aan te planten beukenhaag. De drie nieuwe bomen breken daarnaast het zicht op de nieuwe bebouwing vanaf deze zijde. Aan de zijde van Nieuwenhuizen is ter hoogte van het bestaande bedrijfsgebouw een bestaande haag aanwezig, deze blijft behouden. Deze schuur wordt daarnaast begeleid door een bestaande bomenrij. Ter hoogte van de sleufsilo voor opslag wordt een robuuste beukenhaag aangeplant om het zicht op de opslag weg te nemen. Langs de gehele zuidoostzijde is in de beoogde situatie een struweelhaag aanwezig. Deze is reeds voor een groot gedeelte aanwezig haaks op de weg en zal worden aangevuld in de lengte. Een bomengroepje van drie inheemse bomen tussen het struweel en de bebouwing zorgt ervoor dat de bebouwing door groen begeleid wordt in de hoogte.

Element Struweel Beukenhaag 1 Beukenhaag 2 Bomenrij Bomengroep Totaal

Oppervlakte in m² 800 200 90 300 300 1.570

Struweel

Wisselend sortiment, bestaand aanvullen. Eén maal per 3-5 jaar 50% inkorten.

Beukenhaag

7 stuks per meter, eindhoogte 2 meter. Eén tot tweemaal per jaar snoeien.

Bomenrij/bomengroep

Inheems (bijv. Beuk, Berk, Els, Hollandse Linde, Hollandse eik) wisselend, eindhoogte 35 meter. Extensief beheer.

Berekening kwaliteitsverbetering

Berekening kwaliteitsverbetering Bestaand Agrarisch bouwvlak

Beoogd Bebouwd agrarisch verwant Onbebouwd agrarisch verwant Containerveld Totaal Waardeverschil

10650 €

25,00 €

266.250,00

612 € 4538 € 2000 €

80,00 € 40,00 € 15,00 € €

48.960,00 181.520,00 30.000,00 260.480,00

€

‐5.770,00

Quickscan Natuur

QUICKSCAN SOORTENBESCHERMING HOOGSTRAAT 65 TE SINT-OEDENRODE

Colofon

Quickscan soortenbescherming Projectnummer: EP.20.1101 Versie: 1 Datum: 21 september 2020 Opdrachtnemer Agrifirm NWE BV Bedrijfsontwikkeling Exlan Waalkade 33 5347 KR Oss

Postbus 300 5340 AH Oss

Locatie Hoogstraat 65 Sint-Oedenrode Opdrachtgever Van der Heijden Hoogstraat 65 5492 VV Sint-Oedenrode Contactpersoon Anton van Zeeland T: 088 – 488 2929 F: 088 – 488 2102 E: a.vanzeeland@agrifirm.com Uitvoerders Ing. A. van Zeeland L.F.A. van Sleeuwen LL.B. Collegiale check AvZ

ALLE RECHTEN VOORBEHOUDEN. NIETS UIT DEZE UITGAVE MAG WORDEN VERVEELVOUDIGD DOOR MIDDEL VAN DRUK, FOTOKOPIE, MICROFILM, GELUIDSBAND, ELEKTRONISCH OF OP WELKE ANDERE WIJZE DAN OOK, EN EVENMIN IN EEN GEAUTOMATISEERD GEGEVENSBESTAND WORDEN OPGESLAGEN, ZONDER VOORAFGAANDE SCHRIFTELIJKE TOESTEMMING VAN AGRIFIRM EXLAN.

2 Quickscan Flora- en Fauna – Hoogstraat 65 Sint-Oedenrode

Inhoudsopgave

Quickscan soortenbescherming INLEIDING

4

HOOFDSTUK 1 TOETSINGSKADER

6 6

HOOFDSTUK 2 ONDERZOEKSRESULTATEN

9 9

HOOFDSTUK 3 CONCLUSIE

25 25

LITERATUUR

26

WAARNEMINGEN EFFECTEN INDICATOR SOORTEN

27 29

3 Quickscan Flora- en Fauna – Hoogstraat 65 Sint-Oedenrode

Inleiding

Planbeschrijving

Aanleiding Het plangebied is gelegen aan de Hoogstraat 65 Sint-Oedenrode. De plannen omvatten de sloop van alle varkensstallen, behalve de schuur, in het kader van de warme sanering. In dit kader wordt door het bevoegde gezag een toets aan de soortenbescherming noodzakelijk geacht. Bij de uitvoering van de voorgenomen ingrepen moet rekening worden gehouden met het huidige voorkomen van de, op grond van de Wet natuurbescherming, beschermde soorten. Als de voorgenomen ingreep leidt tot het overtreden van verbodsbepalingen betreffende beschermde soorten, moet vrijstelling of ontheffing worden verkregen. De voorliggende quickscan bevat een inventarisatie van de huidige aanwezigheid van beschermde soorten planten en dieren in en om het plangebied. Tevens worden de te verwachten effecten van de ingreep in het plangebied beoordeeld. Plangebied Het plangebied ligt in de plaats Sint-Oedenrode in de gemeente Meierijstad. Het plangebied bevindt zich buiten de verkeerskundige en stedenbouwkundige bebouwde kom van SintOedenrode.

