CConstaterende datMeierijstad
Koppel je AI →
Document · PDF

Bijlage 11 Toelichting Hoogstraat 65 (inclusief bijlagen)

Raadsvergadering 29 september 2022, gemeente MeierijstadBij agendapunt: Gewijzigde vaststelling bestemmingsplan 'Ontwikkelplan sanering varkenshouderij'18.620 woorden

Open het PDF bij de gemeente ↗Naar de vergadering →

Tekst van het document

Uit het bestand gehaald, zonder opmaak, tabellen en afbeeldingen · deel 1 van 3

Ruimtelijke onderbouwing

Hoogstraat 65 Sint-Oedenrode

Ruimtelijke onderbouwing

Datum: Status:

2 augustus 2022 Vastgesteld

Inhoudsopgave 1 Inleiding ............................................................................................................................ 1 1.1 Aanleiding ......................................................................................................................... 1 1.2 Ligging en begrenzing plangebied ....................................................................................... 1 1.3 Vigerend bestemmingsplan ................................................................................................. 2 2 Planbeschrijving ................................................................................................................ 3 2.1 Huidige situatie.................................................................................................................. 3 2.2 Voorgenomen ontwikkeling ................................................................................................. 3 3 Beleidstoets ....................................................................................................................... 5 3.1 Rijksbeleid......................................................................................................................... 5 3.1.1 Structuurvisie..............................................................................................................

5 3.1.2 Realisatieparagraaf Nationaal Ruimtelijk Beleid .............................................................. 6 3.1.3 AMvB Ruimte .............................................................................................................. 6 3.1.4 Ladder voor duurzame verstedelijking ........................................................................... 7 3.2 Provinciaal beleid ............................................................................................................... 7 3.2.1 Structuurvisie.............................................................................................................. 7 3.2.2 Omgevingsvisie Noord-Brabant ..................................................................................... 8 3.2.3 Interim omgevingsverordening ..................................................................................... 8 3.3 Gemeentelijk beleid ......................................................................................................... 12 3.3.1 Kansen voor Kwaliteit ................................................................................................ 12 3.3.2 Bestemmingsplan ...................................................................................................... 12 4 Milieuhygiënische en planologische verantwoording .....................................................

16 4.1 M.e.r.-beoordeling ........................................................................................................... 16 4.2 Cultuurhistorie en archeologie ........................................................................................... 16 4.3 Natuur ............................................................................................................................ 18 4.4 Water ............................................................................................................................. 20 4.5 Bodem ............................................................................................................................ 23 4.6 Verkeer en infrastructuur .................................................................................................. 24 4.7 Bedrijven en milieuzonering .............................................................................................. 25 4.8 Geur ............................................................................................................................... 26 4.9 Geluid ............................................................................................................................. 27 4.10 Luchtkwaliteit ................................................................................................................

28 4.11 Externe veiligheid........................................................................................................... 30 4.12 Gezondheid ................................................................................................................... 33 4.13 Overig ........................................................................................................................... 33 5 Juridische planopzet ........................................................................................................ 34 6 Economische uitvoerbaarheid ......................................................................................... 35 7 Maatschappelijke uitvoerbaarheid .................................................................................. 36 8 Conclusie ......................................................................................................................... 37 Bijlagen

1 Inleiding 1.1 Aanleiding De ter plaatse gevestigde varkenshouderij wordt beëindigd wegens deelname aan de Saneringsregeling varkenshouderij. Op grond van de Saneringsregeling moet de functieaanduiding ‘intensieve veehouderij’ komen te vervallen om uit te sluiten dat op de locatie nog een intensieve veehouderij kan bestaan. De wens van initiatiefnemer is echter de enkelbestemming te wijzigen in ‘Bedrijf ten behoeve van agrarisch technische hulpbedrijven en/of agrarisch verwante bedrijven’.

1.2 Ligging en begrenzing plangebied De locatie is gelegen buiten de bebouwde kom, ten zuidwesten van Sint-Oedenrode. De kern SintOedenrode maakt deel uit van de gemeente Meierijstad. De locatie is gelegen op een afstand van 2,3 kilometer van de kern van Sint-Oedenrode. De ligging in de omgeving is weergegeven op onderstaande afbeelding evenals het bovenaanzicht van de locatie. De noordoost- en noordwestzijden van de locatie worden begrensd door de wegen Hoogstraat en Nieuwenhuizen. De overige zijden door eigen landbouwgrond. De locatie is gelegen aan de verharde weg en wordt ontsloten vanaf de Hoogstraat en Nieuwenhuizen. In de omgeving liggen zowel burgerwoningen als agrarische bedrijven. De meest nabijgelegen burgerwoning betreft Hoogstraat 63 en is gelegen op 20 meter van de bouwvlakgrens. De meest nabijgelegen veehouderij betreft Hoogstraat 68, een gemengd bedrijf met varkens en rundvee. De locatie is gelegen in een kleinschalig landschap met veel laanbeplanting en beplantingsstroken en enkele bosschages.

Afbeelding 1: Ligging in de omgeving, bron: ruimtelijkeplannen.nl

1

Afbeelding 2: Bovenaanzicht locatie, bron: ruimtelijkeplannen.nl

1.3 Vigerend bestemmingsplan Ter plekke geldt nu het bestemmingsplan ‘Buitengebied Sint-Oedenrode, herziening 2’. De enkelbestemming is ‘Agrarisch’ en er geldt een dubbelbestemming ‘Waarde - Archeologie 1’. Verder zijn er de functieaanduidingen ‘intensieve veehouderij’ en ‘specifieke vorm van agrarisch – veehouderij’. De wens van initiatiefnemer is echter de enkelbestemming te wijzigen in ‘Bedrijf ten behoeve van agrarisch technische hulpbedrijven en/of agrarisch verwante bedrijven’. Deze wijzigingsbepaling is opgenomen in artikel 3.6.12 van het bestemmingsplan. Aan de voorwaarden is getoetst maar wordt niet voldaan. Een bestemmingsplan herziening is dus noodzakelijk. Een klein gedeelte van het teeltveld geldt het bestemmingsplan Buitengebied Sint-Oedenrode dat is vastgesteld op 15 maart 2012. Het betreft een strook dat valt buiten het huidige bouwvlak. Deze strook heeft de enkelbestemming ‘Agrarisch’, de dubbelbestemming ‘Waarde – Archeologie 1 (hoge verwachting)’ en de gebiedsaanduiding ‘reconstructiewetzone - landbouwontwikkelingsgebied’. Daarnaast geldt het bestemmingsplan ‘Harmonisatie van diverse regelingen – laaghangend fruit’, vastgesteld op 27 januari 2021. Dit bestemmingsplan bevat geen specifieke regels van toepassing op de gewenste ontwikkeling. Het Paraplubestemmingsplan Parkeren, vastgesteld op 31 januari 2019, is eveneens van toepassing.

Hierin is de normstelling met betrekking tot parkeren en manoeuvreerruimte geregeld. Het college van burgemeester en wethouders heeft besloten te gaan werken met een zogenaamd ‘ontwikkelplan’ waarmee alle ruimtelijke initiatieven in één procedure worden opgenomen.

2

2 Planbeschrijving 2.1 Huidige situatie De locatie is in gebruik geweest als varkenshouderij, zie de situatie hieronder. De varkenshouderij wordt beëindigd wegens deelname aan de Saneringsregeling varkenshouderij. De stallen worden gesloopt, een bestaande schuur blijft behouden.

Afbeelding 3: Huidige situatie

2.2 Voorgenomen ontwikkeling Het gewenste bedrijf betreft een hoveniersbedrijf met teelt van potplanten voor eigen gebruik. De potplanten bestaan uit planten, bomen en struiken en worden op een onverhard teeltveld van 50 bij 40 m verbouwd. Op locatie van derden (bij particulieren) legt initiatiefnemer tuinen aan en voert onderhoud uit. De geteelde potplanten worden hiervoor ingezet en zijn noodzakelijk om het gehele jaar te kunnen planten. Voor de hoveniersactiviteiten wordt een loods opgericht van 30 meter lang en 13,5 meter breed. De loods voldoet aan de bouwregels die gelden voor de betreffende bestemming. In de loods worden de planten opgepot en zijn voorraden van diverse potgronden en meststoffen aanwezig. Verder is hier een magazijn voor gereedstaande planten, een kantine en een kantoor aanwezig. Op het terrein wordt verder zand, grind en stenen ten behoeve van de hoveniersactiviteiten opgeslagen. Deze opslag geschiedt in een bestaande sleufsilo welke evenwijdig aan de Nieuwenhuizen gelegen is. Deze sleufsilo wordt middels een robuuste beukenhaag aan het zicht onttrokken. 3

Afbeelding 4: Gewenste situatie

4

3 Beleidstoets De ruimtelijke ontwikkeling is alleen mogelijk als deze past binnen het gestelde beleid door de diverse overheden. Hieronder wordt de ontwikkeling getoetst aan het beleid van het Rijk, de provincie en de gemeente.

3.1 Rijksbeleid

3.1.1 Structuurvisie In de Structuurvisie Infrastructuur en Ruimte (SVIR) staan de plannen voor ruimte en mobiliteit. De SVIR is vastgesteld en inwerking getreden op 13 maart 2012. Het Rijk stelt heldere ambities voor Nederland in 2040. Het doel van deze structuurvisie is een concurrerend, bereikbaar, leefbaar en veilig Nederland creëren. Het Rijk richt zich op nationale belangen, zoals een goed vestigingsklimaat, een degelijk wegennet en waterveiligheid. Provincies en gemeenten hebben in het nieuwe ruimtelijke en mobiliteitsbeleid meer bevoegdheden gekregen. Bijvoorbeeld op het gebied van landschappen, verstedelijking en het behoud van groene ruimte. Tot 2028 heeft het kabinet in de SVIR drie Rijksdoelen geformuleerd:  Het vergroten van de concurrentiekracht van Nederland door het versterken van de ruimtelijkeconomische structuur van Nederland;  Het verbeteren en ruimtelijk zekerstellen van de bereikbaarheid waarbij de gebruiker voorop staat;  Het waarborgen van een leefbare en veilige omgeving waarin unieke natuurlijke en cultuurhistorische waarden behouden zijn. Het Rijk benoemt daarnaast 13 nationale belangen. Hiervoor is het Rijk verantwoordelijk. In het MIRT wordt de samenhang van deze rijksbelangen met decentrale belangen en regionale opgaven besproken.

Onderhavig initiatief is kleinschalig van aard en is niet in strijd met de doelen geformuleerd in de structuurvisie. Verdere toetsing aan dit beleid is dan ook niet noodzakelijk. Aspecten waaronder milieu, waterhuishouding en overige zaken welke van belang zijn en geborgd zijn middels het Bro zullen in deze onderbouwing worden getoetst.

Nationale omgevingsvisie

De Minister van Binnenlandse Zaken en Koninkrijksrelaties heeft op 11 september 2020 de nationale omgevingsvisie vastgesteld. De Nationale Omgevingsvisie (NOVI) is de langetermijnvisie van het Rijk op de toekomstige inrichting en ontwikkeling van de leefomgeving in Nederland. In Nederland staan we voor een aantal dringende maatschappelijke opgaven. Denk aan periodes van droogte, afgewisseld met extreme regenval, de zeespiegelstijging, de overgang naar duurzame energie en de ruimte die nodig is voor windmolens en zonnepanelen. Of de bouw van 1 miljoen nieuwe woningen om het woningtekort op te lossen, de groei en het bereikbaar houden van steden en plekken voor distributiecentra. Denk ook aan het versterken van onze natuur en biodiversiteit, het behoud van ons landschap en de vitaliteit van onze landbouw. Dit zijn voorbeelden van grote, ingewikkelde opgaven. Deze opgaven kunnen niet meer apart van elkaar worden opgelost. Ze moeten in samenhang bekeken worden. Ze grijpen in elkaar en vragen meer ruimte dan beschikbaar is in Nederland. Niet alles kan, niet alles kan overal. De NOVI geeft weer voor welke uitdagingen we staan, wat daarbij de nationale belangen zijn, welke keuzes we maken en welke richting we meegeven aan decentrale keuzes. Die keuzes hangen samen met de toekomstbeelden van de fysieke leefomgeving, de maatschappelijke opgaven en economische 5

kansen die daarbij horen. Met de Nationale Omgevingsvisie geeft het Rijk een langetermijnvisie om de grote opgaven aan te pakken. Om samen ons land mooier en sterker te maken en daarbij voort te bouwen op het bestaande landschap en de (historische) steden. Belangrijkste keuzes in de NOVI:  een klimaatbestendige inrichting van Nederland. Dat betekent dat we Nederland zo inrichten dat ons land de klimaatveranderingen aankan. Daarvoor is nodig dat we functies meer in evenwicht met natuurlijke systemen (bodem en water) inpassen. Een voorbeeld hiervan is het op termijn verhogen van grondwaterstanden in veenweidegebieden;  de verandering van de energievoorziening. Bij de inpassing van duurzame energie hebben we oog voor omgevingskwaliteit. Een voorbeeld hiervan is dat we eerst kijken naar ongebruikte daken om zonnepanelen op te plaatsten;  de overgang naar een circulaire economie, waarbij we tegelijk goed kunnen blijven concurreren en een aantrekkelijk vestigingsklimaat bieden. Een voorbeeld is het aanpassen van productieprocessen en het gebruik van reststoffen in het haven- en industriegebied;  de ontwikkeling van het Stedelijk Netwerk Nederland. Hiermee sturen we op een goed bereikbaar netwerk van steden. We gebruiken zo de ambities en mogelijkheden in steden en regio’s in heel Nederland.

Voorbeelden van regionale uitwerking hiervan zijn de verstedelijkingsstrategieën, waarin vooruitgekeken wordt hoe verschillende ruimtelijke functies in en rondom steden het beste ingepast kunnen worden;  het bij elkaar plaatsen van zogenaamde logistieke functies (bijvoorbeeld distributiecentra, datacenters) om hiermee de openheid en de kwaliteit van het landschap te behouden. We maken daarbij gebruik van een voorkeursvolgorde logistieke functies;  het toekomstbestendig maken van het landelijk gebied in goed evenwicht met de natuur en landschap. We werken bijvoorbeeld aan de overgang naar de kringlooplandbouw zodat gebruik van de grond meer wordt afgestemd op de natuurlijke water- en bodemsystemen. De NOVI is op 11 september 2020 vastgesteld op grond van de geldende regelgeving omdat de Omgevingswet nog niet in werking is. Op het moment dat de Omgevingswet in werking treedt zal de omgevingsvisie gelden als de Nationale Omgevingsvisie in de zin van deze wet. Onderhavig initiatief is kleinschalig van aard en betreft geen ontwikkeling die in strijd is met de nationale belangen waar de omgevingsvisie op van invloed is. Verdere toetsing aan dit beleid is dan ook niet noodzakelijk. De verantwoordelijkheid voor de uitwerking van het omgevingsbeleid ligt bij provincie, gemeente en waterschap.

3.1.2 Realisatieparagraaf Nationaal Ruimtelijk Beleid De inwerkingtreding van de Wro op 1 juli 2008 heeft gevolgen gehad voor de doorwerking van het nationale ruimtelijke beleid. Totdat de Wro in werking was getreden, werd het geldende rijksbeleid vastgelegd in Planologische Kern Beslissingen zoals de Nota Ruimte. Per 1 juli 2008 waren deze alleen nog bindend voor de nationale overheid zelf. Daarom heeft het Rijk in juni 2008 de Realisatie paragraaf Nationaal Ruimtelijke Beleid opgesteld. In de Realisatieparagraaf benoemt het kabinet ruim 30 nationale ruimtelijke belangen en de instrumenten om die uit te voeren. Onderhavige ontwikkeling is niet in strijd met de genoemde nationale belangen.

3.1.3 AMvB Ruimte De nationale belangen uit de SVIR worden op basis van de Wet ruimtelijke ordening juridisch geborgd middels twee besluiten. De AMvB Ruimte, nader aangeduid als het Besluit algemene regels ruimtelijke ordening (Barro) en het Besluit ruimtelijke ordening (Bro). Een gedeelte van de bepalingen in het Barro worden in de regeling algemene regels ruimtelijke ordening (Rarro) uitgewerkt. De AMvB Ruimte is gericht op doorwerking van de nationale belangen in gemeentelijke bestemmingsplannen.