Afbeelding 1: luchtfoto plangebied (bron: streetsmart.cyclomedia.com/streetsmart, geraadpleegd op 08/09/2020)

4 Quickscan Flora- en Fauna – Hoogstraat 65 Sint-Oedenrode

Onderzoeksmethode Om een goede indicatie van de natuurwaarden binnen het plangebied te krijgen, wordt het onderzoek in verschillende stappen uitgevoerd. Op basis van bronnenonderzoek is nagegaan of er wettelijk beschermde planten- of diersoorten in het gebied voor kunnen komen waaraan extra aandacht geschonken dient te worden tijdens het terreinbezoek. Na het bronnenonderzoek is een verkennend terreinbezoek gebracht aan het plangebied. Hierbij is, op basis van de gegevens van het literatuuronderzoek, beoordeeld voor welke soorten het gebied daadwerkelijk een geschikte habitat biedt en daarmee welke soorten er daadwerkelijk voor kunnen komen. Vervolgens zijn de mogelijke effecten op de verwachte beschermde soorten beschreven. Op basis van de doorlopen procedures zijn conclusies getrokken met betrekking tot de eventuele negatieve effecten en/of obstakels inzake de Wet natuurbescherming. Op donderdag 10 september 2020 is de locatie tussen 16:00 en 17:00 uur ter plaatse geïnventariseerd, om te onderzoeken of het plangebied een zodanig belangrijke status heeft dat een aanvullend veldonderzoek noodzakelijk is. Op het moment van inventarisatie was het 22 graden Celsius en wisselend bewolkt. Op basis van terreinkenmerken is beoordeeld of het terrein geschikt is voor de, in de regio voorkomende, beschermde soorten.

Doelstelling Om een indicatie te krijgen van de effecten die de sloopwerkzaamheden hebben op de natuurwaarden binnen het plangebied, dienen de volgende vragen te worden beantwoord: 1. Welke wettelijk beschermde soorten komen in het plangebied voor? Welke status hebben deze soorten? 2. Welke invloed heeft de geplande ingreep in het betreffende gebied op de beschermde soorten en komt daarmee de staat van instandhouding in gevaar? 3. Hoe dient omgegaan te worden met eventuele negatieve effecten van het plan op wettelijk beschermde planten- en diersoorten, en welke vervolgstappen zijn nodig?

5 Quickscan Flora- en Fauna – Hoogstraat 65 Sint-Oedenrode

Hoofdstuk 1

1 Toetsingskader Wet natuurbescherming De bescherming van natuur is in Nederland vastgelegd in nationale wetgeving. De nationale wetgeving is een Nederlandse implementatie van de belangrijkste Europese wetgevingselementen. Per 1 januari 2017 zijn de Flora- en Faunawet, de Boswet en de Natuurbeschermingswet 1998 vervangen door de Wet natuurbescherming. De uitvoering van deze nieuwe wet is grotendeels in handen van de provincies gekomen.

1.1

Gebiedsbescherming De Wet natuurbescherming noemt bekende maar ook enkele nieuwe soorten natuurgebieden die bescherming behoeven: de Natura 2000-gebieden, het Natuurnetwerk Nederland (NNN), bijzondere provinciale natuurgebieden en landschappen, bijzondere nationale natuurgebieden en de nationale parken. Bij ontwikkelingen met name in het buitengebied moet rekening worden gehouden met het al dan niet van toepassing zijn van de beschermingsregimes van deze natuurgebieden. Ieder gebied kent een eigen beschermingsregime dat afzonderlijk gewogen dient te worden in relatie tot plannen, projecten en andere handelingen met mogelijk nadelige effecten voor de beschermde natuurwaarden. Natura 2000-gebieden De bekendste natuurgebieden zijn de Natura 2000-gebieden, zij kennen tevens het meest strikte beschermingsregime. De basis voor Natura 2000 zijn de Europese Vogelrichtlijn en de Habitatrichtlijn. In Nederland zijn 164 gebieden als Natura 2000-gebied aangewezen. Voor ieder gebied zijn instandhoudingsdoelstellingen bepaald die betrekking kunnen hebben op de bescherming van specifieke flora en fauna alsook leefgebieden van soorten. Alle projecten en handelingen binnen of buiten de gebiedsgrenzen mogen geen verstorend of verslechterend effect hebben op de instandhoudingsdoelstellingen. Voor de voorgenomen ontwikkeling is hier, voor zover van toepassing, separaat aan getoetst.