6

Onderhavig initiatief is kleinschalig van aard en heeft geen betrekking op de nationale projecten zoals genoemd in het Barro. Verdere toetsing aan dit beleid is dan ook niet noodzakelijk.

3.1.4 Ladder voor duurzame verstedelijking Vanaf 1 juli 2017 moeten plannen die een nieuwe stedelijke ontwikkeling mogelijk maken op grond van artikel 3.1.6 tweede lid van het Besluit ruimtelijke ordening (Bro) worden getoetst aan de nieuwe ‘Ladder voor duurzame verstedelijking’. Artikel 3.1.6 tweede lid van het Bro luidt als volgt:

‘De toelichting bij een bestemmingsplan dat een nieuwe stedelijke ontwikkeling mogelijk maakt, bevat een beschrijving van de behoefte aan die ontwikkeling, en, indien het bestemmingsplan die ontwikkeling mogelijk maakt buiten het bestaand stedelijk gebied, een motivering waarom niet binnen het bestaand stedelijk gebied in die behoefte kan worden voorzien.’ In het Bro is geen ondergrens voor de minimale omvang vastgelegd. Of er sprake is van een stedelijke ontwikkeling wordt bepaald door de aard en omvang van de ontwikkeling in relatie tot de omgeving. In dit geval betreft het een agrarisch bedrijf dat passend is in het buitengebied. Een dergelijk bedrijf is niet gewenst in stedelijk gebied. Onderhavige ontwikkeling betreft daarnaast een bestaande locatie. De laddertoets is derhalve niet vereist.

3.2 Provinciaal beleid Het planologische beleid van de provincie is verwoord in de structuurvisie ruimtelijke ordening en juridisch geborgd middels de Interim Omgevingsverordening.

3.2.1 Structuurvisie Op 1 oktober 2010 is de Structuurvisie Ruimtelijke Ordening 2010 vastgesteld. Provinciale Staten hebben op 7 februari 2014 de partiële herziening 2014 van de Structuurvisie Ruimtelijke Ordening 2010 vastgesteld. Deze partiële herziening is in werking getreden op 19 maart 2014. De provincie geeft in de structuurvisie de hoofdlijnen van het ruimtelijk beleid tot 2025 met een doorkijk naar 2040. De visie is bindend voor het ruimtelijk handelen van de provincie. Het is de basis voor de wijze waarop de provincie de instrumenten inzet die de Wet ruimtelijke ordening biedt. De visie geeft een ruimtelijke vertaling van de opgaven en doelen uit de Agenda van Brabant. Daarnaast ondersteunt de structuurvisie het beleid op andere provinciale beleidsterreinen, zoals het economisch-, mobiliteits-, sociaal-, cultureel-, milieu- en natuurbeleid. De structuurvisie is opgebouwd uit twee delen (A en B) en een uitwerking. Deel A bevat de hoofdlijnen van het beleid. Hierin heeft de provincie haar belangen gedefinieerd en ruimtelijke keuzes gemaakt. Deze belangen en keuzes zijn gebaseerd op trends en ontwikkelingen. Ook beschrijft de provincie vanuit welke filosofie ze haar doelen wil bereiken. In deel B beschrijft de provincie vier ruimtelijke structuren: de groenblauwe structuur, het landelijk gebied, de stedelijke structuur en de infrastructuur.

Voor iedere structuur formuleert de provincie ambities en beleid. De locatie aan Hoogstraat 65 is gelegen in ‘Gemengd landelijk gebied’. De provincie beschouwt het hele landelijk gebied als een gebied waarbinnen een menging van functies aanwezig is: het gemengd landelijk gebied. De mate van menging varieert daarbij van de gebieden waarbinnen meerdere functies in evenwicht naast elkaar bestaan tot gebieden waar de land- en tuinbouw de dominante functie is. In de gemengde plattelandseconomie is naast ruimte voor de land- en tuinbouw ook ruimte voor de ontwikkeling van niet-agrarische functies. In aanvulling daarop wil de provincie optimale ontwikkelingsmogelijkheden bieden voor het verbeteren van de agrarische productiestructuur. De landbouw levert met de verduurzaming van de productie en het steeds verder sluiten van 7

kringlopen een goede kwaliteit van water, bodem, lucht en natuur en een (vernieuwd) robuust landschap. De maat en schaal van de omgeving en de draagkracht van het gebied inclusief aspecten van volksgezondheid, zijn sturend voor de groei van agrarische activiteiten. Onderhavig initiatief, wijziging van de bestemming naar ‘Bedrijf ten behoeve van agrarisch technische hulpbedrijven en/of agrarisch verwante bedrijven’ past binnen bovenstaand beleid en draagt bij aan de functiemenging in het gebied.

Afbeelding 4: Uitsnede kaart Structuurvisie Ruimtelijke Ordening

3.2.2 Omgevingsvisie Noord-Brabant De provincie wil alvast gaan werken volgens de uitgangspunten van de nieuwe Omgevingswet. Daarom is in december 2018 de Brabantse Omgevingsvisie vastgesteld. Deze Omgevingsvisie bevat de belangrijkste ambities voor de fysieke leefomgeving voor de komende jaren. Dat gaat om ambities op gebied van de energietransitie, een klimaatproof Brabant, Brabant als slimme netwerkstad en een concurrerende, duurzame economie. De omgevingsvisie geeft ook aan op welke nieuwe manieren de provincie met betrokkenen wil samenwerken aan omgevingsvraagstukken en welke waarden daarbij centraal staan.

3.2.3 Interim omgevingsverordening Op 25 oktober 2019 hebben Gedeputeerde Staten de Interim omgevingsverordening vastgesteld. Sindsdien is deze enkele malen aangepast.

Inhoud

De Interim omgevingsverordening is beleidsneutraal van karakter. Dat betekent dat er geen nieuwe beleidswijzigingen zijn doorgevoerd, behalve als deze voortvloeien uit vastgesteld beleid, zoals de omgevingsvisie. In principe zijn de huidige regels gehandhaafd met het huidige beschermingsniveau. De beleidsneutrale omzetting betekent niet dat er helemaal geen wijzigingen ten opzichte van de huidige verordeningen zijn verwerkt. De wijzigingen zijn in de toelichting van de verordening toegelicht en zijn schematisch weergegeven in het Nu-Straks overzicht, dat als bijlage in de toelichting is opgenomen. Op hoofdlijnen gaat het om:  een meer gebruikersvriendelijke opbouw met regels die per gebruikersgroep (burgers en bedrijven, gemeenten, waterschap) bij elkaar staan en minder bijlagen;  aanpassingen waardoor de regels beter passen in het systeem van de omgevingswet, bijvoorbeeld voor de grondwaterbeschermingsgebieden;  aanpassingen vanwege de vastgestelde omgevingsvisie, zoals de nieuwe manier van samenwerken en meer inzet op omgevingskwaliteit. De locatie is gelegen in ‘Landelijk gebied, gemengd landelijk gebied’ en daarnaast in een ‘Boringsvrije zone- maximale boordiepte: 90 meter’ en stalderingsgebied.

8

Afbeelding 5: Uitsnede kaart behorende tot Interim Omgevingsverordening

Hierboven is de locatie weergegeven op de kaart behorende tot de Interim Omgevingsverordening. Naast de regels specifiek voor de gebieden waarin de locatie is gelegen, zijn de instructieregels voor gemeenten en waterschappen van toepassing. Hieronder wordt getoetst aan de regels welke van toepassing zijn op onderhavige ontwikkeling.

Paragraaf 3.1.2 basisprincipes voor een evenwichtige toedeling van functies Artikel 3.5 zorgplicht voor een goede omgevingskwaliteit Lid 1 Een bestemmingsplan geeft bij de evenwichtige toedeling van functies zoals opgenomen in hoofdstuk 3 Instructieregels aan gemeenten invulling aan een goede omgevingskwaliteit met een veilige, gezonde leefomgeving. Lid 2 Voor een goede omgevingskwaliteit en een veilige, gezonde leefomgeving wordt rekening gehouden met: 1. zorgvuldig ruimtegebruik; 2. de waarden in een gebied met toepassing van de lagenbenadering; 3. meerwaardecreatie. Artikel 3.6 zorgvuldig ruimtegebruik Lid 1 Zorgvuldig ruimtegebruik houdt in dat: 1. de toedeling van functies in beginsel plaatsvindt binnen bestaand ruimtebeslag voor bebouwing, behalve in de gevallen dat: 1. nieuwvestiging mogelijk is op grond van de bepalingen in dit hoofdstuk; 2. er feitelijk of vanuit kwalitatieve overwegingen onvoldoende ruimte is en uitbreiding, al dan niet gelijktijdig met de vestiging van een functie, op grond van de bepalingen in dit hoofdstuk is toegestaan; 2. bij stedelijke ontwikkeling toepassing is gegeven aan artikel 3.1.6, tweede lid, Besluit ruimtelijke ordening (ladder voor duurzame verstedelijking); 3. gebouwen, bijbehorende bouwwerken en andere permanente voorzieningen worden geconcentreerd binnen een bouwperceel. 9

Lid 2 Onder bestaand ruimtebeslag voor bebouwing wordt verstaan het werkingsgebied Stedelijk Gebied of een bestaand bouwperceel. Artikel 3.7 toepassing van de lagenbenadering Lid 1 De toepassing van de lagenbenadering omvat het effect van de ontwikkeling op de lagen in onderlinge wisselwerking met elkaar en het actief benutten van de factor tijd. Lid 2 De lagenbenadering omvat de effecten op: 1. de ondergrond, zoals de bodem, het grondwater en archeologische waarden; 2. de netwerklaag, zoals infrastructuur, natuurnetwerk, energienetwerk, waterwegen waaronder een goede, multimodale afwikkeling van het personen- en goederenvervoer. 3. de bovenste laag zoals cultuurhistorische en landschappelijke waarden, de omvang van de functie en de bebouwing, de effecten op bestaande en toekomstige functies, de effecten op volksgezondheid, veiligheid en milieu. Lid 3 Door de factor tijd actief te benutten wordt rekening gehouden met de herkomstwaarde, vanuit het verleden, de (on)omkeerbaarheid van optredende effecten en de toekomstwaarde gelet op duurzaamheid en toekomstbestendigheid. Artikel 3.8 meerwaardecreatie Lid 1 Meerwaardecreatie omvat een evenwichtige benadering van de economische, ecologische en sociale aspecten die in een gebied en bij een ontwikkeling zijn betrokken, waaronder: 1. de mogelijkheid om opgaven en ontwikkelingen te combineren waardoor er meerwaarde ontstaat; 2.

de bijdrage van een ontwikkeling aan andere opgaven en belangen dan die rechtstreeks met de ontwikkeling gemoeid zijn. Lid 2 De fysieke verbetering van de landschappelijke kwaliteit, bedoeld in artikel 3.9 Kwaliteitsverbetering landschap kan deel uitmaken van de meerwaardecreatie. Artikel 3.9 kwaliteitsverbetering landschap Lid 1 Een bestemmingsplan dat een ruimtelijke ontwikkeling mogelijk maakt in Landelijk Gebied bepaalt dat die ruimtelijke ontwikkeling gepaard gaat met een fysieke verbetering van de landschappelijke kwaliteit van het gebied of de omgeving. Lid 2 Het bestemmingsplan motiveert dat de verbetering past binnen de gewenste ontwikkeling van het gebied én op welke wijze de uitvoering is geborgd door dat: 1. dit financieel, juridisch en feitelijk is geborgd in het plan; of 2. de afspraken uit het regionaal overleg, bedoeld in afdeling 5.4 Regionaal samenwerken, worden nagekomen. Lid 3 Een verbetering van de landschappelijke kwaliteit kan mede de volgende aspecten omvatten: 1. de op grond van deze verordening verplichte landschappelijke inpassing; 2. het toevoegen, versterken of herstellen van landschapselementen die een bijdrage leveren aan de versterking van de landschapsstructuur of de relatie stad-land; 3. het behoud of herstel van cultuurhistorisch waardevolle bebouwing of terreinen; 4. het wegnemen van verharding; 5. het slopen van bebouwing; 6.

de realisering van het Natuur Netwerk Brabant en ecologische verbindingszones; 7. het aanleggen van extensieve recreatieve mogelijkheden.

10

Lid 4 Ingeval er toepassing wordt gegeven aan het tweede lid onder b geldt dat een passende financiële bijdrage in een landschapsfonds is verzekerd én over de besteding van dat fonds periodiek verslag wordt gedaan in het regionaal overleg, bedoeld in afdeling 5.4 Regionaal samenwerken. De varkensstallen worden gesloopt. Een bestaande schuur wordt hergebruikt ten behoeve van het bedrijf. Daarnaast is een nieuwe loods noodzakelijk. Het bouwvlak kan echter flink verkleind worden. De nieuwe bebouwing zal wat betreft grootte en uitstraling passend zijn in het landschap. Ter bevordering van de ruimtelijke kwaliteit wordt de locatie landschappelijk ingepast met streekeigen beplanting. Hiertoe is een landschappelijk inpassingsplan opgesteld en als bijlage bijgevoegd. De Interim Omgevingsverordening stelt regels aangaande de kwaliteitsverbetering van het landschap. Hierin is bepaald dat een bestemmingsplan dat een ruimtelijke ontwikkeling buiten bestaand stedelijk gebied mogelijk maakt, bepaalt dat die ruimtelijke ontwikkeling gepaard gaat met een fysieke verbetering van de aanwezige of potentiële kwaliteiten van bodem, water, natuur, landschap, cultuurhistorie of van de extensieve recreatieve mogelijkheden van het gebied of de omgeving.

Hierbij bevat de toelichting een verantwoording dat de verbetering binnen de hoofdlijnen van het te voeren ruimtelijke beleid past en de wijze waarop deze verbetering financieel, juridisch en feitelijk is geborgd. Op de locatie is de regeling ‘Kwaliteitsverbetering van het landschap gemeente Sint-Oedenrode’ van toepassing. Conform dit beleid valt de ontwikkeling in categorie 3. Dit betekent dat een goede landschappelijke inpassing is vereist en daarnaast een investering in de kwaliteitsverbetering van het landschap. Om de vereiste investering te berekenen zijn in de regeling bedragen opgenomen. Het normbedrag voor ‘agrarisch’ bouwvlak is gelijk aan ‘agrarisch verwant’. Het bouwvlak wordt kleiner in de beoogde situatie. Voor het teeltveld is geen apart bedrag opgenomen. De gemeente heeft nieuwe rekenwaarden in voorbereiding waarvan we gebruik gemaakt hebben voor dit plan. Hierbij hanteren we ook het aangepaste bedrag voor agrarisch verwante bedrijven dat hiermee hoger uitvalt. Een hoveniersbedrijf is conform de begripsbepaling van het vigerende bestemmingsplan alsook onderhavig plan en het afwegingskader ‘Kansen voor kwaliteit’ een agrarisch verwant bedrijf. In dit beleid zijn hoveniersbedrijven genoemd als voorbeeld van een agrarisch verwant bedrijf en daarmee ook als een voorbeeld van een gebiedsgebonden functie.

Bij de aanleg en onderhoud van groen worden immers wel degelijk land-, bos- en natuurbouwkundige methoden toegepast (maaien, snoeien, spitten, schoffelen). De begripsbepaling in dit beleid stemt overeen met de begripsbepaling uit de Interim omgevingsverordening. De berekening is als bijlage bijgevoegd. Hieruit blijkt dat sprake is van een afname in waarde en extra investering niet vereist is. De uitvoering en het behoud van de landschappelijke inpassing wordt geborgd door voorwaardelijke verplichtingen in de regels.

Artikel 3.61 vestiging agrarisch-technisch hulpbedrijf / agrarisch-verwant bedrijf in gemengd landelijk gebied Lid 1. Een bestemmingsplan van toepassing op Gemengd landelijk gebied kan voorzien in de vestiging van een agrarisch-technisch hulpbedrijf of een agrarisch-verwant bedrijf als: a. de ontwikkeling vanuit een goede omgevingskwaliteit met een veilige, gezonde leefomgeving qua omvang, effect op omliggende functies en ontsluiting past in de omgeving; b. de ontwikkeling niet leidt tot splitsing van het bouwperceel; c. is verzekerd dat overtollige bebouwing wordt gesloopt; d. mestbewerking is uitgesloten. De ontwikkeling leidt niet tot splitsing van het perceel. De varkensstallen worden gesloopt. Van mestbewerking is geen sprake. De ontwikkeling is passend in de omgeving, dit blijkt uit onderhavige onderbouwing. De emissies nemen met het beëindigen van het varkensbedrijf af. Dit heeft een positieve invloed op de omgeving. In de omgeving is sprake van functiemenging waardoor een agrarisch verwant bedrijf op deze locatie passend is.