In deze rapportage wordt hier verder niet op ingegaan. Natuurnetwerk Nederland Het Natuurnetwerk Nederland (voorheen EHS) is het Nederlands netwerk van bestaande en nieuw aan te leggen natuurgebieden. Het netwerk moet natuurgebieden beter verbinden met elkaar en met het omringende agrarisch gebied. De provincies zijn belast met de taak een dergelijk netwerk tot stand te laten te komen en in stand te laten. De uitvoering hiervan is hoofdzakelijk gestuurd vanuit de ruimtelijke ordening (provinciale verordeningen). Binnen het Natuurnetwerk Nederland geldt een “nee, tenzij”- benadering. Overige gebieden Naast de bovengenoemde gebieden kunnen gebieden aangewezen worden als ‘bijzondere provinciale natuurgebieden’, ‘bijzondere provinciale landschappen’ of ‘nationaal park’. De bescherming van deze gebieden vind net als bij het NNN plaats via het ruimtelijk spoor. Daarnaast kan een gebied aangewezen worden als ‘bijzonder nationaal gebied’, een soort voorloper van de aanwijzing als Natura 2000-gebied. De bescherming van deze gebieden stemt dan ook overeen met de bescherming van Natura 2000-gebieden.

6 Quickscan Flora- en Fauna – Hoogstraat 65 Sint-Oedenrode

1.2

Soortenbescherming De Wet natuurbescherming deelt soorten in drie beschermingsregimes in. Daarnaast zijn er vrijgestelde soorten en jaarrond beschermde vogelnesten. 1) Beschermingsregime soorten vogelrichtlijn 2) Beschermingsregime soorten habitatrichtlijn 3) Beschermingsregime ander soorten 4) Vrijgestelde soorten 5) Jaarrond beschermde vogelnesten Vogelrichtlijn Onder de soorten van de Vogelrichtlijn vallen alle van nature in Nederland in het wild levende vogels. Het is verboden om: • Opzettelijk vogels te doden of te vangen; • Opzettelijk vogelnesten, -rustplaatsen en – eieren te vernielen of te beschadigen of vogelnesten weg te nemen; • Eieren van vogels te rapen en deze onder zich te hebben; • Opzettelijk vogels te storen, tenzij de storing niet van wezenlijke invloed is op de staat van instandhouding van de desbetreffende vogelsoort. Habitatrichtlijn Onder de soorten van de Habitatrichtlijn vallen soorten die genoemd zijn in Bijlage IV van de Habitatrichtlijn, Bijlage I en II van het Verdrag van Bern en Bijlage I van het Verdrag van Bonn. In de Bijlagen van de Verdragen van Bern en Bonn worden ook vogels genoemd.

Wat betreft deze soorten is het verboden om: • Opzettelijk dieren te doden of te vangen; • Opzettelijk dieren te verstoren; • Opzettelijk eieren van dieren te vernielen of te rapen; • Voortplantingsplaatsen of rustplaatsen van dieren te beschadigen of te vernielen; • Opzettelijk planten in hun natuurlijke verspreidingsgebied te plukken, te verzamelen, af te snijden, te ontwortelen of te vernielen. Ook is het verboden deze soorten te verkopen, te vervoeren voor verkoop, te verhandelen, te ruilen of te kopen, tenzij het gaat om gefokte of gekweekte dieren of planten. Andere soorten Onder het beschermingsregime andere soorten vallen soorten waarvan er geen Europese verplichting tot bescherming is. Dit zijn soorten die vanuit nationaal belang extra bescherming behoeven. Het beschermingsniveau van deze soorten kan per provincie verschillen. Het is verboden om: 1) Opzettelijk dieren te doden of te vangen; 2) Voortplantingsplaatsen of rustplaatsen van dieren te beschadigen of te vernielen; 3) Opzettelijk (vaat)planten in hun natuurlijke verspreidingsgebied te plukken te verzamelen, af te snijden, te ontwortelen of te vernielen. Provincies hebben de bevoegdheid om bij provinciale verordening vrijstelling te verlenen voor nationaal beschermde soorten.

Vrijgestelde soorten De verboden zijn niet van toepassing op de bosmuis, de huisspitsmuis en de veldmuis voor zover deze dieren zich in of op gebouwen of daarbij behorende erven of roerende zaken bevinden. Ook vallen de zwarte rat, bruine rat, huismuis, de mol en exoten niet onder beschermingsregime van de Wet natuurbescherming en mogen opzettelijk gedood en gevangen worden. Daarnaast geldt, zoals hierboven reeds aangegeven, dat provincies de bevoegdheid hebben vrijstelling te verlenen voor bepaalde soorten.