Lid 2. Als een binnen de omgeving passende omvang van een agrarisch-technisch hulpbedrijf of een agrarisch-verwant bedrijf geldt een bouwperceel van ten hoogste 1,5 hectare.

11

Het bouwvlak heeft in de beoogde situatie een oppervlakte van circa 5.150 m². Daarnaast een teeltveld met een oppervlakte van 2.000 m². Voldaan wordt derhalve aan deze voorwaarde.

3.3 Gemeentelijk beleid

3.3.1 Kansen voor Kwaliteit De gemeente heeft in 2020 een afwegingskader opgesteld voor herontwikkeling van vrijkomende (agrarisch) bebouwing, Kansen voor Kwaliteit. In het buitengebied van Meierijstad zal in de komende jaren op veel agrarische bedrijfslocaties bebouwing vrijkomen. Daarbij is elke locatie anders. Dit vraagt een vernieuwende (flexibele) aanpak: maatwerk per locatie. Hiervoor wordt het beleid aangepast van kwantitatieve normen naar een kwalitatieve beoordeling. In onderhavige onderbouwing wordt getoetst of het gewenste bedrijf past in de omgeving. Geconcludeerd kan worden dat et bedrijf wat betreft omvang en type past op de locatie en in de omgeving.

3.3.2 Bestemmingsplan Op onderhavige locatie geldt het bestemmingsplan ‘Buitengebied Sint-Oedenrode, herziening 2’ dat vastgesteld is op 29 september 2016. De enkelbestemming is ‘Agrarisch’ en er geldt een dubbelbestemming ‘Waarde - Archeologie 1’. Verder zijn er de functieaanduidingen ‘intensieve veehouderij’ en ‘specifieke vorm van agrarisch – veehouderij’. Onderstaand is een uitsnede van de verbeelding bij het bestemmingsplan opgenomen.

Afbeelding 6: Uitsnede verbeelding bestemmingsplan Buitengebied Sint-Oedenrode, herziening 2

Zoals aangegeven is in artikel 3.6.12 van het bestemmingsplan een wijzigings-bevoegdheid opgenomen naar de bestemming “Bedrijf ten behoeve van agrarisch technische hulpbedrijven en/of agrarisch verwante bedrijven”. Hierbij gelden de volgende voorwaarden:

12

a. De oppervlakte aan bedrijvigheid per vrijgekomen agrarische bedrijfslocatie dient door sloop van overtollige bebouwing te worden teruggebracht tot 600 m², waarbij cultuurhistorische waardevolle gebouwen gehandhaafd dienen te blijven.

De nieuw op te richten loods heeft een oppervlakte van iets meer dan 400 m2. De bestaande loods heeft een oppervlakte van 18,10 x 11,70 = 211,8 m2. Hiermee wordt de oppervlakte minimaal overschreden. Echter, alle stallen worden gesloopt zodat de volledige overtollige bebouwing gesloopt wordt. De bestaande loods betreft geen overtollige bebouwing. Zie verder onder b. voor een toelichting.

b. In afwijking van het bepaalde onder a geldt ter plaatse van de aanduiding 'bebouwingsconcentratie' dat de oppervlakte aan bedrijfsbebouwing per vrijgekomen agrarische bedrijfslocatie door sloop van overtollige bedrijfsbebouwing dient te worden teruggebracht tot 900 m2, waarbij cultuurhistorisch waardevolle gebouwen gehandhaafd dienen te blijven.

Deze aanduiding is niet van toepassing. Echter, gezien de omgeving is wel feitelijk sprake van een bebouwingsconcentratie. Aan de gestelde oppervlaktenorm wordt ruimschoots voldaan. De ontwikkeling past binnen het beleid ‘Kansen voor Kwaliteit’ waardoor de gewenste ontwikkeling voor wat betreft oppervlakte aanvaardbaar is.

c. Er wordt een bestemmingsvlak en bouwvlak op maat gerealiseerd, rekening houdend met de te slopen voormalige agrarische bedrijfsbebouwing. Het bestemmingsvlak en bouwvlak wordt verkleind tot de benodigde ruimte.

d. Nieuwbouw van de bedrijfsgebouwen is toegestaan, indien aangetoond wordt dat de bestaande bebouwing ongeschikt is voor de uitoefening van de beoogde functie.

Zoals eerder aangegeven is de nieuwe loods nodig voor de hoveniersactiviteiten. In de bestaande loods is hier te weinig ruimte voor.

e. Alleen bedrijven, die voorkomen in categorie 1 en 2 van de Staat van Bedrijfsactiviteiten zijn toegestaan, alsmede bedrijven in categorie 3.1 voor zover deze naar aard en invloed op de omgeving vergelijkbaar zijn met bedrijven in categorie 2.

Een hoveniersbedrijf met een bedrijfsoppervlakte van meer dan 500 m² valt in categorie 3.1. De oppervlakte wordt vooral bepaald door het teeltveld. Dit veld heeft geen negatieve invloed op de naaste omgeving. Het veld heeft een oppervlakte van 40 x 50 meter. Op de verbeelding krijgt het veld de functieaanduiding ‘containerveld (onverhard)’. In de naaste omgeving is overigens reeds een hoveniersbedrijf gevestigd.

f.

Buitenopslag en detailhandel zijn niet toegestaan.

Detailhandel is niet aan de orde. Een (beperkte) buitenopslag voor zand, grind en stenen ten behoeve van de hoveniersactiviteiten is noodzakelijk. Deze opslag wordt uit het zicht gerealiseerd. In artikel 6.5.2 Buitenopslag van het bestemmingsplan is de mogelijkheid tot het verlenen van een omgevingsvergunning ten behoeve van buitenopslag opgenomen. Verderop wordt getoetst aan de afwijkingsmogelijkheid.

g. Het agrarisch bedrijf ter plaatse is beëindigd en agrarisch hergebruik is niet langer mogelijk.

Gezien de beperkte oppervlakte van 1,5 ha is er geen sprake van een reëel agrarisch bedrijf.

h. Er is geen sprake van onevenredige milieuhygiënische belemmeringen.

Deze belemmeringen zijn niet aanwezig. Dit is uitvoerig getoetst in onderhavige ruimtelijke onderbouwing.

i.

De vestiging van het bedrijf leidt niet tot onevenredige aantasting van gebruiks- en ontwikkelingsmogelijkheden van de naastgelegen percelen.

De activiteiten leiden niet tot een onevenredige aantasting van gebruiks- en ontwikkelingsmogelijkheden van de naastgelegen percelen. Er zijn enkel transportbewegingen van busjes/personenwagens met aanhanger en sporadisch vrachtwagens.

13

j.

De vestiging van het bedrijf mag geen onevenredige publieks- en/of verkeersaantrekkende werking tot gevolg hebben.

Zie toelichting onder i.

k. De wijziging gaat gepaard met een aantoonbare en uitvoerbare fysieke verbetering van de aanwezige of potentiële kwaliteiten van bodem, water, natuur, landschap of cultuurhistorie of van extensieve recreatieve mogelijkheden van het plangebied overeenkomstig de regeling kwaliteitsverbetering landschap Sint-Oedenrode zoals opgenomen in bijlage 06 van de planregels. Door de beëindiging van de varkenshouderij is er zonder meer sprake van grote verbetering. Er is immers geen sprake meer van geur, ammoniak en fijnstofemissies en veel minder zwaar vrachtverkeer.

l.

In aanvulling op het bepaalde onder c mag de oppervlakte van het bestemmingsvlak niet meer bedragen dan 1,5 ha tenzij de locatie is gelegen ter plaatse van de aanduiding 'overige zone - groenblauwe mantel'. In dat geval mag de oppervlakte van het bestemmingsvlak niet meer dan 5000 m2 bedragen.

De locatie is niet gelegen in de groenblauwe mantel.