7 Quickscan Flora- en Fauna – Hoogstraat 65 Sint-Oedenrode

Jaarrond beschermde vogelnesten De opgestelde lijst met jaarrond beschermde nesten voor vogels is een beleidsdocument dat voortvloeit uit de voormalige Flora- en faunawet en meegenomen is onder de Wet natuurbescherming. De nesten zijn ingedeeld in categorieën (1 t/m 5) waarvan de categorie 1 t/m 4 jaarrond beschermd zijn. Nesten in categorie 5 zijn enkel beschermd bij afwezigheid van voldoende alternatieven. 1) Nesten die, behalve gedurende het broedseizoen als nest, buiten het broedseizoen in gebruik zijn als vaste rust- en verblijfplaats 2) Nesten van koloniebroeders die elk broedseizoen op dezelfde plaats broeden en die daarin zeer honkvast zijn of afhankelijk van bebouwing of biotoop. De (fysieke) voorwaarden voor de nestplaats zijn vaak zeer specifiek en limitatief beschikbaar. 3) Nesten van vogels, zijnde geen koloniebroeders, die elk broedseizoen op dezelfde plaats broeden en die daarin zeer honkvast zijn of afhankelijk van bebouwing. De (fysieke) voorwaarden voor de nestplaats zijn vaak zeer specifiek en limitatief beschikbaar. 4) Vogels die jaar in jaar uit gebruik maken van hetzelfde nest en die zelf niet of nauwelijks in staat zijn een nest te bouwen.

5) Nesten van vogels die weliswaar vaak terugkeren naar de plaats waar zij het jaar daarvoor hebben gebroed of de directe omgeving daarvan, maar die wel over voldoende flexibiliteit beschikken om, als de broedplaats verloren is gegaan, zich elders te vestigen.

1.3

Houtopstanden De regels van de Boswet zijn grotendeels onveranderd opgenomen in de Wet natuurbescherming. Een houtopstand is een zelfstandige eenheid van bomen, boomvormers, struiken, hakhout of griend, die een oppervlakte van 10 are of meer beslaat ofwel een rijbeplanting die meer dan twintig bomen omvat. Buiten de bescherming vallen: • houtopstanden binnen de bij besluit van de gemeenteraad vastgestelde grenzen van de bebouwde kom (voor deze wet); • houtopstanden op erven of in tuinen • fruitbomen en windschermen om boomgaarden; • naaldbomen bedoeld als kerstbomen en niet ouder dan twintig jaar • kweekgoed; o uit populieren of wilgen bestaande wegbeplantingen, o beplantingen langs waterwegen, en o eenrijige beplantingen langs landbouwgronden; • Het dunnen van een houtopstand; • uit populieren, wilgen, essen of elzen bestaande beplantingen die zijn bedoeld voor de productie van houtige biomassa indien zij: o ten minste eens per tien jaar worden geoogst; o bestaan uit minstens tienduizend per hectare per beplantingseenheid o bestaande uit een aaneengesloten beplanting die niet wordt doorsneden door onbeplante stroken breder dan twee meter; o zijn aangelegd na 1 januari 2013.

8 Quickscan Flora- en Fauna – Hoogstraat 65 Sint-Oedenrode

Hoofdstuk 2

2 Onderzoeksresultaten 2.1

Bronnenonderzoek In de Nationale Databank Flora en Fauna (NDFF) zijn waarnemingen van flora en fauna in Nederland gebundeld. De Gegevensautoriteit Natuur staat ervoor in dat alleen gevalideerde waarneming worden opgenomen. Gegevens uit meer dan 100 databanken zijn gebundeld, waaronder die van de particuliere gegevens beherende organisaties (Zoogdiervereniging, Vlinderstichting, etc.), provincies en terrein beherende organisaties. De NDFF wordt dagelijks aangevuld met recente waarnemingen. De gegevens uit deze nationale databank geven een overzicht van alle in de nabijheid van het plangebied waargenomen beschermde planten- en dierensoorten. Exacte locaties of datering van de waarnemingen zijn daarbij niet bekend. Het overzicht geeft een indicatie op welke soorten in het bijzonder gelet moet worden bij het veldbezoek. Daarnaast zijn gegevens van websites als www.waarneming.nl geraadpleegd voor achtergrondinformatie. Deze gegevens zijn niet inhoudelijk voor deze quickscan gebruikt. Een groot aantal amateurs en professionals publiceert op deze bekende websites zijn natuurwaarnemingen, die worden gecontroleerd door een validatiecommissie. Zodoende zijn de waarnemingen uit deze bronnen redelijk betrouwbaar, maar moeilijk te verifiëren. De waarnemingen geven eventueel wel een indicatie van soorten waar tijdens het veldonderzoek extra aandacht aan besteed dient te worden.

Natuurnetwerk Nederland Het natuurbeheerplan is een beleidskader om het Europese, rijks- en provinciale natuur- en landschapsbeleid te realiseren. Het gaat hier om bestaande natuurgebieden, gebieden waar nieuwe natuur aangelegd wordt, landbouwgebieden worden ingericht en beheerd volgens agrarisch natuurbeheer en de Natura 2000-gebieden. Het plangebied ligt buiten het Natuurnetwerk Nederland en buiten andere natuurgebieden zoals Natura 2000. Het meest dichtbijgelegen Natura 2000-gebied is het Natura 2000-gebied “Kampina & Oisterwijkse Vennen”. Het Natuurnetwerk Brabant is onderdeel van het Natuurnetwerk Nederland. Het is een netwerk van deels bestaande en deels nieuwe natuurgebieden die door ecologische verbindingszones met elkaar verbonden zijn. Hierdoor kunnen dieren zich makkelijker verplaatsen tussen verschillende natuurgebieden. Zo wordt de biodiversiteit (het totaal aan planten en dieren) bevorderd. Ongeveer 90% van het Natuurnetwerk Brabant wordt gevormd door bestaande natuurgebieden zoals bijvoorbeeld de Biesbosch en de Maashorst. Maar het netwerk is nog niet compleet. Er ontbreken nog veel gebieden en verbindingen die belangrijk zijn voor dieren en planten. Vanwege de klimaatverandering veranderen hun leefomstandigheden en wordt dat nog urgenter. Zij moeten zich kunnen verplaatsen om genoeg voedsel te kunnen blijven vinden en zich voort te planten.

Maar het Natuurnetwerk is er niet alleen voor planten en dieren, maar ook voor mensen. Mensen genieten, recreëren en ontspannen in de natuur en voelen zich gelukkiger. Natuur schept kansen voor ondernemers die natuur en hun bedrijf willen combineren en helpt tegen de gevolgen van klimaatverandering. De provincie Noord-Brabant heeft een Natuurbeheerplan opgesteld. Het Natuurbeheerplan is een beleidskader om het Europese, rijks- en provinciale natuur- en landschapsbeleid te realiseren. Het gaat daarbij om bestaande natuurgebieden, gebieden waar nieuwe natuur aangelegd wordt, landbouwgebieden worden ingericht en beheerd volgens agrarisch natuurbeheer en de Natura 2000-gebieden. Het Natuurbeheerplan beschrijft per (deel)gebied 9 Quickscan Flora- en Fauna – Hoogstraat 65 Sint-Oedenrode

welke natuur- en landschapsdoelen nagestreefd worden. Het plan bevat de begrenzing van de natuur- en agrarische natuurgebieden, met name toegespitst op de internationale biodiversiteitsdoelen en de internationale natuurgerichte agromilieu, water en klimaat doelen. Het plan is het beleidskader voor het provinciale natuurbeleid en ook voor de implementatie van artikel 28 van het Plattelandsontwikkelingsprogramma (POP3). Het plan is verankerd in de SVNL en SKNL en daarmee kaderstellend voor de SNL-subsidies.

•

Afbeelding

2:

ligging

Natuurnetwerk

Nederland

en

Natura

(bron: atlasleefomgeving.nl/kaarten, geraadpleegd op 08/09/2020)

•

10

Afbeelding 3: ligging plangebied (bron: ruimtelijkeplannen.nl, geraadpleegd op 08/09/2020)

Quickscan Flora- en Fauna – Hoogstraat 65 Sint-Oedenrode

2000

Het plangebied heeft op grond van het bestemmingsplan ‘Buitengebied Sint-Oedenrode, herziening 2’ de bestemming ‘Agrarisch’, de dubbelbestemming ‘Waarde – Archeologie 1’ en de functieaanduidingen ‘intensieve veehouderij’ en ‘specifieke vorm van agrarisch – veehouderij’.

2.2

Veldonderzoek Op verschillende punten in het plangebied zijn waarnemingen verricht. Tijdens het veldbezoek is het gebied beoordeeld op de aanwezigheid van beschermde soorten en de habitatgeschiktheid voor beschermde soorten. Er is extra aandacht besteed aan de mogelijke aanwezigheid van vleermuizen en vogelnesten. De ecologische factoren in de omgeving zijn met behulp van een digitale fotocamera vastgelegd. Om de flora en fauna te kunnen determineren, is gebruik gemaakt van eigen kennis en literatuur.

11

Quickscan Flora- en Fauna – Hoogstraat 65 Sint-Oedenrode

12

•

Afbeelding 4: buitenzijde woonhuis

•

Afbeelding 5: voorzijde plangebied

Quickscan Flora- en Fauna – Hoogstraat 65 Sint-Oedenrode

13

•

Afbeelding 6: binnenzijde te slopen varkensstal

•

Afbeelding 7: binnenzijde te slopen varkensstal

Quickscan Flora- en Fauna – Hoogstraat 65 Sint-Oedenrode

14

•

Afbeelding 8: dakbeplating varkensstal

•

Afbeelding 9: buitenzijde varkensstal

Quickscan Flora- en Fauna – Hoogstraat 65 Sint-Oedenrode

15

•

Afbeelding 10: buitenzijde te slopen varkensstal

•

Afbeelding 11: buitenzijde terrein (schuur blijft behouden)