Artikel 6.5.2 Buitenopslag Burgemeester en wethouders zijn bevoegd een omgevingsvergunning te verlenen voor het afwijken van de regels voor het toestaan van (permanente) buitenopslag, waarbij moet worden voldaan aan de volgende voorwaarden: a) Het toepassen van de afwijking mag geen onevenredige beperking opleveren van de bestaande bedrijfsvoering/bedrijfsontwikkeling van omliggende (agrarische) bedrijven tot gevolg hebben. De buitenopslag levert geen beperkingen op voor omliggende bedrijven. De opslag vindt binnen het huidige en toekomstige bouwvlak plaats. De VNG-bedrijvengids geeft een richtafstand voor geluid van 30 meter en stof van 10 meter. De meest nabijgelegen woning, Hoogstraat 63, ligt op meer dan 30 meter.

b) Er is geen sprake van onevenredige milieuhygiënische belemmeringen.

De opslag van zand, grind en stenen brengt geen milieuhygiënische belemmeringen met zich mee. De materialen zijn niet verontreinigd en worden opgeslagen op een verharde ondergrond. Van uitspoelende verontreinigende stoffen zal daarom geen sprake zijn. Aan de richtafstanden conform de VNG-bedrijvengids wordt voldaan.

c) Ten minste 10% van de oppervlakte wordt aangewend voor een goede landschappelijke inpassing op basis van een erfbeplantingsplan.

Het nieuwe bouwvlak heeft een oppervlakte van 5.150 m². Dit betekent een oppervlakte aan landschappelijke inpassing van minimaal 515 m². Hieraan wordt voldaan. Het landschappelijk inpassingsplan is toegevoegd als bijlage.

Element Struweel Beukenhaag 1 Beukenhaag 2 Bomenrij Bomengroep Totaal

Oppervlakte in m² 800 90 80 300 300 1.570

d) De hoogte mag niet meer bedragen dan 5 meter.

De hoogte wordt maximaal op 5 meter gehouden.

De opslag zal op de verbeelding de functieaanduiding ‘opslag’ krijgen. 14

Een klein gedeelte van het teeltveld geldt het bestemmingsplan Buitengebied Sint-Oedenrode dat is vastgesteld op 15 maart 2012. Het betreft een strook dat valt buiten het huidige bouwvlak. Deze strook heeft de enkelbestemming ‘Agrarisch’, de dubbelbestemming ‘Waarde – Archeologie 1 (hoge verwachting)’ en de gebiedsaanduiding ‘reconstructiewetzone - landbouwontwikkelingsgebied’. Hier is geen wijzigingsbevoegdheid voor opgenomen.

15

4 Milieuhygiënische en planologische verantwoording De ruimtelijke aspecten stedenbouw en landschap, verkeer en infrastructuur, cultuurhistorie, archeologie en externe veiligheid komen in dit hoofdstuk aan bod. De voorgenomen ruimtelijke ontwikkeling wordt getoetst aan het beleid omtrent deze aspecten.

4.1 M.e.r.-beoordeling In het Besluit milieueffectrapportage (Besluit m.e.r.) zijn categorieën opgenomen waarvoor het opstellen van een milieueffectrapport of een m.e.r.-beoordeling verplicht is. De nieuwe activiteiten zijn in het besluit niet opgenomen als m.e.r.-(beoordelings)plichtig.

4.2 Cultuurhistorie en archeologie Het ‘verdrag van Malta’, Europees Verdrag inzake de bescherming van het archeologisch erfgoed, is in 1998 bekrachtigd in Nederland. Dit verdrag krijgt binnen Nederland vorm middels de Wet op de archeologische monumentenzorg. De Nota Belvedère geeft aan dat bij ruimtelijke ontwikkelingen rekening gehouden moet worden met eventuele cultuurhistorie ter plaatse. De nota en het verdrag leiden ertoe dat de provincie in haar beleid het cultuurhistorisch en archeologisch erfgoed moet beschermen. Met de komst van de Wet ruimtelijke ordening en de Wet op de archeologische monumentenzorg ligt de verantwoordelijkheid voor de bescherming en het behoud van cultuurhistorische en archeologische waarden voornamelijk bij gemeenten. Zij zorgen ervoor dat het beleid op de juiste wijze wordt uitgevoerd.

Cultuurhistorie

Om cultuurhistorisch erfgoed te kunnen beschermen en behouden heeft de Provincie Noord-Brabant de Cultuurhistorische Waardenkaart opgesteld. Deze kaart bevat informatie over archeologische en bouwkundige monumenten, archeologische verwachtingswaarden en met beschermde stads- en dorpsgezichten. De cultuurhistorische waarden worden verwerkt in het provinciaal beleid. Hieronder is een uitsnede van de cultuurhistorische waardenkaart weergegeven. Hieruit blijkt dat de locatie is gelegen in een cultuurhistorisch waardevol landschap, de regio Meierij, het Groene Woud. De bewoningsgeschiedenis en de inrichting van de regio zijn in hoge mate bepaald door de natuurlijke terreingesteldheid. De indeling in agrarische gebruikseenheden (akkers, graslanden en woeste gronden) is op veel plaatsen nog goed herkenbaar. In combinatie met de dorpen en buurtschappen en de plaatselijk aanwezige kleinschaligheid verleent dit het gebied een grote landschappelijke en cultuurhistorische waarde. Twee andere aspecten die het landschap van de Meierij kenmerken zijn de landgoederen en buitenplaatsen en de populierenteelt. Een essentieel aspect van de regio is de ligging van het Groene Woud binnen het gebied. Het Groene Woud is aangewezen als Nationaal Landschap. Kenmerkend is de opbouw van het gebied in beekdalen en dekzandplateaus en de inrichting die nauw gerelateerd is aan de terreingesteldheid.

Kleinschalige middeleeuwse ontginningslandschappen worden afgewisseld met uitgestrekte bossen, heidevelden, zandverstuivingen en jonge ontginningen. Specifieke elementen zijn laanstructuren, kastelen en buitenplaatsen en watermolens. De ontwikkeling doet echter geen afbreuk aan deze cultuurhistorische waarden. De nieuwe bebouwing is gesitueerd op het huidige erf. Het teeltveld ligt nagenoeg helemaal binnen het huidige bouwvlak. De oppervlakte aan bebouwing neemt af. In het kader van cultuurhistorie zijn dan ook geen belemmeringen aanwezig voor de gewenste ontwikkeling.

16

Afbeelding 7: Uitsnede kaart Cultuurhistorische waardenkaart, provincie Noord-Brabant

Archeologie

Zoals te zien op de Cultuurhistorische waardenkaart van de provincie is de locatie gelegen in een archeologisch landschap. Het archeologische beleid van de gemeente Meierijstad is opgenomen in de bestemmingsplannen. De locatie heeft de dubbelbestemming ‘Waarde – Archeologie 1’. De voor 'Waarde – Archeologie 1' aangewezen gronden zijn, behalve voor de andere daar voorkomende bestemming, mede bestemd voor het behoud en de bescherming van de hoge archeologische verwachtingswaarden van de gronden. Voor het bouwen van bouwwerken groter dan 200 m² en dieper dan 0,5 m, dient een rapport te worden overlegd waarin de archeologische waarden van de gronden die blijkens de aanvraag zullen worden verstoord, naar oordeel van het bevoegd gezag in voldoende mate zijn vastgesteld. Dit geldt niet voor bouwen binnen het bouwvlak of indien aangetoond kan worden dat de grond reeds geroerd is. Bij onderhavige ontwikkeling geldt dat de bouw binnen het huidige bouwvlak plaatsvindt, waarvan rederlijkerwijs aangenomen kan wroden dat dit gedeelte al verstoord is. Met het aanleggen van het teeltveld, dat het huidige bouwvlak voor een klein gedeelte te buiten gaat, wordt de grond niet dieper geroerd dan 0,5 meter. Een archeologisch onderzoek is derhalve niet noodzakelijk.

Toevallige vondsten

Indien tijdens graaf- en/of bouwwerkzaamheden toevallige vondsten gedaan worden geldt artikel 5.10 uit de Erfgoedwet 2016.

Artikel 5.10 Archeologische toevalsvondst 1. Degene die anders dan bij het verrichten van opgravingen een vondst doet waarvan hij weet dan wel redelijkerwijs moet vermoeden dat et een archeologische vondst betreft, meldt dit zo spoedig mogelijk bij Onze minister.