Quickscan Flora- en Fauna – Hoogstraat 65 Sint-Oedenrode

16

•

Afbeelding 12: buitenzijde te slopen varkensstal

•

Afbeelding 13: luchtwasser

Quickscan Flora- en Fauna – Hoogstraat 65 Sint-Oedenrode

17

•

Afbeelding 14: houtwal

•

Afbeelding 15: houtwal

Quickscan Flora- en Fauna – Hoogstraat 65 Sint-Oedenrode

18

•

Afbeelding 16: buitenzijde te slopen varkensstal

•

Afbeelding 17: golfplaten gesloten met vogelschroot

Quickscan Flora- en Fauna – Hoogstraat 65 Sint-Oedenrode

19

•

Afbeelding 18: golfplaten gesloten met vogelschroot

•

Afbeelding 19: verblijfsplaats van kolonie (dwerg) vleermuizen

Quickscan Flora- en Fauna – Hoogstraat 65 Sint-Oedenrode

•

Afbeelding 20: sporen van de (dwerg)vleermuizen (woonhuis)

Flora algemeen Bij de planlocatie zijn geen bijzondere beplantingen aangetroffen. Er is tevens gelet op de aanwezigheid van (beschermde) muurvegetatie. Achter de te behouden schuur staat een houtwal die onder andere bestaat uit de kers, hazelaar en kardinaalsmuts. Grondgebonden zoogdieren Specifiek wordt bekeken of de betreffende inrichting verwacht kan worden of er streng beschermde zoogdieren; steenmarter, bunzing, hermelijn, wezel, eekhoorn, bever en das kunnen worden aangetroffen. Steenmarter De onderzoekslocatie vormt geschikt habitat voor de steenmarter. Steenmarters gebruiken hooizolders, loze ruimtes onder het dak, schuurtjes en dergelijke, als verblijfplaats. Een steenmarter heeft binnen zijn territorium verscheidene verblijfplaatsen. Daarnaast laten steenmarters enorm veel sporen achter. Tijdens het veldbezoek zijn geen sporen, zoals uitwerpselen of prooiresten aangetroffen die duiden op het gebruik van de onderzoekslocatie als vaste rust- of verblijfplaats door deze soort. Kleine marterachtigen De onderzoekslocatie biedt geen geschikte verblijflocaties voor de hermelijn, wezel en bunzing. De soorten maken gebruik van oude holen van onder andere mollen en muizen, maar ook houtwallen, steenhopen en ruimtes onder boomwortels. Desbetreffende soorten hebben binnen hun territorium verscheidene verblijfplaatsen.

Tijdens het veldbezoek zijn er geen marters of sporen van marters aangetroffen op de onderzoekslocatie. Echter, dit betekent niet dat het gebied niet potentieel in gebruik is door de hermelijn, wezel en/of bunzing als migratieroute. Gezien de onderzoekslocatie kleiner is dan één hectare kan gesteld worden dat deze geen essentieel onderdeel uitmaakt van het leefgebied van een van genoemde soorten (Bouwens 2017). Indien bij sloop/herinrichting van het gebied groenstructuren rond het perceel behouden blijven, is er geen sprake van een negatief effect op genoemde soorten.

20

Quickscan Flora- en Fauna – Hoogstraat 65 Sint-Oedenrode

Eekhoorn De onderzoekslocatie is vanwege de afwezigheid van voldoende bomen niet geschikt als habitat voor de eekhoorn. Er staan te weinig bomen rondom de projectlocatie. Tevens worden er met de werkzaamheden geen bomen verwijderd. Een negatief effect als gevolg van de werkzaamheden is uitgesloten. Bever Voor de bever is op de onderzoekslocatie geen geschikt habitat aanwezig. Vaste rust- en verblijfplaatsen van de bever kunnen worden uitgesloten. Das Tijdens het veldbezoek zijn op de onderzoekslocatie en de directe omgeving geen loop- of eetsporen, latrines en/of wissels aangetroffen die duiden op de aanwezigheid en/of het gebruik van de onderzoekslocatie door de das. Dassen zullen eerder hun leefgebied hebben in de nabij gelegen natuurgebieden en de aansluitende weilanden. Verstoring ten aanzien van de das als gevolg van de voorgenomen ingreep is niet aan de orde. Er zijn enkele (sporen van) overige grondgebonden zoogdieren, namelijk muizen en mollen, aangetroffen waarvoor geen vrijstelling geldt. Daarnaast zijn sporen in de houtwal gevonden van bruine ratten. Vleermuizen Het plangebied is zeer nauwkeurig beoordeeld op de mogelijke waarde voor vleermuizen.

Hierbij is gelet op de geschiktheid van de aanwezige bebouwing als verblijfplaats voor deze dieren: aanwezigheid van spouwgaten en andere openingen in muren en daken, vetstrepen, uitwerpselen en prooiresten bij gevelopeningen. Verblijfsruimte voor vleermuizen hebben specifieke voorwaarden zoals een stabiele temperatuur en het tochtvrij zijn. Bij vleermuizen worden drie verblijfplaatsen onderscheiden; winterverblijven, zomerverblijven en paarverblijven. Aan de winterverblijven worden de hoogste eisen gesteld, daarna de zomerverblijven en tenslotte de paarverblijven, waarbij de vleermuizen een zeer korte tijd op een bepaalde locatie kunnen verblijven. De dakconstructie van de (bedrijfs)gebouwen bestaan uit daken met ongeïsoleerd damwandprofiel welke niet stabiel blijven qua temperatuur en gedurende de dag aan enorme temperatuurschommelingen onderhevig zijn. De dakconstructie is hierdoor geen geschikte verblijfsplaats voor vleermuizen. Er zijn in en om de stallen geen sporen (vetstrepen, uitwerpselen, prooiresten) aangetroffen. Naast de onderzoekslocatie bevindt zich het woonhuis. In het woonhuis bevindt zich een kleine kolonie (dwergvleermuizen) achter zeker vier luiken. Het slopen van de stallen heeft gezien de afstand tussen het woonhuis en de slooplocatie geen invloed op deze verblijfsplaats.

Foerageerhabitat De onderzoekslocatie zal, gelet op de aanwezige habitat, gebruikt kunnen worden door in de omgeving verblijvende vleermuizen om te foerageren. De plannen zullen echter geen aantasting van belangrijk foerageerhabitat vormen. Door de voorgenomen ingreep zal het aanbod van foerageermogelijkheden niet in het geding komen. In de directe omgeving is meer geschikt foerageerhabitat voor vleermuizen aanwezig in de vorm van bomenrijen en bosranden. Vliegroutes Vleermuizen maken veelal gebruik van lijnvormige (donkere) landschapselementen zoals houtsingels, beken en lanen om zich te verplaatsen tussen verblijfsplaatsen en foerageergebieden. Doordat dergelijke lijnvormige elementen ontbreken op de onderzoekslocatie, worden er geen potentiële vliegroutes verstoord.

21

Quickscan Flora- en Fauna – Hoogstraat 65 Sint-Oedenrode

Vogels Tijdens het bezoek is met name gelet op de aanwezigheid van nesten en rustplaatsen voor vogels. Er zijn broedvogels waarvan de nesten ook beschermd zijn op het moment dat ze niet voor de voortplanting in gebruik zijn. Binnen het agrarische (buiten)gebied kunnen dit zijn: boomvalk, buizerd, havik, sperwer, wespendief, huismus, steenuil en de kerkuil. Boomvalk De boomvalk is een soort die geen eigen nest maakt, maar broedt in gebruikte kraaien- en/of eksternesten in verschillende typen bos(randen) of in solitaire bomen, populierensingels, of op erven. De soort komt vooral voor in open en halfopen landschappen zoals boerenland en dorpen, alsook in buitenwijken van steden. De bomen op- en nabij de projectlocatie zijn gecontroleerd op dergelijke nesten, deze zijn niet aangetroffen. Evenmin worden er met de beoogde werkzaamheden bomen verwijderd. Negatieve effecten op de boomvalk als gevolg van de werkzaamheden zijn derhalve niet aan de orde. Buizerd en havik De buizerd en havik broeden op grote nesten van ongeveer een meter in doorsnede en 60 centimeter diep. Dergelijke nesten zijn tijdens het veldbezoek niet waargenomen. Een broedgeval van de buizerd en havik is daarom uit te sluiten. Eveneens worden er met de beoogde werkzaamheden geen bomen gekapt, zodat het wegnemen van een jaarrond beschermd nest kan worden uitgesloten.

Wespendief en sperwer De wespendief is doorgaans gebonden aan grotere bosgebieden van zowel loof- als naaldbomen. Bij voorkeur is er afwisseling binnen het bosgebied aanwezig in de vorm van open plekken. De sperwer broedt bij voorkeur meer verborgen in naaldbomen. Beide situaties zijn op de onderzoekslocatie niet aanwezig. Gezien de ligging van de onderzoekslocatie binnen agrarisch gebied en de afwezigheid van voldoende dekking is een nestplaats van de sperwer of wespendief niet te verwachten. Eveneens zijn er tijdens het veldbezoek geen nesten aangetroffen. Een broedgeval van zowel de wespendief als de sperwer zijn uitgesloten. Steenuil en kerkuil De kerkuil en steenuil hebben een voorkeur voor cultuurlandschappen met allerlei landschapselementen die voor afwisseling zorgen. Beide soorten broeden in gebouwen en gebruiken ook graag speciale nestkasten. Daarnaast worden door de steenuil ook wel boomholten gebruikt, mits er zich grote holten in bevinden. De gebouwen zijn in zijn geheel gecontroleerd op de aanwezigheid van steen- en kerkuilen en is vooral gelet op de aanwezigheid van sporen; braakballen, veren en uitwerpselen. Er zijn geen (sporen van) steen- en kerkuilen waargenomen. Er is geen sprake van een afname van belangrijk foerageergebied. Er blijft er voldoende foerageergebied aanwezig in de omgeving.