17

Afbeelding 8: Uitsnede verbeelding bestemmingsplan

4.3 Natuur Onderstaand worden diverse aspecten met betrekking tot natuur- en groene wetgeving getoetst. De effecten van de ruimtelijke ontwikkeling op natuuraspecten worden hiermee in kaart gebracht.

Natura 2000-gebieden

Het plangebied is niet gelegen in een Natura 2000-gebied. Op 18 oktober 2014 is een OBM met vvgb verleend voor de locatie. In de regels bij het bestemmingsplan kan worden vastgelegd dat de stikstofdepositie op de beschermde gebieden in de beoogde situatie de vergunde depositie niet te boven mag gaan.

Natuurnetwerk Nederland

Het dichtstbij gelegen gebied behorende tot Natuurnetwerk Nederland is gelegen op circa 630 meter ten zuiden van het plangebied. Zie hiervoor onderstaande afbeelding. De nieuwe ontwikkeling zorgt niet voor verlies van oppervlakte, versnippering of andere negatieve effecten op het gebied.

18

Afbeelding 9: Ligging Natuurnetwerk Nederland (bron: kaartbank.brabant.nl)

Flora en Fauna

In zijn algemeenheid is bij ruimtelijke ingrepen sprake van directe, indirecte, tijdelijke en permanente effecten. Onder directe effecten worden effecten verstaan waarmee planten en dieren rechtstreeks te maken krijgen als gevolg van de ontwikkeling. Verlies van habitat en kwaliteit zijn directe effecten en bovendien permanent. Indirecte effecten betreffen onder andere verstoring, waarbij de aanwezigheid van mensen, licht en geluid een rol speelt. Verstoringen tijdens bouwwerkzaamheden zijn tijdelijk, maar verstoringen kunnen ook een permanent karakter hebben. De Wnb kent drie algemene beschermingsregimes waarin de voorschriften van de Vogelrichtlijn, Habitatrichtlijn en twee verdragen (Bern en Bonn) zijn geïmplementeerd en waarin aanvullende voorschriften zijn gesteld voor de dier- en plantensoorten die niet onder die specifieke voorschriften vallen, maar wel bescherming behoeven: 

Vogels Dit betreffen alle vogels in de zin van de Vogelrichtlijn (paragraaf 3.1 van de Wnb) en de onder de voormalige Flora- en faunawet benoemde vogelsoorten waarvan het nest jaarrond werd beschermd. Voor een aantal vogelsoorten geld dat hun nesten jaarrond beschermd zijn, ook als de soort op het moment van de handeling geen gebruik maakt van het nest. Dit is het geval wanneer een vogelsoort jaarlijks terugkeert naar zijn nest en niet of nauwelijks in staat is om elders in zijn leefgebied een vervangend nest te vinden of te maken.

Internationaal beschermde soorten

Dit betreffen alle dieren en planten, genoemd in de bijlagen bij de Habitatrichtlijn en de verdragen van Bern en Bonn (paragraaf 3.2 van de Wnb);

Overige beschermde soorten

Dit betreffen soorten genoemd in de bijlage bij de Wnb, die niet onder de reikwijdte van paragraaf 3.2 vallen (paragraad 3.3. van de Wnb). Hieronder vallen onder meer de ‘algemene’ soorten die onder de voormalige Flora- en faunawet bij ruimtelijke ingrepen waren vrijgesteld. Vrijwel al deze soorten zijn door alle provincies eveneens voor ruimtelijke ingrepen vrijgesteld (een uitzondering geldt bijvoorbeeld voor de mol, die onder de Wnb niet meer is beschermd). Provincies hebben de bevoegdheid om bij provinciale verordening vrijstelling te verlenen voor nationaal beschermde soorten. Er is dan geen ontheffing nodig voor werkzaamheden. Voor soorten die ook niet in de bijlagen van de Wnb worden genoemd, fungeert de zorgplichtbepaling (artikel 1.11 Wnb) als vangnet.

19

Eventuele schade aan in het wild levende planten en dieren dient beperkt te worden middels het nemen van mitigerende maatregelen. Als mitigatie niet voldoende is om schade te voorkomen is het verplicht de resterende schade te compenseren. Te allen tijde is sprake van een zorgplicht. Deze is opgenomen in artikel 1.11 Wnb en voorziet in een algemene verplichting voor een ieder om voldoende zorg te dragen voor Natura 2000-gebieden, bijzondere nationale natuurgebieden en voor in het wild levende dieren en planten en hun directe leefomgeving. Het betreft niet alleen dieren en planten van soorten waarvoor de Vogelrichtlijn en de Habitatrichtlijn specifieke beschermingsmaatregelen eisen, maar alle in het wild levende dieren en planten. De zorgplicht houdt in elk geval in dat een ieder die weet of redelijkerwijs kan vermoeden dat door zijn handelen of nalaten nadelige gevolgen kunnen worden veroorzaakt voor een Natura 2000gebied, een bijzonder nationaal natuurgebied of voor in het wild levende dieren en planten: 1. dergelijke handelingen achterwege laat, dan wel, 2. indien dat achterwege laten redelijkerwijs niet kan worden gevergd, de noodzakelijke maatregelen treft om die gevolgen te voorkomen, of 3. voor zover die gevolgen niet kunnen worden voorkomen, deze zoveel mogelijk beperkt of ongedaan maakt.

In het kader van de vereiste kwaliteitsverbetering wordt extra beplanting gerealiseerd. Dit biedt extra mogelijkheden als leef- en vestigingsplaatsen voor beschermde diersoorten. Voor de locatie is een quickscan soortenbescherming uitgevoerd. De quickscan bevat een inventarisatie van de huidige aanwezigheid van beschermde soorten planten en dieren in en om het plangebied. Tevens worden de te verwachten effecten van de ingreep in het plangebied beoordeeld. Het rapport is bijgevoegd. Hieronder is de conclusie uit het rapport weergegeven.

4.4 Water Het nationale kader ten aanzien van water is vastgelegd in het Nationaal Waterplan 2016-2021 en vervangt het Nationaal Waterplan 2009-2015 én de partiële herzieningen hiervan. Op basis van de Waterwet (vastgesteld op 22 december 2009) is het Nationaal Waterplan voor de ruimtelijke aspecten tevens een structuurvisie. Met de Waterwet heeft het Rijk invulling gegeven aan de Europese Kaderrichtlijn Water. De taak van de provincies is het nationale Waterplan te vertalen in provinciaal beleid. In de Structuurvisie Ruimtelijke Ordening van de provincie Noord-Brabant zijn bepalingen opgenomen ter bevordering van een robuust en veerkrachtig water- en natuursysteem, een betere waterveiligheid door preventie en de koppeling van waterberging en droogtebestrijding. De watertoets en hoe hiermee om te gaan zijn beschreven in het Provinciaal Water Plan. De gemeenten en de waterschappen dienen hun beleid te baseren op dit Provinciaal Water Plan. De watertoets is van toepassing verklaard op ruimtelijke plannen. Vanaf 1 november 2003 is deze juridisch verankerd in het Besluit op de ruimtelijke ordening (Bro). Het doel van de watertoets is te

20

waarborgen dat waterhuishoudkundige doelstellingen expliciet en op evenwichtige wijze meewegen bij alle ruimtelijke plannen en besluiten die relevant zijn voor de waterhuishouding.

Beleid Rijk

Op 10 december 2015 hebben de minister van Infrastructuur en Milieu en de staatssecretaris van Economische Zaken het Nationaal Waterplan vastgesteld. In het nieuwe Nationaal Waterplan staan 5 ambities centraal. Nederland moet de veiligste delta in de wereld blijven. Deze ambitie wordt vooral ingevuld door de veiligheidsnormen tegen overstromingen te vernieuwen. Het kabinet kiest voor een grotere inzet op verbetering van de waterkwaliteit (meststoffen, bestrijdingsmiddelen, medicijnresten, microplastics), zodat de Nederlandse wateren schoon en gezond zijn en er genoeg zoet water is. Verder wil het kabinet dat Nederland klimaatbestendig en waterrobuust wordt ingericht, dat Nederland een gidsland is en blijft voor watermanagement en -innovaties. Dat is gunstig voor onze economie en ons verdienvermogen. Tot slot wil het kabinet stimuleren dat Nederlanders waterbewust leven. Het Nationaal Waterplan verankert het nieuwe waterbeleid voor de komende 6 jaar met een vooruitblik naar 2050. Onderdeel zijn de Deltabeslissingen, de Beleidsnota Noordzee met ruimtelijk plan, de verankering van waterafspraken uit het Energieakkoord, de Natuurvisie, de Internationale Waterambitie en de plannen en maatregelenprogramma’s waarmee we voldoen aan de Europese eisen voor waterkwaliteit, overstromingsrisico's en het mariene milieu.

Provincie

Op 18 december 2015 hebben Provinciale Staten het Provinciaal Milieu- en Waterplan 2016 – 2021 (PMWP) vastgesteld. Met het PMWP draagt de provincie bij aan een Brabant waar mens, plant en dier gezond en prettig kunnen leven, met ruimte voor een elkaar versterkende economische, maatschappelijk en ecologische ontwikkeling. Met andere woorden:  voldoende water voor mens, plant en dier;  schone en gezonde leefomgeving (bodem, water en lucht);  bescherming van Brabant tegen overstromingen en externe risico’s;  verduurzaming van onze grondstoffen-, energie- en voedselvoorziening. De provincie wil deze doelen realiseren in samenwerking met haar partners op basis van gezamenlijke verantwoordelijkheid. De zorg voor een duurzaam schone en veilige fysieke leefomgeving staat centraal in dit Provinciaal Milieu- en Waterplan. De Agenda van Brabant plaatst provinciaal beleid in dienst van gezondheid, biodiversiteit, sociale ontwikkeling en een innovatieve, duurzame economie. Het Provinciaal Milieuplan 2012-2015 en het Provinciaal Waterplan 2010-2015 gaven hieraan de afgelopen jaren invulling. Het Provinciaal Milieu- en Waterplan (PMWP) 2016-2021 integreert de milieu- en de wateropgave. Het zet de nieuwe koers uit voor de provinciale inzet met betrekking tot water, bodem, lucht en de overige milieuaspecten.

De locatie heeft de functie ‘water voor het landelijk gebied’ (zie onderstaande afbeelding). Het waterbeheer richt zich op een goede waterhuishouding voor een duurzame en concurrerende landbouw. Randvoorwaarden zijn de verplichtingen uit de Kaderrichtlijn Water en afstemming met de maatregelen voor de Natura 2000-gebieden en de Natte natuurparels. Voor het overige geldt geen specifiek beschermingsbeleid. De locatie is gelegen in een boringsvrije zone. Dit vormt geen belemmering voor onderhavige ontwikkeling.

21

Afbeelding 10: Kaart Gezondheid 1 Provinciaal Milieu- en Waterplan 2016 - 2021

Waterschap

Het waterkwaliteitsbeheer en het waterkwantiteitsbeheer is in Sint-Oedenrode in handen van Waterschap De Dommel en de gemeente Meijerijstad. In 2015 is het Waterbeheerplan 2016-2021 ‘Waardevol water’. Samen meer waarde geven aan water vastgesteld en vanaf 1 januari 2016 actueel. In het Waterbeheerplan zijn vier uitgangspunten geformuleerd die richting geven aan de plannen en oplossingen. 1. 2. 3. 4.

De beekdalbenadering De gebruiker centraal Samen sterker Gezonde toekomst

De werkzaamheden die voortvloeien uit de verplichtingen en gemaakte afspraken, is onder te verdelen in de volgende thema’s: • Droge voeten: voorkomen van wateroverlast in het beheergebied (onder meer door het aanleggen van waterbergingsgebieden en het op orde brengen van regionale keringen); • Voldoende water: zowel voor de natuur als de landbouw is het belangrijk dat er niet te veel en niet te weinig water is. Daarvoor reguleert het waterschap het grond- en oppervlaktewater; • Natuurlijk water: zorgen voor flora en fauna in en rond beken en sloten door deze waterlopen goed in te richten en te beheren; • Schoon water: zuiveren van afvalwater en vervuiling van oppervlaktewater aanpakken en voorkomen; • Mooi water: stimuleren dat mensen de waarde van water beleven, door onder meer recreatief gebruik. De Keur bevat de regels en vult daarmee de regels uit de Waterwet aan om daarmee de doelstellingen zoals opgenomen in het Waterbeheerplan te kunnen realiseren. De Keur is zowel van toepassing op de rivieren, beken, sloten, grondwater en waterkeringen die in beheer zijn bij het waterschap als particulieren en bedrijven. De drie Brabantse waterschappen, Aa en Maas, De Dommel en Brabantse Delta hebben hun keuren geharmoniseerd. Als onderdeel van dit harmonisatietraject hanteren de waterschappen sinds 1 maart 22

2015 dezelfde (beleids)uitgangspunten voor het beoordelen van plannen waarbij het verhard oppervlak toeneemt. Bij een toename en afkoppelen van het verhard oppervlak geldt het uitgangspunt dat plannen zoveel mogelijk hydrologisch neutraal worden uitgevoerd. Het doel van dit uitgangspunt is om te voorkomen dat hemelwater als gevolg van uitbreiding van het verhard oppervlak versneld op het watersysteem wordt geloosd. Voor lozingen op een oppervlaktewater eist het Waterschap daarom een vervangende berging, die de extra afvoer van het nieuwe verharde oppervlak als het ware neutraliseert. Gemeenten stellen vanuit hun eigen verantwoordelijkheid voorwaarden aan de afvoer via een rioleringsstelsel. Met behulp van een eenvoudige rekenregel uit de Algemene Regel (Artikel 15 Afvoer hemelwater door verhard oppervlak), behorend bij de Keuren van de drie Brabantse waterschappen, kan de vereiste compensatie voor een specifieke locatie berekend worden. Deze rekenregel geldt voor een toename van het verhard oppervlak van tenminste 500 m2 en maximaal 10.000 m2. In de beoogde situatie is sprake van een toename van verhard oppervlak. Het oppervlak inclusief teeltveld neemt toe met circa 900 m².

Op verzoek van het waterschap toetst de gemeente bij aanvraag van de omgevingsvergunning aan artikel 3.5 van de Waterwet en legt vast dat het regenwater afkomstig van het teeltveld wordt opgevangen en verwerkt op eigen terrein.

Bestaande situatie waterhuishouding

In de bestaande situatie wordt het huishoudelijk afvalwater afkomstig van de woning afgevoerd via het riool. Het bedrijfsafvalwater gaat naar de mestkelder. Het schoon-hemelwater vloeit gedeeltelijk af naar de omliggende gronden en infiltreert daar in de bodem. Het overige wordt richting de aangrenzende sloten geleid.

Toekomstige situatie waterhuishouding

In de toekomstige situatie wordt het huishoudelijk afvalwater afkomstig van de woning en schoonhemelwater op dezelfde wijze afgevoerd als in de bestaande situatie. Het bedrijfsafvalwater wordt geloosd op het riool. De erfverharding en daken van de bebouwing worden zorgvuldig schoongehouden zodat het hemelwater niet verontreinigd wordt en het zonder problemen kan infiltreren/afvloeien en opgevangen. Daarnaast wordt gebruik gemaakt van niet-uitlogende materialen.

4.5 Bodem Wettelijke basis

In het Besluit ruimtelijke ordening (artikel 3.1.6 lid 1 onder d) is bepaald dat voor de uitvoerbaarheid van een plan rekening gehouden moet worden met de bodemgesteldheid in het plangebied. Bij functiewijzigingen dient te worden bepaald of de bodemkwaliteit voldoende is voor de beoogde functie en moet worden bepaald of nader onderzoek en eventueel saneringen noodzakelijk zijn. In de Wet bodembescherming is bepaald dat indien de desbetreffende bodemkwaliteit niet voldoet aan de norm voor de beoogde functie, de grond zodanig dient te worden gesaneerd dat zij kan worden gebruikt door de desbetreffende functie (functiegericht saneren). Nieuwe bestemmingen dienen bij voorkeur op schone grond te worden gerealiseerd.

De tekst is automatisch uit het bestand gehaald en kan afwijken van het origineel (kolommen, tabellen en koppen lopen door elkaar). Het officiële stuk bij de gemeente is leidend. Bron: https://api1.ibabs.eu/publicdownload.aspx?site=Meierijstad&id=0382aca8-1f53-4a19-8f88-b6d0a64594c5