Huismus Ook voor de huismus, die veel te vinden is in agrarisch gebied en vooral gebonden aan gebouwen is, is het nest jaarrond beschermd. Er zijn geen nesten van huismussen gevonden in de te slopen bebouwing. Tijden de inventarisatie zijn geen huismussen waargenomen. Overige broedvogels De beplanting op de onderzoekslocatie kan nestgelegenheid bieden aan broedvogelsoorten zoals de merel en winterkoning. De nesten van deze soorten zijn alleen beschermd op het moment dat ze als zodanig in gebruik zijn.

22

Quickscan Flora- en Fauna – Hoogstraat 65 Sint-Oedenrode

Er zijn vogels gezien en gehoord, namelijk: •

Tabel 1: overzicht waargenomen vogels

Soort Merel Koolmees Holenduiven

Reptielen, amfibieën en vissen Er zijn tijdens het terreinbezoek geen reptielen, amfibieën en/of vissen waargenomen. Voor de in Nederland voorkomende reptielsoorten zoals de hazelworm, de levendbarende hagedis en ringslang biedt de onderzoekslocatie geen geschikt habitat. Deze soorten worden vrijwel alleen aangetroffen worden in specifieke natuurgebieden. Dit geldt ook voor de specifieke beschermende amfibieën soorten die veel eisen stellen aan zijn habitat; alpenwatersalamander, heikikker, vinpootsalamander, poelkikker en rugstreeppad. Deze zijn allen uit te sluiten omdat de betreffende locatie geen goed habitat biedt voor deze soorten door het ontbreken van voldoende oppervlaktewater. De onderzoekslocatie vormt wel een geschikt habitat voor algemene amfibieënsoorten als de bruine kikker en de gewone pad. Op de onderzoekslocatie kunnen deze soorten beschutting vinden tussen de begroeiing en onder de takken- of stenenhopen. Voor algemene amfibieënsoorten geldt in het kader van de Wet natuurbescherming een vrijstelling, zodat een ontheffing bij verstoring niet noodzakelijk is. Het is echter wel zaak om aandacht te schenken aan de zorgplicht. Vissen Vanwege het ontbreken van oppervlaktewater op de onderzoekslocatie kan deze soortgroep buiten beschouwing worden gelaten.

Overige Van de overige soortgroepen, zoals dagvlinders, insecten en libellen, kan worden aangenomen dat deze soorten gedurende het jaar in het plangebied aanwezig kunnen zijn of dit gebied in de migratieroute hebben liggen. Afhankelijk van het seizoen zijn mogelijk algemene soorten te vinden op/of binnen de planlocatie. Specifieke beschermende soorten zijn voornamelijk afhankelijk van specifieke terreinkenmerken met specifieke biotopen. Binnen het plangebied is een dergelijk biotoop niet aanwezig.

23

Quickscan Flora- en Fauna – Hoogstraat 65 Sint-Oedenrode

2.3

Effecten van de ingreep De effecten op beschermde soorten zijn onderzocht op basis van het voornemen binnen het plangebied. Flora algemeen Er is geen bijzondere flora aangetroffen binnen het plangebied, negatieve effecten zijn uitgesloten. Grondgebonden zoogdieren Verstoring van algemene zoogdieren vindt mogelijk plaats. De onderzoekslocatie vormt geschikt habitat voor een aantal soorten grondgebonden zoogdieren. Het gaat daarbij om algemene soorten als de egel, konijn en diverse muissoorten. De verblijfsplaatsen van deze soorten worden door de voorgenomen ingreep echter niet aangetast. Verblijfplaatsen van beschermde zoogdiersoorten zijn ter plaatse niet aangetroffen. Vleermuizen Er zijn geen sporen van vleermuizen aangetroffen waaruit blijkt dat de te slopen gebouwen als verblijfplaats worden gebruikt. Nader onderzoek in het kader van de soortenbescherming is niet noodzakelijk. Vogels Door de voorgenomen ingreep worden geen vogels en jaarrond beschermde nesten aangetast. Reptielen, amfibieën en vissen Er zijn geen reptielen, amfibieën en/of instandhoudingsdoelstellingen komen niet in het gedrang.

De tekst is automatisch uit het bestand gehaald en kan afwijken van het origineel (kolommen, tabellen en koppen lopen door elkaar). Het officiële stuk bij de gemeente is leidend. Bron: https://api1.ibabs.eu/publicdownload.aspx?site=Meierijstad&id=0382aca8-1f53-4a19-8f88-b6d0a64594c5